[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35334-415)

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D04747, datum: 2026-02-02, bijgewerkt: 2026-02-02 11:45, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2025Z17388:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


35 334 Problematiek rondom stikstof en PFAS

Verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over een aantal brieven over Stikstof en mestbeleid (Kamerstuk 35 334 nr. ..).

De op 30 januari 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de minister bij brief van … toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Podt

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 1

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 3
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie 3

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 4

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie 5

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 5

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie 9

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie 10

Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie 11

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower 12

II Antwoord / Reactie van de minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

III Volledige agenda

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de voorliggende stukken. Deze leden hechten aan een voortvarende aanpak van de stikstofcrisis, maar benadrukken dat maatregelen nooit in een vacuüm staan. Een integrale blik is cruciaal om te voorkomen dat winst op het gebied van emissies ten koste gaat van het welzijn van de dieren in de veehouderij. De Kamer heeft derhalve moties aangenomen om te zorgen dat de stikstofmaatregelen getoetst worden op hun bijdrage aan dierwaardigheid. Kan de minister aangeven op welke wijze de huidige en voorgestelde stikstofmaatregelen reeds wetenschappelijk worden getoetst op de impact op dierwaardigheid en door welke instanties deze toetsing wordt uitgevoerd? Hoe borgt de minister dat de integrale benadering leidend is bij het ontwerp van nieuwe regelingen, zodat maatregelen die emissies reduceren niet contraproductief werken voor het welzijn van het dier? Voorts vragen deze leden op welke manier de minister voorkomt dat een eenzijdige focus op, of prioritering van, snelle emissiereductie de uitvoering van de afspraken uit het convenant ā€˜Stappen naar een dierwaardige veehouderij’ bemoeilijkt of zelfs tegenwerkt.

De leden van de D66-fractie vragen in het kader van integraliteit naar de nieuwbouw van stallen in de buurt van stikstofgevoelige natuurgebieden. Erkent de minister dat het onwenselijk en inconsistent zou zijn als een veebedrijf op dit moment nog een nieuwe stal bouwt nabij een stikstofgevoelig natuurgebied, terwijl deze locatie op korte termijn mogelijk in aanmerking komt voor een uitkoopregeling in het kader van de stikstofaanpak? Kan de minister reflecteren op de doelmatigheid van publieke middelen wanneer er enerzijds vergunningen voor uitbreiding worden verleend, terwijl er anderzijds miljarden worden uitgetrokken voor de beƫindiging van locaties op diezelfde locaties? Welke instrumenten heeft de minister op dit moment om dergelijke kapitaalvernietiging te voorkomen? Kan de minister inzicht geven in hoe de vergunningverlening voor nieuwbouw op kwetsbare locaties tijdelijk kan worden beperkt of kritischer getoetst in afwachting van de gebiedsgerichte aanpak?

De leden van de D66-fractie maken zich tevens zorgen over de uitvoeringskracht op lokaal en provinciaal niveau. De urgentie van natuurherstel is groot, maar de tekorten op de arbeidsmarkt en de beperkte ambtelijke capaciteit dreigen een flessenhals te vormen. Erkent de minister dat een tekort aan menskracht momenteel een reƫel risico vormt voor de snelheid van ruimtelijke ontwikkelingen en de afwikkeling van stikstofdossiers? Kan de minister toelichten hoe expertise worden gegroepeerd om concurrentie tussen overheden te voorkomen?

De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de berichtgeving dat de staatssecretaris persoonlijk heeft aangedrongen op de publicatie van een stikstofrapport dat door experts als 'rammelend' werd bestempeld (NRC, 26 januari 2026, ā€˜Staatssecretaris Rummenie duwde rammelend stikstofrapport er persoonlijk door’, (https://www.nrc.nl/nieuws/2026/01/26/staatssecretaris-rummenie-duwde-rammelend-stikstofrapport-er-persoonlijk-door-a4918389)). Deze leden vragen de minister aan te geven welke specifieke wijzigingen na de interventie van de staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zich verhoudt tot de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek. Het baart deze leden ernstige zorgen dat politieke wenselijkheid hier lijkt te prevaleren boven feitelijkheid, wat de juridische houdbaarheid van het beleid direct in gevaar brengt. Waarom is er besloten de waarschuwingen terzijde te leggen en het rapport toch met een stellige politieke conclusie naar buiten te brengen? Kan de minister de relevante beslisnota’s met de Kamer delen?

De leden van de D66-fractie constateren dat het concept 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP) op verschillende punten een versoepeling bevat ten opzichte van het 7e AP, terwijl de dwingende Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen van 2027 juist in zicht komen. Kan de minister motiveren hoe een programma dat inzet op verruiming van stikstofgebruiksnormen, het versmallen van bufferstroken en het laten vervallen van de 20 procent korting in voormalige met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden), valt te rijmen met de Europese resultaatsverplichting om achteruitgang van de waterkwaliteit te voorkomen? Op welke andere punten was het 8e AP niet in lijn met de KRW-doelen? De landsadvocaat waarschuwt expliciet voor een 'duidelijk risico' dat een rechter een streep zet door deze verruimingen, juist omdat niet kan worden uitgesloten dat er verslechtering optreedt (Kamerstuk 2026D03556). Hoe rechtvaardigt de minister het risico op een juridisch vacuüm en nieuwe blokkades voor de sector als gevolg van deze onvoldoende onderbouwde koers?

De leden van de D66-fractie maken zich bovendien ernstig zorgen over de wijze waarop de minister de KRW-toets hanteert. Waar de Nitraatrichtlijn zich primair richt op een norm van 50 milligram per liter nitraat in grondwater, stelt de KRW andere eisen aan zowel grond- als oppervlaktewater om eutrofiƫring tegen te gaan. Uit ambtelijke stukken blijkt dat door de voorgestelde versoepelingen de uitspoeling van stikstof naar het oppervlaktewater vrijwel overal zal toenemen (Kamerstuk 2026D03460). Dit staat haaks op het achteruitgangsverbod, waarbij negatieve effecten per waterlichaam en per stof niet mogen worden gesaldeerd. Kan de minister bevestigen dat het 8e AP per individueel waterlichaam wordt getoetst op zowel de verbeteringsverplichting als het achteruitgangsverbod en kan zij daarbij garanderen dat wetenschappelijke onzekerheden volgens het voorzorgsbeginsel niet worden gebruikt om verruimingen door te voeren?

De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de voorgestelde doelsturing en de rol van fosfaat. Het concept 8e AP lijkt geen maatregelen meer te bevatten voor fosfor, terwijl in 46 procent van de waterlichamen de doelen voor fosfaat niet worden gehaald. Waarom ontbreken deze essentiƫle maatregelen in het programma? Ten aanzien van doelsturing wijzen ambtelijke adviezen erop dat het versoepelen van streefwaarden op percelen die aan de norm voldoen het gebiedsgemiddelde omhoog brengt, terwijl een equivalent voor aanscherping op overschrijdende percelen ontbreekt. Hierdoor is het vrijwel zeker dat de doelen nooit zullen worden gehaald. Kan de minister toelichten hoe deze systematiek in lijn zou zijn met de Nitraatrichtlijn en de doelen van de KRW?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de voortgang van het mestbeleid. Deze leden constateren dat de minister zwaar inzet op de export van organische meststoffen en het vergroten van de mestverwerkingscapaciteit. Kan de minister nader toelichten hoe de aanbevelingen van de meststoffengezant, zoals het investeren in kennisontwikkeling in importerende landen, zich verhouden tot de noodzaak voor een structurele krimp van het mestoverschot aan de bron? Op welke termijn en in welke mate verwacht de minister dat de voorgestelde publiek-private samenwerking en de pilots in het buitenland leiden tot een meetbare ontlasting van de Nederlandse mestmarkt?

