Reactie op verzoek commissie over de briefing van Amnesty International inzake uitbuiting arbeidsmigranten in Saoedi-Arabië
Mensenrechten in het buitenlands beleid
Brief regering
Nummer: 2026D04628, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-02 09:45, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 32735 -424 Mensenrechten in het buitenlands beleid.
Onderdeel van zaak 2026Z02001:
- Indiener: A. de Vries, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
- 2026-02-04 00:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-12 13:30: Procedurevergadering Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (Procedurevergadering), vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
Preview document (🔗 origineel)
Geachte voorzitter,
Op 18 december jl. ontving ik een verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp om een kabinetsreactie op de briefing ‘Nederlandse bedrijven zijn gewaarschuwd. Uitbuiting arbeiders bij bouw metro in Riyad toont grote mensenrechtenrisico’s in Saudi-Arabië’ van Amnesty International. Amnesty International deed voor het rapport ‘Nobody wants to work in these situations – A decade of exploitation on the Riyadh metro project’ onderzoek naar de inzet van arbeidsmigranten bij dit project in Saoedi-Arabië.
Amnesty International wijst op verschillende projecten die in Saoedi-Arabië in ontwikkeling zijn in voorbereiding op het WK voetbal in 2034 en andere grote evenementen en doet in de briefing een aantal aanbevelingen aan de Nederlandse overheid. In deze brief geef ik een reactie op de aanbevelingen.
Dialoog met Saoedi-Arabië
Het kabinet onderschrijft het belang dat internationaal opererende bedrijven maatschappelijk verantwoord ondernemen. Veel Nederlandse ondernemers zien ook het belang in van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) voor hun onderneming en zijn actief bezig met het verduurzamen van hun waardeketen.
De onderwerpen die in het rapport van Amnesty International worden genoemd, waaronder de situatie van arbeidsmigranten, maken onderdeel uit van de structurele mensenrechtendialoog die Nederland binnen de bredere bilaterale relatie met Saoedi-Arabië onderhoudt. IMVO, waar mensenrechten een integraal onderdeel van vormen, wordt bij Nederlandse bedrijven die deelnemen aan handelsmissies naar Saoedi-Arabië actief onder de aandacht gebracht. De overheid van Saoedi-Arabië werkt samen met de VN, waaronder de International Labour Organization (ILO) aan het verbeteren van de arbeidsrechten en de arbeidsomstandigheden in Saoedi-Arabië op basis van internationale normen. Dit heeft geleid tot sterke verbetering in de wetgeving op dit punt, waarbij implementatie en handhaving in bepaalde gevallen een aandachtspunt zijn. Nederland ondersteunt de VN en ILO in hun samenwerking met de Saudische autoriteiten. Daarnaast richt Nederland zich op voorlichting van zowel de Nederlandse als de Saudische private sector over mensenrechten en relevante wetgeving. Ook is een medewerker op de ambassade in Riyad gestationeerd die naast de hiervoor genoemde activiteiten een specifieke rol heeft in de versterking van de capaciteit van de Nederlandse posten in de regio op het gebied van IMVO.
Reactie op aanbevelingen
Amnesty International roept de Nederlandse overheid op in zes aanbevelingen om:
1. Ervoor te zorgen dat bedrijven mensenrechten respecteren door wetgeving aan te nemen in lijn met de UN Guiding Principles en de OESO-richtlijnen. De wet moet de verplichting bevatten voor bedrijven om mensenrechten-due diligence toe te passen in de hele waardeketen en verhoogde due diligence voor bedrijven die opereren in hoge-risico- en conflictgebieden.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij internationaal zakendoen in lijn met de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s). Het IMVO-beleid bestaat uit een doordachte mix van elkaar versterkende maatregelen die verplichten, voorwaarden stellen, verleiden, vergemakkelijken en voorlichten op basis van de OESO-richtlijnen.1 Nederland implementeert Europese IMVO-wetgeving, zoals de Anti-dwangarbeidverordening en de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD). Op 9 december 2025 is in de EU een voorlopig politiek akkoord bereikt over het Omnibus I-pakket met aanpassingen aan de CSDDD.2 Het kabinet zet geen nationale koppen op Europese wetgeving. Dat geldt ook voor de CSDDD, die zuiver en lastenluw zal worden geïmplementeerd. Dit draagt bij aan het beperken van regeldruk en aan het gelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven.
