[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Kabinetsreactie rapport ‘Levensduurverlenging loont’

Grondstoffenvoorzieningszekerheid

Brief regering

Nummer: 2026D04910, datum: 2026-02-02, bijgewerkt: 2026-02-03 09:59, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 32852 -398 Grondstoffenvoorzieningszekerheid.

Onderdeel van zaak 2026Z02120:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte voorzitter,

CE Delft heeft in april 2025, in opdracht van Natuur en Milieu, het onderzoek ‘Levensduurverlenging loont’ gepubliceerd, met daarin aanbevelingen over de levensduurverlenging van consumentenelektronica.1 De Kamer heeft gevraagd om een beleidsreactie op het rapport2. Met deze brief wordt die toezegging afgedaan.

Natuur en Milieu vindt dat het huidige circulaire economiebeleid zich met name richt op recycling en te weinig inzet op reparatie en refurbishment. Om deze reden heeft Natuur en Milieu CE Delft de opdracht gegeven om de socio-economische effecten te beoordelen van een nationaal beleidspakket dat bijdraagt aan levensduurverlenging van consumentenelektronica. Het rapport stelt dat er door de inwerkingtreding van de Europese Ecodesign Verordening3 en de Reparatie-richtlijn4 nieuwe kansen ontstaan om levensduurverlenging van consumenten­elektronica op te schalen. In het rapport worden zes maatregelen behandeld die als kansrijk worden gezien en daarom zijn doorgerekend.

In deze brief wordt eerst de bredere context geschetst waarbinnen de aanbevelingen worden gedaan. Daartoe ga ik in op het bestaande beleid voor elektrische en elektronische apparaten, één van de prioritaire productgroepen in het kader van het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE). Bij de aanpak in dit kader speelt levensduurverlenging namelijk een belangrijke rol. Daarbij wordt ingezet op het bevorderen van hogere circulariteitsstrategieën zoals reparatie en refurbishment. Vervolgens verduidelijk ik de Nederlandse garantiewetgeving, omdat het rapport op dat vlak enige nuancering behoeft. Tot slot reageer ik op de individuele aanbevelingen uit het CE Delft rapport voor een beleidspakket om de levensduur van consumentenelektronica te verlengen.

Huidige beleidsinzet levensduurverlenging

Levensduurverlenging, het langer meegaan van producten en onderdelen en het intensiever gebruik van producten door hergebruik en reparatie, is een van de vier ‘knoppen’ uit het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2023-20305, waaraan gedraaid kan worden om tot een meer circulaire economie te komen. Levensduurverlenging is essentieel in een economie waarin producten en materialen meer circulair worden gebruikt en draagt daarmee in belangrijke mate bij aan de gestelde doelen voor circulaire economie, zowel nationaal als internationaal.

De afgelopen jaren zijn er verschillende brieven met de Kamer gedeeld over de kabinetsinzet op reparatie en refurbishment, waarin de beleidsinitiatieven zijn opgenomen voor het stimuleren van reparatie en het verlengen van de levensduur van apparaten. Deze brief gaat in op het beleidspakket zoals voorgesteld in het rapport van CE Delft maar zal niet alle lopende en toekomstige initiatieven benoemen die in eerdere Kamerbrieven6 zijn beschreven.

In algemene zin geldt dat beleid voor levensduurverlenging op EU niveau het meest efficiënt is: er worden eisen gesteld aan alle producten die op de EU-markt worden verkocht. Dit garandeert een gelijk speelveld en harmoniseert de Europese interne markt. Europese maatregelen hebben natuurlijk ook in Nederland hun doorwerking. De effecten van de Ecodesign wetgeving en de Reparatie-richtlijn zullen naar verwachting significant zijn voor levensduurverlenging van mobiele telefoons, de productgroep waar het rapport van CE Delft op ingaat (zie hieronder).

Ecodesign Verordening

De Kaderverordening Ecodesign voor Duurzame Producten7 maakt het mogelijk om voor vrijwel alle fysieke producten circulariteitseisen te stellen. De Kaderverordening is in juli 2024 van kracht geworden en vervangt de Ecodesign-richtlijn. In de Kaderverordening is bepaald welke ontwerpeisen kunnen worden gesteld. Zo kunnen bijvoorbeeld eisen gesteld worden aan de repareerbaarheid, recyclebaarheid of herbruikbaarheid van producten. De Europese Commissie legt per productgroep in een gedelegeerde handeling vast welke minimale vereisten daadwerkelijk van toepassing zijn voor een specifieke productgroep. Het verschilt namelijk per productgroep welke eisen relevant en noodzakelijk zijn om de productketen effectief te verduurzamen.

