Conceptverslag Pensioenonderwerpen
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D05104, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-02-03 15:31, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-29 13:00: Pensioenonderwerpen (Commissiedebat), vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Pensioenonderwerpen
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 29 januari 2026 overleg gevoerd met mevrouw Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over:
de brief van de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 18 december 2024 inzake fiscale knelpunten Wet toekomst pensioenen (36067, nr. 200);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 30 januari 2025 inzake voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen winter 2025 (32043, nr. 681);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 10 maart 2025 inzake verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2025 (32043, nr. 682);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 13 maart 2025 inzake uitstel beoogde inwerkingtreding bedrag ineens en vooronderzoek Nibud naar keuzetool bedrag ineens (36154, nr. 21);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 1 april 2025 inzake derde voortgangsrapportage Maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (25883, nr. 525);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 15 april 2025 inzake reactie op de gewijzigde motie van het lid Van Kent over een compensatieregeling met kostenoverzicht uitwerken voor zzp'ers met een AOW-gat (Kamerstuk 32043, nr. 635) (32043, nr. 683);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 13 mei 2025 inzake beter betrekken en informeren van deelnemers bij invaren (36578, nr. 28);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 28 mei 2025 inzake uitwerking akkoord Gezond naar pensioen (32043, nr. 685);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 2 juli 2025 inzake voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen zomer 2025 (32043, nr. 687);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 2 juli 2025 inzake reactie op de motie van de leden Joseph en Vermeer over nu al onderzoeken hoe de indexatieregels voor pensioenfondsen die niet invaren versoepeld kunnen worden (Kamerstuk 32043, nr. 673) (32043, nr. 686);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 9 juli 2025 inzake schijnzelfstandigen en pensioenopbouw (32043, nr. 688);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 9 juli 2025 inzake additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie (36578, nr. 31);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 6 oktober 2025 inzake maatschappelijke kosten-batenanalyse AOW en impactanalyse objectief partnerbegrip AOW (32043, nr. 689);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 7 november 2025 inzake vaststelling AOW-gerechtigde leeftijd, aanvangsleeftijd 2031 en pensioenrichtleeftijd 2027 (32163, nr. 62);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 17 november 2025 inzake voortgang reductie werknemers zonder actieve pensioenopbouw (32043, nr. 690);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 17 december 2025 inzake stand van zaken vrijwillige voortzetting nabestaandenpensioen (32043, nr. 691);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 14 januari 2026 inzake scenarioverkenning daling AOW-gerechtigde leeftijd als antwoord op de motie van de leden Flach en Stultiens over zich voorbereiden op een scenario waarin wetgeving tot stand moet komen om daling van de AOW-leeftijd mogelijk te maken (Kamerstuk 32043, nr. 679) (32043, nr. 693);
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 22 januari 2026 inzake voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen winter 2026 (32043, nr. 694).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
Van der Burg
De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
Post
Voorzitter: Ceulemans
Griffier: Morrin
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Ark, Van Brenk, Ceulemans, Jimmy Dijk, De Kort, Edgar Mulder, Neijenhuis, Patijn en Vermeer,
en mevrouw Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Aanvang 13.03 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag, dames en heren. Het is 13.00 uur geweest, dus we willen
aanvangen met het commissiedebat. Welkom bij het debat van de vaste
commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid over
pensioenonderwerpen. Welkom aan de mensen op de publieke tribune, de
mensen die dit debat thuis via de livestream volgen, de minister en
uiteraard de commissieleden. Het debat staat gepland tot 17.30 uur. Ik
vermoed dat het aantal commissieleden nog zal aanzwellen in de komende
minuten, dus ik zou willen voorstellen om in de eerste termijn vier
interrupties toe te staan, zodat we daarna, bij de termijn van de
minister, op zes interrupties kunnen koersen. Voor de volledigheid:
interrupties zijn korte, bondige en concrete vragen of
opmerkingen.
Als daar geen vragen over zijn, vangen we aan met de eerste termijn. Ik
geef als eerste het woord aan de heer Mulder van de PVV voor zijn
inbreng.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De Wet toekomst pensioenen is op 1 juli 2023
ingegaan, na een jarenlangdurend debat. De wet is op zijn zachtst gezegd
omstreden en kan nog steeds niet rekenen op veel steun in Nederland. Er
was, naar mijn oordeel terecht, heel veel wantrouwen. Alles rondom deze
wet is omstreden en ligt gevoelig. Zelfs een verzoek voor een referendum
werd een enorm gevecht. De stem van JA21 gaf helaas de doorslag: er komt
geen zelfbeschikking voor de pensioendeelnemer. Deze wet gaat ook echt
ergens over: meer dan 1.600 miljard euro. Waarom deze inleiding? Een van
de belangrijkste discussiepunten gedurende de laatste vier jaar was de
vraag of gepensioneerden nog wel konden rekenen op een goed en stabiel
pensioen. Wat zou er gebeuren met de belofte over de koopkracht, die er
wél in de oude wet was? Zowel voor- als tegenstanders van de nieuwe wet
waren het erover eens dat de hoogte van het pensioen onder de nieuwe wet
meer zou kunnen fluctueren. Ik weet dat voorstanders van de wet wijzen
op argumenten als het eerder kunnen indexeren en het bieden van meer
garanties voor de toekomst. Ik wil die discussie vandaag zeker niet
overdoen. Maar tijdens dat hele traject, tijdens die vier jaar, waren
ook voorstanders van de nieuwe wet het erover eens dat pensioenen gekort
zouden kunnen gaan worden. Dat is namelijk inherent aan de nieuwe opzet:
we volgen de beurskoersen; dat is dus logisch.
Voorzitter. Gisteren is een brief van de minister toegevoegd aan onze
agenda voor vandaag: een voortgangsrapportage over de Wet toekomst
pensioenen (32043, nr. 694). Daarin staan opmerkelijke uitspraken. Laat
ik voor de duidelijkheid en de zekerheid de minister nauwkeurig citeren.
Op bladzijde 3, onder het kopje beleidsconclusies, staat: "De ingevaren
pensioenfondsen hebben gemiddeld genomen de pensioenen kunnen verhogen
dankzij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Gemiddeld zijn de
ingevaren pensioenen met 14% gestegen. Dit betreft in beginsel een
structurele verhoging."
Voorzitter. Een structurele verhoging van 14%. Hoezo is die verhoging
structureel? De hele discussie over de nieuwe wet was juist dat men af
wilde van garanties en van het begrip "structureel". Structureel zou
niet meer bestaan, want de pensioenen zouden afhankelijk worden van de
beurskoersen. Daarom was de PVV fel tegen deze nieuwe pensioenwet. De
partij van de minister was hier hartstikke voor. Ik wil dus graag weten
of die verhoging echt structureel is, zoals de minister schrijft, en of
er dus geen daling meer kan komen. Als dat zo is, is dat geweldig
nieuws; champagne en taart voor de minister. Maar als dat het geval is,
dan snap ik niet wat deze minister schrijft op bladzijde 18 onder kopje
5.1: "Zo verwachten pensioenfondsen dat de jaarlijkse kans op een
nominale verhoging van de ingegane pensioenen groter is dan de kans op
een nominale verlaging. Maar als er een verlaging voorkomt, is deze
gemiddeld van grotere omvang dan de verhoging." Hierin staat dus dat er
wél gekort gaat worden en dat de verhoging niet structureel is. Die
combinatie lijkt mij niet te kloppen. Ik wil graag een duidelijke
reactie hierop.
Voorzitter. Een ander onderwerp: de toekomst van ons pensioenstelsel en
de maatschappelijke kosten-batenanalyse. De PVV is het er op zich mee
eens dat er veel voordelen zijn als we voortaan uitgaan van een
objectief partnerbegrip: ouderen gaan meer samenwonen, er komen meer
woningen vrij en het heeft slechts een miniem effect op de
uitkeringslasten, zo lees ik. Dat laatste is natuurlijk wel van belang.
Ik las dat er extra kosten van zo'n 200 miljoen zijn. Dan kan je zeggen
dat dit meevalt, maar aan de andere kant krijgen we wekelijks,
dagelijks, waarschuwingen dat de AOW onbetaalbaar aan het raken is.
Waarom is die 200 miljoen dan geen probleem?
Dan nog een tweede vraag over dat objectieve partnerbegrip. Ik vraag de
minister: is het mogelijk om ervoor te zorgen dat dit alleen geldt voor
ouderen die altijd al, of een groot deel van hun leven, in Nederland
hebben gewoond? Als je wat verder in die stukken duikt, is er opeens een
link naar de aanvullende inkomensvoorziening ouderen, de AIO. Ik snap
dat echt niet. Mijn partij vindt het sowieso onaanvaardbaar dat mensen
die hier pas binnenkomen als ze in de zestig zijn, die nog nooit een
cent hebben bijgedragen aan de Nederlandse Staat en die eigenlijk alleen
maar geld kosten, door de aanvulling vanuit de AIO net zo veel AOW
ontvangen als Nederlanders die veertig jaar keihard gewerkt hebben. In
principe is het zo dat als je 40 of 45 jaar gewoon in Nederland hebt
gewoond, je op €60 of €80 na, hetzelfde krijgt als iemand die hier op
zijn of haar 62ste binnenkomt. Ik vind dat gestoord. Het hele
AIO-programma is de laatste jaren helemaal uit de klauwen gelopen. De
kosten zijn sinds 2019 met 68% gestegen. Ik zou zeggen: ga daar op
bezuinigen in plaats van op onze eigen ouderen. Mijn vraag is: heeft dat
objectieve partnerschap ook invloed op het geld dat deze nieuwkomers
krijgen?
Voorzitter, als laatste een kort onderwerp. Nederlanders moeten steeds
langer werken. Dat is heel erg irritant. Als je de finishvlag al ziet,
komt de overheid en die verplaatst die weer. Het ging van 65 jaar naar
67 jaar, en naar 67 jaar en 3 maanden, en straks wordt het 70 jaar of
ouder. Waarom geldt dat niet voor andere landen? Waarom mag je in Spanje
met 65 jaar stoppen? Waarom werd half Frankrijk afgebroken toen de
regering voorstelde om de pensioenleeftijd te verhogen van 62 jaar naar
64 jaar? Het zou naar 64 jaar gaan en het hele land lag plat. Waarom
praat de EU-elite altijd over solidariteit, maar is het bij dit pensioen
opeens niet meer belangrijk? Wat vindt de minister hiervan? Mijn laatste
vraag is: is zij dan wel voor solidariteit?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mulder. Heeft u een interruptie, mevrouw Van Brenk?
Ja, het is een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik hoor de verhalen van de PVV aan, maar ik vroeg me af: welke
verbeteringen ziet de PVV? We zijn er nu mee opgescheept. Dat was nooit
de wens van de PVV. Het was ook nooit de wens van 50PLUS. Ziet de PVV
mogelijkheden tot verbeteringen van het stelsel waarmee we nu
opgescheept zitten?
De heer Edgar Mulder (PVV):
Het stelsel zoals dat er nu is, kunnen we alleen maar verbeteren door
waar dat mogelijk is amendementen in te blijven dienen, maar eerlijk
gezegd zie ik het somber in. Als je ziet dat het laatste amendement dat
via NSC is ingediend, alles en iedereen overstuur maakte en dat zelfs de
eigen minister, die het programma van NSC had geschreven — nu moet ik
opletten wat ik zeg — heel gek opeens een andere positie innam, waardoor
zelfs niet werd toegestaan dat Nederlanders over hun eigen geld en eigen
bezit mogen meebeslissen, zie ik het heel somber in. Misschien dat we,
als we ooit nog samen 80 zetels halen, nog iets kunnen doen, maar dan is
het invaren al voorbij. Ik weet niet wat je dan nog moet voorstellen.
Laat ik eerlijk zijn: dit heeft niet voor niets zo lang geduurd. Wat is
het? De hele discussie heeft vijf of zes jaar geduurd. Het hele
poldermodel is ingeschakeld. De Nederlanders, de gepensioneerden, zijn
al vroegtijdig buitenspel gezet door te gaan werken met tafels, waaraan
eigenlijk de aloude polderelite het weer voor het zeggen kreeg. Ik wil
graag dingen verbeteren, maar als het invaren voorbij is, zie ik niet
meer hoe we dat moeten doen.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Brenk, u heeft geen vervolgvraag? Dan krijgt u
het woord voor uw inbreng. Het woord is aan mevrouw Van Brenk van
50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. We wilden de Wet toekomst pensioenen niet, maar nu we ermee
opgescheept zitten, moeten we repareren wat fout is. Wij willen een
aantal punten verbeteren. Wij willen koopkrachtperspectief. Wij willen
een kostenreductie. Wij willen dat er betere rendementen gemaakt worden.
Wij willen rechtvaardige transitievoorwaarden.
De berekeningen en de vele eerste berichten van de pensioendeelnemers op
sociale media laten namelijk zien dat gepensioneerden niet kunnen
rekenen op koopkrachtverbetering. Er komt geen inhaalindexatie die het
indexatieloze tijdperk neutraliseert, ook niet voor de helft. De 14%
gemiddelde stijging die minister Paul de wereld in heeft geslingerd,
komt neer op ongeveer de helft van de indexatieachterstand van een groot
aantal gepensioneerden. Dat percentage blijkt echter niet te kunnen
worden bevestigd door feiten. Wat bezielde de minister om met een
stijging van 14% op de proppen te komen? Krijgen we daar vandaag uitleg
over? Of krijgen we een mea culpa? Wij horen graag de reactie van de
minister op de woorden van professor Boot bij BNR op dit punt.
Waarom geeft de minister niet de opdracht dat pensioenfondsen moeten
sturen op koopkracht? Het stoort ons dat er pensioenfondsen zijn die de
invaarbonus spreiden over meerdere jaren. Is dat nou in de hoop dat een
groep deelnemers inmiddels overleden is, zodat er niet uitgekeerd hoeft
te worden? Oudere gepensioneerden, degenen die het langst hebben
betaald, krijgen het minste van de invaarbonus bij de standaardmethode.
Wat is de logica daarvan? Wat is de mening van de minister hierover? Is
dit niet gewoon leeftijdsdiscriminatie?
In de brief van de minister zien we dat de transitiekosten gierend uit
de klauwen lopen. Berichten over de stijging van de structurele kosten,
los van de transitie, waren ook al alarmerend. €1 extra kosten haalt een
veelvoud van de toekomstige pensioenen af. Over dat geld wordt namelijk
nooit meer rendement gemaakt. Wat wordt er gedaan om de kosten te
beperken? Andermans geld uitgeven is namelijk hartstikke makkelijk. Wij
willen per fonds inzicht in de kosten die gemaakt worden, met
kengetallen waarmee deelnemers hun fonds eenvoudig kunnen vergelijken
met andere aanbieders en het bestuur ter verantwoording kunnen roepen.
Daar kunnen we dan meteen een vergelijking van de kostentarieven van
erkende marktpartijen aan toevoegen, want wij vrezen dat onze fondsen
het contact met de werkelijkheid zijn kwijtgeraakt.
Voor ons is het ook belangrijk dat er betere rendementen komen. Wat gaat
er mis? Bij het rendement gaat alles mis. We presteren vreselijk onder
de maat. We halen de internationale benchmarks al jaren niet. Ik hoor
graag de analyse van deze minister op de teleurstellende rendementen van
pensioenfondsen ten opzichte van de internationale indexen sinds pakweg
2020.