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over de wijziging van de uitvoeringsregelgeving in verband met de introductie van RENURE (Kamerstuk 22112, nr. 4200). Deze leden verwelkomen de mogelijkheid om kunstmest te vervangen door hoogwaardige meststoffen uit dierlijke mest, mits dit gepaard gaat met een daadwerkelijke verbetering van de milieukwaliteit en een reductie van de totale stikstofemissies. Kan de minister toelichten hoe zij borgt dat de inzet van RENURE-producten, zoals mineralenconcentraat en ammoniumzouten, niet leidt tot een hogere totale stikstofbelasting op de bodem, aangezien het Europese voorstel toestaat om jaarlijks tot 80 kilogram stikstof per hectare aanvullend op de bestaande 170 kilogram uit dierlijke mest aan te wenden? Welke aanvullende monitoring zet de minister op om de effecten van deze verhoogde stikstofaanwending op de waterkwaliteit en de uitspoeling van nutriƫnten nauwgezet te volgen? Voorts vragen deze leden naar de voorwaarde dat het aantal dieren en de mestproductie niet mag toenemen bij de implementatie van RENURE. Hoe effectief acht de minister de huidige regulering via productierechten en mestproductieplafonds om deze absolute grens te bewaken, zeker in het licht van de wens tot opschaling van mestverwerking? Met betrekking tot de kwaliteitseisen constateren deze leden dat er strikte criteria gelden voor pathogenen en maximale gehalten aan koper en zink. Op welke wijze wordt het toezicht op deze kwaliteitseisen ingericht en wie draagt de verantwoordelijkheid indien de gebruikte RENURE-producten in de praktijk niet aan deze veiligheidsnormen voldoen? Tot slot vragen deze leden naar de tijdelijke registratie- en analyseverplichting voor producenten zolang een definitieve verankering in de Meststoffenwet nog uitblijft. Hoe voorkomt de minister dat dit leidt tot onnodige administratieve lasten, terwijl tegelijkertijd een sluitende borging van de meststromen noodzakelijk blijft om fraude en onbedoelde emissies tegen te gaan?

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid. Deze leden hebben geen aanvullende vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de achteruitgang op het landbouwdossier van de afgelopen periode. Daarin staan deze leden niet alleen. Alleen al in de onderliggende adviezen met betrekking tot het 8e AP zien zij zich bevestigd door stevige kritiek van onder andere Wageningen Environmental Research (WENR), de Commissie Milieueffectrapportage (MER), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de Landsadvocaat, de Europese Commissie (EC), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en zelfs het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Zij waarschuwen onder andere voor verslechtering van de waterkwaliteit en meer stikstofuitstoot, nieuwe rechtszaken, een Europese infractie en een tweede stikstofcrisis. Dat op deze kritiek en waarschuwingen nauwelijks is geacteerd is typerend voor het afgelopen kabinet en desalniettemin betreurenswaardig.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken dan ook met interesse uit naar de plannen van een volgend kabinet. Wat deze leden betreft, biedt de transitie van de landbouw kansen om Nederland mooier te maken, om boeren weer perspectief te geven, boeren en omwonenden gezonder te maken en dieren een beter leven te geven. Deze leden benadrukken daarbij dat het oplossen van de problemen in de landbouw wat hen betreft niet nog langer vooruitgeschoven kan worden en dat het dus noodzakelijk is voortgang op korte termijn te realiseren en te borgen.

De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat het derogatieverzoek definitief is afgewezen en de mestderogatie daarmee dit jaar definitief vervalt. Wat zijn de meest recente cijfers over de overschrijding van de mestplafonds en wat zijn de meest recente prognoses voor hoe dit zich gedurende dit jaar ontwikkelt? Wat is de precieze opdracht die de Nitraatrichtlijn geeft aan Nederland in het geval van een overschrijding van het mestplafond en zijn hiervoor scenario’s uitgewerkt en doorgerekend en zo ja, welke? Welke concrete maatregelen kunnen worden genomen om op korte termijn onder het plafond uit te komen? Wat zijn van elk van deze de geschatte ecologische, financiĆ«le en juridische gevolgen en op welke termijnen zijn ze mogelijk?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vergelijkbare vragen over stikstof. Kan de minister bevestigen dat de Greenpeace-uitspraak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578) bindend is, ook in afwachting van het hoger beroep, en dat dat dus de realiteit is waarmee rekening moet worden gehouden? Zijn er maatregelpakketten voorbereid en doorgerekend waarmee aan de Greenpeace-uitspraak wordt voldaan? Zo ja, hoe zien die eruit? Zo nee, waarom niet? Wat zijn concrete maatregelen om versneld stikstofruimte vrij te maken voor natuurherstel en vergunningverlening?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de mest- en stikstofdossiers niet los kunnen worden gezien van andere landbouw- en natuurdossiers, zoals de Europese Natuurherstelwet. Wat is de voorgenomen planning voor het opstellen van het nationale conceptplan en hoe wordt de Kamer hierbij betrokken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie maken gebruik van de gelegenheid om grote zorgen en kritiek te uiten op de koers die dit kabinet vaart met betrekking tot het stikstof- en mestbeleid. Terwijl onze boeren de ruggengraat vormen van onze voedselzekerheid, worden zij geconfronteerd met verstikkende regelgeving en onrealistische plafonds die zijn gebaseerd op drijfzand.

De leden van de PVV-fractie vinden het goed dat de minister in haar brief ingaat op knelpunten bij de uitvoering van de Landelijke beƫindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beƫindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en erkent dat ondernemers in de praktijk vastlopen (Kamerstuk 35334, nr. 400). Tegelijkertijd bevestigt deze brief opnieuw het fundamentele probleem van het Nederlandse stikstof- en mestbeleid. Beleid dat is gevormd tot een juridisch en administratief doolhof waarin boeren die jarenlang volgens de regels hebben gehandeld, alsnog de rekening krijgen gepresenteerd.

De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de minister terecht vaststelt dat uit onderzoek blijkt dat bepaalde emissiearme stalsystemen in de praktijk hogere ammoniakemissies veroorzaken dan eerder werd aangenomen. Deze leden benadrukken echter dat deze systemen destijds door de overheid zijn goedgekeurd, opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) en actief zijn gestimuleerd. Boeren hebben hier te goeder trouw en vaak tegen hoge kosten in geĆÆnvesteerd. Dat alternatieve emissiecijfers zijn toegestaan om deze ondernemers alsnog toegang te geven tot de Lbv- en Lbv-plus-regelingen is dan ook geen gunst, maar een kwestie van elementaire rechtvaardigheid.

De leden van de PVV-fractie vragen de minister hoe zij voorkomt dat boeren in de toekomst opnieuw slachtoffer worden van falende emissiemodellen en welke structurele verbeteringen zij doorvoert om de betrouwbaarheid van emissiefactoren te vergroten.

Ook het dossier rond de wintergarten illustreert volgens de leden van de PVV-fractie hoe regelgeving en praktijk structureel langs elkaar heen lopen. Deze leden waarderen dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrelruimte onder voorwaarden als dierenverblijf kan gelden. Tegelijkertijd blijft het onverteerbaar dat ondernemers zonder stalcertificaat, maar met een feitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten. Dat leidt tot rechtsongelijkheid. Deze leden vragen de minister of zij bereid is aanvullende, objectieve bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijke situatie leidend wordt in plaats van papieren formaliteiten.