Voor het verlengen van de levensduur van elektronica zijn eisen op Europees niveau onder de Ecodesign wetgeving essentieel. Dergelijke Ecodesign-eisen zijn nu al van toepassing op bepaalde elektrische en elektronische apparaten, zoals stofzuigers, wasmachines, smartphones en tablets. De Ecodesign-eisen voor smartphones en tablets8 die sinds 20 juni jl. van kracht zijn, bevatten bijvoorbeeld ook repareerbaarheidseisen. Daarbij moeten essentiële reserveonderdelen voor een bepaalde tijd en voor verschillende reparateurs (professioneel of niet-professioneel) beschikbaar zijn. Ook software-updates moeten voor een bepaalde periode beschikbaar zijn, zodat een apparaat langer mee kan gaan. Op het bijbehorende Energielabel moet een repareerbaarheidsscore worden weergegeven zodat de consument kan kiezen voor (beter) repareerbare producten9. Alle mobiele telefoons die binnen de EU worden verkocht, moeten aan de gestelde ontwerpeisen voldoen. Het daadwerkelijke effect van de maatregelen op de levensduur van mobiele telefoons zal in de komende jaren duidelijk worden.

Het kabinet blijft zich op Europees niveau sterk inzetten voor vergelijkbare Ecodesign-eisen voor andere groepen elektrische en elektronische apparaten, inclusief repareerbaarheidseisen, zodat een steeds groter aantal apparaten kan worden gerepareerd. Daarnaast is in het Ecodesign werkplan 2025-203010 opgenomen dat de Commissie gaat werken aan een horizontale repareerbaarheidseis en repareerbaarheidsindex, die op meerdere productgroepen tegelijk van toepassing is, bijvoorbeeld op consumentenelektronica en kleine huishoudelijke apparaten. Het kabinet zet ook in dat traject in op ambitieuze eisen die bijdragen aan levensduurverlenging.

Reparatie-richtlijn

De Europese Reparatie-richtlijn11 vult aan op de Ecodesign- en garantiewetgeving. De Richtlijn wordt momenteel omgezet in nationale wetgeving en treedt op 31 juli 2026 in werking. De Richtlijn is van toepassing op productgroepen waarvoor op EU-niveau, zoals onder de Ecodesign wetgeving, repareerbaarheidseisen gelden. Voor deze productgroepen geldt dat consumenten na de garantietermijn de fabrikant kunnen verzoeken het product kosteloos of voor een redelijke prijs12 te repareren. Dit is een aanvulling op de reeds bestaande garantiewetgeving, waarbij verkopers tijdens de garantietermijn moeten zorgen voor een functionerend product door het defecte product te repareren of te vervangen. Fabrikanten worden door de nieuwe Richtlijn ook verplicht om consumenten over de geldende reparatieverplichting en over de beschikbare reparatiediensten te informeren. Wanneer consumenten een non-conform product tijdens de garantieperiode laten repareren, wordt de garantietermijn van dat product met twaalf maanden verlengd.

Onder de Richtlijn worden lidstaten verplicht om een nationaal reparateursregister op te zetten. In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft Techniek Nederland al een Nederlands nationaal reparateursregister ontwikkeld.13 Het register is al in gebruik en wordt de komende jaren doorontwikkeld. Het register draagt eraan bij dat consumenten gemakkelijk een betrouwbare reparateur van consumentenelektronica in de buurt kunnen vinden.