We vragen ook om rechtvaardige transitievoorwaarden. Slapers blijken
niet of op dubieuze wijze te worden gecompenseerd voor de afschaffing
van de doorsneesystematiek. 50PLUS is bezorgd over de transitie van
pensioenen van slapers en de gevolgen bij een baanwisseling. Hoe zit het
met vooral vrouwen met deeltijdpensioenen? Worden deze deelnemers nu
collectief benadeeld?
Voorzitter. Nu een heel ander punt. Er zitten mensen in de zaal van het
pensioenfonds Johnson & Johnson. Een aantal jaren geleden leek
België het beloofde land om je pensioengeld naartoe te verhuizen om
eindelijk eens te kunnen indexeren. Nou, dat hebben de medewerkers van
Johnson & Johnson geweten. De farmaceut, die wereldwijd veel geld
verdient, laat zijn deelnemers in de kou staan. Er zijn mooie garanties
bij de overgang, met toestemming van DNB. Ze hebben nu een
jaloersmakende dekkingsgraad van 173%. Maar ze zijn niet van plan te
indexeren. Zijn de juridische kaders voor het toewijzen van indexatie
hier zodanig dat fondsen ongebreideld de indexatie kunnen inhouden? Het
is toch niet zo dat België het wilde westen is? Wij vinden dat
schandalig. Zijn deze mensen ergens slachtoffer van volgens de minister?
Of hadden zij dit volgens de minister moeten kunnen voorzien? Welke
risico's lopen de huidige medewerkers van Johnson & Johnson bij de
overgang naar de nieuwe wet bij de transitie?
Dan nog een reactie op de antwoorden van minister Paul op het artikel
van Han de Jong. We hebben daar vragen over gesteld. Dat is het artikel
"Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven
ten opzichte van anderen." Wat wij aan deze antwoorden ontlenen, is het
inzicht dat deze demissionaire regering de maatschappelijke en
economische waarde van ons kapitaalgedekte pensioenstelsel in de
eurozone met louter omslagstelsels niet begrijpt. De pensioenverhogingen
die wij in Nederland niet hebben gekregen in het indexatieloze tijdperk,
zijn in andere eurolanden namelijk wel gewoon uitgekeerd. Deze verhoogde
pensioenuitkeringen worden keurig betaald door overheden die nu bij ons
komen aankloppen met de vraag of we gezamenlijk willen lenen en
staatsschulden willen delen. Die angel raakt de minister niet aan in
haar antwoorden, maar voor ons is dat de olifant in de kamer.
Voorzitter, mijn laatste punt. Het is bijna hoopgevend — ik weet niet
hoe de minister daartegen aankijkt: het recente advies van het ACOI over
de openbaarheid van de adviezen van de landsadvocaat. Gaan we het nu
toch echt meemaken dat de hele wereld weet wat die adviezen inhouden?
Wij horen dat graag.
Voorzitter, dat was mijn bijdrage.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. U heeft een vraag van de heer Mulder van de
PVV.
De heer Edgar Mulder (PVV):
We zijn vandaag supernetjes, door elkaar te laten uitpraten en dan pas
de vraag te stellen. Dat doe ik dus nu ook. Mijn collega is erg kritisch
op de rendementen van de fondsen. Dat is de PVV ook. Wij willen dat er
juist gestuurd wordt op rendement en niet op woke-onzin of dat soort
dingen. Die rendementen zijn ook echt slecht. Hoe verklaart 50PLUS
dat?
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De rendementen zijn niet slecht, maar ronduit dramatisch. Het is
misschien goed voor de mensen die meekijken met dit debat om gewoon één
jaar, alleen naar vorig jaar, terug te kijken. Als we zien dat het
rendement van APB -1,6% is en dat van PFZW -3,9%, terwijl de rendementen
bij de Wereldindex 21% in de plus staan, bij Standard & Poor's 16%
in de plus en bij de AEX 8% in de plus, dan doen we het niet goed. Maar
ik moet ook kijken naar andere zaken. Eén voorbeeldje waarvan ik dacht
"hoe bestaat het toch?" is dat De Nederlandsche Bank heeft geëist bij
het pensioenfonds voor glasfabrieken dat ze het belang in goud moesten
afbouwen, van 13% naar 3%. Dat wilden ze niet. Daar zijn ze zelfs voor
naar de rechter gegaan. Ze hebben toch een aanwijzing gekregen van DNB,
dus ze moesten verkopen op 800 dollar en het goud staat nu op 5.500. Dat
zijn dus miljarden die gewoon echt naar de knoppen zijn, met dank aan de
heer Klaas Knot, die misschien in de race is voor de Europese Centrale
Bank. Drama, dus.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Patijn van GroenLinks-Partij
van de Arbeid.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. De transitie naar het nieuwe stelsel is begonnen
en hoewel we zien dat mensen er nu even op vooruitgaan, zien we juist in
deze transitiefase een aantal problemen waar we ons zorgen over maken.
Een 52-jarige verpleegkundige die overstapt van een baan bij een
academisch ziekenhuis naar een baan in een regionaal ziekenhuis, en dus
van het ABP-pensioen naar het PFZW-pensioen, mist door de overgang de
compensatie bij beide fondsen. PFZW is immers al over en ABP nog niet.
De gevolgen zijn groot, zeker voor de groep tussen 45 en 55 jaar. Wij
krijgen dan ook signalen over mensen die een nieuwe baan weigeren of
niet gaan solliciteren. Deze mensen hebben echter nog een keuze, mits ze
ervan weten. Dat geldt niet voor de mensen die hun baan verloren voor de
transitie van hun pensioenfonds, die in de WW komen of ziek worden en
geen geld hebben voor vrijwillige voortzetting, of voor mensen die niet
wisten hoe de compensatieregeling werkt en in 2025 minder zijn gaan
werken of onbetaald mantelzorgverlof hebben opgenomen. Zij missen de
compensatie gedeeltelijk of volledig. Hoe kijkt de minister hiernaar?
Wat vindt zij daar eigenlijk van?
De AFM adviseert in haar brief pensioenfondsen om mensen erop te wijzen
dat wisseling van dienstverband in deze fase onverstandig is. Maar als
hun werkt stopt, zoals bij Batavus of bij Tata Steel, kunnen mensen hun
beëindiging helemaal niet uitstellen. Kan de minister aangeven wat zij
hieraan gaat doen, zeker gezien het feit dat er een aantal grote
reorganisaties aangekondigd zijn met gedwongen ontslagen. Dit is een
zeer zorgelijke situatie met grote gevolgen voor de pensioenen van
mensen. Is de minister bereid om te kijken of er meer ruimte gemaakt kan
worden voor bijvoorbeeld premievrije voortzetting van het pensioen met
terugwerkende kracht? Maar ik wil vooral vragen: is de minister bereid
om snel met een voorstel te komen over hoe zij dit probleem, waar we al
vaak voor gewaarschuwd hebben, op gaat pakken? Ik zou hier graag binnen
drie weken een brief over willen hebben.
Voorzitter. Dan wil ik nu naar de 1,6 miljoen werknemers voor wie het
pensioen is ondergebracht bij een verzekeraar. Wat als jouw werkgever
gebruikmaakt van de eerbiedigende werking, je na een paar jaar wisselt
van baan en in het nieuwe stelsel terechtkomt? Dan heb je een
pensioengat. Ik heb een paar vragen hierover. Hoeveel werknemers krijgen
volgens de minister te maken met dit probleem? Is er inmiddels een
oplossing voor die werknemers? Op dit moment zijn de gevolgen van het
niet overgaan naar het nieuwe stelsel voor rekening van de werknemer,
terwijl de werkgever niet handelt. Ik vraag heel expliciet aan de
minister: wat gebeurt er fiscaal met de opgebouwde pensioenen als de
werkgever niets gedaan heeft? Ik wil graag heel heldere uitleg. Is het
nou zo dat je opgebouwde rechten in dat geval ook belastbaar worden? Het
is een zorgwekkend bericht dat nog maar zo weinig werkgevers actie
hebben ondernomen. Wat gaat de minister daaraan doen?
Voorzitter. Ik kom bij het "bedrag ineens". De invoering hiervan is nu
meerdere keren uitgesteld. Ook de daarin genoemde datum van 1 januari
2026 blijkt onhaalbaar. Pensioenuitvoerders geven immers aan dat zij
minimaal negen maanden nodig hebben voor de implementatie. Wij zijn geen
voorstander van dit "bedrag ineens". Dat is bekend. Maar we vinden ook
dat een akkoord een akkoord is, inclusief de elementen die we moeilijk
vinden. Wel roept de onzekerheid over de invoeringsdatum van deze
regeling de vraag op of de invoeringsdatum niet veel beter over de
transitieperiode heen getild kan worden. Op die manier zullen zaken niet
door elkaar gaan lopen en kan een dergelijke regeling met grote
zorgvuldigheid ingevoerd worden, na de transitie van de Wtp. Is de
minister bereid deze duidelijkheid te geven aan iedereen die ermee te
maken heeft? Kan zij ook nu aankondigen dat de invoeringsdatum niet voor
2028 zal komen te liggen?
Voorzitter. Ik heb nog veel meer vragen. Voor nu wil ik vooral de
minister dringend oproepen om actie te ondernemen en iets te doen voor
de groep mensen die dreigt tussen wal en schip te vallen in de
toekomstige compensatieregeling. Ik vraag de minister om niet achterover
te leunen en niet te wachten tot de volgende minister. Dit is een
probleem dat niet kan wachten en dus morgen opgepakt moet worden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan heeft u een vraag van de heer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik dank mevrouw Patijn voor haar bijdrage. Ik hoor heel veel kritiek op
de Wtp. Mensen krijgen lagere uitkeringen, alles is slechter en iedereen
gaat dood. Uiteindelijk klopt dat laatste wel. Zoals altijd ben ik
feitelijk correct. Wat zo opvallend is, en ook vragen oproept, is dat
GroenLinks-Partij van de Arbeid voor de Wtp heeft gestemd en daarna
tegen iedere vorm van verbetering. Vanaf het moment dat de FNV verraad
pleegde door mee te gaan in het pensioenakkoord, heeft u overal voor
gestemd. Al deze dingen waren bekend. Hoe kan het dat u nu al die vragen
stelt en opmerkingen maakt terwijl u juist heel enthousiast voor heeft
gestemd?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Het woord "enthousiast" zou ik er niet op willen plakken. Ik denk dat we
heel kritisch zijn geweest. Juist over die compensatieregeling hebben we
meerdere malen meerdere vragen gesteld, met het verzoek om dat
zorgvuldig te laten verlopen. De regeling is uitgesteld, waardoor de
groep die geraakt wordt door het missen van de compensatie eventueel nog
groter kan worden. Daarom blijven we dit kritisch volgen. Wij hebben van
tevoren gezegd dat we met pijn in onze buik zouden stemmen voor deze
regeling. Dat waren letterlijk de woorden van mijn voorganger Senna
Maatoug. We zouden de implementatie kritisch gaan volgen en dat doen we
nu.
De voorzitter:
De heer Mulder heeft een vervolgvraag.
De heer Edgar Mulder (PVV):
U ziet nu dat rendementen tegenvallen en dat er zo veel mensen tussen
wal en schip vallen. U had destijds pijn in de buik. Zou u nu nog voor
hebben gestemd, nu u dit allemaal weet?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Poeh. Ik begin even bij de eerste vraag, over de rendementen die
tegenvallen. Met de oude regeling waren er ook geen indexaties geweest.
Misschien zou er nu een indexatie zijn, maar de inhaalindexatie was niet
gerealiseerd geweest. Dus als we in die oude regeling waren gebleven,
was dat niet gebeurd. Die illusie moeten we niet creëren. Zou ik
tegengestemd hebben? We blijven er heel kritisch op. Dat gevoel blijft
hangen. Dat is waarom we het kritisch zullen blijven volgen. We hebben
gezegd: wij staan achter een akkoord en we volgen een akkoord. In het
akkoord zitten bijvoorbeeld ook dingen als dat de AOW-leeftijd niet
een-op-een stijgt met de levensverwachting, maar gewoon netjes
driekwart, waardoor het toch iets minder snel stijgt. Dat zijn voor ons
allemaal hele belangrijke, cruciale onderdelen van dat akkoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan als eerste mevrouw Van Brenk met een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mevrouw Patijn en ik komen allebei van de FNV. Daar was ooit het
adagium: koopkracht, eenvoud en transparant. Zo waren er nog wat kreten,
zoals: iedereen gaat erop vooruit. Vindt mevrouw Patijn dat wat er ligt
en wat de ervaringen zijn, overeenkomen met koopkracht, transparant,
eenvoud en dat iedereen erop vooruitgaat?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het heel moeilijk om dat nu al te zeggen. De transitie is net
begonnen. Het overzicht daarvan is nog niet goed te zien, dus ik vind
het moeilijk om daar op dit moment wat over te zeggen.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Mijn interruptie gaat over het laatste punt. Eigenlijk is het een hele
simpele vraag. Verwacht mevrouw Patijn dat er meer zekerheid gaat komen
voor gepensioneerden?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Nogmaals, wij hebben ingestemd omdat die verwachting er was. Ik weet
niet of dat ook gaat gebeuren, want we weten nog niet hoe die transitie
geëffectueerd gaat worden. Ik denk dus dat we dat heel kritisch blijven
volgen. De zorgen over het missen van die compensatie zijn echt heel
groot, omdat die compensatie een wezenlijk onderdeel is van de zekerheid
die erbij hoort.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Patijn heeft volgens mij toch ergens een epifaan moment gehad —
dat gebeurde in meer kringen — maar helaas na de stemmingen over die
nieuwe wet. Ze geeft aan dat ze het akkoord wil blijven volgen. Toch
gaat ze nu alweer inleveren op het volgende onderdeel, door te zeggen
het "bedrag ineens" uit te stellen. Dat was onderdeel van het akkoord;
dat had al geregeld moeten zijn. Kan mevrouw Patijn verklaren waarom ze
het akkoord wil volgen, maar het al loslaat tijdens de uitvoering?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij heb ik juist gezegd dat wij dat niet loslaten, maar alleen
dat het voor een goede invoering verstandig is om helder te zijn over
een invoeringsdatum. Daar is geen helderheid over. Dat zorgt voor
problemen bij de uitvoeringsorganisatie, want die weet niet waar ze zich
op moet voorbereiden. Dat zorgt ervoor dat er lang onduidelijkheid is
voor mensen die er eventueel gebruik van zouden willen maken. Die kunnen
er dus ook niet op anticiperen. Wij vinden het dus belangrijk dat er
niet steeds een nieuwe datum ontstaat, maar er gezegd wordt dat het wel
of niet haalbaar is om het nu te doen. Als het niet haalbaar is, willen
wij dat er een datum in het vooruitzicht wordt gesteld. Dat gaat dan om
een datum na de transitie, want de veronderstelling is dat het in de
uitvoering een probleem zou worden. Ik vind dat je dit als je het
invoert zorgvuldig moet doen. Ik heb juist gezegd dat ik me wel aan het
totaal van het akkoord hou, inclusief de aov zzp, die we nog steeds niet
gezien hebben.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dit was een integraal onderdeel van alles wat we besloten hebben. Ik
snap niet waarom GroenLinks-PvdA nu akkoord gaat met een veel latere
datum en niet gewoon zegt: mensen, jullie wisten dat dit ingevoerd moest
worden, dus het is gewoon onacceptabel. Of gaat mevrouw Patijn straks
pleiten voor een terugwerkende kracht vanaf het moment dat we de Wtp
hebben aangenomen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is het onmogelijk om het bedrag ineens met terugwerkende
kracht te krijgen, maar dat kunt u nog vragen aan de minister. Ik zou
dat niet weten. Ik ga vooral pleiten voor een zorgvuldige invoering. Op
dit moment is er geen duidelijkheid over het bedrag ineens. Die datum
moet op enig moment gesteld worden, zodat daar duidelijkheid over is.
