Antwoord op vragen van het lid Bruyning over de inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI)
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D04663, datum: 2026-01-30, bijgewerkt: 2026-02-01 15:28, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2025Z18918:
- Gericht aan: A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Gericht aan: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Indiener: F.H. Bruyning, Tweede Kamerlid
- Volgcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (š origineel)
AH 996
2025Z18918
Antwoord van staatssecretaris Rutte (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 30 januari 2026)
Vraag 1
Bent u bekend met de recente rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over Jeugdbescherming Gelderland (JBG), Jeugdbescherming West (JBw) en het eerdere rapport over Jeugdbescherming Noord (JBN)? 1) 2) 3)
Antwoord op vraag 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u het feit dat de IGJ bij alle drie de instellingen tot nagenoeg dezelfde structurele tekortkomingen komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vraag 3
Welke lessen trekt u uit het gegeven dat het hierbij gaat om verschillende regioās, maar telkens dezelfde patronen zichtbaar worden (geen vaste jeugdbeschermer bij start, wachttijden, gebrekkige analyse en planvorming, onvoldoende passende hulp)?
Vraag 4
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze tekortkomingen volgens u vooral te maken hebben met capaciteitstekorten of/en in hoeverre deze ook met cultuur, organisatie en bestuurlijke keuzes binnen de gecertificeerde instellingen (GIās) zelf te maken hebben?
Vraag 5
Deelt u de analyse dat er een bredere systemische/culturele oorzaak speelt die verder reikt dan alleen personele onderbezetting?
Antwoord op vragen 2, 3, 4 en 5
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid (in het vervolg: de inspecties) hebben op basis van risicoselectie bij vijf instellingen (waaronder de drie door u aangehaalde instellingen) verdiepend onderzoek uitgevoerd. De Inspecties hebben deze GIās geselecteerd op basis van de bij hen beschikbare toezichtinformatie en op basis van het beeld uit de GI-monitor van 1 oktober 2024 van het ministerie van JenV over wachttijden, personeelsbezetting en tijdige inzet van passende hulp. Het is gezien de selectie op basis van deze risicoās voorstelbaar dat bij deze instellingen vergelijkbare problemen zijn geconstateerd, zoals āgeen vaste jeugdbeschermerā, krapte in de personeelsbezetting en onvoldoende passende hulp. In totaal hebben de inspecties bij vijf van de dertien GIās verdiepend onderzoek uitgevoerd. Bij deze GIās deden zich ruim 70% van alle wachtlijsten voor op 1 oktober 2024.
De inspecties geven aan dat de belangrijkste oorzaken van de problemen gelegen zijn in arbeidsmarkttekorten en in tekorten bij de jeugdhulp die noodzakelijk is bij het uitvoeren van jeugdbescherming. De inspecties geven aan dat hierbij sprake is van stelselproblematiek, in de zin dat oplossingen veelal buiten de invloedssfeer van de individuele instellingen liggen. De inspecties geven daarnaast aan dat GIās wel aan de slag moeten met oplossingen die wel binnen hun invloedssfeer liggen en die te maken kunnen hebben met de wijze van organiseren van de betreffende GI.
Naast de meer bedrijfsmatige aspecten waarin verbetering mogelijk is, is er een structurele verandering van de gezamenlijke werkwijze in de jeugdbeschermingsketen nodig om tot verbeteringen te komen. Hieraan werken we via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming, de Hervormingsagenda Jeugd en de verbetering van de rechtsbescherming. De inspecties roepen het Rijk op om de implementatie van het Toekomstscenario voortvarend ter hand te nemen zodat de opbrengsten van deze aanpak zo snel mogelijk ten goede komen aan de gezinnen. De werkwijze die hierin beoogd wordt, is om al in een vroeg stadium kinderen Ʃn gezinnen te helpen met hun problemen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor kinderbescherming noodzakelijk wordt. Met deze aanpak wordt ook beoogd de druk op de jeugdbescherming te verminderen waardoor er meer ruimte komt om de kinderen waarvoor nog wel een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, adequaat te kunnen helpen en beschermen.