Nederlandse garantiewetgeving

In Nederland hebben consumenten recht op kosteloos herstel of vervanging van een niet-conform product op basis van de garantiewetgeving. Er geldt geen vaste garantieperiode, maar er is sprake van een open norm. In het rapport wordt gesteld dat de wettelijke garantietermijn in Nederland slechts een halfjaar is, met een verlengde garantie die zo lang zou moeten gelden als het product redelijkerwijs mee moet gaan. Dit behoeft nuancering. De open norm betekent dat het artikel zo lang moet mee gaan als de consument dat redelijkerwijs mag verwachten. Als het artikel eerder kapot gaat, heeft de consument recht op gratis herstel of vervanging. Het gaat dan om schade die niet komt door verkeerd gebruik of normale slijtage. In het eerste jaar na aankoop hoeft de consument dat niet aan te tonen, maar is dat aan de verkoper. Na het eerste jaar draait de bewijslast om: als er dan sprake is van een gebrek, zal de consument richting de verkoper moeten aantonen dat het gebrek niet door verkeerd gebruik of normale slijtage is ontstaan. Met deze invulling van de garantieregelgeving voldoet Nederland aan de Europese eisen op dit punt. Deze regelgeving is, zoals het rapport ook vermeldt, niet altijd eenvoudig toe te passen in de praktijk. Het zorgt er wel voor dat consumenten vaak langer recht hebben op garantie dan bij een garantiestelstel met een vaststaande garantieperiode.

Reactie op aanbevelingen uit het rapport ‘Levensduurverlenging loont’

In het rapport wordt een beleidspakket voorgesteld om de levensduur van consumentenelektronica in Nederland te verlengen. Er is gekeken naar snel circulerende consumentenproducten op basis van de casus mobiele telefoons. Er wordt gesteld dat de voorgestelde maatregelen ook op andere snel circulerende consumentenelektronica toegepast kunnen worden. Het rapport stelt dat er op EU-niveau maatregelen zijn genomen voor de levensduurverlenging van producten, maar dat nationale maatregelen ontbreken.

Hieronder wordt een reflectie gedeeld op de zes maatregelen van het voorgestelde beleidspakket uit het rapport.

1) Verplicht aandeel tweedehands of refurbished goederen verkoop door de retail (omzet)

Er is in 2024 een verkenning uitgevoerd naar de juridische mogelijkheden om het aanbieden van tweedehands producten te verplichten. Het onderzoek ‘Verplichting verkoop gebruikte goederen, een verkenning’14 van Copper8, in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, toont aan dat het juridisch mogelijk is om deze maatregel te nemen. Er is echter verdergaand onderzoek nodig om na te gaan of de maatregel aan alle criteria van het evenredigheidsbeginsel voldoet en of een wettelijke verplichting noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. De onderzoekers geven aan dat het handhaven van een verplicht aandeel tweedehands of refurbished goederen een uitdaging zou vormen door het gebrek aan data. Ook is een risico van de maatregel dat consumenten juist meer gaan consumeren.

In 2024 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, als opvolging van het onderzoek van Copper8, een verkenning laten uitvoeren naar de verwachte gedragseffecten bij het verplichten van tweedehands kleding naast nieuwe kleding in winkels.15 Hierin is verkend of een verplichting om tweedehands kleding aan te bieden ook leidt tot de verkoop van zowel meer tweedehands als nieuwe kleding in de winkel. Daarnaast is geïnventariseerd wat goede manieren zijn om tweedehands aan te bieden, en of een tweedehands kledingstuk in plaats van nieuwe kleding zou worden gekocht. De maatregel wordt kansrijk en aantrekkelijk geacht door winkeliers en consumenten. Tegelijkertijd staat het aanbod van tweedehands nog in de kinderschoenen, waardoor het nog geen serieus, structureel alternatief is voor de aankoop van nieuwe producten. Er zijn nog weinig winkels waar zowel tweedehands als nieuwe kleding wordt aangeboden, waardoor gedragseffecten bij consumenten niet goed kunnen worden ingeschat.

Er is aanvullend onderzoek nodig om te onderzoeken of een maatregel die het aanbieden van gerepareerde en refurbished producten verplicht, proportioneel, effectief en werkbaar is. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen of dit vervolgonderzoek wordt gedaan.

2) Hanteer een verlaagd btw-tarief voor gerepareerde of refurbished goederen: een verlaagd btw-tarief op gerepareerde producten kan hier goed ondersteunend zijn aan een verplicht aanbod van tweedehands en refurbished producten, omdat deze maatregel de prijs van gerepareerde producten doet dalen. Hiermee worden tweedehandsproducten relatief goedkoper en aantrekkelijker ten opzichte van nieuwe producten.