Elke keer wordt die datum uitgesteld. Dat zorgt voor onzekerheid en
mogelijk tot onzorgvuldigheid. We hechten waarde aan het feit dat het
zorgvuldig gaat. Stel een datum vast na de Wtp-transitie, zodat er
daarna gewoon een zorgvuldige regeling tot stand kan komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Als er verder geen vragen zijn voor mevrouw Patijn, dan is
het woord aan mevrouw Van Ark van het CDA voor haar inbreng in de eerste
termijn.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Kent u het groene boekje van de
Pensioenfederatie? Als voorbereiding op deze inbreng vandaag heb ik dat
eens even goed bestudeerd. Ik ga mijn best doen om alle jargonwoorden,
zoals invaren, risicodekking, deelnemers et cetera, niet te gebruiken —
overigens is dat wel een uitdaging bij het woord "invaren" — omdat ik
het juist zo belangrijk vind dat mensen snappen wat we hier vandaag
bespreken. We zijn dit jaar en komend jaar getuige van een grote
transitie van ons pensioenstelsel. Ongeveer de helft van de fondsen is
inmiddels overgegaan naar het nieuwe stelsel. Ondanks dat er veel goed
gaat, heeft mijn fractie nog wat zorgen over de voortgang en wil mijn
fractie graag van de minister horen welke knelpunten zij ziet en welke
acties er nodig zijn.
Daarbij wijst mijn fractie allereerst op de signalen van werkgevers met
een pensioenregeling bij een verzekeraar, waarover al nadrukkelijk de
alarmbel is geluid. Slechts een kleine minderheid van de ruim 60.000
regelingen is nu omgezet. In het huidige tempo lijkt het onrealistisch
dat alle werkgevers de wettelijke deadline halen. Graag verneemt mijn
fractie welke actie de minister hierbij nodig acht.
Daarnaast wil ik graag knelpunten onder de aandacht brengen die ik heb
gesignaleerd. Ten eerste is dat de compensatieregeling, waar ook mevrouw
Van Brenk en mevrouw Patijn aandacht voor vragen. Het is bekend dat
sommige groepen nadeel ondervinden van de overgang naar de Wtp. Voor de
groep van ongeveer 40 tot 45-jarigen is daarom deze compensatieregeling
afgesproken. Echter, het is dus nu voor veel mensen opletten geblazen.
Ben je in het jaar vóór de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel
mantelzorger of neem je ouderschapsverlof op, dan krijg je minder
compensatie. Mijn fractie maakt zich oprechte zorgen dat mensen hier
onvoldoende op worden gewezen.
Een ander punt, dat in het verlengde hiervan ligt, is dat het ook
nadelig kan uitpakken als mensen van baan wisselen. Ook dat kan nadelig
uitpakken. Werk je nu bijvoorbeeld als ambtenaar — zit je dan bij
pensioenfonds ABP — en maak je de overstap naar een werkgever met een
pensioenfonds dat al is overgegaan naar het nieuwe stelsel, en de
compensatie dus al heeft gegeven, dan loop je de volledige compensatie
mis. Ditzelfde speelt als je op 1 december vorig jaar uit dienst ging,
terwijl je pensioenfonds op 1 januari het jaar daarop de compensatie
uitkeert. Ik vind de verhalen die ik krijg eerlijk gezegd nauwelijks uit
te leggen. Pensioenfondsen stappen op verschillende momenten over naar
het nieuwe pensioenstelsel, terwijl mensen in de tussentijd te maken
kunnen krijgen met ontslag, reorganisatie, baanwisseling of
mantelzorgverlof. Of je compensatie ontvangt, hangt af van een toevallig
peilmoment. Juridisch klopt het allemaal, maar maatschappelijk is het
niet uit te leggen dat mensen nu tussen wal en schip vallen. Mijn
fractie wil graag horen of de minister deze zorgen deelt en of de
minister het er in ieder geval mee eens is dat de communicatie op dit
punt nu tekortschiet.
Een klein ander puntje: de definitie van het pensioengevend inkomen. Ik
krijg signalen van pensioenspecialisten dat er verschillende definities
zijn van het pensioengevend inkomen. Pensioenfondsen zijn hier niet
eenduidig over. Een gevolg is dat je als deelnemer niet zeker weet of
bijvoorbeeld onbetaald verlof wel of geen invloed heeft op je
compensatieberekening. Herkent de minister dat hier blijkbaar geen
eenduidigheid over is? Zou een sectorbrede definitie misschien kunnen
helpen?
Ander puntje: pensioenregeling bij ziekte. We krijgen ook signalen dat
het bij een pensioenverzekeraar of PPI niet altijd duidelijk is welke
pensioenregeling wordt voortgezet indien de deelnemer na twee jaar
ziekte in de WIA terechtkomt. De zorg is dat er daardoor veel mis kan
gaan voor een deelnemer die op het moment van transitie ziek is. Dat
geldt zeker als de deelnemer ook nog voortijdig komt te overlijden. Dan
is er bijvoorbeeld een verschil in het partnerpensioen. Daarnaast is er
mogelijk ook een financieel risico voor de werkgever als een zieke
werknemer verkeerd wordt geïnformeerd. Herkent de minister dit probleem
en het belang dat hier duidelijkheid over komt?
Voorzitter. Dan heb ik nog een punt over het partnerpensioen. Door de
overgang naar de Wet toekomst pensioenen lijkt er een verschil te
ontstaan in de wijze waarop pensioenfondsen en pensioenverzekeraars het
ontstane Anw-hiaat opvangen; dat is toch jargon. Mijn fractie ziet dat
mensen die parttime werken, bij pensioenfondsen soms minder verzekerd
zijn dan voorheen. Bij pensioenverzekeraars speelt dit niet en wordt
meestal een vast bedrag per jaar verzekerd, ongeacht het
parttimepercentage. Wij vragen ons af of de zorg bekend is dat
deeltijdwerkers hierdoor nadeliger uit kunnen komen. Klopt het dat de
communicatie hierover vanuit pensioenfondsen ook niet altijd eenduidig
is? Het lijkt ons verstandig dat werkgevers in ieder geval controleren
of de dekking van het nabestaandenpensioen voldoende is en dat
werknemers hier ook goed over geïnformeerd zijn. Zou dit onderwerp
misschien meegenomen kunnen worden in de periodieke monitoring door SZW,
zodat we in ieder geval kunnen zien of dit goed geregeld wordt?
Een ander punt is het wezenpensioen. Bij de overgang naar de Wtp blijft
voor het wezenpensioen het oude regime vaak gewoon doorlopen. Dat
betekent echter dat uitvoerders nog decennialang studie-eisen en oude
voorwaarden moeten blijven controleren, terwijl de nieuwe wet juist
kiest voor een eenduidige 25 jaarsgrens zonder studie-eis. Zo krijgen we
twee parallelle regimes, wat slecht uitlegbaar, foutgevoelig en mogelijk
ook onnodig duur is. Mijn vraag aan de minister is daarom: waarom is in
het wetsvoorstel geen mogelijkheid opgenomen om bij het overgangsmoment
oude, nog niet ingegane wezenpensioenrechten onder de nieuwe, uniforme
regels te brengen, in ieder geval als optie? Kan de minister aangeven
hoelang uitvoerders nog met deze studiecontroles blijven zitten? Zou de
minister kunnen kijken of het wetsvoorstel misschien een optie kan
bieden om bij het moment van overgang oude definities om te zetten naar
nieuwe, eenduidige voorwaarden, juist om de uitvoering en uitlegbaarheid
te verbeteren?
Tot slot mijn laatste punt, over faillissementen. Bij faillissementen
doet zich een bekend probleem voor rondom achterstallige
pensioenpremies. Werknemers hebben in die situatie de mogelijkheid om
bij het UWV een verzoek in te dienen om deze premies te laten overnemen.
In de praktijk gebeurt dit echter niet altijd. Dat is niet
verwonderlijk. De procedure is complex, de formulieren zijn ingewikkeld
en bovendien zijn veel werknemers zich er vaak onvoldoende van bewust
dat zij zelf actie moeten ondernemen. We begrijpen dat er medio februari
nog een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep wordt verwacht. We
snappen dat de minister die uitspraak mogelijk wil afwachten, maar
tegelijkertijd wil het CDA vast aan de minister vragen of zij nu al kan
aangeven hoe zij naar dit knelpunt kijkt. Ziet zij, net als wij, dat dit
beter moet worden geregeld en dat de huidige werkwijze in de praktijk
niet goed werkt?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. U heeft een interruptie van de heer
Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb een hele simpele vraag. Wie partijprogramma's leest bij de
verkiezingen, komt erachter dat daar soms interessante dingen in staan.
Ik zag zowel bij het CDA als bij D66 staan dat zij de positie van
werknemers en gepensioneerden in de pensioenfondsen willen versterken.
Dat lijkt me een fundamentele verandering ten opzichte van nu. Ik vraag
mij af: wat is het CDA van plan om daarmee te gaan doen? Het lijkt me
namelijk erg goed als deze Kamer gaat besluiten om werknemers en
gepensioneerden over hun eigen uitgestelde loon te laten
beslissen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Dank u wel voor deze vraag. Dat is een goede vraag, denk ik. We moeten
het voorstel nog verder uitwerken, maar het idee is inderdaad om daar
eens goed naar te kijken met elkaar.
De voorzitter:
Dan was er een interruptie van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wij hebben die hele Wtp ... Nou, laat ik het zo zeggen: daar was niet
iedereen enthousiast over, een groot gedeelte niet. Maar het was
duidelijk dat partijen, de sociale partners en de minister, dat met
elkaar hadden afgesproken. De minister was heel enthousiast. Er stond
een werkgever naast en iemand van de vakbond, de voorzitter. Iedereen
stond te juichen: de wet is er! Daar was een deal bij. De deal was,
zoals mevrouw Patijn net zei, dat mensen dan niet een-op-een langer door
hoeven te werken. Is de deal, die toen ten grondslag lag aan de Wtp,
voor het CDA nog steeds relevant? Worden we straks in een regeerakkoord
niet geconfronteerd met iets wat nu opeens niet meer geldig is?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Nou, als u mij vraagt om alvast het regeerakkoord uit de doeken te doen,
dan moet ik u toch teleurstellen; dan mag u morgen afwachten, dan gaan
we dat allemaal lezen. Maar voor ons geldt natuurlijk dat het belangrijk
is dat we naar dat pensioenakkoord kijken. Ik heb vandaag wel een aantal
knelpunten die ik nu signaleer en waar jullie allebei ook aandacht voor
vragen. Ik vind het heel belangrijk dat we daar met elkaar echt goed
naar kijken en dat we ook naar de uitvoering gaan kijken.
De voorzitter:
Dank u wel. Een interruptie van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik wil toch even doorgaan op wat mevrouw Van Brenk vraagt. Een heel
cruciaal onderdeel van dat akkoord is dat als de levensverwachting met
een jaar stijgt, de AOW-leeftijd niet meer dan acht maanden stijgt. Een
heel cruciaal onderdeel. Nu hoor ik in de wandelgangen — en we horen
allemaal dingen in de wandelgangen — dat er in dat akkoord wellicht iets
staat over dat dat onderdeel van die deal opgerekt zou worden. Is het
een vreemde veronderstelling dat dat erin zou kunnen staan?
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik ga toch weer terug naar wat ik net zei: ik ga hier niks uit de doeken
doen, niet bevestigend en niet ontkennend, over wat er wel of niet in
het regeerakkoord staat. Ik moet u dan toch teleurstellen
daarover.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja. U sluit dat in ieder geval niet uit. Ik maak me daar echt bijzonder
veel zorgen over, omdat we proberen met z'n allen iets voor elkaar te
krijgen. De vakbonden hebben echt op een aantal punten moeten slikken.
En dit is een cruciaal onderdeel, dus ik mag hopen dat uw zwijgzaamheid
vooral te maken heeft met dat u dit gewoon standaard als
woordformulering geeft, en niet omdat u niet durft toe te geven dat men
iets heel geks van plan is.
De voorzitter:
Daar mag mevrouw Van Ark op reageren, maar ik zie geen aandrang. Dan
gaat het woord naar de heer Dijk van de SP, voor zijn eerste
termijn.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. De Wet toekomst pensioenen was geen goed idee.
Het heeft voor heel veel werkende mensen en gepensioneerden voor grote
onzekerheid gezorgd, en dat doet het nog steeds. Het maakt de
pensioenen, het uitgestelde loon, van miljoen Nederlanders onzekerder en
kwetsbaarder voor beursschommelingen en crises. En het zal voor
onzekerheid blijven zorgen. Het is daarom des te schadelijker dat de
minister misleidende uitspraken doet. Ze stelt dat pensioenen langs het
nieuwe stelsel met 14% worden verhoogd. De rapportage die daaraan ten
grondslag ligt, heeft het helemaal niet over die 14%. De rapportage is
ook gebaseerd op slechts een paar pensioenfondsen die de afgelopen maand
zijn overgestapt. Waarom misleidt deze minister werkende mensen en
gepensioneerden met verkeerde cijfers die verkeerde verwachtingen
wekken?
Zo'n 1,6 miljoen werkenden zitten via de werkgever bij een
pensioenverzekering, en net als de pensioenfondsen moeten die
verzekeringen uiterlijk 1 januari 2028 voldoen aan de regels van de
nieuwe pensioenwet. Voor de pensioenverzekerde gaat het tempo van het
opbouwen van het pensioenvermogen veranderen. Kan de minister met de
werkgevers in gesprek gaan om het risico van het pensioengat bij hun
pensioenverzekeringen opnieuw aan te kaarten en, waar nodig, aandringen
op salarisverhoging om dit gat op te vangen? Welke oplossingen ziet zij
verder voor het pensioengat?
Voor een groep van ongeveer 5.000 mensen geldt dat zij een
arbeidsongeschiktheids-AOW-gat hebben: een groep zelfstandigen die een
private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten en die voor
1 januari 2013 arbeidsongeschikt zijn geworden; een groep mensen die
door de verhoging van de AOW-leeftijd een gat hebben tussen de duur van
de verzekering en de ingang van de AOW. Eerder is een voorstel van de SP
aangenomen om een regeling uit te werken voor deze groep. Het kabinet
heeft dit niet uitgevoerd. Oftewel: mensen die keihard hebben gewerkt,
het land draaiende hebben gehouden, hun zaakjes zelf goed op orde hadden
en door pech arbeidsongeschikt werden, worden nu in de steek gelaten
door dit kabinet. Waarom heeft het kabinet ons aangenomen voorstel niet
uitgevoerd? En waarom is het vervolgens ook zelf niet met een
alternatieve oplossing voor deze mensen gekomen? Hebben zij niet hard
genoeg gewerkt? Hadden zij hun zaakjes niet op orde? Het zijn retorische
vragen, want dat hadden ze namelijk allemaal wél.