Vraag 6
Hoe verklaart u dat Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht is gesteld, terwijl Jeugdbescherming Gelderland en Jeugdbescherming West, waar dezelfde tekortkomingen spelen, dat (nog) niet zijn?
Antwoord op vraag 6
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij afgewogen hebben wat effectieve interventies zijn om de normafwijkingen te verhelpen. Het uitgangspunt is dat handhaving bij een instelling niet effectief is als de oorzaken van de normafwijkingen buiten de invloedssfeer van de instelling liggen. De inspecties hebben daarom afgewogen welke oorzaken van de normafwijkingen binnen de invloedssfeer van de instellingen zijn en welke daarbuiten liggen. Bij vier van de vijf bezochte instellingen komen de inspecties tot de conclusie dat de oorzaken van de normafwijkingen grotendeels buiten de invloedssfeer van de instelling liggen (zoals de arbeidsmarktproblematiek en het ontbreken van een toereikend hulpaanbod).
Bij Jeugdbescherming Noord geven de inspecties daarnaast aan ook interne oorzaken te zien. Vanwege de ernst en de hoeveelheid van de tekortkomingen en de opgave die het bestuur heeft om verbeteringen door te voeren die binnen de eigen invloedssfeer van de organisatie liggen, vonden de inspecties het noodzakelijk om Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht te stellen.
De inspecties geven tot slot aan in alle rapporten te hebben benoemd dat zij er geen vertrouwen in hebben dat de GIās erin slagen om alle geconstateerde normafwijkingen op korte termijn weg te nemen. Onderliggende oorzaken liggen deels buiten de invloedssfeer van de GIās en zijn het gevolg van problemen in het jeugdbeschermingsstelsel. De oorzaken waar het bestuur wel invloed op heeft, moeten snel aangepakt worden.
Vraag 7
Welke criteria hanteert de IGJ bij het bepalen of verscherpt toezicht nodig is?
Antwoord op vraag 7
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de aard en de ernst van de normafwijking en het vertrouwen in de verbeterkracht van de instelling meewegen. De verbeterkracht hangt niet alleen samen met āgoed bestuurā, maar ook met de (on)mogelijkheid te verbeteren als gevolg van externe factoren.
Vraag 8
Ziet u verschillen in bestuurscultuur tussen de instellingen en welke rol speelt dit bij het verschil in oordeel?
Antwoord op vraag 8
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de bestuurscultuur beoordeeld hebben onder het thema āgoed bestuurā en de conclusies hierover opgenomen hebben in de rapporten. Zij beoordelen dit in hun rapport (van 24 juli 2025) bij Jeugdbescherming Noord als grotendeels onvoldoende, bij de overige GIās als grotendeels voldoende.
Vraag 9
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat voor jeugdbescherming en jeugdreclassering opnieuw heeft verleend aan Jeugdbescherming Noord (JBN)?[4]
Antwoord op vraag 9
Ja
Vraag 10
Hoe kan het dat instellingen als JBN, JBG en JBw, ondanks certificering door het KMI, zulke ernstige tekortkomingen kennen? Kunt u verklaren waarom de tekortkomingen bij JBw en JBG wel door de IGJ zijn geconstateerd en niet door het KMI, terwijl het KMI regelmatig audits doet en de IGJ minder vaak toetst?
Antwoord op vraag 10
Beide instanties hebben andere rollen en bevoegdheden. De certificerende instelling (CI), in dit geval het Keurmerkinstituut (KMI), toetst aan de normen die zijn vastgelegd in het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagement-systeem van GIās1. De inspecties houden toezicht op de uitvoering van de GIās volgens de wettelijke eisen. Het KMI toetst het kwaliteitsmanagementsysteem (KMS) van een GI en toetst of die GI voldoende āin controlā is om haar wettelijke taken voldoende uit te kunnen voeren. Hierbij kan de volgende vergelijking worden gemaakt: het KMI is als het ware het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen die toetst of iemand rijvaardig is en de IGJ is dan als het ware de politie, die zicht heeft op het feitelijke rijgedrag en ingrijpt bij een overtreding.