De Europese btw-richtlijn16 bevat een limitatieve lijst waarop de goederen en diensten staan waar een verlaagd btw-tarief op kan worden toegepast. Daaruit volgt dat lidstaten een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op bepaalde reparatiediensten. Het gaat om het verrichten van reparatiediensten met betrekking tot huishoudapparaten, schoeisel en lederwaren, kleding en huishoudlinnen (ook verstellen en vermaken).17 Dit ziet uitsluitend op reparatiediensten. Van deze mogelijkheid maakt Nederland al grotendeels gebruik: zo geldt een verlaagd tarief voor de reparatie van fietsen, schoeisel, lederwaren en kleding. Voor de levering van gerepareerde of refurbished goederen biedt de richtlijn geen (algemene) mogelijkheid om een verlaagd tarief te hanteren. Dit zou een wijziging van de Europese richtlijn vragen.

In de Kamerbrief ‘Reparatie in de circulaire economie’18 is het bestaande algemene beleid ter bevordering van reparatie uiteengezet. Kort gezegd komt het erop neer dat het kabinet inzet op 1) beter productontwerp door het stellen van Europese Ecodesign-eisen; 2) versterking van de reparatie-infrastructuur en vakmanschap en 3) stimuleren dat consumenten hun producten (laten) repareren. Daarbij is ook toegelicht waarom de uitbreiding van het verlaagde btw-tarief naar de bestaande mogelijkheid voor huishoudelijke apparaten niet voor de hand ligt. In een Kamerbrief van de Staatssecretaris Fiscaliteit waarin de uitkomsten van het onderzoek naar de mogelijkheden voor een verlaagd btw-tarief op reparatiediensten van huishoudelijke apparaten worden gepresenteerd19, is aangegeven dat uit de evaluatie van het verlaagde btw-tarief door Dialogic & Significant Public blijkt dat verlaagde tarieven in algemene zin deels doeltreffend, maar over het algemeen geen doelmatig instrument zijn om het beoogde doel te bereiken.20 Een van de redenen is dat btw-verlaging in de praktijk niet altijd tot lagere prijzen leidt voor consumenten. Dat maakt zo’n maatregel ongericht. Die ongerichtheid wordt nog versterkt doordat een btw-verlaging breed zou werken, dus ook in situaties die niet gestimuleerd hoeven te worden. Die ongerichtheid maakt een btw-verlaging duur in vergelijking met het effect dat het oplevert.

De conclusie uit genoemde brieven is onverkort relevant: andere maatregelen dan een verlaagd btw-tarief zijn passender om reparatie en refurbishment te stimuleren.

Er loopt momenteel wel een ander btw-traject op Europees niveau. Op 26 februari jl. publiceerde de Europese Commissie de Clean Industrial Deal. Daarin is opgenomen dat de Commissie een Green VAT initiative, een Groen btw initiatief, zal uitwerken. Dit zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2026 worden gepubliceerd. Hierin wil de Commissie de regelgeving voor gebruikte goederen (de zogenaamde margeregeling) herzien in het kader van een vergroening van de btw. In het BNC-fiche over de Clean Industrial Deal21 is door het kabinet gereageerd op dit voornemen. Het Commissievoorstel voor een Green VAT initiative zal door het volgende kabinet worden beoordeeld.

3) Fonds in combinatie met een subsidie of voucher voor reparatie en refurbishment: deze maatregel richt zich niet zozeer op een verhoogd aandeel tweedehands producten in de winkel, maar stimuleert consumenten om producten te repareren in plaats van af te danken. Hiermee wordt (grootschalige) reparatie en refurbishment gestimuleerd en kan daarmee bijdragen aan opschaling van de reparatie-sector in Nederland. Deze maatregel is ook al ingevoerd in Oostenrijk en Frankrijk en succesvol gebleken.