Dan toch een kort stuk over de AOW. Die is een van de mooiste sociale
verworvenheden van ons land. Die moest ervoor zorgen dat "armoede" en
"ouderdom" nooit meer in één zin genoemd zouden worden. Helaas is dit
niet meer het geval. De SP staat wél pal voor de AOW. Die hoort mee te
groeien met de stijging van de lonen. En toch blijft hier iedere keer
weer de discussie daarover terugkomen: het ontkoppelen van de AOW met de
lonen. Die onzekerheid moet stoppen, net als de onzekerheid — daarover
werd net al een vraag gesteld aan mijn buurvrouw van het CDA — over de
verhoging van de AOW-leeftijd. Die onzekerheid moet stoppen! Voor een
zwaarwerkregeling zijn een aantal maatregelen genomen, maar hoe zorgen
we ervoor dat dit beter gaat? Want nu moet er steeds afgestemd worden
tussen werkgevers en werknemers, en we zien gewoon de voorbeelden van
dat ze er niet uit komen, dat de werknemers aan het kortste eind
trekken. Hoe versterken we, zo vraag ik de minister, de belangen van
werknemers met deze zware beroepen? Laat ik daar één voorbeeld van
noemen: werknemers in tuinzadenbedrijven. Dat gaat om 6.500 mensen die
ons land draaiende houden, die keihard aan het werk zijn en waarvoor een
regeling werd voorgesteld door de vakbond: mensen vanaf 60 jaar zouden
80% kunnen gaan werken, 90% van hun loon krijgen en voor 100% aan
pensioenopbouw doen. Dit is slechts één voorbeeld. Gaan wij hier echt,
werkelijk, voor al die keihard werkende Nederlanders met zware beroepen,
met kapotte knieën, met versleten ruggen, iedere keer zitten afwachten
of werkgevers en werknemers eruit komen in juist die sectoren waar
werknemers kwetsbare posities hebben? Ik verheug me erop om iedere keer
dit soort voorbeelden hier in te brengen en de minister ermee te
confronteren. Maar ik vind dat een overheid, een regering, die het heeft
over "hardwerkende Nederlanders" aan de kant van die hardwerkende
Nederlanders moet gaan staan en ervoor moet zorgen dat, als er een
zwaarwerkregeling moet komen, die geregeld gaat worden en dat dat niet
afhankelijk is van de willekeur van werkgevers.
Voorzitter. Tot slot twee dingen. Over het pensioengat voor
pensioenverzekeringen, de zelfstandigenarbeidsongeschiktheidsverzekering
en de zwaarwerkregeling — die noemde ik net — wil ik zeer constructief
zijn de komende tijd, met de oppositie. Met een verenigde oppositie. Wij
zijn met meer. Als een minderheidskabinet niet met oplossingen komt, dan
roep ik hierbij de verenigde oppositie op om in meerderheid met
voorstellen te gaan komen, in plaats van "constructief te gaan
meewerken" aan AOW-leeftijdsverhogingen of het korten op de AOW, of ook
maar iedere regeling die ervoor zorgt dat uitgesteld loon van werknemers
niet wordt uitgekeerd aan diezelfde werknemers.
Tot slot. Ik zag in het verkiezingsprogramma van D66 en CDA staan dat
zij de zeggenschap van werknemers en deelnemers van pensioenfondsen
willen versterken. Dat lijkt mij een uiterst goed plan. Mijn partij
heeft hier vaker voorstellen voor gedaan. Ik zal ook bij het
tweeminutendebat komen met voorstellen, zodat de positie van werknemers
wordt versterkt. Ik zie dan heel graag mijn buurvrouw aan de
rechterzijde en mijn buurman van D66 aan de linkerzijde ... Ach, ze
zitten met het CDA natuurlijk allemaal aan de rechterzijde van mij. Maar
ik zie heel graag hun voorstellen tegemoet en zal zelf ook met
voorstellen komen, want als het gaat over constructief meewerken, dan
staat de SP altijd aan de kant van de werkende klasse. Daar doen wij
voorstellen voor die heel constructief zijn.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Het woord is aan de heer Vermeer van BBB, voor zijn
inbreng.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, dank u wel, voorzitter. Nederland heeft altijd kunnen vertrouwen op
een stevig pensioenstelsel, met als belangrijkste pijlers de AOW en het
aanvullend pensioen. Allereerst de AOW. Voor BBB is het van groot belang
dat de basis van de AOW ongewijzigd blijft en gekoppeld blijft aan het
minimumloon. Meerdere collega's benadrukten dat ook, maar daar hangen
wel wat donkere wolken boven. Dat is essentieel voor de
bestaanszekerheid van ongeveer 3 miljoen gepensioneerden in ons land. En
de AOW is geen gunst, maar een fundament onder ons sociale stelsel. BBB
heeft zich in haar verkiezingsprogramma daarom gecommitteerd aan deze
koppeling. BBB steunt wel het vereenvoudigen van het partnerbegrip. Want
het kan niet zo zijn dat ouderen worden geconfronteerd met controles
achter de voordeur. Mensen moeten eenvoudiger kunnen gaan samenwonen,
voor elkaar zorgen en mantelzorg verlenen, zonder angst voor sancties.
En tegelijkertijd moet er oog zijn voor mensen die er door zo'n
vereenvoudiging mogelijk op achteruitgaan. Mijn vraag aan de minister
is: wanneer komen er voorstellen die het samenwonen aantrekkelijker
maken? Wanneer komen die voorstellen naar de Kamer? Wij wachten daar met
smart op. Daarnaast kijkt BBB nadrukkelijk naar de toekomst. Want
sommigen zijn niet in staat om door te werken tot de AOW-leeftijd,
terwijl anderen juist langer willen doorwerken of op deze manier een
AOW-gat willen dichten. Daarom ziet BBB graag dat er een onderzoek komt
naar de mogelijkheid om de AOW vrijwillig iets eerder of juist iets
later te laten ingaan. Kan de minister toezeggen zo'n onderzoek te laten
uitvoeren? Daar hoort altijd de vraag bij: en wanneer dan?
Dan het aanvullend pensioen. Inmiddels zijn er circa 11 miljoen mensen
overgegaan op het nieuwe pensioenstelsel. BBB maakt zich nog steeds
zorgen over de manier waarop deze overgang is verlopen en over de
rechtsbescherming van deelnemers en van mensen die nog moeten
overstappen. Actuarissen van meerdere grote adviesbureaus geven aan dat
nettoprofijtberekeningen ten onrechte een doorslaggevende rol hebben
gespeeld bij de verdeling van het geld over persoonlijke
pensioenvermogens. Wat zijn hiervan de effecten geweest, vraag ik aan de
minister. Daarbij komt dat deelnemers die een pensioenfonds vroegen om
een berekening van de totstandkoming van hun nieuwe pensioen, deze
informatie niet gekregen hebben. In het geval van Pensioenfonds Zorg en
Welzijn oordeelde de rechter zelfs dat zo'n berekening niet aangeleverd
hoefde te worden. Hoe moeten mensen dan controleren of de omzetting
zorgvuldig en correct is verlopen? Moeten zij blind vertrouwen op
bestuurders zonder enig rechtsgeldig document in handen? Kan de minister
hier ook een antwoord op geven?
Ook blijft de zorg bestaan of gepensioneerden in het nieuwe stelsel hun
koopkracht wel kunnen behouden. Dat is een van de uitgangspunten, zoals
eerder gememoreerd. De wet stuurt immers niet op koopkracht, maar op
rendement. Experts waarschuwen nu al tijden dat de discussie over
koopkracht vroeg of laat terugkeert — meestal te laat. Pensioenen
bewegen in het nieuwe stelsel meer mee met de beurskoersen. Een goed
beursjaar kan leiden tot een forse stijging van de pensioenen; slechte
beursprestaties kunnen leiden tot een forse daling. Maar dit betekent
automatisch dat pensioenfondsen niet worden gestimuleerd om de uitkering
met de inflatie mee te laten bewegen. En dat zou moeten tellen. Daar
mogen de buffers ook niet voor worden ingezet. Zou het niet verstandiger
zijn om meer op inflatie en dus op koopkracht te sturen, vraag ik de
minister.
Tot slot de governance van pensioenfondsen. In het nieuwe stelsel liggen
vrijwel alle risico's bij de deelnemers, terwijl zij nauwelijks extra
keuzevrijheid of zeggenschap hebben gekregen. Ze hebben geen zeggenschap
gekregen over het risiconiveau, over een vast of variabel pensioen en
over al dan niet duurzaam, of om andere activistische redenen op een
andere manier, te beleggen. Besturen bestaan uit sociale partners,
waarbij de werkgevers zelf in het nieuwe stelsel geen risico meer lopen
en het vaak de vraag is of de vakbonden nog wel voldoende representatief
zijn. Immers, meer dan 85% van de Nederlanders is geen lid van een
vakbond.
Voorzitter. De bestuursmodellen van pensioenfondsen zijn achterhaald. Is
de minister bereid om nieuwe modellen voor de governance van
pensioenfondsen te laten onderzoeken waarin deelnemers meer zeggenschap
krijgen? Die kunnen ze bijvoorbeeld krijgen door het direct kiezen van
besturen, maar er zijn uiteraard ook andere denkrichtingen mogelijk.
Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. BBB wil een pensioenstelsel dat uitlegbaar, rechtvaardig en
betrouwbaar is, een stelsel waarin mensen weten waar ze aan toe zijn, nu
en in de toekomst. Daar blijven wij ons voor inzetten.
Dan nog één hartenkreet. BBB vindt het nog steeds onverteerbaar en
onrechtvaardig richting de Nederlandse burger dat de APPA pas op 1
januari 2028 overgaat naar het nieuwe stelsel. Dat zijn de pensioenen
voor politieke ambtsdragers, dus dat is relevant voor iedereen die hier
aan tafel zit. Elke vertraging hiervan is voor ons onaanvaardbaar. Kan
de minister nogmaals bevestigen dat alles op koers ligt voor deze
invoerdatum?
Voorzitter. Heb ik nog tijd? Dan zeg ik toch nog iets over activistisch
beleggen, want dat komt ook af en toe terug. Dat is natuurlijk ook een
van de verklaringen van de verschrikkelijk lage rendementen die gehaald
worden. Want het doel van pensioenfondsen zou moeten zijn om ervoor te
zorgen dat er voldoende uitkeringen naar de deelnemers kunnen gaan. Als
je dan activistisch wil beleggen en je dat als deelnemers prima vindt,
zou dat een vrijwillige keuze moeten zijn. Dat is het nu niet. Ik heb
zelf bij de vorige — daar kunnen we inmiddels over spreken — formatie
zelfs meegemaakt dat het geld van pensioendeelnemers activistisch
ingezet werd om ons te dwingen om ons rustig te houden over de nieuwe
pensioenwet in ruil voor de investeringen in woningbouw in Nederland,
alsof dat niet sowieso een goed maatschappelijk doel zou zijn. Maar als
het niet renderend zou zijn, waarom bied je het dan wel aan om je eigen
straatje schoon te houden? Ik vind dat echt een hele kwalijke zaak. Ik
vind dat dit allemaal gericht zou moeten zijn op de uitkeringen voor de
deelnemers en op niets anders dan dat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Dan is het woord aan de heer Neijenhuis van
D66.
De heer Neijenhuis (D66):
Voorzitter, dank u wel. Iedereen verdient een goed pensioen, niet alleen
financieel, maar ook fysiek en mentaal. Dat is een pensioen dat je
bereikt met een lichaam dat nog meekan en met rust in je hoofd. Dan
kunnen we niet heen om de context waarin we dit debat voeren. Onze
pensioenen vragen een blik op periodes van tientallen jaren, terwijl ons
geld belegd is in een wereld waarin de economie iedere tientallen
minuten op z'n kop gezet lijkt te worden. Daarnaast zijn de
personeelstekorten groot en hardnekkig: in de zorg, in het onderwijs, in
de techniek en op het gebied van veiligheid. De vergrijzing piekt pas
over vijftien à twintig jaar. Dat betekent dat we steeds opnieuw twee
doelen moeten verenigen: recht doen aan mensen met zwaar werk en zorgen
voor een houdbare arbeidsmarkt en een toekomstbestendig
pensioenstelsel.
Voorzitter. Laat ik beginnen met de pensioentransitie. Die is groot en
complex, maar gelukkig lijkt die voorspoedig te verlopen. De transitie
loopt, fondsen zijn bezig en ondanks onrust in de wereld zien we dat
forse indexaties eindelijk mogelijk waren. Dat is goed nieuws voor
deelnemers en gepensioneerden. Maar tegelijkertijd zien we dat de
voortgang juist bij kleine werkgevers met een verzekerde regeling
achterblijft. Veel van hen stellen de keuzes nog uit in de
veronderstelling dat er nog tijd genoeg is, terwijl we weten dat de
echte druk pas in de komende jaren gaat komen wanneer veel regelingen
tegelijk moeten worden omgezet. De minister schrijft dat hier extra
aandacht voor is en dat er wordt bekeken of er aanvullende maatregelen
nodig zijn als het niet snel genoeg gaat. Die zin in de Kamerbrief
klinkt op papier geruststellend, maar naar de mening van D66 is dat nog
wel een beetje te afwachtend. We weten nu al dat er op veel plekken
sprake is van uitstelgedrag en dat de uitvoeringscapaciteit beperkt is.
Dus welke concrete aanvullende maatregelen worden nu al voorbereid zodat
we niet pas gaan ingrijpen als het te laat is? Wanneer is de minister
van plan om te gaan handelen?
Voorzitter. Dan de regeling voor vervroegde uittreding. D66 steunt het
uitgangspunt dat mensen die echt niet gezond kunnen doorwerken tot de
AOW-leeftijd perspectief moeten hebben om eerder te stoppen. Maar we
moeten ook eerlijk zijn: vervroegd uittreden is niet de echte oplossing.
Het is een noodverband. Mensen maken gebruik van de RVU omdat hun
gezondheid al schade heeft opgelopen. De echte opgave is voorkomen dat
mensen überhaupt kapotgaan voor hun pensioen. Dat is de kern. De
Kamerbrief laat zien dat het kabinet en de sociale partners dit ook
erkennen. De drempelvrijstelling wordt structureel voortgezet, maar
gerichter en beheersbaarder. En er komt een agenda voor duurzame
inzetbaarheid. Dat zijn stappen in de juiste richting. Maar staat
duurzame inzetbaarheid ook echt centraal? Preventie moet wat ons betreft
geen bijzaak zijn, maar echt een leidend principe. Mijn vraag aan de
minister is daarom concreet: waar worden de MDIEU-gelden nu precies voor
ingezet? Gaan ze naar structurele maatregelen die zwaar werk verlichten,
gezondheid bevorderen en uitval voorkomen? Of verdwijnen ze alsnog in
tijdelijke projecten zonder blijvend effect, of in het verlengen van
vervroegd uittreden?
Voorzitter. Die gerichtheid van de RVU blijft cruciaal. TNO krijgt een
belangrijke rol bij het valideren van doelgroepen. Dat is verstandig.
Tegelijkertijd lezen we dat cao-partijen kunnen afwijken van dat
TNO-advies. Daar kunnen natuurlijk goede redenen voor zijn, maar klopt
het dat dit ook echt relatief eenvoudig kan? Hoe voorkomt de minister
dat we straks op papier een hele mooie, scherpe afbakening van TNO
hebben die heel goed onderbouwd is, en we in de praktijk dan toch weer
terugkomen op de brede, generieke regelingen waar we juist vanaf wilden?