De leden van de PVV-fractie zien een terugkerend knelpunt in de afhankelijkheid van boeren van de capaciteit en doorlooptijden bij bevoegde gezagen. Dat de termijn voor het wijzigen of intrekken van vergunningen is verruimd, was noodzakelijk. Het kan niet zo zijn dat ondernemers financieel worden gestraft voor trage procedures waar zij zelf geen enkele invloed op hebben.
Deze leden vragen de minister welke structurele maatregelen zij neemt om vergunningverlening bij provincies te versnellen en hoe zij voorkomt dat dit probleem zich bij toekomstige regelingen opnieuw voordoet.

De leden van de PVV-fractie constateren ten aanzien van het starten van een nieuwe economische activiteit op een beƫindigde veehouderijlocatie dat recente uitspraken van de Raad van State opnieuw voor onzekerheid zorgen. Hoewel de handreiking voor medeoverheden welkom is, blijft de verplichting tot het aanvragen van een nieuwe natuurvergunning voor veel ondernemers een forse drempel. Dit is wrang, omdat deze ondernemers per saldo juist bijdragen aan stikstofreductie. Deze leden vragen of de minister, samen met provincies, bereid is te zoeken naar een eenvoudiger en voorspelbaarder overgangsregime.

De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de sloopverplichting binnen de Lbv-regelingen. De mogelijkheid tot ontheffing is positief, maar het volledig vervallen van de vergoeding voor niet-gesloopte onderdelen kan ondernemers ontmoedigen om te investeren in een nieuwe economische toekomst. Deze leden begrijpen de beperkingen van het staatssteunkader, maar vragen de minister of zij zich in Brussel actief wil inzetten voor meer flexibiliteit bij toekomstige beƫindigingsregelingen.

De leden van de PVV-fractie vragen ook aandacht voor de eis van vijf jaar bedrijfseconomisch gangbaar gebruik. Het ontbreken van maatwerk, zelfs wanneer leegstand buiten de schuld van de ondernemer is ontstaan, wordt als onrechtvaardig ervaren. Juist dit soort harde en onbuigzame regels voedt het gevoel van willekeur en onbegrip onder boeren. Deze leden vragen zich af of de minister kan aangeven hoe zij hiernaar kijkt.

De leden van de PVV-fractie benadrukken dat vrijwillige regelingen altijd te verkiezen zijn boven gedwongen onteigening. Vrijwilligheid kan echter alleen bestaan als regelingen uitvoerbaar, rechtvaardig en betrouwbaar zijn. De ervaringen met de Lbv en Lbv-plus laten zien dat het stikstofbeleid fundamenteel eenvoudiger moet met minder juridisering en meer vertrouwen in de boer. Die les mag de overheid bij toekomstige regelingen niet opnieuw negeren. Deze leden zouden hier graag een reactie van de minister op hebben.

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie constateren dat het Europese RENURE voorstel positief is beoordeeld en dat Nederland inzet op snelle nationale implementatie.

De leden van de JA21-fractie constateren dat regelgeving vooral toeziet op gebruik en kwaliteit van RENURE, maar vergunningverlening rondom RENURE-installaties op boerderijniveau nog onduidelijkheid wekt. Een installatie kan worden beoordeeld als normale agrarische bedrijfsvoering of als industrie. Hoe wordt geborgd dat vergunningverlening voor RENURE-installaties op boerenbedrijven niet vastloopt door interpretatieverschillen bij provincies en gemeenten?

De leden van de JA21-fractie benadrukken dat RENURE een toepasbare oplossing is als regelgeving, vergunningverlening en financiering voorspelbaar zijn ingericht. Zonder die samenhang dreigt RENURE geen levensvatbaar concept te zijn. Welke financiƫle instrumenten of subsidies acht de minister noodzakelijk om uitrol van RENURE in Nederland succesvol te maken?

De leden van de JA21-fractie constateren dat de Subsidieregeling Extensivering Melkveehouderij (SEM) zich nog in de prenotificatiefase bij de EC bevindt en dat de EC vragen heeft gesteld over de aard en opzet van de regeling in relatie tot het toepasselijke staatssteunkader. Kan de minister een actuele stand van zaken geven over de beantwoording van deze vragen en de planning richting de start van de formele notificatie en publicatie van de regeling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende stukken voor het schriftelijk overleg over Stikstof en mestbeleid met interesse gelezen. Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.

De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen specifiek bij de aanvraag voor derogatie en de afwijzing die daarop gekomen is op 22 december 2025 van Eurocommisaris Roswall (Kamerstuk 2025D54012). In die laatste brief lezen deze leden namelijk het volgende: ā€œthe nitrogen surplus being four times higher than the EU average, with 50% coming from agriculture.ā€ Deze leden zijn over die bewoording zeer verbaasd, omdat uit de meest recente bronnenanalyse is gebleken dat 31 procent van het stikstofsurplus uit de landbouw komt. Waar komt de volstrekt onjuiste indruk bij de Eurocommissaris vandaan dat de landbouw zo een groot aandeel zou hebben? Met welke informatie en welke bijlagen is het derogatieverzoek onderbouwd geweest? Is er contact gezocht met de Eurocommissaris om dit grove misverstand recht te zetten en zo nee, waarom niet? Daarnaast lezen deze leden dat de Eurocommissaris het onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) dat gedaan is in 2023 (Kamerstuk 2023D32853) verkeerd lijkt te interpreteren. Eurocommissaris Roswall schrijft in haar brief dat uit dit onderzoek blijkt dat het afbouwen van de derogatie geen risico zou zijn voor de waterkwaliteit. Terwijl in dit onderzoek juist letterlijk het volgende staat: ā€œHet is niet ondenkbaar dat melkveebedrijven die eerst derogatie verkregen hadden hun areaal maisland zullen uitbreiden ten koste van het areaal grasland. Of dat vanwege een mogelijke vermindering van de veestapel het areaal op melkveebedrijven zal afnemen. Als dit het geval is, kan ervoor gekozen worden om de krimp te laten plaatsvinden ten koste van het graslandareaal. Op melkveebedrijven is er in het kader van eiwitarmer voeren een behoefte aan een verandering in de verhouding mais gras. Omdat onder maisland meer nitraat uitspoelt dan onder grasland, zou hierdoor e de gemiddelde nitraatconcentratie toe kunnen nemen.ā€ Vervolgens wordt in dat rapport alleen voor de zand-regio’s een berekening gemaakt van de uiteindelijke gevolgen. Die zouden daar klein zijn, maar juist de overige regio’s zijn van belang in dit verhaal. Waarom is dat niet meegenomen in de onderbouwing bij de aanvraag van de derogatie? Daarnaast staat in de brief dat de KDW-doelen verder buiten bereik zouden komen met een derogatie, maar wordt niet meegenomen dat dankzij een derogatie juist de klimaatdoelen dichterbij komen, dankzij verhoogde koolstofvastlegging in de bodem. Kan de minister hierop reflecteren en is dit specifieke punt ook gecommuniceerd met de Eurocommissaris bij aanvraag van de derogatie?

