Fiche: Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Brief regering
Nummer: 2026D04649, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-02 10:19, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4240 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.
Onderdeel van zaak 2026Z02008:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-04 00:00: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
Preview document (🔗 origineel)
Fiche 2: Mededeling ‘EU-Agenda voor Steden’
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het
Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's; een
EU-Agenda voor Steden die groei en welvaart bevordert
b) Datum ontvangst Commissiedocument
3 december 2025
c) Nr. Commissiedocument
COM(2025) 739
d) EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52025DC0739&qid=1764927404272
e) Nr. impact assessment Commissie en opinie Raad voor
Regelgevingstoetsing
Niet opgesteld
f) Behandelingstraject Raad
Raad Algemene Zaken
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Ministerie
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
2. Essentie voorstel
Op 3 december 2025 publiceerde de Europese Commissie (hierna: de
Commissie) de EU Agenda voor Steden (hierna: de Agenda).
De Agenda heeft twee hoofddoelen: het versterken van samenwerking door
de belangen van steden beter te integreren in de EU-beleidsvorming, en
het stroomlijnen van de EU-ondersteuning die beschikbaar is voor steden
en stedelijke gebieden.
De Agenda stelt dat de Europese Unie een toenemende verstedelijking kent en een grote diversiteit aan steden en stedelijke gebieden. Ongeveer 75% van de Europese bevolking woont in steden en stedelijke gebieden. Steden implementeren circa 70% van de Europese regelgeving en versterken groei, concurrentievermogen en innovatie. Ze worden daarom door de Commissie beschouwd als ‘essentiële partners’ om EU-beleid uit te voeren en om de EU-prioriteiten voor 2024–2029 te realiseren.
De Commissie benoemt de belangrijkste EU-brede stedelijke ‘actiegebieden’: concurrentievermogen en innovatie, sociale inclusie, veiligheid en weerbaarheid, klimaat en energie, mobiliteit, internationale samenwerking en het tekort aan betaalbare en goede huisvesting.1
De Commissie geeft een uitgebreide opsomming van steun die vanuit Europa aan steden en stedelijke gebieden is en wordt gegeven, waaronder het cohesiebeleid. Ze erkent daarbij dat de stedelijke programma’s en initiatieven gefragmenteerd en moeilijk toegankelijk zijn. De Agenda zal daarom volgens de Commissie inzetten op vereenvoudiging, minder administratieve lasten en betere informatie.
De Commissie komt met een ‘actieagenda’, verdeeld in drie categorieën.
De eerste categorie is de ‘Voortdurende Dialoog’. Vanaf 2026
organiseert de Commissie een jaarlijkse politieke dialoog op hoog
niveau. Lokale bestuurders en publieke en private financiële
instellingen krijgen hier de gelegenheid om rechtstreeks input te
leveren op beleidsdiscussies. Naast politieke discussies organiseert de
Commissie technische consultaties met stedelijke professionals en
relevante diensten van de Commissie. Tijdens deze consultaties kan
worden besproken hoe steden effectief kunnen worden betrokken bij de
voorbereiding en uitvoering van nationale en EU-wetgeving. Er komen
dialogen met het Comité van de Regio’s, het Europees Parlement, publieke
consultaties, gebiedsanalyses en activiteiten gericht op kennisdeling.
Ook de Thematische Partnerschappen van de Urban Agenda for the
EU leveren hiervoor input. Het tweejaarlijkse Cities Forum
netwerkevenement zal blijven plaatsvinden, en er komt een driejaarlijks
State of European Cities Report (het eerste in 2026).
De tweede categorie is ‘Vereenvoudiging en Capaciteitsopbouw’.
De Agenda stelt maatregelen voor om de toegang tot urban
EU-programma’s en financieringsinstrumenten te vereenvoudigen. Op 3
december 2025 is een EU Cities Webportal gestart. Dit portal
wordt in de toekomst onderdeel van een breder, nog op te zetten EU
Cities platform. Binnen het bestaande European Urban
Initiative (EUI) wordt een Cities Helpdesk opgericht die
steden ondersteunt bij het vinden van EU-instrumenten en
financieringsmogelijkheden.