Is de minister bereid om jaarlijks inzicht te geven in wanneer en waarom
van het TNO-advies is afgeweken? Transparantie lijkt ons namelijk
essentieel voor het draagvlak van de regeling.
Daarnaast wordt er gewerkt aan een stevigere wettelijke borging van de
gerichtheid, bijvoorbeeld via de loonbelasting.
De voorzitter:
Excuus. Voordat u daarmee doorgaat, heeft u een interruptie van mevrouw
Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Die RVU-regeling gaat erover dat mensen die vaak heel jong zijn begonnen
met werken, ook gewoon … Zelfs als er preventief dingen gedaan worden,
kunnen mensen het gewoon niet volhouden. Ik proef een soort afschuw bij
u over het feit dat een dergelijke regeling getroffen zou gaan worden,
een soort weerstand: als het even kan, moeten we voor een zo groot
mogelijke groep die RVU-regeling niet organiseren. Zegt u nou: als wij
heel veel investeren aan de voorkant om ervoor te zorgen dat mensen het
wel vol kunnen houden, dan kunnen we straks van de RVU-regeling af? Of
zegt u: nee, die RVU-regeling is ook gewoon keihard nodig.
De heer Neijenhuis (D66):
De afschuw die mevrouw Patijn proeft, heb ik in ieder geval niet
geproefd in de tekst die ik heb opgesteld en net heb uitgesproken. Ik
begon er juist mee dat we het uitgangspunt van de RVU steunen om mensen
die echt niet gezond door kunnen werken te ondersteunen. Alleen is de
RVU wat ons betreft niet de echte oplossing of de meest voor de hand
liggende oplossing, die is gewoon ervoor zorgen dat mensen gezond de
pensioenleeftijd halen. Dus als we vooral heel veel gaan investeren in
de voorkant, om zo te voorkomen dat mensen voor hun pensioen uitvallen,
is dat juist wat D66 wil. D66 wil niet de RVU helemaal afschaffen, want
we erkennen dat die regeling voor een specifieke en beheersbare groep
altijd mogelijk en nodig zal blijven. Maar het klopt wel dat we die
regeling zo beperkt mogelijk willen houden, omdat we graag willen dat
iedereen gezond z'n pensioenleeftijd haalt. Daar ben ik ook wel eerlijk
over.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Zo'n 15% tot 20% van de mensen in Nederland werkt op onregelmatige
tijden. Vindt de woordvoerder van D66 dat we voor deze 15% tot 20% die
onregelmatige werktijden heeft, sowieso een RVU-regeling moeten treffen
omdat onregelmatig werk per definitie een beslag legt op je fysiek en op
je psychische draagkracht in het leven? We zien dat mensen die
onregelmatige diensten draaien, bijvoorbeeld nachtdiensten, een kortere
levensduur hebben. Ze zouden daarom eerder met pensioen moeten mogen
gaan en eerder van hun pensioen moeten mogen genieten.
De heer Neijenhuis (D66):
Ik erken zeker de problemen die komen kijken bij onregelmatige diensten
die mensen draaien op hun werk. De oplossing lijkt mij alleen niet om
voor die hele groep vervroegd uittreden mogelijk te maken en daar een
soort nieuwe VUT-regeling voor te maken. De oplossing lijkt mij juist om
al in een vroeg stadium te kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat zo
iemand wél gezond de pensioenleeftijd haalt, bijvoorbeeld door op een
bepaalde leeftijd te stoppen met die onregelmatige diensten en die
diensten te laten doen door mensen die daar nog beter voor geëquipeerd
zijn, bijvoorbeeld de jongere mensen. Als je daar een regeling voor kan
maken binnen je bedrijf of instelling waardoor dat op een goede manier
geregeld wordt, is dat een oplossing die ervoor zorgt dat iedereen
gezond de pensioenleeftijd haalt. Dat lijkt me een betere oplossing dan
over 15% tot 20% van de mensen te zeggen: allemaal maar eerder met
pensioen.
De voorzitter:
De heer Dijk met zijn laatste interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Hier zien we dus echt de theorie en de praktijk. Wat de heer Neijenhuis
zegt, gebeurt namelijk al. Mensen van hogere leeftijd mogen vaak bij
bedrijven minder nachtdiensten of minder wisselende diensten draaien.
Dit is dus gewoon kletsen in de lucht; hier hebben de mensen met zware
beroepen gewoon helemaal niets aan. Dit werk moet gedaan worden. We
hebben het over de mensen die in de schoonmaak werken, onze
treinschoonmakers, onze zorgverleners, iedereen die in de industrie
werkt. Dan gaat het gewoon over 15% tot 20% van de mensen. Wat zeg ik?
Ik denk dat het wel een kwart kan zijn. Dan moet er toch snel een
regeling kunnen worden getroffen voor mensen die vervroegd met pensioen
willen gaan? Ik begrijp gewoon echt niet dat hier
volksvertegenwoordigers zitten die met gemak dit soort … Ik ga er geen
nare woorden over zeggen: die dit soort dingen uiten. We hebben het hier
over hardwerkende Nederlanders. We hebben het er heel vaak over dat er
tekorten zijn en het gaat hier over mensen die cruciaal werk doen om ons
land draaiende te houden. Die horen toch gewoon op tijd te kunnen
stoppen met werken? Erkén dat nou eens gewoon en zorg ervoor dat er een
goede regeling komt, zodat iedereen die onregelmatig werk heeft, eerder
met pensioen kan. Daar is niks mis mee. Prima.
De heer Neijenhuis (D66):
Daar denk ik anders over. Het klopt inderdaad dat we enorme tekorten
hebben en enorm veel mensen nodig hebben op de arbeidsmarkt. Dat merken
we op enorm veel plekken. Juist daarom hebben we iedereen nodig en
moeten we er dus juist voor zorgen dat mensen gezond hun
pensioenleeftijd halen en zij kunnen doorwerken zolang zij dat kunnen.
Dat is juist nodig om al die tekorten aan te pakken en om ervoor te
zorgen dat onze samenleving door kan draaien samen met die mensen.
Daarmee erken ik natuurlijk volledig dat dat voor een groep niet altijd
kan. Maar de oplossing zit wat mij betreft niet in het maken van een
regeling voor iedereen om eerder met pensioen te gaan. Dat kan wat ons
betreft een stuk beter en slimmer.
De voorzitter:
U kunt verder met uw betoog.
De heer Neijenhuis (D66):
Daarnaast wordt gewerkt aan een stevige wettelijke borging van de
gerichtheid, bijvoorbeeld via de loonbelasting. Daar was ik gebleven in
mijn stuk. Ik ben benieuwd hoever men op dit moment met dit traject is.
Welke varianten worden onderzocht en hoe wordt de Kamer daarbij
betrokken?
Eerder zagen we dat juist de mensen met lage inkomens relatief weinig
gebruikmaken van de RVU-regelingen, terwijl zij vaak het zwaarste werk
doen en de kleinste buffers hebben. Wat verandert er nu concreet om dit
te verbeteren?
Voorzitter. Dan het "bedrag ineens". Het is net ook al aan de orde
gekomen. Het idee is eenvoudig: mensen mogen bij pensionering maximaal
10% van hun pensioen in één keer opnemen. Maar de invoering ervan gaat
allerminst soepel en ik begreep dat er weer uitstel dreigt. Kan de
minister aangeven of dit klopt? En zo ja, hoe is de minister dan van
plan daarmee om te gaan? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat er nu eindelijk
duidelijkheid komt, zodat de mensen en de uitvoering zich hierop kunnen
voorbereiden?
Voorzitter. D66 vindt het essentieel dat deelnemers meer invloed krijgen
op hun pensioen. Het nieuwe stelsel vraagt om meer betrokkenheid en die
moet dan ook serieus worden genomen. Dat geldt voor de communicatie,
maar ook voor de zeggenschap. Mijn partij heeft daar in het verleden al
veel voorstellen voor gedaan. Het lijkt mij zeker een onderwerp waarmee
niet alleen ik, maar ook anderen gemotiveerd aan de slag willen gaan. Ik
hoorde net al andere Kamerleden die daar ook wel ideeën over hebben. Ik
ben dus erg benieuwd. Hoe kunnen deelnemers meer invloed krijgen op het
beleggingsbeleid van pensioenfondsen? Hoe staat het met dat
traject?
Hoe zorgen we ervoor dat besturen van pensioenfondsen een betere
afspiegeling zijn van de groepen die zij vertegenwoordigen: jong en oud,
vast en flex, verschillende sectoren en inkomens? Ook hierop hoor ik
graag een reactie van de minister.
Voorzitter. D66 wil dat iedereen gezond zijn pensioen kan halen. Soms
blijft vervroegd uittreden nodig, maar de echte winst zit in preventie,
scholing, innovatie en zeggenschap en in een pensioentransitie die
eerlijk verloopt, die duidelijk is voor deelnemers en toekomstbestendig
is voor iedereen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. U heeft een interruptie van mevrouw Patijn.
Dat is haar laatste interruptie.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Omdat ik nog maar één interruptie heb, moet ik het echt heel scherp
stellen. Kan de heer Neijenhuis uitsluiten dat het nieuwe kabinet bereid
is om het pensioenakkoord in de prullenbak te gooien en kan hij
uitsluiten dat de AOW-leeftijd sneller zal gaan stijgen?
De heer Neijenhuis (D66):
Mevrouw Patijn had het nog wat scherper kunnen stellen, want alle vragen
over het regeerakkoord die beginnen met "kunt u uitsluiten dat" zou ik
sowieso met "nee" gaan beantwoorden. Morgen hoort zij wat daarin staat.
Dan ziet zij het vanzelf.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer De Kort van de VVD.
De heer De Kort (VVD):
Dank, voorzitter. Ik moet zeggen dat de bijdrage van de VVD veel lijkt
op de bijdrage van de heer Neijenhuis van D66, want er zitten veel
punten in die hetzelfde zijn. Ook wij gunnen iedereen een goed pensioen
— mensen die al met pensioen zijn en mensen die dicht tegen hun pensioen
aan zitten, maar zeker ook de volgende generatie. Ook onze kinderen en
onze kleinkinderen verdienen een goed pensioen. Daarom zijn wij
voorstander van de Wtp.
Ik heb nog een aantal vragen over de transitie. Ik kan mij aansluiten
bij de vraag van mevrouw Patijn over het veranderen van baan in de
transitiefase. Ik ben heel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt en
wat zij ons daarover kan meegeven. Datzelfde geldt voor de vraag van
mevrouw Van Ark over de pensioendeelnemers van de kleine verzekeraars.
Zij lopen wel echt achter. Ik zou graag willen dat de Kamer daarbij
nadrukkelijker de vinger aan de pols kan houden. Kan de minister
toezeggen dat we van die voortgang echt op de hoogte worden gehouden?
D66 vroeg al om maatregelen om eventueel in te kunnen grijpen, maar
volgens mij zijn we zover nog niet. Ik denk wel dat wij van deze
voortgang nadrukkelijker op de hoogte moeten worden gehouden, omdat het
invaren bij die verzekeraars achterblijft. Ik hoop dat we daar een
toezegging op kunnen krijgen.
De Wet bedrag ineens is voor de VVD belangrijk. Wij denken dat mensen
die net met pensioen zijn, in ieder geval die keuzevrijheid moeten
hebben, zodat zij die camper kunnen kopen, die verre reis die zij willen
maken kunnen maken of dat bedrag kunnen schenken aan eventuele kinderen.
Vaak zijn de kosten in het begin van de pensioenperiode wat hoger dan
later in die periode. Dat hoeft natuurlijk niet, maar die keuzevrijheid
vinden wij in ieder geval belangrijk. Deze wet laat al een tijd op zich
wachten. Hij ligt nog bij de Eerste Kamer en ook het Nibud doet nog
onderzoek, maar de VVD voert hem liever vandaag dan morgen in. Ook de
implementatie laat nog ten minste negen maanden op zich wachten. Kan de
minister aangeven dat zij als minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid zolang zij er nog zit alles op alles wil zetten, of in
ieder geval bij de overdracht aan haar potentiële opvolger, alles op
alles wil zetten om deze wet snel te kunnen invoeren?
Dan is er het punt van heldere communicatie. De gevolgen kunnen groot
zijn voor alle deelnemers aan de fondsen, maar de communicatie blijft
vaak achter. Ik ben benieuwd hoe de minister dat ziet en of zij zich
ervoor wil inspannen, ook bij de overdracht aan haar opvolger, om die
heldere communicatie te bewerkstelligen. Dat geldt ook voor de zogeheten
slapers. Bij zzp'ers die in het oude stelsel pensioen hebben opgebouwd,
leeft veel onzekerheid over het al dan niet ontvangen van de
compensatie. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.
Tot zover mijn bijdrage in eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft eerst een interruptie van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Excuses, voorzitter, u bent nog niet geweest, maar van alle deelnemers
die een bijdrage hebben geleverd, heeft niemand het over de kosten.
Eigenlijk had ik dat juist verwacht van de VVD. Zoals ik al zei, wordt
over alles wat aan kosten opgaat, geen rendement behaald. Dat gaat
allemaal ten koste van de deelnemers. Ik vind het dus heel
teleurstellend dat de VVD daar niet bovenop zit, want de kosten lopen,
zoals wij het zeggen, echt gierend uit de klauwen. Speelt dat punt
helemaal niet bij de VVD? Vindt de VVD niet dat juist ook daarop echt
gemonitord moet worden?
De heer De Kort (VVD):
Uiteraard, we letten altijd goed op de kosten. Dat is eigenlijk gewoon
voorwaardelijk voor de VVD; dat is een vanzelfsprekendheid. Dat hebben
we ook in alle eerdere debatten genoemd. De minister is daar
ongetwijfeld van op de hoogte. Dat speelt hier ook.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter, mag ik een vervolgvraag stellen?
De voorzitter:
Dit was uw laatste interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja. Oké.
De voorzitter:
Andere mensen, zoals de heer Dijk en mevrouw Patijn, hebben ze ook
opgespaard, en uitgegeven, dus ik vrees dat ik het hierbij moet laten.
Er is wel nog een interruptie van mevrouw Van Ark.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik heb een vraag aan de heer de Kort over het "bedrag ineens". Hij zei
dat mensen dat graag willen, omdat zij mogelijk een camper willen kopen.
Dat kan natuurlijk. Ik denk overigens wel dat heel veel mensen zo'n
klein pensioen hebben dat ze helemaal geen camper kunnen kopen, maar
misschien wel een heel klein campertje, een vouwwagen of een tent. Ik
lees in het Nibud-onderzoek dat heel veel mensen die keuzevrijheid wel
graag willen, maar daar mogelijk helemaal geen gebruik van maken. Dat
vond ik wel interessant. Daarom haak ik even aan op wat mevrouw Patijn
daarover zegt, namelijk dat het misschien wel verstandig is om gelet op
de transitie die nu plaatsvindt, nu heel even een pas op de plaats te
maken om ervoor te zorgen dat het zorgvuldig verloopt. Dat signaal
bereikte mij ook. Ik ben benieuwd hoe u daarover denkt. Hoe kijkt u
daarnaar? Zouden we daar met elkaar niet eens even goed naar moeten
kijken? Dat lijkt mij belangrijker dan dit nu heel snel
doorvoeren.