Daarnaast verwijst de Eurocommissaris naar een rapport van 19 december 2024, waarin de afbouw van derogatie nog als grootste factor in het verlagen van stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuur wordt gezien (PBL, 19 december 2024, ā€˜Toelichting geraamde ontwikkeling ammoniakemissie uit de landbouw’, (https://www.pbl.nl/publicaties/toelichting-op-de-geraamde-ontwikkeling-van-de-ammoniakemissie-uit-de-landbouw-tot-2030-en-2035)). In dit onderzoek is dus uiteraard niet de inzet van de MinisteriĆ«le commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) meegenomen, waardoor een ernstig vertekend beeld ontstaat. Waarom is de Eurocommissaris niet gewezen op het feit dat dit onderzoek verouderd is? Is het beleid van dat voorgesteld is door MCEN ook aan de Eurocommissaris voorgelegd en zo nee, waarom niet? Uit de brief van de Eurocommissaris blijkt verder dat zij de indruk krijgt dat het percentage overschrijdingen van 50 milliliter per liter in grondwater zou zijn gestegen van 14 procent naar 18,7 procent. Dat zou uit het ā€œReport under the Nitrates Directive by The Netherlands for the period 2020-2023ā€ (RIVM, 28 november 2024, ā€˜Agricultural practices and water quality in the Netherland: status (2020-2023) and trends (1992-2023)’, (https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-quality-in-netherlands-status-2020-2023-and-trends)) gedestilleerd zijn. De leden van de BBB-fractie kunnen deze berekening niet terugzien in het rapport zelf. Daarin worden drie soorten grondwater apart benoemd, ondiep grondwater, midden-diep grondwater en zeer diep grondwater. Alleen in de zand-zuid regio is de nitraatconcentratie gemiddeld te hoog in ondiep grondwater, in de rest van Nederland niet. Voor de diepere lagen is het gemiddelde over heel Nederland niet te hoog. Het verbaast deze leden daarom dat de Eurocommissaris lijkt te rekenen met andere cijfers. Kan de minister daarop reflecteren? Waar het gaat om oppervlaktewater refereert de brief aan onder andere de ā€œReport under the Nitrates Directive by The Netherlands for the period 2020-2023ā€ (RIVM, 28 november 2024, ā€˜Agricultural practices and water quality in the Netherland: status (2020-2023) and trends (1992-2023)’, (https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-quality-in-netherlands-status-2020-2023-and-trends)). In dat rapport lezen deze leden dat het percentage oppervlaktewater dat meer dan 50 milligram per liter stikstof bevat in de afgelopen jaren alleen maar is gedaald. Toch lijkt de Eurocommissaris daar geen rekening mee te houden. Is daarover met de Eurocommissaris contact gezocht? Klopt het dat Nederland een groot deel van het oppervlaktewater ā€˜vervuild’ noemt bij een lager gehalte dan 50 milligram per liter nitraat? Waarom is ervoor gekozen om op die manier te rapporteren in Europa, met als gevolg dat een groter aandeel van het oppervlaktewater ā€˜niet voldoet’? De Eurocommissaris is ook specifiek niet tevreden met het aantal wateren in Nederland dat ā€œeutroofā€ of ā€œpotentieel eutroofā€ is. In de laatstgenoemde rapportage staan ook het aantal eutrofe wateren. Deze leden willen weten of eutrofiĆ«ring in alle landen gelijkwaardig wordt beoordeeld. Het lijkt erop dat voor ā€˜te veel stikstof’ een andere classificatie wordt gebruikt dan de 50 milliliter per liter, waardoor meer wateren als ā€˜met risico op eutrofiĆ«ring’ worden geclassificeerd. Kan de minister hierop reflecteren? Waarom is daarvoor gekozen als een andere benadering in Europa ook is toegestaan? Deze leden willen daarnaast weten of bij de beoordeling van wateren ook rekening is gehouden met de aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft, waardoor eutrofiĆ«ring niet aan de landbouw toe te wijzen zou zijn. Zeker gezien het feit dat vrijwel alle wateren minder dan 50 milligram per liter stikstof bevatten. Is die informatie ook met de Eurocommissaris gedeeld in dit verband? Zo nee, waarom niet? Kan de minister van alle genoemde getallen en alle ā€˜feiten’ op basis waarvan de Eurocommissaris de derogatie-aanvraag heeft afgewezen de herkomst benoemen en uitleggen of de Eurocommissaris die getallen en feiten correct leest en beoordeelt?

De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of tegen het besluit van de Eurocommissaris nog bezwaar gemaakt kan worden. Zo nee, waarom niet? Als dat wel kan, hoe gaat de minister dat doen?

De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over het aanwijzen van het volledige Nederlandse grondgebied als ā€œkwetsbare zoneā€. Deze leden constateren dat in het Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)-advies wordt gesteld dat de nitraatconcentraties in het grondwater van klei- en veengebieden al jaren onder de norm van 50 milligram per liter liggen. Deelt de minister de mening dat dat een reden zou kunnen zijn om niet langer heel Nederland als kwetsbaar gebied aan te wijzen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat het grootste deel van de nutriƫntenbelasting van de Noordzee afkomstig is uit het buitenland en dat de bijdrage vanuit Nederlandse klei- en veengebieden extreem beperkt is. Hoe rechtvaardigt de minister extra nationale maatregelen in deze gebieden, terwijl het effect op de nutriƫntenbelasting van de Noordzee marginaal is?

De leden van de BBB-fractie constateren dat het CDM-advies aangeeft dat eutrofiƫring in klei- en veengebieden voor circa 60 procent een mogelijke ontwikkeling betreft en geen vastgestelde overschrijding. Acht de minister het proportioneel om op basis van risico-inschattingen generieke maatregelen op te leggen?

De leden van de BBB-fractie missen in het CDM-advies een integrale beschouwing van bestaand beleid, zoals het huidige mestbeleid, gebruiksnormen en fosfaatrechten. Kan de minister toelichten waarom deze bestaande borging niet is meegenomen in de risico-inschatting? Kan de minister daarnaast aangeven waarom voorgenomen maatregelen gericht op emissiereductie naar de lucht, waaronder maatregelen die volgen uit de MCEN, niet zijn meegewogen bij de beoordeling van risico’s voor waterkwaliteit? Hoe beoordeelt de minister de effecten van die maatregelen op het risico op verslechtering van de waterkwaliteit als er gaan actieprogramma meer zou zijn voor klei- en veengebieden?

De leden van de BBB-fractie zien dat het beleid steeds meer inzet op doelsturing. Deelt de minister de opvatting dat doelsturing mogelijkheden biedt om individuele bedrijven aan te spreken, in plaats van gehele gebieden generiek aan te wijzen als kwetsbare zone? Hoe ziet de minister die samenhang en deelt zij de mening dat dit mee kan wegen in het niet langer aanwijzen van klei- en veengebieden als kwetsbare zone?

De leden van de BBB-fractie constateren dat in het CDM-advies doelen voor de concentratie van totaal stikstof in oppervlaktewater worden genoemd van 2 tot4 milligram Nitraat per liter. Op welke wetenschappelijke studies zijn deze normen gebaseerd? Is wetenschappelijk vastgesteld dat bij overschrijding van deze concentraties in alle typen waterlichamen daadwerkelijk eutrofiƫring optreedt? Kan de minister aangeven welke normen voor totaal stikstof in oppervlaktewater worden gehanteerd in andere Europese Unie (EU)-lidstaten en hoe deze zich verhouden tot de in Nederland gehanteerde waarden?

De leden van de BBB-fractie kennen het document ā€œBeste beschikbare technieken emissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslibā€ (Informatiepunt Leefomgeving, ā€˜Beste beschikbare technieken emissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib’, (https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/milieubelastende-activiteiten-hoofdstuk-3-bal/activiteiten/bodem-brengen-meststoffen/beste-beschikbare-technieken-emissiearm-aanwenden/)) en willen weten waarom de toepassing van verschillende toevoegmiddelen aan drijfmest niet in dit document opgenomen zijn. Wanneer is dit document voor het laatst herzien en wanneer wordt opnieuw onderzocht of er mogelijk nieuwe technieken zijn die als optie aan dit document toegevoegd kunnen worden?

