Begrotingsonderdeel Jeugd (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D04966, datum: 2026-02-02, bijgewerkt: 2026-02-03 10:39, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-02 10:00: Begrotingsonderdeel Jeugd (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Begrotingsonderdeel Jeugd
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben op 2 februari 2026 overleg gevoerd met de heer Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, over:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (36800-XVI);
de brief van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 19 september 2025 inzake reactie op de motie van het lid Tielen over onderzoeken of glutenscreening op een kosteneffectieve wijze onderdeel kan uitmaken van de protocollen voor de jeugdgezondheidszorg (Kamerstuk 36600-XVI-66) (32793, nr. 855);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 26 september 2025 inzake NSOB-rapport "(N)iets te kiezen" en vervolg rondom inrichting coördinatie van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (inclusief femicide) en geweld tegen vrouwen (28345, nr. 290);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 18 december 2025 inzake voortgang van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (28345, nr. 293);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 12 december 2025 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat gemeenten dreigen om moeders hun kind af te pakken als ze aankloppen bij de daklozenopvang (29325, nr. 192);
de brief van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 17 december 2025 inzake stand van zaken moties en toezeggingen op terrein jeugd en aanbieding van rapporten (31839, nr. 1145);
de brief van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 27 januari 2026 inzake voortgangsbrief jeugd (31839, nr. 1146).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
Mohandis
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Ellian
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Meijerink
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Ceder, Coenradie, Dobbe, Hamstra, Van Houwelingen, Van Meetelen, Mohandis, Moinat, Stoffer, Synhaeve, Wendel en Westerveld,
en de heer Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Tielen, staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Aanvang 10.04 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom, alle
aanwezigen hier, iedereen die dit debat op afstand volgt en alle
Kamerleden. Ook welkom aan de bewindspersonen. Wij hebben tot ongeveer
17.00 uur. Er is een goede opkomst van de zijde van de Kamer. Daarom wil
ik voorstellen om in de eerste termijn van de Kamer maximaal zes
interrupties toe te staan. U heeft spreektijden aangegeven. Die zijn
natuurlijk indicatief, maar het is wel belangrijk dat die inclusief de
tweede termijn zijn. Hou daar dus voor uzelf rekening mee. U kent mij
als een voorzitter die niet heel streng is. Als het debat gewoon gericht
is en dingen niet steeds herhaald worden, dan ben ik altijd bereid om u
wat meer tijd te geven; u kent mij. Maar ik probeer wel te koersen op
17.00 uur. Ik zal samen met u mijn best doen om er zo goed mogelijk
doorheen te gaan. We hebben de begrotingsvolgorde op basis van de
huidige twee coalitiepartijen. Dat betekent dat we straks starten met
D66, dan VVD et cetera. Dat is de volgorde. Dat zeg ik zodat u niet
denkt: waarom verspringt het? Dat heeft daarmee te maken.
Aangeschoven zijn diverse fracties. Om te beginnen hebben we mevrouw
Synhaeve van D66, de heer Hamstra van de CDA-fractie, mevrouw Westerveld
van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Stoffer van de SGP, de heer
Van Houwelingen van Forum voor Democratie, mevrouw Coenradie van JA21,
mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie, de heer Ceder van de
ChristenUnie en mevrouw Moinat van de Groep Markuszower. Of is het
Moenat? Sorry, ik ga het vanzelf een keer goed doen. Ook zijn mevrouw
Dobbe van de SP-fractie en mevrouw Wendel van de VVD-fractie er. Ik geef
het woord aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken sprak ik met jongeren van
binnen en buiten de jeugdzorg, met jonge mensen die hun leven in de
jeugdzorg achter de rug hebben en met ouders. Ter voorbereiding op dit
debat stelde ik mezelf de vraag: wat was de constante in al die
gesprekken? Het antwoord is: moedige keuzes durven maken. Neem de moed
van de jonge vrouw die me vertelde dat ze na gesloten jeugdzorg dakloos
werd, over slapen op een bankje in het park en de moed om toch hulp te
vragen op de plek waar ze al zo vaak was afgewezen. Moedig was de moeder
wier zoon uit huis is geplaatst en die in alle openheid beschreef welke
beslissingen ze nam, soms helpend en soms niet. Ik noem de moed van de
ouder op het schoolplein die in gesprek met een andere ouder zei: "Ik
hoorde dat het thuis niet altijd even makkelijk is. Als het even zwaar
is, bel me dan. Je hoeft het niet alleen te doen."
Moed is niet de afwezigheid van angst en onzekerheid, maar het
overwinnen daarvan. Die moed hebben wij ook nodig. Ik geloof dat het wél
kan, dat we ervoor kunnen zorgen dat alle kinderen die dat nodig hebben,
snel en goede zorg kunnen krijgen. Dat begint met erkennen dat het
huidige jeugdhulpstelsel niet werkt voor onze meest kwetsbare kinderen.
Als de jeugdzorg niet doet wat hij belooft, verdwijnt het vertrouwen van
kinderen en ouders. Zonder dat vertrouwen wordt elk systeem hol. In een
systeem dat ieder voor zich ademt, gaat iedereen er individueel het
maximale uit proberen te halen en vergeten we het collectief. Moed is
keuzes durven maken voor een systeem waar we wél in geloven, en dat stap
voor stap voor elkaar krijgen, soms met twee stappen vooruit en één stap
terug. Dat doen we wat mij betreft langs twee lijnen: vanuit principes
en vanuit pragmatisme.
Ik begin met de principes. Principe één raakt aan de meest wezenlijke
vraag, namelijk: voor wie is de jeugdzorg bedoeld? Jeugdzorg is voor de
hulpvragen waarbij professionele hulp onmisbaar is. Dat betekent dat
jeugdzorg zich moet richten op de meest kwetsbare kinderen. Dat zijn
kinderen die vaak al veel te veel hebben meegemaakt in hun jonge leven
en ernstig getraumatiseerd zijn. Juist voor hen schiet het stelsel nu
tekort. In tien jaar tijd is het stelsel verdubbeld in omvang en kosten:
van 3,6 miljard naar meer dan 8 miljard euro per jaar en van 1.300
aanbieders naar meer dan 7.000 aanbieders. Ondertussen krijgen de meest
kwetsbare kinderen nog steeds niet de zorg die zij nodig hebben. Als de
jeugdzorg onze meest kwetsbare kinderen niet beschermt, dan falen we als
Kamer, als gemeente, als professionals en als samenleving in onze meest
fundamentele opdracht.
Het tweede principe. Problemen in de jeugdzorg lossen we vooral buiten
de jeugdzorg op. De afgelopen jaren hebben we een systeem opgetuigd
waarin steeds meer hulp bij ongemak, kwetsbaarheid en afwijking is
geprofessionaliseerd en georganiseerd. Dat gebeurde vanuit de beste
bedoelingen, maar daarmee hebben we ook wat fundamenteel menselijks uit
handen gegeven, namelijk het vermogen om als samenleving zelf te zorgen.
We moeten leren verschillen te omarmen in plaats van ze te behandelen.
Ik ben ervan overtuigd dat minder jeugdzorg begint bij meer samenleven.
We hebben een taak die we als maatschappij hebben, bij de jeugdzorg
neergelegd. Om dat tij te keren, zullen we veel scherper moeten kijken
wie wel en wie geen jeugdzorg krijgt. Ook moeten we durven investeren
buiten de jeugdzorg: in onderwijs, in gezonde keuzes, in fijne buurten
en in de aanpak van armoede.
Het derde principe. Het perspectief van kind en gezin moet leidend zijn.
We hebben het systeem kapotgeïnstitutionaliseerd. Een ouder vertelde mij
hoe zij in drie jaar tijd meer dan 15 verschillende wijkteammedewerkers
toegewezen kreeg en meer dan 30 professionals ontmoette aan al die
verschillende overlegtafels om te praten over háár kind. Dan heb ik nog
niet de jeugdzorgprofessionals meegerekend die daadwerkelijk contact
hadden met haar kind. Uiteindelijk voelde van al die mensen niemand zich
echt verantwoordelijk. Ik geloof niet dat meer geld in de jeugdzorg de
oplossing is, integendeel. Ik geloof dat meer geld juist een systeem dat
onvoldoende functioneert, in stand houdt.
Wat is er dan wel nodig om die stappen voorwaarts te zetten?
Pragmatisme. Pragmatisme omvat voor mij twee elementen.: als eerste niet
jarenlang praten over plannen maar gaan doen, en als tweede daarin
focussen op die onderdelen waar onze impact om het verschil te maken,
het grootst is. We moeten veel sneller opschalen wat werkt en stoppen
met datgene waarvan we weten dat het niet werkt. Als we weten dat er
misstanden zijn, moeten we die direct aanpakken. Ik wil daadkracht zien,
ook van deze staatssecretarissen. In dat kader heb ik vragen aan de
staatssecretarissen. Maar ik neem eerst even een slok water.
Ik begin met het voorstel Reikwijdte. Waarom stuurt de staatssecretaris
pas eind 2026 het wetsvoorstel Reikwijdte jeugdhulp naar de Kamer,
terwijl dit al afgesproken was in de Hervormingsagenda Jeugd, die in
2023 is vastgesteld? Waarom duurt het meer dan drie jaar om dit
wetsvoorstel naar de Kamer te krijgen? Daarnaast heeft dit wetsvoorstel
pas toegevoegde waarde als we ook echt durven zeggen wat wel jeugdzorg
is en wat niet. Als ik de voortgangsbrief Jeugd lees, bekruipt met het
gevoel dat we weer niet gaan kiezen. Gemeenten, de Jeugdautoriteit en de
NZa vragen ons juist om heel scherp af te bakenen en te kiezen, ook met
een wettelijk kader. Daar lijkt de staatssecretaris nu niet voor te
kiezen. Waarom niet? Haalt de staatssecretaris daarmee niet het
fundament onder deze wet vandaan, namelijk het beantwoorden van de vraag
tot hoever de Jeugdwet reikt?
Dan over de ervaringscertificaten. Er werken mensen met nepdiploma's met
onze meest kwetsbare kinderen en jongeren. Dat weten we. We weten ook
dat het om ongeveer 800 mensen gaat. Een deel van hen is daar kinderen
en jongeren aan het ronselen voor de criminaliteit. Ook dat weten we, en
dat weet het kabinet al meer dan een jaar. Wat heeft de staatssecretaris
het afgelopen jaar gedaan om de veiligheid van die honderden, misschien
wel duizenden kwetsbare kinderen te waarborgen? Wij lezen in de
antwoorden vooral de afwachtende houding van het kabinet en een gebrek
aan daadkracht. We zullen dan ook met een amendement komen om direct
mensen met valse diploma's op te sporen en te zorgen dat zij niet meer
met kinderen mogen werken, en om ook het geld vrij te maken om dat te
regelen.
Dan wil ik naar het onderdeel klachten in de jeugdzorg. Uit onderzoek
naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein blijkt
dat er grote verschillen zijn in hoe met klachten wordt omgegaan en dat
voor kinderen en ouders vaak niet duidelijk is waar ze terechtkunnen met
een klacht. In het rapport met de titel Onderzoek klachtbehandeling bij
organisaties in het jeugdzorgdomein worden vier wetswijzigingen
geadviseerd. Graag een reflectie van de staatssecretaris hoe ze tegen
deze voorstellen voor wetswijzigingen aankijkt en welke ze al dan niet
in gang heeft gezet.
Dan wil ik het hebben over pleegzorg. Ik zei het twee jaar geleden al in
deze Kamer: we zijn druk in de weer met het werven van nieuwe
pleegouders, maar we moeten veel meer aandacht hebben voor het behoud
van pleegouders. Veel pleegouders haken af omdat de zorg voor een
pleegkind toch te zwaar blijkt te zijn. Dat is traumatisch voor een
kind, dat weer naar een volgende plek toe moet. Maar ik geloof dat het
ook vaak traumatisch is voor pleegouders zelf. Zij beginnen namelijk
niet met de intentie om er voortijdig mee te stoppen. Twee jaar geleden
nam ik in deze Kamer het initiatief om Mockingbird breder te verspreiden
in Nederland. Dit is een belangrijke manier om ervoor te zorgen dat
minder pleegouders uitvallen, dankzij een stevig, informeel netwerk dat
om pleegkinderen heen wordt gezet. De afgelopen twee jaar is naar
aanleiding van deze motie Mockingbird uitgebreid van één
pleegorganisatie naar zeven pleegorganisaties. Eerst was het een handvol
pleeggezinnen, nu zijn het er meer dan 40. En het werkt. Er zijn minder
crisisplaatsingen, pleegouders houden het langer vol en pleegkinderen
vinden het fijn.
Ik heb twee vragen aan de staatssecretaris. Ten eerste: zijn er behalve
Mockingbird andere initiatieven in het land, die net zo effectief leiden
tot minder uitval van pleegouders door in te zetten op informele
ondersteuning? Ten tweede: welke stappen zet VWS momenteel om
Mockingbird beschikbaar te maken voor meer pleeggezinnen? En wanneer
verwacht zij dat voor iedere pleegouder die dat wil een informeel
steunnetwerk, in de vorm van Mockingbird of in een andere vorm,
beschikbaar is?
Dan wil ik het hebben over de uithuisplaatsingen. Er werd deze ochtend
opnieuw aandacht voor gevraagd vanuit Stichting Het Vergeten Kind en dat
is niet meer dan terecht. Jaarlijks worden in Nederland namelijk
duizenden kinderen uit huis geplaatst. Dit is een van de meest
ingrijpende interventies, terwijl we weten dat uithuisplaatsingen vaak
te voorkomen zijn. Dat blijkt ook weer uit het gepubliceerde onderzoek
"Van inzicht naar uitvoering: het verminderen van het aantal
uithuisplaatsingen" door het Verwey-Jonker Instituut, dat in opdracht
van Het Vergeten Kind is uitgevoerd. Daaruit blijkt dat we eigenlijk
heel goed weten wat wel en niet werkt om kinderen veilig en zo veel
mogelijk thuis te laten opgroeien. Welke stappen zet de staatssecretaris
nu om het aantal uithuisplaatsingen te verminderen? En hoe reflecteert
de staatssecretaris op dit rapport dat stelt dat kennis niet wordt
toegepast als gevolg van versnippering van verantwoordelijkheden,
onvoldoende samenwerking en financiële prikkels die de korte termijn
boven duurzame oplossingen stellen?
Dan ga ik naar het toekomstscenario. Wat betreft het Toekomstscenario
kind- en gezinsbescherming heb ik op dit moment vooral één prangende
vraag.
De voorzitter:
U heeft een interruptie op het vorige punt, meneer Van
Houwelingen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja.
De voorzitter:
Check; dan laat ik 'm toe. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, een korte interruptie. Wij maken ons ook zorgen over het aantal
uithuisplaatsingen. Ik ben heel blij dat D66 een motie van ons heeft
gesteund om het wettelijke kader daarvoor aan te passen. Mijn vraag gaat
eigenlijk over het volgende. Hoe kijkt mevrouw Synhaeve aan tegen
uithuisplaatsingen die niet voortkomen uit bijvoorbeeld mishandeling en
geweld maar die voortkomen uit het feit — dat hoor je heel vaak — dat
een van de ouders psychische problemen heeft. In plaats van dat het
gezin dan ondersteund wordt, wordt er echter gekozen voor
uithuisplaatsing. Ik vraag me gewoon af hoe D66 daarnaar kijkt. Is dat
wenselijk of niet?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik ben ervan overtuigd dat we hier hetzelfde beeld bij hebben.
Natuurlijk is dat niet wenselijk. We gaan dus kijken hoe het gezin
ondersteund moet worden. Dat is wat we moeten doen. Terwijl we nu heel
vaak kijken naar het kind waar van alles mee aan de hand is, moeten we
veelmeer kijken naar wat er in het gezin aan de hand is en hoe we juist
ook het gezin kunnen ondersteunen. Daar vindt u ons dus nog steeds aan
uw zijde.
De voorzitter:
Zet u uw betoog voort.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik kom bij het toekomstscenario. De problemen bij Jeugdbescherming Noord
zijn zo groot en ze duren al zo lang dat ik betwijfel of ze op te lossen
zijn. Heeft de staatssecretaris het scenario uitgewerkt waarin
Jeugdbescherming Noord haar certificering verliest? Zo nee, waarom is
dat scenario niet uitgewerkt? Zo ja, hoe ziet dat scenario eruit?
Dan de gesloten jeugdzorg. Er was een bedrag van 180 miljoen
gereserveerd voor de afbouw van de gesloten jeugdzorg en de opbouw van
alternatieven voor de gesloten jeugdzorg. Ik zie op enkele
uitzonderingen na nog weinig kwalitatief goede alternatieven. Ik heb
daarover een aantal vragen aan de staatssecretaris. Als eerste: hoeveel
van die 180 miljoen is er nog over? Als tweede: hoeveel van het geld dat
is uitgegeven is nou echt besteed aan de opbouw van alternatieven en
hoeveel is er naar het opvangen van frictiekosten gegaan?
We weten dat vele jongeren in de gesloten jeugdzorg schade hebben
geleden op de plek waar we hen juist hadden moeten beschermen. Dat
vraagt om erkenning van de fouten die zijn gemaakt en om het bieden van
ruimte voor herstel. Herstel is geen knop. Het is een proces. Dat proces
hoort menselijk en betrouwbaar te zijn. Hierover heb ik de volgende
vragen aan de staatssecretaris. Hoever is de staatssecretaris met het
hersteltraject voor kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten?
Daarnaast wil ik graag een reflectie van de staatssecretaris op het
proces tot nu toe. Twee jaar geleden is Kamerbreed gevraagd om een
hersteltraject. Vindt de staatssecretaris dat het proces van de
afgelopen twee jaar menselijk en betrouwbaar was? Hoe reflecteert zij
daarbij op het feit dat we in die periode verschillende jonge mensen die
juist in gesloten jeugdzorg hebben gezeten, hebben verloren door
zelfdoding en euthanasie door psychisch lijden?
Voorzitter. Vele kinderen in gesloten jeugdzorg — ik zei het net al —
raken getraumatiseerd door wat ze meemaken in gesloten jeugdzorg. In dat
kader maak ik me ernstig zorgen over het wetsvoorstel waar de
staatssecretaris aan werkt om kinderen 's nachts weer op te sluiten in
een kamer en om de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen mogelijk te
maken. Ik weet dat de staatssecretaris aangeeft dat het om een
afgebakend wetsvoorstel met zeer strenge voorwaarden gaat en dat het
maar om een handvol kinderen gaat. Maar dat zeiden we ook bij de start
van gesloten jeugdzorg. Het zou gaan om maximaal 50 kinderen per jaar en
nu zijn we meer dan 10.000 kinderen verder. Als we ervoor kiezen om
kinderen die 's nachts zorg nodig hebben op te sluiten als dat nodig is
— ik ben er zelf nog niet van overtuigd dat dat nodig — dan moet dat met
de hoogst mogelijke zorgvuldigheid gebeuren. Kan de staatssecretaris
toezeggen eerst de lopende onderzoeken naar de impact van
nachtopsluitingen af te wachten, net als de dialoog waar ze naar
verwijst in haar brief, en die met de Kamer te delen voordat ze aan de
slag gaat met de uitwerking van het wetsvoorstel gericht op het 's
nachts opsluiten van kinderen? Neemt ze bij de uitwerking ook expliciet
mee wat de alternatieven zijn voor het 's nachts opsluiten van kinderen
die zorg nodig hebben?
Voorzitter, ik rond af. We moeten aan de slag, en dat vraagt moedige
keuzes. Ik wil werken aan de wezenlijke oplossingen die ook gevoeld
worden. Problemen die lang vooruit zijn geschoven lossen we op vanuit
heldere principes en pragmatisme. Daarbij blijf ik spreken met de jonge
mensen om wie het gaat. Ik wil hun namen kennen, ik wil hun gezichten
zien, ik wil hun verhalen horen. Dat is wat leidend zal zijn om tot een
wezenlijke verandering te komen. Hun verhalen zijn onze toetssteen of
wij hier de goede dingen aan het doen zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Dobbe en dan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mevrouw Synhaeve van D66 zegt dat meer geld niet de oplossing is. Ik
snap dat ze dat zegt namens een partij die ruim 10 miljard wil
bezuinigen op de zorg de komende jaren; de presentatie hebben we
allemaal met interesse gevolgd dit weekend. Dit jaar wordt er bijna een
half miljard bezuinigd op de jeugdzorg, zonder dat al die hervormingen
waar mevrouw Synhaeve van D66 over spreekt zijn doorgevoerd. De
commissie-Van Ark noemde dit "het zwaard van Damocles boven de
jeugdzorg". Toch heeft D66 er niet voor gekozen om deze bezuiniging
terug te draaien. Waar denkt mevrouw Synhaeve dat deze bezuiniging
terechtkomt? Wij weten het wel: die landt op de werkvloer, die komt
terecht bij de kinderen en de gezinnen die hulp nodig hebben.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor deze vraag. Ik begrijp de zorg. Vanuit verschillende rollen
pleiten we al jaren voor betere jeugdzorg. De vraag die we onszelf
moeten stellen is: hoe helpen we nou echt? Het automatisme om direct te
kijken naar meer geld: ik geloof niet dat dat nog gaat werken. Ik geloof
dat we daarmee juist een systeem in stand houden dat onvoldoende
functioneert. Maak ik me zorgen over hoe we die ombuigingen gaan
realiseren? Ja, natuurlijk maak ik me daar zorgen over, juist omdat ik
niet wil dat het de meest kwetsbare jongeren raakt. Maar dat betekent
wel dat je keuzes moet durven maken. Dat betekent wat mij betreft de
keuze maken om de aanspraken te verminderen zodat we naar een op de tien
jongeren gaan en zo voor de jongeren die het echt nodig hebben de
allerbeste zorg voor elkaar kunnen krijgen. Gaat dat vanzelf? Nee,
natuurlijk niet. Daarom ook de vragen die ik net gesteld heb, want we
moeten heel snel meters gaan maken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit is gewoon willens en wetens bezuinigen op een kapot stelsel. Zonder
dat het stelsel is hersteld daar toch een half miljard euro aan
onttrekken. Het antwoord op mijn vraag is nog niet gekomen. Wij weten
waar deze bezuinigingen terechtkomen. Mijn vraag aan mevrouw Synhaeve
van D66 was: waar denkt zij dat de bezuinigingen, die dit jaar al
ingaan, terecht gaan komen? Wij zeggen dat die terechtkomen bij
kinderen, bij gezinnen en bij de mensen die de zorg geven. Ik heb daar
nog geen ontkenning van gehoord, omdat dat ook niet kán. We weten
namelijk dat de bezuiniging daar terecht gaat komen. Daarop krijg ik dus
graag nog een antwoord.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik heb in mijn pleidooi aangegeven dat we moeten hervormen. Dat doen we
vanuit principes en pragmatisme. Een van die principes was dat we
problemen binnen de jeugdzorg toch vooral buiten de jeugdzorg gaan
oplossen. We hebben morgen het debat over het coalitieakkoord. Daarin
hebt u ook kunnen zien dat we juist heel veel investeren in de cirkel om
de jeugdzorg heen. Er gaat meer dan 1,5 miljard naar onderwijs. We
zorgen voor veel meer versterking van de buurten en voor de aanpak van
armoede. Dat is waar we het verschil gaan maken. Ik geloof dat de impact
van het investeren daarin uiteindelijk veel groter is dan het blijven
stoppen van geld in een jeugdzorgsysteem dat op dit moment onvoldoende
functioneert en waarvan we moeten erkennen dat het nu al ten koste gaat
van onze meest kwetsbare kinderen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Tot slot, voorzitter. D66 heeft heel veel mooie woorden over de plannen
voor de komende tijd, maar maakt de zorg natuurlijk helemaal kapot. Dat
is wat er gebeurt. Mevrouw Synhaeve zegt: ik begrijp de zorgen. Maar
nee, ik heb geen zorgen meer. Ik heb boosheid. Ik maak me niet bezorgd,
omdat ik weet wat er gaat gebeuren. Ik ben vooral boos over wat er de
komende tijd gaat gebeuren in de zorg, over wat D66, CDA en VVD samen
hebben bekokstoofd. Er komt geen erkenning dat de bezuinigingen op de
jeugdzorg voor dit jaar nog steeds staan. Dat gaat kinderen, gezinnen en
mensen die in de zorg werken, keihard raken, ondanks de mooie woorden
van mevrouw Synhaeve. Mijn slotvraag gaat alsnog over de eigen bijdrage.
Daarover heb ik niks teruggelezen. Blijft die nu staan of gaat D66 zich
houden aan de eerdere belofte om hem te schrappen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dat waren heel veel vragen en opmerkingen in één reactie. We maken de
zorg niet kapot. We zetten juist stappen om de zorg voor onze meest
kwetsbare jongeren te verbeteren. Dat vraagt om heel veel moedige
keuzes, maar die gaan we wel maken. Ik hoop heel erg dat we dat samen
met verschillende partijen vanuit deze Kamer kunnen doen.
Dan wat de eigen bijdrage betreft: die blijft staan. U zal namelijk ook
in het akkoord gelezen hebben dat we het basispad blijven volgen. Daarin
zit ook de eigen bijdrage. Daar wil ik toch even kort bij stilstaan. Als
u me vraagt of ik diep in mijn hart blij word van de eigen bijdrage:
nee, ik word er niet blij van. Ik heb namelijk dezelfde rapporten
gelezen en dezelfde mensen gesproken, die zich zorgen maken of het niet
onze meest kwetsbare kinderen raakt. Maar ik zie ook dat de eigen
bijdrage waarschijnlijk wel nodig zal zijn in de mix van wat er nodig
is. Wat mij betreft zetten we vol in op de aanspraken verminderen — ik
denk dat dat een veel betere route is — maar dat neemt niet weg dat ik,
als dat onvoldoende oplevert, wel degelijk naar de eigen bijdrage zal
kijken. Dat doen we wat mij betreft heel zorgvuldig. Dat doen we door
heel goed na te denken over verschillende scenario's en daarin de
consequenties uit te denken en door te kijken wat we ermee zouden kunnen
ombuigen, maar vooral door ons de vraag te stellen hoe we waarborgen dat
kinderen in de meest kwetsbare situaties altijd toegang blijven houden
tot de zorg die nodig is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De eigen bijdrage heeft jarenlang boven de markt gehangen. Het gaat in
tegen het Kinderrechtenverdrag, er zijn rapporten waaruit blijkt dat het
averechts werkt en uitvoeringsorganisaties zeggen dat het niet kan. Toch
komt het telkens weer terug. Ik vind het geen voorbeeld van een moedige
keuze. Daar gaat mijn vraag over. Ik zou graag van mevrouw Synhaeve
willen weten welke moedige keuzes deze coalitie dan wél gaat maken. We
weten welke gezinnen door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en op
de zorg getroffen gaan worden. Ik ben bang dat het niet gaat leiden tot
minder instroom in de jeugdzorg. In het coalitieakkoord lees ik ook
teksten terug die ik al acht jaar lees en hoor. Mijn vraag is dus: welke
moedige keuzes gaat de coalitie maken?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Eerst kort over de eigen bijdrage. Ik gaf het net al aan: die zorgen
hoor en zie ik ook. Wat mij betreft is dat ook precies de bril waarmee
we kijken als het kabinet met scenario's voor de uitvoering komt. Het
spreekt voor zich dat wat we hier ook invoeren — dat geldt voor alle
terreinen — niet mag indruisen tegen het Kinderrechtenverdrag. Dat
gebeurt in de praktijk te vaak wél.
Welke moedige keuzes moeten we maken? Ik denk dat dat langs twee lijnen
loopt. Ik denk dat dat deels zit in de beweging naar voren. Dat is een
verschrikkelijk holle term, maar dat is wat ik probeerde te beschrijven
met dat tweede principe: de problemen in de jeugdzorg gaan we vooral
buiten de jeugdzorg oplossen. Ik denk dat we daar wel degelijk een
aantal heel moedige keuzes in maken door fors te investeren in wonen,
door 135 miljoen per jaar beschikbaar te stellen voor het programma
leefbaarheid en door 1,5 miljard per jaar erbij te doen voor onderwijs.
Al die bezuinigingen op het vergroten van kansengelijkheid draaien we
terug. Dat doen we door middel van een gemeenschapsfonds, door ten
aanzien van de jeugd in te zetten op preventie op school en door de
aanpak van armoede en problematische schulden. Als we die bedragen
optellen, dan zitten we op bedragen die een stuk hoger zijn dan die we
nu aan het ombuigen zijn in de jeugdzorg. Ik geloof dat we daar het
verschil gaan maken. Dat was de eerste lijn: de jeugdzorg verbeteren we
vooral buiten de jeugdzorg.
De tweede lijn is: durven we ook keuzes te maken in hoe we de jeugdzorg
vervolgens georganiseerd hebben? Ik denk dat we daar heel scherp moeten
inzetten op het verminderen van aanspraken. De druk moet eraf. Dat
betekent dat er gewoon echt minder kinderen in de jeugdzorg moeten
komen, zodat er ruimte komt voor de kinderen die heel complexe zorg
nodig hebben. Dat betekent dat we meer moeten standaardiseren. Dat
betekent dat er af en toe scherpere wet- en regelgeving nodig is. Dat
moeten we doen. U hebt ook de vragen gehoord die ik aan de
staatssecretarissen heb gesteld. Dat zijn wat mij betreft de belangrijke
knoppen om aan te draaien, om vanuit pragmatisme het grote verschil te
maken voor de kinderen die het het meest nodig hebben.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het lastige van dit antwoord is dat ik een heel aantal woorden en zinnen
hoor die ik al acht jaar hoor: de beweging naar voren maken, het vooral
zoeken buiten de jeugdzorg, preventie enzovoorts. Dat is niet nieuw. Dat
wil iedereen hier trouwens. Daar is helemaal geen discussie over. Het
probleem is alleen dat het maar niet gebeurt, omdat het te weinig
concreet wordt. Mevrouw Synhaeve heeft het over investeren in onderwijs.
Daar ben ik blij mee, hoor, maar feitelijk is het gewoon het
terugdraaien van de bezuiniging van het vorige kabinet. Nu zijn we weer
op hetzelfde punt als anderhalf jaar geleden. Ik hoor helemaal niet
welke moedige keuzes er nou specifiek gemaakt zijn voor gezinnen waarin
het nu al niet goed gaat en die te maken hebben met jeugdzorg. Ik ben op
zoek naar een concreet antwoord daarop.
Mevrouw Synhaeve (D66):
In alle eerlijkheid: ik heb mezelf natuurlijk ook die vraag gesteld.
Volgens mij willen we hier van links tot rechts al tien jaar dat het
beter gaat in de jeugdzorg. Volgens mij verschillen onze beelden niet
eens zo heel erg over hoe we daar moeten komen. Ik heb mezelf ook de
vraag gesteld: waarom lukt het dan niet? Die vragen hebt u mij ook horen
stellen aan de Algemene Rekenkamer en de andere gremia die we gesproken
hebben. Ik denk dat het deels te maken heeft met hoe wij vanuit deze
Kamer sturen. Ik denk dat we veel scherpere doelen moeten neerzetten en
veel duidelijkere afspraken met een kabinet moeten maken over wat
wanneer geregeld wordt, bijvoorbeeld als het gaat over zo'n
reikwijdtediscussie. We moeten veel scherper afspreken wat we daarin
willen terugzien. We moeten een kabinet niet laten wegkomen met mooie,
vage omschrijvingen die uiteindelijk geen zoden aan de dijk zetten. Ik
denk dat het deels daarin zit. Ik denk dat het ook deels zit in de vraag
of wij als politiek ook durven te zeggen: we gaan het niet allemaal meer
oplossen; sommige problemen moeten toch echt elders worden opgepakt. Dat
neemt niet weg dat mensen nog steeds zorgen hebben en dat die zorgen
heel terecht zijn, maar dat hoeft geen zorgvraag te zijn. Hoe we dat
precies voor elkaar krijgen, daar ben ik ook op aan het puzzelen, want
dat krijgen we ook niet een-twee-drie voor elkaar.
De voorzitter:
De antwoorden moeten iets korter, anders halen we 17.00 uur niet, vrees
ik. Probeer echt de vraag te beantwoorden. Ik zie dat de heer Ceder ook
een vraag heeft aan D66.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Toen ik de jeugdzorgparagraaf las, was ik wel teleurgesteld. Er zijn een
aantal dingen gebeurd die me enorm zorgen baren. Allereerst wordt het
rapport-Van Ark gewoon niet uitgevoerd. Die bezuiniging blijft staan.
Men richt zich nu op jeugdhulp buiten de jeugdzorg. Daarmee geef je
eigenlijk de generatie op die nu al last heeft en een vorm van jeugdzorg
krijgt. Er wordt geïnvesteerd in de volgende generatie, maar er wordt
niets gedaan voor de huidige generatie. Er wordt ook niets gedaan voor
de medewerkers, die nu al elk jaar zeggen dat hun het water tot aan de
lippen staat. Helemaal niets. Dat vind ik wel teleurstellend. Ik ken,
denk ik, de partijlijnen. De VVD heeft hier lange tijd voor gepleit,
maar het CDA en D66 niet. Ik ben het ermee eens: we moeten inderdaad
meer steken in het stabiliseren van gezinnen. Daar zult u de
ChristenUnie altijd over horen, maar mevrouw Synhaeve is het toch met
mij eens dat dit, nog even los van de afspraken die nu al vastgelegd
zijn, onverantwoord beleid is? Dat staat nog even los van de vraag of
wij dit nog kunnen terugdraaien.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nee, ik werp verre van me dat dit onverantwoord beleid zou zijn. Ik denk
dat we juist keuzes maken die wijzen op verantwoord beleid. Overigens
geldt nog steeds dat de ombuigingen in 2026 en in 2027 met een half
miljard per jaar worden gedempt. Dat is dus onveranderd gebleven. U
vroeg om een kort antwoord, voorzitter, dus bij dezen een kort
antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel, ook daarvoor. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Oké, het staat genoteerd dat D66 de financiële paragraaf verantwoord
vindt. Die vraag zal ik ook bij het CDA neerleggen. Ik had gehoopt dat u
in lijn der verwachting zou zeggen "het is niet onze keuze", of
misschien "de VVD heeft hier wat scherper op ingezet en wij hebben
andere keuzes gemaakt". Maar D66 zegt gewoon: dit vind ik verantwoord.
Het is goed om dat te noteren.
Ik heb een vraag over het eigen risico. Volgens mij hebben we daar zelfs
technische briefings over gehad. Er is continu gezegd dat dit
onverstandig is, op welke manier daar ook invulling aan wordt gegeven.
Kunt u uitleggen, los van dat we buiten de jeugdzorg gaan investeren,
waarom D66 in de afgelopen jaren toch van mening is geworden dat dit wél
een verstandige keuze is die leidt tot de verbetering van de
jeugdzorg?
De voorzitter:
U noemt het eigen risico in relatie tot de jeugdzorg, maar ik denk dat u
de eigen bijdrage bedoelt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Sorry. Ik zei "eigen risico", maar ik bedoelde "eigen bijdrage".
De voorzitter:
Dan weten we waar we het over hebben. Mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik vind de keuzes die we maken verantwoord, omdat we dit koppelen aan
maatregelen. Ik geloof dat steeds geld blijven opplussen 'm gewoon niet
gaat worden. In combinatie met de maatregelen die we voorstaan: jazeker
vind ik dat we dan verantwoorde keuzes maken. Wordt dat makkelijk? Zeker
niet.
Dan de eigen bijdrage. Die vraag heb ik al beantwoord. Om niet in
herhaling te vallen verwijs ik naar mijn eerdere antwoord.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Goed, tot slot. Kan D66 aangeven welke extra maatregelen en betere
maatregelen genomen worden anders dan de maatregelen die al door het
kabinet van PVV, NSC, BBB en VVD waren ingezet? De reikwijdte aanpassen
werd al genoemd. De eigen bijdrage werd al genoemd. Gezinnen meer
stutten werd al genoemd. De beweging naar terugplaatsing of minder
uithuisplaatsingen werd ook genoemd. Ik kan ze niet uit het
coalitieakkoord halen. Op welke extra maatregelen die niet al door het
vorige kabinet zijn ingezet, bent u nou trots?
Mevrouw Synhaeve (D66):
We investeren meer dan ooit in preventie en dat is ook financieel
duidelijk, want daar maken we geld voor vrij.
De voorzitter:
Dan ga ik naar de volgende spreker van de zijde van de Kamer. We
hanteren de begrotingsvolgorde. Daardoor krijgt mevrouw Wendel nu het
woord. Zij zit aan de andere kant. Anders denkt iedereen: waarom is dat?
De begrotingsvolgorde is de sprekersvolgorde die wordt gehanteerd bij de
begrotingen. Aan u het woord, mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Van jongs af aan heb ik van mijn ouders meegekregen
dat ik zelf verantwoordelijk ben voor mijn eigen leven en dat je, als je
je best doet op school, respect hebt voor anderen en bereid bent hard te
werken, kunt worden wie je wil zijn. Dat klinkt misschien
vanzelfsprekend, maar voor mij is het heel bepalend geweest. Het heeft
ervoor gezorgd dat ik ook als ik geen zin had toch naar school ging en
altijd bijbaantjes had naast school en studie. Dat maakt mij tot wie ik
nu ben, de versie van mezelf die ik wil zijn. Dat gun ik ieder
kind.
Voorzitter. Hard je best doen en keihard werken zijn belangrijk, maar
dat kan alleen als de randvoorwaarden op orde zijn. De les van mijn
ouders geldt alleen als je als kind opgroeit in een veilig en liefdevol
thuis. Je kunt pas het beste uit jezelf halen als je veilig bent, als je
gezien wordt en als er hulp is wanneer die nodig is. Dat kan een
steuntje in de rug zijn of intensieve hulp. Ieder kind verdient een
veilige en liefdevolle plek om op te groeien, om zichzelf te kunnen
ontwikkelen. Als een kind echt hulp nodig heeft, dan moet die hulp
beschikbaar zijn. Dat is nu te vaak niet het geval. De druk op de
jeugdzorg is enorm. Er zijn torenhoge wachtlijsten. Als een kind
dringend hulp nodig heeft en eindeloos moet wachten, richt dat nog meer
schade aan. Dat is niet een probleem van de afgelopen weken of maanden.
Dat is een probleem dat al jaren speelt.
Sinds een paar weken mag ik mij als Kamerlid bezighouden met jeugdzorg
en jeugdbescherming. Ik geef toe dat dat me niet koud laat. De verhalen
die ik hoor, de situaties die ik lees, de incidenten die geen incidenten
zijn, raken me enorm. Samen met mijn collega's in de Kamer wil ik mijn
stinkende best doen om ervoor te zorgen dat geen enkel kind zich
onveilig voelt of aan zijn lot wordt overgelaten. Hoewel onze visies
over hoe dit het beste kan ongetwijfeld zullen verschillen, zullen we
zij aan zij moeten staan. Ik geloof dat we dat met elkaar kunnen.
De urgentie maakt ongeduldig. En ja, dat brengt de verleiding met zich
mee om steeds nieuwe ideeën of nieuwe regels te verzinnen. Toch ga ik
dat nu niet doen. Kinderen help je namelijk niet met telkens nieuwe
plannen, maar met het doen van wat is afgesproken. De VVD steunt dan ook
de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en
gezinsbescherming. Ik wil de staatssecretarissen bedanken voor de
voortgang die is geboekt en voor de routekaarten die naar de Kamer
gestuurd zijn. Dit zorgt voor een beter beeld van de concrete acties die
het kabinet onderneemt. Dat geeft vertrouwen. Ik wil de
staatssecretarissen wel vragen of er stappen zijn die sneller gezet
kunnen worden.
Voorzitter. We zijn blij dat de Wet verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg op 1 januari 2026 in werking is getreden. De VVD ziet dit als
een belangrijke stap in het oplossen van de problemen in de jeugdzorg.
Toch is het slechts het begin. Het grote probleem in de jeugdzorg is
namelijk dat de vraag veel te hoog is. Waar een aantal jaren geleden 1
op de 27 kinderen gebruikmaakte van de jeugdzorg, geldt dat nu voor 1 op
de 7. Voor jongens tussen de 8 jaar en de 12 jaar is dat zelfs 1 op de
4. Dat kan en moet echt minder. Niet elk probleem is een
jeugdzorgprobleem. De VVD vindt dat we niet onnodig een label op een
kind moeten plakken. Niet iedere vorm van afwijkend gedrag is een
probleem dat in de jeugdzorg opgelost moet worden.
Daarom is de reikwijdtewet ook zo cruciaal. Die bepaalt wat wel en geen
jeugdzorg is. Met deze wet zorgen we ervoor dat het aantal kinderen in
de jeugdzorg afneemt en dat er jeugdzorg beschikbaar is voor de kinderen
die dat echt nodig hebben. We hebben een groot tekort aan medewerkers.
De medewerkers die er zijn, moeten zich kunnen richten op de zware en
meest complexe gevallen. De bestuurders in het land vragen hier al jaren
om. Deze wet had er eigenlijk allang moeten zijn. Nu staat de
behandeling gepland voor eind '26. Ik wil de staatssecretaris vragen of
dit echt niet sneller kan. Hoe voorkomt zij in ieder geval verdere
vertraging? Ik zal hierover in de tweede termijn een motie
indienen.
De VVD wil dat er vaart gemaakt wordt met de hervormingsagenda en het
toekomstscenario. Tegelijkertijd wil ik er ook toe oproepen om niet
enkel in de vergaderstand te blijven zitten met vergezichten, maar ook
te kijken naar wat er nu al kan op de korte termijn. Hebben de
staatssecretarissen concrete ideeën over wat zij nu al kunnen doen om de
druk op de jeugdzorg, specifiek op de jeugdbescherming, te verminderen
en ervoor te zorgen dat we de kwaliteit al op de korte termijn
verbeteren?
Dan de kwaliteit zelf. In juni 2024 werd grootschalige fraude met
evc-certificaten blootgelegd. Mensen konden met een gekocht diploma in
de jeugdzorg aan de slag zonder echte opleiding of ervaring. Dat is
onacceptabel. Het systeem was bedoeld om mensen gemakkelijker aan het
werk te laten gaan in de jeugdzorg, maar dat wordt misbruikt door mensen
met verkeerde bedoelingen. In plaats van jongeren liefdevolle zorg te
bieden, werd geld witgewassen en werden jongeren geworven voor criminele
activiteiten. Om deze fraude aan te pakken, zal ik de motie van
D66-collega Synhaeve dan ook mede indienen.
Voorzitter. Al jaren horen we dat de regeldruk in de jeugdzorg omlaag
moet. Toch besteden jeugdzorgwerkers nog steeds bijna 40% van hun tijd
aan administratie. De administratieve regeldruk is zelfs nergens zo hoog
als in de jeugdzorg. Hoe kan het dat deze regeldruk nog steeds zo hoog
is en wat gaat de staatssecretaris concreet doen om deze regeldruk nu
wel te verminderen? Welke concrete regels kunnen we schrappen om
jeugdzorgwerkers meer lucht te geven en ervoor te zorgen dat zij hun
aandacht kunnen besteden aan de jeugd in plaats van aan papierwerk? Als
de staatssecretaris hier niet direct een antwoord op heeft, kan zij dan
toezeggen hier onderzoek naar te doen en dit ons voor de zomer per brief
toe te sturen?
Dan de gesloten jeugdzorg. De staatssecretaris heeft aangegeven dat
nachtelijke insluiting in uitzonderlijke gevallen nodig blijft. De VVD
steunt deze lijn, hoe pijnlijk het ook is. Soms is het noodzakelijk om
jongeren, hun omgeving en medewerkers te beschermen. Ik wil de
staatssecretaris vragen hoe zij dit wil vormgeven en of dit kan worden
geregeld binnen het huidige budget.
Voorzitter. Tot slot: kindermishandeling. Naar schatting worden ieder
jaar 119.000 kinderen slachtoffer van mishandeling. Ieder jaar
overlijden er tussen de 40 en 50 kinderen door dit geweld; in 96% van de
gevallen wordt dit geweld gepleegd door ouders. De staatssecretaris
heeft een aanpak voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik wil de
staatssecretaris vragen hoe effectief die programma's zijn. Besteden we
het geld aan de juiste dingen? Kan zij dit ook onderbouwen?
Voorzitter. Ik sluit positief af. Iedere dag werken vele
jeugdzorgwerkers kei- en keihard om jongeren vooruit te helpen. Ze
werken dag in, dag uit onder hoge werkdruk. Zij verdienen onze
waardering. Als het misgaat, haalt dat de kranten, maar het vele goede
werk blijft vaak onzichtbaar. Daarom zeg ik hier: dank jullie wel.
Hetzelfde geldt voor de vele pleegouders in Nederland. Vaak horen we de
verhalen waarin het misgaat, maar in de meeste gevallen gaat het juist
heel erg goed. Ik heb meerdere berichten gekregen van mensen die zeiden:
dankzij mijn pleegouders heb ik de kans gekregen om in veiligheid op te
groeien en mezelf te ontwikkelen. Die pleegouders verdienen onze
waardering en steun. Daarom wil ik afsluiten met een oprecht dankwoord
aan hen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U bent aan het einde van uw inbreng gekomen. Eerst heeft u
een interruptie van mevrouw Westerveld en dan van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Wendel zegt best veel dingen die we volgens mij allemaal vinden.
Niemand vindt dat kinderen onnodig gelabeld moeten worden, om maar een
voorbeeld te noemen. Ze zegt: ik ga niet voortdurend nieuwe regels
bedenken. Volgens mij wil niemand dat hier. Maar mevrouw Wendel noemde
twee punten waarover ze zei: als we afspraken maken, moeten we dat doen.
Ze verwees daarbij naar het rapport van de commissie-Van Ark en naar het
Toekomstscenario. De commissie-Van Ark zegt: neem de bezuinigingen op
als pm-post op de begroting. Dat is een van de heel concrete
aanbevelingen die zij doet. Het budget voor het Toekomstscenario komt te
vervallen vanaf 2027. Dat wordt voortgezet, maar zonder deze middelen,
die ook zijn beloofd. De twee dingen die mevrouw Wendel belooft en die
we volgens haar moeten doen om onze beloftes na te komen en ons aan
afspraken te houden, worden niet nagekomen. Wat vindt mevrouw Wendel
daarvan?
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, de interrupties moeten iets korter. Ik ga er wat
scherper op letten.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank aan mevrouw Westerveld voor de vraag. Ik denk dat u terecht opmerkt
dat ik zeg dat ik nu geen nieuwe zaken wil bedenken, maar echt wil
vasthouden aan de uitgezette paden. Ik vind het zelf ook erg lastig dat
dat al heel lang duurt. Dat hoort u mij ook zeggen in mijn bijdrage: er
moet meer tempo op; het moet sneller, zodat we niet steeds nieuwe zaken
hoeven te bedenken en het daadwerkelijk bijdraagt aan betere kwaliteit
in de jeugdzorg.
Dan uw specifieke vraag over de financiën. Ik heb afgelopen weken vele
gesprekken gevoerd over dit onderwerp en over de financiën. Steeds meer
bekruipt mij het idee dat we impopulaire keuzes moeten maken in plaats
van er ieder jaar weer meer geld aan toe te voegen. We zien dat de
uitgaven in de jeugdzorg echt uit de pas lopen en dat de kwaliteit er
niet beter van wordt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat vind ik ook. Dat vinden we allemaal, maar dat is geen antwoord op
mijn vraag. Mijn punt luidt als volgt. Mevrouw Wendel zegt hier heel
duidelijk dat er twee dingen moeten gebeuren, maar die gebeuren niet. Ik
vraag haar dus wat zij daarvan vindt. Misschien moet ik de vraag anders
stellen, net als bij mevrouw Synhaeve. Ik begrijp ook dat dit technisch
gezien een ingewikkelde vraag is. Wat gaat het komende kabinet doen om
ervoor te zorgen dat die moedige keuzes gemaakt worden en dat het straks
echt beter gaat met jongeren in de jeugdzorg? Even heel concreet, want
al die algemeenheden vinden we allemaal; daar schiet niemand wat mee op.
Even heel concreet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Het nieuwe kabinet gaat ervoor zorgen dat de reikwijdtewet zo snel
mogelijk wordt ingevoerd, waardoor we echte keuzen maken over welke
problemen we in de jeugdzorg moeten oplossen en welke problemen
daarbuiten horen. Dat kan zijn door niet onnodig te labelen, maar met
name ook door met de lokale teams kinderen en hun gezinnen vroegtijdig
goed te ondersteunen.