De heer De Kort (VVD):
Zorgvuldigheid is natuurlijk altijd goed, maar deze wet loopt al lang en
dit is onderdeel van het pensioenakkoord. De gevolgen zijn voor ons
voldoende in beeld. Wat ik daarbij wel heel belangrijk vind, is heldere
communicatie, want iedere situatie is anders. Als je een klein pensioen
hebt, is de situatie heel anders. Dat geef ik tegenover mevrouw Van Ark
meteen toe. Dat was ook mijn derde punt: heldere communicatie. De
keuzevrijheid moet er zijn, maar dan moet voor de deelnemer die deze
keuze heeft, ook echt wel helder zijn wat de gevolgen daarvan in zijn of
haar situatie zijn. Dat onderdeel is daarbij wel een
randvoorwaarde.
De voorzitter:
Oké. Dank u wel. Ik vraag de heer Mulder om het voorzitterschap over te
nemen en mij het woord te geven als deelnemer aan dit debat.
Voorzitter: Edgar Mulder
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Ceulemans van JA21.
De heer Ceulemans (JA21):
Dank u zeer, voorzitter. Er zijn al heel veel vragen gesteld in dit
debat. Dat is logisch, want het gaat hier om een gigantisch groot
onderwerp met een grote impact en vooral ook om een enorme berg brieven
en rapporten. Er zijn al veel vragen gesteld, maar een aantal recente
ontwikkelingen vraagt om wat specifieke aandacht. Ook zijn er nog een
aantal punten die nog niet aan bod zijn gekomen.
Laat ik beginnen met de 14%. In haar brief van afgelopen week vermeldt
de minister zeer prominent dat de ingevaren pensioenen met gemiddeld 14%
zijn gestegen. Daarbij geeft zij aan dat het in beginsel om een
structurele verhoging gaat. Hierbij wordt verwezen naar een persbericht
van Pensioen Pro, dat deze stelling op zijn beurt baseert op een
berekening van Aon. Bij deze stellige uitspraak van de minister zijn de
afgelopen week de nodige kanttekeningen geplaatst. Hoogleraar financiële
markten, Arnoud Boot, oordeelt zelfs kiezelhard. Hij stelt dat de
cijfers — ik citeer — "willekeurig ergens vandaan gehaald zijn". Ik moet
zeggen dat het er inderdaad wel een beetje op lijkt dat bij het
opstellen van de brief vooral naar de kop van een persbericht is
gekeken. In dat bericht gaat het overigens om 13,6% in plaats van 14%.
Waarom verwijst de minister zo prominent naar een stijging die niet als
zodanig uit de onderliggende bijlagen blijkt? Kan de minister daarop
reageren? Waar komt deze 14% nu echt vandaan en waar is die op
gebaseerd? Dit lijkt namelijk niet bepaald in lijn met de transparantie
die ons als onderdeel van het nieuwe pensioenstelsel werd
voorgespiegeld.
Een grote bron van zorg is de situatie van de groep van 1,6 miljoen
werknemers die via hun werkgever bij een pensioenverzekeraar een
pensioen opbouwen. Ook voor hen geldt de deadline van 2028, maar
werkgevers zijn daar vaak nog niet mee bezig. In de brief lezen we dat
op dit moment 22% van de pensioenregelingen bij een verzekeraar is
overgegaan. Op zichzelf is dat allemaal natuurlijk niet onbegrijpelijk.
Er is veel werk te doen en er moet omzet worden gedraaid, en 2028 klinkt
dan al snel heel ver weg. De tijd begint echter al te dringen. De
Regeringscommissaris transitie pensioenen waarschuwde er afgelopen
november in de media al voor dat veel werkgevers te laat zullen zijn als
niet snel tot actie wordt overgegaan. Ook het Verbond van Verzekeraars
stelt dat werkgevers uiterlijk begin dit jaar, dus nu, met de transitie
van start moeten zijn gegaan. In de brief van de minister wordt dit
belang onderschreven en onder andere door middel van de "Actie
Pensioenen Kleinbedrijf" worden stappen gezet om werkgevers te
activeren.
De spagaat waarin we nu zitten is helder. We willen niet meemaken dat
werknemers buiten hun schuld in 2028 de Belastingdienst op hun nek
krijgen. Tegelijkertijd is het heel aannemelijk dat nu overgaan tot het
opschuiven van een deadline als gevolg van uitblijvende actie, ertoe zal
leiden dat het onderwerp voor werkgevers helemaal van de radar
verdwijnt. Kan de minister ingaan op de afwegingen die zij hierbij
maakt? Kan zij daarbij tevens ingaan op het risico van een situatie
waarin veel omzettingen pas laat in de transitieperiode plaatsvinden,
met een aanzienlijke piekbelasting voor pensioenuitvoerders, adviseurs
en toezichthouders tot gevolg? Hoe wordt voorkomen dat
uitvoeringscapaciteit en toezicht in de laatste fase overbelast raken,
met alle gevolgen van dien, zoals het tussen wal en schip vallen van
werknemers, bijvoorbeeld doordat hun pensioenregeling niet tijdig wordt
aangepast, de communicatie tekortschiet of uitvoerders onder tijdsdruk
keuzes moeten maken?
Daarnaast lezen we dat een brochure voor werkgevers beschikbaar is
gesteld, maar hoe kunnen werknemers, om wie het immers draait, nog beter
op de hoogte worden gebracht van de stappen die hun werkgever moet
zetten? Graag een reactie.
Dan de compensatie. Vorig jaar al heeft de AFM haar zorgen uitgesproken
over de informatievoorziening aan 40-plussers over de
compensatieregeling bij de overgang naar het nieuwe stelsel. De
communicatie hierover wordt breed als laat en onvoldoende ervaren. We
zien het ook in de praktijk gebeuren. Denk aan mensen die minder uren
zijn gaan werken, die als zzp'er aan de slag zijn gegaan of van baan
zijn gewisseld en die pas achteraf ontdekken dat zij daardoor worden
gekort op hun compensatie. Zij geven aan dat zij andere keuzes gemaakt
zouden hebben als ze dit vooraf hadden geweten. Dat was ook bij MAX
Ombudsman een veel gehoorde klacht. In de praktijk blijft vaag wie
verantwoordelijk is voor tijdige en volledige informatie over
compensatie voordat mensen zulke keuzes maken: pensioenfonds, werkgever,
sociale partners, overheid? Ook is niet helder welke mogelijkheden
deelnemers hebben als achteraf blijkt dat informatie te laat of
onvoldoende is verstrekt en compensatie daardoor verloren gaat. Graag
hoor ik hierop een uitgebreide reactie van de minister.
Eind vorig jaar zijn gerechtelijke uitspraken gedaan over het heffen van
btw over pensioenpremies door pensioenfondsen bij werkgevers, met
mogelijk grote gevolgen voor sectoren die geen btw mogen verrekenen,
zoals de overheid, de zorg en het onderwijs. Staatssecretaris Heijnen
heeft laten weten de uitspraken niet over te nemen en terug te vallen op
een eerdere, tegenovergestelde uitspraak, waartegen momenteel een
cassatieprocedure loopt. Kan de minister aangeven wat de laatste stand
van zaken in deze situatie is?
Over het "bedrag ineens" zijn al meerdere vragen gesteld. JA21 is
voorstander van die regeling. De ingangsdatum is al uitgesteld, maar dit
lijkt nu helemaal te verzanden. Kan de minister aangeven wat de stand
van zaken is, ook met het oog op de beoogde ingangsdatum en de ruime
implementatieperiode die daar nog voor nodig is?
Tot slot. Voor JA21 is het van essentieel belang dat pensioenfondsen
zich richten op hun kerntaak, namelijk zorgen voor een degelijk
pensioen. Activistische beleggingen om ideologisch gedreven linkse
doelen na te streven, waarbij vooral de energietransitie een veel
geopperde bestemming is, horen daar niet bij. Ik hoor graag een
bevestiging hiervan door de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie geen interrupties. U was mooi binnen de tijd. Ik wil de heer
Ceulemans vragen het voorzitterschap weer over te nemen.
Voorzitter: Ceulemans
De voorzitter:
Bij dezen. Dank u wel. Ik kijk even naar de minister. Hoeveel tijd denkt
zij nodig te hebben voor de voorbereiding?
Minister Paul:
Ik denk dat ik best wel wat tijd nodig heb. Er waren veel vragen. Ik zou
het liefst drie kwartier willen. Ik wil namelijk mijn best doen om die
vragen zo goed mogelijk te beantwoorden; dat is het.
De voorzitter:
Ja, dat begrijp ik. Dan gaan we dat honoreren.
Minister Paul:
Super.
De voorzitter:
Drie kwartier betekent dat wij de vergadering om 15.05 uur
hervatten.
De vergadering wordt van 14.20 uur tot 15.05 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de commissievergadering van de vaste commissie voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid over pensioenonderwerpen. Voor de schorsing
hebben we de eerste termijn van de commissie gehad. Dat betekent dat we
nu aanbeland zijn bij de eerste termijn van de minister, die ik het
woord geef met het verzoek om vroegtijdig bekend te maken welke blokjes
zij wil afwerken.
Minister Paul:
Voorzitter, ik zal u op uw wenken bedienen en daar dan gewoon maar mee
beginnen. De heer Mulder sprak de hoop, of de wens, uit dat er twee
blokjes zouden zijn. Ik moet u echter teleurstellen, want u hebt veel
vragen gesteld. Die verdeel ik over de volgende blokjes: het eerste blok
is het grootst en gaat over de stand van zaken rond de voortgang van de
transitie, het tweede blokje gaat over gezond naar pensioen, het derde
blokje gaat over AOW en dan hou ik nog een vierde blokje overig
over.
Voorzitter. De pensioentransitie is de grootste stelselherziening van de
afgelopen decennia. Vanuit mijn bestuurlijke rol als minister zorg ik er
samen met sociale partners, uitvoerders, toezichthouders DNB en AFM en
de regeringscommissaris pensioenen voor dat dit zorgvuldig gebeurt. Het
gaat immers om de pensioenen van miljoenen Nederlanders, uitgesteld
inkomen, zoals velen van u ook zeiden. Ik wil eraan bijdragen dat zij
een goed pensioen kunnen blijven ontvangen. In mijn gesprekken met
eerdergenoemde organisaties en instituties merk ik dat iedereen zich
enorm inzet om de stelselherziening een succes te maken voor de
deelnemers. Er wordt keihard gewerkt.
Inmiddels zijn 30 pensioenfondsen overgestapt naar de nieuwe
pensioenregeling. Dat betekent dat inmiddels meer dan de helft van het
totaalaantal deelnemers, ongeveer 10 miljoen, pensioen ontvangt of
opbouwt volgens de nieuwe regels van de Wtp. En met resultaat: bij de
overstap zijn de pensioenen met gemiddeld 14% structureel verhoogd. Dat
is dus geen eenmalige bonus, maar een hoger bedrag dat gepensioneerden
maandelijks krijgen uitgekeerd. Ik zie de heer Mulder al kijken! Over
dit percentage is door onder anderen de heer Ceulemans, mevrouw Van
Brenk en de heer Dijk een vraag gesteld. De heer Mulder refereerde hier
ook aan. De door pensioenadviseur Aon genoemde stijging is een eerste
inschatting gebaseerd op de dekkingsgraden eind november 2025 van de
twaalf grootste fondsen die per 1 januari zijn ingevaren en de
transitieplannen, invaarmeldingen en communicatie van die fondsen. Deze
stijging is mogelijk doordat fondsen onder de Wtp minder grote buffers
hoeven aan te houden. Door het aanpassen van deze buffervereisten in het
nieuwe stelsel kunnen de pensioenfondsen structureel hogere pensioenen
uitkeren.
In reactie op de vraag van de heer Mulder: in het nieuwe stelsel kunnen
pensioenen door de aangepaste buffereisen sneller omhoog als het
economisch goed gaat, maar ook omlaag als het economisch flink en
langdurig tegenzit. Pensioenfondsen hebben overigens verschillende
middelen om dalingen in de tijd te spreiden, zodat deze niet in één keer
hoeven te worden doorgevoerd. Van belang is dat de nieuwe regeling, de
keuzes daarin en de gevolgen helder aan deelnemers worden uitgelegd om
verkeerde verwachtingen te voorkomen.
Nog eens 62 fondsen verwachten het komende jaar de overstap naar het
nieuwe stelsel te maken. Zij kunnen gebruikmaken van de ervaringen die
de afgelopen jaren zijn opgedaan. Uit mijn gesprekken met de sector
begrijp ik dat er inderdaad volop aan kennisdeling wordt gedaan. Dat is
ook goed, want dit is in het belang van de deelnemers. Ook de eerste
regelingen uitgevoerd door een verzekeraar of premiepensioeninstelling,
PPI, zijn inmiddels omgezet, maar de meeste van deze regelingen zullen
pas in 2026 of 2027 worden omgezet. Er is nog … Ogenblikje, ik heb even
een zakdoekje nodig om mijn neus te snuiten. Excuses. Het gaat goed,
dank u wel. Sorry. Ik was gebleven bij: deze regelingen worden in 2026
of in 2027 omgezet. Er is nog voldoende tijd om dat te doen, maar
werkgevers, adviseurs en verzekeraars moeten nu wel in actie komen, ook
om te voorkomen dat al deze regelingen op hetzelfde moment omgezet
worden en we piekmomenten hebben.
We zien dat vooral kleine werkgevers met een pensioenregeling bij een
verzekeraar of premiepensioeninstelling daarin nog stappen moeten
zetten. Hier zijn ook door verschillende partijen vragen over gesteld.
Onder anderen de heer De Kort, de heer Neijenhuis, de heer Ceulemans en
mevrouw Van Ark vroegen hiernaar. Veel werkgevers met een
pensioenregeling bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling moeten
nog starten met het Wtp-proof maken van hun regeling. Ik roep hen daarom
op om snel aan de slag te gaan, want het aanpassen van de regeling kan
zes tot achttien maanden duren. Naast die oproep zetten we heel concrete
acties in om dit te bevorderen. Vanuit het ministerie werken we samen
met sociale partners, het Verbond van Verzekeraars en Adfiz, de
brancheorganisatie van financieel adviseurs, om werkgevers te activeren
en hen te helpen zo snel mogelijk aan de slag te gaan met het omzetten
van hun pensioenregelingen. Dit voorkomt inderdaad de piekbelasting die
zou ontstaan bij verzekeraars wanneer iedereen tot het laatste moment
zou wachten. Er is een stappenplan voor werkgevers beschikbaar gesteld
waarin praktische informatie staat over hoe een werkgever kan beginnen,
welke keuzes er zijn, wat de gevolgen zijn van niet tijdig handelen en
welke stappen moeten worden ondernomen richting een nieuwe regeling.
Daarnaast benaderen we gericht sectoren waarin er relatief veel
verzekerde regelingen met kleine werkgevers zijn. Daarvoor spannen we
ons dus extra in. Verzekeraars benaderen aangesloten adviseurs daarnaast
actief. Heel onlangs heeft AFM de financieel adviseurs aangeschreven en
hen opgeroepen om met dat stappenplan naar hun klanten, die werkgevers,
toe te gaan.