De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de term ’meemesten van sloten’. Deze leden lezen dat het zogeheten Kantstrooi Advies Systeem (KAS) uit 1989 nog steeds de basis vormt voor de berekening van het ’meemesten van sloten’ en daarmee voor de toerekening van stikstof- en fosforbelasting van oppervlaktewater aan de landbouw. Zij zien in de praktijk dat het zogenaamde ā€˜meemesten van sloten’ al jaren niet meer voorkomt. Boeren worden door deze benadering onnodig verantwoordelijk gehouden voor iets dat al jaren niet meer bestaat. Deze leden vinden dit zeer problematisch. Zij vragen of het klopt dat dit systeem sinds de ontwikkeling eind jaren tachtig niet inhoudelijk is geactualiseerd op basis van nieuwe metingen of herberekeningen van mesttoedieningstechnieken. Zij constateren bijvoorbeeld dat in het KAS expliciet wordt gerekend met mesttoedieningsmethoden zoals een Schuitemaker SR 10000 L met spreidplaat voor drijfmest en volveldse kunstmeststrooiers zonder kantstrooivoorziening en merken op dat deze technieken destijds representatief waren voor de praktijk, maar inmiddels verboden zijn of structureel zijn vervangen door andere systemen. Sommige technieken zijn op dit moment zelfs al jaren verboden.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat drijfmest tegenwoordig emissiearm wordt toegediend, veelal via injectie- of sleuftechniek, dat kunstmeststrooiers verplicht zijn uitgerust met kantstrooivoorzieningen en dat daarnaast bemestingsvrije bufferstroken langs watergangen wettelijk verplicht zijn. Deze leden vragen of de minister het ermee eens is dat deze maatregelen ertoe leiden dat direct meemesten van sloten in de huidige praktijk sterk is verminderd en feitelijk niet meer voorkomt.

De leden van de BBB-fractie lezen verder dat de effecten van gewijzigd beleid en gewijzigde toedieningsmethoden niet zijn doorgerekend in een nieuw rekenmodel, maar uitsluitend zijn verwerkt via correctiefactoren op de uitkomsten van het oorspronkelijke KAS. Deze leden vragen waarom ervoor is gekozen om geen volledige herberekening uit te voeren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken, maar te blijven werken met correcties op een verouderde rekenkern.

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast op basis van welke empirische gegevens of metingen deze correctiefactoren zijn vastgesteld. Deze leden vragen tevens waarom deze factoren niet specifiek zijn doorgerekend voor verschillen tussen grasland en bouwland, terwijl juist bij deze vormen van landgebruik de mesttoedieningsmethoden en risico’s op emissies sterk verschillen.

De leden van de BBB-fractie constateren dat aan de emissiefactor voor het meemesten van sloten een betrouwbaarheidspercentage van 100 procent is toegekend, wat duidt op een grote onzekerheid. Deze leden vragen hoe deze hoge onzekerheid zich verhoudt tot het gebruik van deze cijfers in de bronverdeling van nutriƫntenbelasting van oppervlaktewater en tot de beleidsmatige consequenties die hieraan worden verbonden.

De leden van de BBB-fractie vragen of de minister het mogelijk acht dat door het gebruik van een verouderd rekeninstrument, gecombineerd met globale correctiefactoren, het aandeel van de landbouw in de berekende nutriĆ«ntenbelasting van oppervlaktewater structureel wordt overschat. Deze leden wijzen erop dat de bronverdeling direct van invloed is op de haalbaarheid en proportionaliteit van waterkwaliteitsdoelen. Zij vragen welke gevolgen een mogelijke bijstelling van het aandeel ā€œmeemesten van slotenā€ zou hebben voor de totale toerekening van stikstof en fosfor aan de landbouw en voor de haalbaarheid van de geldende waterkwaliteitsdoelen.

De leden van de BBB-fractie lezen tot slot in de factsheet zelf dat een update van emissies op basis van huidige toedieningsmethoden noodzakelijk wordt geacht. Deze leden vragen of de minister bereid is het rekeninstrumentarium voor het meemesten van sloten te laten actualiseren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken en praktijkmetingen, zodat de toerekening van nutriƫnten aan sectoren beter aansluit bij de huidige landbouwpraktijk.

De leden van de BBB-fractie hebben ook een vraag over de meest recente bronnenanalyse van nutriƫnten in water. Omdat belasting vanuit het buitenland niet meegerekend wordt, lijkt te belasting door landbouw groter dan die daadwerkelijk is. Waarom wordt daarvoor gekozen?
Deze leden zouden graag van de minister een overzicht per gebied ontvangen van de landbouwbijdrage aan stikstof als rekening gehouden wordt met de belasting uit het buitenland Ć©n met de correctie voor het feit dat ’meemesten van sloten’ niet meer bestaat.

De leden van de BBB-fractie zijn verbaasd over de strikte hantering van het ā€˜achteruitgangsverbod’ als het gaat over het 8e AP. Ook daarover hebben deze leden een aantal vragen. Waarom wordt bijvoorbeeld het achteruitgangsverbod als het gaat om de landbouwbijdrage veel strikter genomen dan als het gaat om de bijdrage vanuit rioolwater? Als voorbeeld willen deze leden het aansluiten van nieuwe woningen op de riolering noemen. Omdat rioolwaterzuiveringen een groot aandeel van de stikstofbelasting veroorzaken Ć©n in veel gevallen nog overstorten bestaan, is iedere nieuwe aansluiting op de riolering een reĆ«el risico op achteruitgang van de toestand van het water. Er worden echter nog steeds nieuwe woningen (en zelfs wijken) aangesloten op bestaande rioolnetwerken die zorgen voor overbelasting van bestaande rioolwaterzuiveringen. In dat geval wordt kennelijk een afweging van belangen gemaakt. Waarom bestaat die mogelijkheid niet als het gaat om de landbouw en dan met name de bemestingsnormen van vollegrondsgroenten? Met name de teelt van verschillende vollegrondsgroenten kan onmogelijk worden zonder versoepeling van de normen, hoe wordt daarmee omgegaan? Waarom wordt daar geen belangenafweging gemaakt? Deze leden vragen de minister om niet alleen in te gaan op de mogelijkheid tot een belangenafweging bedrijfseconomische effecten, maar ook de mogelijke effecten op de voedselvoorziening en dus de belangenafweging van de voedselvoorziening van de Nederlandse samenleving. Voedsel is ten slotte niet alleen een economisch product, maar ook zonder twijfel noodzakelijk voor de samenleving. De belangen van (mogelijk) iets minder stikstof in het water moet dus altijd ook afgewogen worden tegen de belangen van voedsel voor de samenleving. Daarnaast zijn er verschillende regels uit het 7e AP waarvan algemeen bekend is dat ze niet (of hooguit zeer marginaal) bijdragen aan de waterkwaliteit. Het advies van de landsadvocaat laat zien dat het mogelijk is om die maatregelen te laten vervallen (of vervangen door effectieve maatregelen). Hoe gaat dit advies worden meegenomen in de vaststelling van het volgende AP? Als niet-effectieve maatregelen blijven bestaan, hoe groot is dan het risico dat belangengroepen of individuele ondernemers deze maatregelen zullen aanvechten? Kan de minister reflecteren op de risico's van het niet laten vervallen van maatregelen die niet of slechts zeer marginaal effectief zijn voor de waterkwaliteit?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

Mestbeleid

De leden van de SGP-fractie constateren dat vorig jaar via 81 duizend ton rundveemest 386 duizend kilogram fosfaat en 616 duizend kilogram stikstof is geëxporteerd. Tegelijkertijd is met de import van 132 duizend ton rundveemest 251 duizend kilogram fosfaat en 580 duizend kilogram stikstof geïmporteerd. Deze leden vinden het opvallend dat nog zoveel rundveemest wordt geïmporteerd en de fosfaat- en stikstofgehaltes daarbij substantieel lager liggen. Kan de minister dit nader duiden?