De voorzitter:
Wilt u nog iets vragen over dit onderwerp, mevrouw Westerveld? Nee. Dan
ga ik eerst naar mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het nieuwe kabinet gaat ook de zorg kapotbezuinigen. Dat moet ook even
geconstateerd worden. Ik hoor de VVD zeggen dat jeugdzorgmedewerkers
waardering verdienen. Dat is goed om te horen voor jeugdzorgmedewerkers,
denk ik, want ze gaan morgen in actie komen, onder andere tegen de
gevolgen van het beleid van de VVD. Het is dus fijn om te horen dat ze
in ieder geval de steun van de VVD daarin hebben. In het begin van het
betoog hoorde ik dat de randvoorwaarden op orde moeten zijn. Mijn
collega Westerveld zei het ook al: de commissie-Van Ark noemde de
bezuinigingen "een zwaard van Damocles" boven de jeugdzorg. Een zwaard
van Damocles boven de jeugdzorg! De randvoorwaarden zijn niet op orde en
toch wordt er al dit jaar bijna een half miljard euro uit de jeugdzorg
gesloopt. Ook aan de VVD is mijn vraag waar zij denkt dat deze
bezuinigingen terechtkomen. Is er een aanleiding om aan te nemen dat ze
niet terechtkomen bij kinderen, bij gezinnen en bij de medewerkers die
elke dag het werk doen in de jeugdzorg?
Mevrouw Wendel (VVD):
In alle eerlijkheid heb ik moeite met de harde uitspraken die gedaan
worden. "Het nieuwe kabinet gaat de zorg kapotbezuinigen." Het nieuwe
kabinet neemt een impopulaire beslissing en ziet dat we vanwege
demografische ontwikkeling geen andere keuze hebben dan het stelsel
hervormen om ervoor te zorgen dat we er op de lange termijn kunnen zijn
voor de mensen die dat het hardste nodig hebben. Dat geldt dus ook voor
de jeugdzorg. We moeten keuzes maken over wat we wel en niet gaan doen
om er te kunnen zijn voor de meest kwetsbare kinderen. Dat noem ik niet
"kapotbezuinigen". Dat noem ik: een moedige keuze en ervoor zorgen dat
we er kunnen zijn voor de kinderen die dat nodig hebben.
De voorzitter:
Probeer niet buiten de microfoon om dingen te zeggen. Doe het via de
microfoon. Dat zeg ik even in het algemeen. Mevrouw Coenradie en dan de
heer Van Houwelingen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb eigenlijk een beetje een punt van orde. Ik snap waar het vandaan
komt, maar we hebben het wel steeds over "het nieuwe kabinet". Het
lastige in dit verhaal is … De timing is een beetje onhandig; laat ik
het maar even zo zeggen. Het debat over het nieuwe kabinet wordt morgen
gevoerd. Ik zou dus graag willen dat we onze kostbare tijd en de
interrupties daar niet aan besteden. Ik kijk u als voorzitter dan even
aan om dat te handhaven. Als dat mogelijk is, heel graag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Wij stemmen pas in maart over de begroting. Dan is er een kabinet of
kunnen we in ieder geval de impact doorlopen van de keuzes die vorige
week gepresenteerd zijn. Ik heb amendementen gezien, maar niet van die
orde dat er fundamentele wijzigingen plaatsvinden. Hen daarop bevragen
heeft dus wel degelijk te maken met de huidige begroting. Ik snap dat we
niet moeten gaan filosoferen over wat het nieuwe kabinet gaat doen. Dat
snap ik, maar ik vind wel dat we elkaar in het debat met de Kamerleden
onderling, niet in dat met de bewindspersonen, zouden moeten bevragen
over waarom bepaalde keuzes gemaakt worden of waarom bepaalde stappen
juist niet gezet worden, juist ook omdat er afspraken zijn gemaakt voor
de komende jaren. In die zin zou ik er dus toch nog wel wat ruimte voor
willen laten.
De voorzitter:
Ik begrijp mevrouw Coenradie heel goed. Ik snap die opmerking. We moeten
twee dingen uit elkaar houden. Ik denk dat we nu gewoon het kabinet
hebben dat hier zit. Dat punt klopt. Dit is mijn derde of vierde periode
als Kamerlid. Ik weet dat het onontkoombaar is dat als er een akkoord
ligt, het debat met de Kamerleden onderling ook gaat over wat er ligt.
Dat mag ook. Dan is het wel belangrijk dat de Kamerleden in hun
toekomstige coalitierol worden aangesproken en niet als "het kabinet",
want dat kabinet is er feitelijk nog niet; het moet nog op het bordes
komen te staan. Daarin heeft u wel een punt, mevrouw Coenradie.
Laten we het debat onderling dus vooral gericht houden op de keuzes die
voorliggen en als het woord "kabinet" valt even beseffen dat hier het
huidige kabinet zit en dat er nog geen nieuw kabinet is. Ik denk dat dat
wel belangrijk is, ook voor de kijker. Daar zal ik iets scherper op
letten, maar ik laat wel toe dat de keuzes besproken worden die gemaakt
worden in het coalitieakkoord en betrekking hebben op dit
begrotingsonderdeel. Dat laatste is wel belangrijk. Laten we inderdaad
niet te veel erbij halen, want dat gaan we morgen uitvoerig bespreken.
Dan bedoel ik de verdere maatregelen op het VWS-terrein. Laten we ons
echt richten op dit onderdeel. Volgens mij ging dat vooralsnog best
goed. Als dat af en toe niet helemaal goed gaat, zal ik daar wat van
zeggen. We zetten het debat voort. Mevrouw Coenradie, had u nog een
interruptie of was dit een punt van orde? Check. Dan een interruptie van
de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Over keuzes gesproken, ik ben wat verbaasd, want de PVV zei zojuist over
de jeugdzorg: het is niet anders; we moeten erop bezuinigen.
De voorzitter:
De VVD.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Excuus, de VVD inderdaad. Dank. De VVD zegt dat we erop moeten
bezuinigen, maar er zijn natuurlijk wel degelijk keuzes te maken. Ik
bedoel, de VVD heeft ervoor gekozen om miljarden over te maken naar
Oekraïne. Dat was bijvoorbeeld eind december nog binnen 48 uur 700
miljoen. Die keuzes kunnen dus gemaakt worden, maar de VVD kiest iets
anders. Die stuurt bijvoorbeeld graag miljarden naar Oekraïne, de
massa-immigratie en krankzinnig klimaatbeleid. Wees daar dan eerlijk
over. Ja, dan hou je niet veel over voor de jeugdzorg.
Mevrouw Wendel (VVD):
Allereest heb ik niet gezegd dat we niet onder bezuinigen op de
jeugdzorg uit komen. Ik wil namelijk benadrukken dat we de kosten
ombuigen, maar dat er nog steeds ieder jaar meer geld naar de jeugdzorg
gaat dan het jaar daarvoor. Dat ten eerste. Daarnaast begrijp ik
natuurlijk dat iedere partij een andere visie op Nederland heeft. Dat
kan. Ik denk dat we dat morgen in het debat van onze partijleiders zeker
gaan horen. Alleen, de VVD staat inderdaad voor een land waarin we
zorgen dat de veiligheid zowel nationaal als internationaal op orde is,
ook voor onze kinderen.
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, het moet echt wel gericht zijn op de jeugdzorg.
Ik snap het allemaal, maar anders is het ook een beetje onnavolgbaar
voor degenen die het op afstand volgen. Zijn er nog andere interrupties
voor mevrouw Wendel voordat ik naar de volgende spreker ga? Nee. Dan
mevrouw Westerveld, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Het ging er net al even over in het interruptiedebat:
het doel van dit wetgevingsoverleg — dat is natuurlijk het controleren
en het bijsturen van het kabinet — wordt ons gewoon vrij lastig gemaakt
vanwege de timing. We bespreken hier namelijk de begroting van 2026
terwijl het al 2026 is en we bespreken de begroting van een demissionair
kabinet terwijl afgelopen vrijdag het conceptregeerakkoord werd
gepresenteerd. Dat maakt het gewoon best wel onhandig om de
demissionaire staatssecretarissen hier te bevragen. Tegelijkertijd vind
ik het ook heel actueel, omdat we ook zien dat er in de keuzes die de
nieuwe coalitie maakt niet zo veel lijkt te veranderen. Volgens mij is
dat dus wel degelijk iets waar we het vandaag goed met elkaar over
moeten hebben.
Gezien de grote belangen en alle grote problemen die spelen bij
jongeren, gezinnen en hulpverleners, moeten we die taak namelijk heel
serieus nemen. Ik geloof ook helemaal niet dat we in deze commissie nou
zo verschillend kijken naar de jeugdzorg, want niemand zit hier als
woordvoerder omdat die hoopt dat het straks nog slechter gaat met
kinderen. Iedereen wil dat het beter gaat met kinderen, dat het stelsel
beter wordt, dat hulpverleners hun werk gewoon goed kunnen doen en dat
er kwalitatief goede en genoeg hulpverleners zijn. Dat willen we
allemaal. Daar zit helemaal geen licht tussen, maar dan moeten er wel
keuzes gemaakt worden. Ik hoor hier de hele tijd dat er keuzes gemaakt
moeten worden, maar volgens mij gaat het er dan om welke keuzes we met
elkaar maken. Welke moedige keuzes maken wij straks met elkaar om ervoor
te zorgen dat wat we allemaal willen, echt gaat gebeuren? Ik denk dat
een heel groot probleem waar jeugdzorg, en misschien wel zorg in het
algemeen, tegenaan loopt, is dat wij het misschien wel belangrijk vinden
met elkaar, maar dat gewoon niet alle partijen dat belangrijk vinden.
Dat zien we volgens mij ook aan de keuzes die het nieuwe kabinet maakt,
waarbij ik zie dat maatregelen wel degelijk keihard gezinnen raken
waarin nu ook al grote problemen zijn. Want als je gaat tornen aan
bestaanszekerheid, raakt dat natuurlijk de gezinnen waarbij het thuis
gewoon niet goed gaat. Als we de uitkering van mensen die tijdelijk geen
werk hebben nog verder gaan verlagen, zorgt dat natuurlijk voor stress.
Al die keuzes raken ook de jongeren die nu in de jeugdzorg zitten.
Daarom verbind ik dat soort vragen dus aan dit debat vandaag.
Voorzitter. Terwijl de staatssecretaris ons vorige week woensdag nog in
een brief schreef dat ze — ik citeer — het tij wil keren en alles op
alles gaat zetten zodat niet meer een op de zeven jeugdigen gebruikmaakt
van jeugdzorg, maar eind 2028 maximaal een op de tien jeugdigen in de
jeugdzorg zit, lees ik dus in het conceptregeerakkoord allemaal
maatregelen waarvan ik denk: die gaan er alleen maar voor zorgen dat er
nog meer gezinnen en jongeren hulp nodig hebben. Mensen die al in een
kwetsbare positie zitten, mensen met functiebeperkingen, mensen met
licht verstandelijke beperkingen, gezinnen in armoede: dat zijn de
mensen die straks het hardst de klappen krijgen als er weer verder
bezuinigd wordt. We weten namelijk allemaal dat stress, psychische
problemen, armoede enzovoorts leiden tot gedoe in gezinnen en
uiteindelijk ook tot een groter beroep op jeugdhulp. Mijn eerste vraag
aan de staatssecretaris en aan de coalitiepartijen is: hoe gaan ze,
zoals in de brief staat, die doelstelling en de ambitie nou voor elkaar
krijgen om in 2028 het aantal van 500.000 jongeren en gezinnen die
jeugdhulp nodig hebben te verlagen naar 350.000? Dit vraag ik ook in de
wetenschap dat alles wat we hier horen, al die beloftes, eigenlijk de
afgelopen jaren ook is gedaan en dat het in de afgelopen jaren
onvoldoende is gelukt. Ik lees in het conceptregeerakkoord niets nieuws
ten opzichte van die belofte. Wat betekent dat voor de eigen bijdrage?
We hoorden net al dat die blijft staan. Ik hoor het ook graag van de
staatssecretaris.
Waarom staat er ook niets over dakloosheid in het regeerakkoord en in de
plannen? Deze vraag stel ik in de wetenschap dat het aantal dakloze
jongeren flink is gestegen en veel dakloze jongeren en jongvolwassenen
een verleden in de jeugdzorg hebben.
Voorzitter. Ik heb veel vragen. Ik begrijp ook dat de staatssecretaris
waarschijnlijk niet ingaat op mijn vragen over het conceptregeerakkoord,
maar ik wilde die toch benoemen. Ook in de voortgangsbrief die we vorige
week kregen en het interview dat de staatssecretaris in De Telegraaf
gaf, werd namelijk gezegd dat er een plan zou komen om de instroom te
verlagen. Dat plan is ook niet nieuw. Ik hoor dit al jaren. Iedere
bewindspersoon op Jeugd die ik heb meegemaakt, zegt dit; geen van die
bewindspersonen heeft dat plan uiteindelijk ook geleverd. In 2018 — dat
is al een hele tijd geleden — was daling van de instroom hét stokpaardje
van minister Hugo de Jonge, die een grote beleidswijziging aankondigde.
Na hem wilde Paul Blokhuis precies hetzelfde. Na hem kwam Maarten van
Ooijen, die ons ook echt in ieder debat voorhield dat de instroom echt
omlaag zou moeten, dat er een grote maatschappelijke discussie zou
moeten komen en dat er een wet zou komen. Na hem kwam Vincent Karremans,
die dit ook voortdurend verkondigde.
Voorzitter. Dit kan niet acht jaar lang telkens de meest genoemde
oplossing zijn voor alle problemen, terwijl er acht jaar lang geen
concreet voorstel komt. Zo zie ik dat de brief van de staatssecretaris
vol staat van dit soort zinnen die ook acht jaar geleden in brieven
hadden kunnen staan. Een voorbeeld is: de kern van het plan is dat er
een cultuuromslag moet komen, dat hulp dichterbij gezinnen moet komen en
dat specialistische jeugdzorg alleen moet worden ingezet als het echt
nodig en effectief is. Dat willen we al acht jaar allemaal, maar wat
betekenen deze zinnen dan? Wat gaat er dan precies gebeuren? Dit zijn
namelijk echt zinnen die ik de afgelopen jaren letterlijk in alle
brieven heb gelezen. Sterker nog, toen ik in de gemeenteraad zat en in
2015 de jeugdzorg werd gedecentraliseerd, was dit ook al het
adagium.
Dan vraag ik mij toch af: wat moet ons het vertrouwen geven dat er nu
wel echt een goed plan gaat komen, dat er een doorbraak gaat komen, dat
er echt keuzes gemaakt worden? Welke keuzes zijn dat dan? Kan de
staatssecretaris in haar antwoorden ook ingaan op de verschillende
groepen jongeren die nu onder de Jeugdwet vallen? Ik steun die beweging
natuurlijk in de zin dat de opvoedvragen, vooral de kleinere
opvoedvragen, helemaal niet thuishoren in de jeugdhulp, maar ik zie
bijvoorbeeld wel dat de context voor kinderen met een verstandelijke
beperking en hun ouders anders is. Daarbij kan lichte hulp wel helpen om
zwaardere hulp te voorkomen. Dat geldt ook voor kinderen waarbij een van
de ouders psychische problemen heeft of verslaafd is. Bij RTL konden we
afgelopen weekend zien dat het gaat om naar schatting zo'n 900.000
kinderen die opgroeien in een gezin waarbij een of beide ouders
psychische problemen hebben of verslaafd zijn. Daar kwam ook Jozef aan
het woord, die opgroeide bij een moeder, die er niet voor hem kon zijn.
Hij vertelde dat er gewoon niemand was die naar hem omkeek. Daarom vond
ik het zo knap dat hij zijn verhaal deed. Zoals hij zijn er dus heel
veel meer kinderen, die er gewoon behoefte aan hebben dat er iemand naar
hen omkijkt en hun helpt. Dat zijn dus die kleinere opvoedvragen, zou je
kunnen zeggen, die wel grotere problemen voorkomen. Hoe kijkt de
staatssecretaris daarnaar?
Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje geld, want we praten vandaag over
de begroting. Daarna ga ik naar een aantal amendementen die we vandaag
hebben ingediend en naar andere inhoudelijke onderwerpen. Dan dus eerst
geld. Het demissionaire kabinet heeft de afgelopen Voorjaarsnota fors
geïnvesteerd in jeugdzorg en heeft dit opnieuw gedaan bij de begroting.
Dat is mooi, maar ik plaats wel even de kanttekening dat het bedrag er
bij deze begroting bij kwam, 728 miljoen, om de korting uit 2023 en 2024
op de jeugdzorg bij gemeenten te compenseren. Bij het extra geld uit de
Voorjaarsnota kwamen ook drie extra bezuinigingsposten, vanaf 2028. Deze
extra bezuinigingsposten tellen op tot een structurele besparingsopgave
van ongeveer 1,8 miljard vanaf 2028.
Voorzitter. Je kan dus feitelijk zeggen dat het demissionaire kabinet
het ravijnjaar heeft opgeschoven van 2026 naar 2028, ook omdat jeugdzorg
niet de enige post is waarop vanaf dat jaar gemeentelijk wordt
bezuinigd. Ik wil aan de staatssecretaris van VWS vragen of ze dit
erkent en ook dat het ravijnjaar nu opnieuw in de boeken staat, maar nu
vanaf 2028. In hoeverre acht zij dit in lijn met het advies van de
commissie-Van Ark, vraag ik ook even teruggrijpend op het
interruptiedebatje met mevrouw Wendel. De commissie-Van Ark stelde
namelijk heel duidelijk dat het niet wenselijk en haalbaar is om de
beoogde besparing vanaf 2028, zoals opgenomen in het financieel kader
van de Hervormingsagenda, te handhaven. Zij adviseerde het Rijk de
besparingen tot 2028 als pm-post in de rijksbegroting op te nemen. Kan
de staatssecretaris uitleggen waarom dat advies niet is opgevolgd?
De commissie-Van Ark adviseerde ook om in de periode 2025-2028 te komen
tot reële en meetbare besprekingsdoelstellingen. Is dit gebeurd, is dan
mijn vraag. En zo ja, op welke manier acht de staatssecretaris de drie
extra besparingsopgaven, zoals bijvoorbeeld de eigen bijdrage, een reële
en meetbare besparingsdoelstelling? Het is namelijk nog totaal
onduidelijk hoe deze eigen bijdrage zal worden ingevuld en wat deze gaat
opbrengen. Toch staat er al vanaf 2028 260 miljoen euro in de boeken. Is
dat niet de omgekeerde wereld, vraag ik de staatssecretaris. Waarom is
ze nog steeds dit wetsvoorstel aan het uitwerken, terwijl een
Kamermeerderheid zich in een motie hiertegen heeft uitgesproken?
Voorzitter. Dan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Hier
geldt eigenlijk hetzelfde verhaal als voor de wet over de reikwijdte.
Ook dit wordt al jaren door opvolgende bewindspersonen als dé oplossing
gezien voor de grote problemen in de jeugdbescherming. Ook in het debat
over de afschuwelijke mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen
noemde de toenmalige bewindspersoon dit eigenlijk voortdurend als
oplossing, als iets dat hij ging doen. Daarom was onze verbazing groot
toen wij zagen dat er in de laatste Voorjaarsnota geen geld was
vrijgemaakt voor de incidentele transitiekosten. Nog opvallender is dat
dit demissionaire kabinet het budget hiervoor volledig laat vervallen
vanaf 2027. We hebben hier al eerder in het plenaire debat een groot
punt van gemaakt, want ik vind dat je als kabinet moet nakomen wat je de
Kamer belooft, ook financieel. Toen wuifde staatssecretaris Rutte te
makkelijk onze zorgen weg, vond ik. Hij zei: we gaan het binnen de
huidige financiële kaders proberen. De inspectie zei dit najaar nog dat
de uitvoering van het Toekomstscenario uiterst onzeker wordt door het
wegvallen van het geld. Zij riep op tot stevig leiderschap vanuit het
Rijk. Ik wil graag een reactie daarop van staatssecretaris Rutte.
Voorzitter. Het gaat hier namelijk ook om jongeren die in een lastige
thuissituatie zitten, soms geen huis hebben, slachtoffer zijn van
ernstige verwaarlozing of mishandeling, of met soortgelijke problemen
die groot genoeg zijn om door de Staat onder bescherming te worden
gebracht. Ik vind het ronduit kwalijk en schadelijk dat ze vervolgens
een hele lange tijd in die onzekere situatie blijven zitten. Dit is ook
in strijd met kinderrechten. Juist deze kinderen verdienen urgentie,
duidelijkheid en middelen als er een oplossing wordt aangekondigd. Dat
kan niet anders. Is staatssecretaris Rutte het met ons eens dat deze
kinderen meer verdienen dan een "we zien wel"? Misschien druk ik het
daarmee iets te makkelijk uit, maar dat hoor ik dan graag van hem in
zijn beantwoording. Kan hij uitleggen waarom dat geld in 2027 volledig
afloopt?
Hoe worden de goede voorbeelden uit de proeftuinen voortgezet als het
geld voor die proeftuinen eind 2026 stopt? Wat zijn de alternatieven
voor deze groep jongeren en kinderen? Wat gaat er gedaan worden om alle
problemen, die echt allang bekend zijn … Verschillende collega's
herhaalden dat al, dus ik ga om tijd te besparen niet al die vragen
herhalen; ik sluit me daar gewoon bij aan. Maar wat gaat er dan nu
gebeuren om echt knopen door te hakken en voor hen tot oplossingen te
komen? Hoe zit het met de beloofde verbetering om de rechtspositie van
deze jongeren en ouders te versterken? Hoe kan het dat het
leerlingenvervoer niet altijd wordt geregeld voor jongeren die uit huis
zijn geplaatst en voor wie het van belang is dat ze naar hun eigen
school blijven gaan? Voelt deze staatssecretaris ook daarvoor een
verantwoordelijkheid? Kan de staatssecretaris ook ingaan op de eerdere
toezeggingen om knelpunten in de bijzondere kosten voor pleegouders weg
te nemen? Dat was trouwens een toezegging van staatssecretaris Tielen,
dus die vraag stel ik aan haar.
Dan heb ik een vraag over Jeugdbescherming Noord. Daar zijn veel
verhalen over. Ik las de voortgang ervan in de voortgangsbrief, maar die
sluit niet helemaal aan bij de signalen die ik krijg. Mijn vraag is
daarom of er ook met de mensen van het meldpunt is gesproken. Is er ook
met ouders gesproken over hoe zij het ervaren?
Voorzitter. Ik heb nog een paar fundamentele punten. Hoe kan het dat er
nog steeds te veel kinderen uit huis worden geplaatst? Ik weet dat we
niet te makkelijk over dit onderwerp moeten denken en praten. Ik weet
dat er soms complexe situaties zijn. Ik ken ook de lastige situatie waar
hulpverleners vaak voor staan. Maar als ik het onderzoek Van inzicht
naar uitvoering lees, dat het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van
Het Vergeten Kind — ze stonden ook vanochtend hier met hun manifest —
heeft gedaan, dan vraag ik me wel af waarom zo veel dingen die we al
weten, die er uitgebreid in staan beschreven, gewoon niet worden
uitgevoerd. Waarom komen ook al die dingen waarover helemaal geen
politieke discussie is, omdat we die we allemaal vinden, nog steeds niet
van de grond? Waarom komt gezinshulp vaak onvoldoende van de grond?
Waarom heeft nog niet iedere jongere iemand zoals een JIM of een
informele steunfiguur die die jongere bijstaat? Waarom lezen we dat
scholing, het bijhouden van actuele kennis en vaardigheden, niet overal
goed gebeurt en dat het hoorrecht van kinderen niet overal goed wordt
geborgd, terwijl we inmiddels weten wat er wel en niet werkt en wat je
wel en niet van een kind kan en mag vragen? Waarom wordt er soms nog te
weinig tijd genomen voor een verklarende analyse? Zo kan ik nog wel een
tijdje doorgaan. Vanwege de tijd doe ik dat niet, maar kan de
staatssecretaris daar een eerste reactie op geven, zodat we de volgende
keer niet opnieuw dezelfde vragen moeten stellen?
Wat is de stand van zaken wat betreft de afbouw van de gesloten
jeugdzorg? Ik sluit me aan bij de vragen van mevrouw Synhaeve. Wij
hebben er voortdurend op gehamerd dat de bekostiging moet worden
aangepast. We hebben meerdere keren moties daarover ingediend. Waarom is
hier zo weinig op gebeurd? Ik ben heel benieuwd naar de antwoorden van
de staatssecretaris. Kan ze dan ook reageren op het recente onderzoek
voor het Platform Sociaal Domein? Dat onderzoek heeft als titel
Bekostiging jeugdzorg werkt transformatie tegen. Daarin staat een
interessante analyse. Heeft de staatssecretaris die gelezen en kan ze
daarop reageren?
Voorzitter. Dan ga ik verder met een onderwerp waarover we het hier al
heel vaak hebben gehad, namelijk gesloten jeugdzorg. We hebben hierover
vorig jaar een debat gehad. Dat ging onder meer over het rapport van
Jason Bhugwandass over de ZIKOS-instellingen. Jongeren die jarenlang
niet zijn geloofd, kregen door zijn rapport en door zijn verhalen
eindelijk een stem. Daardoor werden zij hier in de Tweede Kamer
eindelijk serieus genomen. Ik maak me enorme zorgen over hoe het gaat
met deze jongeren. Ik denk dat de staatssecretaris ook het recente
interview heeft gelezen in de Volkskrant, waarin Indra samen met Jason
werd geïnterviewd voordat ze overleed. Zij is een van de vele kinderen
die aangeeft: door alles wat ik heb meegemaakt, vóór de jeugdzorg maar
ook in de gesloten jeugdzorg, heb ik zo veel schade opgelopen dat ik
niet meer weet hoe ik verder moet leven. Dat is niet alleen haar lot,
dat is ook het lot van heel veel andere jongeren die zo getraumatiseerd
zijn.
Dit is een lastig onderwerp, maar juist daarom horen we het hier te
bespreken. Ik weet dat veel van deze jongeren teleurgesteld zijn. Er is
wel een debat geweest in de Tweede Kamer, maar zij wachten nu op
erkenning, op excuses. Dan hoor ik mooie dingen over het nazorgtraject
waarvoor we vorig jaar bij de begroting een amendement aangenomen hebben
gekregen, maar dan kan het vervolgens niet stil blijven. Ik hoor heel
graag van de staatssecretaris wat zij nu gaat doen en wat de invulling
wordt van dat erkenningstraject en van die excuses. Het rapport van
Jason en het bijbehorende debat hadden we al in maart 2024. Ik zei net
"vorig jaar", maar het is dus al twee jaar geleden. In die twee jaar is
het grotendeels stil gebleven. Heeft het kabinet door dat het juist voor
deze groep jongeren, die al zo veel teleurstelling heeft meegemaakt en
al zo lang moest wachten, extra pijnlijk is dat zij nu weer het gevoel
krijgen dat ze niet serieus genomen worden?
Dan nog iets. Ik las in de brief uit december dat een aanbeveling uit
het rapport van Jason, namelijk een onafhankelijk onderzoek naar
ZIKOS-afdelingen, ondanks een toezegging niet uitgevoerd kon worden. Ik
werd daar heel boos van. Niet op de staatssecretaris, want volgens mij
is zij ook ontstemd hierover, maar wel op de instellingen die voorheen
ZIKOS-afdelingen hadden en niet wilden meewerken. Mijn vraag aan de
staatssecretaris is hoe we kunnen regelen dat dit wel gaat gebeuren,
want zij wil dit, de Kamer wil dit en we zijn het ook aan de jongeren
verplicht, vind ik. Instellingen werken niet mee. Wat kunnen wij dan
gezamenlijk doen om ervoor te zorgen dat de instellingen alsnog gaan
meewerken? Bij dezen wil ik ook een oproep doen. Ik hoop dat de
instellingen alsnog gaan meewerken, want ik vind dat zij het aan deze
jongeren verplicht zijn. Deze jongeren zaten namelijk bij voorgangers
van deze instellingen, dus vandaar deze oproep.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Instellingen werken dus niet mee. Mijn vraag is of dat
wellicht ook zou kunnen zijn omdat ze er financieel belang bij hebben.
Moeten we dan niet gewoon de financieringsstromen afknijpen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Instellingen verschuilen zich achter privacy, las ik in de brief van de
staatssecretaris. Het zijn natuurlijk de voorlopers van deze
instellingen geweest die niet meewerkten. Dan kan je de vraag stellen of
de huidige instellingsbestuurders verantwoordelijk zijn voor deze groep.
Ik zou vinden van wel, dus daarom doe ik mijn oproep. Ik vind dat ze
moeten meewerken. Ik denk niet dat het werkt om te zeggen dat we ze
anders een bestuurlijke boete opleggen, maar daar kan de
staatssecretaris wellicht op ingaan. Ik ben er namelijk bang voor dat
dat weer ten koste gaat van personeel en zorgt voor dingen die we met
elkaar juist niet willen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de
staatssecretaris hierop, maar ik denk dat wat ik vind, wel duidelijk is.
Ik vind dat de instellingen het deze jongeren verschuldigd zijn dat ze
openheid krijgen en dat het onderzoek dat we met elkaar willen, wordt
uitgevoerd. Ik hoop dat echt alles op alles wordt gezet om die gegevens
boven water te krijgen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Als mevrouw Westerveld geen bestuurlijke boetes of wat dan ook wil, heb
ik de volgende vraag aan haar. U zult dadelijk ook in mijn tekst merken
dat ik juist heel erg kijk naar: op welke manier kunnen we de
verantwoordelijkheid nou oppakken en neerleggen waar die hoort? U zegt
dat u geen boetes of wat dan ook wil, maar wat wilt u dan wel? Wat vindt
u dan billijk? Wat moeten we in uw optiek doen om bijvoorbeeld bepaalde
organisaties ertoe te dwingen om betere resultaten te halen en de
veiligheid van kinderen borgen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij gaat het hier nu niet zozeer om veiligheid van kinderen,
maar om bijvoorbeeld het openstellen van archieven, zodat onderzoekers
daarin kunnen en gegevens kunnen achterhalen. Er was namelijk een
onderzoek toegezegd. Daarom lijkt het mij ingewikkeld — maar dat weet de
staatssecretaris waarschijnlijk beter — om nu boetes op te leggen aan
instellingsbestuurders. Dan ben ik namelijk bang dat er bijvoorbeeld
extra mensen worden ontslagen die we juist zo hard nodig hebben in de
jeugdzorg. Dat lijkt mij dan een nadeel. Maar ik ben aan het speculeren
hier. Ik hoop eigenlijk dat er gewoon juridische mogelijkheden zijn om
deze instellingen alsnog te vragen mee te werken. Misschien helpt het
dat wij het er in de Tweede Kamer over hebben. Ik denk dat dat een
betere weg is.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, u kunt doorgaan met uw betoog.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ga verder met het blokje trauma's bij kinderen. Dit is een vrij zwaar
onderwerp in mijn hele betoog, maar dat moeten we hier juist ook
bespreken. Ik wil het hebben over trauma's bij Nederlandse kinderen die
in het buitenland zijn geplaatst. In De Telegraaf en Dagblad van het
Noorden lazen we een paar artikelen over afschuwelijke misstanden en
uitbuiting van kinderen die zijn geplaatst bij gastgezinnen in
Frankrijk. Ik heb ook schriftelijke vragen gesteld met wat meer details.
Wat we daarover lezen is namelijk niet mals. Kinderen werden basale
rechten ontnomen. Ze werden keihard uitgebuit en het contact werd hun
ontnomen. Ze kregen te maken met straf, dwang, opsluiting, enzovoorts.
Ik wil in dit debat een paar dingen alvast weten. De belangrijkste vraag
is volgens mij: zijn alle kinderen daar nu weggehaald? En zijn er geen
andere kinderen meer in het buitenland die onveilig zijn? Dat wil ik
vandaag heel graag weten van de staatssecretaris. Zijn er ook eerder
signalen binnengekomen bij bijvoorbeeld de inspectie? Hoe kan het dat
onze inspectie geen bevoegdheid heeft om in te grijpen in het
buitenland? Ik heb gelezen hoe dat zit, maar ik blijf het wonderbaarlijk
vinden dat daar zo lang zo weinig toezicht was. Ik vind dat daar ook een
verantwoordelijkheid in ligt voor de Nederlandse overheid. Is er ook
nazorg voor deze kinderen en hun families? Dat is ook een vraag die ik
vandaag graag beantwoord wil krijgen. Wat is nu het vervolgtraject? Hoe
gaat de minister voorkomen dat dit vaker gebeurt? Die laatste vraag is
natuurlijk lastig te beantwoorden. Maar ik ben benieuwd wat er in het
vervolgtraject gaat gebeuren en hoe de staatssecretaris dit verder
ziet.
Voorzitter. Dan kom ik nog een keer terug op het debat over het
Vlaardingse pleegmeisje. Dat hebben we namelijk een tijd geleden
gevoerd. De hele Kamer, en ook bewindspersonen, waren boos en ontstemd.
Iedereen vond het ongelofelijk naar en die emotie is echt oprecht. We
vonden allemaal dat kinderen beter gehoord moesten worden. Onze motie
van destijds, waarin we vroegen om ervoor te zorgen dat externe
vertrouwenspersonen bekend zijn bij alle pleegkinderen, kreeg brede
steun. Maar tot mijn verbazing hoorde ik van Jeugdstem, de organisatie
die die externe vertrouwenspersonen levert, dat twee relatief kleine
subsidieaanvragen die zij voor 2026 heeft gedaan, niet zijn toegekend
door het ministerie. Met het oog op het genoemde debat vond ik dat
wonderlijk, want het gaat hier om €186.000 om het toegenomen aantal
gezinshuizen te bezoeken. In 2025 kreeg Jeugdstem daarvoor extra geld,
maar die subsidieaanvraag is voor 2026 afgewezen. Ik begrijp dat totaal
niet, zeker niet na alle beloftes die in dat debat over het Vlaardingse
pleegmeisje zijn gedaan, maar ook niet gelet op de schrijnende situaties
die de afgelopen weken nog in het nieuws waren. Ik heb alleen de
afgelopen week al drie keer afschuwelijke berichten gehoord over
misstanden in een gezinshuis. Laat mij ook helder zijn: verreweg de
meeste pleegouders, gezinshuisouders, doen echt fantastisch werk. Daar
vinden kinderen die tijdelijk of langer niet thuis kunnen wonen, een
hele fijne plek. Maar als het misgaat, dan is er vaak een heel groot
probleem, omdat deze kinderen zich wel loyaal voelen tegenover hun
gezinshuisouders of pleegouders. Dan staat een kind er vaak alleen voor,
zeker kinderen die al zo veel hebben meegemaakt.
Daarom hebben wij een amendement ingediend, dat afgelopen vrijdag aan de
collega's is gestuurd. Het gaat hierbij om €186.000 op de hele
VWS-begroting van 114 miljard. Ik hoop dus dat we dat met elkaar voor
deze jongeren over kunnen hebben, want dat een kind dat uit huis is
geplaatst zijn verhaal kan doen bij een externe vertrouwenspersoon, vind
ik ontzettend belangrijk. We hebben ook nog een tweede amendement rondom
vertrouwenspersonen. We begrijpen dat Jeugdstem ook een subsidieaanvraag
heeft gedaan om de wachtlijsten voor ouders en pleegouders terug te
dringen. Daarbij gaat het ook om een bedrag dat niet heel groot is in
verhouding tot de hele VWS-begroting, namelijk tweeënhalve ton. Ook dit
is afgewezen door VWS, terwijl snellere hulp escalatie kan voorkomen. We
horen en weten dat ouders en pleegouders nu maanden op de wachtlijst
staan, waardoor onveilige situaties voor kinderen kunnen ontstaan.
Daarnaast zorgt late hulp ook vaak voor complexere en duurdere hulp. Ook
hierover heb ik een amendement ingediend. Weer gaat het om een relatief
klein bedrag op die hele grote VWS-begroting van 114 miljard. Bij dezen
kijk ik de collega's ook indringend aan. Ik vraag hen om hier serieus
naar te kijken.
Voorzitter. We hebben nog een derde amendement ingediend. Dat gaat over
het geven van meer inspraak aan jongeren. Jongeren hebben immers het
recht om mee te praten over beleid dat hen raakt. Heel veel ministeries
hebben dat prima geregeld. Bij het ministerie van Onderwijs hebben we de
studenten- en scholierenorganisaties die met de bewindspersonen
meepraten als er nieuwe wetgeving aankomt. Ze zijn goed georganiseerd,
hebben voelsprieten in het hele land. Dat gaat hartstikke goed. De
meeste politieke partijen hebben ook een politieke jongerenorganisatie.
Die valt ook onder zo'n regeling bij het ministerie van OCW. Dat zijn
degenen die onze partijen bij de les houden en soms ook een eigenwijze
eigen koers varen; daartoe hebben ze het volste recht. Maar dat werkt
dus. Jongeren laten meepraten werkt hartstikke goed. Daar wordt beleid
beter van, daar wordt inspraak beter van. Soms krijg je een kritische
spiegel voorgehouden, wat op dat moment ook ontzettend nodig is, al is
dat niet altijd fijn. Daarom hebben we jongerenorganisaties.
Maar wat schetst mijn verbazing? Bij VWS hebben we dat helemaal niet
geregeld voor jongeren in de jeugdhulp, voor jongeren die dakloos zijn
of voor jongeren met een beperking. Ik weet natuurlijk dat de
jongerenclubs en de initiatieven die er zijn en die goed werk doen, vaak
incidentele subsidie krijgen. Hartstikke mooi dat VWS dat doet, maar van
incidentele subsidies kun je geen organisatie opbouwen. Je bent immers
steeds weer afhankelijk van het volgende jaar. Je kunt geen netwerk
opbouwen, je kunt geen kennis opbouwen om op langere termijn te kunnen
meepraten over alle wetten die er spelen. Je bent immers steeds onzeker:
blijft dat bedrag dat we krijgen, volgend jaar ook nog staan? Ik ben
bang dat organisaties daardoor eerder geneigd zijn om dingen te
vertellen die het ministerie graag wil horen. Je subsidie hangt er
immers vanaf. Ik weet dat die voorwaarden niet worden gesteld, maar soms
wordt het wel zo gevoeld. Daarom hebben we hierover ook een amendement
ingediend. Afgelopen maart hebben we in de Jeugdwet een haakje
opgenomen. Wat er in onderwijswetten staat, hebben we gekopieerd naar de
Jeugdwet. Gelukkig stemde de Kamer voor dat amendement. Jongeren moeten
nu inspraak leveren en mogen met de staatssecretaris of de minister om
tafel. Laten we dan ook met elkaar fiksen dat ze dit kunnen gaan doen.
Daar gaat ons derde amendement over.
Voorzitter. Ik ben bijna klaar. Ik sluit af met een hartenkreet over
kinderen die hiernaartoe zijn gevlucht. Sinds de verkiezingen ben ik
woordvoerder Asiel en Migratie. Ik me al eerder verbaasd over hoe we in
Nederland omgaan met kinderen die in de asielopvang zitten. Vaak volgt
verhuizing op verhuizing. Ze lopen vaak weer nieuwe trauma's op,
bijvoorbeeld als ze worden opgevangen op een boot terwijl ze als
vluchteling via een bootreis hiernaartoe zijn gekomen. Dat doet
ontzettend veel met deze kinderen. Ik weet dat het formeel niet de
portefeuille van deze staatssecretaris is, maar ik vind dat deze
portefeuille niet in goede handen is bij haar collega's, dus wil ik de
staatssecretaris vragen om gedurende de tijd dat ze nog in het kabinet
zit, mee te kijken en te staan voor deze kinderen. Alle kinderen die in
Nederland zijn, hebben immers recht op de allerbeste hulp. Daar
ontbreekt het veel te vaak aan, zeker voor deze groep kinderen.
De voorzitter:
Ik begin even bij het begin. Eerst mevrouw Synhaeve en dan loop ik het
rijtje af.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Mevrouw Westerveld heeft gelijk: we horen al acht jaar dezelfde teksten.
Het zijn mooie woorden, het zijn weinig daden en het gaat inderdaad ten
koste van onze meest kwetsbare kinderen. Waar dat anderen misschien
moedeloos maakt, geeft het mij juist de energie om te laten zien dat we
het wel degelijk anders kunnen doen. Dat gaan we ook aantonen de komende
jaren. Ik geloof dat het 'm niet zit in allerlei grootste nieuwe plannen
maken, maar in doen wat we beloven. Dan heb ik de volgende vraag aan
mevrouw Westerveld: vinden we GroenLinks-PvdA aan onze zijde op het
moment dat we moeilijke keuzes gaan maken, bijvoorbeeld door te zeggen
wat wel jeugdzorg is en wat niet?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Absoluut. Sterker, al sinds Hugo de Jonge minister was — dat is
inmiddels acht jaar geleden — zeggen we: kom alsjeblieft met betere
wetgeving, laten we het beter afbakenen en laten we ervoor zorgen dat
juist de jongeren die hulp nodig hebben van de aller-, allerbeste
professionals omdat ze helemaal klem zitten, die ook krijgen. Niet alles
moet zomaar jeugdhulp worden. Dat zit 'm niet alleen in jeugdzorg. Dat
zit deels in onderwijs. Dat zit ook deels in hoe we met elkaar omgaan.
Ik vind dat we met elkaar kinderen ook kansen moeten geven om af en toe
eens domme dingen te doen: te struikelen, te blijven zitten op school,
enzovoort. Het zit in heel veel dingen. Onze steun daarvoor. Sterker
nog, ik zei het net: we dringen er al heel lang op aan.
De voorzitter:
Mevrouw Synhaeve? Nee, zie ik. Dan ga ik naar de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Ik sluit een beetje aan bij wat collega Westerveld zei over dat we hier
al zo lang over praten en dat er eigenlijk te weinig lijkt te
veranderen. Dat zie je aan de instroom en aan de financiën, die alleen
maar toenemen. Dat inzicht delen we hier volgens mij allemaal. Ik zou u
graag dezelfde vraag willen stellen die ik u heb horen stellen aan een
aantal collega's, mevrouw Westerveld. Wat zijn vanuit uw visie de
concrete veranderingen die nu wel bij gaan dragen aan het feit dat we
het tij gaan keren? Welke concrete keuzes zou u dan maken?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij begint dat bij het eindelijk naar ons toesturen van
verschillende wetten en van toezeggingen die ons eerder zijn gedaan. We
hadden het net al even over de Wet reikwijdte, maar er zijn veel meer
wetten aangekondigd. Daar vragen we al heel lang om als Kamer. Die zijn
nog niet naar ons toegestuurd. Daarnaast zou ik ook willen dat er veel
grotere stappen worden gezet om de marktwerking uit het stelsel te halen
en om ervoor te zorgen dat de echt specialistische hulp beter wordt
bekostigd dan alle, zeg ik tussen aanhalingstekens, laagdrempelige hulp.
Daar zit namelijk een groot verdienmodel achter. Ik zou willen dat we
hulpverleners veel meer mogelijkheden geven om hun werk te doen zoals
zij dat zouden willen. Ik zou ook heel graag willen dat we — dat
voorstel hebben we een aantal jaar geleden al gedaan — in het land
bijvoorbeeld een aantal specialistische centra neerzetten met echt de
aller-, allerbeste specialisten, zoals we dat ook in de medische zorg
hebben. Als je kind kanker heeft, dan kan je echt naar de aller-,
allerbeste specialist in Utrecht. Dat is een fijne plek voor jongeren,
waarbij ook onderwijs zit en waar ouders kunnen blijven slapen. Er wordt
daar ook heel erg nagedacht over de ontwikkeling van een kind en over
hoe we omgaan met een kind als het er weer uitkomt. Als ik dat vergelijk
met bijvoorbeeld de gesloten jeugdzorg, dan zie ik daar een wereld van
verschil. Dat zijn soms letterlijk oude gevangenissen. Ik zou willen dat
de big five voor jongeren op orde zijn. Dat zijn belangrijke dingen
zoals een woning, een opleiding, werk en een sociaal netwerk. Ook zit er
nog steeds een harde knip van 18 jaar in de jeugdzorg, al wordt die door
sommige gemeenten wat minder hard ingevuld. Dat zijn een paar
voorstellen die we de afgelopen tijd hebben gedaan. Ik wil nog wel even
doorgaan, maar ik zie dat de voorzitter wil dat ik afrond. Maar ik hoop
dat daar de komende jaren ook ruimte voor is. Dat vraagt wel om iets
meer dan wat we nu in het coalitieakkoord zien.
De voorzitter:
De heer Hamstra in tweede instantie.
De heer Hamstra (CDA):
Een korte vervolgvraag. Mooi. Ik denk dat dit heel veel punten zijn
waarin we elkaar kunnen vinden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mooi.
De heer Hamstra (CDA):
Dat is dus heel goed, denk ik. Heeft u vanuit uw visie en ook wel
ervaring het idee dat dit voldoende is om terug te gaan naar een op de
tien en misschien wel te komen tot een hoger aantal, dus dat er minder
instroom is?
De voorzitter:
Het antwoord moet specifiek op deze vraag. Het gaat echt om de vraag
over "terug naar een op de tien". Dat is eigenlijk de vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja. Ik heb daar gewoon een hard hoofd in. Het ligt niet aan de wil, want
iedereen wil het. We willen het al jarenlang met elkaar. Maar vanochtend
werd bijvoorbeeld de petitie van Het Vergeten Kind aangeboden. Toen
vroeg ik aan de jongere die daar stond, wat hij zou willen. Toen zei
hij: dat niet alleen maar wordt gekeken naar een kind en psychische
problemen, maar ook veel meer naar het gezin. Stress, armoede enzovoort
leiden gewoon tot veel meer jeugdhulp. Ik vond dat een hele goeie
opmerking van hem. Ik denk dus dat een heel aantal plannen die nu worden
aangekondigd, alleen maar voor meer stress en gedoe in gezinnen
zorgen.
De voorzitter:
Ik ga even door. Ik kom bij mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik heb één korte vraag aan mevrouw Westerveld. Ik heb de amendementen
niet ontvangen, dus ik zou ze als nieuwe woordvoerder Jeugdzorg graag
alsnog van u ontvangen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Die staan in Parlis, als het goed is. Tenminste, ik heb daarvoor een
aparte map op mijn ... Voor de mensen die kijken: we krijgen echt
megaveel mails. Heel vaak als je Kamerstukken krijgt, dan verzuipt dat
dus een beetje in de hoeveelheid mails die je krijgt. Maar we krijgen
ook mails van Parlis. Daar staan ze, als het goed is, gewoon
tussen.
De voorzitter:
Ik weet dat er ook onmisbare ondersteuning is bij onze griffie. Echt
alle vragen die u als commissie heeft met betrekking tot stukken en
dergelijke, kunnen gesteld worden.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Ik denk ook dat we een aantal van de amendementen die
mevrouw Westerveld aankondigde, kunnen steunen. Mevrouw Westerveld trekt
zich, net zoals wij, het lot van de kinderen in pleeggezinnen erg aan.
We hebben natuurlijk het debat over het Vlaardingse pleegmeisje gehad.
Ik heb toch even een vraag. Er bleek daaruit namelijk dat er onvoldoende
betekenisvol contact is vanuit de gecertificeerde instellingen.
Vervolgens vindt het toezicht door de inspectie alleen op de
gecertificeerde instellingen plaats. U weet waarschijnlijk al welke
vraag ik wil gaan stellen. Zou het niet heel logisch en een goed idee
zijn als de inspectie rechtstreeks toezicht gaat houden op de
pleeggezinnen en gezinshuizen? Dat is mijn vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hebben die discussie al weleens eerder gevoerd. Wat ik hier best wel
ingewikkeld aan vind, is de volgende afweging. Hoe zorg je er nou voor
dat het kind zo thuis mogelijk woont, dus dat ook een gezinshuis of een
pleeggezin een thuis is voor zo'n kind, zonder dat er elke maand of elke
twee weken iemand op de stoep staat die je niet kent en die komt vragen
hoe het met je gaat? Aan de andere kant: als het misgaat, kan het ook
goed misgaan. Daar moeten we volgens mij de balans in zoeken. Ook voor
gezinshuizen en pleegouders lijkt het me heel onwenselijk. In een gewoon
gezin staat ook niet elke week iemand op de stoep die vraagt en komt
kijken of een kind wordt mishandeld. Er is ook een reden waarom we dat
volgens mij niet willen met elkaar. Dat is de reden waarom we heel erg
hebben ingezet op vertrouwenspersonen. Dat kunnen vaste gezichten worden
voor kinderen. Als ze oud genoeg zijn, kunnen kinderen zelf die stap
zetten. Dan word je niet per se elke keer aan je mouw getrokken met de
vraag "gaat het wel goed thuis?", maar dan weet je wel waar je naartoe
kan gaan op het moment dat er iets aan de hand is. Dat is waarom we daar
flink op hebben ingezet. Andere vormen van toezicht zijn er al, maar
misschien niet zo veel als de heer Van Houwelingen zou willen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik begrijp ook wat mevrouw Westerveld zegt. Niemand zal er natuurlijk
voor pleiten dat dat elke week of elke maand plaatsvindt. Dat kan niet
eens. Maar toch gaat er heel veel mis. Dat zal mevrouw Westerveld met me
eens zijn. We kennen de incidenten. Ik vraag me trouwens af of het
incidenten zijn. Het zou toch georganiseerd moeten kunnen worden dat je
het losweekt van de gecertificeerde instellingen en dat iemand van
buiten — dat is dan de inspectie, lijkt me — gewoon even aanklopt,
aangekondigd of onaangekondigd, om zelf polshoogte te nemen, al is het
maar één keer per jaar? We weten allemaal wat er gebeurd is,
bijvoorbeeld bij de zorgboerderij. We kennen de incidenten. Is dat niet
het minste wat we kunnen doen? Als de Staat een kind uit huis plaatst,
dan moet de Staat er toch ook alles aan doen om dat kind vervolgens te
beschermen? Is dat niet het minste wat we zouden kunnen doen?