Omdat de gevolgen van niet tijdig omzetten groot zijn, is het verstandig
om extra goed een vinger aan de pols te houden. Daarvoor is het nodig om
tussentijds vaker voortgangscijfers van verzekeraars en PPI's te
krijgen; dat wil ik zelf. Op dit moment worden de voortgangscijfers één
keer per jaar uitgevraagd. Die frequentie wordt verhoogd naar vier keer
per jaar. Daarbij zullen we waar dat kan zo veel mogelijk aansluiten bij
de bestaande structuren voor het opvragen van informatie, want het gaat
natuurlijk ook hier om kleine werkgevers, die we niet onnodig willen
belasten. Met de volgende voortgangsrapportage wordt uw Kamer
geïnformeerd over de laatste stand van zaken en de ontwikkelingen van
het komende halfjaar. Mocht het tempo onvoldoende blijken, dan zullen we
verdere maatregelen niet schuwen en die voorbereiden.
Daarbij blijf ik oog houden voor de praktijk. Zo kan de sector signalen
delen via bijvoorbeeld www.werkenaanonspensioen.nl. Ook zijn mijn
ambtenaren en ik geregeld op werkbezoek en zijn wij aanspreekbaar
tijdens congressen en seminars in het pensioendomein, waar we de netten
ophalen. Daarnaast hebben we natuurlijk de onafhankelijke
regeringscommissaris, die op allerlei manieren benaderbaar is voor
professionals en partijen in de sector. Een goede graadmeter om te
bezien of deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden adequaat
worden meegenomen in de transitie, is het vertrouwen in het
pensioenstelsel. De publieksmonitor liet in het vierde kwartaal van 2025
zien dat het vertrouwen in het pensioen op hetzelfde niveau is gebleven.
Ik denk dat dat gegeven de transitie en alle veranderingen positief is.
Uw Kamer wordt twee keer per jaar over de voortgang van de transitie
geïnformeerd op basis van verschillende onderzoeken van mijn ministerie
en het advies van de regeringscommissaris. Recent heeft u de vierde
voortgangsrapportage ontvangen.
Ik ga graag met uw Kamer verder in gesprek over de transitie en de
andere onderwerpen die in de verschillende inbrengen aan de orde zijn
geweest. Verder zijn er natuurlijk een hoop vragen gesteld door uw
Kamer. Zoals ik aan het begin al aangaf, zal ik de beantwoording graag
doen in vier blokjes: stand van zaken, voortgang van de transitie,
gezond naar pensioen en AOW. Daarnaast zijn er nog overige vragen.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik sla even aan op wat u zegt over het vertrouwen in het
pensioenstelsel. Het is natuurlijk heel mooi dat mensen vertrouwen
hebben. Dat is mooi. Tegelijkertijd — daar komt u vast zo op — zie ik
ook het gevaar dat mensen zo veel vertrouwen hebben dat ze als deelnemer
misschien achterover gaan leunen, omdat ze denken: het zal allemaal wel
geregeld zijn. Dat is misschien ook de oorzaak dat mensen niet in actie
denken te hoeven komen, bijvoorbeeld als het gaat om de
compensatieregeling. Ziet u dat ook zo?
Minister Paul:
Nee, eerlijk gezegd niet. Ik denk dat we er alles aan moeten doen om
mensen te activeren, bewust te maken en te informeren. Dat is een heel
belangrijk punt. Wat je ook ziet — dat heb ik van veel fondsen
teruggekregen — is dat daar waar pensioen een onderwerp was waar veel
gewone burgers zich eigenlijk niet mee bezighielden, door alles wat
daaromheen gebeurt, door brieven die mensen krijgen, door mails, door
alles wat er breder, ook in de media, wordt gezegd, er een groter
pensioenbewustzijn is. Ik moet eerlijk zeggen, los van alle zorgpunten
en aandachtspunten die er zijn — daar kom ik zo meteen op terug — dat ik
denk dat dat pensioenbewustzijn heel belangrijk is. Mensen realiseren
zich vaak niet dat het pensioen onderdeel is van het
arbeidsvoorwaardenpakket. Vaak wanneer mensen bijvoorbeeld … Laat ik
voor mezelf spreken. In de 30 jaar dat ik bij verschillende bedrijven en
bedrijfjes heb gewerkt en overstappen maakte, heb ik nooit gevraagd naar
of me diepgaand geïnformeerd over de pensioenen. Ik keek vooral — ik
denk dat veel mensen dat doen — naar het salaris, de vakantiedagen of
andere voorwaarden. Ik denk dat het pensioenbewustzijn echt omhoog is
gegaan. Daar waar we zien — dat is de groep die ik net uitgebreid
behandeld heb, die verzekerde regelingen — dat zaken achterblijven,
hebben we inderdaad de plicht om die communicatie en informatie te
intensiveren.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Mulder een vraag voor u.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik twijfel even. Het eerste blokje was de voortgangsrapportage en daar
vallen alle vragen over de 14% onder. Heeft u dat nu behandeld in uw
inleiding of komt dat nog?
Minister Paul:
Dat komt nog.
De voorzitter:
Overigens, voordat u verdergaat met uw beantwoording in eerste termijn:
ik had gezegd dat er ruimte is voor zes interrupties. Dat kan. Het wordt
misschien krap, dus het verzoek is wel om die kort en bondig te houden.
Ik zie dat de heer Vermeer zijn eerste interruptie wil gebruiken.
De heer Vermeer (BBB):
Mooi dat dat pensioenbewustzijn aan het groeien is. Daar kan
pensioenadvies van de werkgever ook bij helpen. Die keuzebegeleiding
gaat alleen verder dan de huidige pensioenregeling, maar die is nu
gewoon belast via de loonbelasting. Ik zou toch nog eens willen vragen
of de minister bereid is om pensioenadvies via de werkgever vrij te
stellen van loonbelasting, om dat weer eens aanhangig te maken. Ik
overweeg ook een motie in het tweeminutendebat over dit onderwerp, want
dit is natuurlijk een heel scheve situatie op deze manier.
Minister Paul:
Deze vragen ga ik doorgeleiden naar mijn collega Heijnen van
Fiscaliteit.
De heer Vermeer (BBB):
Dat wil ik dus juist niet. Ik wil dat deze minister, die moet vechten
voor deskundigheid bij de mensen over de pensioenen, zich er sterk voor
gaat maken dat dit geregeld wordt, want het is natuurlijk belachelijk om
net te doen alsof dat loon is terwijl het iets is wat gewoon bij het
werken en het hele systeem hoort.
Minister Paul:
Ik snap de wens en ik wil me daar best hard voor maken in de zin dat ik
het gesprek met Heijnen nog eens ga voeren. Ik zal dus meer doen dan het
sec doorgeleiden.
Voorzitter. Ik ga door het met beantwoorden van de vragen in het eerste
blokje over de transitie. Ik begin met een vraag over de invoering van
het "bedrag ineens". Meerdere leden hebben gevraagd — ik meen bijna alle
leden — of ik bereid ben om daar duidelijkheid over te geven. De
transitie vraagt heel veel van uitvoerders en doet een groot beroep op
schaarse capaciteit. De zorgen vanuit de sector en uw Kamer over de
samenloop van dat "bedrag ineens" met deze transitie heb ik goed
gehoord. Het punt is dat daar steeds nieuwe data voor zijn gekomen. Wat
ik nu constateer, is dat je, ook gegeven het feit dat de sector minstens
zes tot negen maanden nodig heeft om de boel goed voor te bereiden en
iedereen daar goed over te informeren, gevoeglijk kunt vaststellen dat
de eerdergenoemde beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2026 niet
langer haalbaar is. Dat heb ik bij dezen gezegd. Gezien de demissionaire
status van het kabinet is het echt aan een nieuw kabinet om te besluiten
over een nieuwe inwerkingtredingsdatum, omdat er ook forse financiële
consequenties mee gemoeid zijn. Dus daar zal een volgend kabinet over
moeten beslissen. Nou, dat staat als het goed is over een paar weken op
het bordes, dus dat zou ook snel kunnen gebeuren.
Voorzitter. Mevrouw Van Ark had een vraag over mensen die zzp'er worden,
van baan veranderen of minder uren gaan werken, over dat die goed
geïnformeerd moeten worden over compensatie. Ik deel het belang dat ze
goed geïnformeerd worden over compensatie. Ik deel het belang dat
deelnemers goed worden geïnformeerd, bijvoorbeeld over de gevolgen voor
compensatie bij baanwisseling. Mevrouw Van Ark suggereerde volgens mij
in haar inbreng dat dit op plekken niet goed gaat. Mijn vraag is: als u
concrete signalen hebt over waar dat niet gebeurt — het is immers een
plicht van werkgevers om dat over te brengen — laat het ons vooral
weten. Dat hoeft niet in het debat. Dat geldt sowieso voor allerlei
signalen. Ik zou ook tegen de Kamer willen zeggen: spaar die niet op. Ik
snap dat u af en toe een punt wilt maken van iets, maar als er signalen
zijn, deel ze ook met het ministerie.
Fondsen bieden deelnemers deze informatie via hun websites,
deelnemersbijeenkomsten en veelal ook via een helpdesk. Daarbij wijzen
fondsen ook op eventuele mogelijkheden om via vrijwillige voortzetting
van de pensioenregeling voor compensatie in aanmerking te blijven komen.
Ook via de website pensioenduidelijkheid.nl is er voor mensen algemene
informatie over wat compensatie is en hoe die werkt. Hierop wordt
bijvoorbeeld aangegeven dat belangrijke gebeurtenissen, zoals het
wisselen van een baan, minder uren werken of kiezen voor het zzp-schap,
van invloed kunnen zijn op de compensatie.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft u een vraag van mevrouw Van Ark.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Mijn eerste punt is: hoe kijkt u er dan tegenaan dat vrijwillige
voortzetting niet altijd mogelijk is? Dat is per pensioenfonds
optioneel. Er kloppen ook mensen bij mij aan die zeggen: ik ben erachter
gekomen dat dat bij mijn pensioenfonds die vrijwillige voortzetting niet
mogelijk is. Dus dan loop je alsnog die compensatie mis. Een ander punt
is — dat heb ik ook al proberen aan te geven — dat communicatie een
oplossing zou kunnen zijn, maar dat je als je ontslagen wordt,
bijvoorbeeld vanwege een reorganisatie, niks hebt aan betere
communicatie, omdat dat een fait accompli is. Hoe kijkt de minister aan
tegen die situaties?
Minister Paul:
Het eerlijke antwoord is dat er niet one size fits all is hierbij. Dit
zijn afspraken die gemaakt worden door de sociale partners als onderdeel
van arbeidsvoorwaardenpakketten. Ik en de toezichthouders kunnen het
belang van transparante en duidelijke communicatie benadrukken, maar dat
kan niet eenduidig over alle organisaties en bedrijven heen getrokken
worden. In het geval van bijvoorbeeld ontslagen, is dit iets wat tussen
de werkgever en de werknemersvertegenwoordiging goed besproken en
vastgelegd zou kunnen worden in een sociaal plan. Dit is inderdaad
helaas iets wat vaker voorkomt. We lezen allemaal in de krant over
reorganisaties die plaatsvinden. Het is belangrijk dat dat daar zijn
beslag krijgt.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
U noemt het sociaal plan. Ik heb begrepen dat er inderdaad op dit moment
bij reorganisaties in die sociaal plannen afspraken worden gemaakt over
een compensatie van het compensatieverlies, zeg maar. Het klinkt een
beetje gek. Dat zijn afspraken die over belastbare bedragen gaan. Als
mensen de WW ingaan, kunnen ze nog wel vrijwillig voortzetten. Maar als
ze van werk naar werk gaan, kunnen ze niet blijven hangen in dat oude
pensioenfonds waarvan ze die compensatie nog moeten krijgen. Op het
moment dat de vakbonden en de werkgever het erover eens zijn dat er een
bedrag ineens ter compensatie zal worden geboden, dan is dat een belast
bedrag. Is de minister bereid om te kijken wat daar nog mee zou
kunnen?
Minister Paul:
Ik probeer het even, maar dit is vrij technisch. Als dat bedrag ineens
zou worden overgemaakt, dan is het belastbaar. Als je een afspraak zou
maken over voortzetting via de regeling, de pensioenregeling, dan niet.
Dus daar moet je ook gewoon afspraken over maken.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ik wil niet al mijn interrupties verspillen, maar toch nog even iets
scherper. Je kan niet blijven in je APB-pensioen als je ontslagen wordt
en je de volgende dag al aan het werk kan bij een PFZW-werkgever. Hoe
zit dat dan?
Minister Paul:
Je hebt de keuze om vrijwillig voort te zetten en daar zou je dan
afspraken over moeten maken. Je kunt de pensioenregeling vrijwillig
voortzetten.
De voorzitter:
Ja, oké.
Minister Paul:
Ja.
De voorzitter:
Misschien kunt u de vraag even in de microfoon herhalen, mevrouw Patijn.
Dat telt dan niet als een interruptie, maar dan weten de mensen op de
tribune en thuis ook wat er gezegd is.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Dus als ik het goed begrijp, is het mogelijk om als je direct van de ene
werkgever naar de andere werkgever gaat, je oude pensioenregeling ook
nog vrijwillig voort te zetten. Dan kom je toch ook fiscaal in de knel
met je opbouw?
Minister Paul:
Je kunt het vrijwillig voortzetten en als je onder het maximum blijft,
dan heeft dat geen fiscale gevolgen. Overigens gaan we dit stuk, dat
ingewikkeld is, verder verduidelijken op de pensioenwebsite, want ik kan
me voorstellen dat meer mensen hier vragen over hebben.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik hoor de minister net zeggen dat je het vrijwillig kunt voortzetten,
maar dat hangt wel heel erg af van het pensioenfonds. Dat is per
pensioenfonds geregeld en dat vind ik het meest tricky. We hebben het
over vrijwillige voortzetting en dat zou een mooie oplossing kunnen
zijn. Ik begreep ook dat het ooit een wens was van de vakbonden om het
gewoon verplicht te stellen. Nou, daar zijn andere afspraken over
gemaakt, dus het is afhankelijk van het pensioenfonds waar je zit of die
vrijwillige voortzetting überhaupt mogelijk is. Dat vind ik er nu
eigenlijk zo zuur aan. Ik vind het bijna onuitlegbaar dat je dus daar
heel erg afhankelijk van bent en dan klopt het volgens mij niet helemaal
wat nu gezegd wordt, dat vrijwillige voortzetting altijd mogelijk
is.
Minister Paul:
Als de regeling het toelaat. Mevrouw Van Ark heeft gelijk, in die zin —
ik verwijs dan maar terug naar een eerder antwoord — dat dit gaat over
afspraken die gemaakt zijn tussen sociale partners, werkgevers en
werknemers.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag ook een hand van mevrouw Van Brenk. Nee? O, dat gaat
over. Dan kan de minister verder met haar beantwoording.
Minister Paul:
Dan ga ik door met een vraag gesteld door meerdere leden over welke
knelpunten ik zie bij de verzekerde regelingen, wat de fiscale gevolgen
zijn en welke acties ik onderneem op dat punt. Ik heb daar zojuist al
het nodige over gezegd, zie ik nu, in antwoord op een andere
vraag.