In het voorlopig politiek akkoord over de CSDDD is mede dankzij Nederlandse inzet de risicogebaseerde benadering verankerd, die aansluit bij de OESO-richtlijnen en UNGP’s. Dit houdt in dat bedrijven die onder de reikwijdte van de CSDDD vallen zich met gepaste zorgvuldigheid (‘due diligence’) moeten richten op activiteiten met de grootste risico’s op negatieve gevolgen voor mens en milieu binnen hun keten. Hierbij dienen zij ook rekening te houden met activiteiten in hoge-risico- en conflictgebieden. De Europese Commissie zal tevens richtsnoeren publiceren om bedrijven die in zulke gebieden ondernemen te ondersteunen bij hun gepaste zorgvuldigheid.
2. Het handelsbeleid in lijn te brengen met de Nederlandse mensenrechtenverplichtingen. Dit betekent dat de overheid bij de keuze van prioriteitslanden zijn eigen mensenrechten-due diligence moet uitvoeren en rekening moet houden met de mensenrechtenrisico’s voor bedrijven en de algemene mensenrechtencontext in die landen.
Het Nederlandse handelsbeleid is gebaseerd op balans: het versterken van het internationale verdienvermogen gaat hand in hand met het blijvend engageren met landen in een bredere bilaterale relatie. De Nederlandse inzet op mensenrechten vormt een integraal onderdeel van deze bilaterale relatie.
Bij de keuze voor prioriteitslanden spelen onder andere geopolitieke, veiligheids- en economische overwegingen een rol. Sterke economische relaties bieden ruimte om binnen deze bredere bilaterale relatie het gesprek over mensenrechten te voeren. Het bestaan van mensenrechtenrisico’s betekent daarbij niet automatisch dat economische samenwerking moet worden beëindigd; de-engagement kan de mogelijkheden om invloed uit te oefenen en verbeteringen te bevorderen juist beperken. Dat uitgangspunt stemt geheel overeen met de verwachtingen van bedrijven op grond van IMVO-wetgeving en -normen, namelijk om hun invloed aan te wenden om risico’s aan te pakken. Daarom is IMVO standaard onderdeel van het gesprek in bilaterale economische consultaties. Daarbij wordt, waar sprake is van verhoogde mensenrechtenrisico’s, ingezet op betrokkenheid van (lokale) maatschappelijke organisaties en vakbonden in het missieprogramma.
3. Ervoor te zorgen dat, wanneer de overheid projecten met mensenrechtenrisico’s promoot, bedrijven adequate maatregelen nemen om die risico’s te beperken. Als de overheid niet in staat is dergelijke waarborgen in te stellen, dan moet het die projecten niet promoten.
De Nederlandse overheid hanteert een combinatie van voorwaarden, instrumenten en activiteiten om bedrijven te ondersteunen bij IMVO en de toepassing van gepaste zorgvuldigheid. Bedrijven worden voorgelicht over het belang van IMVO en over lokale risico’s en manieren om die risico’s te mitigeren. Ook kunnen bedrijven met een hulpvraag terecht bij onze ambassades en het MVO-steunpunt van RVO.