De voorzitter:
Volgens mij is uw vraag helder.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier hebben we het vorig jaar ook over gehad. Ik heb dus liever dat zo'n
taak bij een vertrouwenspersoon komt te liggen, om redenen die ik
destijds in dat debat heb genoemd en die ik nu opnieuw noem.
De voorzitter:
Helder. We gaan naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Van Meetelen
namens de PVV-fractie.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Na het enorm lange en vlammende betoog van mevrouw
Westerveld, zal dat van mij een andere insteek hebben. Ik zit ook wat
korter op dit dossier dan mevrouw Westerveld. Desalniettemin denk ik dat
iedereen zich dit eigen wil maken, want dit voel je allemaal.
Voorzitter. Dit is een wetgevingsoverleg over de VWS-begroting, maar
voor duizenden kinderen in Nederland is deze begroting geen beleidsstuk,
geen tabel en geen abstracte verdeling van middelen. Voor hen gaat het
over veiligheid of, beter gezegd, over het structurele gebrek daaraan.
Zij groeien op in onveilige situaties, die vaak allang bekend zijn bij
hulpverleners, instanties, jeugdzorgorganisaties en soms zelfs bij
meerdere partijen tegelijk. Toch wordt er te weinig effectief
ingegrepen.
Voorzitter. Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn geen incidenten
die ons verrassen. Het zijn processen die zich over maanden en jaren
uitstrekken, met signalen, meldingen, dossiers en betrokken
professionals. Juist daarom is het zo ernstig als het faalt, want als
signalen bekend zijn en kinderen toch onveilig blijven, dan hebben we
niet te maken met domme pech, maar met nalatigheid.
Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we eindeloos onderzoek gedaan. Er
liggen rapporten, evaluaties, voortgangsbrieven, analyses. Het blijft
maar doorgaan. Uiteindelijk is de analyse glashelder: we weten dat
geweld vaak langdurig is, dat signalen zelden ontbreken, dat vaak — niet
altijd, maar toch — meerdere instanties betrokken zijn en dat het toch
misgaat. De vraag is dus niet wat we nog meer moeten weten, maar wie er
eindverantwoordelijk is als het misgaat. Die vraag blijft telkens
onbeantwoord.
Voorzitter. Het NSOB-rapport legt dit toch wel pijnlijk bloot, niet
omdat professionals hun werk niet doen — laat ik duidelijk zijn: er
werken echt heel goede, hardwerkende mensen hierin — maar omdat het
stelsel gewoon geen heldere verantwoordelijkheidslijn kent.
Verantwoordelijkheden zijn te veel verspreid, taken zijn gedeeld en
aansprakelijkheid is verdund. Het gevolg is dan voorspelbaar. Als
iedereen een beetje verantwoordelijk is, is uiteindelijk niemand
verantwoordelijk. Dat is geen detail; dat is gewoon de kern van het
probleem.
Voorzitter. Dit zien we ook terug in de praktijk, in recente zaken van
ernstige kindermishandeling, onder meer binnen de pleegzorg. Kinderen
zijn langdurig mishandeld terwijl ze onder toezicht stonden, terwijl
instellingen betrokken waren, terwijl signalen bekend waren. En wat
gebeurt er daarna? Er volgen onderzoeken, er volgen rapporten en er
volgen verbeterplannen, maar wat niet volgt zijn echte consequenties. De
instellingen blijven bestaan, de bestuurders blijven zitten en het
systeem draait door alsof het falen een natuurverschijnsel was. Dat
kunnen we gewoon niet meer accepteren.
Voorzitter. In andere sectoren accepteren we dit niet. Als een
zorginstelling structureel faalt, volgen sancties. Als bestuurders
ernstig nalatig zijn, worden ze daarop aangesproken of weggestuurd en
als de veiligheid in het geding is, grijpt de overheid in. Maar in de
jeugdzorg, waar het gaat om de bescherming van kinderen — kinderen: echt
het allerbelangrijkste — lijkt falen zelden tot echte gevolgen te
leiden. Dat ondermijnt niet alleen het vertrouwen van ouders en
kinderen, maar ook de norm dat kinderbescherming geen vrijblijvende taak
is.
Voorzitter. Ik kijk naar artikel 5, over jeugd, van de VWS-begroting. We
zien ambities, we zien programma's en we zien middelen die via gemeenten
lopen. Wat we echter niet zien, is precies wat essentieel is, namelijk
wie eindverantwoordelijk is als een kind onveilig blijft ondanks dat de
signalen bekend zijn, hoe die verantwoordelijkheid afdwingbaar is en
welke gevolgen falen heeft voor instellingen en bestuurders. Zo blijft
deze begroting bestuurlijk leeg op het punt waar het om draait. Kan de
staatssecretaris van VWS vandaag expliciet aangeven wie zij politiek en
bestuurlijk verantwoordelijk acht als een kind ondanks bekende signalen
van onveiligheid niet wordt beschermd? Waarom is die verantwoordelijk nu
niet zichtbaar en toetsbaar vastgelegd in beleid en begroting?
Voorzitter. Kinderbescherming raakt onlosmakelijk aan Justitie en
Veiligheid. Dat is niet omdat alles strafrecht moet worden, maar omdat
bescherming zonder consequenties hol is. Als instellingen weten dat
falen zelden gevolgen heeft en als bestuurders weten dat ze nooit
persoonlijk worden aangesproken, dan verdwijnt de prikkel om structureel
beter te handelen. Dat is wat we nu zien gebeuren. Deelt de
staatssecretaris van Justitie en Veiligheid onze analyse dat het huidige
juridische kader onvoldoende mogelijkheden biedt om ernstig nalaten door
jeugdzorginstellingen en hun bestuurders effectief te sanctioneren? En
zo ja, waarom is dat tot op heden niet hersteld?
Voorzitter. De PVV stelt vandaag twee fundamentele vragen. Ten eerste.
Wie is eindverantwoordelijk als een kind ondanks bekende signalen
onveilig blijft, en dan niet procedureel of in algemene termen, maar
concreet toetsbaar en zichtbaar in beleid en in begroting en, waar
nodig, in wetgeving? Ten tweede. Welke mogelijkheden zijn er om falende
jeugdzorginstellingen en hun bestuurders daadwerkelijk aan te pakken?
Als die mogelijkheden er onvoldoende zijn, wanneer worden die dan
serieus ontwikkeld?
Zolang falen geen gevolgen heeft, zolang verantwoordelijkheid verdampt
in overlegstructuren en zolang bestuurders buiten schot blijven, blijft
elk verbeterplan een herhaling van zetten. De kinderen betalen daar de
prijs voor. De PVV vraagt aan beide staatssecretarissen hoe zij
rechtvaardigen dat jeugdzorginstellingen en hun bestuurders na ernstige
en aantoonbare tekortkomingen in de bescherming van kinderen in de
praktijk zelden bestuurlijk, juridisch of financieel worden
aangesproken.
Voorzitter. De Kamer heeft het budgetrecht niet om goede bedoelingen te
belonen, maar om duidelijke keuzes af te dwingen. De keuze die vandaag
voorligt, is deze: blijven we accepteren dat ernstige nalatigheid zonder
consequenties blijft, of durven we eindelijk vast te leggen wie
verantwoordelijk is en wie aangesproken wordt als het systeem faalt? De
PVV kiest voor het laatste.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Wendel en dan de heer Van Houwelingen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank aan mevrouw Van Meetelen voor haar verhaal. Het is mij helder
geworden dat de PVV bestuurders wil aanpakken na incidenten. Maar wat ik
via de voorzitter aan mevrouw Van Meetelen wil vragen, is: wat wil de
PVV op korte en op lange termijn doen om de problemen in de jeugdzorg op
te lossen? Kan ik mevrouw Van Meetelen aan mijn zijde vinden als wij,
hopelijk zo snel mogelijk, de reikwijdtewet willen invoeren, om ervoor
te zorgen dat jeugdzorg beschikbaar is juist voor de kinderen die deze
het allerhardst nodig hebben?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u voor de vraag. Je hoort constant over ambities en instrumenten,
over van alles en nog wat, maar er zijn gewoon geen expliciete
uitkomstdoelen gesteld voor de veiligheid van het kind. De middelen zijn
onvoldoende gekoppeld aan afdwingbare verantwoordelijkheden. Dat is wat
we willen. Dat is waar we naartoe willen. Wat die Wet reikwijdte
betreft: daar moet ik gewoon nog beter naar kijken. Daar ben ik heel
eerlijk in. Ik durf nu geen ja of nee te zeggen. Maar de PVV is in ieder
geval wel van zins om het zo goed mogelijk te verbeteren, vooral voor de
veiligheid van de kinderen, want ik denk dat dat voorop moet staan in
deze hele discussie.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil mevrouw Van Meetelen vragen om zich dan zo snel mogelijk goed in
te lezen over die reikwijdtewet, want volgens mij is dit een heel
belangrijk onderdeel om de problemen in de jeugdzorg aan te pakken. Ik
heb het idee dat de staatssecretaris die er nu zit de afgelopen tijd wel
degelijk stappen heeft gezet en ook met een concreet tijdpad is gekomen
voor de invoering van een aantal maatregelen. Dus ik wil mevrouw Van
Meetelen vragen hoe zij daarnaar kijkt. Zal zij dit steunen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Zoals zojuist gezegd: over die reikwijdtewet zeg ik nog niets. Ik zie
ook dat de staatssecretaris stappen heeft ondernomen, ook goede, denk
ik. Desalniettemin willen wij gewoon dat er consequenties aan worden
verbonden als het systeem faalt, vooral ten aanzien van de bestuurders.
Hoe kan het dat er zulke ernstige misstanden zijn en dat daar niemand
verantwoordelijk voor is? In ieder geval is het niet duidelijk. Die
verantwoordelijkheid willen wij echt verankeren, zodat je erop kunt
toetsen en erop terug kunt komen. Dat is wat wij willen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Tot slot. Het is helder dat de PVV wil kijken naar wie verantwoordelijk
is voor misstanden. Wie is er verantwoordelijk als het fout gaat? Ik
begrijp die zoektocht ook heel erg, maar ik zou de PVV toch echt op het
hart willen drukken om samen met ons en andere partijen hier in de Kamer
de komende tijd op te trekken en vooruit te kijken: hoe zorgen we ervoor
dat zaken niet meer gebeuren? Laten we dus niet alleen terugkijken,
veroordelen en kijken waar de schuld ligt, maar laten we echt
vooruitkijken: welke stappen kunnen we zetten om ervoor te zorgen dat de
jeugdzorgketen in zijn geheel wordt verbeterd? De vraag aan de PVV is
dus: gaan we dat samen doen de komende tijd?
De voorzitter:
Eigenlijk een herhaling van uw vorige vraag: kan de PVV deze richting
steunen? Dat is de vraag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dan herhaal ik het antwoord, namelijk dat ik daar geen antwoord op geef.
Daarbij kan ik het volgende zeggen. Ik wilde ervan wegblijven, maar we
gaan er dan toch naartoe: gezien het regeerakkoord dat er nu ligt, denk
ik niet dat we elkaar heel snel gaan vinden.
De voorzitter:
Duidelijk. Meneer Van Houwelingen, uw laatste interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Ik ben het helemaal eens met mevrouw Van Meetelen. Hoe kan
het toch dat iedereen na al die gruwelijke incidenten op zijn post
blijft zitten? Het is echt ongelofelijk. Ik denk zelf — maar dat horen
we straks van de staatssecretaris — dat de eindverantwoordelijkheid ligt
bij de inspectie, want die moet toezicht houden. Dit is eigenlijk mijn
vraag aan mevrouw Van Meetelen. Ik denk bijvoorbeeld aan het geval van
het Vlaardingse meisje, een gruwelijk incident. Als zoiets plaatsvindt,
zou het dan niet zo moeten zijn dat de directeur van de inspectie
standaard ontslagen wordt? Misschien kunnen we dat regelen. Dat zal ze
misschien motiveren om uit zichzelf … De staatssecretaris zal straks wel
zeggen dat ze zich niet met de inspectie wil bemoeien, maar dan gaan ze
misschien uit zichzelf zeggen dat ze wat meer toezicht moeten gaan
houden. Is dat een idee?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is zeker een idee. De PVV is er sterk voor dat je, als je
aantoonbaar fouten maakt en er verantwoordelijk voor bent, die
verantwoordelijkheid moet nemen. Als je die niet neemt, moet het
opgelegd worden. Zo simpel is het.
De voorzitter:
Duidelijk. Dan eerst de heer Hamstra. Nee? Ik dacht dat ik uw hand had
gezien. Dan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat als er misstanden
zijn, je die moet aanpakken en dat daar consequenties aan verbonden
moeten worden. Eén hele concrete vraag: vind ik de PVV ook aan onze
zijde als wij het amendement indienen om te achterhalen welke mensen met
nepdiploma's op dit moment in de jeugdzorg aan de slag zijn?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
In principe geef ik eigenlijk nooit aan of wij een amendement wel of
niet steunen. U heeft mijn schriftelijke vragen hierover misschien ook
gezien. Laat ik het zo zeggen: ik heb in ieder geval een hele positieve
grondhouding ten opzichte van dit amendement.
De voorzitter:
Anderen nog? Nee? Dan dank ik mevrouw Van Meetelen voor haar inbreng en
dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is de heer Hamstra namens het
CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Sinds anderhalf jaar ben ik vader. Geen rol in het leven
maakt mij trotser dan die. Het Kamerlidmaatschap is mooi, maar aan het
vaderschap kan echt niets tippen. Ik weet het nog goed: de blijdschap
toen mijn vrouw zwanger bleek te zijn, de eerste echo met het hartje dat
klopt en de twintigwekenecho die liet zien dat gelukkig alles goed was.
En, toen hij er eenmaal was: het eerste lachje, de eerste woordjes en de
eerste stapjes.
Maar om eerlijk te zijn, was het niet alleen maar mooi. Het is niet
alleen maar een roze wolk geweest. Er waren ook zorgen, zeker als je
voor de eerste keer ouder wordt. Die nieuwe rol is wennen, en misschien
went het wel nooit. Opvoeden en opgroeien brengt uitdagingen met zich
mee. Niet alleen voor het kind zelf, maar ook voor de opvoeders en
eigenlijk voor de hele omgeving daaromheen. Ik denk dat iedereen hier
aan tafel het inmiddels kan dromen: "It takes a village to raise a
child". Hoe fijn is het als je in je omgeving liefdevolle opa's en
oma's, ooms en tantes, andere familieleden, vrienden en buren hebt die
kunnen helpen, bijvoorbeeld met advies of met oppassen? Alleen al het
idee dat je er niet alleen voor staat, kan al helpen. En dát is nou
juist de kracht van de samenleving waar het CDA zo in gelooft, of in dit
geval: de pedagogische civil society.
Voorzitter. Die pedagogische civil society gaat feitelijk over iedereen
die betrokken is bij het opvoeden en opgroeien van onze kinderen.
Natuurlijk zijn ouders of opvoeders primair verantwoordelijk; ik kan het
niet vaak genoeg zeggen. Zij zijn verantwoordelijk voor het opvoeden in
een veilige omgeving, voor het bijbrengen van waarden en normen en voor
het overdragen van vaardigheden. Hierin zijn liefde, veiligheid, grenzen
stellen en het stimuleren van emotionele, sociale en persoonlijke groei
van belang. Naaste familie kan een belangrijke rol spelen, net als de
buurt waarin het kind opgroeit. Verder hebben we het over scholen,
kinderopvangorganisaties, sportverenigingen, culturele organisaties en
kerken. Het CDA vindt het belangrijk dat deze pedagogische civil
society, dus eigenlijk het gewone leven, wordt versterkt. Daar begint
het. Dat is de basis.
In hoe deze omgeving van het kind eruitziet, spelen gemeenten een
belangrijke rol. Ik begrijp dat niet iedereen een netwerk heeft waarop
hij of zij kan terugvallen. Daarbij kunnen gemeenten helpen en
ondersteunen. Zij kunnen netwerken bouwen met en voor ouders. Leer
elkaar kennen via sport, in de wijk of help in de schooltuin. Onze
partij vindt dat gemeenten de vrijheid moeten hebben om deze
pedagogische civil society mede vorm te geven. Deelt de staatssecretaris
dit? Kan zij dit proces ondersteunen?
Wij lezen bijvoorbeeld in de voortgangsbrief dat er een vastgesteld
minimumniveau van pedagogische basisvoorzieningen nodig is. Kan de
staatssecretaris vertellen wat zij hiermee bedoelt? Hoe ziet zo'n
minimumniveau er dan precies uit?
Voorzitter. Teleurstellingen horen bij het leven, en dus ook bij
opvoeden en opgroeien. Natuurlijk is dat niet leuk, maar dat betekent
niet meteen dat er jeugdhulp, laat staan jeugdzorg, aan te pas hoeft te
komen. Dat brengt mij op de visie van het CDA dat jeugdzorg niet het
eerste maar het laatste redmiddel is. Althans, dat zou zo moeten zijn.
Dat is helaas nog niet zo. De jeugdzorg kent een openeinderegeling. Waar
het begin van deze eeuw nog 1 op de 27 kinderen gebruikmaakte van
jeugdzorg, is dat nu 1 op de 7 kinderen, in elke klas 4 kinderen.
Voorzitter. Het CDA is van mening dat niet een op de zeven kinderen in
Nederland een probleem heeft. De bandbreedte van wat wij problematisch
vinden, is breder dan de op dit moment gehanteerde normen. De
samenleving is pluriform, veelzijdig en veelkleurig. Als we dat omarmen,
komen we tot het besef dat niet ieder kind dat afwijkt van de te smal
gehanteerde norm een probleem heeft. Hoe kijkt de staatssecretaris aan
tegen het aantal van een op de zeven en het realisme van een op de tien,
waar ze eind 2028 naartoe wil? Op dit moment is het nog zo dat kinderen
met een lichte zorgvraag kunnen aankloppen bij de gemeente, bijvoorbeeld
bij eenzaamheidsklachten of faalangst; kinderen die beweeglijk zijn,
krijgen al snel de stempel van ADHD. Ik vraag aan de staatssecretaris of
zij vindt dat dit de bedoeling was van de Jeugdwet die in 2015 van
kracht is geworden.
Naast het feit dat gemeenschappen veel zelf kunnen, is ondersteuning
veel, of eigenlijk vooral, gericht op de kinderen of de jongeren zelf.
Maar in veel gevallen wordt het kind geconfronteerd met de gevolgen van
problemen van volwassenen en/of problemen elders, zoals
vechtscheidingen, langdurige armoede of schulden. Zoals ik eerder
aangaf, groeit het kind op in zijn omgeving en is het dus belangrijk om
het gezin, de ouders of opvoeders, te ondersteunen of hulp te bieden en
niet alleen het kind. Daar is ruimte en lef voor nodig. Dat brengt mij
bij de reikwijdte van de jeugdzorg.
Voorzitter. De reikwijdte is misschien wel het belangrijkste punt van
mijn betoog. Op dit moment heeft de gemeente die verantwoordelijk is
voor de uitvoering van de Jeugdwet de zorgplicht. We weten dat de
staatssecretaris eind van dit jaar komt met een nieuwe wet voor de
reikwijdte. We lezen in de voortgangsbrief, waarvoor dank, over de
contouren van de nieuwe wet. Het gaat bijvoorbeeld over het versterken
en het verankeren van de lokale teams en over de samenwerking tussen
onderwijs, jeugdhulp en zorg. Onze vragen aan de staatssecretaris luiden
als volgt. Vindt u het voldoende om eind 2028 naar een op de tien te
gaan? Hoe monitoren we dit? Welke scenario's heeft de staatssecretaris
klaarliggen voor wanneer we achterlopen op schema? Daarnaast is onze
fractie benieuwd of er daadwerkelijk iets gedaan gaat worden aan de
reikwijdte zelf. Kan de staatssecretaris aangeven of er straks
bijvoorbeeld groepen zijn die niet meer onder de Jeugdwet vallen? We
zijn benieuwd naar het inzicht van de staatssecretaris.
Voorzitter. Een van de conclusies in het rapport van de commissie-van
Ark is dat geld nu nog als het grootste probleem en het sturend
mechanisme wordt gezien, maar dat de beschikbaarheid aan gekwalificeerde
jeugdprofessionals een veel groter vraagstuk zal zijn. De commissie
stelde dat de consequenties van de toenemende krapte op de arbeidsmarkt
nadrukkelijker meegewogen moeten worden in de keuzes die voor een solide
toekomst van de jeugdzorg worden gemaakt. Deelt de staatssecretaris dit
punt? Wordt de beschikbaarheid van personeel meegenomen bij de verdere
uitwerking van de Wet reikwijdte? Het CDA wil dat juist de kinderen die
de jeugdzorg het hardste nodig hebben, de jeugdhulp krijgen. Daar heb ik
meerdere collega's over gehoord. We moeten keuzes durven maken, juist
omdat we meer samenredzaam moeten zijn en omdat problemen die kinderen
en jongeren raken niet altijd binnen de jeugdzorg hoeven of kunnen
worden opgelost.
Voorzitter. Ik had het al over de kracht van de samenleving. Een mooi
voorbeeld hiervan is de pleegzorg. Pleegouders stellen hun huis en hart
open voor een kind bij wie het thuis niet lukt, soms voor een korte
periode en soms voor wat langer. Dat vraagt soms veel van het gezin. De
ondersteuning van pleeggezinnen is enorm belangrijk om ervoor te zorgen
dat zij hun onmisbare taak vol kunnen houden. De afgelopen maanden is er
veel aandacht geweest voor pleegouders waarmee het niet goed ging en
waarbij het toezicht niet op orde was. Maar het gaat bij veel
pleegouders en pleeggezinnen goed; dat mogen we niet vergeten. Het CDA
draagt deze pleeggezinnen een warm hart toe. Toch zien we dat het aantal
pleegouders afneemt, terwijl er nog 900 kinderen op de wachtlijst staan.
Zij wachten op een warm plekje in een gezin. Daar wil het CDA iets aan
doen. We weten dat er een campagne loopt voor het werven van nieuwe
pleegouders en dat die aan het eind van het jaar afloopt. Daarom vraagt
het CDA om een aanpak waarmee er meer aandacht is voor het behoud van de
pleeggezinnen die er nu zijn. Denkrichtingen die mijn partij graag mee
wil geven in het kader van het behoud zijn goede ondersteuning aan
bijvoorbeeld netwerkpleeggezinnen en goede aansluiting bij hulp en
ondersteuning. Ik zal hier in de tweede termijn een motie over
indienen.
Voorzitter. Daar wil ik het graag bij laten in de eerste termijn. Dank u
wel.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Westerveld en dan mevrouw Dobbe.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hoorden een warm pleidooi voor gezinnen. Daar ben ik het mee eens, en
ik denk dat dat voor iedereen hier geldt. Maar er zijn natuurlijk ook
jongeren die niet opgroeien in een stabiel gezin of helemaal niet in een
gezin, of van wie een of meerdere ouders zijn overleden. Als ik de
plannen zie waar ook het CDA een handtekening onder heeft gezet, ben ik
wel bang dat dit juist weer de gezinnen gaat treffen die het al moeilijk
hebben. Mijn vraag is: welke concrete maatregelen komen er in de komende
tijd om juist deze gezinnen te ontlasten?
De heer Hamstra (CDA):
Dank aan de collega voor de vraag. Morgen gaat verder gedebatteerd
worden over de plannen. In die plannen ziet u ook dat wij voor de
jeugdzorg, verder kijken dan alleen maar naar het domein jeugdzorg waar
we het vandaag over hebben. Het gaat ook om het ondersteunen van
gezinnen, onder andere door de investeringen die we doen in het NPLV, en
om de aanpak van armoede en schulden, dus geld vrijmaken voor een
gemeenschapsfonds voor de pedagogische civil society, die niet alleen in
mijn inbreng staat maar ook in het coalitieakkoord. Zo ziet het CDA dat.
Het gaat dus inderdaad niet alleen maar om selecte gezinnen maar ook om
de hele omgeving daaromheen.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook dat vindt iedereen. Ook dat is niet nieuw en wordt al heel lang
gezegd. Hugo de Jonge, die ik in mijn eigen bijdrage al noemde en nota
bene CDA-bewindspersoon was, wilde dit allemaal ook al. Dat zijn dus
allemaal geen nieuwe dingen, terwijl de problemen wel vele malen groter
zijn geworden. Misschien kan ik het concretiseren. Als er bijvoorbeeld
een eigen bijdrage wordt ingevoerd voor jeugdhulp, dan zijn het toch ook
weer de gezinnen waar het al moeilijker gaat voor wie dit helemaal geen
oplossing is? Hoe ziet het CDA dat?
De heer Hamstra (CDA):
Twee punten. Het eerste: ik denk dat u daar gelijk in heeft; ik heb die
vraag zelf ook gesteld. Ik ben hiervoor wethouder geweest. Ik ben niet
van de school dat nieuw altijd beter is. Het hoeven ook niet per se
nieuwe plannen te zijn. We delen volgens mij de constatering dat de
plannen die nu in de pijplijn zitten en naar deze Kamer komen, misschien
niet verreikend genoeg zijn — daarom heb ik ook die vraag gesteld in het
kader van de reikwijdte — en nog onvoldoende uit de verf komen. Ik
geloof dus wel dat we daar misschien wel Kamerbreed actie op moeten
ondernemen. In het kader van de eigen bijdrage ben ik maar gewoon heel
eerlijk: als ik daarnaar kijk, dan doet die mij als voormalig wethouder
Sociaal domein ook pijn. Ik ken ook de gezinnen die dit gaat raken. Dat
is een van de redenen waarom we gezegd hebben: we willen de meest
kwetsbaren ontzien en daarom ook misschien investeren in armoede en
schulden. Het staat nu in het basispad, dus laten we het er ook zo in
staan. Daar heeft het CDA zijn handtekening onder gezet. Daar heeft u
gelijk in. Het doet wel pijn. Daar ben ik ook heel eerlijk in.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Dobbe. U heeft nog twee interrupties.
Mevrouw Dobbe (SP):
Als ingrijpende maatregelen pijn doen, zoals de eigen bijdrage, waarvan
we ook van alle kanten horen dat die een negatief effect zal hebben op
de zorg, op gezinnen, op kinderen, op jeugdzorgmedewerkers, op iedereen
die daadwerkelijk bezig is met jeugdzorg, dan zou mijn oproep zijn: doe
het dan niet. We hebben eerder samen met het CDA een motie ingediend om
de gevolgen in kaart te laten brengen van de bezuinigingen op de
jeugdzorg die nog staan. Dat hebben we gedaan, samen met het CDA, omdat
we de adviezen van bijvoorbeeld de commissie-Van Ark zagen, die zei dat
dit een zwaard van Damocles boven de jeugdzorg is. Dan wil je dus weten
wat de gevolgen daarvan zijn. Wij weten dat dit dit jaar gevolgen gaat
hebben omdat de hervormingen niet zijn doorgevoerd maar de bezuinigingen
er wel nog staan. We weten dat het gevolgen gaat hebben voor mensen die
in de jeugdzorg werken, voor de kinderen, voor de gezinnen. Is het CDA
nu van gedachten veranderd of heeft het andere informatie dan wij,
waardoor het de gevolgen hiervan anders beoordeelt? Zo niet, waarom zet
het CDA dit dan alsnog door?
De heer Hamstra (CDA):
Ik heb geen andere informatie dan u heeft. In die zin kan ik u daarin
hopelijk geruststellen. Ik sluit me een beetje aan bij wat collega
Synhaeve hierover zei. We zien met z'n allen hervormingen voor ons, die
gepaard zijn gegaan met een bepaalde financiële consequentie. Dat die
hervormingen niet voldoende effect gesorteerd hebben, betekent niet dat
je daarom elke keer maar moet zeggen: dan plussen we op. Dat zeg ik ook
vanuit mijn voormalige professie. We zagen dat het Rijk gemeenten
gecompenseerd heeft in de afgelopen jaren, maar gemeenten, die
verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de jeugdzorg, moeten zelf
ook bepaalde stappen zetten, bijvoorbeeld in het investeren in die
pedagogische civil society en in het versterken van die lokale teams.
Het niveau van onder andere die sociale basis, of pedagogische civil
society, verschilt per gemeente. We zien ook dat het niveau van de wijk-
en buurtteams verschilt en dat je daar echt nog stappen te zetten hebt.
Dan heb ik het nog niet eens over die Wet reikwijdte. Ik ben ervan
overtuigd dat de financiële consequenties dan wél ingeboekt kunnen
worden. Alleen, we zien nu nog dat het te weinig effect sorteert. Dus
ja, ik denk dat dat beter zou kunnen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
We zijn het er hier allemaal over eens dat er stappen gezet kunnen
worden, omdat we ook allemaal de debatten hebben gevoerd en weten dat
dit stelsel, het jeugdzorgstelsel, kapot is. We moeten dat dus
hervormen. Dat klopt helemaal. Daar kunnen we over van mening
verschillen. Wij vinden bijvoorbeeld dat de markt eruit gehaald moet
worden en dat dat een heel belangrijke stap is. Daar kun je over van
mening verschillen, maar we zijn het er allemaal over eens dat er
hervormingen moeten komen. Maar volgens mij is het ook een feit dat die
hervormingen er dit jaar nog niet zullen komen. Ook de commissie-Van Ark
heeft gezegd: boek dat nou niet te vroeg in en ga pas het geld weghalen
als je weet dat die besparingen daadwerkelijk worden gehaald. Dat
gebeurt nu niet. Daarom is mijn vraag waarom het CDA denkt dat dit niet
terecht gaat komen bij de kinderen, de gezinnen en de
jeugdzorgmedewerkers. We weten namelijk dat dat wel gebeurt, omdat de
half miljard euro die nu uit de zorg wordt getrokken, op geen andere
manier kan worden gehaald.
De heer Hamstra (CDA):
Ik snap de vraag die mevrouw Dobbe stelt. Ik heb die meermaals gehoord.
De collega van de VVD en de collega van D66 kregen dezelfde vraag. Ik
moet hetzelfde antwoord geven als ik net gaf. Dat het nog geen effect
gesorteerd heeft, betekent niet dat dat niet zou moeten. Ik ben bang dat
je als je elke keer bij blijft plussen, over acht jaar nog hetzelfde
debat voert, om met de woorden van mevrouw Westerveld te spreken. Het is
best interessant dat deze Kamer deze discussie klaarblijkelijk al acht
jaar lang voert en dat dat al acht jaar lang geen effect sorteert. Maar
goed, ik kan daar allemaal kwalificaties aan geven, maar dat is best wel
shocking.
De voorzitter:
Oké. We komen bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Coenradie. Aan u
het woord.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Vandaag spreken wij over de staat van onze jeugd, over
kinderen, maar ook over moeders en vaders. We spreken over het
beschermen van hen die thuis te kampen hebben met moeilijke situaties:
kindermishandeling, huiselijk geweld en in het ergste geval moord. Dat
wordt vaak voorafgegaan door structurele, voorspelbare patronen van
geweld, met signalen, meldingen en dikke dossiers. De kern van het
probleem is niet een gebrek aan betrokken professionals, maar een gebrek
aan regie. In dossiers die later ontsporen, zien we steeds hetzelfde
patroon: meerdere instanties zijn betrokken, maar niemand is
eindverantwoordelijk. Iedereen ziet een deel van het probleem, maar
niemand heeft de doorzettingsmacht om te zeggen: nu grijpen we in. Dit
is een systeemfout, veroorzaakt door versnippering, onduidelijke
mandaten en te veel schotten tussen zorg, veiligheid en justitie. Daarom
is mijn eerste vraag aan het kabinet hoe het kabinet aankijkt tegen het
werken met één gezamenlijk systeem of tegen het schrappen van onnodige
privacybelemmeringen, zodat informatie sneller en effectiever kan worden
gedeeld wanneer de veiligheid in het geding is.
Voorzitter. Huiselijk geweld escaleert zelden plotseling. Het volgt
herkenbare fases. De risicofactoren zijn bekend, maar worden onvoldoende
gebundeld en opgevolgd. Dat leidt tot te late interventies. Daarom vraag
ik het kabinet: waarom bestaat er nog steeds geen landelijk verplicht
risicotaxatiekader bij herhaalde meldingen van huiselijke geweld en
kindermishandeling? Is het kabinet bereid om bij aantoonbaar hoog risico
sneller en dwingender interventies mogelijk te maken? Hoe wordt hieraan
concreet vorm gegeven?
Vandaag de dag hangt de kwaliteit van bescherming te veel af van de
gemeente waarin je woont. De ene gemeente heeft expertise, capaciteit en
korte lijnen; de andere worstelt met tekorten en versnippering. Dat
betekent dat veiligheid berust op toeval. Op andere veiligheidsdomeinen
accepteren we dat niet, vandaar mijn vragen. Hoe gaat het kabinet zorgen
voor meer regie en uniformiteit bij gemeenten? Welke landelijke
minimumvereisten gelden momenteel voor gemeenten bij de aanpak van
huiselijk geweld? Zijn die toereikend?
Voorzitter. We weten niet alleen wat niet werkt, we weten ook wat wel
werkt. De Filomena-aanpak laat zien dat samenwerking, snelle
informatie-uitwisseling en het hebben van één regisseur en
doorzettingsmacht daadwerkelijk levens kan redden. Dat is ontzettend
waardevol. De Filomena-aanpak verdient het om landelijk te worden
uitgerold. Wat mij betreft maken wij daar bij deze VWS-begroting of op
een ander moment zo snel mogelijk werk van. Ik heb hierover de volgende
vragen. Welke resultaten ziet het kabinet op plekken die met Filomena
werken en welke lessen zijn daaruit getrokken? Waarom is Filomena nog
steeds afhankelijk van lokale initiatieven? Is de minister bereid
Filomena landelijk uit te rollen, met een structurele financiering en
een uniforme werkwijze?
Voorzitter. De grootste systeemfout is misschien wel deze. Bij huiselijk
geweld moeten slachtoffers vaak verdwijnen: verhuizen of onderduiken.
Dat is de wereld op zijn kop. De veiligheid van slachtoffers en kinderen
moet altijd vooropstaan. Wat JA21 betreft verleggen we de focus naar de
dader. Daarom vraag ik het kabinet: deelt men de analyse dat het systeem
nu te vaak de last bij het slachtoffer legt? Is men bereid pilots of een
landelijke verkenning naar afkoelhuizen voor daders, gekoppeld aan
verplichte therapie en toezicht, te starten? Welke juridische
uitvoerings- of financiële knelpunten ziet het kabinet en welke
oplossingen zijn er denkbaar?
Bescherming achter de voordeur kan niet los worden gezien van de staat
van de jeugdzorg. Daar moeten we eerlijk over zijn: die kraakt in de
kern. Wachtlijsten lopen op, professionals haken af en hulp komt te
laat. Dat vergroot problemen en leidt uiteindelijk tot zwaardere
ingrepen. Daarom is mijn vraag: hoe groot is de uitstroom van
jeugdzorgprofessionals en wat doet het kabinet om die trend te keren?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om administratieve lasten
te verlagen en professionals weer ruimte te geven om hun werk te
doen?
Voorzitter. Hiermee zijn we er echter niet. In het debat over jeugdzorg
kijken we vrijwel uitsluitend naar de overheid: wat moet de overheid
beter doen? Die vraag is terecht maar onvolledig. We zien namelijk ook
ouders die structureel weigeren verantwoordelijkheid te nemen voor de
opvoeding van hun kinderen. We zien ook jongeren die zich niets
aantrekken van gezag, regels of grenzen, thuis niet, op school niet en
op straat niet. Als opvoeding volledig faalt, kan de overheid niet
blijven wegkijken; dan is ingrijpen geen straf maar noodzaak. Wat JA21
betreft mag daar ook meer stevigheid in komen. Praten is niet altijd de
remedie. Soms is duidelijk gezag nodig. Daarom wil ik van het kabinet
weten of het kabinet de analyse deelt dat opvoedingsverwaarlozing en
structureel probleemgedrag onvoldoende worden benoemd als oorzaak van
ontsporing. Is het kabinet bereid te onderzoeken welke zwaardere,
dwingende vormen van heropvoeding mogelijk zijn voor jongeren die
structureel onhandelbaar zijn en elk gezag afwijzen, bijvoorbeeld in de
vorm van intensieve heropvoedingsprogramma's zoals gesloten jeugdzorg of
tuchtscholen? Is het kabinet bereid ouders die structureel falen in hun
opvoedende taak, nadrukkelijker aan te spreken en waar nodig te
confronteren met consequenties?
De staatssecretaris schetst een ambitieus en ingrijpend hervormingsplan
dat moet leiden tot minder instroom in de jeugdzorg en uiteindelijk ook
tot minder uithuisplaatsingen. Over dat realisme kunnen echter wel
vragen worden gesteld. In hoeverre beschikt de staatssecretaris over een
concreet tijdpad en waarop is dat gebaseerd? Wat zeggen professionals en
organisaties in het jeugdzorgveld over de haalbaarheid van deze plannen
gezien de huidige personeelstekorten en wachtlijsten? Hoe wil de
staatssecretaris dit verandertraject begeleiden? Welke mogelijk
pijnlijke keuzes zijn er volgens de staatssecretaris nodig bij het
schrappen van hulpvormen of het herverdelen van middelen? Is de
staatssecretaris het met ons eens dat er meer landelijke regie nodig is,
in plaats van de versnippering die wij nu zien op lokaal niveau?
Voorzitter. Tot slot, wie spreekt over de staat van onze jeugd, kan niet
wegkijken van een harde realiteit. Het aantal zelfmoorden en pogingen
tot zelfmoord onder jongeren en jongvolwassenen stijgt. De
suïcidepreventiehulplijn 113 luidt hierover nadrukkelijk de noodklok.
Signalering is er vaak vroeg: bij school, huisarts, jeugdzorg en
wijkteams. Maar te vaak blijft opvolging uit. Daarom heb ik de volgende
vraag aan het kabinet. Is het kabinet bereid suïcidepreventie steviger
te verankeren in de jeugdzorgketen, en zo ja, hoe? Herkent het kabinet
het model van universele, selectieve en geïndiceerde preventie, en sluit
het huidige beleid hierop aan? Wie is eindverantwoordelijk voor
samenhang en doorzettingssmacht binnen het zorgnetwerk?
Dank. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de fractie van JA21 voor de inbreng. Ik zie een
interruptie van het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Dank, mevrouw Coenradie voor uw betoog. U heeft het nadrukkelijk over de
vraag of, wanneer de opvoeding faalt, meer stevigheid gepast is in het
kader van heropvoeding, en of de overheid daar dan een rol in zou moeten
spelen. Heeft u vanuit uw analyse het idee dat dat voldoende bij gaat
dragen om uiteindelijk te komen tot bijvoorbeeld de één op de tien waar
de staatssecretaris het in het kader van instroom in de jeugdzorg over
heeft? Als het antwoord daarop nee is, heeft u dan zelf ideeën over wat
we eraan kunnen doen om die instroom toch naar beneden te krijgen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben an sich wel enthousiast over het plan dat er nu ligt. Ik denk
namelijk dat je maar aan twee knoppen kunt draaien als je het hebt over
het op orde krijgen van alle problemen in het hele stelsel, in ieder
geval in de hele jeugdzorg. Ik ben er dus positief over als we het
aantal uithuisplaatsingen weten terug te draaien. Tegelijkertijd merk ik
in heel veel discussies dat we vaak kijken naar de overheid. Maar wat
mij betreft — dat raakt volgens mij wel een beetje het eerste punt dat u
benoemt — gaat het om het gedrag van kinderen, waarbij ook ouders en de
opvoeding een belangrijke rol spelen. Ik vind ook dat we goed moeten
bekijken wat we daarmee doen. Los van het kijken naar de overheid: hoe
gaan we om met deze kinderen, die maling hebben aan gezag, politie en
opvoeding, en tegelijkertijd met ouders die steeds meer hun grip
verliezen en geen idee meer hebben van hoe of wat? Is uithuisplaatsing
daarvoor een oplossing? Nee. Ik geloof er heel erg in dat we
uithuisplaatsingen kunnen terugdraaien door naast het gezin te gaan
staan. Enkel praten zie ik echter niet als een remedie. Ik denk dat we
veel meer moeten doen. Dat zou kunnen in de vorm van wat ik
"tuchtscholen" noem, maar geef ze misschien een andere naam, vanwege de
waarde die daar in het verleden weleens aan gegeven is. Ik denk dat we
meer kunnen doen dan we nu doen.
De heer Hamstra (CDA):
Dat denk ik ook; dat laatste deel ik zeker met u. Ik heb een korte
vervolgvraag met betrekking tot het gedrag van de jongeren en het denken
aan heropvoeding. Kunnen we u ook aan onze zijde vinden wanneer het
bijvoorbeeld gaat om het stutten en ondersteunen van de gezinnen en het
versterken van de omgeving, ook in het kader van bestaanszekerheid?
Vindt u dat dat ook een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van het
gedrag van de jongeren en dat de gezinnen daardoor beter kunnen
opvoeden?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet met mijn achtergrond in Rotterdam-Zuid dat heel veel zaken een
kwestie zijn van multiproblematiek, dat het zo ontiegelijk complex is en
dat we aan meerdere knoppen moeten draaien om uiteindelijk de jeugd van
nu weer een goede toekomst te geven. Ik denk dat je als overheid om onze
jeugd moet gaan staan. Daar moeten we vooral naar kijken. Tegelijkertijd
moeten we kijken waar de verantwoordelijkheid ligt bij de jeugd en
opvoeders zelf en hoe we hen nog veel meer kunnen ondersteunen en
begeleiden in die zelfredzaamheid die we als overheid toch ook steeds
vragen. Opvoeding ligt namelijk niet bij de overheid, maar bij ouders
zelf. Wij vinden denk ik hetzelfde hiervan.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoorde JA21 net zeggen dat de gesloten jeugdzorg een
heropvoedingsprogramma is. Ik denk zelf dat daar toch echt kinderen
zitten met hele complexe problemen. Dat kunnen gedragsproblemen zijn of
het kan gaan om kinderen die ernstig getraumatiseerd zijn of thuis
problemen hebben. Ik vraag dus aan JA21: bent u het met mij eens dat de
term "heropvoedingsprogramma" ongepast is als het gaat om kinderen met
intensieve zorgvragen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan zouden we het stenogram van dit debat moeten teruglezen, want ik
denk dat ik niet heb gezegd dat jeugdzorg wat mij betreft hetzelfde is
als heropvoeding. Daarmee zou ik namelijk én te kort door de bocht
vliegen én totaal geen recht doen aan jeugdzorg en waarvoor kinderen in
de jeugdzorg zitten. Laat ik dat vooropstellen. Ik heb het specifiek
over de situatie waarin kinderen thuis een stuk opvoeding missen en
daardoor het verkeerde pad op gaan. Ik denk dat het dan raadzaam is om
ook te kijken waar er plek is om deze kinderen te heropvoeden als blijkt
dat het niet mogelijk is om naast het gezin te staan of dit zelfstandig
door het gezin te laten oppakken.
De voorzitter:
Duidelijk, dank u wel. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde
van de Kamer. Toch? Ik check het even. Ja. Dat is de heer Van
Houwelingen namens Forum voor Democratie. Uw tijd gaat in.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. De afgelopen jaren ben ik regelmatig benaderd door
leden, bijvoorbeeld bij partijbijeenkomsten, maar zelfs op straat door
ouders die zich zorgen maken over de jeugdzorg, en dan specifiek over
gedwongen uithuisplaatsing, dus tegen de zin van de ouders in. Wat ons
betreft is gedwongen uithuisplaatsing echt het laatste redmiddel. Daar
is iedereen hier in de Kamer het over eens, omdat een uithuisplaatsing
natuurlijk betekent dat het kind sowieso schade oploopt. Het wordt uit
zijn natuurlijke omgeving gerukt, verliest misschien contact met
broertjes en zusjes, en moet naar een andere school. Daar maken we ons
heel veel zorgen over. Toch gebeurt het ook als er geen sprake is van
bijvoorbeeld mishandeling, maar als er sprake is van ouders die niet de
optimale zorg kunnen verlenen. Ik heb een aantal leden gesproken die dat
hebben meegemaakt. Ik wil twee citaten oplezen uit een brief die een van
die leden ons gestuurd heeft. Toen was ze al volwassen. In die brief
blikt ze terug op haar ervaringen met een uithuisplaatsing. Dit verhaal
is symptomatisch voor iets wat ik veel vaker gehoord heb. Ik lees twee
korte stukken voor. Dat zijn dus citaten.
"Helaas heb ik zelf meerdere malen in mijn jeugd ondervonden dat de
Nederlandse jeugdzorg haar eigen waarheid hanteert. Zelf heb ik het
gevoel dat het doel van de jeugdzorg was om mij uit huis te plaatsen en
dat ze alles in het werk stelden om dat doel te bereiken." Dat heb ik
heel vaak gehoord. Er wordt dus naar uithuisplaatsing toe geredeneerd
door de jeugdzorg. "Een van de dingen die ik daarbij zelf ervaarde, was
dat ze alles zo negatief mogelijk probeerden op te schrijven in het
dossier. Positieve dingen werden achterwege gelaten. Zo haalde ik
vroeger ondanks mijn thuissituatie altijd goede cijfers op school, maar
dat is nooit in het dossier van mij benoemd. In de tijd dat ik uit huis
geplaatst was, had ik regelmatig gesprekken met mijn pleegmoeder en
jeugdzorgmedewerkers. Zelf heb ik dit nooit als fijne gesprekken
ervaren, maar eerder als politieverhoren. Ze bleven net zo lang
doorvragen tot ze je aan het huilen kregen en je precies zei wat ze
wilden horen. Als je dan uiteindelijk had gezegd wat ze wilden horen,
schreven ze dat op in het dossier." En dan nog een kort citaat: "Als ik
nu terugkijk op mijn uithuisplaatsing, vind ik dat deze uithuisplaatsing
onterecht was. Mijn moeder, waarbij ik toen woonde, had op dat moment
weliswaar psychische problemen. Naar mijn mening hadden deze problemen
echter opgelost kunnen worden met ambulante hulp van bijvoorbeeld een
gezinsvoogd." Dit heb ik ook heel vaak gehoord, daar kan ik nog veel
meer voorbeelden van geven. "Daarnaast had ik nog een vader die zowel
fysiek als psychisch helemaal gezond was en had mijn moeder een netwerk
van familie en vrienden die haar wilden ondersteunen bij de opvoeding
van mij." Einde citaat.
Dit heb ik veel vaker gehoord. We zijn natuurlijk bekend met de gevallen
van mensen die uit huis worden geplaatst, niet omdat ze mishandeld
worden of wat dan ook, maar omdat het gezin niet optimaal functioneert.
Welk gezin doet dat wel? In plaats van dat het gezin wordt ondersteund,
wordt er door de jeugdzorg toegewerkt naar een uithuisplaatsing, met
alle gevolgen van dien.
Voorzitter. Ik heb hierover zeven vragen. Wat ons betreft zou een
uithuisplaatsing echt het allerlaatste redmiddel moeten zijn. Ik denk
dat heel veel partijen dit inmiddels met ons eens zijn. Mijn eerste
vraag aan de staatssecretaris is hoe zij daartegen aankijkt. We hebben
zowaar een motie aangenomen gekregen waarin wordt gevraagd om een
verscherpt wettelijk kader voor uithuisplaatsingen. Zou dan bijvoorbeeld
niet — ik doe maar even een suggestie — in dat kader moeten worden
opgenomen dat gedwongen uithuisplaatsing alleen kan als er echt sprake
is van mishandeling, en niet als bijvoorbeeld een ouder psychische
problemen heeft, maar het gezin met wat hulp nog overeind kan worden
gehouden? Dan moet daar toch altijd voor worden gekozen?
Mijn tweede vraag gaat over oneigenlijke financiële prikkels. Ik heb in
mijn gesprekken met mensen die jeugdzorg hebben ontvangen, vaak gehoord
dat zij zich daar zorgen over maken. Is het zo dat de jeugdzorg betaald
krijgt voor een ondertoezichtstelling en voor een uithuisplaatsing?