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag in verband met de aangenomen motie-Flach/Grinwis (Kamerstuk 28973, nr. 278) waarin wordt gevraagd om in te zetten op het beperken van de aanwijzing van heel Nederland als een kwetsbaar gebied door graslandregio’s als het rivierengebied, waar weinig problemen zijn met de waterkwaliteit, niet aan te wijzen dan wel een apart AP hiervoor op te stellen. Wil de minister het toegezegde advies van de CDM per ommegaande naar de Kamer sturen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025-2026, nr. 766)? Is de veronderstelling juist dat als Nederland ervoor kiest dit jaar bijvoorbeeld het rivierengebied niet aan te wijzen als kwetsbaar gebied er dan in ieder geval dit jaar voor dit gebied meer ruimte kan worden gecreĆ«erd voor het uitrijden van dierlijke mest, omdat voor het al dan niet aanwijzen van heel Nederland als kwetsbaar gebied geen toestemming vooraf nodig is?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanwijzing van NV-gebieden niet wil aanpassen op basis van geactualiseerde data en daarbij verwijst naar de oproep van de Kamer om de geĆÆmplementeerde maatregelen uit het 7e AP ongewijzigd voort te zetten. Deze leden willen erop wijzen dat de Kamer ook heeft gevraagd om actualisering van de aanwijzing van NV-gebieden (Kamerstuk 28973, nr. 278) en dat het bij de actualisering van de lijst met NV-gebieden niet gaat om de overstap naar aandachtsgebieden of een wijziging van maatregelen in het 7e AP, maar om een aanpassing van de lijst van gebieden (waar specifieke geĆÆmplementeerde maatregelen van toepassing zijn) volgens de huidige criteria in het huidige AP. Deelt de minister de mening dat de gevraagde actualisatie van NV-gebieden in lijn is met de wensen van de Kamer? Is zij alsnog bereid deze actualisatie door te voeren?

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister bereid is boomkwekerijgewassen toe te voegen aan de lijst met rustgewassen onder het 7e AP.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de Subsidieregeling Behoud Grasland de komende jaren wordt voortgezet, gelet op de blijvende druk op omzetting van grasland in meer uitspoelinggevoelig bouwland.

De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in de hoeveelheden fosfaatrechten die in de opeenvolgende jaren 2022, 2023, 2024 respectievelijk 2025 in de rundveehouderij zijn verhandeld.

De leden van de SGP-fractie constateren dat de excretieforfaits voor melkvee de daadwerkelijke excretie overschatten. De regering wil de wettelijke excretieforfaits nog niet actualiseren in verband met de verwachte extra dieren die dan aangehouden zullen worden. Dat betekent evenwel ook dat melkveehouders nu meer mest moeten afvoeren dan nodig is, terwijl de mestmarkt al gespannen is door de afschaffing van de derogatie. Deze leden horen graag welke mogelijkheden de minister ziet om ervoor te zorgen dat melkveehouders niet meer mest hoeven af te voeren dan nodig is.

Stikstof

De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat enkele steden, zoals Arnhem, ’s Hertogenbosch en Veenendeel, pal naast stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden liggen en derhalve grote problemen ondervinden bij onder meer woningbouw en de energietransitie. Deze leden horen graag of de minister wil investeren in gerichte maatregelen voor stedelijke emissiereductie om maatschappelijk noodzakelijke ontwikkelingen in deze steden mogelijk te houden.

De leden van de SGP-fractie horen graag wanneer de minister de SEM gaat openstellen. Is dit op de kortst mogelijke termijn?

De leden van de SGP-fractie constateren dat wordt gesuggereerd dat door emissiereductie natuurherstel wordt gerealiseerd en dat vergunningverlening pas op gang kan komen als sprake is van natuurherstel. Deze leden willen erop wijzen dat wetenschappelijk onderzoek laat zien dat vanwege opgehoopte neerslag over langere tijd emissiereductie in verschillende Natura 2000-gebieden op korte termijn op zichzelf geen zichtbaar natuurherstel zal opleveren. Dat zou betekenen dat het opgang brengen van de vergunningverlening nog heel lang op zich laat wachten. Deze leden horen graag hoe de minister dit weegt.

De leden van de SGP-fractie horen graag welke afweging het kabinet inmiddels heeft gemaakt ten aanzien van de gevraagde juridische duidelijkheid over het opnemen van intern salderen in de voortoets als activiteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn (Kamerstuk 35334, nr. 392).

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister de opgekochte stikstofruimte in het kader van de opkoopregelingen tijdelijk wil inzetten richting provincies om handhaving bij Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders af te kunnen houden.

De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de Subsidieregeling Brongerichte Verduurzaming (Sbv). De deelname van melkveehouders aan deze regeling is minimaal vanwege de zware eisen. Deze leden hebben de indruk dat zo kansen worden gemist. Welke ruimte ziet de minister voor het tijdelijk ondersteunen van innovatieve technieken en managementmaatregelen, waarbij de uitstootreductie via monitoring gevolgd moet worden? Welke mogelijkheden ziet de minister om de huidige eis van minimaal 85 procent emissiereductie te versoepelen, zodat meer technieken en managementmaatregelen, al dan niet gestapeld, in aanmerking komen?

De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in het kader van het ā€˜Vervolgpakket Nederland van het slot’ 50 miljoen euro heeft gereserveerd voor een gebiedsgerichte aanpak voor het Rotterdamse havengebied. Ook andere havengebieden, zoals North Sea Port, kampen met de stikstofproblematiek. Worden deze havengebieden ook meegenomen in de genoemde gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid en hebben hier nog een aantal vragen over.

De leden van de PvdD-fractie constateren dat de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) er sinds haar aantreden alles aan heeft gedaan om maatregelen tegen te houden en verslechteringen door te voeren. In de praktijk heeft dit er niet alleen toe geleid dat er kostbare tijd is verspild, maar ook dat de problemen, die al zeer ernstig waren, nog meer zijn vergroot. Hierdoor moeten er op zeer korte termijn maatregelen komen om alle problemen die worden veroorzaakt door de veehouderij, zoals de stikstof- en watercrisis, achteruitgang van de natuur en gezondheidsproblemen voor Nederlands, op te lossen. Boeren zijn in nog meer onzekerheid gestort en door het afbraakbeleid van het afgelopen kabinet komt er nog meer op hen af. In stukken van het ministerie van I&W lezen deze leden dat ambtenaren van I&W zich stevig uitspreken tegen het functioneren van het ministerie van LVVN. Zo spreken zij van een ā€œnietus-wellus spelā€, ā€œonjuiste vergelijkingā€, ā€œeufemisme voor verslechteringā€ en ā€œappels met peren vergelijkenā€ (Kamerstuk 2026D03468). Wat vindt de minister van deze stevige kritiek op het functioneren van haar ministerie?