In het concrete geval van JBN hebben de inspecties begin maart 2025 bij JBN toezicht uitgevoerd. Het KMI heeft begin september 2025 een audit uitgevoerd. Op dat moment had JBN al negen maanden gewerkt aan de noodzakelijke verbeteringen ten behoeve van het certificaat.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de effectiviteit en waarde van de certificering door het KMI, gezien deze discrepantie? Deelt u de mening dat als het KMI deze tekortkomingen niet ziet er iets mis kan zijn met het toezicht en de audits? Kunt u zich indenken dat ouders en gemeenten zich ongerust maken als blijkt dat het toezicht dergelijke belangrijke zaken niet signaleert en toch certificeringen afgeeft?
Vraag 12
Kunt u zich voorstellen dat ouders die te maken hebben met JBN zich zorgen maken over de juistheid van de hercertificering als blijkt dat men bij andere GIās dezelfde misstanden over het hoofd zien? In hoeverre kunnen ouders, gemeenten en andere toezichthouders erop aan dat het bij JBN nu allemaal klopt terwijl dezelfde misstanden elders gemist zijn?
Antwoord op vragen 11 en 12
Ik deel niet de mening dat er sprake is van een discrepantie. Het KMI en de inspecties kijken naar andere aspecten van kwaliteit; zie ook het antwoord op vraag 10. Door verschillende doelstellingen van de inspecties en het KMI, is het dus mogelijk dat KMI en inspectie tot verschillende conclusies komen. De hercertificering bij JBN is volgens de geldende procedures voor certificering verlopen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, en ook niet dat āmen bij andere GIās misstanden over hoofd zietā.Ik begrijp dat het voor ouders en andere betrokkenen verwarrend kan zijn dat beide vormen van toezicht naast elkaar bestaan maar ze dienen een ander doel.
Vraag 13
Kunt u uitleggen hoe het toezicht op het KMI zelf is ingericht en hoe de onafhankelijkheid van dat toezicht wordt geborgd?
Antwoord op vraag 13
Het KMI is een zelfstanding bestuursorgaan (zbo) en voert haar wettelijke taak onafhankelijk uit. De IGJ houdt toezicht op het functioneren van het KMI. Hiernaast is het KMI als certificerende instelling geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze accreditatie borgt dat het KMI voldoet aan de internationale normen voor deskundigheid en onpartijdigheid op gebied van certificering. De RvA - die ook een zelfstandig bestuursorgaan is - beoordeelt periodiek of het KMI aan deze eisen voldoet.
Vraag 14
Hoe weegt u het IGJ-rapport van oktober 2023, waarin werd gesteld dat het KMI onvoldoende transparant is in zijn afwegingen en gevoelig lijkt voor politieke en bestuurlijke druk?[5]
Antwoord op vraag 14
Voor dit antwoord verwijs ik naar de beleidsreactie op het genoemde rapport van de inspectie die is opgenomen in de brief over jeugdzorg van de toenmalige minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 oktober 20232.
Vraag 15
Bent u het eens met de constatering van de IGJ dat hierdoor de onafhankelijkheid en navolgbaarheid van de certificeringsbesluiten in het geding zijn? Graag een inhoudelijke reactie.
Antwoord op vraag 15
Ik deel die constatering niet. De bevindingen van de IGJ laten zien dat er verbetering nodig was in transparantie en motivering, maar dat betekent niet dat de onafhankelijkheid en de navolgbaarheid van certificeringsbesluiten in het geding zijn geweest. De aanbevelingen van de IGJ zijn betrokken bij de aanbesteding van de certificerende instantie om daarmee tot een betere transparantie en motivering van besluiten van de certificerende instelling te komen.
Vraag 16
In hoeverre herkent u signalen dat bestuurlijke druk een rol speelt bij certificeringsbesluiten van het KMI? Kunt u uw antwoord motiveren?
Antwoord op vraag 16
Ik herken die signalen niet. Certificeringsbesluiten dienen plaats te vinden op basis van het vastgestelde normenkader. Het KMI dient haar taak onafhankelijk uit te voeren volgens de accreditatie-eisen en wettelijke kaders waaraan het KMI is gebonden. De Raad voor Accreditatie houdt toezicht op de uitvoering volgens die accreditatie-eisen.