Volgens mij is dat zo. Hetzelfde geldt natuurlijk voor gezinshuizen en
pleeggezinnen. Dat is enerzijds onvermijdelijk, denk ik, maar geeft dat
niet een ongezonde financiële prikkel? Kan dat er niet toe leiden dat
mensen onterecht uit huis worden geplaatst of dat mensen te lang uit
huis blijven, dus dat kinderen niet snel genoeg worden teruggeplaatst in
hun biologische gezin? Dat is dus mijn tweede vraag.
Dan mijn derde vraag. Die gaat over iets wat ik heb gehoord en wat ik
ook niet begrijp. Hoe kan het nou zo zijn dat er seksueel misbruik
plaatsvindt in pleeghuizen en pleeggezinnen? Dat komt namelijk
regelmatig voor, zo blijkt ook uit onderzoek. Je zou toch verwachten dat
in pleeghuizen en pleeggezinnen kinderen geplaatst worden van hetzelfde
geslacht, tenzij het broertjes of zusjes zijn, maar dat gebeurt niet.
Mijn vraag aan de staatssecretaris is waarom dat niet gebeurt. Dat is
voor mij onbegrijpelijk.
De vierde vraag. Daar heb ik het in een interruptiedebat met mevrouw
Westerveld net al over gehad en ook eerder met de staatssecretaris naar
aanleiding van de vreselijke casus van het Vlaardingse pleegmeisje, dat
zo mishandeld is. Hoe kan nou zo zijn — want dat blijft voor mij
onbegrijpelijk — dat de toezichthouder … Alleen die kan namelijk
toezicht houden. De enige die toezicht kan houden, is de IGJ, de
inspectie. Die houdt toezicht op gecertificeerde instellingen, die
sowieso vaak niet weten wat er speelt, omdat er te weinig zinvol contact
is met de pleeghuizen en pleeggezinnen. Die hebben er natuurlijk ook
belang bij om de pleeghuizen en pleeggezinnen waarvoor ze
verantwoordelijk zijn, positief voor te stellen aan de inspectie, omdat
zij daarvoor verantwoordelijk zijn. Waarom gaat de inspectie niet op
bezoek bij pleeghuizen en pleeggezinnen, al is het maar één keer per
jaar, om daar zelf toezicht te houden en met eigen ogen te aanschouwen
wat daar gebeurt, wat ze als toezichthouder ook zouden moeten doen? Dat
is de vierde vraag die ik heb.
Vraag vijf. Is het wellicht een idee om een enquête te houden onder
volwassenen die in een pleeggezin of gezinshuis hebben gezeten en naar
hun ervaringen te vragen? Voor zover ik kan achterhalen, is dat nog niet
gebeurd. Ik zou heel benieuwd zijn, want er wordt vaak gezegd dat het
incidenten zijn. Oké, dat kan, maar ik krijg het zo vaak te horen dat ik
inmiddels denk dat daar misschien wel iets structureel mis is. Je zou
dus willen weten van mensen die volwassen zijn hoe zij daarop
terugkijken als volwassene; ik heb net een voorbeeld gegeven van zo'n
getuigenis, om het maar zo te zeggen. Daar kunnen we denk ik veel van
leren. Is dat niet een idee?
Vraag zes betreft de contra-expertise, die zo belangrijk is. Ouders
hebben daar in principe ook recht op als er sprake is van een gedwongen
uithuisplaatsing, begreep ik. Ik hoor echter dat het vaak voorkomt bij
de kinderrechter dat die contra-expertise er niet is. Die is ontzettend
belangrijk, want anders krijg je natuurlijk de tunnelvisie, waar ik het
net al over had in het voorbeeld dat ik heb voorgelezen. Die
contra-expertise wordt vaak niet toegewezen door de rechter. Zou het dus
niet zo moeten zijn — misschien moet dat ook in de wet worden opgenomen
— dat zo'n kinderrechter zich niet alleen moet baseren op de jeugdzorg?
De rechter gaat dan natuurlijk altijd met de jeugdzorg mee. Dat krijgen
we altijd te horen. Moet die kinderrechter zich ook niet laten adviseren
door een contra-expertise voor de rechtbank? Zo ontstaat er iets van een
gelijk speelveld. Volgens mij is dat heel belangrijk om onterechte
uithuisplaatsingen te voorkomen.
Voorzitter, tot slot mijn laatste vraag. We krijgen straks natuurlijk
weer de begrotingsverantwoording van VWS. In de memorie van toelichting
staan natuurlijk allemaal mooie tabellen. Mijn laatste vraag aan de
staatssecretaris is: zou het aantal ondertoezichtstellingen per jaar en
over de afgelopen paar jaar daar niet standaard in kunnen worden
opgenomen? Die cijfers zijn namelijk heel moeilijk te achterhalen. Dat
geldt ook voor het aantal keer dat het gezag wordt beëindigd en het
aantal uithuisplaatsingen. Zo krijgen we als Kamer een beetje een beeld
van hoe dat verloopt. We willen volgens mij namelijk allemaal af van die
gedwongen uithuisplaatsingen.
Dat is dus mijn laatste vraag aan de staatssecretaris en ik kijk uit
naar de beantwoording. Dank.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Mijn interruptie gaat over de ondertoezichtstellingen. Het gaat
eigenlijk over de toetsing van die gecertificeerde instellingen. We
hebben daar eerder een interruptiedebat over gehad tijdens een plenair
debat. Toen had ik de indruk dat de heer Van Houwelingen eigenlijk wilde
dat de inspectie bij ieder gezin en ieder gezinshuis ging toetsen. Als
ik de bijdrage van de heer Van Houwelingen hoor, dan is zijn idee nu dat
er af en toe een steekproef moet worden gedaan bij een aantal gezinnen.
Dat maakt denk ik heel veel uit in de hoeveelheid capaciteit die je
hiervoor nodig hebt. Zou de heer Van Houwelingen aan kunnen geven of hij
bedoelt dat ieder gezin en ieder gezinshuis bezocht moet worden? Of
moeten er gewoon een aantal steekproeven plaatsvinden om te kijken of
die gecertificeerde instellingen doen wat de bedoeling is en of het
klopt wat ze aanleveren?
De voorzitter:
De vraag lijkt me duidelijk. Het woord is aan de heer Van
Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor de vraag. Het liefst zouden we zien dat alle
gezinshuizen en pleeggezinnen minstens een keer per jaar bezocht worden.
Maar als dat niet haalbaar is, is een steekproef natuurlijk ook al
geweldig. U brengt hier dus een heel goed idee te berde, denk ik. Laten
we dan dus een steekproef doen, zoals dat bij bedrijven ook gebeurt als
ze iets moeten controleren. Dat zou dus een heel goed idee zijn. Iets is
in ieder geval beter dan niets. Nu zit het allemaal binnen die
gecertificeerde instellingen, die dus vaak niet functioneren. Dus je
moet van buiten een controle hebben. Dat kan alleen de toezichthouder
doen. Dat zou een hele grote verbetering zijn, als ze daar aan het werk
gaan bij de inspectie, in plaats van te doen waar ze nu hun tijd vaak
mee kwijt zijn, bijvoorbeeld artsen achter hun broek aanzitten omdat ze
offlabelmedicijnen voorschrijven.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de
Kamer, de heer Stoffer namens de SGP-fractie.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Gezinnen vormen de ruggengraat van een goede
samenleving. Opgroeien in een stabiel gezin vergroot aanzienlijk de kans
op een evenwichtige persoonlijke ontwikkeling. Omgekeerd zijn veel
individuele maatschappelijke problemen te herleiden tot het gebrekkig
functioneren van gezinnen. Gezonde gezinnen zijn dus van groot belang
voor ons allemaal.
Voorzitter. De SGP juicht het toe dat het kabinet jeugdzorg stapje voor
stapje lijkt te verbreden naar gezinszorg. Ik zie dat ook terug in de
routekaart die de staatssecretaris vorige week heeft gepresenteerd: meer
kijken naar oorzaken van jeugdhulp in de context van gezinnen en de
ontwikkeling van een sociale agenda. Het kabinet zet in op een sterke,
sociaalpedagogische basis, wil stevige lokale teams die zelf hulp
bieden, en wil de aanvullende jeugdhulp terugdringen. Ook wordt er hard
gewerkt aan het afbakenen van de jeugdhulpplicht. Van harte steun
hiervoor.
Voorzitter. Een mooi voorbeeld van een effectieve preventieve aanpak is
de gemeenten Kampen. Kampen maakt gebruik van gezinswerkers. Zij voeren
de eerste gesprekken met gezinnen om hun vragen en zorgen te verkennen.
Ook kunnen gezinswerkers ouders ondersteunen om zelf oplossingen te
verzinnen. Gezinswerkers hebben een vrije rol en kijken nadrukkelijk
breder dan alleen naar de jeugdhulp. Als een kind zich meldt, is niet de
eerste vraag "wat voor hulp heb je nodig?" maar bijvoorbeeld "doe je
eigenlijk aan sport?" of "ben je lid van een vereniging?" De
gezinswerkers blijken ook nog eens financieel een succesvolle
businesscase. Mijn vraag is dan ook of de staatssecretaris deze aanpak
breder onder de aandacht kan brengen. Gemeenten houden een
sleutelpositie, maar welke rol kan de staatssecretaris spelen via het
faciliteren van leernetwerken of andere vormen van kennisdeling?
Ook de laagdrempelige inzet van schoolmaatschappelijk werk blijkt een
belangrijke sleutel om vroegtijdig op te kunnen treden. Dit werd in veel
gemeenten gefinancierd vanuit de tijdelijke gelden van het Nationaal
Programma Onderwijs. Als het kabinet wil inzetten op een sterke sociale
basis — en dat is tegelijk mijn vraag — is het dan ook bereid om hier
structureel in te investeren?
Voorzitter. Vorig jaar werd mijn motie aangenomen die verzocht om een
samenhangende jeugd- en gezinsaanpak op te stellen vóór de behandeling
van deze Jeugdbegroting. Mijn vraag is hoe het hiermee staat. Ik heb de
stukken er nog eens goed op nagekeken, maar ik zie geen expliciete
uitwerking. Pakt de staatssecretaris dit alsnog op of wordt het
meegenomen in de routekaart?
Voorzitter. Dan de Agenda voor het Hart, een netwerk van experts en
organisaties. Dit netwerk heeft een prachtig rapport geschreven over het
versterken van liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederlands.
Duurzame relaties zijn niet alleen een privézaak, maar ook een publieke
waarde waar de samenleving zorg voor draagt. Als relaties sterk zijn,
bloeien mensen op. Als relaties breken, zien we dat overal in de
samenleving terug. Wil de staatssecretaris reageren op de analyse en
daarbij expliciet ingaan op de afzonderlijke aanbevelingen van de Agenda
voor het Hart? Een van die aanbevelingen is om relaties te erkennen als
beleidsdomein, zodat hiervoor ook preventieve maatregelen getroffen
kunnen worden. Feitelijk gebeurt dit lokaal al op veel plaatsen. Veel
gemeenten hebben een lokale aanpak voor relatie- en/of
scheidingsproblematiek. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar als
stelselverantwoordelijke vanuit het wettelijke kader van de Jeugdwet en
bijvoorbeeld ook de Wet publieke gezondheid?
De Agenda voor het Hart noemt ook de maatschappelijke kosten van
verbroken en gebroken relaties en stelt voor die beter in kaart te
brengen. Dat kan bijvoorbeeld door de kosten op casusniveau in kaart te
brengen. Welke rol ziet de staatssecretaris voor zichzelf weggelegd bij
een dergelijk onderzoek?
Voorzitter. Wij vinden het heel normaal dat mensen periodiek naar de
sportschool gaan .... Nou ja, dat zou ik zelf ook meer mogen doen ... U
weet, een goed voornemen voor dit jaar. Wij vinden het heel normaal dat
mensen periodiek naar de sportschool gaan of dat mensen gebruikmaken van
een leefstijlcoach. Maar de vraag is hoe we het net zo gewoon maken om
aan je relatie te werken als aan je conditie. Waarom voelt relatiehulp
voor veel mensen nog steeds als een laatste redmiddel in plaats van
periodiek onderhoud? Kortom, wat kan de overheid doen om relationele
fitness te normaliseren?
Ja, het is stevig in de spiegel kijken ... De andere staatssecretaris
begint ook al ... Volgens mij moeten wij samen wat gaan doen.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Ik vraag de heer Stoffer om verder te gaan met zijn betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Dat ga ik doen.
De Jeugdwet bepaalt dat gemeenten bij het bepalen van de aangewezen
vormen van jeugdhulp redelijkerwijs rekening moeten houden met de
godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de jeugdige en zijn
ouders. Ook in lokale jeugdverordeningen is dit geborgd. In de praktijk
blijkt echter dat gemeenten nauwelijks zicht hebben op de manier waarop
dit wettelijk recht wordt uitgevoerd. Is de staatssecretaris bereid om
samen met de VNG een handreiking op te stellen voor gemeenten over hoe
ze bij de indicatiestelling daadwerkelijk rekening kunnen houden met de
godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van gezinnen?
Voorzitter. De SGP vraagt ook aandacht voor ondertoezichtstellingen bij
ongeboren kinderen. Uit recent onderzoek blijkt dat die mogelijkheid
internationaal gezien uitzonderlijk is. Er zijn slechts twee andere
landen waar dit kan. Ook het aantal ondertoezichtstellingen in Nederland
is hoog. In andere landen is gedwongen ingrijpen zeldzaam, maar in
Nederland gebeurt het honderden keren per jaar. Eerdere publicaties
geven bovendien aan dat de wetgever meer rechtszekerheid zou moeten
bieden door een duidelijke wettelijke basis, bijvoorbeeld als het gaat
om de wekengrens. Juist in Nederland ontbreekt een duidelijke regeling.
Zou een regeling voor jeugdbescherming en ook strafrecht gelet op
onderzoek en adviezen niet wenselijk zijn? Zouden vrijwillige
maatregelen niet vaker actief mogelijk gemaakt moeten worden, zowel voor
de moeder als voor het kind?
Voorzitter. Ik wil tot slot de schijnwerpers richten op de uiterst
belangrijke positie van jeugdbeschermers. De overheid draagt een
bijzonder zware verantwoordelijkheid bij het ingrijpen in gezinnen. De
jeugdbeschermers zijn dus eigenlijk onze elitetroepen, maar helaas
ervaren ze dat niet zo en staan ze vaak onder grote druk. Hun
verantwoordelijkheid is zwaar en het ziekteverzuim is hoog, net als de
uitval. Dat betekent onvermijdelijk ook iets voor de kinderen en hun
ouders. Soms wachten 100 kinderen op een jeugdbeschermer zonder in beeld
te zijn. Als we de jeugdbeschermers echt verder willen helpen, mogen we
ons niet beperken tot de caseload, maar zullen we ook naar hun
rechtspositie moeten kijken. Veel jeugdbeschermers kiezen immers voor
een andere baan, simpelweg omdat ze daar meer kunnen verdienen. In het
onderwijs of bij gemeenten krijg je al snel meer salaris. Mijn slotvraag
is dan ook of de staatssecretaris ook denkt dat een exclusieve,
aantrekkelijke positie van de jeugdbeschermer in de cao een belangrijke
rol zou kunnen vervullen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Stoffer, dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de
zijde van de Kamer: de heer Ceder namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Kortheidshalve wil ik me aansluiten bij de
zorgen rondom de jeugdzorgmedewerkers. De afgelopen jaren hebben we
gezien dat zij de noodklok luiden. Ze zeggen dat het zwaar werk is en
dat de randvoorwaarden gewoon niet op orde zijn. Ik ondersteun dus de
vraag van de heer Stoffer en overigens ook de vele vragen die door mijn
andere voorgangers zijn gesteld.
Voorzitter. Ik heb het manifest van Het Vergeten Kind vanochtend
ontvangen, net als de andere Kamerleden. Het is een beweging die al
jaren bezig is om uithuisplaatsingen te verminderen en om gezinshulp op
de eerste plaats te zetten. Ik ondersteun dit al jaren en nu ook weer.
Ik hoop dat we met de nieuwe Kamerleden en een nieuwe coalitie ook echt
die stap met elkaar kunnen gaan zetten en zichtbaar resultaat gaan
zien.
Als we in dit land zeggen dat het welzijn van onze jeugd echt
vooropstaat, dan vraagt dat ook iets van onze politieke moed. We moeten
durven kijken naar onderwerpen waar we soms liever omheen lopen. Voor de
ChristenUnie is een ervan het gezinsleven, niet omdat het een
interessante bezuinigingspost is, maar omdat de intrinsieke meerwaarde
van het gezin doorwerkt in alle vezels, in alle haarvaten van onze
samenleving. Ook in deze commissie spreken we te vaak over jongeren als
het al is misgegaan: als er al sprake is van jeugdzorg, uitval op
school, mentale problemen of contact met justitie. Maar de vraag die we
ons vaker zouden moeten stellen, is: wat doen we aan de voorkant?
Voorzitter. Onderzoek na onderzoek laat zien dat een stabiele
thuissituatie een enorme beschermende factor is in het leven van een
kind. Jongeren die opgroeien in een omgeving met voorspelbaarheid,
betrokkenheid en veiligheid hebben simpelweg een grotere kans om stabiel
op te groeien. Dat betekent uiteraard niet dat elk gezin perfect is of
moet zijn — niemand hier gelooft dat — maar wel dat de basis telt. Het
is ook juist een rol voor de overheid om die basis en het goed gaan te
versterken.
Voorzitter. Ik wil vandaag ook expliciet stilstaan bij een onderwerp
dat, wat mij betreft, nog steeds te weinig aandacht krijgt, maar dat o
zo belangrijk is. Dat is positief betrokken vaderschap. Voor dit punt
begin ik bij mijzelf. Ik ben opgegroeid bij mijn moeder en zij heeft het
in haar eentje geweldig gedaan. Zoals vaak gezegd wordt over
eenoudergezinnen: ze nam de rol van zowel de moeder als de vader op
zich. Zij was niet de enige. Er zijn ongeveer 800.000 kinderen in
Nederland die in eenoudergezinnen opgroeien. Ik ben dan ook trots op
mijn moeder, die er niet meer is. Ze heeft gedaan wat ze kon en dat
heeft ze goed gedaan.
Toch kwam er ook een punt in mijn leven dat ik me realiseerde dat de
afwezigheid van een vader thuis wel degelijk impact heeft gehad. Als
kind zocht ik, net zoals vele jongens, naar mannelijke rolmodellen:
mensen aan wie je je kan optrekken. Als je die thuis niet hebt, zoek je
die buiten de deur. Ik groeide op in de Amsterdamse Bijlmer, destijds
een zeer kwetsbare wijk. Zo werden mijn rolmodellen snelle jongens met
veel geld. Ze gaven je aandacht, maar je liep ook kans om meegesleurd te
worden in de criminaliteit. Mij bleef dat lot bespaard. Anderen
niet.
In gesprek met veel generatiegenoten komt telkens naar voren dat afwezig
vaderschap wel degelijk impact op ons heeft gehad. Het is dus goed en
belangrijk om betrokken vaderschap te versterken waar dat kan.
Internationaal onderzoek lijkt dit te bevestigen. Betrokken vaders
dragen aantoonbaar bij aan het emotioneel welzijn, de weerbaarheid en
het zelfbeeld van kinderen. Dat geldt voor jongens én meisjes. Als we
vaderschap blijven negeren bij het jeugdbeleid, laten we kansen liggen.
Dat kunnen we ons simpelweg niet permitteren. Onze jongeren zijn daar te
kostbaar voor.
Zeg ik hiermee dat we moeders minder gaan waarderen? Nee, integendeel.
Het betekent wel dat we erkennen dat kinderen gebaat zijn bij gedeelde
verantwoordelijkheid, meerdere veilige hechtingsfiguren en aanwezige,
positieve en betrokken vaderfiguren. Ik begrijp heel goed dat dit niet
altijd even makkelijk is of kan. Denk aan samengestelde gezinnen of aan
situaties waarin contact met de vader niet mogelijk is, of zelfs niet
veilig of verstandig. Dat erkennen we. Dat vraagt ook om een andere
benadering. Er zijn ook zeer verdrietige situaties waarin vaders wel een
rol willen en kunnen spelen, maar dit niet mogelijk wordt gemaakt, zoals
ouderverstoting.
Voorzitter. Vaderschap is een onderwerp dat te belangrijk is om te
negeren. Daarom presenteer ik vandaag ook een manifest genaamd:
"Betrokken vaders. Een bloeiende samenleving". Ik wil namelijk graag
voorstellen doen richting de samenleving en het kabinet, om te
versterken wat goed gaat, maar ook om te ondersteunen wat momenteel
kwetsbaar is.
Ik ben niet voor overheidsbemoeienis met het gezinsleven. De overheid
moet daar zo ver mogelijk vandaan blijven. Maar de gevolgen van
instabiele en gebroken gezinnen werken wel door in het onderwijs, de
jeugdzorg en het veiligheidsdomein. Om die reden heeft de overheid een
goede reden om samen met maatschappelijke partners op gepaste wijze te
kijken hoe we hier aandacht aan kunnen geven. Ik roep het kabinet en
mijn collega-Kamerleden hier dan ook op om het gezinsbeleid niet te
reduceren tot een voetnoot of een bezuinigingspost, maar om het serieus
te nemen als belangrijke bouwsteen van preventief jeugdbeleid. Als we
het welzijn van jongeren echt centraal willen stellen, dan begint dat
niet bij het loket, maar thuis. Laten we de politieke moed tonen om dit
ook bespreekbaar te maken.
Voorzitter. Daarom heb ik een aantal vragen. De betrokkenheid van vaders
in de eerste levensfase vergroot de hechting, het welzijn van de moeder
en de stabiliteit van het gezin. De ChristenUnie wil vaderbetrokkenheid
bij kraamzorg en geboortezorg vergroten waar dat kan. De
staatssecretaris wil dat ook. Zij wil vaderbetrokkenheid in de eerste
1.000 dagen vergroten. Hoe wil ze dat doen? Dat vraagt ook iets in de
opleiding en bijscholing van professionals in de geboortezorg,
kraamzorg, het onderwijs en de kinderopvang. Kan de staatssecretaris
toezeggen dit te bespreken met de minister van OCW?
Voorzitter. Er is vooral veel buitenlands onderzoek naar het belang van
vaderschap en de impact van vaderafwezigheid, maar minder vanuit de
Nederlandse context. Ik zou graag zien dat de overheid en
kennisinstituten systematisch onderzoeken wat het belang van positief
vaderschap is, wat de impact van vaderafwezigheid kan zijn, waar je kan
helpen en welke interventies zouden kunnen helpen. Alleen zo kunnen we
een goed beeld krijgen van wat preventief werkt om te voorkomen dat
kinderen kwetsbaarder zijn dan nodig. Mijn vraag aan de staatssecretaris
is of zij kan toezeggen dit te laten onderzoeken.
Daarnaast zijn er veel losse initiatieven die vaderschap versterken,
maar die zijn versnipperd en vele proberen opnieuw het wiel uit te
vinden. In de databank Effectieve jeugdinterventies van het NJi staan
vier interventies waarin vaders worden genoemd, maar drie ervan gaan
voornamelijk over moeders. Dat is goed. De vierde, van Trias Pedagogica,
zit nog in het erkenningstraject. Kan er een been worden bijgetrokken,
vraag ik aan de staatssecretaris.
Ik dank de staatssecretaris ook voor haar reactie op het rapport van
Agenda voor het Hart, dat gaat over sterke partnerrelaties. Dat is een
belangrijk initiatief. Ook de eerdere brief over de aanpak van complexe
scheidingen waardeer ik. De ChristenUnie heeft zich daar jaren voor
ingezet, samen met de SGP en ook andere partijen, weet ik. Ik vind het
ook hoopvol om te zien welke stappen de afgelopen jaren zijn gezet om te
voorkomen dat scheidingen escaleren, met alleen maar verliezers. Er zijn
goed beschreven methodes en handreikingen voor gemeenten om daarmee aan
de slag te gaan. Steeds meer gemeenten hebben een scheidings- of
relatieloket. De staatssecretaris schrijft dat ze professionals,
organisaties en gemeenten aanmoedigt hiermee aan de slag te gaan in de
eigen lokale aanpak. Betekent dit dat wat de staatssecretaris betreft de
inzet van de landelijke overheid op dit thema stopt? Ik zou graag zien
dat de staatssecretaris zich periodiek laat informeren over hoe het nu
gaat en dan de Kamer informeert. Kan ze dit toezeggen?
Complexe scheidingen kunnen wel €46.000 kosten aan jeugdbescherming,
zorg en ondersteuning, is in 2020 berekend. Naast deze kosten zijn er
ook maatschappelijke kosten. Sterke relaties of op een goede manier uit
elkaar gaan, hebben tegelijkertijd maatschappelijke baten. De
ChristenUnie vindt het belangrijk om hier meer zicht op te krijgen,
zodat we goed kunnen wegen welke interventies om relaties te versterken,
gerechtvaardigd zijn. Kan de staatssecretaris ook toezeggen hiermee aan
de slag te gaan?
Tot slot op dit punt vraag ik aandacht voor hoogconflictscheidingen
waarbij huiselijk geweld aan de orde is. Dat heb ik helaas ook als
oud-advocaat meegemaakt, zeg ik erbij. Als er reguliere jeugdhulp over
de vloer komt voor de kinderen, terwijl dit huiselijk geweld niet bekend
is, kan gemakkelijk de verkeerde hulp worden geboden. Deze professionals
zijn daar ook niet voor opgeleid en toegerust, terwijl het wel goed is
om hen daarop voor te bereiden. Welke mogelijkheden heeft de ouder om in
dit soort situaties passende ondersteuning te krijgen?
Voorzitter. Ik begon met uithuisplaatsingen. Mijn strijd voor het
inperken van het aantal uithuisplaatsingen waar dat kan, gaat door. We
hebben als Kamer via een motie de staatscommissie jeugdzorg in het leven
geroepen. Is deze al ingevuld? Zo nee, wanneer gaat dit gebeuren? Of
legt de staatssecretaris dit op de plank voor zijn opvolger? Voor het
weekend stond het inspirerende voorbeeld van Flevoland in NRC, waar ze
uithuisplaatsingen voorkomen door het hele gezin hulp te geven. Ik word
heel blij van zulke methoden en vooral ook van de positieve resultaten.
Is de ambitie van de bewindspersonen om deze beweging overal in het land
te krijgen? Is dat al duidelijk onderdeel van het
toekomstscenario?
Voorzitter, tot slot. Het is goed dat we met het rapport Gezinshuizen in
Nederland meer inzicht hebben in de aantallen en karakteristieken van
gezinshuizen. In het debat in december hebben we het gehad over meer
toezicht en kwaliteitseisen. Die zijn gewoon nodig. Het lijkt me nog
steeds logisch als we een gemeente, voordat ze een contract afsluiten
met een gezinshuis, een bezoek op locatie laten brengen. Wat vindt de
staatssecretaris daarvan?
Voorzitter. Verder sluit ik me aan bij de vele al gestelde vragen. Ik
kijk uit naar de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng, meneer Ceder. Voordat we naar de lunch gaan,
hebben we nog twee sprekers van de zijde van de Kamer. Die wil ik ook
nog gewoon het woord geven. Daarna schorsen we voor de lunchpauze. De
volgende spreker is mevrouw Dobbe namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het is altijd lastig om tussen mensen en hun
lunch te zitten, maar vooruit.
(Hilariteit)
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zal proberen er toch een bevlogen betoog van te maken. Vorige week
sprak ik met een aantal jeugdzorgmedewerkers en jeugdbeschermers over
het debat van vandaag. Stuk voor stuk zijn zij enorm betrokken bij hun
werk, met liefde voor wat zij elke dag doen voor de kinderen, de
jongeren, de gezinnen waarmee zij werken. Toch gaan zij vanaf morgen
actievoeren. Dat doen ze niet zomaar. Zij voeren actie vanwege hun
liefde voor de jeugdzorg. De werkdruk is gigantisch, net als de
verantwoordelijkheden die zij dragen. Zij lopen de gaten dicht die de
werkgevers, maar ook de politiek, in de gemeenten en hier in Den Haag,
laten vallen. Een van de jeugdzorgmedewerkers zei: ze schuiven alle
tekorten en problemen op ons af, maar uiteindelijk zijn de gezinnen en
de kinderen om wie het gaat de dupe. De jeugdzorgmedewerkers lopen de
gaten dicht die vallen door slecht beleid en een falend
jeugdzorgstelsel. Dat is hoe het nu gaat in de praktijk.
Het jeugdzorgstelsel wordt vooral overgelaten aan de markt, waardoor
winsten, bureaucratie en concurrentie belangrijker zijn geworden dan de
belangen van het kind. Aan het systeem en de werkdruk wordt al jaren
niks gedaan. De jeugdzorgmedewerkers krijgen er nog niet eens een
fatsoenlijke loonsverhoging voor, of een aanpak van de problemen waar
zij in hun werk tegenaan lopen. De SP staat vierkant achter onze
jeugdzorgmedewerkers. We hopen dat deze Kamer dat ook doet en dat zij de
voorstellen van de SP hiervoor zal steunen.
Iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan, niet het
systeem. Ondanks die mooie woorden gebeurt al jaren het
tegenovergestelde. Een jeugdzorgmedewerker vertelt het zelf zo: "Ik ben
er wettelijk verantwoordelijk voor om te bepalen welke hulp een kind
nodig heeft. Toch gebeurt het te vaak dat de gemeente die de organisatie
of behandeling die ik wil inzetten, moet betalen, dat weigert, terwijl
de Jeugdwet duidelijk zegt dat de gezinsvoogd bepaalt welke hulp nodig
is. Dit ondermijnt onze rol en de veiligheid van het kind." Een andere
jeugdzorgmedewerker zegt: "Als we dan eindelijk ergens een plek hebben
gevonden, moet er weer onderhandeld worden met die instelling. Dat duurt
allemaal weer maanden, en ondertussen moeten het kind en het gezin
wachten, wachten en wachten. Dat komt ook doordat gemeenten inzetten op
zo goedkoop mogelijke hulp. Dat moet als eerste worden geprobeerd, soms
via een hele reeks aan zorgbedrijfjes of zelfs zorgcowboys die zeggen
dat de zorg goedkoop geleverd kan worden. Die zorg past dan niet bij het
kind en het gezin. Na tig organisaties en nadat er veel tijd overheen is
gegaan, komt het kind dan eindelijk op een plek die eerst te duur was
bevonden, maar wel past. Maar dan zijn ze weer zoveel hulpverleners
verder en dan zijn het kind en het gezin zo vaak van hulpverlener
gewisseld, dat het voor het kind en het gezin nóg lastiger is om een
vertrouwensrelatie op te bouwen. Want waarom zouden zij een hulpverlener
nog vertrouwen? Het is immers al de zoveelste die voorbijkomt en ook wel
weer zal weggaan. Dit brengt het kind en het gezin schade toe en maakt
de zorg zo veel duurder." Ik noem ook de wanhoop van sommige
jeugdzorgmedewerkers als zij het vertellen: "Wij hebben het alleen nog
maar over geld; zíj hebben het alleen nog maar over geld. We zijn de
hele tijd aan het onderhandelen over geld: kan het niet goedkoper, kan
het ergens anders niet goedkoper? Het gaat niet meer over het kind. Het
gaat niet meer over het gezin dat hulp nodig heeft, terwijl we daar zo
hard voor werken."
Nogmaals, iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan in
het systeem. Ook in het nieuwe coalitieakkoord lezen we weer hetzelfde,
maar concreet is het niet. Met vage, mooie woorden komen we er echt
niet. Als de coalitiepartijen dit menen, laten we dan ook écht concrete
stappen gaan zetten. De markt moet uit de jeugdzorg gehaald worden.
Daarom willen wij nu een commissie aanstellen die moet gaan onderzoeken
hoe de jeugdzorg kan worden vormgegeven zonder marktwerking, zonder
aanbestedingen en zonder openhouseprocedures; in plaats daarvan moet
meer gewerkt worden met langdurige subsidierelaties en vaste tarieven.
Wij zijn niet de enigen die ertoe oproepen de markt uit de jeugdzorg te
halen. Ook Jeugdzorg Nederland doet die oproep, naast de vele
jeugdzorgmedewerkers, die hier gewoon echt heel veel last van
hebben.
Als de voorbeelden die ik eerder noemde er nog niet van overtuigen dat
dit nodig is, dan toch dit. Ik sprak een aanbestedingsspecialist van een
landelijke jeugdzorgaanbieder en vroeg hem hoe dit nu allemaal werkt.
Zij hebben 85 fte aan mensen in dienst die alleen maar bezig zijn met
het circus van aanbestedingen en inkoop. 85 fte! Eén aanbieder! Dat zijn
mensen die alleen maar bezig zijn met het aflopen van marktconsultaties
en het invullen van eindeloze formulieren. Ze zijn zo een heel jaar druk
met één aanbestedingstraject, voor één gemeente of één instelling, en
elke gemeente waarmee zij moeten onderhandelen, heeft ook weer
aanbestedingsspecialisten in dienst. Dat zijn ook weer mensen die
marktconsultaties aflopen. Kom op, zeg! Dit zijn allemaal mensen die
worden betaald van zorggeld. Vindt de staatssecretaris, en vindt de
Kamer, dit echt een goede manier om zorggeld te besteden? Graag een
antwoord. Heeft de staatssecretaris eigenlijk enig idee hoeveel dit
kost, hoeveel mensen hier elke dag mee bezig zijn? Zij worden betaald
van zorggeld, maar geven geen zorg. Als ze dat niet weet, waarom weet de
staatssecretaris dat dan eigenlijk niet?
Weet u wie dat aanbestedingscircus vaak wint? Zorgcowboys, want die
kunnen het zo lekker goedkoop. Er is een jungle aan zorgbedrijfjes die
het goedkoop kunnen aanbieden. We weten allemaal waar dat toe leidt.
Willen we echt dat het kind centraal staat en niet het systeem, laten we
dan een einde maken aan dat aanbestedingscircus. Ik reken op steun
vanuit de Kamer hiervoor.
Dan heb ik nog wat losse vragen. Hoe staat het met de uitvoering van
onze motie om te zorgen dat gemeenten niet op de stoel van
jeugdzorgmedewerkers gaan zitten, en dus verwijzingen van
jeugdzorgmedewerkers niet gaan afwijzen of heroverwegen om de kosten te
drukken?
Als we het kind centraal willen stellen en niet het systeem, waarom is
er dan nog steeds private equity in de jeugdzorg? Dit zijn
sprinkhaankapitalisten die alleen geld willen verdienen en die het
helemaal niet om de zorg voor kinderen en gezinnen gaat. Graag een
reactie, want hier zijn al tig moties over aangenomen.
Dan omzetplafonds in de jeugdzorg. Kom op, wat is daar de toegevoegde
waarde van? Zullen we die gewoon uit de jeugdzorg halen?
Voorzitter. Dan de bezuinigingen. Ik heb er ook een aantal interrupties
aan gewijd.
De voorzitter:
Voordat u daarnaartoe gaat, is er een interruptie van de heer
Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb me als gemeenteraadslid in Amsterdam ook enorm gestoord aan het
eindeloos moeten aanbesteden. Mij is toen uitgelegd dat het boven een
bepaald bedrag gewoon Europese wetgeving is. Dan moet je aanbesteden. We
zijn dus overgeleverd aan Europa, zeg ik even heel extreem. Maar volgens
mij is dit wel de situatie. Er zijn een paar constructies mogelijk,
zoals open house en dat soort dingen, maar daarbij gaat het om vrij
kleine gunningen. Hoe ziet u dat dan voor zich? Ik ben hier ook benieuwd
naar. Tegelijkertijd ben ik tegen een muur aangelopen.
Mevrouw Dobbe (SP):
We hebben deze vraag eerder gesteld aan de staatssecretaris of de
minister; ik weet niet meer wie het was. We hebben bevestigd gekregen,
ook op schriftelijke vragen, dat het niet hoeft. Je hoeft niet aan te
besteden. Gemeenten kiezen er wel voor om het te doen, maar het hoeft
niet. Het gebeurt wel en daar willen we vanaf.
De voorzitter:
Duidelijk antwoord. U was bij de bezuinigingen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wij zijn niets liever dan duidelijk, voorzitter.
Dan de bezuinigingen. Ondanks dat er tijdelijk wat extra geld
beschikbaar was gesteld voor de jeugdzorg, blijven er bezuinigingen
ingepland staan, die oplopen tot wel 1,8 miljard euro in 2028. Ook op
het gebied van de gehandicaptenzorg voor jongeren staan er vanaf volgend
jaar nog steeds bezuinigingen ingepland. De commissie-Van Ark noemde de
ingeboekte bezuinigingen een "zwaard van Damocles" boven de jeugdzorg.
Nu is 2026 al begonnen en hebben we het hier over de begroting. Dit jaar
moet er al bijna 0,5 miljard euro bezuinigd worden op de jeugdzorg,
terwijl de hervormingen helemaal nog niet bezig zijn en nauwelijks zijn
bereikt. Waar gaat dat geld vandaan komen? Wij weten dat de rekening
komt te liggen bij de kinderen, bij de gezinnen en bij de
jeugdzorgmedewerkers.
We weten inmiddels ook dat deze nieuwe coalitie, ondanks de mooie
woorden over optimisme, over het kind centraal en het systeem centraal,
gewoon doorgaat met deze draconische bezuinigingen op de jeugdzorg, net
zoals zij 10 miljard euro extra — extra! — op de hele zorg wil
bezuinigen. Dit zijn desastreuze en onmogelijke bezuinigingen, boven op
alle onmogelijke bezuinigingen die al ingepland staan. Voor alle dingen
die je kapot kunt maken, laat je de zorg de rekening betalen. Het is een
grove schande, net zoals het gewoon doorzetten van de eigen bijdrage in
de jeugdzorg. De SP stelt nu voor om deze bezuinigingen op de jeugdzorg
van tafel te halen, net zoals we voorstellen zullen doen om de afbraak
van de hele zorg door deze coalitie ongedaan te maken. Want dit zullen
en kunnen we niet accepteren.
Voorzitter. Vlak voor het debat sprak ik, net zoals een aantal mensen
hier, met Emilio en Het Vergeten Kind. Op zijn 11de is Emilio uit huis
geplaatst. Hij sprak ook over het gebrek aan gezinsondersteuning en over
wat zijn uithuisplaatsing met hem heeft gedaan. Zij vragen om meer
regie. Zij vragen om regie op uithuisplaatsingen, zodat we onnodige
uithuisplaatsingen kunnen voorkomen. Natuurlijk kunnen wij dat steunen.
Ik sluit me graag aan bij de vragen die zijn gesteld over hoe het gaat
in Flevoland en over hoe we de uithuisplaatsingen kunnen
voorkomen.
Voorzitter. Ik wil afsluiten met de woorden van een jeugdbeschermer over
dit debat: "Zonder fundamentele veranderingen kunnen wij als
jeugdbeschermers niet doen wat nodig is. Dit gaat ten koste van de
veiligheid en toekomst van de meest kwetsbare kinderen. We zijn echt
veel kinderen met potentie aan het verliezen. Zij zullen opgroeien met
wantrouwen in het systeem en wantrouwen in de overheid. Dat kun je later
in het leven niet zomaar herstellen." Ik sluit mij ook graag aan bij de
vragen die zijn gesteld over de erkenning en de excuses. Daar heeft de
Kamer om gevraagd naar aanleiding van het rapport van Jason.
Zorgvuldigheid is goed en belangrijk, maar als je er te lang over doet,
is dat niet meer zorgvuldig. Dat verdienen deze mensen wel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker. Het woord is aan
mevrouw Moinat namens Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Sinds vorige week ben ik woordvoerder op deze
belangrijke portefeuille. Zeker als oud-pleegmoeder — ik heb vijf jaar
lang voor mijn pleegzoon gezorgd — vind ik dit een heel belangrijk deel
van VWS. Een op de zeven kinderen in Nederland ontvangt jeugdhulp. Dat
is een zeer hoog aantal, wat onze fractie betreft veel te hoog. Op basis
van afspraken tussen gemeente en provincie plaatsen Nederlandse
zorgaanbieders kinderen ook in het buitenland. We verliezen ze
vervolgens grotendeels uit het zicht. Dit is geen incident, maar een
systeemfout. Waarom plaatsen we nog steeds kinderen, bijvoorbeeld om ze
uit een risicovolle omgeving te halen, tijdelijk in het buitenland? Is
de staatssecretaris het met ons eens dat, gezien de ernstige incidenten
van mishandeling, en erger, die al meerdere keren naar voren zijn
gekomen, deze vorm van hulp ook in Nederland kan plaatsvinden? Zo nee,
waarom hecht zij er dan zo veel waarde aan dat deze plaatsing toch in
het buitenland kan doorgaan?
De staatssecretaris stelt dat Nederland eindverantwoordelijk blijft. Hoe
ziet dat toezicht er dan concreet uit? Wie kijkt mee, wie grijpt in en
wie is aanspreekbaar als het misgaat? Kan zij bevestigen dat de IGJ niet
standaard geïnformeerd wordt over buitenlandse plaatsingen, en dat er
geen verplichte registratie of meldplicht bestaat bij incidenten als
mishandeling? Zo ja, vindt zij het aanvaardbaar dat kinderen die onder
Nederlandse verantwoordelijkheid vallen daar feitelijk buiten het zicht
van de toezichthouder kunnen verblijven, en zonder ingrijpen mishandeld
kunnen worden?
Als we kinderbescherming serieus nemen, vraagt dat om afdwingbare keuzes
in plaats van goede bedoelingen. Is deze zorg op afstand eigenlijk wel
nodig? Kunnen kinderen die een andere omgeving nodig hebben, niet
tijdelijk terecht in bijvoorbeeld Friesland of Limburg? Zo blijven ze in
beeld bij de IGJ en verdwijnen ze niet naar een buitenlandse macht.
Kinderen vallen dan onder onze eigen jurisdictie en zitten niet 500
kilometer of nog meer verderop bij een tijdelijk gezin. Kan de
staatssecretaris vandaag toezeggen dat bij ieder signaal van
mishandeling of ernstige veiligheidsrisico's een buitenlandse plaatsing
per direct wordt opgeschort, tot onafhankelijk is vastgesteld dat het
kind veilig is? Of beter nog, kan worden bekeken of deze kinderen zo
snel mogelijk in een plaats in Nederland terechtkunnen, zodat toezicht
voorhanden is? Wie is aanspreekbaar als dit niet gebeurt? Welke partij
wordt verantwoordelijk gehouden als mishandeling niet wordt gezien, niet
wordt gemeld en niet leidt tot ingrijpen?
Wie een kind uit huis plaatst, ook tijdelijk en ook in het buitenland,
draagt wat ons betreft de volledige verantwoordelijkheid voor de
veiligheid en gezondheid van het betreffende kind. Dat vraagt om
toezicht en een echte stopknop. Alles minder dan dat is volgens ons
onvoldoende. Onze fractie zal daarom ook een motie indienen die verzoekt
om de plaatsing van kinderen voor jeugdhulp in het buitenland in
beginsel te stoppen.
De berichtgeving over gemeenten die dakloze moeders onder druk zetten
met de dreiging van Veilig Thuis is ronduit schrijnend. Het is goed dat
de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg helder stelt dat
dakloosheid nooit een reden mag zijn voor een melding bij Veilig Thuis
en nooit als dreigmiddel mag worden gebruikt. Die norm onderschrijven
wij volledig. Tegelijkertijd constateren wij dat de staatssecretaris
vooral wijst op bestaande wetten en verantwoordelijkheden van de
gemeenten, terwijl het probleem juist is dat deze kaders in de praktijk
onvoldoende bescherming bieden. Als moeders hulp mijden uit angst om hun
kind kwijt te raken, dan faalt het systeem, ongeacht hoe goed de regels
op papier zijn. De Groep Markuszower vindt dat het Rijk niet kan
volstaan met gesprekken en pilots. Gemeenten moeten actief worden
aangesproken als zij gezinnen weren of druk uitoefenen. Wij missen
concrete handhaving, duidelijke landelijke instructies en zicht op
consequenties bij overtredingen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat
zij richting gemeenten expliciet vastlegt dat dreigen met Veilig Thuis
onacceptabel is, en hier actief toezicht op houden? Wie om hulp vraagt,
moet bescherming krijgen en geen angst hebben dat een kind wordt
afgepakt.
Vandaag wil ik ook nog stilstaan bij de hervorming van de jeugdzorg. We
horen steeds de bekende woorden: "het kind is niet het probleem", "het
gezin staat centraal" en "groepsgerichte hulp eerst". Dat klinkt mooi,
maar de kernvraag is: gaat dat werken? Groepshulp is goedkoper, maar
goedkoper is niet automatisch beter. Kan de staatssecretaris concreet
aangeven bij welke problematiek groepshulp aantoonbaar effectiever is
dan individuele zorg, en hoe wordt voorkomen dat groepshulp vooral een
extra wachtrij wordt?
Het risico is groot dat kwetsbare kinderen te lang in lichte trajecten
blijven hangen, waardoor hun problemen verergeren en de zorg
uiteindelijk zwaarder en duurder wordt. Kinderen met een kleine
hulpvraag belanden zo soms in langdurige trajecten, terwijl ze aan de
voorkant, bijvoorbeeld met een luisterend oor van de
praktijkondersteuner ggz bij de huisarts, al voldoende geholpen hadden
kunnen zijn. Gemeenten blijven verantwoordelijk, maar krijgen opnieuw
geen echte regie. Dit voelt als een stuurloze visie voor beleidsstukken
in plaats van concrete, direct werkende oplossingen voor kinderen en
gezinnen. Ik kan het weten, aangezien ik als raadslid bijna acht jaar
aan de maatschappelijke kant heb gewerkt. Er wordt niet voorkomen dat
kinderen op wachtlijsten belanden, inclusief de vaak vergeten
wachtlijsten na de intake.
De staatssecretaris spreekt over een cultuuromslag, maar cultuur
verandert niet door nota's. Zonder harde keuzes dreigt dit te eindigen
in nieuwe woorden voor hetzelfde probleem. Onze fractie wil geen
volgende ronde met goede bedoelingen, maar een jeugdzorgstelsel dat écht
werkt voor kinderen, gezinnen en professionals, en dat daadwerkelijk
luistert naar kind- en jeugdpsychologen, die pleiten voor vroege
consultatie in het voorveld, zodat het kind direct de juiste hulp kan
krijgen: licht waar het kan en zwaar waar nodig. Er moet meteen concreet
gekeken worden en goed worden doorverwezen. Niet elk kind heeft immers
meteen jeugdhulp nodig. Is de staatssecretaris op de hoogte van hoelang
de wachtlijsten en de wachtlijsten na de intake zijn in de gemeenten?
Mocht de staatssecretaris hier nu geen actueel beeld van hebben, is zij
dan bereid met gemeenten in overleg te gaan en deze informatie zo snel
mogelijk met de Kamer te delen?
Ik dank u voor uw aandacht.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Moinat voor haar inbreng. We zijn gekomen aan het einde
van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Gelet op de vele vragen
die zijn gesteld en vanwege de lunchpauze, schors ik tot 13.55 uur. We
schorsen dus voor een uur. We zien elkaar straks weer en dan gaan de
staatssecretarissen hun inbreng doen. Daar kijken we naar uit. Ik schors
de vergadering tot 13.55 uur.
De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Jeugd. We zijn
toegekomen aan de eerste termijn van de zijde van het kabinet. De
staatssecretarissen van VWS en JenV hier zullen dat in blokken doen. Ik
geef als eerste het woord aan de staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport om ons even mee te nemen door de indeling van de
beantwoording, zodat de Kamerleden hun interrupties kunnen richten.
Voordat ik haar het woord geef: ik begin met maximaal zes interrupties
en dan kijken we hoe de tijd loopt tot 17.00 uur. Daar zult u mij aan
kunnen houden en ik u. De staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een zo kort mogelijke inleiding, dan een
blokje over de Hervormingsagenda Jeugd en de versterking daarvan. De Wet
reikwijdte is het tweede blokje. Het derde blokje gaat over de
residentiële jeugdhulp, dus gesloten jeugdzorg, pleegzorg en
gezinshuizen. Het vierde blokje noem ik maar even "overig
bedrijfsvoering", dus regels, contracten en afspraken. En dan heb ik ook
nog wat resterende vragen, wat nog best wel een dik mapje is, heel
eerlijk gezegd. Dan is de staatssecretaris van JenV aan de beurt.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Tielen. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Het eerste debat dat ik deed als Tweede Kamerlid ging over
jeugdzorg. In dat debat heb ik in mijn maidenspeech gerefereerd aan de
film Ciske de Rat, wat de eerste bioscoopfilm was waar ik ooit naartoe
was geweest. Wat dat betreft vind ik het wel aansprekend dat Stichting
Het Vergeten Kind haar manifest Ciske heeft genoemd. Dat is misschien
wel een mooi startpunt van mijn eerste begrotingsdebat als
staatssecretaris Jeugd.