De derde categorie betreft ‘Investeringen’. De steun voor stedelijk
beleid binnen het lopende Meerjarig Financieel Kader (met name via het
Cohesiebeleid) loopt door tot en met 2027. De instrumenten van het
huidige MFK blijven beschikbaar om de stedelijke capaciteit te
versterken. Vanaf 2028 zal, binnen het volgende MFK (2028–2034), naar
verwachting opnieuw financiële steun voor stedelijke ontwikkeling
beschikbaar kunnen komen.
De Commissie moedigt lidstaten aan om bij het financieren van stedelijke
strategieën rekening te houden met de specifieke kenmerken van steden en
stedelijke gebieden, met name bij het invullen van de verplichte
Nationale en Regionale Partnerschap Plannen (NRPP).2 Er
komt geen verplichte oormerking van budget voor duurzame stedelijke
ontwikkeling zoals nu binnen het Europees Fonds voor Regionale
Ontwikkeling het geval is, maar de NRPP moeten initiatieven voor
territoriale en lokale samenwerking ondersteunen, waaronder
geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling.3 De
Commissie geeft aan dat steden daarnaast mogelijk een beroep kunnen doen
op de EU-faciliteit en het Europees Fonds voor Concurrentievermogen bij
de ontwikkeling van innovatieve projecten en investeringen in een schone
transitie.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Nederland kent formeel geen expliciet en vastgesteld stedelijk beleid. De rol van de Rijksoverheid is kaderstellend, stimulerend en financierend: het Rijk bepaalt nationale doelen en kaders voor provincies, waterschappen, regio’s en steden en faciliteert die, ook financieel.
Het Nederlandse beleid voor stedelijke ontwikkeling richt zich op leefbare, gezonde, (sociaal) veilige, duurzame en economisch krachtige steden met ruimtelijke kwaliteit, waarin diensten toegankelijk en betaalbaar zijn voor iedereen, ook voor mensen uit kwetsbare groepen.
De nieuwe (ontwerp-) Nota Ruimte heeft als doel de verschillende regio’s van Nederland te versterken door hun eigen kwaliteiten centraal te stellen, zodat zij elkaar aanvullen en samen bijdragen aan een toekomstbestendig land. Het Rijk maakt hierin keuzes voor het ruimtelijk beleid en de stedelijke ontwikkeling per regio.
Via het Programma NOVEX worden ruimtelijke opgaven gezamenlijk met provincies en regio’s opgepakt, vooral in gebieden waar meerdere nationale opgaven samenkomen en gebiedsgerichte keuzes nodig zijn. Rijk en regio werken daarbij als gelijkwaardige partners. Goede samenwerking en afstemming tussen Rijk, regio’s en steden is essentieel, omdat regio’s niet altijd samenvallen met bestuurlijke grenzen. De Nota Ruimte benadrukt een plaatsgebonden aanpak.
Deze benadering sluit aan bij de Nederlandse visie op het cohesiebeleid na 2027, die door Rijk, provincies en gemeenten gezamenlijk is opgesteld. Hierin staan convergentie tussen regio’s en versterking van Europese concurrentiekracht centraal.4 Nederland benadrukt dat duurzame economische groei, innovatieve ecosystemen en een goed geschoolde beroepsbevolking noodzakelijke randvoorwaarden vormen voor een veerkrachtige stedelijke en regionale ontwikkeling. In deze visie wordt uitgegaan van de noodzaak om de drie grote transities - digitaal, groen en sociaal (arbeidsmarkt) - in samenhang te benaderen.
Steden hebben een belangrijke rol te vervullen in het aanpakken van, en aanpassen aan, klimaatverandering en -adaptatie, de energietransitie en het bestrijden van luchtvervuiling. Met de in 2025 verschenen Hitte aanpak 2025 en Landelijke Nota Gezondheidsbeleid, en de in 2026 uit te brengen herziening van de Nationale Adaptatie Strategie, roept het Rijk gemeenten op om bij de inrichting van de gebouwde omgeving rekening te houden met hitte. Onder de Omgevingswet zijn gemeenten verantwoordelijk voor het bereiken van een aantal omgevingswaarden op het gebied van luchtvervuiling. Er wordt gesproken met medeoverheden, waaronder de grote steden, over de vorm van interbestuurlijke samenwerking voor de implementatie van de herziene richtlijn luchtkwaliteit.