Vraag 17
Kunt u concreet aangeven of en hoe bewindspersonen, ministeries of koepelorganisaties druk hebben uitgeoefend op het KMI in de afgelopen jaren? Zo ja, waar is dat gebeurd? Zo nee, kunt dit duidelijk maken?
Antwoord op vraag 17
Er is geen sprake van dat bewindspersonen of ministeries druk hebben uitgevoerd op het KMI. Het KMI voert haar taak als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) onafhankelijk uit.
Vraag 18
Acht u het wenselijk dat een privaatrechtelijk instituut met een monopoliepositie als het KMI zoān cruciale rol vervult in de jeugdbeschermingsketen? Deelt u de mening dat het afgeven van dergelijke certificeringen feitelijk een overheidstaak moet zijn die niet aan marktpartijen kan worden overgelaten gezien het feit dat een kinderbeschermingsmaatregel een zeer ernstige ingreep is die allen met toestemming van een rechter mag worden uitgesproken en uitgevoerd?
Antwoord op vraag 18
Ik deel die mening niet. Het KMI vervult deze taak als privaatrechtelijke zbo met een wettelijk toegekende taak. De certificering vindt plaats volgens wettelijk vastgestelde eisen en onder accreditatie. Daarmee is de onafhankelijkheid, de legitimiteit en de kwaliteit van de certificering geborgd. Er is door de wetgever gekozen voor ƩƩn certificerende instantie om zorg te dragen dat elke GI op dezelfde wijze wordt beoordeeld. Ik wijs erop dat certificatie een breed toegepaste methode is om publieke belangen te borgen (bijv. bij veiligheid van producten en diensten).
Vraag 19
Bent u op de hoogte van het feit dat toezichthouders, gemeenten, cliƫntenraden en media geen inzicht krijgen, ook niet desgevraagd, in de resultaten van de audits?
Vraag 20
Acht u het wenselijk dat de onderbouwing van deze certificeringsbeslissing geheim wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vragen 19 en 20
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. De conclusie van het certificeringsbesluit wordt openbaar gemaakt. Volgens het Aanwijzingsbesluit certificerende instelling jeugdwet 2024 publiceert het KMI op zijn website welke GIās zijn gecertificeerd en welke een aanvraag voor een certificering hebben ingediend. De auditrapporten worden niet openbaar gemaakt; deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Het is bij toezicht op individuele bedrijven en organisaties overigens gebruikelijk dat er geen individuele informatie openbaar wordt gemaakt. De Wet open overheid biedt hiervoor een weigeringsgrond. GIās zijn privaatrechtelijke organisaties en openbaarmaking van deze informatie kan hun concurrentie en onderhandelingspositie schaden. Toezichthouders, zoals de inspecties en de Raad voor Accreditatie, hebben uiteraard wel de bevoegdheid om auditrapporten bij het KMI op te vragen in het kader van het door hen uit te voeren toezicht.
Vraag 21
Erkent u dat het ongewenst is dat zowel toezichthouders als de inspecties, gemeenten (als opdrachtgevers), als cliƫntenraden en ouders niet kunnen inzien op basis waarvan een certificering is afgegeven? Kunt u dit toelichten?
Vraag 22
Deelt u de mening dat het gebrek aan transparantie bijdraagt aan wantrouwen richting de GIās als het certificeringssysteem in zijn geheel? Zo, nee waarom niet?
Vraag 23
Kunt u toelichten op welke wijze GIās momenteel worden beoordeeld op de individuele punten van het normenkader en waarom deze scores niet openbaar beschikbaar zijn?
Vraag 24
Is het volgens u wenselijk dat onbekend blijft welke verbeterpunten het KMI heeft vastgesteld en of deze inmiddels aantoonbaar zijn opgelost?
Vraag 30
Wat vindt u van de afspraak dat auditrapporten en onderliggende bevindingen niet openbaar mogen worden gemaakt, zelfs niet aan toezichthouders, gemeenten of cliƫntenraden?
Vraag 31
Deelt u de mening dat het KMI nooit met een dergelijke afspraak had mogen instemmen, juist gezien de publieke verantwoordelijkheid die zij namens de overheid vervult? Zo nee, waarom niet?