Bij handelsmissies naar landen waar mensenrechtenrisico’s spelen kunnen maatschappelijke organisaties betrokken worden bij de voorlichting aan bedrijven, bijvoorbeeld via het Breed Mensenrechten Overleg. Daarnaast hanteert Nederland voor de financiering/verzekeringsinstrumenten een streng milieu- en sociaal beleid. Wanneer bedrijven financiering aanvragen bij onze uitvoerders zorgen deze partners voor monitoring bij grote of risicovolle projecten om zeker te zijn dat internationale standaarden worden nageleefd. Op deze manier worden er verscheidende instrumenten ingezet om bedrijven bewust te maken en te ondersteunen bij de toepassing van gepaste zorgvuldigheid. Uiteindelijk dragen bedrijven zelf verantwoordelijkheid om te ondernemen volgens de OESO-richtlijnen.
4. Richtlijnen en voorwaarden te ontwikkelen voor overheidsbetrokkenheid en voor bedrijven die (willen) opereren in gebieden met een groot risico, waaronder de voorwaarde van verplichting voor verhoogde mensenrechten-due diligence.
Het toepassen van gepaste zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten is verankerd in de OESO-richtlijnen, waarbij geldt dat in hoog-risicocontexten een intensievere invulling van gepaste zorgvuldigheid wordt verwacht. Aan deze OESO-richtlijnen heeft de Nederlandse overheid zich gecommitteerd. Om de communicatie over bestaande instrumenten op dit gebied te verbeteren zal dit jaar een handreiking worden gepubliceerd voor conflictsensitief ondernemen. Deze biedt Nederlandse bedrijven handvatten om hun gepaste zorgvuldigheidsprocessen aan te scherpen.
5. Duidelijke mensenrechten-due diligence-voorwaarden te ontwikkelen en te communiceren voor overheidssteun voor bedrijven met (geplande) activiteiten in gebieden met een groot risico. Dat betekent dat bedrijven die deel willen nemen aan handelsmissies of financiële steun willen krijgen, moeten laten zien dat zij geloofwaardige mensenrechten-due diligence stappen zetten en hierover publiekelijk rapporteren.
Mensenrechten due-diligence is verankerd in de OESO-richtlijnen die de basis vormen van de IMVO-voorwaarden van het BHO bedrijfsleveninstrumentarium. Hierover wordt duidelijk gecommuniceerd en voorgelicht door de RVO. De voorwaarden zijn gericht op bewustwording en het verbeteren van de verankering van IMVO, niet op uitsluiting van het instrumentarium. In alle gevallen geldt echter wel: als blijkt dat een bedrijf zich niet aan de OESO-richtlijnen houdt en ook niet welwillend is om hier stappen op te zetten, dan kan dit beëindiging (en terugvordering) van de steun of uitsluiting van een handelsmissie of andere activiteit tot gevolg hebben. Daarbij is het kabinet voorstander van transparantie, maar zolang een bedrijf zich houdt aan de toepasselijke wet- en regelgeving (zoals de Corporate Sustainability Reporting Directive, CSRD) is de keuze om hierover publiekelijk te rapporteren een keuze van het bedrijf zelf.
6. Duidelijke en expliciete waarschuwingen te communiceren aan bedrijven over de grote risico’s en mensenrechtenschendingen in Saudi-Arabië, onder andere door onafhankelijke mensenrechtenexperts direct te betrekken bij voorbereidingsbijeenkomsten voorafgaand aan handelsmissies en tijdens handelsmissies zelf. Bedrijven moeten eraan herinnerd worden dat als zij mensenrechtenschendingen veroorzaken of daaraan bijdragen, zij ook de getroffenen schadeloos moeten stellen.
Via de RVO-website wordt gecommuniceerd over de situatie en belangrijkste IMVO-risico’s in de Golfregio. De MVO-risico checker van MVO Nederland kan hier nog meer inzicht in geven. Daarnaast is informatie over de zes stappen van het gepaste zorgvuldigheidsproces beschikbaar, waar herstelmaatregelen onderdeel van uitmaken. Het Breed Mensenrechten Overleg is het platform waar maatschappelijke organisaties kwesties adresseren die meegenomen worden bij de voorlichting aan bedrijven.
Staatssecretaris Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingshulp,
Aukje de Vries