Ook in programma’s als Agenda Stad (City Deals, Town Deals), Regio Deals, het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de programma’s Veilige Steden en Regenboogsteden is vastgelegd dat samenwerking tussen rijk, gemeenten, regio’s en maatschappelijke partners van belang is om complexe stedelijke opgaven te realiseren. De Nederlandse visie sluit tevens aan bij de uitgangspunten van de in de Agenda genoemde inzet op New European Bauhaus waarbij wordt uitgegaan van ruimtelijke kwaliteit als leidend uitgangspunt bij de ruimtelijke transities met behulp van erfgoed en ontwerp. New European Bauhaus draagt bij aan een nieuwe bouwcultuur gericht op leefbare, toekomstbestendige en inclusieve wijken.
Nederlandse steden nemen actief deel aan Europese stedelijke netwerken en innovatieprogramma’s, zoals URBACT, de stedenmissie 100 Klimaatneutrale en Slimme Steden, en het WHO European Healthy Cities Network.56 Nederland is sinds het Pact van Amsterdam in 2016 nauw betrokken bij de uitvoering en ontwikkeling van de Europese Agenda Stad (Urban Agenda for the EU), en kent sindsdien ook een Dutch Urban Envoy die zich in Nederland en Europa inzet voor interbestuurlijke samenwerkingen, betere regelgeving en de positie van steden, stedelijke gebieden en regio’s in Nederland en de EU.
Nederland vindt het belangrijk dat er wordt gewerkt aan de kwaliteit van EU-wet- en regelgeving en aan verbetering van de wijze waarop die wet- en regelgeving tot stand komt. Het aanpakken van onnodige regeldruk is voor dit kabinet een topprioriteit. Dit is mede relevant voor steden en stedelijke gebieden, die een groot deel van EU-regelgeving implementeren en uitvoeren.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet acht het positief dat de Commissie in de Agenda de
stedelijke dimensie van EU-beleid onderschrijft en een toekomstvisie
uitdraagt over de rol van steden en stedelijke gebieden. Het kabinet
onderschrijft dat steden essentieel zijn voor de uitvoering van de grote
transities en bijdragen aan het concurrentievermogen van Nederland. Net
als de Commissie benadrukt het kabinet het belang van burgerparticipatie
en de beginsel van democratie en rechtsstaat, ook op stedelijk niveau.
De ambities van de Agenda zijn in lijn met de ministeriële Verklaring
van Warschau van 21 mei 2025, waarin de lidstaten van de Europese Unie
(waaronder Nederland) het belang van de rol van steden in de EU
onderstreepten.7
Het kabinet is positief over het feit dat het belang van samenwerking tussen alle bestuurslagen en belanghebbende partijen (multi level governance) wordt benadrukt. Dit sluit aan bij de Nederlandse praktijk en de inzet op interbestuurlijke samenwerking op EU-dossiers, zoals vastgelegd in artikel 9 van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen. Het kabinet acht het positief dat de Agenda inzet op versterking van stedelijke bestuur en meer betrokkenheid van steden bij EU-beleid. Daarbij blijft het belangrijk dat rollen en verantwoordelijkheden helder blijven, dat nationale bevoegdheden worden gerespecteerd en dat EU-processen geen extra bestuurlijke lasten creëren.
Ondanks de nadruk op brede bestuurlijke samenwerking lijkt de Agenda met name gericht te zijn op rechtstreekse samenwerking tussen de Commissie en steden en regio’s. Het kabinet onderstreept het belang van het betrekken van de lidstaten door de Commissie bij het invullen van de stedelijke Agenda. De samenhang en samenwerking met de sinds 2016 functionerende Urban Agenda for the EU, waar de rol van en de samenwerking met de lidstaten wel goed geborgd is, is wat het kabinet betreft onvoldoende duidelijk. Ook de manier waarop de lidstaten gaan deelnemen aan de voorgenomen ‘voortdurende dialoog’ moet wat het kabinet betreft nog worden verduidelijkt.
Op het gebied van Betere Regelgeving benoemt de Agenda het belang van het betrekken van steden en hun belangen bij ontwerp en implementatie van EU-regels. De Agenda verwijst naar de ambitie van de Commissie om in te zetten op eenvoudigere regels en minder administratieve lasten. Dit is in lijn met de inzet van het kabinet om knellende regelgeving en implementatiedruk vanuit Europa te verminderen. Dit gebeurt onder meer door de nadruk op een plaatsgebonden aanpak, en op de inzet van Territorial Impact Assessments, waarmee in kaart kan worden gebracht of er geografische verschillen zijn tussen en binnen lidstaten in de manier waarop EU-wetgeving zal uitwerken.