Voorzitter. Vooruitkomen in het leven begint met gehecht en veilig
opgroeien in goede gezondheid en een veilige omgeving. Opgroeien is per
definitie een weg vol pieken en dalen. Dat is heel normaal. Als er
vragen of zorgen zijn over dat opgroeien, dan helpt het als er een warm
en vertrouwd netwerk is rondom het kind en zijn gezin, want dat werkt
nou eenmaal het allerbeste. Dat is natuurlijk allereerst de rol van de
ouders en de opvoeders — verscheidene van uw leden gaven dat ook al aan
— maar ook anderen zijn heel belangrijk. We kunnen ons allemaal wel
mensen herinneren die een rol hebben gespeeld bij ons opgroeien: mensen
op school, familie of vrienden, mensen op de sportvereniging of andere
mensen in de buurt.
Als er extra hulp nodig is, moet die ook op tijd en laagdrempelig
beschikbaar zijn. Dat kan in een buurt- of wijkteam of met de huisarts,
samen met een docent of een mentor of met de kinderopvang om samen te
kijken wat nodig is om ondersteuning te bieden aan gezond opgroeien. Als
dat niet voldoende is, dan is het belangrijk dat er aanvullende
specialistische hulp wordt ingeschakeld en dat die ook beschikbaar en
van goede kwaliteit is.
Die beweging is niet nieuw. Ook daar refereerden verschillende
Kamerleden al aan. Dat is geen nieuw inzicht of een nieuwe visie. We
zijn daar al jaren met elkaar mee bezig. Maar het is wel belangrijk dat
we er meer kracht op zetten en dat we er echt voor gaan zorgen dat die
beweging naar de voorkant — ik vind dat zelf een verschrikkelijke
beleidsterm, maar het zegt wel enigszins wat we bedoelen, namelijk
zwaardere problemen en zwaardere zorg terugbrengen naar ondersteuning en
lichte hulp bieden in en om het gezin — echt steviger wordt
ingezet.
In sommige gemeenten gebeurt dat al. Hier en daar werd gesuggereerd dat
het nieuw is en dat we iets gaan creëren wat er nog niet is, maar het
gebeurt al. Ik was vorige week in Sint-Michielsgestel, waar de gemeente
Den Bosch samen met Vught en Sint-Michielsgestel een heel mooi
jeugdhulpaanbod heeft. Het heet GROEN. Jongeren en ouders kunnen daar
snel en zonder wachtlijst op weg geholpen worden in collectief verband.
Ouders die ik daarover sprak, waren heel blij om zich niet alleen te
voelen in hun vraagstukken. Kinderen hoefden eigenlijk geen aanvullende
specialistische jeugdhulp meer. Er zijn ook andere voorbeelden. In
Veendam, in Utrecht en in Oudewater gebeuren al heel veel goede dingen.
Ik zal daar een aantal keer aan refereren in mijn antwoorden. Het is
zaak dat dit in alle gemeentes in Nederland neergezet wordt. Dat is
nodig, zodat we het aantal van een op de zeven jongeren die nu een vorm
van jeugdhulp krijgt — dat zijn 500.000 jongeren; iemand zei het al: in
elke schoolklas vier kinderen — terug gaan brengen. Ja, dat is een
financieel vraagstuk, maar financiën volgen het beleid en het resultaat.
Het is voor mij dus geen financieel doel, maar vooral een doel voor al
die kinderen en hun gezinnen, om te zorgen dat men gewoon in de buurt
geholpen wordt met vraagstukken en dat we terug kunnen gaan naar minder
druk op de jeugdzorg. Dat is ook goed voor de medewerkers in de
jeugdzorg.
De Hervormingsagenda kende vijf lijnen: het versterken van ouderschap,
het creëren van stevige lokale teams, het terugdringen van aanvullende
hulp, het verbeteren van de kwaliteit en het verminderen van het aantal
uithuisplaatsingen en de toepassing van de gesloten jeugdhulp. Nogmaals,
het is niet nieuw, maar we gaan er wel steviger mee aan de bak. Dat
heeft u in mijn brief kunnen lezen. Een van de dingen die daarvoor nodig
is, is het wetsvoorstel Reikwijdte. Over beide dingen zijn vragen
gesteld, dus laat mij naar de vragen gaan.
Allereerst over de Hervormingsagenda Jeugd. Enkelen van u vroegen: hoe
realistisch is nou die doelstelling om van 500.000 terug te gaan naar
350.000 in een paar jaar tijd? Dan gaat het over kinderen en hun
gezinnen die gebruik moeten maken van jeugdhulp en jeugdzorg. Ja, het is
een ambitieuze doelstelling. Ik ben de eerste om dat toe te geven, maar
ik geloof echt dat het haalbaar is. Ik wil het niet overdrijven, maar
denk aan de man op de maan. Dat was in die tijd een bijna onmogelijke
doelstelling, maar het is wel gelukt. Dat gaat niet vanzelf; dat moeten
we samen doen. Ik bepaal als staatssecretaris de koers, maar ik kan het
niet alleen. Ik doe dat samen met gemeentes, jeugdzorgaanbieders,
professionals, cliëntenorganisaties en andere departementen van de
Rijksoverheid. Ik denk dat als we gezamenlijk die visie hebben voor waar
we naartoe willen — ik heb net geschetst hoe we dat in de
Hervormingsagenda hebben opgeschreven — we dat met vereende krachten
echt voor elkaar kunnen krijgen, maar het is wel ambitieus. Het betekent
ook echt een verschil met het maar een beetje aanzien, wat we in de
afgelopen jaren misschien te veel hebben gedaan, of het verschillend
kijken naar dingen waardoor we afgeleid zijn van de richting. Deze vraag
was door verschillende mensen gesteld, dus ik hoop dat dit antwoord
voldoende is.
Dan kan ik door naar de vragen die daarop aansloten. Zijn er stappen die
nu al sneller gezet kunnen worden? In de brief heb ik een routekaart
opgenomen met daarin de verschillende elementen die eraan moeten
bijdragen om de Hervormingsagenda wat meer kracht te geven. Dat betekent
dus dat er ondertussen al van alles aan de gang is. Ik gaf net aan in
welke gemeentes er al veel gebeurt en welke jeugdzorgaanbieders daar
actief bij betrokken zijn. Heel veel gemeentes zijn dus ook al bezig om
te kijken wat ze kunnen doen zodat de stevige lokale teams meer kracht
en professionaliteit krijgen. Ze kijken ook hoe ze met inkoop en
contractering betere afspraken kunnen maken over wat je mag verwachten
van aanvullende jeugdhulp. Over het convenant over stevige lokale teams
is heel veel gesproken en op papier gezet. Heel veel gemeentes zijn
daarmee aan de bak. Die zijn ook in overleg met de huisartsen in de
gemeentes om te zorgen dat er gezamenlijk wordt gezorgd voor
ondersteuning en hulp aan jeugd en gezinnen. Zoals ik al zei, zijn er
hele mooie voorbeelden. Het is dus niet zo dat er niks gebeurt totdat
iemand ergens op een knopje drukt. Er gebeurt al heel veel, maar ik denk
dat we dat veel gelijkgerichter moeten doen. Daar heb ik de afgelopen
maanden afspraken over gemaakt met al de partijen die ik al
noemde.
Er werd gevraagd welke pijnlijke keuzes er nodig zijn. Het klinkt
misschien wel makkelijk dat we stevige keuzes moeten maken en dat die
soms pijnlijk kunnen zijn, maar het gaat natuurlijk om wat je biedt en
hoe je dat doet in overleg met gezinnen en kinderen. Is jeugdzorg altijd
nodig? Nee. Soms ziet een professional dat al. Die zegt dan: eigenlijk
is het niet nodig; zou dit of dat kunnen helpen? Maar dat is lang niet
altijd het antwoord dat mensen graag willen horen. Het is dus op
zichzelf pijnlijk dat je daarover met elkaar in gesprek moet. Dat
betekent dus ook dat er in de stevige lokale teams in gemeentes goede
professionals moeten zitten, die aan de ene kant de kwaliteit hebben dat
ze inzicht hebben in de daadwerkelijke problematiek. Ligt het bij het
kind, bij de opvoedstijl of toch eigenlijk — ook daar is al eerder aan
gerefereerd — bij andere problemen in het gezin, zoals armoede en
schulden, verslaving of psychiatrische problematiek? Ze moeten weten wat
dan de beste oplossing is. Dat is niet iets waarbij ouders erheen gaan,
een gesprek van tien minuten hebben en dan het goede antwoord hebben.
Dit zijn natuurlijk echt gesprekken waar kwaliteit voor nodig is. Is dat
meteen pijnlijk? In ieder geval is dat niet al te makkelijk; laat ik het
zo zeggen. We kennen ook allemaal wel voorbeelden van ouders die om hulp
vragen en eigenlijk verwachten dat ze die meteen krijgen op de manier
waarop ze denken dat het het beste is, terwijl professionals met een
bredere blik soms zien dat andere oplossingen meer voor de hand liggen
of in ieder geval effectiever zijn. Dat is misschien het pijnlijke wat
we bedoelen: op basis van goede analyses kan de goede hulp worden
geboden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Een aantal mensen, waaronder ik, vroegen inderdaad naar de doelstelling
en of die haalbaar is. Dan hoor ik de staatssecretaris zeggen dat er
veel gebeurt en dat er keuzes gemaakt moeten worden, zoals over stevige
lokale teams. Dat zijn allemaal woorden die volgens mij iedereen hier
onderschrijft, maar mijn vraag aan de staatssecretaris is dan waar zij
het op baseert dat die doelstelling nu wel haalbaar is, als dit de
afgelopen jaren, sinds ik in de Kamer zit, en ook daarvoor al
voortdurend gezegd is — ik denk dat de mensen die hier in de zaal zitten
dit misschien nog wel veel langer horen — en we weten dat de problemen
groter zijn dan ooit. De hulpverleners, de jeugdzorgmedewerkers, gaan de
komende tijd weer staken, omdat er weer enorme problemen zijn, of ze
gaan actievoeren. Waar baseert zij het dan op dat er nu echt wat anders
gedaan gaat worden dan de afgelopen jaren is beloofd? Dat vraag ik omdat
dat overduidelijk voor onvoldoende resultaten heeft gezorgd.
Staatssecretaris Tielen:
Om heel eerlijk te zijn, denk ik dat we in de betrokken organisaties
heel veel tijd besteden aan het met elkaar afwegen van belangen.
Iedereen doet dat vanuit het eigen belang en dat vind ik ook terecht,
maar het is soms misschien goed om het eigen belang van de organisatie
en de aangesloten organisaties niet per se helemaal bovenaan te zetten,
maar om eventjes weer te kijken waar het om gaat. Dan, zoals u ook
allemaal zei, zien we allemaal waar het om gaat, namelijk om kinderen en
hun gezinnen voor wie de problematiek te groot is om zelf op te lossen.
Daar moeten we mee aan de slag. Dat betekent dat we verder moeten gaan
dan de eindeloze … Het woord "eindeloos" is misschien iets te stevig.
Deze tafels worden natuurlijk heel veel gebruikt om met elkaar over van
alles en nog wat te onderhandelen. Onderhandelen betekent per definitie
dat je ervan uitgaat dat je verschillende belangen hebt. Die zijn er,
maar dat moet je niet wegduwen.
Je kan wel met elkaar vooropstellen waar het om gaat. We hebben een
hervormingsagenda. Daar is door allerlei slimme mensen heel veel over
opgeschreven. Daar staan allemaal goede dingen in. De
deskundigencommissie heeft daar ook aan gezeten. Laten we dat nou eens
even als basis pakken en dan met elkaar afspraken maken. Dan licht ik
vast een tipje van de sluier op van het blokje twee, over de Wet
reikwijdte. Dat is ook de reden dat die wat meer tijd heeft gekost. Ik
kan namelijk van alles uitroepen en toezeggen, maar ik kan het niet in
mijn eentje oplossen. Ik heb gemeentes, jeugdzorgaanbieders,
professionals en cliëntenorganisaties nodig om echt met elkaar diezelfde
visie te omarmen of in ieder geval te onderschrijven en met elkaar te
zorgen dat het voor elkaar komt. Ik kan dat niet met cijfers hard maken,
maar ik zie wel vooruitgang in het met elkaar zoeken naar de manier
waarop we dat gezamenlijk doen. Dat is volgens mij uiteindelijk de enige
methodiek om het met elkaar ook voor elkaar te krijgen. Als we dat
allemaal onderschrijven heb ik er dus vertrouwen in dat het ook
lukt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook dit zijn geen nieuwe woorden. Met alle respect voor deze
staatssecretaris: ook dit zeggen we al heel lang tegen elkaar, vinden we
al heel lang enzovoort. Mijn zorg is dat er wel een ambitieuze
doelstelling op tafel ligt, maar dat de plannen die nodig zijn om tot
die maatregelen te komen, niet worden uitgevoerd. Ik kijk naar het
komende coalitieakkoord. Er staat helemaal niets nieuws in, niets nieuws
ten opzichte van wat er de afgelopen acht jaar is gezegd. Ik kijk naar
de commissie-Van Ark. Iedereen zegt: we onderschrijven wat er in dat
rapport — het is een stevig rapport — staat. Vervolgens wordt het niet
uitgevoerd. Een heel aantal aanbevelingen die in het rapport van de
commissie-Van Ark staan — ik heb natuurlijk die routekaart enzovoort
allemaal goed bestudeerd — worden gewoon niet opgevolgd. Daar zit mijn
zorg: dat iedereen wel hetzelfde vindt, maar dat we vervolgens exact
hetzelfde blijven doen als de afgelopen jaren. Ik ben dus bang dat dit
met de maatregelen van de komende coalitie nog erger wordt, maar ik snap
dat de staatssecretaris daar niks over gaat zeggen. Waar baseert zij het
dan op dat die doelstellingen nu wel worden gehaald? Wat gaat er dan nu
echt fundamenteel anders worden?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld verwijst naar dingen die niet gedaan worden. Het punt
is dat het wel gedaan wordt, maar lang nog niet overal. Dat is, denk ik,
het grote verschil. Er zijn echt een aantal gemeentes waar dingen heel
goed gaan, waar stevige lokale teams zijn die breed kijken. Daar is
collectief aanbod voorliggend waardoor kinderen letterlijk zeggen: haal
mij maar van die wachtlijst af, want ik ben eigenlijk al geholpen met
wat ik doe. Daar zijn ouders goed betrokken en worden ook andere
elementen uit het sociaal domein aangepakt als dat nodig is. Die
gemeentes zijn er. Alleen zijn er nu nog te weinig gemeentes waar dat
heel goed lukt. Volgens mij hebben we nu met elkaar in "de vijfhoek"
afgesproken dat we dat gewoon breder uit gaan rollen. Ik hoef dus ook
niet helemaal origineel te zijn; we hoeven niet allemaal nieuwe dingen
te bedenken, want volgens mij delen we de analyses en delen we de
oplossingen. Daar zit het probleem niet. Het probleem zit in het gewoon
daadwerkelijk de daad bij het woord voegen en overal in Nederland
stevige lokale teams hebben en dat soort zaken.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Daar wil ik toch nog even op voortborduren. Er zijn dus blijkbaar ook
gemeentes waar dat dan dus nog niet op orde is of waar het lastig is. Ik
zou eigenlijk aan deze staatssecretaris willen vragen of het mogelijk is
dat wij eens een overzicht krijgen van waar dat dan blijkbaar toch nog
best wel ingewikkeld is. Het kan namelijk niet zo zijn dat dit in het
ene deel van Nederland wel goed geregeld is en in het andere deel niet.
De signalen van waar het niet goed gaat, bereiken ons natuurlijk wat
sneller dan de signalen van waar het wel goed gaat. Ik zou graag in de
vorm van een brief in ieder geval willen zien waar het wel goed gaat,
waar het nog niet goed gaat en waarom het daar dan nog niet goed gaat,
inclusief een tijdpad — ik gebruikte dit woord al in mijn eigen bijdrage
— van wanneer we wat kunnen verwachten. Zo meteen gaan we het ook hebben
over de wet over de reikwijdte. Met zo'n tijdpad kunnen we voorkomen dat
we op een gegeven moment die eindeloze discussies — ik ga het woord maar
wel gebruiken — krijgen over wanneer er wat gebeurt en de
afrekenbaarheid daarin. Dat gesprek heeft niet zo veel nut als we niet
weten wanneer we nou exact wat kunnen verwachten en waar we
waarschijnlijk het volgende kabinet dan ook op kunnen aanspreken. Ik heb
dus eigenlijk een paar vragen, maar die gaan wel gericht hierover.
Staatssecretaris Tielen:
Voor dat tijdpad verwijs ik toch gewoon naar de routekaart. Volgens mij
heb ik die vorige week gestuurd, dus laten we die gewoon even als basis
gebruiken. Ik hoop dat mevrouw Coenradie mij niet vraagt om van 342
gemeentes een soort rood-geel-groen-overzichtje te maken met daarbij de
uitleg wat er precies wel en niet goed gaat, want dat gaat me enorm veel
administratieve lasten opleveren. Dat geldt niet alleen voor mij — want
dan zou ik nog denken: oké — maar ook voor al die gemeentes, terwijl we
volgens mij juist willen dat we die hele administratieve last niet laten
oplopen. We kunnen wel een aantal voorbeelden geven van waar dingen goed
gaan. Ik noemde er al een paar. De rode draad daarin is vaak dat
partijen elkaar weten te vinden en dat gemeentes samen met professionals
en lokale teams met verschillende expertises vanuit andere sociale
domeinen een manier vinden om dicht bij het gezin, laagdrempelig,
inzicht te krijgen in wat er niet zo goed gaat en wat dan de beste
oplossing is. Daar kan ik dus een aantal goede voorbeelden van op papier
zetten als mevrouw Coenradie dat na dit debat nog nodig heeft, maar ik
ga geen stoplichtmodel van alle 342 gemeentes toezeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Toch zou ik dat wel willen. Een aantal goede voorbeelden wil ik best
geloven en het is ook fijn om te praten over de goede voorbeelden, maar
daarvoor zitten we hier vandaag niet. Althans, er zijn ook tal van
niet-goede voorbeelden, als ik alle verhalen van iedereen zo beluister.
Daar liggen ook precies de zorgen. Op het moment dat wij veel meer
inzicht krijgen in waar zaken niet goed gaan, kunnen we veel beter zien
waar het dan misgaat, wat er nodig is en wat er vanuit ons als Tweede
Kamer, dus niet vanuit de lokale overheid, maar vanuit de landelijke
overheid, nodig is om dat bij te sturen. Nu blijven we gewoon geen grip
hebben. We weten dat het daar wel een beetje goed gaat, maar dat het
overall eigenlijk niet zo goed gaat. Het blijft voor mij gewoon heel erg
wazig. Misschien ben ik de enige in dit debat, hoor. Maar ik krijg hier
gewoon niet een gevoel van grip op. Ik wil dat gevoel wel hebben.
De voorzitter:
Grip.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hou van grip, hoor. Ik hou ook van regie en dat soort zaken.
Tegelijkertijd denk ik dat een van de aspecten rondom opvoeding, jeugd,
gezin en het bieden van daadwerkelijk goede, passende jeugdzorg is dat
lang niet alles in vakjes, criteria en cijfertjes te vangen is. Dat is
misschien precies een van de kernproblemen waar we nu als samenleving
naar kijken als we het hebben over jeugdhulp. We proberen alles te
normaliseren en binnen bandbreedtes te krijgen. Met alles wat daarvan
afwijkt, moet iets gebeuren. Ik denk echter dat een deel van de
oplossing juist in iets zit waar we überhaupt geen grip op hebben, maar
wat wel heel belangrijk is en waar we met elkaar als samenleving een
dialoog over moeten voeren, namelijk: wat vinden we acceptabel en wat
niet?
Iemand zei in de eerste termijn al dat de perfecte opvoeding of het
perfecte gezin niet bestaat. Nee. Ik denk zelf dat dat je ook helemaal
niet tot een vrije, zelfstandige volwassene brengt. Dus ja, ik begrijp
de neiging tot grip heel erg, zeker omdat we het hebben over jongeren,
in sommige gevallen in heel kwetsbare situaties. We willen er als
samenleving en zeker als Rijksoverheid in ieder geval alles aan doen om
daar een vangnet voor te hebben, zodat dingen niet uit de hand lopen.
Maar laten we onszelf ook niet voor de gek houden en denken dat we met
een overzicht met alle cijfers, alle gemeentes enzovoort alles in handen
hebben om de jeugdhulp tot een hoger niveau te krijgen. Ik denk namelijk
niet dat dat de route is. Sorry, dit was een lang antwoord,
voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Het was ook hetzelfde antwoord. Ik kijk even naar mevrouw Coenradie.
Een derde interruptie?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, voorzitter, dan inderdaad een derde interruptie. De onderliggende
vraag is of we eigenlijk inzichtelijk hebben waar het wel goed gaat en
waar het niet goed gaat. Als het antwoord daarop ja is, dan is het
volgens mij niet ingewikkeld om de Kamer te voorzien van een overzicht.
Ik vraag niet om allerlei cijfers. Je kunt met elkaar kijken wat er
nodig is voor een overzicht. Ik wil gewoon weten waar het niet goed gaat
en waar dus aandacht nodig is. Gaat het om heel veel gemeenten of niet?
Ik heb nu geen idee. Gaat het over twee gemeenten in het land, of over
80% van de gemeenten? Waar hebben we het nou eigenlijk over? Het kan
niet ingewikkeld zijn om dat boven tafel te krijgen. Anders is er
inderdaad geen grip en geen regie en zitten we hier de volgende keer
weer hetzelfde gesprek te voeren.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zei al: als mevrouw Coenradie die 342 kleurtjes wil, dan krijgt ze
die wat mij betreft niet. Ik snap wel wat mevrouw Coenradie zegt. Ik zal
kijken hoe ik dat op kan schrijven. De goede voorbeelden die ik noem,
zijn natuurlijk de voorlopers die het heel goed doen. We hebben allemaal
voorbeelden van achterlopers, om het zo maar te zeggen. De grote kunst
is volgens mij om die hele middengroep mee te krijgen met de voorhoede.
Dat is waar we naar zoeken, denk ik. Dat is waar we met de lijnen in de
Hervormingsagenda ook richting aan willen geven. Als mevrouw Coenradie
zegt dat "goed" betekent dat het volgens de lijnen van de
Hervormingsagenda loopt — ik denk dat we elkaar daarin vinden — dan denk
ik dat ik daar wel een enigszins kwalitatieve duiding aan kan geven. Dat
heeft dan ook het doel om juist de middengroep, die misschien nog een
beetje zoekt naar een voorbeeld of naar hoe het moet, mee te krijgen met
de voorlopers. Ik ben zeker bereid om dat inzichtelijk te krijgen.
De voorzitter:
Kunnen we dat inzicht verwachten — ik noem maar wat — voor het
zomerreces? Een brief? U weet hoe het werkt, staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is het ingewikkelde van de dag van vandaag, natuurlijk. Het late
voorjaar, is dat wat? Het late voorjaar, dus zeker vóór de zomer. Ik
weet dat termijnen in de Kamer altijd allerlei mooie eufemistische
termen …
De voorzitter:
Dan hebben we "voor het zomerreces" en niet "voor de zomer"; dat zijn
ook altijd van die ... Maar goed, gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
We zijn bezig met een soort monitor om de uitvoering van de
Hervormingsagenda wat meer body te geven. De eerstvolgende keer dat we
hierover schrijven, zal ik in antwoord op de aanvraag wat meer woorden
hieraan wijden.
De voorzitter:
Excuus. Ik had niet onthouden dat mevrouw Dobbe een interruptie wil
doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
In het late voorjaar of voor de zomer horen wij dan hoe het loopt met de
Hervormingsagenda, maar ondertussen wordt de bezuiniging die erbij
hoort, of de besparing die ingeboekt zou moeten worden op basis van die
hervormingen, al wel 100% doorgevoerd. Dat is bijna een half miljard
euro. De commissie-Van Ark, die ik hier net als mevrouw Westerveld al
eerder noemde, zei: "Doe dat nou niet. Ga eerst besparen en als dat
lukt, boek je 'm in. Boek 'm dus in als een p.m.-post." Dat heeft dit
kabinet niet gedaan. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat er een
middengroep is en een achtergroep. Er gebeuren goede dingen, maar lang
niet overal. Het gebeurt op te weinig plekken en het probleem is dat op
te weinig plekken de daad bij het woord wordt gevoegd. Het is dan toch
duidelijk dat de Hervormingsagenda niet op alle plekken op het niveau
loopt zoals we hadden gepland, maar die bezuiniging wordt wél ingeboekt.
Dat kan toch niet zonder gevolgen blijven? Ik zou van de
staatssecretaris willen horen welke gevolgen dat volgens haar heeft,
zeker voor de middengroepen en achtergroepen die het nu dus blijkbaar al
niet lukt.
Staatssecretaris Tielen:
Conceptueel-theoretisch zou ik kunnen zeggen dat het interessant is om
dat p.m. te doen, want ik vind ook dat financiën uiteindelijk beleid
moeten volgen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Bovendien helpt het
soms ook om gewoon te beginnen met de hervorming die als doel heeft om
daadwerkelijk minder jeugdhulpgebruik voor elkaar te krijgen. Een aantal
van de echte voorlopers laten ook zien dat het kan. We gaan het wat mij
betreft dus niet veranderen. Ik geloof zelfs dat het echt kan
helpen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Theoretisch gezien is het dus een goed idee, maar in praktijk doen we
het anders. Dan mis ik toch wel de erkenning door deze staatssecretaris
dat dit gezinnen, jongeren en het werk van jeugdzorgmedewerkers ook heel
erg kan beschadigen. Je legt namelijk een bezuiniging op die niet is
gebaseerd op een maatregel, want die maatregel is misschien nog niet
doorgevoerd, maar ik mis de erkenning dat dit allemaal zonder schade aan
onze jeugdzorg kan. Dat vind ik heel kwalijk, want die komt er
natuurlijk wel.
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is wat mevrouw Dobbe mij nu precies vraagt. Uiteindelijk hebben
wij in 2015 een aantal afspraken gemaakt. Daar is op een gegeven moment
de Hervormingsagenda Jeugd uit voortgevloeid, met daarin de lijnen die
ik zojuist al aangaf. Inmiddels gaat er telkens heel veel meer geld naar
de jeugdzorg. Dat komt deels niet bij jongeren terecht, omdat het aan
administratieve lasten en dat soort dingen wordt uitgegeven. We zijn er
hard mee bezig om dat in te dammen. Het is nog steeds heel veel meer
geld dan het ooit was. Dat zei iemand anders volgens mij ook. Elk jaar
komt er meer geld bij.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, maar dat is het punt dat we altijd bereiken, in elk zorgdebat
waarbij er wordt bezuinigd. Op het moment dat er geen concreet antwoord
kan worden gegeven, komt het antwoord dat we elk jaar meer aan zorg
besteden. Maar toch bezuinigen we; dat is wel wat er gebeurt. In de
praktijk wordt er nu bezuinigd op de jeugdzorg, bijna een half miljard
euro dit jaar. De staatssecretaris weigert te erkennen dat dat negatieve
gevolgen heeft voor kinderen, gezinnen en mensen die het werk doen. Dat
vind ik heel kwalijk, want dat is gewoon niet eerlijk. Wees er dan ook
eerlijk over en zeg: deze bezuinigingen hebben gevolgen; dat is heel
pijnlijk, maar wij kiezen hiervoor. We kunnen er namelijk ook voor
kiezen om dit niet te doen. Wees er dan eerlijk over.
Staatssecretaris Tielen:
Wij geloven dat heel veel van de oplossingen voor juist die kinderen in
kwetsbare situaties liggen in de route die we met de Hervormingsagenda
neerzetten. Dat betekent dat er minder zware jeugdhulp nodig moet zijn
en veel meer gedaan moet worden in het voorportaal. Dat zijn dus de
lokale teams, enzovoorts. Dat kan echt. We kunnen het geld dus veel
beter met z'n allen besteden als we allemaal hetzelfde pad belopen,
dezelfde visie hebben daarop en met elkaar optrekken. Ik ben ervan
overtuigd dat we daarmee de jeugdzorg kunnen verbeteren. Dat geldt zeker
voor de toegang tot de jeugdzorg, voor al die kinderen die nu in
kwetsbare situaties te lang moeten wachten. Daarmee zijn een aantal
vragen beantwoord.
Dan kom ik bij de vraag, onder anderen gesteld door mevrouw Westerveld,
over de eigen bijdrage als onderdeel van de ambitie. Dit is ook niet de
eerste keer dat we hierover van gedachten wisselen in een debat, maar ik
snap de vraag. Uiteindelijk hebben we in het bredere pakket van
maatregelen rondom de Hervormingsagenda Jeugd en de versterking van de
jeugdzorg afgesproken dat er een eigen bijdrage komt. Hoe die er precies
uit zou zien, is destijds niet met elkaar besproken. We zien dat het
beroep op de individuele jeugdhulp best wel hard gegroeid is, terwijl
dit vaak niet de enige of de beste oplossing voor de problemen van die
kinderen is, maar wel een grote druk op de beschikbaarheid legt. Dat is
de reden om te werken aan een eigen bijdrage, waarbij met name het doel
is om bewuster te kijken of de vervolghulp die we nu kiezen passend en
effectief is. Er is daarvoor een besparing van 260 miljoen euro
opgeschreven. We zijn nu de verschillende vormen waarin het kan op een
rijtje aan het zetten, ook indachtig de oproep die een aantal keren
vanuit de Kamer heeft geklonken: hou nou oog voor juist die kwetsbare
gezinnen en kinderen die op andere vlakken ook al veel problemen voor de
kiezen krijgen. Dat zijn we nu op een rijtje aan het zetten en dat komt
later dit jaar naar uw Kamer. Dat waren de vragen over de eigen
bijdrage.
Meneer Stoffer vroeg hoe het staat met de brede jeugd- en gezinsaanpak.
Volgens mij is juist in die hele richting met stevige lokale teams de
brede jeugd- en gezinsaanpak geïncorporeerd, om het maar zo te zeggen.
Daarnaast zijn we, zoals ook in de brief stond, bezig met die sociale
agenda voor Nederland, waar ook de andere domeinen bij betrokken zijn.
Daar hoort het prachtige woord "integraliteit" bij. Dat betekent dat we
naast zorg ook oog hebben voor wonen, gezondheid, veiligheid en
onderwijs, om op die manier rondom gezinnen ook laagdrempeliger hulp te
kunnen geven. Die sociale agenda voor Nederland wordt later dit
kalenderjaar naar uw Kamer gestuurd; dat wil zeggen, de voortgang op dat
gebied. We hebben een ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategie
opgeleverd, waarbij we met name voor jongeren tussen 12 en 29 kijken hoe
we op al die domeinen stappen kunnen zetten. Dat doen we samen met
andere departementen van de Rijksoverheid, maar daarover zijn ook
gesprekken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Nationale
Jeugdraad. Dat loopt dus. Ik zie de heer Stoffer niet, dus ik kan niet
controleren of hij dat herkent.
De financiering van een sterke pedagogische basis. Enkele Kamerleden
refereerden al aan een sterke sociaalpedagogische basis. "It takes a
village to raise a child", werd al genoemd. Bij een sterke
sociaalpedagogische basis op meerdere domeinen spelen lokale teams een
rol, net als samenwerking met scholen, welzijnsorganisaties in de
gemeenten enzovoort, enzovoort. Dat is ook onderdeel van de afspraken
met de gemeenten.
Mevrouw Moinat vroeg wanneer groepshulp effectief of beter is. We zien
dat het helpt.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: er is een interruptie van de heer Hamstra van de
CDA-fractie.
De heer Hamstra (CDA):
Mijn vraag zag erop dat in uw voortgangsbrief gesproken wordt van een
minimumniveau voor die sociaalpedagogische basis. Wat ziet u dan als
minimum en waarom is dat het minimum? Kunt u daarvoor een adequate
onderbouwing geven?
Staatssecretaris Tielen:
We hadden het net al eventjes over hoe het wel en niet goed gaat in
gemeentes. In elke gemeente is er natuurlijk nagedacht, in 2014-2015 al,
over de vraag: hoe past dit het beste in onze gemeente, wat moeten we
inrichten? Nu proberen we, in overleg met gemeentes, aan te geven wat er
nodig is om het lokale team goed in te richten en wat de sociale basis
is. Je moet ervoor zorgen dat er een verbinding is in de afspraken. Dan
gaat het om welzijnsorganisaties, inloop- en ontmoetingsplekken en
infrastructuur voor informele steun. Dat klinkt een beetje raar, maar
het gaat erom hoe je ervoor zorgt dat informele steun ook betrokken
wordt bij problematiek. Denk ook aan de betrokkenheid van bijvoorbeeld
de jeugdgezondheidszorg, die bijna 100% van de gezinnen met jonge
kindjes ziet. Die samenwerking moet je in ieder geval hebben afgestemd
in de gemeentes. Daarnaast moeten de lokale teams de mogelijkheid hebben
om als team laagdrempelige hulp te bieden en breder te kijken dan alleen
naar problematiek rondom het kind. Denk aan problematiek rondom armoede
en schulden, geestelijke gezondheidszorg en al die dingen die we eerder
noemden. We proberen dit vast te leggen, zodat elke gemeente zich hierop
kan baseren en weet: dit wordt er van ons verwacht.
De heer Hamstra (CDA):
Tot slot. Er komt in het late voorjaar een brief naar de Kamer toe.
Misschien is het goed om daarin de best practices op te nemen van
gemeenten die de sociaalpedagogische basis hebben ingericht. Ik heb zelf
ook wel wat voorbeelden. Ik denk dat dat andere gemeenten kan
helpen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan hoop ik dat meneer Hamstra het oké vindt dat we niet alle 342
gemeentes op een rijtje zetten, want dan wordt die brief veel te dik.
Maar inderdaad, op die manier kun je dat doen. Welke gemeentes lopen
hierin voorop en hebben dit volgens de normen en afspraken goed
ingeregeld en welke lopen echt achter? Dan kunnen we de gemeentes in het
midden — dat is waarschijnlijk de grootste groep — een handreiking geven
om daarover in gesprek te gaan met hun gemeenteraden, want zo wil ik het
wel graag zien.
De laatste vraag in het blokje Hervormingsagenda Jeugd gaat over
groepshulp. Mevrouw Moinat vroeg hiernaar. We zien dat het werkt in
gemeentes — een voorbeeld van hoe die pedagogische basis kan worden
ingevuld — waar jongeren in groepen met elkaar spreken onder begeleiding
van professionals over hun eenzaamheidsproblematiek, angsten of
depressies. Soms staan ze op een wachtlijst. In de voorbeelden — dat is
geen gekwantificeerd onderzoek — zegt ongeveer de helft van de jongeren:
"Dit helpt mij enorm. Zij zeggen: "Ik weet dat ik niet alleen ben. Ik
ben met peers daarover in gesprek." We weten dus dat dat helpt. Er
blijven natuurlijk altijd vraagstukken die je niet in groepsverband
oplost. De weg moet altijd open blijven voor jongeren en ouders die
alsnog individuele hulp nodig hebben. Maar we willen eigenlijk
stimuleren om te beginnen met collectief aanbod, omdat het vaak gewoon
echt heel veel helpt.
Dan ga ik naar het volgende thema. Dat is de Wet reikwijdte. Ik had er
al een paar tipjes van de sluier over opgelicht. De vraag was: waarom
kan het niet sneller? "Ons was 2023 beloofd en nu krijgen we hem pas aan
het eind van het jaar te zien." Ik heb al gezegd dat ik het heel
belangrijk vind dat we de hervormingsagenda gezamenlijk opstellen. Het
moet dus niet zo zijn dat het Rijk verzint hoe het moet en dat de rest
dan maar geacht wordt hierin mee te gaan. Het moet echt een gezamenlijk
proces zijn, zeker met gemeenten. We verwachten namelijk heel veel van
de gemeenten daarbij.
We hebben heel zorgvuldig gekeken, zowel in de diepte als in de breedte,
naar wat we verwachten van het wetsvoorstel Reikwijdte. Het is namelijk
eigenlijk een aanscherping van de Jeugdwet, waarbij we de kwaliteit en
de toegang van jeugdzorg proberen te verbeteren. Daarover zijn we
uitgebreid in gesprek geweest met gemeenten, andere departementen,
jeugdzorgaanbieders, cliëntenorganisaties en professionals, om
uiteindelijk te kijken of hij ook daadwerkelijk effectief gaat zijn. Ik
houd namelijk niet van wetten waarmee we uiteindelijk niets kunnen. Hij
moet dus echt effectief zijn.
De wet zit nu in de afrondende fase. Wat mij betreft gaat hij zo snel
mogelijk in consultatie, zodat ook de rest van Nederland mee kan lezen
en daar zijn ideeën en opmerkingen bij kan geven. Wat mij betreft doe ík
dat nog, om het maar zo te zeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
De ervaring leert dat dit soort zaken enigszins vooruit worden gepland.
Is vanuit het ministerie al helder wanneer deze wet in
internetconsultatie gaat?
Staatssecretaris Tielen:
We zijn een demissionair kabinet, dus dat betekent dat de wet door de
ministerraad moet. Maar we verwachten dat hij eind van de maand in
internetconsultatie is. Dan verwachten we ongeveer acht weken
consultatie. Daarna hebben we een aantal weken nodig om alle opmerkingen
en vragen te verwerken. Dan gaat hij naar de Raad van State. Dat is dan
hopelijk in de zomer, zodat hij na de zomer, het liefst zo snel
mogelijk, maar dus in de laatste helft van het jaar gereed is.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Coenradie. Nee, toch niet, zie ik.
Check. Dan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoor de staatssecretaris zeggen: het heeft tijd gekost omdat we het
zorgvuldig willen doen, samen met andere partijen. Dat roept bij mij de
vraag op of we dan ook echt keuzes maken. Zorgvuldigheid is goed, maar
zeggen we ook wat wel en wat niet? Dat is namelijk waar om gevraagd
wordt.
Staatssecretaris Tielen:
In de brief heeft mevrouw Synhaeve kunnen lezen welke elementen er in de
Wet reikwijdte zitten. Misschien verwacht mevrouw Synhaeve dat er in de
wet al komt te staan wat we niet gaan scharen onder de definitie van
jeugdhulp. Ik bedoel dan met name zorgvormen en trajecten en zo. Dat
gaan we niet doen. Wat we gaan doen, is in de wet de mogelijkheid
creëren om die lijst te maken. We nemen hem niet in de wet op. Waarom?
Omdat er in dit stadium nog te veel verschillende vormen, beschrijvingen
en uitvoeringsteksten zijn rond verschillende zorgvormen. Daar nu al in
een wet strikte criteria aan geven gaat waarschijnlijk niet helpen.
Tenminste, het opnemen van strikte beschrijvingen helpt niet, maar het
opnemen van criteria wel. Dat is wat we proberen te doen. Zo zorgen we
dat dat soort keuzes uiteindelijk wel gemaakt kunnen worden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Die lijst met strikte criteria landt dus niet in het wetsvoorstel, maar
we hebben ze alsnog nodig. Kan er vanuit de staatssecretaris dan een
toezegging komen dat we daar parallel aan werken? Dan hoeven we niet
eerst te wachten op het wetsvoorstel en dan na te gaan denken over hoe
we dat specifiek gaan afbakenen.
Staatssecretaris Tielen:
We gaan het als volgt doen. We nemen in de wet de mogelijkheid op om bij
algemene maatregel van bestuur, zoals dat officieel heet, dus per AMvB,
zo'n soort lijst te maken. Ik nodig iedereen graag uit om daarover mee
te denken en om te kijken hoe we dat zo goed mogelijk kunnen doen. Ik
kan me dus aansluiten bij mevrouw Synhaeve als ze zegt dat we er geen
serieel maar meer een parallel proces van zouden moeten maken.
Als ik het goed begrepen heb, was de vraag van de heer Hamstra of het de
bedoeling is van de Jeugdwet dat met lichte hulpvragen bij de gemeente
wordt aangeklopt. Ja, dat is het. We willen heel graag dat je met lichte
hulp- of ondersteuningsvragen — dat geldt voor kinderen, maar natuurlijk
ook als het gaat om de opvoeding en het gezin eromheen — makkelijk in de
buurt terechtkan. De vraag is of dat moet leiden tot individuele
jeugdhulptrajecten. Daar zou ik liever nee op zeggen. Dat is waarom we
dat in de reikwijdtewet wat steviger opschrijven. Het faciliteren van
collectieve voorzieningen voor lichte vragen wordt onderdeel van het
wetsvoorstel Reikwijdte. Daarin komt ook een afwegingskader voor de
situaties waarvoor jeugdhulp bedoeld is, waar we net eigenlijk al een
beetje aan refereerden.
De vraag van zowel het CDA als GroenLinks-PvdA was, als ik ook die goed
heb begrepen: wie vallen er straks niet meer onder de Jeugdwet? De
Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen en ouders met uiteenlopende
problematiek. Dat varieert van chronische beperkingen tot mentale
klachten, opvoedproblemen enzovoort, enzovoort. Al die hulpvragen vragen
om passende antwoorden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Dat is
volgens mij precies waarom we zijn waar we zijn, want dat kan natuurlijk
per situatie verschillen. We proberen vooral ten opzichte van de
Jeugdwet scherper te krijgen hoe de afweging wordt gemaakt of je echt
aanvullende zorg nodig hebt of niet. We hebben bijvoorbeeld een
"ernstcriterium" — zo hebben we het maar even genoemd — opgenomen in het
wetsvoorstel Reikwijdte. Dat is het criterium van hoe ernstig iets
is.
Over de sterke pedagogische basis heb ik al een aantal vragen
beantwoord. Ik denk dat ik daarmee aan het einde van dit thema gekomen
ben.
De voorzitter:
Dat roept een interruptie op bij de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Twee vragen die ik nog gesteld had, waren hoe we het monitoren en of de
staatssecretaris scenario's klaar heeft liggen voor als we achterlopen
op schema. Eind 2028 moet het gaan om een op de tien jongeren. Ik hoor u
net iets zeggen over een AMvB en de lijst met criteria. Is dat een van
de scenario's die u klaar heeft liggen, zodat we kunnen intensiveren
wanneer we het niet gaan redden, of heeft u nog andere scenario's
daarvoor?
Staatssecretaris Tielen:
In de routekaart hebben we opgenomen op welk tempo we dingen doen en hoe
we dat een beetje bijhouden, dus hoe we monitoren dat we dat tempo ook
halen. Er is ons ook alles aan gelegen om dat te halen, vooral ook met
het oog op het vooruithelpen van al die kinderen en hun ouders en
gezinnen. Als we er onderweg, waarschijnlijk samen met u, achter komen
dat we toch niet op het tempo lopen dat we willen, dan zullen we daar op
de een of andere manier versterking in moeten aanbrengen. Ik heb nu niet
een rijtje met "als dit, dan dat" of "als zus, dan zo". Ik heb daar geen
beslisboom achter zitten. Maar de urgentie voelen we. De wens ligt niet
alleen bij mij, maar ook bij de partners met wie we dit doen en ik hoor
hem ook bij uw Kamer. Volgens mij kunnen we daar samen echt wel alert op
zijn en scenario's voor maken als dat nodig is.
Dan kom ik bij het thema residentieel, waar onder andere ook gesloten
jeugdzorg in besloten zit. Daar begin ik dan ook mee. De vraag van onder
andere mevrouw Westerveld was wat de stand van zaken is met betrekking
tot de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Die is best wel hard
afgebouwd de afgelopen jaren. In 2019 kenden we 1.680 plaatsingen in de
gesloten jeugdhulp. Afgelopen jaar, in 2025, waren dat er 656. Daar is
dus echt hard aan gewerkt. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk nog niet
waar we willen zijn, dus we zijn nog niet klaar. Voor een heel groot
deel van de jongeren die vroeger, zou ik bijna zeggen, in de gesloten
jeugdhulp terechtkwamen, is het gelukt om op een andere manier jeugdhulp
en de benodigde bescherming en veiligheid te bieden. Dat gaat niet
zomaar. Dat vergt echt wel wat. Ik hoorde de shout-outs, om het in goed
Nederlands te zeggen, van een aantal van uw Kamerleden richting de
professionals. Laat mij daar dan bij aansluiten, want het heeft ook echt
veel gevraagd van professionals en de organisaties om echt de-escalerend
en op relationeel gebied op te treden en te zorgen dat jongeren zich
veilig genoeg voelen om het ook voor medewerkers goed te houden. We
willen echter door met afbouwen. Om residentiële jeugdhulp te voorkomen
moeten jeugdigen en gezinnen die eerder passende hulp nodig hebben, die
dus ook kunnen krijgen en moeten we door blijven gaan met het
ontwikkelen van alternatieve vormen van jeugdhulp. Een en ander hangt
natuurlijk een beetje af van de zorg die in de regio beschikbaar is en
van de problematiek van de jeugdigen zelf. Soms kun je intensieve
ambulante hulp opzetten en soms zijn kleinschalige woonlocaties een
goede oplossing. Dat is dus verschillend, ook per regio. De organisaties
en professionals — "het veld", zoals ze het soms noemen — hebben daar
het Consortium Kleinschaligheid in de Jeugdhulp voor opgezet. Dat
samenwerkingsverband is aangegaan om het opzetten van kleinschalige
woonlocaties mogelijk te maken. Zij worden ondersteund door het
programma Transformatie Gesloten Jeugdhulp.
De D66-fractie vroeg naar de middelen die daarvoor beschikbaar zijn
gesteld. Om deze transformatie voor elkaar te krijgen, is door middel
van een specifieke uitkering 176 miljoen verstrekt aan de zeven
coördinerende gemeentes. Dat bedrag is primair bedoeld voor de afbouw
van gesloten jeugdhulp en voor de ombouw naar kleinschalige gesloten
jeugdhulp. De gemeentes kunnen deze middelen zelf inzetten, bijvoorbeeld
voor frictiekosten — dat zijn kosten die je hebt doordat je iets afbouwt
— of inderdaad voor het realiseren van die ombouw. Ik kan nu niet zeggen
waaraan het geld precies is besteed, want hier wordt achteraf
verantwoording over afgelegd. Het Rijk weet nu dus niet waaraan dat geld
wel of niet is besteed; daar heeft het geen inzicht in. Dat zullen we
krijgen als dit is afgerond. Dit over deze middelen.
Mevrouw Westerveld vroeg daarnaast om een reflectie op het onderzoek van
het zogenoemde PPRC, waarin staat dat de bekostiging van de jeugdzorg de
transformatie tegenwerkt. De vraag was volgens mij: heeft de
staatssecretaris dat gelezen? Ja, dat heb ik gelezen. Ik heb ook de
aanbevelingen gezien. PPRC beveelt ook aan om de registratie en de inzet
van jeugdhulp op regionale schaal te coördineren en om een regionale
plaatsingscoördinatie in te richten. We zijn bezig met het
standaardiseren van de gespecialiseerde jeugdzorg. Dat hebben we ook in
de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken. Wat we daaruit leren, zullen we
betrekken bij of samenvoegen met de aanbevelingen van PPRC. We evalueren
nu ook de plaatsingscoördinatie die al loopt. Ook daarbij zullen we
nagaan in hoeverre de aanbevelingen aansluiten bij onze evaluatiepunten.
We zullen daar uiteraard bij u op terugkomen. Dat wordt later dit
kalenderjaar. Mevrouw Westerveld vraagt mij nu buiten de microfoon
wanneer dat zal zijn. Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen? Ik
heb meegekregen "dit jaar", maar ja, het is pas februari en dat kan dus
variëren van februari tot en met december. Dus ik begrijp het wel; dat
is best wel een wijde spreiding. Ik kom daarop terug.
De voorzitter:
Dat wordt straks, in de tweede termijn, dus concreter. Dank u wel.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
Mevrouw Synhaeve had vragen over de nachtelijke kamerinsluiting, en
terecht, denk ik. Als ik het zo zeg, klinkt het alweer alsof we verder
zijn dan we zijn, maar er zijn twee wetstrajecten. Eén gaat over de
nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg en één over de
vrijheidsbeperkende maatregelen in de open jeugdzorg. Deze twee
wetstrajecten lopen parallel aan elkaar. Wat we nu doen op het gebied
van de gesloten jeugdzorg, is echt heel veel gesprekken voeren met
aanbieders, jongeren, professionals en experts. We moeten hier immers
heel zorgvuldig mee aan de slag zijn; mevrouw Synhaeve benoemt dat naar
mijn mening heel goed. Veiligheid voor iedereen, dat is zeg maar het
uitgangspunt en het doel dat we hierbij willen. Dat geldt dus voor de
jongeren, dat geldt voor de professionals, dat geldt voor andere
jongeren die in gesloten jeugdzorginstellingen verblijven. Daarom hadden
we ook al aangegeven dat het slechts in uitzonderlijke situaties zou
gelden, met nog een aantal waarborgen. Daar hebben we nu dus al die
gesprekken over. Ik zou willen toezeggen dat ik voor de zomer verslag
doe van wat we uit die gesprekken ophalen en wat we daarmee willen
rondom dit wetstraject. En met betrekking tot de vrijheidsbeperkende
maatregelen in de open jeugdhulp loopt nu een pilot, onder andere voor
maatregelen met toestemming. Ik heb daar een aantal weken geleden een
kijkje genomen en was ook met jongeren in gesprek daarover. De
uitkomsten van die pilot wil ik eerst afwachten. Ook daarover wordt u
uiteraard geïnformeerd. Die uitkomsten zijn uiteraard ook van groot
belang voor het vervolg van dat wetstraject.