Vraag 33
Bent u bereid om een aanwijzing te geven aan het KMI en de GIās om per direct en met terugwerkende kracht vanaf de instelling van het certificeringssysteem in 2015 alle auditrapporten openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Vraag 37
Bent u bereid per direct op te treden tegen de huidige praktijk waarbij auditrapporten geheim blijven, en te zorgen dat betrokken ouders, cliƫntenraden, gemeenten en inspecties toegang krijgen tot deze informatie?
Antwoord op vragen 21, 22, 23, 24, 30, 31, 33 en 37
Certificeringsbesluiten worden genomen op basis van het door de minister vastgestelde normenkader. Het auditrapport is een individuele beoordeling over een instelling en kan bedrijfsgevoelige informatie bevatten (zie antwoord op vraag 19 en 20) en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Dit doet niets af aan de kwaliteit en de legitimiteit van het certificeringsbesluit. Het KMI toetst niet alleen of een GI aan het normenkader voldoet, maar ziet ook toe via vervolg-audits of eerder geconstateerde afwijkingen zijn opgelost. Een certificaat kan bijvoorbeeld niet worden toegekend als kritische constateringen niet adequaat zijn opgepakt.
Transparantie is van belang voor het vertrouwen in het stelsel. Ik deel de conclusie niet dat het gebrek aan openbaarmaking van de onderliggende auditinformatie leidt tot wantrouwen richting de GIās of het certificeringsstelsel. De werking van de certificering wordt getoetst door de Raad voor Accreditatie.
Vraag 25
Kunt u aangeven om welke inhoudelijke redenen het KMI eind 2024 heeft besloten om het volledige certificaat van JBN in te trekken en te vervangen door een overbruggingscertificaat? Waarom heeft men dat niet gedaan bij JBG en JBw? Of heeft het KMI deze misstanden niet geconstateerd bij de audits? Kunt u verklaren hoe deze ernstige misstanden eventueel gemist zijn door het KMI?
Vraag 26
Wat zijn concreet de redenen dat het KMI nu, minder dan een jaar later, opnieuw een volledig certificaat aan JBN heeft toegekend?
Antwoord op vragen 25 en 26
Uit de audit van het KMI kwam naar voren dat JBN een aantal kritische afwijkingen (van het normenkader) had. Het KMI heeft destijds besloten om een overbruggingscertificaat af te geven. Het KMI geeft alleen een overbruggingscertificaat af als zij de verwachting heeft dat de betreffende organisatie, binnen de gestelde termijn, de situatie kan verbeteren. Bij de laatste audit is gebleken dat JBN door de door hen doorgevoerde verbeteringen binnen de gestelde termijn weer voldeed aan de normen van het normenkader.
Bij andere GIās heeft het KMI geen vergelijkbare afwijkingen van het normenkader geconstateerd die aanleiding gaven tot de afgifte van een overbruggingscertificaat. Zie ook het antwoord op vraag 10 voor de toelichting op het verschil tussen certificering door het KMI en het toezicht door de inspecties.
Vraag 27
Kunt u bevestigen dat de schemabeheerder voor het certificeringssysteem Jeugdzorg Nederland is? Zo nee, wie is dan de schemabeheerder?
Vraag 28
Deelt u de zorg dat de schemabeheerder, als vertegenwoordiger van de sector zelf, hiermee in feite de regie heeft over het certificeringssysteem? Zo nee, waarom niet?
Vraag 29
Deelt u de mening dat dit een ongewenste situatie oplevert waarin Jeugdzorg Nederland toezicht uitoefent op zichzelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vraag 32
Erkent u dat hiermee feitelijk het certificeringssysteem in handen is gekomen van de sector zelf, en dat daarmee de samenleving en toezichthouders op afstand worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vragen 27, 28, 29 en 32
Het ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het normenkader vast. Daaraan voorafgaand wordt advies gevraagd aan de Commissie van Belanghebbenden3 en de Raad voor Accreditatie. Het normenkader is onderdeel van het certificatieschema. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is hiervan de eigenaar en is schemabeheerder van het normenkader.