Voor wat betreft de voorgestelde vereenvoudiging van regelgeving en
capaciteitsopbouw waardeert het kabinet de inzet van de Commissie om de
steun die aan steden wordt verleend te vereenvoudigen en te
stroomlijnen. Het instellen van een web-portal, een helpdesk en een
Cities’ Platform kan hieraan bijdragen, waarbij het kabinet wel
aantekent dat de toegevoegde waarde nog bewezen moet worden, omdat
dergelijke digitale loketten al bestaan.8
Het kabinet staat positief tegenover de aandacht van de Commissie voor
betaalbare huisvesting in de EU ,9 en de rol van steden
daarbij. Dit sluit aan bij de visie en de huidige inspanningen van het
kabinet om het woningtekort tegen te gaan en de betaalbaarheid van wonen
te verbeteren. In Europees verband heeft het kabinet aandacht gevraagd
voor de vertragende en kostenverhogende effecten van Europese wet- en
regelgeving op de woningbouw.10 Daarbij acht het
kabinet het van belang dat EU-instrumenten aansluiten op nationale
beleidskaders en bestaande regelgeving, en dat de Europese rol zich
richt op ondersteuning en kennisuitwisseling. . Verder hecht het kabinet
eraan dat stedelijke initiatieven passen binnen de financiële kaders en
geen impliciete verplichtingen voor toekomstige regelgeving creëren.
Ten aanzien van digitalisering waardeert het kabinet de inzet op open data, interoperabiliteit en ondersteuning van kleinere gemeenten. Het kabinet zal erop toezien dat technologische standaarden proportioneel blijven en dat gegevensbescherming en publieke waarden zijn geborgd.
Het kabinet stelt vast dat de Agenda vanaf 2028 geen nieuwe financiële middelen voor stedelijk beleid verschaft of oormerkt. De Commissie roept lidstaten op om zelf middelen en programma’s via onder meer het NRPP beschikbaar te maken. De Kamerbrief van 12 september 2025 over de Nederlandse inzet voor het volgend MFK met kabinetsappreciatie van de voorstellen over het MFK- en Eigenmiddelenbesluit (EMB) zijn de basis voor de Nederlandse positie. De overkoepelende Nederlandse inzet richt zich op een ambitieus, gemoderniseerd en financieel houdbaar MFK waarbij de focus gelegd dient te worden op strategische prioriteiten. Daarbij verwelkomt het kabinet de mogelijkheid om bestaande fondsen, of nieuwe instrumenten waar bestaande fondsen in zijn samengevoegd, zoals het nationaal en regionaal partnerschap plan (NRPP) en de EU-faciliteit, meer te richten op strategische prioriteiten conform de Nederlandse inzet voor het volgend MFK.
Het kabinet steunt het basisprincipe van het NRPP dat gericht is op het partnerschapsbeginsel en het kabinet wil hier ook actief vorm aan geven middels nauwe betrokkenheid van medeoverheden en andere (maatschappelijke) partners, in lijn met artikel 6 van het NRPP-voorstel en met de motie Paternotte.11
Het kabinet is positief over het feit dat in het voorstel voor de
toekomstige EU-Faciliteit een actie is opgenomen voor duurzame
stedelijke ontwikkeling die ‘de ontwikkeling van innovatieve projecten
ondersteunt, capaciteiten versterkt en een kennisomgeving biedt’,
waarmee opvolging wordt gegeven aan het huidige European Urban
Initiative. Ook is het kabinet positief over de relatie die wordt
gelegd tussen investeringen in duurzaamheid en het bevorderen van een
gezonde leefomgeving en veerkracht tegen
klimaatverandering.