Mevrouw Wendel vroeg daarover: hoe wilt u het vormgeven? Nou, op basis
van de expertise van allerlei mensen die daarbij betrokken zijn en met
wie we nu uitgebreide gesprekken aangaan om te kijken hoe we dat zo
zorgvuldig mogelijk en goed mogelijk kunnen vormgeven. Ik wil daar toch
ook bij zeggen dat het daarbij echt gaat over een heel beperkt aantal
situaties waarin dit wellicht nodig zou zijn, dus des te zorgvuldiger
moeten we dit ook doen. Maar ik verwacht geen grote financiële
consequenties daarvan. Misschien is het ook wel goed om te zeggen dat we
de motie-Dobbe over het verminderen van de noodzaak van insluiting,
daarbij uiteraard voortdurend in de hand houden.
Mevrouw Synhaeve vroeg of er ook alternatieven zijn voor waar nu al
wordt gewerkt met deurverklikkers of cameratoezicht. Die maken onderdeel
uit van alle gesprekken over hoe we aan de ene kant de veiligheid en aan
de andere kant de zorgvuldigheid van eventuele wetgeving goed
neerzetten.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zat nog even bij de vorige toezegging. Als ik die goed begrepen heb,
gaat ze over de nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg. Ik
hoorde daarover de toezegging: "Voor de zomer kom ik met een verslag
over de uitkomst van die gesprekken." Daar ben ik ook wel blij mee, maar
dat was niet de toezegging waar ik om gevraagd had. Wat ik gevraagd heb:
eerst de lopende onderzoeken naar de impact van deze nachtopsluitingen
en de uitkomsten van de gesprekken afwachten, en die met de Kamer delen
alvorens er onomkeerbare stappen gezet worden in dit nieuwe
wetsvoorstel.
De voorzitter:
Dat is gekoppeld aan die onomkeerbare stappen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat we dezelfde taal spreken hier, dus volgens mij begrijpen we
hetzelfde.
De voorzitter:
Ja? Zeker?
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De voorzitter:
Akkoord, helemaal goed.
Staatssecretaris Tielen:
Dus die toezegging gaat zowel over de uitkomsten van die gesprekken als
over wat er verder uit het onderzoek is opgehaald, en niet onomkeerbare
stappen nemen. Dat vind ik eigenlijk heel logisch, dus ja.
Een aantal vragen van zowel GroenLinks-PvdA als SP als D66 over het
hersteltraject en het vervolg op het rapport van Jason Bhugwandass, en
Erkenning en Herstel. De vraag is: waarom duurt dat lang? Allereerst nog
even dit. Ik denk dat het mevrouw Westerveld was die refereerde aan het
interview met Indra en Jason. Ik denk dat het gewoon altijd wel goed is
om even stil te staan bij hoe ontzettend vreselijk dat is voor
betrokkenen en de mensen die van Indra hielden, maar bij wijze van
spreken ook voor ons allemaal. Laat me dus hierbij nog zeggen dat dat
verschrikkelijk is en dat mijn gedachten uitgaan naar alle mensen die
van haar hielden. Tegelijkertijd snap ik ook heel goed dat we met
Erkenning en Herstel voort moeten, maar dit is ook weer typisch iets wat
niet vanuit een ministerie of zo geregeld moet worden, maar juist in
gesprekken met mensen die het betreft. Wat we gedaan hebben, is
gesprekken voeren met de mensen die het betreft, dus
ervaringsdeskundigen. We hebben ook gesprekken gevoerd met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten en Jeugdzorg Nederland om te kijken of we
hetzelfde verwachten en hoe we dat kunnen vormgeven op een manier die
recht doet aan de vraag. We hebben een zestal pilots gestart, die
volgens mij voortkomen uit het amendement van mevrouw Westerveld. Denk
aan menselijk lotgenotencontact, erkenningsdagen en dat soort
activiteiten, om ervan te leren wat daadwerkelijk recht doet aan dat wat
we met elkaar verwachten. Vanuit die pilots voeren we de gesprekken. Op
basis daarvan willen we het erkennings- en hersteltraject tot een
conclusie brengen. We verwachten dat dit in mei ter beschikking komt.
Dan kunnen we u ook informeren erover.
Wat ik hier lastig aan vind, is dat je aan de ene kant wil dat er vaart
in zit, dat je ziet dat het gebeurt, maar aan de andere kant moet het
recht doen aan alle verschillende tempi die de verschillende betrokkenen
verwachten. Tegen iedereen die zegt dat het sneller kan, zeg ik: u heeft
gelijk. Tegen iedereen die zegt dat het zorgvuldig moet, met oog voor de
betrokkenen, zeg ik: u heeft ook gelijk. Dat is het tempo dat we nu
proberen te volgen.
Dan kom ik bij Mockingbird en pleegzorg. Mevrouw Synhaeve vroeg naar
Mockingbird. Ik ben daar ook heel enthousiast over, moet ik heel eerlijk
zeggen. Het ziet er gewoon echt heel effectief uit. Het werkt echt goed
voor pleeggezinnen en daarmee ook voor de jongeren en de ouders die het
betreft. Dus dat is heel mooi. Vorig jaar juni hebben we een soort
maatschappelijke businesscase gepubliceerd over de Mockingbirdmethode.
In dat rapport zitten een aantal handvatten voor de sector om
Mockingbird verder in te richten, te ontwikkelen en ook
toekomstbestendig te maken. Maar het is wel aan de gemeenten om dat te
doen, in samenwerking met de pleegzorgaanbieders. Dat kan ik ze niet
opleggen, maar ik wil ze graag enthousiasmeren om ermee aan de slag te
gaan. Laat ik het zo zeggen.
Er was een vraag over de bijzondere kosten bij pleegzorg. In 2025 hebben
we 2,5 miljoen euro vrijgemaakt om te zorgen dat pleegouders in het
vrijwillige kader ook recht hebben op vergoeding van bijzondere kosten.
Dat is per dit jaar ook als recht opgenomen in de Regeling Jeugdwet.
Gemeenten en aanbieders hebben dan afspraken te maken over de uitkering
ervan. Als ik spreek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten of
Jeugdzorg Nederland, benoem ik dat ook, zodat ze er ook mee aan de slag
gaan.
De heer Van Houwelingen vroeg naar pleeghuizen en pleeggezinnen, en
seksueel misbruik daarin. Hij vroeg hoe dat kan. Daar heb ik natuurlijk
geen eensluidend antwoord op. De heer Van Houweling doet de suggestie om
alleen kinderen van hetzelfde geslacht bij elkaar te plaatsen. Daarmee
suggereert hij dat die ellende daarmee uit te sluiten is. Ik denk dat
dat niet zo is. We proberen uiteraard wel om seksueel
grensoverschrijdend gedrag te voorkomen en om het zo vroeg mogelijk in
beeld te krijgen als het voorkomt. We kunnen het nooit helemaal
uitsluiten, helaas. Bij de matching tussen pleeggezinnen en kinderen
kijken we wel naar het risico daarop. Het is onderdeel van de
kwaliteitscriteria voor gezinshuizen en de matchingsmodellen in de
pleegzorg. Op basis daarvan proberen we dit zo veel mogelijk te
voorkomen.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor het antwoord. De staatssecretaris heeft natuurlijk
gelijk: het is nooit uit te sluiten, maar om voor de hand liggende
redenen wordt het risico wel veel kleiner, lijkt me. Dat is het dan toch
waard om het risico veel kleiner te maken?
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of ik de aanname van de heer Van Houwelingen helemaal
onderschrijf. Dan zouden we er meer over moeten weten, of dat echt zo
is. De kwaliteitscriteria voor gezinshuizen en de matchingsmodellen in
de pleegzorg zijn gebaseerd op professionele kennis en onderzoek. Ik
denk dat we daar voldoende aan hebben.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het spijt me. Dit kost me ook weer twee interrupties. De aanname is dat
dit in het algemeen gebeurt door mannen naar vrouwen en door vrouwen
naar mannen. Dat is de aanname. Dat is vanzelfsprekend, dus daarom is
dat mijn aanname. Ik weet niet of dat een discutabele aanname is. Bij
kinderen van hetzelfde geslacht is de kans dus … Goed, dat spreekt toch
voor zich? Dat ik dat nog moet gaan uitleggen hier!
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt. Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Het is niet zo dat seksueel grensoverschrijdend gedrag in 100% van de
gevallen alleen van man op vrouw en van vrouw op man gaat.
Meneer Van Houwelingen vroeg ook waarom de inspectie niet één keer per
jaar langsgaat bij de pleeggezinnen. Daar was ook een interruptiedebat
met een aantal andere Kamerleden over. Ervoor zorgen dat pleegkinderen
veilig zijn in hun pleeggezin begint natuurlijk bij goede pleegouders.
Er wordt alles aan gedaan om pleegouders vaardig te maken om die
veiligheid en warmte te bieden. Laat me dan ook dit moment gebruiken om
te zeggen dat honderden pleegouders dat echt met volle overgave en
warmte doen. Dat doen zij om te zorgen dat kinderen een heel veilig
opgroeien, bijna net als thuis, ervaren. Dat is heel erg fijn. Daarnaast
is er een pleegzorgbegeleider, die het pleegkind begeleidt, en zijn er
onafhankelijke vertrouwenspersonen. Op die manier is er dus echt een
veiligheidsnet rondom het pleeggezin. De IGJ houdt ook landelijk
toezicht op de pleegzorgaanbieder door informatie op te vragen, door met
betrokkenen te spreken en door bij de aanbieders langs te gaan. Het is
niet de rol van de inspectie om ook bij de pleeggezinnen achter de
voordeur te komen. In het thematisch toezicht op pleegzorg van de
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd staan aanbevelingen over hoe het
contact met pleegkinderen betekenisvol wordt vormgegeven, en hoe hun
stem mee kan worden genomen. Ik voorzie dus niet dat het beter wordt als
de IGJ bij alle pleeggezinnen langsgaat.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor deze beantwoording. Ik begrijp dat er natuurlijk een
veiligheidsnet en maatregelen zijn om te voorkomen dat kinderen
mishandeld worden in pleeggezinnen, maar die hebben niet gewerkt. De
incidenten zijn ook bij de staatssecretaris bekend. Ik begrijp oprecht
niet dat, als ik hier een suggestie doe die die kans in ieder geval
verder vermindert, de staatssecretaris zegt dat de inspectie die rol
niet heeft. Mijn vraag was daarom: zou het een goed idee zijn om
aanvullend de inspectie ook die rol te geven? Dat is mijn vraag.
De voorzitter:
Daar kan een antwoord op komen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat kan. Mijn antwoord is dat mijn overtuiging is dat dit niet per
se zo is.
De voorzitter:
Oké. De staatssecretaris gaat verder.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Van Houwelingen suggereerde ook om een enquête te houden onder
volwassenen die in een pleeggezin hebben gezeten. Daar is al heel veel
kennis over. Er is een best dik rapport verschenen in 2019 van de
commissie-De Winter, waarin heel veel aandacht wordt besteed aan
slachtofferervaringen en andere ervaringen. Ik denk, heel eerlijk, niet
dat we met een nieuwe enquête veel nieuwe dingen ophalen. Dat laat
onverlet dat we, zoals meneer Van Houwelingen zegt, ook op de langere
termijn moeten blijven kijken naar wat er in de jeugdzorg gebeurt. Wat
voor effect dat heeft op het latere leven, hoort een belangrijk thema te
blijven in hoe we naar de jeugdzorg kijken en hoe we die inrichten met
elkaar.
Meneer Ceder vroeg naar de kwaliteit van gezinshuizen: hoe verbeteren we
die? De kwaliteitscriteria voor gezinshuizen worden op dit moment
geactualiseerd, om ze beter te laten aansluiten op de praktijk. Dan gaat
het bijvoorbeeld om screenen op vaardigheden en deskundigheid, en zorgen
dat gezinsouders goed geschoold zijn en ook extra deskundigheid kunnen
inzetten. Het Platform Gezinshuizen, het Nederlands Jeugdinstituut,
gemeenten, aanbieders en professionals zijn betrokken bij het updaten
van die kwaliteitscriteria. Het kenniscentrum Kwaliteit en Blijvend
Leren ondersteunt dat. Verder ga ik graag in overleg met de sector om te
bekijken hoe we de gezinshuiszorg nog verder kunnen versterken.
Gemeentes kunnen daar een belangrijke rol in spelen, dus die neem ik
daar graag in mee.
Voorzitter. Tot slot op dit thema de vraag van mevrouw Westerveld over
het onderzoek naar aanleiding van het ZIKOS-onderzoek. De oplettende
kijker zag aan mijn non-verbale communicatie al dat mevrouw Westerveld
en ik hierbij, denk ik, dezelfde emoties hebben. Ik ben juridisch, maar
kennelijk dus ook niet persoonlijk, niet in staat geweest om medewerking
aan het onafhankelijke onderzoek af te dwingen zonder de
onderzoekscriteria tekort te doen, om het maar zo te zeggen. Heel
eerlijk gezegd is een bestuurlijke boete niet iets wat ik in kan zetten.
Ik weet ook niet of het helpt. Maar ik ben eigenlijk ook nog niet heel
erg bereid om er een punt achter te zetten, dus laat mij kijken hoe we
met de bracheorganisaties samen kunnen kijken welke oplossingen er nog
liggen om toch onafhankelijk vervolgonderzoek te kunnen doen.
Uiteindelijk willen we namelijk allemaal gewoon graag inzicht hebben in
wat er fout heeft kunnen gaan in welke gevallen en wat voorkomen zou
kunnen worden.
Dan ga ik naar de vragen over de overige bedrijfsvoering, te beginnen
met de administratieve lasten. Er was een vraag van mevrouw Wendel en
van mevrouw Coenradie over het verminderen van de regeldruk. Dat is een
belangrijk onderwerp. We hebben afspraken gemaakt over standaardiseren
in de jeugdzorg. Dat zijn we aan het doen, want we zijn nog niet klaar.
Het nadeel nu is dat elke gemeente en elke gemeenteraad zijn eigen
recept van eisen kan opstellen als het gaat over jeugdzorg. "Nadeel" is
misschien niet het goede woord, want het is niet gek dat dat kan, maar
we willen het eigenlijk wel verminderen. We gaan producten en
registratie-eisen landelijk standaardiseren. Dat moet die
administratieve lasten voor een groot deel verminderen. Ik zou ook graag
het aantal onderling verschillende uitvragen van gemeentes verminderen,
bijvoorbeeld door het uniformeren van uitvragen als het gaat om
kostprijzen, wachttijden en dat soort dingen. Daar hebben we ook
afspraken over gemaakt. We proberen dus gewoon meer standaardisatie aan
te brengen rondom alle criteria in het jeugdzorgaanbod.
Mevrouw Coenradie vroeg ook naar de uitstroom van professionals en wat
we doen om de arbeidsmarkt vitaal te houden, om het zo maar te zeggen.
Neem 2024. Tussen het eerste kwartaal van 2024 en het eerste kwartaal
van 2025 zijn er 5.190 medewerkers begonnen in de jeugdzorg. In
diezelfde periode zijn er 4.130 jeugdzorgmedewerkers uit de branche
gegaan. Gelukkig was er dus een nettogroei, maar ook daar geldt dat we
niet tevreden achterover kunnen leunen, want het blijft gewoon een groot
vraagstuk. Morgen gaan we dat waarschijnlijk ook horen van de
medewerkers zelf. Het blijft gewoon van groot belang dat personeel naar
tevredenheid kan werken in de sector, want ze doen belangrijk werk. Dat
doen we deels door de administratietijd te proberen te halveren, door
betere inzet van personeel en technologie, door meer, sneller en beter
op te leiden en vooral door werkplezier in te zetten om medewerkers te
behouden. Vorige week zagen we dat in de hele zorg ook zeggenschap een
belangrijk element is om grip op je werk te hebben en daarmee ook
plezier in het werk. Dat zijn allemaal elementen die passen bij het
totale plan voor de arbeidsmarkt zorg en welzijn, maar speciale aandacht
voor jeugd is een goede.
Meneer Hamstra vroeg of we het personeel wel hebben meegenomen in de
uitwerking van de reikwijdtewet. Ons doel van die hele wet is natuurlijk
om het gebruik te verminderen en daarmee ook de druk op de jeugdhulp en
jeugdzorg te verminderen. Daarmee hopen we de zorg te kunnen verbeteren
en voor de medewerkers ook het werk te kunnen verbeteren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik ga natuurlijk rechtop zitten als de staatssecretaris het heeft over
het vitaal houden van de arbeidsmarkt. Ze refereert inderdaad ook aan de
jeugdzorgmedewerkers die morgen in actie komen. Het lukt dus nog niet zo
heel erg goed om de arbeidsmarkt vitaal te houden, want mensen moeten in
actie komen voor de meest basale dingen die hun werk aantrekkelijk
maken. Dat is niet alleen maar een fatsoenlijk loon, maar inderdaad ook
zeggenschap en minder werkdruk; het zijn een heleboel factoren. Die
cao-onderhandelingen liggen vast. Die mensen zijn wel cruciaal als het
gaat om het behoud van de jeugdzorg en alle plannen die we hier hebben
om de jeugdzorg beter te maken. Eerder, bijvoorbeeld toen de cao van de
apotheekmedewerkers vastliep, ook zo'n belangrijke cao, hebben we de
minister opgeroepen om een bemiddelende rol te spelen. Ik wil eigenlijk
aan de staatssecretaris vragen of zij bereid is om hetzelfde te doen.
Voordat zij antwoordt dat zij niet over de cao's gaat: dat snap ik,
helemaal mee eens; moeten we ook vooral niet doen. Maar we hebben ook
eerder gezien dat een bemiddelende rol niet intreedt op de
verantwoordelijkheden van een cao en de onderhandelende partijen, maar
wel heel erg kan helpen. En het is ook eerder gedaan. Mijn vraag is dus
of de staatssecretaris bereid is om dat te doen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben blij dat mevrouw Dobbe zegt dat we ook niet zouden moeten willen
dat de politiek zich gaat bemoeien met de cao-onderhandelingen. Dat
lijkt me echt iets tussen werkgevers en werknemers. Ondertussen kunnen
wij als kabinet samen met onder andere de Kamer wel oog blijven houden
voor wat er nodig is op de arbeidsmarkt, zoals zeggenschap en dat soort
zaken. Maar ik ga me echt niet bemoeien met de cao.
De voorzitter:
Toch nog wel?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, dat is jammer. Dit kost mij een interruptie omdat de
staatssecretaris gewoon niet antwoordt op mijn vraag. Mijn vraag was
heel concreet of de staatssecretaris bereid is om een bemiddelende rol
te spelen. Dat kan zonder inbreuk te doen op de onderhandelende
partijen, want dat is ook eerder gedaan. De minister van VWS heeft dat
eerder gedaan, bij de apotheekmedewerkers. Dat kan heel erg helpen om de
cao-onderhandelingen los te trekken. Mijn vraag aan de staatssecretaris
is heel concreet om zich niet te bemoeien met de cao, maar wel een
bemiddelende rol te spelen. Die kan deze staatssecretaris prima op zich
nemen.
Staatssecretaris Tielen:
In mijn verwachting, maar misschien moet mevrouw Dobbe dat dan een
andere keer beter uitleggen, is bemiddelen natuurlijk bemoeien. Dat is
natuurlijk precies wat het is. Heel eerlijk gezegd kan ik daar dus geen
ja op zeggen.
Ik ga door naar de vragen over de evc-fraude. Dat is ook iets waarover
ik wat zou willen zeggen met emotie, maar ik ga proberen er heel
zakelijk over te zijn. Fraude is überhaupt onacceptabel, maar zeker als
het hierom gaat. Het is ook echt onuitstaanbaar. De vraag van mevrouw
Synhaeve was: wat heeft de staatssecretaris gedaan tegen die
nepdiploma's? Vorig jaar hebben we 1 miljoen euro aan de SKJ verstrekt
om onderzoek te doen naar registraties van evc-houders. Ik heb u
geïnformeerd over wat daar ongeveer uit kwam. Daar werden we niet heel
vrolijk van, kan ik u zeggen. De minister van VWS heeft collega's
opgeroepen om terughoudend te zijn met werk op basis van
evc-certificaten. Inmiddels is dat ook even on hold gezet. Ik kan niet
zeggen hoeveel kinderen hierdoor wel of niet risico hebben gelopen. Dat
is ook lastig inzichtelijk te krijgen, denk ik. Wat mij betreft is het
ook belangrijker om te zorgen dat dit gewoon niet meer kan en dat als er
evc's zijn, die ook gewoon geldig zijn. Mochten mensen signalen of
zorgen hebben over de kwaliteit van zorg, dan kunnen die uiteraard
altijd gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg.
Mevrouw Coen…
De voorzitter:
Eerst heeft mevrouw Synhaeve een interruptie.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik maak me nu vooral zorgen over al die mensen die nu met een nepdiploma
in de zorg werken. Daarop mis ik de actie vanuit het kabinet, van deze
staatssecretaris. Wat gaan we nou doen om hen op te sporen en te zorgen
dat ze niet meer met deze kinderen kunnen werken? Daar is het amendement
dat ik nu heb ingediend ook op gericht. Ik heb namelijk het idee dat die
stappen nu niet gezet worden en dat daar ook geen budget voor vrij is
gemaakt.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, wij hadden inderdaad gehoopt dat we het met 1 miljoen euro allemaal
inzichtelijk zouden hebben, maar noch qua tijd noch qua geld is het
helemaal afgerond. We hebben wel heel veel inzichten gekregen die ook om
vervolgstappen vragen; ik denk dat mevrouw Synhaeve daar terecht
opmerkingen over heeft gemaakt. Daarover zijn we samen met gemeenten en
jeugdzorg in gesprek om te kijken hoe we dat gezamenlijk op kunnen
lossen. Ik denk dat het ook een gezamenlijk probleem is en een
gezamenlijke oplossing is in ieder geval het beste. Ik moet in tweede
termijn even terugkomen op hoe en wat, op wat we daar precies aan
doen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Heel even hierop doorgaand. Ik had hierover natuurlijk ook schriftelijke
vragen gesteld. Die zijn overigens keurig netjes beantwoord, maar ik had
daarbij natuurlijk ook de volgende vraag. Het is op dit moment niet
bekend om hoeveel mensen, wie en waar het gaat. Ik heb ook gevraagd
waarom niet direct iedereen met zo'n certificaat op non-actief wordt
gezet, aangezien we nu uiteindelijk niet weten of er nog kinderen zijn
die zorg krijgen van iemand met zo'n verkeerd certificaat. Dat was dus
even de vraag. Ik haal dus niet uit de beantwoording wat nu de bedoeling
is en hoe we hier nou mee verdergaan.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap de vraag van mevrouw Van Meetelen, want soms denk ik ook meteen:
laten we dat doen. Tegelijkertijd zijn ook heel veel mensen die met een
evc-certificaat werken wel gewoon op valide wijze en met zorg van goede
kwaliteit aan de slag. Je kan die niet zomaar in de wacht zetten, ook
juridisch niet. Dat zou ook niet eerlijk zijn, denk ik. We proberen dit
wel echt op een goede manier te doen, die juridisch klopt en ook recht
doet aan al die mensen die wel van goede wil zijn en die goede kwaliteit
leveren. Dat vergt gewoon net iets meer stappen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat snap ik volkomen en daar heeft u natuurlijk helemaal gelijk in. Het
is ook oneerlijk, maar het is natuurlijk veel oneerlijker als er
eventueel kinderen verkeerde zorg krijgen of als er nog meer worden
geronseld of wat dan ook op wat voor manier dan ook. Dat lijkt mij vele
malen schadelijker dan dat we iemand even een tijdje op non-actief
zetten. Het lijkt mij dat de zorg voor die kinderen voorop moet staan.
Ik vraag dus nog een keer: waarom doen we dit niet?
Staatssecretaris Tielen:
Deels verwijs ik naar mijn eerste antwoord. Daarnaast heeft Jeugdzorg
Nederland, de brancheorganisatie, gezegd: we houden even op met
evc-certificaten. De branche zelf heeft daar dus ook een rol in en de
branche pakt die rol ook, onder andere op basis van het onderzoek. Ik
verwijs ook weer naar wat ik zei: dit is ook iets waar we echt met
gemeenten, jeugdzorg en Rijk samen gewoon goede stappen in moeten
zetten, denk ik, zodat we ook weer met z'n allen op de goede koers
zijn.
Een vraag van mevrouw Coenradie over de landelijke regie en lokale
versnippering; zo noemde zij dat: "versnippering". Dat vraagt om een
balans. In elke gemeente zijn dingen gewoon anders, ook omdat het anders
is om op te groeien in Appelscha dan in Rotterdam-Zuid; dat weet mevrouw
Coenradie misschien zelf nog wel het beste. We proberen dus landelijke
kaders neer te zetten en waar nodig op regionaal niveau bindende
afspraken te maken. Daar hebben we de Wet verbetering beschikbaarheid
jeugdzorg voor aangenomen; eigenlijk heeft u hem aangenomen en de Eerste
Kamer ook. Die wet is per dit jaar van kracht. We willen met die wet —
hoe noem je dat? — versnipperingsproblemen enigszins tegengaan. Met het
wetsvoorstel Reikwijdte gaan we ook proberen om wat meer kaders te
geven, maar uiteindelijk blijft het natuurlijk ook wel van belang om
lokale verschillen aan te pakken als het kan, als het nodig is.
Nogmaals, er zijn gewoon heel veel verschillende gemeentes, met andere
vraagstukken, andere problemen.
Mevrouw Dobbe vroeg naar de aanbestedingen. Gemeentes zijn niet
verplicht om aan te besteden; volgens mij kwam dat in de
interruptiedebatjes ook al even terug. De manier van inkopen moet passen
bij de visie van de gemeente en bij het type jeugdzorg dat nodig is. We
hebben een ketenbureau — dat heet i-Sociaal Domein — dat gemeenteregio's
kan helpen bij het kiezen van een bepaalde inkoopstrategie. Ondertussen
zijn we bezig met bijvoorbeeld het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering
zorg- en jeugdhulpaanbieders om aan de ene kant ervoor te zorgen dat
gemeenten handvatten krijgen om bij goede aanbieders in te kopen, en
daarnaast zijn we bezig met standaardisatie om administratieve lasten te
verminderen.
Mevrouw Dobbe zou ook graag een staatscommissie willen instellen om te
zoeken naar jeugdzorgoplossingen die anders georganiseerd zijn. Elk
stelsel kent voor- en nadelen, of dat nou helemaal overheidgestuurd is
of marktgeoriënteerd of wat dan ook. Je kunt overal voor- en nadelen aan
hangen. Mevrouw Dobbe heeft dan waarschijnlijk een net iets ander rijtje
dan ik zou hebben. Het gaat er echter om dat wat ons betreft een
volledige stelselwijziging nu niet aan de orde is. Het is volgens mij
belangrijk om negatieve effecten te voorkomen. We zijn dus bezig met een
wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders. Daar
heb ik net al iets over gezegd. Dat is om meer te kunnen borgen dat de
kwaliteit van aanbieders goed is. We zijn bezig met standaardisatie van
specialistische jeugdzorg en we kijken of een vergunningplicht van
toepassing is en ook daadwerkelijk effectief kan zijn. Nogmaals, je
hoeft als gemeente niet aan te besteden als je dat zou willen; er zijn
andere vormen voor en daar kan ook bij geholpen worden.
Een andere vraag van mevrouw Dobbe was naar aanleiding van haar motie
dat gemeenten niet op de stoel van jeugdzorgmedewerkers zouden moeten
gaan zitten. Ik ben het heel erg met mevrouw Dobbe eens dat we moeten
zorgen dat gemeenten goed samenwerken met lokale teams, met
gecertificeerde instellingen en met andere professionals en verwijzers.
Ze moeten goed van elkaar weten wat hun rol is, maar moeten ook
gezamenlijk kijken naar het gezin waar het om gaat. Omdat gemeentes een
breder beeld hebben, zeker met goede lokale teams, hebben ze een goed
beeld van wat er in gezinnen eventueel aan oplossingen mogelijk is. Het
is dus ook aan die lokale teams om op dit punt goed samen werken. De
motie vraagt om gemeentes hierop aan te spreken. Dat doen we natuurlijk,
in alle overleggen die we als Rijk hebben met gemeentes, gecertificeerde
instellingen en aanbieders. Er komt een aanpak, maar daar zal de
staatssecretaris van JenV nader op ingaan als het over het
Toekomstscenario gaat. Ik zie mevrouw Dobbe knikken, maar ze heeft toch
nog een vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het heel goed is om, zoals de motie ook vraagt, gemeenten
erop aan te spreken om niet op de stoel van de jeugdzorgverlener of de
gecertificeerde instelling te gaan zitten. Ik vraag me wel af of de
staatssecretaris kan zeggen hoe effectief dat aanspreken is. Over de
markt in de zorg hebben we het natuurlijk al tijden. Denk aan de
voorbeelden die ik noemde. Ik sprak echt één instelling die zei: ik heb
85 fte aan aanbestedingsmensen in dienst. Dat zijn mensen die alleen
maar bezig zijn met inkopen of met het voorbereiden en aflopen van
marktconsultaties. Het gaat om één jaar per aanbestedingstraject en ze
hebben er dan tientallen per jaar.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind het dan iets te makkelijk om te zeggen: wij kijken er misschien
wat anders naar. Is er wel erkenning bij deze staatssecretaris dat dit
gewoon niet de ideale situatie en niet de ideale besteding van zorggeld
is? We weten dat het niet verplicht is, maar moeten we er dan ook gewoon
voor zorgen dat gemeentes het niet meer gaan doen?
Staatssecretaris Tielen:
Het waren twee vragen. De eerste vraag was: is het effectief om
gemeentes aan te spreken? Uiteindelijk moeten we het samen doen. De
gemeentes en het Rijk staan samen aan de lat om te zorgen dat de
jeugdzorg goed is ingeregeld. Ik vind dat het best effectief is, maar ik
wil best aan hen vragen of zij dat ook vinden. Nee, dat is flauw gezegd,
maar ik denk daadwerkelijk dat we daar samen in op moeten trekken. We
hebben bijna maandelijks, geloof ik, formeel overleg met gemeenten om
het hierover te hebben. Ik zal daar dus op terugkomen.
Ik denk dat wij inderdaad voor sommige dingen een ander lijstje hebben,
zoals mevrouw Dobbe zegt, maar niet wat betreft zorggeld dat naar
administratie en dat soort dingen gaat. Volgens mij hebben we daar best
wel dezelfde verwachting bij. In 2019 hebben we het op een rijtje gezet.
Toen bleek dat ongeveer 30% van het jeugdzorgbudget wordt besteed aan
coördinatiekosten. Dat is natuurlijk waar mevrouw Dobbe aan refereert.
Op dit moment zijn we nog wat verfijnder aan het kijken naar de
administratieve lasten binnen de specialistische jeugdzorg. Dan kan ik
dat ook weer actualiseren, want 2019 is natuurlijk alweer een tijdje
geleden. We verwachten de uitkomsten van dat onderzoek eind september.
We hoeven daar niet op te wachten om te blijven werken aan het
verminderen van de administratieve last, dus dat doen we ook niet. In
het najaar kunnen we wellicht nog wat doorgaan op de uitkomsten van dit
onderzoek.
Mevrouw Dobbe vroeg ook naar private equity. Het punt is dat er niet zo
heel veel private equity in de jeugdzorg is, maar dat is volgens mij
niet per se waar mevrouw Dobbe aan refereert. Volgens mij refereert ze
aan cowboys, organisaties die het eigenlijk niet om het kind te doen is
maar om heel veel andere dingen, en dat soort zaken. De minister van VWS
is bezig met de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en
jeugdhulpaanbieders. In december heeft hij daar een brief over
geschreven. Daarin staan een aantal antwoorden op de vraag van mevrouw
Dobbe. We zijn naar aanleiding van de discussies en debatten daarover nu
wel aan het kijken wat we precies in de Wet integere bedrijfsvoering
zorg- en jeugdhulpaanbieders kunnen en moeten opnemen om ervoor te
zorgen dat wat we qua jeugdhulp aan te bieden hebben, daadwerkelijk
gericht is op oplossingen voor kinderen en hun gezinnen. Daar zult u
voor de zomer over worden geïnformeerd.
Mevrouw Dobbe vroeg ook naar omzetplafonds. Daar gaan wij natuurlijk
niet over. Het is aan gemeenten om met jeugdhulpaanbieders afspraken te
maken. Ik kan dus niet zo veel zeggen over budget- of omzetplafonds,
anders dan dat het uiteindelijk draait om waar we het allemaal voor
doen, namelijk zorgen dat kinderen en gezinnen die jeugdhulp nodig
hebben, die kunnen krijgen. Dat zou het doel van ons allemaal moeten
zijn.
Daarover gesproken: mevrouw Moinat vroeg naar de wachttijden. Ik heb
geen landelijk inzicht in alle wachttijden. Dat zit vooral bij de
gemeenten en de regio's. Zeker als het gaat om de Wet verbetering
beschikbaarheid jeugdzorg is dat echt daar geregeld. We zijn echter ook
bezig met de standaardisatie waar ik eerder naar verwees. Dat zal meer
inzicht geven in de wachttijden op landelijk niveau. Dat past ook bij de
afspraken die we in de Hervormingsagenda hebben gemaakt.
De voorzitter:
Ik zat even niet op te letten. Mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u, voorzitter. Even weer wakker worden met z'n allen.
Ik wil de staatssecretaris toch wat vragen. Met de wachtlijsten bedoel
ik de wachtlijst na de intake. In mijn tijd als gemeenteraadslid hebben
wij meermaals geld moeten uittrekken om die wachtlijst weg te krijgen,
en dan heb ik het echt over een miljoen. Dan kom je er later achter dat
de wachtlijst na de wachtlijst ook weer overvol is. Dan roept een
wethouder bijvoorbeeld: de wachtlijst is verkort. Vraag je dan naar de
wachtlijst na de wachtlijst, dan is die ook mega. Ik zou aan de
staatssecretaris willen vragen of ze die ook wil meenemen, want ik denk
dat veel gemeenten ook met dat soort wachtlijsten werken.
Staatssecretaris Tielen:
Ik herken dat probleem heel erg. Dat speelt namelijk ook in de
geestelijke gezondheidszorg. Iedereen werkt met andere definities en
criteria. Ik herken het dus heel erg en ik los het ook niet zomaar op,
moet ik zeggen. Soms is bewustzijn al de helft van de oplossing; ik
herken het heel erg. We proberen in afspraken met de gemeenten door die
standaardisatie ook daar wat gelijkluidender definities van te krijgen,
maar ik kan niet beloven dat het binnen nu en een paar maanden opgelost
is. Mevrouw Moinat wijst wel op een terecht punt en dat zullen we
meenemen in de manier waarop we verder uitvoering geven aan de
afspraken.
Het kopje overig. Zoals ik al aankondigde, voorzitter, is dat nog best
veel.
De voorzitter:
Maar ik hoorde ook heel af en toe overlap …
Staatssecretaris Tielen:
Toch wel dubbel? Dan probeer ik het nog zo, hè.
De voorzitter:
Ik hoorde wat veel over dezelfde beleidsterreinen. Ik hoorde weer een
paar keer "reikwijdte". Ik ben niet heel streng, maar als
oud-woordvoerder weet ik ook waar deze materie over gaat, dus dan hoor
ik ook … Met een strikt filter van Mohandis had ik er 20% uit kunnen
filteren, maar dat heb ik niet gedaan. Dat doe ik misschien bij "overig"
wel. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Spannend. Dan moet ik de neiging onderdrukken om sneller te gaan praten.
Het moet vooral effectiever.
De vraag van meneer Stoffer over de leernetwerken en kennisdeling. Die
zijn superbelangrijk. Een van de lijnen van de Hervormingsagenda is om
de kwaliteit te verbeteren, en daar hebben we ook echt veel meer kennis
voor nodig. Er is structurele financiering voor de werkorganisatie met
de naam Kwaliteit en Blijvend Leren. Dat loopt op tot 13 miljoen
structureel per jaar. Bij ZonMw en het Nederlands Jeugdinstituut, als
kennisinstituut, is ook geld om kennisdeling en kwaliteitsbevordering te
ondersteunen.
Mevrouw Coenradie vroeg naar de Filomena-aanpak. Dat is een hele mooie
aanpak, waar de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg in
december een kijkje is gaan nemen. Zij heeft aangegeven samen met
Filomena te bekijken hoe de ondersteuning van slachtoffers beter kan
worden ingericht vanuit de Filomenavisie. Zij betrekt ook de inzichten
van het houdbaarheidsonderzoek Wmo daarbij en bekijkt hoe we symmetrie
kunnen vinden met de Hervormingsagenda Jeugd. Uiteindelijk is het aan
gemeenten zelf om een Filomena-aanpak of een soortgelijke aanpak in te
richten.
Mevrouw Coenradie vroeg ook naar suïcidepreventie. Dat is een heel
belangrijk onderwerp en het is fijn dat het ook hier aan de orde komt,
want elke suïcide is verdrietig en er één te veel. De vraag was wat we
vanuit hier kunnen doen. Er is onder andere de Landelijke Agenda
Suïcidepreventie, die 113 uitvoert. We hebben een aantal specifieke
aandachtspunten voor jongeren en ook voor jongeren in de jeugdzorg. De
landelijke agenda loopt nu voor de vierde keer. Daar is ook geld voor
beschikbaar gesteld. De Wet integrale suïcidepreventie, waarin ook
gemeenten een rol hebben, zal daarop voortbouwen om preventiemaatregelen
in te zetten.
Wie is eindverantwoordelijk, vroeg mevrouw Coenradie. De
doorzettingsmacht ligt vooral bij de gemeenten als het gaat over regie,
verantwoordelijkheid en een toereikend aanbod van jeugdhulp. Met de Wet
integrale suïcidepreventie krijgen alle partijen, ook gemeenten,
handvatten voor een suïcidepreventieaanpak dicht bij de leefomgeving van
mensen die risico lopen. Daar is ook geld voor beschikbaar gesteld. Er
is een regionaal expertteam in elke jeugdregio dat daarbij kan meehelpen
en handvatten kan helpen geven.
Over verantwoordelijkheid gesproken: mevrouw Van Meetelen vroeg wie er
politiek en bestuurlijk verantwoordelijk is bij onveilige situaties
thuis, oftewel bij kindermishandeling. In de Jeugdwet staat dat het
college van burgemeester en wethouders in een gemeente de plicht heeft
om te zorgen dat kinderen hulp krijgen. Daar willen we via de Wet
reikwijdte meer handvatten voor kunnen geven. De verplichte meldcode
bestaat voor professionals en Veilig Thuis, als centraal advies- en
meldpunt. Ook de gecertificeerde instellingen hebben natuurlijk een rol.
Als we het hebben over gewelds- en afhankelijkheidssituaties — dan praat
ik over huiselijk geweld, kindermishandeling en het actieplan geweld
tegen vrouwen, waar de staatssecretaris van JenV misschien meer over kan
vertellen — komt er een nationaal coördinator die daar ook een rol in
heeft. Veilig Thuis heeft overigens bij elke melding de
verantwoordelijkheid om een nieuwe beoordeling te maken van situaties
van huiselijk geweld of kindermishandeling. Veilig Thuis is ook degene
die moet verbinden met informatie van eventueel eerdere meldingen. Ook
moet zij samen met politie, jeugdbescherming en de opvang zoeken naar
instrumenten om dat risico goed in te kunnen schatten. Met betrokken
organisaties als Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de
Kinderbescherming, de reclassering en de vrouwenopvang wordt gekeken hoe
we die taxaties goed uitwerken en hoe we daar beter in kunnen
samenwerken.
Welke minimumvereisten hebben gemeenten nu? Sorry.
De voorzitter:
Nee, dat maakt niet uit. Ik hou van tempo. Blijf dat dus doen. Het woord
is aan mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Om het tempo erin te houden, wil ik best wachten tot er nog een vervolg
komt. Anders heb ik nu een interruptie.
Staatssecretaris Tielen:
Stelt u de vraag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Zoals we dus net al hoorden, zijn er allerlei betrokken instanties. Waar
het om gaat, is niet kindermishandeling zelf, maar als er echt duidelijk
iets misgaat door het plaatsen van instanties. We hebben hier een aantal
hele slechte voorbeelden van gezien. We willen geen herhaling van
zetten, maar niemand weet hoe het verder gaat. Dat is waar we om vragen.
Wie is op dat moment verantwoordelijk? En wat kunnen we doen om ervoor
te zorgen dat mensen verantwoordelijkheid nemen, of opgelegd krijgen?
Dat is de vraag.
De voorzitter:
Eindverantwoordelijkheid in de keten.
Staatssecretaris Tielen:
Het ingewikkelde is natuurlijk dat ik niet een heel eenvoudig antwoord
heb op die vraag. Een jeugdzorgorganisatie waarnaar een kind is
doorverwezen, is namelijk verantwoordelijk, eigenlijk ook
eindverantwoordelijk. Daar zit het 'm.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen nog?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is volgens mij dus de kern van het probleem. Uiteindelijk is dan dus
niemand echt verantwoordelijk, wordt het een afschuifsysteem en houden
we bepaalde dingen dus in stand. Dat is dus precies waar wij als PVV
iets aan willen doen. Ik dien dadelijk twee moties in. Ik hoop ook dat
ze niet ontraden worden en gesteund worden, want we moeten hier echt wat
aan gaan doen.
De voorzitter:
We kijken uit naar de moties.
Staatssecretaris Tielen:
De jeugdzorgorganisatie is gewoon verantwoordelijk. Punt. Daar zit het
'm in.
De minimumvereisten voor gemeentes met betrekking tot de aanpak
huiselijk geweld zijn: elke gemeente heeft een Veilig Thuisorganisatie
ingericht, er is passende hulp op basis van het wetsvoorstel Verbetering
beschikbaarheid jeugdzorg, er is een integrale lokale aanpak, waarvoor
we dat convenant Stevige Lokale Teams hebben gesloten, en er is
uniformiteit en samenwerking op landelijk niveau, waarbij Veilig Thuis
verkent of een landelijk dekkende functie ook van toepassing kan zijn.
Ook blijven we voortdurend verbeteren.
"Opvoedverwaarlozing" is een ingewikkeld begrip, omdat we daar allebei
misschien niet precies hetzelfde beeld bij hebben. Ouders verwaarlozen
hun kinderen vrijwel nooit bewust of expres. Vaak is het een optelsom
van omstandigheden waardoor dingen niet gaan zoals we dat idealiter
zouden willen. Dat betekent dus ook dat er breder gekeken moet worden
naar de gezinsproblematiek. Daarvoor worden die stevige lokale teams
opgezet, die in sommige gemeentes ook al heel goed werken. Die spelen
ook een rol in het Toekomstscenario, maar dan verwijs ik naar de
staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Dan jeugdhulp in het buitenland. Ik las dat artikel ook en dacht: "Huh,
hoe kan dit? Wat heftig voor Nederlandse jongeren die, in deze gevallen,
in Frankrijk jeugdhulp tussen aanhalingstekens kregen." Hulp in het
buitenland kan weleens passend zijn, maar het is natuurlijk nooit de
meest logische oplossing. Soms is het goed om kinderen ver uit hun
omgeving te halen, zo laat ik mij vertellen door experts, bijvoorbeeld
bij drugsproblematiek, maar het klinkt niet als heel logisch en voor de
hand liggend. Bovendien moeten we zeker weten dat de kwaliteit goed is.
Uiteindelijk gaat dit ook weer over inkoopafspraken tussen gemeente en
jeugdzorgaanbieders.
Daarnaast gaat het om toezicht. U zult het ook niet helemaal met mij
oneens zijn dat het best logisch is dat de Inspectie Gezondheidszorg en
Jeugd, een Nederlandse instantie, bevoegdheden heeft in Nederland en dus
niet zomaar in het buitenland toezicht kan houden. Als een gemeente
ervoor kiest om een jeugdhulpaanbieder in het buitenland in te zetten,
moet ze, net zoals ten aanzien van andere Nederlandse instanties, weten
dat de hulp voldoet en dat die ook kwalitatief goed is. Het Platform
Jeugdhulp Buitenland, IGJ en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
hebben hierover ook afspraken gemaakt in het Afsprakenkader buitenlands
zorgaanbod Jeugd. Van gemeentes wordt verwacht dat ze die afspraken ook
volgen bij de inkoop van deze zorg. In dat afsprakenkader hebben we ook
afgesproken dat de jeugdhulpaanbieder verplicht is om aan de IGJ door te
geven wie de lokale toezichthouder is — in dit geval de Franse — en hoe
het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven. Voordat er jeugdhulp kan
worden verleend, is men ook verplicht tot afstemming met de Centrale
autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden om in te stemmen met of
goedkeuring te geven aan een lokale centrale autoriteit.
We hebben het dus eigenlijk best wel goed geregeld, maar toch blijkt er
sprake te zijn van dit soort ernstige misstanden. Ik kijk nu samen met
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de inspectie wat er is
gebeurd, wat er met het afsprakenkader is gebeurd en wat we nodig hebben
om dit in de toekomst te voorkomen. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten heeft het afsprakenkader opgesteld. Met hen zal ik bekijken in
hoeverre zij daar nog wat over kunnen zeggen ten aanzien van de
gemeentes.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld. Of nee, ik ga toch vragen om de interrupties even op
te sparen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb er nog een paar.
De voorzitter:
Nog een paar vragen en dan doen we de interrupties. Dan doe ik nog een
slotronde.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld wilde weten hoe het vervolgtraject eruitziet. Ik zei
net al dat we in gesprek zijn met de inspectie en de VNG. We bekijken of
het afsprakenkader moet worden verbeterd. Ik wil ook dat die verplichte
procedures bij de Centrale autoriteit Internationale
Kinderaangelegenheden beter worden gevolgd. Daar ga ik mee aan de
slag.
Is er nazorg voor de jongeren? Dat weet ik niet. Daarover ga ik ook in
gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, want ik vind het
belangrijk genoeg.
Mevrouw Westerveld vroeg ook naar de trauma's bij kinderen die in het
buitenland zijn geplaatst. Zijn er nog meer kinderen in het buitenland
in een onveilige situatie? We hebben dus die centrale autoriteit en
verplichte procedures. In deze gevallen lijken de procedures niet
gevolgd te zijn. Daardoor heb je er geen zicht op. Ik was er dus ook
verbaasd over. Dat maakt dat ik niet kan garanderen dat dit niet aan de
hand is. Maar nogmaals, ik ga met de inspectie en de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten in gesprek om opvolging te geven aan wat er nu is
gebeurd en ook om na te gaan of er eventueel nog meer gevallen zijn. Ik
neem het wel hoog op, om het zo te zeggen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Heel fijn hoor, ook dat de minister dit serieus neemt. Wat daar is
gebeurd, is afschuwelijk genoeg, dat vinden we allemaal. Ik begrijp,
gelet op hoe het stelsel in elkaar zit, dat de staatssecretaris niet kan
zeggen: ik garandeer dat alle jongeren veilig zijn. Tegelijkertijd hoop
ik wel dat er nu echt … Misschien kan ze een brief uit doen gaan naar
alle gemeenten met de vraag: "Hebben jullie jongeren in het buitenland
zitten? Zo ja, dan wil ik meteen een terugkoppeling of zij in dit soort
situaties terecht kunnen komen." Want volgens mij is het daar echt
serieus genoeg voor.
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of het een brief moet zijn of iets anders. Maar is mevrouw
Westerveld het met me eens dat ik dit met de VNG samen probeer een
dergelijke opvolging te geven? Ja, zie ik. Het is ook een van de dingen
die in het gesprek met de VNG op de agenda staan, wat mij betreft.