Vraag 34
Indien nee, welke alternatieve maatregelen gaat u nemen om alsnog te zorgen voor transparantie en publieke verantwoording?
Antwoord op vraag 34
Zie het antwoord op vraag 11.
Vraag 35
Hoe beoordeelt u de opstelling van het KMI, dat aangeeft naar mensen die om transparantie vragen wel āmeer openheid te willen biedenā, maar dit voorlopig niet te doen vanwege ābeleidsregelsā? Bent u op de hoogte van deze beleidsregels en wat is uw mening over deze beleidsregels?
Antwoord op vraag 35
Ja, ik ben op de hoogte van de beleidsregels van het KMI. Deze beleidsregels vallen binnen de normen waarbinnen het KMI als privaatrechtelijke zbo, haar taak onafhankelijk uitvoert. Het is niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over de wijze waarop het KMI haar beoordelingskader invult, zolang het binnen de kaders van de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt. Het KMI heeft aangegeven de komende periode, samen met de commissie van belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om meer transparantie te kunnen bieden over de uitkomsten van de audits.
Vraag 36
Deelt u de mening dat bij een publieke taak die zo ingrijpend is als jeugdbescherming, volledige transparantie de norm moet zijn en geheimhouding onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Antwoord op vraag 36
Ik deel deze mening niet. Transparantie is belangrijk, maar als het om auditrapporten gaat niet altijd. Deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Zie ook het antwoord op vraag 19 en 20.
Vraag 38
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat certificering in de jeugdzorg een papieren exercitie blijft, terwijl in de praktijk ouders en kinderen nog steeds ernstige schade ondervinden van het handelen van gecertificeerde instellingen?
Vraag 39
Welke alternatieven ziet u om het certificerings- en toezichtproces onafhankelijker, transparanter en minder manipuleerbaar in te richten?
Antwoorden op vragen 38 en 39
Zowel het KMI als de IGJ heeft een eigen rol in het toezicht op de GIās. Het KMI toetst of een organisatie voldoet aan het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van gecertificeerde instellingen 4. De IGJ ziet toe op de uitvoering van het handelen van de gecertificeerde instellingen volgens wettelijke vereisten en kan ingrijpen bij signalen of tekortkomingen wanneer de situatie erom vraagt. In het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming laat ik onderzoeken welke alternatieven er voor het huidige certificeringsstelsel mogelijk zijn.
Vraag 40
Hoe reflecteert u op de bredere bestuurscultuur in de jeugdbescherming, waarin organisaties ondanks herhaalde waarschuwingen structureel tekortschieten maar tegelijkertijd bestuurlijk overeind blijven?
Antwoord op vraag 40
De jeugdbescherming kampt met grote uitdagingen. Het inspectierapport āAls zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedtā benoemt de grootste tekortkomingen in de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Kinderen en hun ouders moeten vaak wachten op een vaste jeugdbeschermer, er is onvoldoende betekenisvol contact met jeugdigen en gezinnen en passende jeugdhulp wordt niet of niet tijdig ingezet. De inspecties geven daarbij ook aan dat de oorzaak hiervan niet bij de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ligt. Tegelijkertijd worden de instellingen ook aangesproken op onderdelen die beter moeten en dan constateer ik dat deze bestuurders zich inzetten om dat te verbeteren. De inspecties geven ook aan dat enkele oorzaken niet binnen de beĆÆnvloedingsmogelijkheden van de GIās zelf liggen.
De inspecties hebben de bestuurscultuur beoordeeld onder het thema āgoed bestuurā en de conclusies hierover opgenomen in de rapporten. Zij beoordelen dit bij JB Noord als grotendeels onvoldoende en bij de overige GIās als grotendeels voldoende.
Vraag 41
Welke verantwoordelijkheid neemt u als kabinet voor het feit dat deze structurele tekortkomingen al jarenlang bekend zijn maar zich blijven herhalen?
Antwoord op vraag 41
De jeugdbescherming kampt met grote en complexe uitdagingen en daar voelen we ons ook verantwoordelijk voor. Die verantwoordelijkheid vullen we in met de inzet op de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de verbetering van de rechtsbescherming.