De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het landbouwbeleid al jaren wordt gekenmerkt door een gefragmenteerde aanpak waarin wordt gestuurd op deelproblemen. Op het ene moment focust de politiek zich op stikstof en wordt daarop gestuurd, op het andere moment op fosfaatreductie of vermindering van de ammoniakuitstoot, verbetering van de waterkwaliteit en verbetering van dierenwelzijn. Deze leden zijn van mening dat het nodig is dat er duidelijkheid komt over de toekomst van de landbouw, zodat boeren een richting hebben waar ze op een integrale manier naartoe kunnen. Deze leden hebben hier een aantal vragen over: welke maatregelen van de minister dragen integraal bij aan de stikstofaanpak en dierwaardigheid? Heeft de minister een totaaloverzicht in kaart laten brengen van maatregelen die Ć©n de stikstofaanpak en de transitie naar een dierwaardige veehouderij in uiterlijk 2040 moeten realiseren? Hoe heeft zij uitvoering gegeven aan de motie die de regering verzoekt om stikstofmaatregelen die dierenwelzijn raken wetenschappelijk te laten toetsen op dierwaardigheid en in kaart te brengen welke maatregelen getroffen kunnen worden die integraal bijdragen aan de stikstofaanpak en dierwaardigheid (Kamerstuk 35334, nr. 391)? Deelt de minister de visie dat de focus op emissiereductie in stikstof- en mestbeleid niet moet leiden tot maatregelen die het dierenwelzijn verslechteren, zoals dichte stallen met luchtwassers, aanpassingen in voer (zoals eiwitbeperking en Bovaer) die risico’s voor de diergezondheid met zich meebrengen en beperking van weidegang (vanwege hoge mestafzetkosten), maar dat er in plaats daarvan moet worden gekeken naar integrale oplossingen voor alle uitdagingen in de landbouw? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie lezen in de appreciatie van het maatregelpakket stikstof door het PBL dat een deel van de ammoniakreductie in de veehouderij moet worden bereikt door een toename van het aandeel en de effectiviteit van emissiearme stallen, met name bij varkens en kippen. Deze leden merken ook op dat het kabinet voornemens is om meer subsidie uit te trekken voor technologische innovaties die stikstof reduceren en daarentegen veel minder budget beschikbaar stelt voor de opschaling van een dierwaardige veehouderij. Hoe voorkomt de minister dat een toename in emissiearme stalsystemen voor met name varkens en pluimvee de transitie naar een dierwaardige veehouderij vertraagt of zelfs tegenwerkt? Hoe kan de minister borgen dat eiwitnormen in veevoer niet onder veterinair vastgestelde gezondheidsgrenzen uitkomen? Volgens de Volkskrant voeren melkveehouders minder eiwit in verhouding tot de hoeveelheid energie om de stikstofuitstoot van hun dieren te verlagen (Volkskrant, 17 oktober 2025, (https://www.volkskrant.nl/wetenschap/koeien-varkens-en-kippen-gaan-gebukt-onder-stikstofbeleid-diergezondheid-staat-bijna-altijd-achteraan~bb893692/)). Kan de minister een inschatting geven van de schaal van deze trend (aantal dieren of aantal bedrijven)? Volgens de Volkskrant zien pathologen ook steeds vaker gevallen van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven. Kan de minister dit bevestigen en verklaren? Heeft u kennisgenomen dat het beleid van de provincie Gelderland om met zones van 500 meter (rond de Veluwe/landgoederen Brummen) te werken slechts 55 procent emissiereductie in 2035 beoogt, waarvan slechts 11 procent extra boven op het autonome pad. Kunt u bevestigen dat de Veluwe het grootste Natura 2000-gebied van Nederland is, waar bovendien het gros van de Urgente Lijst die centraal staat in de Greenpeace-rechtszaak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578), zich bevindt? Kunt u bevestigen dat het vonnis toeziet op 2030, en het beleid van provincie Gelderland onvoldoende is om dit te halen? Hoe kan worden voorkomen dat deze aanpak onterechte verwachtingen schept over zowel het tempo als opgave die vervolgens tot weerstand leidt omdat er, overduidelijk, meer nodig is? Erkent de minister dat het gebrek aan nationale sturing ertoe leidt dat provincies hun eigen, ontoereikende invulling aan de opgave bieden? Ook provincies zijn immers verplicht invulling te geven aan het Greenpeace-vonnis. Hoe valt de keuze voor enerzijds slechts een 500 meter zone rond het grootste Natura 2000-gebied, evenals een enclave binnen de Veluwe, zonder extra opgave, volgens u te verklaren en uit te leggen aan de rest van het land?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich ernstige zorgen dat er nog geen zicht is op het van het stikstofslot komen van ons land. Na jaren steggelen over welk natuur- en stikstofbeleid precies nodig is - of er vooral focus moet zijn op emissiereductie en natuurherstel of vooral focus op aanpassing van regelgeving of een combinatie van die beide - om uit de stikstoffuik te zwemmen, is er nog steeds geen zekerheid dat stap x, y en z leiden tot het vlot verstrekken van nieuwe Natuurbeschermingswetvergunningen (NB-vergunningen) die stand houden voor de rechter. De vraag van deze leden is daarom of nog ƩƩn keer kan worden uiteengezet wat nodig is om met 100 procent kans een verstrekte natuurvergunning de rechtbank te laten overleven? Of is die garantie niet te bieden bij de huidige Vogel- en Habitatrichtlijn en de vigerende interpretatie daarvan? Als dat zo is, welke consequentie trekt het kabinet daar dan uit? Immers, er staat veel op het spel: woningen die moeizaam gebouwd kunnen worden, infrastructuur die niet aangelegd kan worden, bedrijven die niet kunnen innoveren en verduurzamen en anderzijds boerenbedrijven die mogelijk worden opgeofferd voor een onzeker resultaat in de rechtbank. Graag een goed onderbouwde en diepgaande reactie op deze fundamentele zorg. In de tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgeving gewerkt aan het verhogen van de rekenkundige ondergrens in de Aerius Calculator, namelijk naar een wetenschappelijk onderbouwde ondergrens van 0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee, welke stappen worden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met deze nieuwe rekenkundige ondergrens? Welke flankerende maatregelen wil het kabinet nemen om de kans te vergroten dat de verhoogde ondergrens stand houdt voor de rechter? In welke mate zijn de wensen en eisen van de provincies ingevuld door het kabinet? Stel dat de nieuwe rekenkundige ondergrens geen stand houdt, wordt met het oog daarop in de tussentijd gewerkt aan een nieuwe bouwvrijstelling voor stikstofoxiden uitstoot, aangezien zo een vrijstelling met meer kennis en zekerheid dan een aantal jaar geleden is te onderbouwen en vorm te geven, zo vragen deze leden. Waarom lukt het niet de opvolger van het legalisatieprogramma PAS-melders voor 1 mei 2026 van kracht te laten zijn? Tijdens de wetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming met derden zou worden gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan het oplossen van de onzekerheid voor PAS-melders gegeven, zo vragen deze leden.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen aan de regering. In de eerste plaats willen deze leden weten of er naast noodzakelijke agrarische ondersteuning, ook Rijksmiddelen beschikbaar komen voor natuurherstel en stedelijke/lokale emissiereductie in steden en dorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden. Ook vragen deze leden hoe de regering borgt dat de nationale woningbouwopgave van 100.000 woningen per jaar haalbaar blijft, ook in steden die binnen de stikstof-emissiestroken rond Natura 2000-gebieden liggen. Verder constateren deze leden dat het vervolgpakket financieel vooral agrarisch is gericht, en vragen zij of in de verdere uitwerking ook expliciet middelen geboden worden voor natuurherstel en stedelijke emissiereductie in steden als Arnhem, Veenendaal en ’s-Hertogenbosch, die pal naast zwaar belaste Natura 2000-gebieden liggen en waar woningbouw dreigt vast te lopen door onder andere 5 tot 15 procent meerkosten voor emissieloos bouwen. Wil de regering deze middelen toezeggen? Voorts vragen deze leden of de regering bereid is om gemeentelijke natuurherstelprojecten rond Natura 2000-gebieden mee te laten tellen als structurele stikstofmaatregelen binnen de landelijke aanpak. Kan de regering dit nader toelichten? Deze leden vragen de regering of zij deze punten expliciet mee wil geven aan een volgend kabinet, zodat in de verdere uitwerking van het stikstof- en natuurbeleid structureel rekening wordt gehouden met steden en dorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden.