Mevrouw Moinat vroeg naar de dakloosheid. Het ging haar met name, als ik
het goed heb begrepen, over moeders met kinderen bij wie gedreigd wordt
met Veilig Thuis. Ik begrijp heel goed wat mevrouw Moinat zegt en
vraagt, want ik voel dat hetzelfde. De staatssecretaris Langdurige en
Maatschappelijke Zorg, mevrouw Nicki Pouw-Verweij, heeft daarover in
december een brief gestuurd, om nog eens te bevestigen dat we dat ook
vinden. Dat is ook besproken met de VNG. Er zijn ook afspraken over
gemaakt. In die gesprekken heeft de VNG toegezegd om het gesprek met de
gemeenten te organiseren en om het niet bij een bestuurlijke tafel te
houden, maar om het ook in de praktijk te brengen. De staatssecretaris
heeft aangegeven dat ze het opnieuw onder de aandacht brengt, als ze
nieuwe signalen heeft.
Mevrouw Westerveld vroeg naar gezinshulp en een informele steunfiguur.
Het is ontzettend belangrijk dat je iemand in je omgeving hebt aan wie
je steun kan ontlenen, of dat nou een vriend, familielid of wie dan ook
is. We zijn bezig met het versterken van het samenwerken met informele
steun, onder andere via de ondersteuning van het landelijke JIMpact,
waarbij er zelf een mentor wordt gekozen. Er zijn veertien
jeugdhulporganisaties bij aangesloten. Meer dan 3.000 professionals zijn
opgeleid om samen te werken met informele steunfiguren. De Leeragenda
Kwaliteit en Blijvend Leren in de jeugdhulp, waarover ik het eerder had,
is ook een expliciete leerlijn die daarover opgezet is. Er zijn ook al
veel gemeenten die inzetten op informele steun voor gezinnen.
Home-Start, Buurtgezinnen en SteunouderNL zijn goede voorbeelden
daarvan.
Mevrouw Westerveld vroeg waarom er niets over jongerendakloosheid in het
regeerakkoord staat. Dat vind ik natuurlijk een ingewikkelde vraag, want
daar ga ik niet zo heel erg over. Wel kan ik zeggen dat op dit moment
het Nationaal Actieplan Dakloosheid met de titel Eerst een Thuis loopt.
Daarin zijn jongeren als bijzondere doelgroep benoemd. Dat loopt. Het
blijft dus onze aandacht houden.
Mevrouw Wendel vroeg naar de programma's tegen kindermishandeling.
Besteden we ons geld goed, vroeg ze. Regelmatig onderzoeken we of
aanpakken daadwerkelijk helpen, of ze effect hebben en hoe ze verbeterd
kunnen worden. We zien in dat soort onderzoeken dat het bij twee derde
van de gezinnen waar eerder sprake was van huiselijk geweld, een jaar na
een melding bij Veilig Thuis en inzet van hulp nog niet weg is, om het
maar zo te zeggen. Het is dus best wel hardnekkig. We zien wel dat
ernstig en veelvuldig geweld afneemt. Het effect is dus nog niet zoals
we willen, maar er is wel een beweging. We onderzoeken dat verder, om te
kijken hoe we het nog verder kunnen verbeteren. Met de Hervormingsagenda
Jeugd en het Toekomstscenario zetten we er ook op in om dat samen te
pakken en het effect te vergroten met de kennis die we hebben
opgedaan.
D66 had een vraag over het klachtrecht. De staatssecretaris van JenV en
ik hebben onderzoek laten doen naar de klachtbehandeling. Daarover is
half december een rapport naar de Kamer gestuurd. Daar zit een aantal
aanknopingspunten in voor het verbeteren van het klachtrecht. We kijken
hoe we dat later dit kwartaal samen met VNG en de brancheorganisaties in
gang kunnen zetten. Uiteraard gaan we ook in gesprek met jongeren, als
onderdeel van de Kinderrechtentoets. Voor de zomer krijgt u daarover een
brief.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil de staatssecretaris graag vragen of het onderzoek naar of er nog
effectievere programma's tegen kindermishandeling kunnen komen, ook
meegenomen kan worden in de brief die we aan het einde van het voorjaar
of voor de zomer kunnen verwachten.
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of het in die brief moet. Ik doe het graag, hoor. Ik wil
het graag ook als extra aandachtspunt meegeven aan de nationaal
coördinator. Dan gaat het om het brede geweldsvraagstuk rondom
afhankelijkheidsrelaties. Als mevrouw Wendel dat ook oké vindt, kan ze
het tegen die tijd onder dat kopje terugvinden.
Dan de vader. O, sorry.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nog even terug naar de klachten in de jeugdzorg. Ik hoor de
staatssecretaris namelijk zeggen: we gaan later dit kwartaal in gesprek
met VNG en jongeren. Dat lijkt me uitstekend, maar ik zie in dat rapport
echt hele concrete voorstellen voor wetswijzigingen, dus mijn vraag aan
de staatssecretaris is de volgende. Volgens mij kunnen we die alvast in
gang gaan zetten. Natuurlijk moeten we dat zeker in overleg doen met
jongeren, maar laten we niet steeds wachten tot we al die verkennende
gesprekken gevoerd hebben.
Staatssecretaris Tielen:
Maar laat er ook geen misverstand over bestaan: dit soort dingen doen we
ook wel parallel. Er zijn wat mij betreft twee dingen heel belangrijk.
Hier zijn meerdere instanties bij betrokken. Ik vind het belangrijk dat
we allemaal op dezelfde koers zitten. Tegelijkertijd kan ik niet als
staatssecretaris bepalen hoe het allemaal gaat. Daar heb ik echt de
anderen bij nodig. Daarom is het ook wel onderdeel van de gesprekken.
Maar ondertussen zijn we natuurlijk al aan de slag met aanbevelingen, om
te kijken hoe dat er dan uit zou moeten zien. Ik denk dat mevrouw
Synhaeve en ik elkaar goed begrijpen.
De vader; ik zei het al. De heer Ceder deed een heldere oproep tot
vaderbetrokkenheid, met een mooie persoonlijke toon in dat verhaal. Dat
waardeer ik heel erg. Ik denk dat dat heel krachtig is. Hij had een
aantal vragen aan mij, onder andere over Kansrijke Start, dat gericht is
op de eerste 1.000 dagen. Hij vroeg: hoe kunnen we zorgen dat ook vaders
daar nadrukkelijk in worden gezien als sleutelpersoon? Dat doen we onder
andere door zowel de gemeentes als de medische en sociale professionals
goed toe te rusten om ouders te informeren over het belang van de eerste
1.000 dagen. Daarbij is er ook echt nadrukkelijk en expliciet aandacht
voor vaders en vaderschap. Op het kennisplatform van Kansrijke Start
kunt u daar wat meer over teruglezen.
Het vraagt iets in de opleiding, zei de heer Ceder al. Voor een deel
hebben wij geen invloed op de inhoud van de programma's die op
hogescholen en universiteiten worden gedraaid, maar, nogmaals, vanuit
Kansrijke Start hebben we daar wel expliciet aandacht voor en daar is
ook aandacht voor in de e-learningprogramma's die rondom Kansrijke Start
als na- of bijscholing voor professionals worden gegeven.
De heer Ceder refereerde aan ervaringen en onderzoeken. We weten
inderdaad uit onderzoek dat de vaderrol heel belangrijk kan zijn. Ik
weet niet of er extra onderzoek nodig is, omdat er al heel veel
wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is. Volgens mij is het met name
belangrijk om al die inzichten te verwerken in onder andere Kansrijke
Start, maar ook breder in de jeugdzorg en het stevige lokale team, om
het maar zo te zeggen.
Ik zie meneer …
De voorzitter:
Heeft u nog meer vragen van de heer Ceder?
Staatssecretaris Tielen:
Van de heer Ceder? Niet over de vaders.
De voorzitter:
Als u het goedvindt, wacht ik nog even af of de andere vragen van de
heer Ceder worden meegenomen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb wel vragen over relaties en scheidingen. Daar gingen vragen van
de heer Ceder en de heer Stoffer over. Het ging over de Agenda voor het
Hart en partnerrelaties. We weten uit onderzoek dat een scheiding
ingrijpende gevolgen kan hebben voor kinderen en de stabiliteit in een
gezin. We weten wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Uiteraard is het
primair aan ouders om daar verantwoordelijkheid in te nemen. Soms is
ondersteuning nodig. Steeds meer gemeentes bieden die ondersteuning met
een lokale aanpak scheidingen. Het is meer aan gemeentes om te kijken
hoe dat binnen hun gemeente het beste aansluit bij onder andere de
lokale teams. Wij proberen goede voorbeelden te delen, zodat gemeentes
daar inspiratie uit kunnen putten. Afgelopen najaar hebben de
staatssecretaris en ik een landelijk congres over scheidingen
georganiseerd. Vanaf dit voorjaar ontstaan er … "Ontstaan er", zeg ik
alsof het een natuurwet is. Vanaf dit voorjaar worden er
regiobijeenkomsten georganiseerd over scheidingen.
"Is er zicht op de kosten en baten van complexe scheidingen?" In 2020
heeft Significant een onderzoek gedaan. Je ziet dat er aanzienlijke
kosten bij komen kijken. In dat rapport is ook gesteld dat het best
lastig is om te bepalen welke kosten door de scheiding komen en welke
door andere, aanpalende problemen. Een totale kostenberekening is dan
ook indicatief en een optelsom van verschillende bronnen. Dat het wat
kost, is zeker, en dan vooral in de persoonlijke sfeer, uiteraard.
De staatssecretaris van JenV, de heer Rutte, en ik hebben veel
voorbeelden voor het programma als het gaat over de landelijke aandacht
voor scheidingen. Ook in lokale teams is daar al brede aandacht voor.
Uiteraard moet het toegankelijk zijn. Daar heb ik net al wat over
gezegd. Het is onderdeel van het jeugdbeleid.
Meneer Stoffer sprak ook over de "relatiefitnesstest" of zoiets; ik weet
het niet precies. Uiteraard is het aan de mensen zelf om te bepalen met
wie, hoelang en op welke manier zij een relatie willen hebben. Daar
moeten wij ons als overheid niet tegenaan bemoeien, tenzij mensen hulp
nodig hebben, zeker voor hun gezin en kinderen, en hulp voor de
duurzaamheid van de relatie toepasselijk vinden. Dat is aan ouders.
Zoals ik al zei, hebben sommige gemeentes daar een aanbod voor.
De laatste vraag, denk ik.
De voorzitter:
Ik had de heer Ceder nog een interruptie beloofd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter. Het gaat over het onderzoek naar de positieve elementen
van het vaderschap of juist naar de afwezigheid van vaderschap en de
kenmerken daarvan. Het klopt dat hier internationaal best veel onderzoek
naar wordt gedaan, maar toen ik dit uitzocht, viel mij ook op dat hier
juist heel weinig Nederlands onderzoek naar wordt gedaan. Dat is wel
belangrijk, want de Nederlandse context is een andere dan bijvoorbeeld
de Amerikaanse. Ik wil mij best beroepen op Amerikaanse onderzoeken,
maar volgens mij willen wij een effectief preventiebeleid. Het zou
daarom handig en goed zijn om daar ook vanuit de Nederlandse context
onderzoek naar te doen. Daar komt mijn vraag dus uit voort. Ik denk dat
we dan een beter en gerichter preventiebeleid kunnen voeren, want meten
is weten. Ik hoop dat de staatssecretaris door deze context de noodzaak
daartoe nog urgenter voelt en zelfs een onderzoek wil toezeggen.
Staatssecretaris Tielen:
Onderzoek moet je doen als je al een idee hebt wat je met de uitkomsten
zou willen doen, ervan uitgaande dat die uitkomsten iets anders laten
zien dan we nu weten. Meneer Ceder verwijst al naar mogelijke
interventies, maar het belangrijkste rondom gezinnen en stevige lokale
teams is volgens mij dat wij ervoor zorgen dat gezinnen zelf in staat
zijn om warme en veilige opgroeimogelijkheden te bieden. In welke vorm
dat precies wel of niet zou moeten, is aan de gezinnen zelf in overleg
met de professionals uit het lokale team. Ik heb nu nog niet zo heel erg
goed in beeld wat extra onderzoek zou moeten opleveren aan andere of
extra interventies, andere dan die wij nu al doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter, even een punt van orde, gelet op de tijd. Dit gaan we
natuurlijk never ever redden. Er worden immers nog moties ingediend en
er wordt nog geschorst. Er is ook nog een staatssecretaris die moet
reageren, en er zullen ongetwijfeld ook vragen komen. Hoe gaan we
hiermee om? Ik heb er behoefte aan dat te weten. 17.00 uur is 17.00 uur,
maar dat gaan we dus niet redden.
De voorzitter:
We kunnen een halfuurtje langer doorgaan. Ik kan niet in uw agenda's
kijken, maar dat zou het makkelijkst zijn. Anders moet u allemaal
terugkomen. Gemiddeld genomen zijn bij WGO's iets minder Kamerleden
aanwezig. Nu zijn het er iets meer. Dat is hartstikke goed, maar er zijn
ook heel veel vragen gesteld over heel veel verschillende onderwerpen.
Er is best rap door de antwoorden gegaan. We krijgen ook nog twintig
minuten of een kwartier staatssecretaris. Dan kunnen we naar de tweede
termijn. Het is aan u, hè? Dat probleem lossen we altijd samen op. Als
we schorsen, komt u terug en dan zitten we hier over twee weken weer.
Als het al lukt. We weten niet wie er dan zit, om het maar even zo te
zeggen. Dat is het risico. Daar hebben we geen invloed op. Laten we in
ieder geval voorlopig doorgaan. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het goed om door te gaan. Laten we kijken waar we om 17.00 uur
staan. De tweede termijn redden we denk ik wel. De appreciaties zouden
eventueel ook schriftelijk gegeven kunnen worden. Als er aanleiding is
voor vragen, kunnen we het overleg wellicht nog heropenen, maar
misschien hebben we daar ook genoeg duiding aan.
De voorzitter:
U doelt op een schriftelijke appreciatie van de moties, toch? Ja, dat
zou kunnen. Zeker. Ik stel toch voor om nog even … Mevrouw Coenradie
heeft een terecht punt, maar met zo veel Kamerleden is het is een
ambitieus tijdpad. De staatssecretaris voor het laatste punt.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het trouwens ook heel mooi dat hier zo veel fracties bij zijn
betrokken. Dat had ik aan het begin moeten zeggen, natuurlijk. Het is
echt belangrijk genoeg.
De voorzitter:
Zeker.
Staatssecretaris Tielen:
Mijn laatste antwoord is op de laatste vraag van de heer Ceder, over
interventies met betrekking tot vaderschap. Die hoort eigenlijk bij de
vaders, natuurlijk, in de databank Effectieve jeugdinterventies. Het
kost gewoon tijd om goed te toetsen op effectiviteit. Dat gebeurt nu en
ze doen hun uiterste best. Binnen Kansrijke Start zijn er ook wat
effectieve interventies, gericht op beide ouders. Ik zou dus iets
positiever willen zijn over het aantal richtingen, meneer Ceder, ook in
de ondersteuning voor zijn pleidooi.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris van VWS. We gaan snel door naar de
staatssecretaris van JenV. Er is al heel veel gezegd. Er is ook een
mooie overlap tussen deze twee portefeuilles, interdepartementaal. Aan u
het woord, meneer Rutte.
Staatssecretaris Rutte:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal proberen niet in herhaling te vallen. Als
dat gebeurt, grijpt u dan vooral in. Mijn collega Tielen van VWS heeft
uitgebreid stilgestaan bij het vrijwillige kader. Daarmee kun je vaak
veel oplossen. Soms, heel soms, lukt dat niet en is ingrijpen door de
overheid noodzakelijk om de veiligheid van het kind te borgen, omdat
ouders soms echt niet in staat zijn om voor een veilige opgroeisituatie
te zorgen. Ook internationale verdragen zijn daar duidelijk over.
Daarbij spreken we inderdaad over het gedwongen kader, met een
duidelijke uitspraak van een rechter die een machtiging afgeeft voor
gedwongen hulp. Die hulp is dan verplicht; ouders kunnen die niet
weigeren. En als er wordt ingegrepen door de overheid, dan is het
belangrijk dat ouders en kinderen zich gehoord voelen, dat het traject
met alle rechtswaarborgen is omgeven en dat passende hulp en bescherming
beschikbaar zijn. Velen hebben daar wat over gezegd. Maar om de
problematiek in de jeugdbescherming echt op te lossen, moet het
fundamenteel anders. Bij het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
werken we samen met de sector aan structurele verbeteringen van de
jeugd- en gezinsbescherming. In een groot interdepartementaal programma
is de afgelopen periode hard gewerkt aan een echt andere manier van
werken: gezinsgericht, eenvoudig, transparant, rechtsbeschermend, en
vooral ook lerend. In proeftuinen door heel Nederland zijn nieuwe
gezinsgerichte en eenvoudige werkwijzen ontwikkeld en uitgeprobeerd. In
de proeftuinen leidt de gezinsgerichte integrale benadering aantoonbaar
tot een betere ondersteuning van gezinnen.
Ik moet ook zeggen dat ik bij mijn aantreden stevige verschillen van
inzicht met onze partners aantrof over de gekozen richting. In de
afgelopen periode hebben we de ruimte genomen om intensieve gesprekken
te voeren met alle betrokken partners. Dat heeft geresulteerd in een
veranderstrategie met concrete veranderstappen voor de korte en lange
termijn en de manieren waarop we daarbij willen samenwerken. Dat betreft
een veranderstrategie binnen de huidige financiële kaders. Bij die
strategie maken we niet alleen verbinding met de Hervormingsagenda
Jeugd, maar ook met de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld
en kindermishandeling en het samenwerkingsverband tussen Veilig Thuis,
politie en justitieorganisaties. Ik verwacht dat de strategie nog dit
voorjaar naar uw Kamer wordt gestuurd.
Voorzitter, dat was mijn korte inleiding. Dit brengt me bij een aantal
blokjes. Dat klinkt heftiger dan het is, want ik houd ze allemaal kort.
We gaan het eerst hebben over de rechtsbescherming bij
uithuisplaatsingen. Dan apart over JB Noord. Ik wil het hebben over
huiselijk geweld en kindermishandeling. Dan over het Toekomstscenario.
En tot slot — u vermoedde het al — over overige zaken.
Laat ik beginnen met de rechtsbescherming. Mevrouw Westerveld vroeg: hoe
zit het nou met die beloofde verbetering van de rechtspositie van
jongeren en ouders? Daarvoor is een wetsvoorstel in de maak. We hopen
dat begin dit jaar ter advisering te kunnen voorleggen aan de Raad van
State. Daarin zijn we dus vergevorderd. Dat is ongeveer nu, ja. Mevrouw
Westerveld weet dat je dan weleens door wat hoepeltjes moet springen en
zo, maar dan ... In ieder geval geen vertraging op die lijn.
Mevrouw Synhaeve verwijst naar het rapport Van inzicht naar uitvoering,
van het Verwey-Jonker Instituut. Zij wil ook weten welke stappen wij
zetten om uithuisplaatsingen te verminderen en hoe ik reflecteer op de
aanbevelingen in het rapport. De aanbevelingen van het Verwey-Jonker
Instituut zijn herkenbaar: systeemdrukte; eerder en gezinsgericht
handelen; kinderen en ouders beter horen. Eigenlijk is dat ondersteuning
van het beleid; het ligt precies op de koers die wij met elkaar willen
gaan varen. Ook het voorkomen van uithuisplaatsing is een belangrijk
streven in de jeugdzorg. Dat sluit aan bij wat we doen rondom het
Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Daar zit die hele strategie
achter van het versterken van de lokale wijkteams. Vervolgens wordt
daarmee zo veel mogelijk afgevangen. Er wordt alleen opgeschaald als het
nodig is. Ook dat gebeurt doelgericht en efficiënt.
We hebben dus in beeld wat er moet gebeuren. Het is nu echt tijd voor
actie. Daarom werken we nu met partners uit wat we op korte termijn
kunnen doen en bekijken we wat pas op lange termijn kan. Dit komt in de
veranderstrategie die dit voorjaar naar de Kamer komt. Dat is het
verhaal dat ik net vertelde. We gaan echt proberen om op korte termijn
vooruit te komen en datgene te doen wat op korte termijn kan. We stappen
een beetje af van het maken van grootse toekomstgezichtspunten. Het
wetsvoorstel rechtsbescherming is zeer ver onderweg, zoals ik net al
aangaf.
De heer Van Houwelingen geeft aan dat uithuisplaatsingen het laatste
redmiddel zouden moeten zijn. Hoe kijk ik daartegen aan? In het
wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt
de rechtsgrond voor uithuisplaatsingen aangescherpt, met als doel te
borgen dat deze maatregel uitsluitend wordt ingezet wanneer dit
noodzakelijk is. Daarmee bevestigt het kabinet dat een uithuisplaatsing
een ultimum remedium blijft. Daar heb ik nog iets meer over te zeggen.
Misschien kan ik dat erbij pakken?
De voorzitter:
Dan laat ik u nog even dit blokje afmaken. We doen interrupties na het
blokje. Dan gaat u nog even door.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb namelijk een paar vragen van de heer Van Houwelingen achter
elkaar. Hij vroeg ook naar de financiële prikkels. De jeugdzorg wordt
betaald voor uithuisplaatsingen. Hetzelfde geldt voor gezinshuizen en
pleeggezinnen. Is dat niet ongezond, vroeg hij. Ik ben het echt eens met
de heer Van Houwelingen dat we uithuisplaatsingen zo veel mogelijk
moeten voorkomen. Het goede nieuws is dat er echt sprake is van een
dalende trend. Tussen 2022 en 2024 is het aantal uithuisplaatsingen met
10% gedaald. Sinds 2009 is het aantal ondertoezichtstellingen al
gehalveerd. Dus we moeten niet doen alsof het een steeds groter wordend
probleem is. Het is vervelend, maar het neemt echt af. In ons stelsel
ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen bij de GI's. De GI's
krijgen per cliënt betaald. Of er alleen een ots is, of een ots met een
uithuisplaatsing, is dus niet relevant. Dat leidt niet tot extra
uitbetaling. Voor de rest wordt de uithuisplaatsing onafhankelijk
getoetst door de rechter. Daar wil ik het even bij laten.
In datzelfde kader kom ik op de vraag of er altijd sprake zou moeten van
contra-expertise. Toegang tot onafhankelijke deskundigheid in
kinderbeschermingsprocedures is wettelijk geborgd. Betrokkenen kunnen de
kinderrechter verzoeken om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. Dat
kan, maar de uitvoeringspraktijk kampt wel met beperkte capaciteit voor
dat deskundigenonderzoek. Dus daar knelt wel de schoen. Daarom werken we
aan een businesscase voor een landelijke voorziening voor
beslisdiagnostiek in de jeugdbescherming, om de kwaliteit, de
beschikbaarheid en de doorlooptijd te verbeteren. Tot zover het blokje
de heer Van Houwelingen, als ik het zo zou kunnen stellen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor de beantwoording over de contra-expertise. We hebben
heel vaak gehoord dat het voor ouders ontzettend belangrijk is om zo'n
contra-expertise te hebben wanneer er sprake is van een
tunnelredenering. Wat mij betreft is het net zo noodzakelijk als het
hebben van een advocaat, als u mij kunt volgen. Dan mijn vraag aan de
staatssecretaris: is het niet zo dat er vanwege de zorgvuldigheid echt
contra-expertise moet zijn? Vanuit het principe van rechtszekerheid
zouden we er toch geen genoegen mee kunnen nemen dat het er niet
is?
Staatssecretaris Rutte:
Daarover verschillen wij een beetje van mening. Belanghebbenden kúnnen
erom vragen. Dan wordt dat deskundigenonderzoek ook gedaan. Maar om het
standaard te doen gaat me net wat te ver.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. Voor ons is dat teleurstellend. De staatssecretaris zei
zojuist dat mensen alleen — maar dat is natuurlijk de vraag — uit huis
worden geplaatst als het noodzakelijk is. Daar is iedereen het hier
natuurlijk over eens. Maar ik gaf net een voorbeeld. Ik las een brief
voor van iemand die dus tegen haar zin uit huis is geplaatst. De ouders
wilden het ook niet. Je hoort het vaak: de moeder of de vader is mentaal
ziek, maar er kan nog goede zorg geleverd worden met wat hulp. Kan dat
straks onder de nieuwe wet gebeuren? Is dat dan voldoende rechtsgrond of
niet?
Staatssecretaris Rutte:
De casuïstiek is buitengewoon ingewikkeld om hier te bespreken. In de
periode dat ik staatssecretaris ben, heb ik menig werkbezoek afgelegd in
het speelveld van de jeugdbescherming. Wat daarbij opvalt, is dat het
negen van de tien keer bepaald niet zwart-wit is. Er zijn ook gevallen
waarbij gemeenten en andere hulpverleners denken "dit moet echt een
uithuisplaatsing worden", terwijl de Raad voor de Kinderbescherming
uiteindelijk een andere weging maakt en de zaak terugverwijst, op basis
van het feit dat er meer mogelijk is. Andersom zal het ongetwijfeld ook
weleens gebeuren dat iedereen eerst denkt dat het toch opgelost moet
kunnen worden, maar de weging uiteindelijk de andere kant uit valt. Ik
wil die weging graag bij professionals houden, in de wetenschap dat het
aantal uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen wel degelijk
afneemt.
De voorzitter:
Staatssecretaris, gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Westerveld vroeg waarom het hoorrecht niet overal goed geborgd
wordt. Vanaf 1 juli 2025 wordt iedereen vanaf 8 jaar door de rechtspraak
uitgenodigd voor een gesprek met de rechter. Deze verlaging van 12 jaar
naar 8 jaar wordt ook in het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming
in de jeugdbescherming geborgd, maar de praktijk loopt daar nu al op
vooruit. Ik denk dat dat ook goed is. Maar we gaan het ook wettelijk
borgen.
Mevrouw Van Meetelen wil dat onderzocht wordt op welke wijze ernstig
falen kan worden gekwalificeerd en bestraft. Zij wil ook weten welke
aanpassingen in wet- en regelgeving daarvoor nodig zijn. De aanpak van
ernstig falen loopt via de IGJ en de IJV. Die kunnen besluiten om
toezicht in te stellen naar aanleiding van een melding of op eigen
initiatief, bijvoorbeeld na een inspectiebezoek of eigenstandig
onderzoek. Dat kan vervolgens resulteren in het opleggen van een
aanwijzing, een cliëntenstop of een boete. Als een SKJ- of
BIG-geregistreerde zorgverlener erbij is betrokken, is een tuchtzaak ook
mogelijk. Als de inspectie in het toezicht strafbare feiten vaststelt,
deelt zij dit met het Openbaar Ministerie voor mogelijke
strafrechtelijke vervolging.
Ik ga door naar de vragen van de heer Ceder over de staatscommissie
jeugdzorg: is deze al ingevuld, gaat dat nog gebeuren of ligt dit op de
plank voor een volgende bewindspersoon? Officieel ligt dat op de plank
voor een volgende bewindspersoon, maar die hoeft het er alleen maar af
te halen en af te stoffen. Afstoffen hoeft niet eens, want er zit geen
stof op. Het staat klaar om in beweging te gaan. Mijn opvolger zal het
door de ministerraad begeleiden. Het streven is dat de commissie op 1
april kan beginnen. Alle voorbereidingen daarvoor zijn getroffen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen, kort.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik hoor net de beantwoording, maar ik heb toch nog een ander soort
vraag. De voortgangsbrief erkent het strafrechtelijke ingrijpen.
Beschermingsmaatregelen en kernsamenwerkingen zouden cruciaal zijn. In
de VWS-begroting ontbreekt eigenlijk een expliciete, gezamenlijke
sturing en financieringslogica samen met JenV. De vraag is nu: hoe kunt
u, de staatssecretaris op JenV, verantwoordelijkheid nemen voor de
veiligheid van die kinderen, als die verantwoordelijkheid niet
herkenbaar, en dus ook niet toetsbaar, is in die begrotingscyclus? Wij
willen echt terugzien in de begroting wat we eraan gaan doen als het
misgaat.
Staatssecretaris Rutte:
Het toezicht en het optreden op het moment dat dingen misgaan liggen
echt bij de twee inspecties, de IGJ en de IJenV. Zij doen dat ook. Ze
geven ook niet aan er te weinig middelen voor te hebben. Ik herken dus
niet helemaal de zorg van mevrouw Van Meetelen. In zijn algemeenheid
treden we goed op als er dingen misgaan. De inspecties zeilen behoorlijk
scherp aan de wind. Ik denk dat het daarmee voldoende geborgd is.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik niet bij de rechtsbescherming, want dat mapje is leeg, maar
bij JB Noord. Dat gaat mij aan het hart, want ik ben zelf inwoner van
Groningen. Dit is dus een jeugdbeschermingspartij in mijn eigen
provincie. Er is van alles over gezegd, geschreven en te lezen. Ik ga
gewoon snel door de antwoorden heen, niet omdat ik het wil afraffelen,
maar omdat we krap in de tijd zitten.
Mevrouw Westerveld vraagt of er met mensen van het meldpunt en met
ouders is gesproken. JB Noord heeft zeker gesproken met mensen van het
meldpunt en met ouders. Ze voeren ook gesprekken met de mensen die zich
hebben gemeld, om te bekijken wat er in hun geval is gebeurd en wat er
beter kan. Daarnaast worden ouders betrokken bij de uitvoering van de
maatregelen uit het verbeterplan van JB Noord naar aanleiding van het
inspectierapport. Dat vind ik ook heel belangrijk. Er is veel gebeurd.
Via die contacten moeten dingen ook echt beter gaan. Als
stelselverantwoordelijke volgen we de situatie nauwgezet en hebben we
regelmatig contact met gemeenten en JB Noord.
Mevrouw Synhaeve gaat uitgebreid in op de problemen bij JB Noord, en
vooral op de zorg over de vraag wat er gebeurt als JB Noord het
certificaat verliest. Het is duidelijk dat er in de afgelopen periode
bij JB Noord veel zaken niet goed zijn gegaan. Niet voor niks heeft het
Keurmerkinstituut eind 2024 het certificaat ingetrokken en staat
Jeugdbescherming Noord nog steeds onder verscherpt toezicht van de IGJ.
Inmiddels heeft JB Noord het certificaat weer terug en is de weg omhoog
op zich wel gevonden. Hoe goed dat is, moet uiteindelijk ook uit het
inspectierapport blijken, dat we deze maand verwachten. JB Noord werkt
hard aan een herstel- en verbetertraject, dat ertoe moet leiden dat
jeugdigen en gezinnen in alle gevallen de ondersteuning krijgen waar ze
recht op hebben. De betrokken gemeenten steunen JB Noord hier op dit
moment in en zitten er ook bovenop. Ook financieren de gemeenten
aanvullende uitvoeringscapaciteiten. Indien JB Noord het certificaat zou
verliezen — gelukkig is dat niet gebeurd — dan voltrekt zich een wel
heel beroerd scenario, want dan moeten alle kinderen naar een andere GI,
wat telkens via de rechter moet. Dat is eigenlijk een rampscenario, want
ook de andere GI's zitten overvol. Alles moet via de rechter. Alles is
er dus op gericht om dat te voorkomen. Er liggen ook scenario's klaar om
te voorkomen dat we hierin vervallen. Daar is dus wel allemaal naar
gekeken. Ik wil daarover niet te veel in detail treden. Het mag
duidelijk zijn dat we alles op alles moeten zetten om dat te voorkomen.
Tot zover Jeugdbescherming Noord.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel nog. Nee, mevrouw Westerveld en dan mevrouw Wendel. U was
eerder.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een interruptie over dit punt. De staatssecretaris geeft aan dat
JB Noord wél met de mensen van het meldpunt heeft gesproken. Ik krijg in
ieder geval signalen dat zij zich niet voldoende betrokken voelen of dat
ouders onvoldoende betrokken worden. Mijn concrete vraag aan de
staatssecretaris is of hij ervoor kan zorgen dat ook nog eens expliciet
de mensen van het meldpunt aangehaakt blijven. Misschien kunnen mensen
op zijn ministerie dat doen. Die mensen hebben ontzettend veel verhalen
verzameld; ze zijn ongelofelijk betrokken. Ze willen ook graag meedenken
om ervoor te zorgen dat het straks beter wordt. Kan de staatssecretaris
ervoor zorgen dat die connectie ergens wordt gelegd? Ik denk dat die
verhalen te waardevol zijn om niet mee te nemen.
Staatssecretaris Rutte:
Dat ben ik volstrekt met mevrouw Westerveld eens. Dat gaan we
doen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Net als de staatssecretaris woon ik in Groningen. Dat betekent ook dat
veel mensen hierover bij mij op de lijn komen. Ik zie dat gemeenteraden
en wethouders echt massaal worstelen met wat er nu plaatsvindt bij JB
Noord, met de centrale vraag: "Wanneer is het genoeg? Wanneer moeten wij
als gemeenteraden en wethouders wellicht de verantwoordelijkheid nemen
en de stekker eruit trekken omdat we het niet langer accepteren dat hier
veel incidenten plaatsvinden?" Ik wil uitdrukkelijk niet hiervoor
pleiten vandaag, maar ik wil de staatssecretaris wel vragen om dit niet
alleen op de voet te volgen maar ook proactief op de lijn te gaan zitten
bij zowel JB Noord als de betrokken wethouders om te kijken hoe jullie
hier samen uit kunnen komen, want ik voorzie wel heel veel problemen als
de stekker hier echt uit getrokken wordt.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Wendel en ik delen dat volgens mij. Ik heb net gezegd dat we een
bijna niet te overzien probleem hebben als je hier de stekker uit trekt.
Ik heb wel veel begrip voor de grote zorgen die er spelen in de regio
waar JB Noord werkzaam is en voor de gemeenten en de gemeenteraadsleden
die dat ook zien. Je moet je voorstellen dat als problemen langdurig
heel groot zijn geweest, je ook een hele lange nasleep hebt van
diezelfde problematiek. Ook dat zien we hier. Het is dus helaas niet
zomaar opgelost. Je keurmerk terugkrijgen betekent niet dat de problemen
zijn opgelost. Er is niet voor niks verscherpt toezicht. We gaan deze
maand horen of het beter gaat. Ik zie wel dat er bestuurlijk al forse
interventies zijn geweest. Er staan andere mensen aan het roer, die
dingen anders doen. Dat schept wel wat vertrouwen, maar we moeten de
vinger aan de pols blijven houden. Dat gebeurt vanuit mijn ministerie
bijna op dagelijkse basis. Richting de wethouders is dat iets meer op
afstand, maar als de behoefte bestaat, dan zijn we absoluut bereid om
dat te doen.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel, tot slot.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank in ieder geval voor de inzet die de staatssecretaris hierop wil
plegen. Ik zit hier zo hard in omdat ik in verschillende gemeenteraden
al moties ingediend zie worden om de stekker uit JB Noord te trekken.
Die consequenties zijn niet te overzien. Daarom zou ik graag die
toezegging van de staatssecretaris willen.
De voorzitter:
Een toezegging?
Staatssecretaris Rutte:
Volgens mij heb ik die gedaan. Wij blijven dit contact houden. Ik kan me
voorstellen dat we ook nog wat extra contact met gemeenten gaan leggen
om te kijken hoe we de boel dicht tegen elkaar aan kunnen trekken.
De voorzitter:
Krijgen we daar dan per brief een uitkomst van, staatssecretaris?
Staatssecretaris Rutte:
Dat is een ongewisse uitkomst. Ik kan toezeggen dat wij die contacten
nog intenser maken dan ze nu al zijn. Als iemand de uitkomsten daarvan
helemaal concreet kan maken, vind ik dat prima. Maar dat is …
De voorzitter:
Oké. Als u het in een soort van rapportage mee kunt nemen in de
terugkoppeling …
Staatssecretaris Rutte:
Dat doen we dan in een volgende brief.
De voorzitter:
Ja, oké.
Staatssecretaris Rutte:
Ik ga ervan uit dat de status van JB Noord daar überhaupt een plek in
zal krijgen.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik bij huiselijk geweld en kindermishandeling. We gaan van de
ene gezelligheid naar de volgende. Het is niet anders. Dit onderwerp is
vorige week ook al uitgebreid aan de orde geweest bij de begroting
Justitie en Veiligheid. Vandaag komt het opnieuw aan bod. Dat kan ik me
goed voorstellen, want het is nogal wat als je niet veilig bent in je
eigen huis en daar geconfronteerd wordt met mishandeling of nog ergere
dingen.
Mevrouw Coenradie vroeg daar uitgebreid naar. Daar heb ik alle begrip
voor. Zij vraagt hoe het kabinet aankijkt tegen het werken met één
gemeenschappelijk systeem of het eventueel zelfs schrappen van onnodige
privacybescherming, zodat informatie sneller en effectiever kan worden
gedeeld. Onder de regie van het ministerie van Justitie en Veiligheid
werken de betrokken organisaties, waaronder Veilig Thuis, de politie en
de justitieorganisatie, sinds 2023 stap voor stap aan verbetering van de
onderlinge informatie-uitwisseling onder de noemer "Samen onder
Handbereik". Daarmee gaan we niet alle informatie in één systeem
stoppen, maar wordt wel gezorgd dat de noodzakelijke informatie
onderling ter inzage toegankelijk is. De eerste resultaten zijn
inmiddels behaald. Vanaf 2026 kan elke Veilig Thuisorganisatie digitaal
checken of een of meerdere netwerkpartners bekend zijn met iemand over
wie Veilig Thuis een melding heeft ontvangen.
Dan de vraag of we dwingender interventies moeten toepassen bij een hoog
risico op huiselijke geweld en kindermishandeling, en hoe we dat dan
concreet doen. Momenteel loopt het traject ter verbetering van de inzet
van het tijdelijke huisverbod. Deze maand zijn de pilots gestart in Den
Haag, Rotterdam, Groningen en Utrecht. Het uitgangspunt is dat het
tijdelijke huisverbod niet alleen in acute crisissituaties wordt
opgelegd, maar ook bij onderbouwde signalen met betrekking tot de
structurele veiligheid. Ook zijn we aan het kijken hoe aanvullende
bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet om
slachtoffers beter te beschermen. Daar worden bijeenkomsten over
georganiseerd. Er wordt vooral ontzettend veel kennis uitgewisseld.
Mevrouw Coenradie weet volgens mij wel dat het echt lastig is om het
strafrecht goed met het bestuursrecht te verknopen, maar daar zijn goede
voorbeelden van. We willen kijken of en hoe we dit goed kunnen borgen en
opschalen.
In hetzelfde kader was de vraag of het kabinet de analyse deelt dat het
systeem nu te vaak de last bij het slachtoffer legt in plaats van bij de
dader; bij een uithuisplaatsing van de dader laat je het de dader
bijvoorbeeld wel voelen. Het eerlijke antwoord is dat dat niet altijd
kan worden voorkomen, omdat bij hoge veiligheidsrisico's niet altijd
voldoende veiligheidsgaranties kunnen worden geboden. Er moeten soms ook
veiligheidsmaatregelen worden ingezet voor het slachtoffer, maar ik werk
hard aan de interventies richting plegers, zoals de elektronische
monitoring in combinatie met een contact- of locatieverbod en een
slachtofferdevice, en dus uitbreiding van het tijdelijke
huisverbod.
Mevrouw Coenradie kwam met een voor mij wat nieuwe term: het afkoelhuis.
Ik vermoed dat dat niet een soort grote diepvries is, maar vooral een
plek waarheen de dader kan worden uitgeplaatst. Welke oplossingen zijn
denkbaar en wat zijn de juridische en financiële knelpunten, werd
gevraagd. Eerlijk gezegd is dat nog niet in kaart gebracht. Ik kan die
vragen dus nog niet tot in detail beantwoorden. In januari starten
pilots. Die moeten daar echt inzicht in gaan geven. Een mogelijk
knelpunt zal zijn dat het wettelijk kader moet worden uitgebreid om
gedwongen opvang mogelijk te maken. Dan zullen we daar ook financiële
middelen voor moeten vinden, maar we staan nog een beetje aan het begin
van het onderzoek en het denken. Mevrouw Coenradie vraagt ook naar
landelijke pilots met die afkoelhuizen; dat is wel onderdeel van deze
pilots.
Tot zover dit blokje. Er zijn geen extra vragen. Dan ga ik door met het
Toekomstscenario.
Mevrouw Westerveld had daarover meerdere vragen. De financiering van het
Toekomstscenario vervalt per 2027. Zij zei: dat maakt de uitvoering
onzeker; wat gaan we dan doen met die proeftuinen? In 2026 worden die
proeftuinen in ieder geval nog wel gefinancierd. Die zijn ook enorm
nuttig. Van nieuwe werkwijzen leren we ontzettend veel. Ik hoorde dat
mensen bijvoorbeeld heel enthousiast zijn over de werkwijze in
Flevoland. Dat is ook een van de proeftuinen. Welke belemmeringen er
zijn en hoe we die met elkaar kunnen oplossen, is precies wat we in die
proeftuinen ophalen. Of en hoe de proeftuinen doorgaan en hoe we
proeftuinen in de regio's kunnen ondersteunen in 2027 en verder, komt in
de veranderstrategie te staan die mijn opvolger naar de Kamer zal
sturen. Dat gaat niet heel lang duren. Ik verwacht dat in de eerste
helft van dit jaar. Ook is duidelijk dat de veranderstrategie vooralsnog
binnen het huidige financiële kader uitgevoerd zal moeten worden. Het is
dus wel een spannende strategie, maar je kunt ook niet eeuwig doorgaan
met proeftuinen. Op een bepaald moment moet je durven zeggen wat de
beste werkwijze is. Het is ook niet zo dat iedere verandering altijd
moet leiden tot extra geld. Je kunt je ook voorstellen dat veranderen
soms bij een normale bedrijfsvoering hoort. Of dat nou helemaal lukt of
niet, zal in de veranderstrategie naar voren moeten komen.
Dan kom ik bij Flevoland, waar de heer Ceder aan refereerde. Dat is
inderdaad een van die proeftuinen. In Flevoland worden
uithuisplaatsingen voorkomen door het hele gezin hulp te geven. Wat vind
ik daarvan? Is het mijn ambitie? Ik kan zeggen dat het een veelbelovende
aanpak is. Ik word er inderdaad echt heel enthousiast van als het op die
manier kan. Het hele idee daarvan past ook helemaal bij hoe we bij het
Toekomstscenario denken: integrale hulp aan het gezin en daarmee zo veel
mogelijk voorkomen dat je diep in dat gedwongen kader en bij
uithuisplaatsingen terecht gaat komen. Ik zie dat dus echt als een van
de voorbeelden die je ook over andere regio's zou willen verspreiden en
die je als norm zou willen stellen. Je zou belemmeringen weg willen
nemen die daarmee te maken hebben.
Dan ga ik in dit razende tempo door naar het blokje overig. De heer Van
Houwelingen zou graag in de VWS-begroting een overzicht willen hebben
van het aantal ondertoezichtstellingen en het aantal uithuisplaatsingen
et cetera. Ze staan misschien niet in de begroting, maar ze zijn wel
eenvoudig te vinden. Het CBS houdt ze bij. U kunt daar dus gewoon naar
zoeken en er worden keurige overzichtjes van gemaakt. De rapportages
worden vervolgens ook door de ministeries van VWS en JenV aangeboden aan
de Tweede Kamer. Ze worden dus op zich, al staan ze niet in de
begroting, wel gedeeld en zijn eenvoudig vindbaar.
Mevrouw Wendel vraagt of het niet allemaal wat sneller en concreter kan;
ik heb het meer mensen horen zeggen. Dat vind ik wel een goede
hartenkreet; daar voel ik wel in mee. In ieder geval komt in het
voorjaar de veranderstrategie naar de Kamer, met daarin de prioriteiten
waar we ons op korte termijn — dan hebben we het over de komende drie
jaar — en op de lange termijn op gaan richten. We werken met alle
organisaties toe naar concrete acties die ook zien op het verminderen
van de druk op de jeugdbescherming. In de kern gaat het erom dat als de
problemen van kinderen en gezinnen tijdig en effectief worden aangepakt,
kinderbeschermingsmaatregelen minder vaak nodig zijn en daardoor de druk
op de jeugdbescherming afneemt. We zitten nu veel meer in een werkwijze
waarin we ons iedere keer, werkenderwijs, afvragen wat de kern is. De
kern is dat wij een goed team rondom een gezin willen hebben en dat we
daarmee proberen zo veel mogelijk van de problemen op te lossen. Lopen
we dan vervolgens ergens tegen aan en moeten we daardoor echt
verandering in gang zetten, dan doen we de eerstvolgende verandering op
dat moment.
Dat is een klein tipje van de sluier van die veranderstrategie. Het zal
dus steeds vaker een kwestie van kleine stappen vooruit zijn, maar we
gaan dan wel iedere keer vooruit in plaats van te werken met hele
groteske plannen, visies en meer van dat al. Los daarvan, in de
categorie "korte termijn en hopelijk toch al wat resultaat", gaan we in
ieder geval de subsidieregeling voor zijinstromers in de
jeugdbescherming verlengen, zodat de GI's aan goede jeugdbeschermers
kunnen blijven komen. Voor de rest wordt het echt een andere manier van
werken: minder grootse plannen en meer een kwestie van moedig
voorwaarts, stap voor stap, maar elke keer wel een stukkie beter.
Mevrouw Van Meetelen vraagt of het juridisch kader om nalatigheid van
bestuurders te sanctioneren niet te beperkt is. Waarom is dat niet
hersteld? Bij onregelmatigheden of incidenten staat de aansprakelijkheid
van de betrokken organisatie voorop. Mijn collega gaf net al aan: die
betrokken organisatie is dan de jeugdzorgorganisatie waaraan iemand is
toevertrouwd. In het geval van ernstige en bewuste nalatigheid biedt het
huidige juridische kader al mogelijkheden om bestuurders aansprakelijk
te houden. Bestuurdersaansprakelijkheid is toch wel een stevig middel.
Het oordeel over de vraag of het gaat om ernstige en bewuste
nalatigheid, is uiteraard aan de rechter.
Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Westerveld: er is weinig tijd
genomen voor de verklarende analyse; kan ik daar een reactie op geven?
De verklarende analyse is een methodiek om samen met de gezinnen en de
sociale omgeving beter in beeld te krijgen welke problemen er in het
gezin spelen. Die methodiek is in opkomst en organisaties en
professionals zijn daar nog lerend in. Het kan wel een belangrijke
bijdrage leveren aan het organiseren van de juiste hulp en het voorkomen
van beschermingsmaatregelen. Dus wat dat betreft past het wel heel erg
in de visie die we voor ogen hebben. Het doen van een verklarende
analyse vraagt een zorgvuldig proces van samenwerking, afstemming en de
juiste deskundigheid. Daar zetten we op in in het kader van de
leeragenda's, van de Hervormingsagenda en het Toekomstscenario. Ik kan
me dus heel goed voorstellen dat die daarin een heel nadrukkelijke plek
krijgt. Ik zie af en toe bij werkbezoeken wel regio's waar men zegt: dit
is de manier waarop wij werken. Ik geloof daar wel heel erg in. We
blijven daar dus vooral om vragen en op drukken.
Dan een heel ander onderwerp. Dat is het onder toezicht stellen van een
ongeboren kind. De heer Stoffer vroeg daarnaar. Hij gaf aan dat wij dat
in Nederland misschien wel erg veel doen, vergeleken met andere landen.
Zouden we in dit kader wellicht ook niet wat meer aandacht moeten hebben
voor eventuele vrijwillige maatregelen? Zou dat niet beter zijn? Ik zie
in ieder geval geen noodzaak voor een nadere wettelijke regeling voor
ondertoezichtstelling bij ongeboren kinderen. De huidige wetgeving biedt
de rechter voldoende ruimte om maatwerk te leveren met inachtneming van
de belangen van zowel moeder als kind. Tegelijkertijd hecht ik groot
belang aan vroegtijdige vrijwillige en preventieve ondersteuning; dat
deel ik wel met de heer Stoffer. Dat sluit aan bij het toekomstscenario
waarin wordt ingezet op eerder signaleren, beter samenwerken en het
versterken van lokale wijkteams, zodat gedwongen maatregelen zo veel
mogelijk kunnen worden voorkomen.
Dan eindig ik met misschien wel een van de belangrijkste onderwerpen: de
mensen die dit werk moeten doen. Binnen mijn portefeuille zijn dat de
jeugdbeschermers. Kan ik nog een rol vervullen voor een aantrekkelijke
cao? Dat is altijd reuzelastig, want ik onderhandel inderdaad niet over
cao's; ik ga dat ook niet doen. Ik blijf me wel inzetten voor het
verlagen van de werkdruk, net als in de afgelopen jaren. Dat hebben we
ook echt gericht gedaan. We hebben de werklast verlaagd en er waren
landelijke campagnes ter verbetering van het imago van
jeugdbeschermers.
Tot slot wil ik mijn grote dank uitspreken aan iedereen die dit
ontzettend ingewikkelde, maar ook mooie werk doet. Uiteindelijk zijn de
jeugdbeschermers degenen die in een hele ingewikkelde situatie, waarin
je soms maatregelen moet nemen die eigenlijk niemand wil, toch in het
belang van het kind optreden, handelen en dingen doen. Daar ben ik ze
uitermate dankbaar voor.