Vraag 42
Hoe verklaart u dat jeugdigen en gezinnen nog steeds slachtoffer worden van dezelfde systeemfouten, ondanks eerdere toezeggingen van verbeteringen?
Antwoord op vraag 42
Het eerlijke antwoord is dat er geen maatregelen zijn die op korte termijn deze complexe tekortkomingen kunnen oplossen. Dat betekent dat het risico bestaat er onvoldoende zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen.
Vraag 43
Wat zijn volgens u de belangrijkste drie systeemingrepen die noodzakelijk zijn om daadwerkelijk verbetering te realiseren?
Antwoord op vraag 43
De belangrijkste ingrepen zijn het versterken van de lokale teams, het verbeteren van de beschikbaarheid van jeugdhulp en hulp voor het hele gezin en (daarmee) het terugbrengen van de vraag naar jeugdbescherming.
Vraag 44
Kunt u toezeggen dat de Kamer jaarlijks een overzicht ontvangt van gecertificeerde instellingen met daarbij de bevindingen van IGJ en KMI, zodat de Kamer kan toetsen of certificering en inspectie in de pas lopen?
Antwoord op vraag 44
Wanneer er een aanleiding voor is, zoals bij rapporten van de inspecties, zal ik de Kamer informeren volgens de gebruikelijke wijze.
Vraag 45
Bent u bereid in uw antwoord een inhoudelijke reflectie te geven op de vraag of de huidige bestuurscultuur in de jeugdbescherming toereikend is om echte verandering te realiseren, of dat een meer fundamentele herziening nodig is?
Antwoord op vraag 45
Met de programmaās Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zijn we een beweging begonnen waarin we met elkaar, ieder vanuit zijn/haar verantwoordelijkheid, de situatie in de jeugdzorg (waaronder de jeugdbescherming) structureel willen verbeteren. We hebben daarbij alle betrokkenen nodig en ik volg de inspecties die oproepen tot stevig leiderschap van GIās, gemeenten en Rijk om samen tot duurzame oplossingen te komen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken.
[1] IGJ, Rapport Jeugdbescherming Gelderland, 18 september 2025, IGJ | Toezichtdocumenten - Publicatie, https://toezichtdocumenten.igj.nl/link/publicatie?publ=5bbb46b4-cc17-490d-a509-cfdf5a9b46bc
[2] IGJ, Rapport Jeugdbescherming West, 18 september 2025, IGJ | Toezichtdocumenten - Publicatie, https://toezichtdocumenten.igj.nl/link/publicatie?publ=5b7729a4-de6b-417c-b519-33c38301e369
[3] IGJ, Rapport Jeugdbescherming Noord in Groningen, 24 juli 2025, IGJ | Toezichtdocumenten - Publicatie, https://toezichtdocumenten.igj.nl/link/publicatie?publ=63d6c374-2e69-4991-917c-f141f9aeb501
[4] Keurmerkinstituut, KMI verleent opnieuw certificaat aan Jeugdbescherming Noord, Microsoft Word - Nieuwsbericht JB Noord, https://keurmerk.nl/media/filer_public/f3/cc/f3ccf898-dffe-4bc8-82da-0ad501573b83/jb_noord_certificatiebeslissing.pdf
[5] IGJ, Rapport Toezicht op certificering van jeugdbescherming en jeugdreclassering door het Keurmerkinstituut, 9 oktober 2023, IGJ | Toezichtdocumenten - Publicatie, https://toezichtdocumenten.igj.nl/link/publicatie?publ=2a0966ab-a1ba-4c42-b37c-dc78ae0b0521
wetten.nl - Regeling - Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering - BWBR0035236ā©ļø
Tweede Kamer, vergaderjaar 2023ā2024, 31 839, nr. 985ā©ļø
De Commissie van Belanghebbenden is het adviesorgaan voor het ministerie van Justitie en Veiligheid, die adviseert over het normenkader. Het bestaat uit vertegenwoordigers van GIās, cliĆ«ntenorganisaties, inspecties en gemeenten.ā©ļø
wetten.nl - Regeling - Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering - BWBR0035236ā©ļø