Ten aanzien van het bevorderen van innovatie in steden en de
samenwerking met kennisinstellingen en het bedrijfsleven in zogenaamde
innovatieclusters is het van belang dat steden waar relevant deel kunnen
nemen aan programma’s voor onderzoek en innovatie. Steden spelen een
belangrijke rol in samenbrengen van verschillende partijen en kunnen op
deze manier ook het concurrentievermogen van Europa mede versterken. Het
kabinet verwelkomt de aandacht die de Commissie in het voorstel voor het
Europees Concurrentievermogenfonds geeft aan het mkb en aan de
economische ecosystemen, inclusief steden.12
De Agenda benoemt de centrale rol van steden bij het waarborgen van
veiligheid in de publieke ruimte, en stelt dat steden vooraan staan bij
het uitvoeren van het EU-beleid op het gebied van weerbaarheid en
paraatheid. Het kabinet onderschrijft de doelstelling van de
EU-strategie voor een paraatheidsunie. Het ziet hierin een goede
aansluiting bij de Nederlandse aanpak om vitale infrastructuur, cyber en
informatiedomeinen, economische veiligheid en maatschappelijke
weerbaarheid te versterken. Het kabinet waardeert de voorgestelde
instrumenten zoals een gezamenlijk dreigingsbeeld, crisisdashboard en
maatregelen voor bevolkingsparaatheid, maar wil dat nieuwe
EU-maatregelen efficiënt aansluiten op bestaande nationale en Europese
instrumenten zonder onnodige duplicatie. Daarbij hecht het kabinet aan
het bewaken van de competentie-verdeling tussen de EU en lidstaten en
het versterken van de zelfredzaamheid en crisiscommunicatie voor alle
burgers.
Concluderend is het kabinet positief over het feit dat de Agenda de rol en het belang van steden in de EU op de kaart zet. Het kabinet signaleert echter wel dat de Agenda (ook volgens de Commissie zelf) niet meer dan een visie op stedelijke ontwikkeling in Europa is. Het is uiteindelijk aan de lidstaten hoe de voorgestelde ondersteuning voor steden vanaf 2028 verwerkt zal worden in de verschillende nationale NRPP’s. Of en in hoeverre de Agenda haalbaar en impactvol zal zijn hangt af van de bereidheid van de Commissie om de voorgestelde acties ten aanzien van vereenvoudiging, betere regelgeving en dialogen concreet uit te voeren, in samenwerking met de lidstaten en de steden.
c) Eerste inschatting van het krachtenveld
Er is vanuit de lidstaten brede steun voor de Agenda. De lidstaten
onderstrepen het belang van steden bij het bepalen van de
EU-beleidsdoelen en -prioriteiten. Aandachtspunten zijn de
onduidelijkheid over de verhouding tot MFK/NRPP en de verhouding tot
ander stedelijk beleid op EU-niveau.
Het Europees Parlement is doorgaans voorstander van versterking van
de stedelijke dimensie en vergroting van de rol van steden bij het
uitvoeren van EU-beleid en transities,13
maar de positie ten aanzien van de Agenda nog niet helder – het EP heeft
nog niet gereageerd op de mededeling.
Het Europees Comité van de Regio’s (CoR) is voorstander van een sterke
rol voor stedelijke gebieden in Europa en staat in beginsel positief
tegenover een stedelijke agenda.14
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet is positief. Stedelijk beleid is primair een bevoegdheid van de lidstaten. De Commissie kan steden en regio’s wel ondersteunen en samenwerking faciliteren. Ze doet dit onder meer via het cohesiebeleid (stedelijke financiering door ERDF-fondsen), de Europese Agenda Stad, en door de stedelijke dimensie van EU-beleid waar de Commissie wel bevoegd is (milieu, transport, sociale inclusie) te versterken. Op het terrein van sociaal beleid, economische, sociale en territoriale samenhang, milieu en vervoer is sprake van een gedeelde bevoegdheid van de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub b, c, e en g).
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. Het kabinet hecht grote waarde aan het naleven van het subsidiariteitsbeginsel, gezien de nationale bevoegdheden op het gebied van stedelijk beleid. De mededeling heeft tot doel de stedelijke dimensie van EU-beleid te versterken en samenwerking tussen EU-instellingen, lidstaten en steden te verbeteren, om de belangen van steden meer te integreren in EU-besluitvorming, en om de EU-ondersteuning voor steden beter te stroomlijnen. Gezien het grensoverschrijdende aspect van de uitdagingen waarvoor steden staan, zoals klimaatverandering, weerbaarheid, energietransitie en mobiliteitsstromen, kan dit onvoldoende door de lidstaten alleen op centraal, regionaal en lokaal niveau worden verwezenlijkt. Een aanpak op Europees niveau draagt bij aan het verbeteren van het gelijk speelveld voor stedelijke innovatie, aan Europees concurrentievermogen en aan het wegnemen van belemmeringen binnen de interne markt. Knellende EU-regelgeving en implementatiedruk hebben grote gevolgen voor steden en kunnen alleen op EU-niveau worden aangepakt. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel de stedelijke dimensie van EU-beleid te versterken en samenwerking tussen EU-instellingen, lidstaten en steden te verbeteren, om de belangen van steden meer te integreren in EU-besluitvorming, en om de EU-ondersteuning voor steden beter te stroomlijnen. De mededeling kondigt diverse niet-regulerende initiatieven aan, zoals het organiseren van dialogen, het vergroten van kennis en capaciteit, en het verbeteren van de toegang tot EU-ondersteuning. Het kabinet is van oordeel dat deze middelen in de juiste verhouding staan tot het bereiken van het doel. De voorstellen van de Commissie gaan niet verder dan noodzakelijk, omdat deze voldoende ruimte laten aan de lidstaten om hier een eigen invulling aan te geven en verdere uitwerking daarvan vorm te geven in hun eigen nationale beleid.