Tot zover.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag, en de heer
Stoffer ook.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Die gaat over het Toekomstscenario en de proeftuinen. Op geen enkele
manier zou ik willen dat we voortdurend tijdelijk nieuwe projecten
opzetten. Volgens mij is het doel juist om datgene wat werkt in te
zetten. De inspectie schreef in het najaar dat ze zich grote zorgen
maakt over het Toekomstscenario, omdat het budget is weggevallen. De
vraag aan de staatssecretaris is dus: waarom denkt hij wel dat je die
verbeteringen allemaal kan inzetten, terwijl de budgetten weg zijn?
Volgens mij is er hier weer hetzelfde doel. Alleen, ik snap gewoon niet
hoe hij daar zo makkelijk overheen kan stappen en over wat de inspectie
en de gemeentes zeggen, wat de GI's aangeven, enzovoort.
Staatssecretaris Rutte:
Laat ik duidelijk zijn: het is een ingewikkelde puzzel. De middelen zijn
er niet, maar dat is niet een reden om te stoppen met stappen
vooruitzetten. Ik kan me best voorstellen dat als je meer middelen zou
hebben, je dat sneller en gerichter kunt doen. Daar zit het 'm een
beetje in. Het is niet zo dat we niet kunnen veranderen en niet vooruit
kunnen. Ik denk ook echt dat het nu tijd is om misschien nog één keer
het netje op te halen in de proeftuinen, maar dan op een bepaald moment
ook de moedige keuze te maken: dit is een betere werkwijze; deze is
doelmatig, beter voor het kind en het gezin en misschien in sommige
gevallen ook wel voordeliger.
De voorzitter:
Ja, duidelijk.
Staatssecretaris Rutte:
Dat is waar we doorheen moeten, maar mevrouw Westerveld heeft natuurlijk
gelijk: met meer middelen kun je daar meer projectmatige kracht achter
zetten.
De heer Stoffer (SGP):
Dank aan de staatssecretaris dat hij zulke waarderende woorden
uitspreekt over de jeugdbeschermers. Ik snap natuurlijk dat hij zelf
geen cao-onderhandelingen gaat doen. Dat gaf de collega-staatssecretaris
naast hem zonet ook al aan in een andere casus, ten aanzien van andere
vragen. Mijn vraag was eigenlijk of hij denkt dat zo'n exclusieve,
aantrekkelijke positie van de jeugdbeschermer in de cao wellicht een
belangrijke rol zou kunnen spelen. Dat zou toch een mooie uitspraak zijn
als een van zijn laatste daden als staatssecretaris in dit kabinet? Als
een staatssecretaris dat zegt, dan doet dat heel wat. Hij hoeft het dus
niet te doen, maar ik denk dat het al zou kunnen helpen als hij zou
uitspreken dat dat zo zou zijn.
De voorzitter:
Wilt u het uitspreken, staatssecretaris?
Staatssecretaris Rutte:
Nee, ik hou het bij de warme woorden die ik eerder gesproken heb. Daar
meen ik ook alles van, maar ik blijf even weg van alles wat aan de cao
raakt.
De voorzitter:
Duidelijk.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik had de staatssecretaris gevraagd wat hij op korte termijn al gaat
doen naast het Toekomstscenario en de vergezichten die er zijn. Het
antwoord was eigenlijk: binnen drie jaar ga ik dit en dat doen. In alle
eerlijkheid verslikte ik me in mijn koffie, omdat ik dacht: "Dit meen je
toch niet! Dit is precies mijn punt: het moet sneller." Als het in het
antwoord over de korte termijn gaat over "binnen drie jaar", dan denk
ik: is dát de korte termijn? Ik zou de staatssecretaris toch nog willen
vragen hoe we kunnen zorgen dat we niet alleen drie jaar lang vergaderen
en plannen maken, maar stukje bij beetje ook al stappen zetten.
Staatssecretaris Rutte:
Als dat het beeld is dat beklijft, dan heb ik me niet goed uitgedrukt.
Het papier is geduldig. We zullen zowel de dingen die binnen drie jaar
moeten worden gerealiseerd als die voor de langere termijn absoluut
allemaal keurig aan het papier toevertrouwen. Ik gaf mevrouw Wendel net
aan — ik hoop dat ze het ook gelooft als ik dat zeg — dat we toegaan
naar een andere manier van werken, waarin werkelijk waar iedere maand,
iedere dag wordt gekeken wat er anders en beter kan. Hebben we een
verbetering gevonden, dan gaat die gewoon in zonder dat we daar een
nieuw plan of een nieuw besluit voor nodig hebben. Die incrementele
werkwijze zal de veranderstrategie zijn. Die is al begonnen en heeft al
partijen aan tafel gekregen die vorig jaar waren weggelopen. Dat werkt
nu dus al. Dat houden we vol. Alle begrip: we mogen niet nog langer
praten en nog meer papier produceren. Er schijnt ook iets over in het
regeerakkoord te staan.
De voorzitter:
Duidelijk.
Staatssecretaris Rutte:
Aan de slag!
De voorzitter:
Met het oog op de klok: we zijn aan het einde gekomen van de eerste
termijn van de zijde van het kabinet. We gaan snel door naar de tweede
termijn. Ik zeg erbij: er zijn al veel vragen gesteld. Richt u echt op
de moties of op het afconcluderen. Ellenlange betogen mogen, maar dan
gaan we het helemaal niet redden. Ik stel dus voor om het echt te
beperken tot de moties. Ik hou ook de mogelijkheid open dat het kabinet
schriftelijk antwoordt op de moties en de amendementen, of deze in ieder
geval schriftelijk apprecieert. Ik wijs de Kamerleden er ook op dat er
nog een begrotingsbehandeling VWS is, waar indien gewenst nog vragen
kunnen worden gesteld.
Ik ga gelijk door, en ik zeg nu alvast: een uitloop tot 17.30 uur is
waar ik nu naar streef. Dat gebeurt heel vaak bij een opkomst als deze.
We hebben in dit huis niet de spelregel dat u moet aangeven of u
aanwezig bent bij een WGO of niet. Het is altijd afwachten wie er komt
en wie niet. Dat zeg ik er ook maar even bij. Mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. We gaan de komende jaren laten zien dat we de
zorg voor de meest kwetsbare kinderen wél goed kunnen regelen. Dat doen
we door te focussen op de kinderen die de zorg het meest nodig hebben,
door problemen in de jeugdzorg vooral buiten de jeugdzorg op te lossen
en door het perspectief van kinderen en gezinnen weer leidend te maken.
Dat betekent inzetten op preventie om te komen tot de gezondste
generatie ooit. Dat doen we door te investeren in onderwijs, sport,
bewegen en het vergroten van kansengelijkheid. Dat betekent ook dat wij
— het is al vaker gezegd vandaag — niet allemaal nieuwe plannen gaan
maken, maar gaan doen. Daarbij zetten we in op die maatregelen waarvan
we weten dat ze een grote impact hebben in het leven van jonge mensen.
In dat kader ben ik blij met de toezeggingen van het kabinet rond
nachtelijke kamerinsluiting; zij gaan pas stappen zetten in het
wetsvoorstel als we ook de uitkomsten van de onderzoeken en de
gesprekken mee kunnen nemen.
Ten aanzien van het wetsvoorstel Reikwijdte is het heel fijn dat we
parallel aan het wetsvoorstel ook gaan kijken wat we in de AMvB willen
gaan regelen en of we dat nu al kunnen voorbereiden met elkaar.
Ik ben blij met de toezegging dat gemeenten gewezen worden op het belang
van een informeel steunnetwerk voor pleegouders, bijvoorbeeld in de vorm
van Mockingbird. Ik ben ook blij met de toezegging die het kabinet
eerder deed tijdens de mondelinge vragen over suïcidepreventie bij
jongeren, namelijk dat er een apart onderzoek komt gericht op het
stijgende aantal suïcides bij jongeren, met name jonge vrouwen.
Daarnaast zullen we samen met de VVD en hopelijk ook met andere partijen
bij de begroting een amendement indienen om mensen met nepdiploma's op
te sporen. Eerder stelden we namens D66 vragen over de evc-certificaten
in de jeugdzorg; dat hebben ook een aantal andere partijen gedaan. Naar
schatting werken daardoor zo'n 800 mensen met een nepdiploma met
kwetsbare jongeren. Dat is onacceptabel. Daarom dienen we een amendement
in om deze mensen op te sporen, diploma's in te trekken, de database op
te schonen en jongeren te beschermen tegen misbruik en
criminaliteit.
Voorzitter, ik rond af. Achter deze cijfers en misstanden gaat het over
jongeren die ons nodig hebben. We maken deze keuzes juist voor hen. Ik
hoop en ik ben ervan overtuigd dat we dat de komende jaren vanuit deze
Kamer breed kunnen doen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik wijs erop dat het amendement-Synhaeve/Wendel reeds is
ingediend en dus onderdeel is van de beraadslaging. Het woord is aan de
heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Wat wel weer duidelijk is geworden, is dat …
De voorzitter:
Excuus. We gaan wel de begrotingsvolgorde hanteren.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, helemaal prima.
De voorzitter:
Anders wordt het helemaal onduidelijk. Excuus, ik ging te snel. Het
woord is aan mevrouw Wendel van de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Ik zat er al helemaal klaar voor. Ik zal het kort
houden. De staatssecretaris vertelde in haar eerste termijn dat de
reikwijdtewet in de afrondende fase is en hopelijk aan het eind van de
maand in consultatie zal gaan. Nu is er natuurlijk een nieuw kabinet in
wording. Het zou zo kunnen zijn dat dat voor het eind van deze maand op
het bordes staat. De reikwijdtewet is al jaren vertraagd, zoals vandaag
ook uitgebreid is besproken. Ik wil voorkomen dat door een
kabinetswissel, met mogelijk een nieuwe bewindspersoon die zich weer
moet inlezen, de wet nog weer een aantal maanden vertraging oploopt.
Daarom dien ik ook vandaag, samen met collega's Hamstra en Stoffer, de
volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de wachtlijsten in de jeugdzorg enorm zijn;
constaterende dat kinderen te vaak niet op tijd de hulp krijgen die ze
zo hard nodig hebben;
constaterende dat een op de zeven kinderen gebruikmaakt van
jeugdzorg;
overwegende dat een op de zeven kinderen in de jeugdzorg veel te veel
is, waardoor jeugdzorg niet beschikbaar is voor de kinderen die dit het
hardste nodig hebben;
overwegende dat de reikwijdtewet bepaalt wat wel en geen jeugdzorg is en
ervoor zorgt dat jeugdzorg beschikbaar is voor kinderen die dit het
hardst nodig hebben;
overwegende dat deze wet al in 2024 ingevoerd zou worden en de situatie
al te lang zorgwekkend is en er geen tijd te verliezen is;
verzoekt de regering vaart te maken met de reikwijdtewet en uiterlijk
voor het aftreden van het huidige kabinet in consultatie te laten
gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel, Hamstra en
Stoffer.
Zij krijgt nr. 35 (36800-XVI).
Mevrouw Wendel (VVD):
Uiteraard sta ik open voor nog meer mede-indieners.
De voorzitter:
Dus mede ingediend door?
Mevrouw Wendel (VVD):
De heer Hamstra en de heer Stoffer.
De voorzitter:
Check. Dan is hij compleet. Dank u wel. We gaan naar de volgende
spreker. Dat is mevrouw Westerveld, namens GroenLinks-Partij van de
Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik kan heel veel zeggen, maar laten we dat maar niet doen
gezien de tijd. Ik heb nog drie korte vragen. De eerste gaat over de
eigen bijdrage. Er ligt een aangenomen motie; waarom is er nou
doorgegaan met het wetsvoorstel? Twee. Ik vroeg de staatssecretaris van
VWS naar het PPRC-onderzoek. Als antwoord gaf ze dat de
plaatsingscoördinatie wordt geëvalueerd, maar onze vraag ging eigenlijk
over beschikbaarheidsfinanciering. Zou ze dus nog kunnen ingaan op de
vraag waarom daar niets op gedaan wordt? De derde vraag: wanneer krijgen
we als Kamer echt inzicht in die wachttijden? Want dit is een vraag die
nu wordt gesteld, maar die we ook de afgelopen acht jaar al
hadden.
Voorzitter. Ik heb twee moties, waar ik ook rap doorheen ga. De eerste
gaat over de onafhankelijke deskundigencommissie. Ik lees 'm eerst voor
en daarna licht ik 'm kort toe.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat per 1 januari 2026 de externe en onafhankelijke
deskundigencommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 opnieuw
is geïnstalleerd en het tweede advies van deze commissie begin 2027
wordt verwacht;
constaterende dat ondanks brede steun voor deze deskundigencommissie de
aanbevelingen uit het eerste advies onvoldoende zijn opgevolgd;
verzoekt de regering te voorkomen dat er budgettaire belemmeringen zijn
om de aanbevelingen van het tweede advies van de deskundigencommissie
adequaat uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 36 (36800-XVI).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier komen wellicht nog meer ondertekenaars onder. De reden is dat ik
niet wil dat geld de belemmerende factor is. Anders heeft het geen zin
om advies te vragen. Dan een tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer is toegezegd de aanbeveling uit het rapport
Eenzaam gesloten van Jason Bhugwandass over te nemen om onafhankelijk
onderzoek te doen naar de ZIKOS-afdelingen;
constaterende dat deze belofte niet waargemaakt kan worden omdat
instellingen geen toegang tot inzage in dossiers willen geven aan
onderzoekers;
overwegende dat het gaat om jongeren die veel hebben meegemaakt, hun
rechten zijn ingeperkt en lang niet serieus zijn genomen, en zij in alle
opzichten erkenning verdienen;
verzoekt de regering te onderzoeken welke juridische instrumenten er
zijn om de benodigde informatie boven water te krijgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 37 (36800-XVI).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hebben drie amendementen ingediend. Ik hoop dat iedereen daar even
heel goed naar kijkt, want het zijn hele goede amendementen.
De voorzitter:
Die zijn ook onderdeel van dit debat. Dank u wel. Dan kom ik bij de
volgende spreker: mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u; go, go, go! Ik dank beide staatssecretarissen voor de
beantwoording. Wat de PVV betreft ontbreekt er nog steeds iets in dit
debat, namelijk de verantwoordelijkheid en consequenties. Daar denken we
gewoon verschillend over. Er is gesproken over samenwerking en
verbeteringen, maar nog steeds is iedereen een beetje verantwoordelijk,
waardoor uiteindelijk niemand echt verantwoordelijk is. Ook zijn er nog
steeds nauwelijks gevolgen voor falende instellingen en
bestuurders.
Daarom dien ik de volgende twee moties in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige onveiligheid van kinderen signalen bekend
kunnen zijn, maar dat bij falen van jeugdzorginstellingen en hun
bestuurders zelden juridische verantwoording volgt;
overwegende dat effectieve kinderbescherming vereist dat ernstig nalaten
niet zonder consequenties blijft;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze ernstig falen van
jeugdzorginstellingen en hun bestuurders juridisch kan worden
gekwalificeerd en bestraft, en welke aanpassingen in wet- en regelgeving
daarvoor nodig zijn, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 38 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen ondanks bekende signalen van onveiligheid
onbeschermd kunnen blijven doordat verantwoordelijkheden tussen
betrokken instanties niet helder zijn vastgelegd;
overwegende dat effectieve bescherming vereist dat eenduidig vaststaat
wie eindverantwoordelijk is wanneer het systeem faalt;
verzoekt de regering om ondubbelzinnig vast te leggen wie
eindverantwoordelijk is wanneer een kind ondanks bekende signalen
onveilig blijft, en deze verantwoordelijkheid zichtbaar en toetsbaar te
verankeren in beleid, begroting en — indien nodig — wetgeving, en de
Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 39 (36800-XVI).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Meetelen. We komen bij de volgende spreker. Dat
is de heer Hamstra. Aan u het woord.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Nu ben ik er helemaal klaar voor. Uit de eerste
termijn kunnen we concluderen dat jeugdzorg geen exacte wetenschap is.
Geen jeugdige is hetzelfde, geen gemeente is hetzelfde en dat geldt ook
voor de pedagogische civil society. Een en ander is afhankelijk van heel
veel verschillende factoren: demografisch, sociaal-economisch, de mate
van sociale cohesie, de financiële positie van de gemeente. Ik ben blij
dat de staatssecretaris heeft toegezegd dat er een schrijven onze kant
op komt in het late voorjaar en dat dit ook op hoofdlijnen is, precies
om de redenen die ik net heb aangegeven.
Ten tweede ben ik blij dat er tijdens dit WGO, ook door de
staatssecretaris, zo veel warme woorden zijn gesproken over pleegzorg,
pleegouders en pleeggezinnen. Dat doet mij goed.
Dat brengt mij meteen bij de motie die ik wil indienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de uitstroom van pleegouders sinds 2021 groter is dan
de instroom van nieuwe pleegouders;
constaterende dat problemen met het pleegzorgsysteem en te weinig
ondersteuning redenen zijn voor pleegouders om te stoppen als
pleegouders;
constaterende dat er sinds eind 2024 meer dan 900 kinderen op een
wachtlijst staan voor pleegzorg;
constaterende dat de wervingscampagne voor pleegouders eind 2026
afloopt;
overwegende dat het behoud van pleegouders even belangrijk is als het
werven van nieuwe pleegouders;
verzoekt de regering voor 2027 met een plan te komen voor de werving van
nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders, en de Tweede
Kamer hierover te informeren voor het wetgevingsoverleg van 2026,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra en Wendel.
Zij krijgt nr. 40 (36800-XVI).
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde van de
Tweede Kamer: mevrouw Coenradie, JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Ik heb vijf moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Filomena een belangrijke rol speelt bij ernstige en
herhaaldelijke vormen van huiselijk geweld, stalking en dreigende
femicide;
overwegende dat effectieve bescherming vraagt om tijdige, volledige en
wederkerige informatie-uitwisseling tussen zorg, veiligheid en
justitie;
verzoekt de regering te verkennen of een eigenstandige grondslag voor
gegevensdeling van Filomena of soortgelijke organisaties met Openbaar
Ministerie en rechtspraak mogelijk en/of nodig is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 41 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de huidige praktijk slachtoffers regelmatig moeten
verhuizen of onderduiken terwijl daders in de woonomgeving
blijven;
overwegende dat de veiligheid en stabiliteit van slachtoffers en
kinderen leidend moeten zijn, en dat dadergerichte maatregelen de
dreiging kunnen verminderen;
verzoekt de regering te onderzoeken wat nodig is om juridisch,
financieel en praktisch werk te maken van afkoelhuizen voor daders,
gekoppeld aan verplichte behandeling en passend toezicht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 42 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in onze samenleving groepen minderjarigen onhandelbaar
zijn en zich herhaaldelijk onttrekken aan gezag, met ernstige gevolgen
voor henzelf en hun omgeving;
overwegende dat bestaande, vrijwillige vormen van hulpverlening in deze
gevallen onvoldoende effectief blijken;
overwegende dat het in het belang van de jongere én de samenleving kan
zijn om zwaardere en meer dwingende vormen van heropvoeding te
verkennen;
verzoekt de regering te onderzoeken welke zwaardere, dwingende vormen
van heropvoeding juridisch en praktisch mogelijk zijn, waaronder
intensieve heropvoedingsprogramma's zoals gesloten jeugdzorg en
tuchtscholen, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 43 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige gevallen van huiselijk geweld en
kindermishandeling cruciale informatie vaak versnipperd is over meerdere
instanties;
overwegende dat onduidelijkheid en terughoudendheid rond privacyregels
effectieve en tijdige bescherming in de weg kunnen staan;
overwegende dat de veiligheid van slachtoffers en kinderen altijd
zwaarder moet wegen dan procedurele belemmeringen;
verzoekt de regering om concreet in kaart te brengen welke privacyregels
en -interpretaties effectieve informatie-uitwisseling belemmeren, en
uiterlijk binnen zes maanden met voorstellen te komen om deze
belemmeringen weg te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 44 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de jeugdzorg onder extreme druk staat, mede door hoge
caseloads en administratieve lasten, met uitstroom van professionals tot
gevolg;
overwegende dat professionaliteit en continuïteit essentieel zijn voor
effectieve zorg en bescherming;
verzoekt de regering concrete maatregelen te nemen om administratieve
lasten substantieel te verminderen en professionele ruimte te vergroten,
en hierover binnen zes maanden aan de Kamer te rapporteren hoe men dit
gaat aanpakken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 45 (36800-XVI).
Dank u wel, mevrouw Coenradie, ook voor het tempo. Heel goed. Ik dank u
zeer. Ik ga naar de volgende spreker. Dat is de heer Van Houwelingen,
Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie moties. Ik
begin maar.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij een gedwongen uithuisplaatsing niet altijd sprake
is van een contra-expertise,
verzoekt de regering in de Wet versterking rechtsbescherming in de
jeugdbescherming er zorg voor te dragen dat bij de behandeling door de
kinderrechter van een gedwongen uithuisplaatsing er altijd sprake moet
zijn van een contra-expertise,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 46 (36800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Wat ons betreft is er geen sprake van een zorgvuldig proces als dat er
niet is. De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat seksueel misbruik in pleeggezinnen en gezinshuizen een
risico is;
overwegende dat alles gedaan moet worden om dit risico te
minimaliseren;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat kinderen, tenzij er
sprake is van een natuurlijke broer-zusrelatie, in een pleeggezin of
gezinshuis hetzelfde geslacht hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 47 (36800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gecertificeerde instellingen vaak onvoldoende
"betekenisvol contact" kunnen onderhouden met pleeggezinnen en
gezinshuizen waar ze verantwoordelijk voor zijn;
constaterende dat gecertificeerde instellingen er zelf belang bij hebben
dat de pleeggezinnen en gezinshuizen waarvoor ze verantwoordelijk zijn
door de inspectie goed beoordeeld worden;
constaterende dat de IGJ slechts toezicht houdt op de gecertificeerde
instellingen en niet rechtstreeks op pleeggezinnen en
gezinshuizen;
constaterende dat er de afgelopen jaren ernstige misstanden zijn geweest
bij diverse pleeggezinnen en gezinshuizen;
overwegende dat de staat een speciale verantwoording heeft om kinderen
te beschermen die door de staat (gedwongen) aan het natuurlijke gezin
zijn onttrokken;
verzoekt de regering de IGJ te verzoeken rechtstreeks toezicht te gaan
houden op pleeggezinnen en gezinshuizen, bijvoorbeeld door pleeggezinnen
en gezinshuizen steekproefsgewijs te bezoeken, en de IGJ daarvoor de
benodigde ondersteuning te geven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Houwelingen en
Stoffer.
Zij krijgt nr. 48 (36800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Van Houwelingen. Ik kom bij de volgende spreker: de
heer Stoffer namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering inzet op het versterken van de
sociaal-pedagogische basis;
overwegende dat in verschillende gemeenten, waaronder de gemeente
Kampen, goede ervaringen zijn met het laagdrempelig beschikbaar stellen
van gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk;
overwegende dat hiervoor een sluitende businesscase kan worden
opgesteld, maar dat gemeenten deze investeringen vanuit eigen middelen
moeten financieren en financiering hiervan vanuit het Rijk vaak
incidenteel is;
verzoekt de regering in overleg te treden met gemeenten om te bezien hoe
structurele financiering van een sterke sociaal-pedagogische basis
gewaarborgd kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Moinat en Ceder.
Zij krijgt nr. 49 (36800-XVI).
De heer Stoffer (SGP):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 2.3, lid 4 van de Jeugdwet bepaalt dat
gemeenten bij het bepalen van de aangewezen vorm van jeugdhulp
redelijkerwijs rekening houden met de godsdienstige gezindheid en de
levensovertuiging van de jeugdige en zijn ouders;
constaterende dat deze verplichting veelal ook is verankerd in de lokale
jeugdverordeningen;
overwegende dat gemeenten in de praktijk onvoldoende kunnen bieden ten
aanzien van de wijze waarop dit wettelijke recht daadwerkelijk wordt
betrokken bij de indicatiestelling voor jeugdhulp;
overwegende dat het ontbreken van duidelijke handvatten kan leiden tot
ongelijke toepassing en onvoldoende rechtszekerheid voor gezinnen;
verzoekt de regering om samen de VNG te bezien wat in de uitvoering
nodig is voor gemeenten om bij de toeleiding naar jeugdhulp
daadwerkelijk en zorgvuldig rekening te houden met de godsdienstige
gezindheid en levensovertuiging van jeugdigen en hun ouders, en de Kamer
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Ceder.
Zij krijgt nr. 50 (36800-XVI).
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u zeer, meneer Stoffer. Dan komen we bij de volgende spreker van
de zijde van de Kamer. Dat is de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie
moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat zelfstandige gezinshuisaanbieders door de gemeenten
worden gecontracteerd;
overwegende dat een SKJ- of BIG-registratie voldoende is om een
gezinshuis te starten en gecontracteerd te worden en dat een beoordeling
op locatie van de kwaliteitscriteria slechts plaatsvindt als een
gezinshuis in bedrijf is;
verzoekt de regering samen met stakeholders in de gezinshuiszorg en
gemeenten dan wel VNG in gesprek te gaan over de aanvullende
kwaliteitseisen die gemeenten kunnen stellen bij contractering
(waaronder onder andere fysiek bezoek op locatie van het gezinshuis), en
de Kamer hierover voor de zomer van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 51 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ouders in veel gevallen zelf in staat zijn om hun
kinderen goed op te voeden, maar dat in kwetsbare situaties
ondersteuning van anderen gepast is;
overwegende dat de regering volgens de aangenomen motie-Ceder/Bruyning
(31839, nr. 1085) bewezen effectieve interventies om gezinnen te
ondersteunen bij het opgroeien en opvoeden betrekt en verwerkt in de
continuering van de hervormingsagenda;
overwegende dat het rapport van Agenda voor het Hart aanbevelingen doet
voor maatschappelijke partners, zorg en overheid om relaties en gezinnen
te versterken;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de opstellers van het
rapport van Agenda voor het Hart om te bespreken welke aanbevelingen
passend zijn bij de rol en inzet vanuit het Rijk, en de Kamer hierover
na de zomer van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 52 (36800-XVI).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat vaders volwaardige opvoeders zijn, net als moeders, maar
dat dit in de zorg en ondersteuning in de eerste 1.000 dagen van een
kind nog niet altijd een plek heeft;
overwegende dat betrokkenheid van vaders in de eerste levensfase de
hechting, het welzijn van de moeder en de stabiliteit van het gezin
vergroot;
verzoekt de regering om samen met partijen uit het veld, onder andere
via de ouderschapscoalitie, waar ook het Expertisecentrum Vaders
onderdeel van uitmaakt, te werken aan actieve vaderbetrokkenheid in het
leven van een kind;
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 53 (36800-XVI).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Ceder. Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is
mevrouw Dobbe van de SP-fractie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een tweetal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de personeelstekorten in de jeugdzorg verder dreigen
op te lopen naar 5.900 in 2034;
overwegende dat jeugdzorgverleners vanaf deze week actievoeren voor een
cao met een fatsoenlijke loonstijging, betere en veiligere
arbeidsomstandigheden en minder werkdruk;
overwegende dat een goede cao voor jeugdzorgverleners essentieel is om
te voorkomen dat er 80.000 jongeren zonder hulp komen te zitten;
verzoekt de regering om met werkgevers en werknemers in de jeugdzorg in
gesprek te gaan ọm te kijken wat er nodig is om te komen tot een goede
cao waarmee enorme personeelstekorten kunnen worden afgewend en wat de
overheid daar zelf aan kan bijdragen;
verzoekt de regering om een bemiddelaar aan te stellen om de
onderhandelingen over de cao jeugdzorg vooruit te helpen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 54 (36800-XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voordat de staatssecretarissen gaan zeggen dat dit tegen het mandaat van
de cao-tafel ingaat: dit is vorig jaar, in 2025, ook gedaan bij de cao
voor apotheekmedewerkers. Toen heeft Martin van Rijn dit heel succesvol
gedaan. Hij was ook aangesteld door het kabinet. Daar was iedereen heel
erg blij mee. Doe dat nu toch weer. Het kan gewoon.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er steeds meer kritiek komt vanuit de samenleving op
de marktwerking in de jeugdzorg;
overwegende dat de invoering van marktwerking vooral heeft geleid tot
stijgende kosten en winsten, zonder gezinnen de zorg te geven die ze
nodig hebben;
verzoekt de regering om een commissie aan te stellen die moet
onderzoeken hoe de gehele jeugdzorg kan worden vormgegeven zonder
marktwerking, aanbestedingen en openhouseprocedures en wat voor
aanpassingen aan het stelsel daarvoor nodig zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 55 (36800-XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Ik wil hier ook nog gezegd hebben dat ik volgens mij wel
acht keer aan niet alleen de staatssecretaris, maar ook de partijen die
het regeerakkoord gisteren hebben gepresenteerd, heb gevraagd wat zij
denken dat de gevolgen voor de kinderen, de gezinnen en de mensen die de
zorg verlenen, zullen zijn op het moment dat die bezuinigingen van een
half miljard, die dit jaar al ingaan, zullen ingaan. Daar krijg ik
gewoon geen antwoord op. Hetzelfde geldt voor de bezuinigingen van 10
miljard euro extra op de zorg. Dat is onacceptabel. Wat de SP betreft
moeten die van tafel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij mevrouw Moinat namens Groep
Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide staatssecretarissen bedanken voor
hun beantwoording. Ik heb wel wat open vraagjes, maar die zal ik netjes
schriftelijk aan u doen toekomen. Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen voor jeugdhulp in het buitenland worden
geplaatst, terwijl de IGJ geen toezicht kan uitoefenen in het
buitenland;
overwegende dat recente ernstige misstanden bij buitenlandse
jeugdhulpaanbieders aantonen dat toezicht tekort kan schieten;
overwegende dat jeugdhulp in beginsel dient plaats te vinden onder
volledige Nederlandse jurisdictie en toezicht;
verzoekt de regering in beginsel jeugdigen in Nederland te plaatsen,
tenzij plaatsing in het buitenland in het belang is van het kind, er
geen passend alternatief in Nederland beschikbaar is en de
plaatsingsprocedure verloopt via de regels van de Centrale autoriteit
Internationale Kinderaangelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands
Zorgaanbod Jeugd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat, Stoffer, Coenradie en
Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 56 (36800-XVI).
Dank u wel. Ik dank u allen, ook voor uw medewerking. Ik schors nu voor
vijf minuten. Daarna gaan we luisteren naar het kabinet voor de
appreciaties. Ik doe ze niet schriftelijk; ik denk dat het gewoon prima
kan. Ik heb ook gevraagd om het gewoon bondig te doen. Dan kunt u
allemaal gaan stemmen op 10 februari. Vijf minuten schorsing.
De vergadering wordt van 16.53 uur tot 17.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Mevrouw Tielen begint, toch? O, stop. Ik hoor
net van onze onmisbare bode dat nog niet alle moties binnen zijn en zijn
rondgedeeld. Ik wilde sneller beginnen dan de printer wilde meedoen. Ik
heb zelf inmiddels wel een stapel moties, maar nog niet alle Kamerleden.
Ik schors nog voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
O, wacht. Ik stel toch dit voor. Er waren nog wat vragen. Ik stel voor
om even met de openliggende vragen te beginnen. Staatssecretarissen, we
beginnen alvast en komen zo bij de moties. Dank voor het
meedenken.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Zoals ik al in de eerste termijn zei: de
combinatie van principes en pragmatiek, daar houd ik ook van. Het
principe is dat we aangekomen zijn bij de tweede termijn van de zijde
van het kabinet, de pragmatiek is dat we gewoon gaan beginnen.
Ik had nog een paar openstaande vragen, onder andere van
GroenLinks-PvdA, over de financieringsbeschikbaarheid, ook in relatie
tot dat rapport van het PPRC. Ik zie mevrouw Westerveld knikken, dus we
hebben het over hetzelfde. Die aanbevelingen lopen mee in het programma
van de standaardisatie. Daarbij betrekken we ook een aantal van die
evaluatiepunten, dus dat hoort echt bij elkaar. In de volgende
voortgangsbrief zullen we daar een update van beschrijven.
Dan was er nog een vraag over inzicht in de wachttijden. Daar hebben we
het al zo lang over; dat herken ik. Wat we nodig hebben om een goed
beeld te krijgen, is standaardisatie; ik probeerde dat al een beetje in
mijn antwoorden mee te geven. Het programma Standaardisatie gaat daar
dus hulp bij bieden. Hiermee kun je vergelijkingen maken tussen
verschillende vormen en verschillende wachtlijsten. We hebben lokaal en
regionaal best wel in beeld, maar die kunnen we nog niet zomaar bij
elkaar op een stapel leggen. Daar zal de standaardisatie bij helpen. In
de volgende brief kunnen we daar concreter antwoord op geven, volgens
mij. De wens is dezelfde, maar we moeten het ook voor elkaar krijgen.
Daar doen we dus hard ons best voor.
Mevrouw Westerveld had ook nog een vraag over de eigen bijdrage. Waarom
is de staatssecretaris doorgegaan met voorbereidingen als er een motie
ligt om ermee te stoppen? Kijk, überhaupt stoppen met de eigen bijdrage
betekent een beslag van 260 miljoen euro per jaar. In de motie stond
daar geen oplossing voor. "Geen dekking", noemen we dat dan in
Kamertermen. Dat betekent dat ik dat deel van de motie niet kan doen.
Maar u heeft ondertussen nog geen voorstellen gezien. Wat we bedacht
hebben, is om wel door te gaan met bekijken welke verschillende vormen
er zijn, juist ook omdat er ook andere oproepen uit de Kamer zijn,
namelijk om oog te houden voor kwetsbare gezinnen, of in ieder geval
voor gezinnen in kwetsbare situaties. Daarmee zijn we aan het zoeken
gegaan. Dat is het antwoord op die vraag.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
Dan stond er nog een vraag open van mevrouw Synhaeve over de evc-fraude:
wat hebben we gedaan om deze aan te pakken? We richten ons erop ervoor
te zorgen dat er überhaupt geen professionals met een frauduleus
evc-certificaat meer werkzaam zijn in de jeugdhulp. De huidige standaard
voor de evc is ingetrokken, dus er kunnen geen nieuwe evc-trajecten
gestart worden. Zowel aanbieders als werkgevers zijn opgeroepen om geen
nieuwe werknemers meer aan te nemen puur op basis van evc's. De
brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland heeft samen met andere
betrokkenen een taskforce opgericht. Hierin werken ze samen om een
betrouwbaar alternatief te ontwikkelen om mensen met ervaring toch
veilig in te kunnen laten stromen. We hebben er in ieder geval op
ingezet dat SKJ-professionals met een vastgesteld frauduleus
evc-certificaat worden uitgeschreven. Er zijn nu 55 registraties
uitgeschreven. Iedereen kan dat ook terugvinden in het register. We zijn
bezig met het vervolg van het onderzoek. Dat doen we dus samen met
gemeenten en Jeugdzorg Nederland.
Wellicht kan ik hierbij alvast het amendement van mevrouw Synhaeve
appreciëren. Ik begrijp heel goed waartoe zij oproept. Ik zie ook dat
zij hierin opneemt dat dit niet puur aan het Rijk is, maar gebeurt in
samenwerking met gemeenten en jeugdzorgaanbieders. Volgens mij is de
dekking ook oké. Dat betekent dat ik het amendement oordeel Kamer kan
geven.
De voorzitter:
Oké, het amendement-Synhaeve/Wendel op stuk nr. 34 krijgt oordeel
Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dan de moties, voorzitter?
De voorzitter:
Er liggen nog drie amendementen. Doen we die eerst, en daarna de
moties.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 19 is van de Socialistische Partij. Ik kijk
even naar mevrouw Dobbe of zij dat nummer herkent. Dat moet ik ontraden.
De voorgestelde dekking past niet binnen de begrotingsregels zoals we
die hebben afgestemd, want de uitgaven worden gedekt met inkomen. We
hebben uitgebreid gedebatteerd over wat geld wel en niet kan doen, maar
ik denk dat mevrouw Dobbe en ik daar gewoon een andere visie op hebben.
Dus ontraden.
Het amendement op stuk nr. 29 van mevrouw Westerveld van GroenLinks-PvdA
gaat over Jeugdstem en over het bezoeken van gezinshuizen. Ik zal heel
eerlijk zeggen dat in het debat dat daarover gevoerd werd misschien niet
het hele plaatje is neergezet. In totaal krijgt Jeugdstem ruim 12,5
miljoen euro subsidie per jaar. Wat ons betreft is die subsidie best wel
ruim om op een passende manier invulling te geven aan het belangrijke
vertrouwenswerk dat zij bij verschillende typen aanbieders doen.
Tegelijkertijd zijn we bezig met digitalisering van de dienstverlening,
die vanuit VWS wordt gefinancierd, zodat ook de wachttijd voor ouders
teruggedrongen kan worden. Dat helpt bij het doelgerichter en
efficiënter maken van het werk van Jeugdstem. We denken dus dat het niet
nodig is. Ik ontraad het daarom ook. De financiële dekking is er
namelijk ook niet.
Het amendement op stuk nr. 30 van GroenLinks-PvdA gaat over €250.000
voor personeel voor Jeugdstem. Wat dit amendement betreft sluit ik aan
bij de vorige appreciatie. Dit amendement ontraad ik ook.
Het amendement op stuk nr. 33 gaat over het vrijmaken van geld voor
inspraak en zeggenschap van jongeren. Mevrouw Westerveld legde in haar
inbreng al uit dat dat bij OCW ook al op een soortgelijke manier wordt
ingeregeld en vroeg waarom dat dan bij VWS niet zo is. Het is deels wel
zo bij VWS. Er is structureel overleg met jongeren en
ervaringsdeskundigen, zoals we dat in artikel 1a.4 van de Jeugdwet
hebben afgesproken. De jongerenparticipatie wordt gefinancierd via de
Nationale Jeugdraad. Dit jaar staan zij op de rol voor ruim 2,6 miljoen.
Ervaringsdeskundigen betrekken bij de om- en afbouw van gesloten
jeugdhulp is ook gefinancierd. Het amendement vraagt nu om een
structurele financiële dekking, maar de dekking die mevrouw Westerveld
voorstelt, is geen structurele dekking. Dat is ingewikkeld. Dan kan ik
het dus ook niet beoordelen, hoewel ik de richting heel goed snap.
De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb sowieso een vraag over de dekking. Ons amendement over Jeugdstem
wordt ook ontraden omdat de dekking niet zou kloppen, terwijl de dekking
van het amendement van D66 en de VVD hetzelfde is. Dat argument klopt
volgens mij dus niet. Zoals ik in mijn bijdrage aangaf, weet ik wat er
gebeurt, ook richting de NJR. Maar dat zijn niet de jongeren, de
ervaringsdeskundigen, in de jeugdzorg. Het gaat er mij specifiek om ook
die groep een stem te geven.
De voorzitter:
Helder. De staatssecretaris, kort.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij is het verschil tussen beide amendementen waarnaar mevrouw
Westerveld verwijst dat het ene incidenteel is, ook met een incidentele
dekking, en het andere structureel is met een ... Nee, structureel met
een incidentele ... Nou ja, zoiets. Over het amendement op stuk nr. 33:
we hebben €60.000 per jaar om ervaringsdeskundigen te betrekken bij de
om- en afbouw van jeugdzorg. Dat is deels structureel, in ieder geval
voor een aantal jaar. Mevrouw Westerveld wil het op de langere termijn.
Daar zit de mismatch met de dekking.
De voorzitter:
Oké, het blijft ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, het blijft ontraden. Tegelijkertijd snap ik de richting heel goed.
Wellicht kunnen we er nog over nadenken hoe we dat van een dekking
...
De voorzitter:
Ik weet niet of u er nu helemaal uit komt. Mevrouw Westerveld, heel kort
tot slot, want we moeten echt tempo maken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik begrijp het, maar dit gaat over amendementen op de begroting.
Volgens mij is dat het relevantste onderdeel. De twee amendementen over
Jeugdstem zijn incidenteel, net als het amendement van D66 en VVD. Als
het gaat over de jongeren — dat is mijn tweede opmerking — vragen we het
inderdaad structureel, want we willen dat er een organisatie wordt
opgebouwd.
De voorzitter:
Oké, helder. Tot slot nog heel kort.
Staatssecretaris Tielen:
En Jeugdstem krijgt 12 miljoen structureel. Daarom ontraad ik het dus.
Misschien moeten we het amendement op stuk nr. 33 gewoon nog even
...
De voorzitter:
Ja, er is nog tijd.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, want de amendementen worden in maart in stemming gebracht.
De voorzitter:
Oké. De moties.
Staatssecretaris Tielen:
Ik begin met de motie op stuk nr. 35 van mevrouw Wendel, meneer Hamstra
en meneer Stoffer. Ik kan de overwegingen, de constateringen en ook het
verzoek heel goed begrijpen. Het oordeel zou "overbodig" moeten zijn,
maar als mevrouw Wendel het wil, wil ik ook wel "oordeel Kamer"
geven.
De voorzitter:
Oordeel Kamer, niet overbodig?
Staatssecretaris Tielen:
Nee, nee, niet overbodig. Soms moet ik niet zeggen wat er in mijn hoofd
zit.
De motie op stuk nr. 36 is van mevrouw Westerveld. Het rapport is nog
niet gereed. Ik zou het te voorbarig vinden om daar nu op vooruit te
lopen, dus wat dat betreft ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 37 van mevrouw Westerveld gaat over de juridische …
Ja, graag, zou ik zeggen. Oordeel Kamer. Daar zijn we natuurlijk deels
al mee bezig, maar het kan nooit kwaad om daar nog wat stevigere
aansporing op te krijgen.
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen.
De voorzitter:
Ik neem aan dat u de motie op stuk nr. 38 overslaat omdat de andere
staatssecretaris daarop ingaat.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, sorry. De moties op de stukken nrs. 38, 42, 44 en 46 worden door
staatssecretaris Rutte geapprecieerd.
De voorzitter:
Helder, dank u wel.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen gaat over de
eindverantwoordelijkheid. Die motie ontraad ik. Alle risico bij één
organisatie leggen gaat alle checks-and-balances te buiten die we
volgens mij juist heel goed geïnstitutionaliseerd en geregeld hebben.
Dit is te eenvoudig. Ontraden.
De motie op stuk nr. 40 van meneer Hamstra gaat over pleegzorg. Ik vind
het heel mooi dat meneer Hamstra zowel werving als behoud benoemt. Ik
ben ook wel bereid om daar nader op door te gaan. Oordeel Kamer.
Over de motie op stuk nr. 41 van mevrouw Coenradie heb ik uiteraard even
overlegd met de andere staatssecretaris van VWS, want zij is vooral met
deze problematiek bezig. Zij erkent het belang hiervan. Dat gaf ik
eigenlijk in mijn inbreng al aan. Samen zeggen wij: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 43 over dwingende vormen van heropvoeding ga ik
echt ontraden. Ik begrijp het probleem dat mevrouw Coenradie hiermee wil
benoemen, maar de genoemde oplossing is volgens mij niet de oplossing,
nog even los van welke kant we dan helemaal heen gaan. Volgens mij
moeten we ervoor zorgen dat stevige lokale teams dicht bij gezinnen al
in een vroeg stadium opvoedondersteuning kunnen bieden en daarmee
hopelijk een hoop ellende voorkomen, bijvoorbeeld op straat.
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Coenradie gaat over de
administratieve lasten. We vinden allemaal dat we daarmee aan de slag
moeten. Vanuit die drive zijn we daar ook hard mee bezig. Maar soms is
het gewoon fijn om vanuit de Kamer ook een aansporing te krijgen; dat
helpt. Dus hier ook oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 47 van de heer Van Houwelingen gaat over kinderen
met hetzelfde geslacht in een pleeggezin of gezinshuis. Met verwijzing
naar het debat ontraad ik die motie.
De motie op stuk nr. 48 van meneer Van Houwelingen gaat over hoe het
inspectietoezicht ingevuld zou moeten worden. Nog even los van het feit
dat wij gelukkig een onafhankelijk inspectiestelsel hebben, ontraad ik
deze motie met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 49 van meneer Stoffer gaat over de sterke
pedagogische basis. Dat is onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd.
Daar staat ook heel veel over in de brief en in de afspraken daarover.
Dat is al geïncorporeerd in alle afspraken die we daarin hebben gemaakt,
ook de financiële. Dus ontraden.
De motie op stuk nr. 50 van meneer Stoffer gaat over de gezindheid.
Daarover hebben we dus ook al afspraken. Dat erkent meneer Stoffer ook,
maar hij vraagt met deze motie eigenlijk om daar nog eens extra aandacht
aan te besteden in de overleggen. Daar ben ik uiteraard toe bereid, al
vind ik het altijd jammer dat we moties nodig hebben voor dingen die ook
wel toegezegd kunnen worden, maar dat terzijde. Oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 51, van de ChristenUnie, over gezinshuizen en
de extra kwaliteitscriteria. Ik refereerde er in mijn inbreng al even
aan dat we bezig zijn met het updaten van die kwaliteitscriteria, dus ik
snap heel goed wat de heer Ceder daarin mee wil laten lopen. Dat kunnen
we ook gewoon doen, dus oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 52, van de ChristenUnie, over de Agenda voor
het Hart. Ook daarvoor geldt dat een beetje. Ik wil best toezeggen om in
gesprek te gaan. Het is jammer als er een motie voor nodig is, maar soms
kan het helpen. Oordeel Kamer voor de motie op stuk nr. 52.
Dan de motie op stuk nr. 53, over vaders. Ook wat dat betreft heb ik al
gezegd waar we mee bezig zijn. Werken aan actieve vaderbetrokkenheid
doen we binnen de mogelijkheden die er zijn heel graag, dus laten we die
oordeel Kamer geven en kijken wat uw Kamer daarvan vindt.
Dan de motie op stuk nr. 54, over de cao. Die ga ik ontraden.
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 55 van mevrouw Dobbe, over een
nieuwe commissie. Dat lijkt me ook niet nodig. Ontraden.
De laatste motie bij mijn appreciaties is de motie op stuk nr. 56, van
mevrouw Moinat, over jeugdzorg in het buitenland. Daar hebben we
natuurlijk al enige dingen over gezegd in het debat. Het is primair aan
de gemeenten om daar afspraken over te maken, maar we hebben daar
allerlei kaders voor. Maar net als uw Kamer ben ik echt wel geschrokken
van wat er ligt, dus het lijkt me prima om dit als leidraad te pakken.
Ik zou deze motie dus graag oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
Dank u zeer. Dan vraag ik de staatssecretaris van JenV om de andere
moties langs te lopen.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, ik zal er met het oog op de tijd snel doorheen gaan.
Ten eerste de motie op stuk nr. 38, van mevrouw Van Meetelen, om te
onderzoeken op welke wijze ernstig falen van jeugdzorginstellingen en
hun bestuurders juridisch kan worden gekwalificeerd en bestraft. Die wil
ik ontraden. Ik heb daar net in het debat ook aandacht aan gegeven. Het
kan al op vele manieren, dus ik zie daarin geen toegevoegde
waarde.
Dan de motie op stuk nr. 42, van mevrouw Coenradie, om te onderzoeken
wat nodig is om juridisch, financieel en praktisch werk te maken van de
zogeheten afkoelhuizen. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven als ik die
zo mag opvatten dat we dit als verkenning meenemen in het traject ter
verbetering van de inzet van het tijdelijke huisverbod in het kader van
de bestuursrechtelijke aanpak van huiselijk geweld en
kindermishandeling. Volgens mij is dat in lijn met wat we in het debat
hebben gedeeld met elkaar.
Dan de motie op stuk nr. 44, van mevrouw Coenradie, over in kaart
brengen welke privacyregels effectieve informatie-uitwisseling
belemmeren. Die geef ik graag oordeel Kamer.
Dan tot slot de motie op stuk nr. 46, van de heer Van Houwelingen,
waarin staat dat er bij gedwongen uithuisplaatsing altijd sprake moet
zijn van een contra-expertise. Die wil ik ontraden met verwijzing naar
het debat.
Daarmee heb ik alle moties gehad.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Ik dank u beiden voor de beantwoording. Daarmee zijn we
aan het einde gekomen van de tweede termijn.
Er zijn toezeggingen genoteerd, maar die ga ik nu niet voorlezen. Er is
een toezeggingenregistratie-applicatie. Daarin gaan we het allemaal
netjes laten landen. Dan kunt u dat ook terugzoeken.
Ik dank alle Kamerleden en alle aanwezigen voor hun geduld en interesse.
Ook heel veel dank aan iedereen die dit debat heeft gevolgd. Dit is het
einde van het begrotingsonderdeel Jeugd. Ik sluit de vergadering. Dank u
wel.
Sluiting 17.19 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|