Een reparatiebonus wordt vaak aangeprezen als instrument om de prijs van reparatie te drukken. De motie Bamenga (D66) verzoekt om de invoering van een nationale reparatiebonus te verkennen.22 Dit onderzoek naar een reparatiebonus is gaande. In het onderzoek worden verschillende bestaande reparatiebonussystemen, o.a. de systemen van Oostenrijk en Frankrijk, met elkaar vergeleken. Er wordt gelet op verschillende elementen van de bonussen, zoals de productgroepen die eronder vallen, de doelgroep van de bonus en de financiering van de kosten. Ook is er aandacht voor de gedragseffecten bij consumenten en reparateurs op zowel korte als lange termijn. De kosten en baten van de verschillende typen systemen worden in kaart gebracht. Op basis van die vergelijking van systemen worden één of meer voorstellen gedaan voor een bonussysteem dat in Nederland zou kunnen werken. Het onderzoeksrapport zal voorjaar 2026 met de Kamer worden gedeeld. Op basis van de onderzoeksuitkomsten kan een nieuw kabinet besluiten of en onder welke voorwaarden een nationale reparatiebonus wordt uitgewerkt.

4) Doelstelling voor voorbereiding op hergebruik in UPV: door meer afvalstoffen voor te bereiden op hergebruik komen er meer materialen beschikbaar voor de circulaire economie. Hierdoor kunnen er meer refurbished en gerepareerde goederen worden aangeboden op de markt. Dit werkt ondersteunend aan het verplicht aandeel tweedehands en/of refurbished voor elektronische apparaten, omdat retailbedrijven hierdoor eenvoudiger tweedehands en/of refurbished goederen kunnen aanbieden aan de consument. Ook beperkt dit de perverse prikkel in de UPV – die nu alleen recycling van materialen stimuleert – waardoor nog goed te repareren apparaten worden vernietigd.

Momenteel wordt het instrument uitgebreide productenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld en verder verbeterd. Een van de doelstelling van het UPV-doorontwikkeltraject is om het instrument UPV meer op circulariteit te richten. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de mogelijkheden om binnen UPV meer prikkels voor circulariteit in te bouwen, door de huidige focus van het instrument op inzameling en recycling uit te bereiden naar (het bevorderen) van hergebruik, preventie, reparatie en hoogwaardige verwerking. De Kamer wordt in het voorjaar in een separate brief geïnformeerd over de stand van zaken in het doorontwikkeltraject, de uitgevoerde onderzoeken en de vervolgstappen.

In de UPV textiel zijn reeds doelstellingen voor voorbereiding op hergebruik opgenomen. Omdat productstromen niet gelijk zijn, is het belangrijk om goed te kijken of dit voor elektronica ook een passende optie is. Ook de Europese context is bepalend voor hoeveel ruimte er is en hoe wenselijk het is om nationaal een doelstelling voor voorbereiding voor hergebruik toe te passen voor een productgroep. Het Europese UPV-kader voor elektronica wordt bepaald door de Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (2012/19/EU). De Europese Commissie heeft aangekondigd deze Richtlijn eind 2026 te willen herzien, in het kader van de Circular Economy Act. Het is bij de herziening van belang dat er meer aandacht is voor hergebruik, reparatie en refurbishment in de UPV doelen en verwerkingsvoorschriften23.

5) Maximumprijs voor onderdelen: fabrikanten moeten ervoor zorgen dat de prijzen van reserveonderdelen onder een bepaald percentage blijven (bijvoorbeeld 20%) van de prijs van het nieuwe product. Voorwaarde hierbij is dat de maximumprijs voldoende is om de kostprijs van de onderdelen te dekken. De onderdeelkosten vertegenwoordigen op dit moment een groot deel van de reparatiekosten (30 tot 40%), waardoor de reparaties niet rendabel uitgevoerd kunnen worden. Door de prijs van onderdelen te maximeren kan de businesscase van reparatie en refurbishment sterk verbeterd worden.

Reparatie en refurbishment kunnen inderdaad gestimuleerd worden door de prijs van onderdelen te verlagen. De Europese Reparatie-richtlijn24 en de Ecodesign-eisen voor smartphones en tablets25 spelen hier al op in. In de reparatiewetgeving is bepaald dat onderdelen slechts mogen worden aangeboden tegen een ‘redelijke prijs die reparatie niet ontmoedigt’. Het is op dit moment echter niet mogelijk om ‘redelijke prijs’ te definiëren. Deze is namelijk afhankelijk van het type product en de originele aanschafwaarde. Uit de praktijk moet blijken of deze wetgeving voldoende handvatten biedt voor toezichthouders om op een redelijke prijs voor reparatie te handhaven. Onder de Ecodesign ­wetgeving voor smartphones en tablets wordt ook vereist dat de prijzen van de reserveonderdelen, die volgens de wettelijke eisen beschikbaar moeten zijn, op een website te vinden zijn. Dit vergroot de transparantie over prijzen van onderdelen en maakt het toezicht op redelijke prijzen beter mogelijk.