d) Financiële gevolgen
Het voorstel heeft geen directe financiële gevolgen. De Commissie moedigt lidstaten aan om bij het financieren van stedelijke strategieën rekening te houden met de specifieke kenmerken van steden en stedelijke gebieden, met name bij het invullen van de verplichte NRPP. Die moeten initiatieven voor territoriale en lokale samenwerking ondersteunen, waaronder geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling.
Het kabinet is van mening dat de eventueel benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027. Eventuele extra personele capaciteit wordt opgevangen binnen bestaande budgettaire kaders. De eventuele budgettaire gevolgen die voortkomen uit deze mededeling worden ingepast op de begroting van de beleidsverantwoordelijke departementen, conform de regels van de budgetdiscipline.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het voorstel heeft geen directe implicaties voor de regeldruk. De Agenda bevat geen bindende verplichtingen. Mogelijke extra werkzaamheden kunnen voortkomen uit deelname aan dialogen, partnerschappen, kennisplatforms en rapportage-instrumenten.
De directe effecten op het Europese concurrentievermogen lijken vooralsnog beperkt, hoewel het voorstel wel kan bijdragen aan het ontsluiten van de concurrentiekracht van steden. Een focus op het versterken van onderzoek en innovatie in en opschaling van strategische technologieën, het creëren van banen en duurzame ontwikkeling van steden is daarvoor cruciaal.
Het voorstel heeft mogelijk ook impact buiten de Europese Unie.
Stedelijke ontwikkeling is steeds meer wereldwijd verweven en de
terminologie en inzet van de Agenda sluiten aan bij internationale
programma’s en beleid. Daaronder de New Urban Agenda en de
Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties (met name
SDG11 over inclusieve, veilige, veerkrachtige en duurzame steden). Er
zijn ook overeenkomsten met de stedelijke beleidslijnen van de
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
(OESO/OECD).
Het voorstel leidt niet tot verplichtingen voor derde landen. Er worden
geen effecten voor ontwikkelingslanden verwacht.
De Commissie kondigt onder meer het Europees Plan voor Betaalbaar Wonen aan, dat op 16 december 2025 is verschenen. Hierover wordt een apart BNC-fiche opgesteld.↩︎
Kamerstuk 22 112, nr. 4154.↩︎
Artt. artikelen 22 en 75 NRPP voorstel COM(2025)565 en artikel 5 ERDF en Interreg voorstel COM(2025)552.↩︎
Visiepaper Cohesiebeleid post 2027, 4 oktober 2024.↩︎
Gemeenschappelijke Verklaring van de ministers verantwoordelijk voor cohesiebeleid, territoriale cohesie en stedelijke zaken, aangenomen in Warschau op 21 mei 2025.↩︎
Zie bijvoorbeeld Portico, EU platform on Sustainable Urban Development.↩︎
In een recente Eurobarometer-enquête bleek dat voor Europeanen die in steden wonen, het gebrek aan betaalbare huisvesting veruit de grootste zorg is.↩︎
Afschrift brief met reactie op consultaties EU Affordable Housing Plan en Housing Construction Strategy | Brief | Rijksoverheid.nl.↩︎
Kamerstuk 21 501-08, nr. 985.↩︎
BNC-fiche over Europees Concurrentievermogenfonds (MFK 11), 12 september 2025.↩︎
Zie onder meer A new urban policy agenda for the EU, EP briefing 2025.↩︎
CoR Opinion CDR-3723-2024 van 14 mei 2025.↩︎