Hoe staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit het dictum van de motie-Grinwis (Kamerstuk 33037, nr. 631): ā€œVerzoekt de regering onderwijl in overleg te gaan met de waterschappen over een heldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de aandachtsgebiedenā€ en ā€œverzoekt de regering conform de motie-Vedder c.s. (33037, nr. 593) de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept 8e AP, onverdroten voort te zetten, zodat geen tijd verloren gaat en agrariĆ«rs (onder andere in de aandachtsgebieden) komend najaar op perceelniveau het stikstofbodemoverschot kunnen gaan meten.ā€. Welke acties zijn reeds uitgevoerd en welke acties moeten nog ondernomen worden om aanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing in het najaar door te voeren? Wat is in het kader van het 8e AP overigens de reactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall?

Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke gevolgen het kabinet ziet voor het vervolg van 2026 van het verlies van de derogatie, zowel bedrijfseconomisch als milieu- en bodemkundig, en of en welke beleidsreactie wordt overwogen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben voor nu geen vragen en opmerkingen aangaande het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid.

II Antwoord / Reactie van de minister

III Volledige agenda

Eerste appreciatie voorlichting van de Raad van State over de Rekenkundige Ondergrens

Kamerstuk 35334-399, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 13 juni 2025

Toetsingskader Risicoregelingen voor de Borgstelling MKB Landbouwen Visserijkredieten

Kamerstuk 32637-699, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 13 juni 2025

Voorkomende problematieken in de uitvoering van de Lbv en Lbv-plus en hoe hiermee is omgegaan
Kamerstuk 35334-400, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 16 juni 2025

Reactie op verzoek commissie over de voorgestelde routes door juristen van Van Doorne om energieprojecten die onderaan de streep voor emissiereductie zorgen uit de stikstofimpasse te helpen
Kamerstuk 30196-849, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 23 juni 2025

Jaarrapportages Nederlands mestbeleid 2025
Kamerstuk 33037-604, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 30 juni 2025

Publicatie CBS-monitor Fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest, eerste kwartaalrapportage 2025
Kamerstuk 33037-605, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 3 juli 2025

CW 3.1 kaders (Beleidskeuzes Uitgelegd) bij maatregelen uit 1e suppletoire begroting 2025 van LVVN

Kamerstuk 36725-XIV-17, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 4 juli 2025

Wetsvoorstel vervangen van de KDW Omgevingswaarde
Kamerstuk 35334-405, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 11 juli 2025

Verzoek voor een derogatie op de Nitraatrichtlijn
Kamerstuk 33037-606, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 11 juli 2025

Stand van zaken keuze in relatie tot grondgebondenheid
Kamerstuk 34295-26, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 11 juli 2025

Concept 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn voor consultatie en advisering Commissie voor de Milieueffectrapportage
Kamerstuk 33037-607, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 14 juli 2025

Extra budget voor uitbreiding Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer in 2026 en budget voor extensivering veehouderij
Kamerstuk 36600-XIV-87, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 15 juli 2025

Reactie verzoek commissie over de uitspraken van de rechtbank Overijssel inzake de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen, alsmede op het artikel dat hierover in NRC is verschenen
Kamerstuk 32802-133, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 4 augustus 2025

Publicatie CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest tweede kwartaal 2025
Kamerstuk 33037-608, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 20 augustus 2025

Internetconsultatie AMvB over vergunningsvrije verduurzamingsactiviteiten
Kamerstuk 35334-408, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 25 augustus 2025

Appreciatie PBL maatregelpakket stikstof

Kamerstuk 35334-409, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 28 augustus 2025

PAS-melders en handhavingsverzoeken
Kamerstuk 334-45310, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 29 augustus 2025 PAS-melders en handhavingsverzoeken -

Informatieverzoeken Baudet en Mutluer over de stukken die besproken worden in de Ministeriƫle Commissie Economie en Natuurherstel (MCE&N)
Kamerstuk 35334-411, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 1 september 2025

Evaluatie Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv)
Kamerstuk 28973-281, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 8 september 2025

Voortgang van diverse onderwerpen van het mestbeleid
Kamerstuk 33037-610, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 16 september 2025

Vervolgpakket Nederland van het slot
Kamerstuk 35334-413, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 16 september 2025

Eerste weegmoment in het kader van de maximale mestproductie
Kamerstuk 33037-611, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 18 september 2025

Stand van zaken Subsidieregeling extensivering melkveehouderij & Vrijwillige beƫindigingsregeling veehouderijlocaties
Kamerstuk 28973-282, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 september 2025

Doorontwikkeling berekening stikstofdepositie

Kamerstuk 35334-414, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 september 2025-

Stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest Kamerstuk 35334-415, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 september 2025

Voortgang bedrijfsgerichte doelsturing

Kamerstuk 30252-209, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 23 september 2025

Publicatie Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Kamerstuk 35334-416, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 1 oktober 2025

Reactie op het verzoek van het lid Kostic, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 25 juni 2025, over het onderzoek van PBL waaruit blijkt dat de veehouderij 8,5 miljard euro aan schade per jaar veroorzaakt
Kamerstuk 32813- 1537, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 2 oktober 2025

Innovaties en vooruitgang in diervoeder

Kamerstuk 36800-XIV-7, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 2 oktober 2025

Voortgang op de wetswijziging alternatief voor de KDW en de rekenkundige ondergrens Kamerstuk 35334-417, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 17 oktober 2025

Voortgang 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn

Kamerstuk 33037-625, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 17 oktober 2025

Onderzoeken in het kader van hoger beroep rechtszaak Greenpeace inzake het stikstofbeleid
Kamerstuk 35334-419, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 4 november 2025

Wijziging Uitvoeringsregelgeving Meststoffenwet in verband met RENURE
Kamerstuk 22112-4200, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 7 november 2025

Actualisatie excretieforfaits en stikstofcorrectiefactoren voor landbouwhuisdieren
Kamerstuk 35334-420, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 14 november 2025

Beleidsreactie op rapport ā€˜Praktijkvalidatie van het CIGR-model voor CO2-productie in stallen met lacterende HF-melkkoeien’
Kamerstuk 28973-284, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 november 2025

Publicatie CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest derde kwartaal 2025

Kamerstuk 33037-626, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 20 november 2025

Voortgang op diverse onderwerpen van het mestbeleid
Kamerstuk 33037-636, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 december 2025

Stand van zaken van een aantal moties m.b.t. het stikstofbeleid en een aantal andere ontwikkelingen

Kamerstuk 36800-XIV-11, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19 december 2025

Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de omgang met intern salderen bij plantoets
Kamerstuk 35334-424, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 15 januari 2026

Ambtelijke adviezen en stukken die gebruikt zijn bij de voorbereiding van en besluitvorming over het achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn

Kamerstuk 33037-639, brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 27-01-2026