Een maximale prijs voor onderdelen vaststellen is niet opportuun, vanwege de grote verscheidenheid aan onderdeelsoorten, leveranciers en materialen, en met name de fluctuerende prijzen. Daarnaast zijn sommige onderdelen robuuster, complexer of groter dan andere, wat de prijs kan beïnvloeden. Het is daarmee slecht mogelijk om een maximale prijs gebaseerd op een percentage van de nieuwprijs vast te leggen.

6) Reparatie-index: deze maatregel biedt de consument informatie over de repareerbaarheid én levensduur van producten, waardoor de consument eenvoudiger haar producten kan repareren door te sturen op het kopen van te repareren producten. Dit heeft een ondersteunende werking bij het reparatiefonds in combinatie met subsidies of vouchers. Consumenten kunnen hierdoor beter gebruik maken van de subsidies en de vouchers, waardoor het verwachte effect van deze maatregel met meer zekerheid kan worden vastgesteld.

Een reparatie-index geeft inderdaad veel inzicht voor consumenten en kan helpen om duurzamere keuzes te maken, doordat in één oogopslag duidelijk is of producten goed te repareren zijn. Onder de Ecodesign-wetgeving geldt voor smartphones en tablets sinds 20 juni jl. – naast de repareerbaarheidseisen– een verplichting om een repareerbaarheidsscore op het energielabel te tonen die aangeeft hoe goed het product te repareren is. Het energielabel bevat ook andere informatie die relevant is voor levensduur, zoals stoot- en stofbestendigheid. Hoewel er geen verwachte levensduur uitgedrukt in tijd wordt weergegeven, geeft het label de consument wel degelijk relevante informatie.

Het is positief dat in het Ecodesign werkplan voor 2025-2030 is opgenomen dat de Europese Commissie gaat toewerken naar een horizontale Ecodesign-eis voor repareerbaarheid. Deze eis moet volgens het werkplan in 2027 worden vastgesteld. Aan de minimale repareerbaarheidseis wordt ook een repareerbaarheidsscore gekoppeld. Welke productgroepen precies onder de maatregel gaan vallen is nog niet bekend. De reikwijdte van de eis wordt bepaald in de voorbereidende studie en zou producten zoals consumentenelektronica en kleine huishoudelijke apparaten kunnen omvatten. Vanuit de overheid zijn experts nauw betrokken bij het uitwerken van deze repareerbaarheidseis en -score. De kabinetsinzet is dat de maatregel op zoveel mogelijk gelijksoortige producten van toepassing gaat zijn. Omdat de reparatie-index voor elektronische apparaten al Europees wordt ontwikkeld en uitgerold, zet het kabinet niet in op een parallel nationaal traject. Het onderzoek naar juridische mogelijkheden om nationale maatregelen voor het recht op reparatie te nemen dat in 2024 met de Kamer is gedeeld 26, heeft namelijk aangetoond dat het niet mogelijk is om een reparatie-index nationaal in te voeren wanneer deze maatregel op Europees niveau al in de maak is. Bovendien is een Europese maatregel effectiever en efficiënter.

Vervolgstappen

Het is belangrijk dat de levensduur van elektronica wordt verlengd. Momenteel worden producten vaak te vroeg vervangen doordat zij niet goed te hergebruiken, repareren of refurbishen zijn. Dit moet anders. Het is zonde als producten en materialen, bijvoorbeeld kritieke grondstoffen uit elektronica, verloren gaan door voortijdige afdanking. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor ambitieuze ontwerpeisen voor producten onder de Europese Ecodesign-wetgeving. Hierbij is het belangrijk dat zowel de horizontale repareerbaarheidseis en reparatie-index, als de product-specifieke repareerbaarheidseisen en -scores er komen. Hierin moet ook een transparantieverplichting voor prijzen van reserveonderdelen worden opgenomen. Tevens wordt ingezet op aanscherping van het Europese kader voor elektronica, zodat hergebruik, reparatie en refurbishment meer gestimuleerd worden via UPV en verwerkingsvoorschriften. Daarnaast is het aan een volgend kabinet om op basis van de uitkomsten van het lopende onderzoek naar de nationale reparatiebonus, te besluiten over eventuele invoering van een dergelijke stimuleringsmaatregel.

Al met al moeten de in de reactie genoemde maatregelen ertoe leiden dat consumentenelektronica langer wordt gebruikt. Het kabinet verwacht dat het bestaande maatregelenpakket effectief is om dit doel te bereiken en vindt het daarom prematuur om aanvullende maatregelen te nemen. Het effect van bestaande en aangekondigde maatregelen op de levensduur van elektronica zal worden gemonitord, zodat kan worden ingegrepen wanneer de effecten lager blijken dan wenselijk.

Hoogachtend,

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT - OPENBAAR VERVOER EN MILIEU,

A.A. (Thierry) Aartsen


  1. Rapport ‘Levensduurverlenging loont’, CE Delft, 2025: https://ce.nl/publicaties/levensduurverlenging-loont/↩︎

  2. 2025Z13964 en TZ202509-074↩︎

  3. Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten, Verordening (EU) 2024/1781: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32024R1781&qid=1755444816443↩︎

  4. Richtlijn Gemeenschappelijke regels voor het stimuleren van reparatie, Richtlijn (EU) 2024/1799: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32024L1799&qid=1755442462831↩︎

  5. Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/nationaal-programma-circulaire-economie-2023-2030↩︎

  6. Kamerstuk 36600-XII-48 en Kamerstuk 32 852, nr. 316↩︎

  7. Kaderverordening Ecodesign voor duurzame producten, Verordening (EU) 2024/1781: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32024R1781&qid=1755444816443↩︎

  8. Gedegeleerde Verordening (EU) 2023/1670: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2023/1670/oj/eng↩︎

  9. Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/1669: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/ALL/?uri=CELEX:32023R1669↩︎

  10. Ecodesign werkplan 2025-2030: https://environment.ec.europa.eu/document/5f7ff5e2-ebe9-4bd4-a139-db881bd6398f_en↩︎

  11. Richtlijn Gemeenschappelijke regels voor het stimuleren van reparatie, Richtlijn (EU) 2024/1799: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A32024L1799&qid=1755442462831↩︎

  12. Overweging 16 van richtlijn 2024/1799 stelt dat de prijs voor reparatie redelijk moet zijn, wat inhoudt dat de prijs zo moet worden vastgesteld dat consumenten niet opzettelijk worden afgeschrikt om gebruik te maken van de reparatieverplichting van de fabrikanten. Dit is een aanvulling op de reeds bestaande garantie wetgeving, waarbij verkopers tijdens de garantietermijn moeten zorgen voor een functionerend product door het defecte product te repareren of te vervangen.↩︎

  13. https://www.nationaalreparateursregister.nl/↩︎

  14. Rapport ‘Verplichting verkoop van gebruikte goederen: een verkenning’, Copper8, 2024: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/01/31/verplichting-verkoop-gebruikte-goederen-een-verkenning:↩︎

  15. Rapport ‘Tweedehands kleding naast nieuw in fysieke winkels’, gedragsbureau Duwtje, 2024:https://www.eerstekamer.nl/overig/20250409/_tweedehands_kleding_naast_nieuw/document↩︎

  16. Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PbEU 2006, L 347).↩︎

  17. Richtlijn 2006/112/EG, artikel 98 lid 2 jo. Bijlage III onderdeel 19.↩︎

  18. Kamerstuk 32852 nr. 316↩︎

  19. Kamerstuk 32140 nr. 198↩︎

  20. Kamerstukken 2023/24, 32140, nr. 174.↩︎

  21. Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4020.↩︎

  22. Kamerstuk 32852 nr. 305↩︎

  23. Kamerstuknummer: 2025D44568↩︎

  24. Richtlijn (EU) 2024/1799 Gemeenschappelijke regels voor het stimuleren van reparatie↩︎

  25. Gedegeleerde Verordening (EU) 2023/1670: https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2023/1670/oj/eng↩︎

  26. Kamerstuk: 2024D 21445↩︎