Mevrouw Patijn vroeg heel specifiek wat de fiscale gevolgen zijn voor
zowel werkgevers als werknemers. Voor werknemers geldt dat als
werkgevers hun pensioenregeling niet Wtp-proof hebben gemaakt, dat
inderdaad flinke fiscale consequenties kan hebben. Voor werknemers leidt
dit tot belastingheffing over alle opgebouwde aanspraken, de heffing van
revisierente en het vervallen van de omkeerregeling op toekomstige
premies. Afhankelijk van de hoogte van de aanspraken kunnen deze
gedeeltelijk met een belastingpercentage tot wel 49,5 worden belast. Dat
wordt in mindering gebracht op het pensioenvermogen. Mensen die
afhankelijk zijn van toeslagen zullen deze deels of volledig kwijtraken
en mogelijk hun toeslagen moeten terugbetalen. Als goed werkgever moet
je dat gewoon niet laten gebeuren. Werkgevers zullen loonheffing moeten
inhouden op de werkgevers- en werknemersbijdrage. Hierdoor ontvangen
werknemers een lager nettoloon. Ook moeten werkgevers het
nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen op zich
nemen. De werknemer of de nabestaande loopt hierbij het risico dat de
werkgever dit mogelijk niet kan betalen. Dat is een horrorscenario. Dat
willen we niet. Mevrouw Patijn vroeg me om het expliciet te
beantwoorden, dus ik heb het heel expliciet beantwoord.
Uw Kamer vroeg mij ook in het bijzonder wat je daaraan doet, want dat
horrorscenario willen we natuurlijk niet laten gebeuren. Dan wil ik
eigenlijk ook refereren aan het antwoord dat ik eerder gaf, namelijk dat
ik samen met sociale partners en het Verbond van Verzekeraars alles doe
om werkgevers te activeren en te helpen om zo snel mogelijk aan de slag
te gaan met het omzetten van hun pensioenregelingen. Daar hebben we dus
— hoe moet ik dat zeggen? — veel instrumenten voor ingezet, met
informatie en ook gewoon stappenplannen om het zo behapbaar mogelijk te
maken. Ook schetsen we wat de gevolgen zijn. Dus wat ik net allemaal
opsomde, geven we ook aan, omdat je als goed werkgever dat gewoon niet
moet willen laten gebeuren. Wat we daarnaast ook doen …
De voorzitter:
Ik kom toch heel even tussendoor, want anders duurt het misschien te
lang: mevrouw Patijn heeft hier namelijk een interruptie over.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Heel fijn die scherpe formuleringen. Als er niet gehandeld wordt door je
werkgever, kan je dat dus tot 50% van je pensioenopbouw kosten. Het niet
handelen van de werkgever, straft de werknemer in dit geval. Ik vind het
best bijzonder dat er niet iets meer druk op die werkgevers gelegd wordt
met iets meer financiële gevolgen, zodat die financiële gevolgen niet zo
zwaar bij de werknemers komen te liggen, maar veel meer bij de
werkgevers. Ik ga een vraag stellen, voorzitter. Kan de minister
aangeven of er mogelijkheden zijn om de financiële gevolgen veel meer
bij de werkgever te leggen?
Minister Paul:
In ultimo kan de werkgever aansprakelijk worden gesteld door de
werknemer, maar ik wil dat eigenlijk allemaal zo veel mogelijk
voorkomen. Mevrouw Patijn zegt namelijk heel terecht dat de werknemers
er niet de dupe van mogen zijn. Ik heb eerder een opsomming gegeven,
maar daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat met name in de
sectoren waarin er relatief veel verzekerde regelingen zijn met kleine
werkgevers, we die heel specifiek benaderen om ervoor te zorgen dat ze
ondersteund worden. "We" is dus niet alleen het ministerie; dat gebeurt
ook vanuit de sociale partners en de toezichthouders. Ik wil ook gezegd
hebben dat er misschien een kwaadaardige werkgever tussen zal zitten,
maar dat het voor de meeste gewoon survivallen is in een wereld waarin
zij proberen het hoofd boven water te houden. We proberen hen daarbij te
ondersteunen. Daarnaast schrijven we rechtstreeks ondernemingsraden aan
— het gaat dan om de middelgrote bedrijven — zodat die zich hier veel
bewuster van zijn, daarmee aan de slag kunnen gaan in gesprekken met de
werkgever en zo kunnen opkomen voor de belangen van hun
medewerkers.
Omdat de gevolgen van het niet tijdig omzetten groot zijn, wil ik ook
extra de vinger aan de pols houden. Volgens mij vroeg de heer De Kort
daar ook naar. Ik zou uw Kamer willen toezeggen om tussentijds vaker
voortgangscijfers van verzekeraars en PPI's te krijgen. Volgens mij gaf
ik al eerder aan dat dit nu één keer per jaar gebeurt. We gaan dat
verhogen naar vier keer per jaar. Bij de volgende voortgangsrapportage
wordt de Kamer ook over de laatste stand van zaken en ontwikkelingen
geïnformeerd.
Dan kom ik op een vraag van de heer Ceulemans.
De voorzitter:
Maar er is eerst toch nog een interruptie van mevrouw Patijn.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Als die werkgever nu nog niet handelt, kan de accountant een rol hebben.
Die wordt ook genoemd in sommige brieven. Zou het niet logisch zijn dat
de voortgang bijvoorbeeld in de komende twee jaarverslagen opgenomen
wordt? Er zitten veel stichtingen bij en veel organisaties die een
jaarverslag moeten maken. Is het nog een optie dat de accountant
controleert of er iets gebeurt op dit punt?
Minister Paul:
Ik onderschrijf het doel, maar ik wil me niet op dit middel laten
vastpinnen, omdat ik niet weet of dat nou het meest effectieve is. We
gaan in ieder geval ook met de accountants, de financieel adviseurs en
de boekhouders die met name voor het mkb aan de slag zijn, in gesprek
over hoe zij dit strakker kunnen oppakken en een aanjagende rol kunnen
hebben. Mocht de suggestie van mevrouw Patijn daarbij een goed idee
zijn, dan nemen we die graag mee, maar ik stel het doel wat dat betreft
even voorop.
Voorzitter. Ik ga verder met een vraag van uzelf, van de heer Ceulemans.
Dat was de vraag wat een werknemer met een pensioenregeling bij een
verzekeraar of premiepensioeninstelling zelf kan doen. De werknemers die
nu in dienst zijn, kunnen bij hun huidige werkgever navragen hoe het
ermee staat en wanneer zij meer informatie kunnen verwachten. Zoals ik
net al zei, hebben sommige organisaties een ondernemingsraad, die meer
kan vertellen over hoe het proces en de belangen van de werknemers
worden meegenomen. Als iemand al met pensioen is, verandert er in dit
geval niets aan zijn pensioen.
De voorzitter:
Zou de heer Mulder mij even het woord kunnen geven?
Voorzitter: Edgar Mulder
De voorzitter:
Volgens mij kunt u dat in de huidige sfeer ook wel zelf, maar zeker, dat
kan ik zeker. De heer Ceulemans heeft nog een vervolgvraag.
De heer Ceulemans (JA21):
Ik heb inderdaad een vervolgvraag, want de minister zegt: de heer
Ceulemans vroeg wat werknemers nou zelf kunnen doen. Mijn vraag was
eigenlijk meer de volgende. Er wordt nu veel communicatie gericht op
werkgevers. Ook de brochure waarnaar verwezen werd, is gericht op
werkgevers. Het kan natuurlijk ook zijn dat werknemers op dit moment
onvoldoende op de hoogte zijn van het feit dat hun werkgever deze stap
moet gaan zetten. Er is wel een oproep gedaan via de NOS, in november of
december meen ik, maar welke stappen kunnen er nog extra gezet worden om
werknemers ervan op de hoogte te brengen dat hun werkgever in beweging
moet komen?
Minister Paul:
Volgens mij moet je het daar toch hebben van de meer algemene
communicatiemiddelen die we inzetten, en dat is lastig, omdat het
behoorlijk gefragmenteerd is. Je kunt het op allerlei plekken publiceren
of op websites zetten, maar dan nog moeten mensen daarnaartoe komen.
Daarom gaf ik ook aan dat de kortste klap volgens mij is dat de
professionals die een formele rol hebben om kleinere bedrijven te
ondersteunen en te adviseren, die aanjagende functie zo veel mogelijk
oppakken. Ik denk dat dat uiteindelijk het meest effectief is.
De voorzitter:
Aan de lichaamshouding zie ik dat de heer Ceulemans volledig tevreden
is. Ik vraag hem het voorzitterschap weer over te nemen.
Voorzitter: Ceulemans
De voorzitter:
Hij neemt kennis van het antwoord en hij draagt het woord weer over aan
de minister. Excuus, u heeft eerst nog een vraag van de heer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik wil hier toch nog even op terugkomen, want de minister zei: er zitten
ook werkgevers tussen die niet van kwade wil zijn. Ze zei … Nee, nee
…
Minister Paul:
Nee, sorry, die wil ik …
De voorzitter:
Het woord is eerst aan de heer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik zal het toelichten. Ze zei dat er werkgevers tussen zitten die
misschien van kwade wil zijn, maar de meesten zijn aan het survivallen
en gewoon hun bedrijf aan het leiden. We hebben net gehoord over de
werknemers. Er zullen werknemers tussen zitten die inderdaad de NOS-app
hebben geopend en dit hebben gezien en gelezen. Maar we willen toch
voorkomen dat er überhaupt mensen zijn die zo meteen tussen de
spreekwoordelijke wal en het schip eindigen, of dat nou komt door
niet-oplettende werkgevers, hardwerkende werkgevers of niet-oplettende,
hardwerkende werknemers? Heeft de minister een stok achter de deur om te
voorkomen dat we hier uiteindelijk over een aantal maanden of jaren
zitten en zeggen: dit probleem is zo groot en gaat over zo ontzettend
veel mensen; we moeten nu een herstelopdracht gaan doen? De
hersteloperaties van de afgelopen tijd op heel veel andere dossiers zijn
namelijk ook niet echt een succesformule gebleken.
Minister Paul:
Ik ben het met de heer Dijk eens dat we alles moeten doen wat we kunnen
doen om mensen te bereiken en te voorkomen dat ze de dupe worden van het
niet handelen, om welke reden dan ook, van werkgevers. In aanvulling op
de dingen die ik net noemde, zullen we ook met name met verzekeraars en
de vakbonden verder om tafel gaan om te kijken hoe we gerichte acties
kunnen uitvoeren die ook echt het bereik hebben dat we willen hebben. De
regeringscommissaris heeft samen met Jacco Vonhof van MKB-Nederland niet
voor niets aandacht hiervoor gevraagd; dat was volgens mij onlangs in De
Telegraaf. We zullen dat op verschillende momenten en kanalen doen, puur
om mensen te activeren. Dat is dus niet om ervoor te zorgen dat
werknemers in zak en as raken, maar om ervoor te zorgen dat ze zich
ervan bewust zijn dat dit speelt en dat ze met hun eigen werkgever — we
gaan dan uit van de goedwillende werkgever; volgens mij zijn de heer
Dijk en ik het daar helemaal over eens — daarover het gesprek voeren. Ik
denk dus dat we alle kanalen inzetten die we kunnen inzetten. Ik vind
ook het optrekken met de sociale partners hierin belangrijk. De bonden
hebben ook weer hun netwerken en ideeën om mensen gericht te benaderen.
De heer Dijk mag van mij dus verwachten dat we wat dat betreft alles op
alles zetten. Ik vind het onverteerbaar dat werknemers uiteindelijk de
dupe zouden zijn van het niet-handelen van hun werkgever.
Mevrouw Patijn en de heer Dijk vroegen mij: wat als je werkgever
gebruikmaakt van eerbiedigende werking? Ik zei net al iets over pensioen
als arbeidsvoorwaarde en over het hogere pensioenbewustzijn. Wat mij
betreft mag dat laatste nog wel een tandje hoger. Ik moedig mensen aan
om het bij een overstap naar een nieuwe baan vooral ook over pensioen te
hebben en daarover na te denken, en niet alleen over salaris en
vakantiedagen. Een eerbiedigende werking gaat over het voortzetten van
een stijgende premieregeling. Dat speelt met name bij de verzekerde
regeling bij verzekeraars. In de oude baan kan dan nog sprake zijn van
een pensioenregeling met een stijgende premie. De pensioenuitvoerder
informeert de deelnemer jaarlijks over mogelijke effecten bij
beëindiging van de deelneming en het aangaan van een nieuwe
pensioenovereenkomst. Bij een nieuwe werkgever kan de werknemer namelijk
niet meer in een pensioenregeling met een stijgende premie komen, want
dat is dan altijd een vlakke premieregeling. Daarom is het belangrijk
dat een werknemer bij een overstap, naast alle andere
arbeidsvoorwaarden, de pensioenregeling bekijkt en vergelijkt.
Voorzitter. Dan een vraag van mevrouw Van Brenk en de heer Vermeer:
waarom geef ik niet de opdracht dat de pensioenfondsen moeten sturen op
koopkracht? Pensioenfondsen stellen op basis van de risicohouding van
hun specifieke deelnemers hun eigen strategisch beleggingsbeleid op en
maken daarbij hun eigen afwegingen tussen nominale zekerheid van de
uitkering en de stijging van de uitkering in lijn met inflatie. Meer
koopkracht betekent in de praktijk óf meer beleggingsrisico nemen, óf
meer herverdeling tussen jonge en oude deelnemers binnen een
pensioenfonds, óf meer premie betalen. Er is wat dat betreft geen gratis
manier om koopkracht te garanderen.
De voorzitter:
Er is een interruptie. Volgens mij was mevrouw Van Brenk eerst, en
daarna de heer Vermeer.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik heb hier een mooi rapport voor me liggen. Dat is gemaakt in opdracht
van het wetenschappelijk bureau van NSC, door Confident, een welbekend
en gerenommeerd adviesbureau. Daarin staat aangegeven hoe je kunt sturen
op koopkracht. Volgens mij is het van belang dat iedereen snapt dat
inflatie bijhouden belangrijk is. Als je nu een volle boodschappenkar
kan betalen, dan wil je dat over tien jaar, als je gepensioneerd bent,
ook nog kunnen. De vraag is: kent de minister dit rapport? Anders ben ik
graag bereid het aan haar te overhandigen.
Minister Paul:
Het rapport is mij bekend en die varianten worden op dit moment
onderzocht. Mevrouw Van Brenk onderbrak me, want er kwam nog wat aan,
maar dat geeft niks. Dan weet ik in ieder geval dat wat ik hier ga
oplepelen ook relevant is en dat u dat graag wil horen. Ik snap de wens
vanuit de Kamer om te kijken of er meer mogelijkheden zijn voor fondsen
om op koopkracht te sturen. Vorig jaar is een eerste verkenning gedaan.
De resultaten daarvan zijn inderdaad ook vorig jaar met de Kamer
gedeeld. De verkende varianten worden nu verder onderzocht en verder
doorgeakkerd. Er wordt onder andere gekeken naar doorrekeningen met DNB.
Voor de zomer zal de Kamer worden geïnformeerd over de stand van zaken.
We zijn hier dus volop mee bezig. In het nader onderzoek zullen we ook
de afruilen of uitruilen, hoe je het ook noemen wil, tussen risico en
rendement inzichtelijk maken. Zoals ik eerder zei, there are no free
lunches, maar dan heb je dat in ieder geval inzichtelijk. Verder wordt
er ook inzichtelijk gemaakt of nieuwe instrumenten ook echt toegevoegde
waarde hebben ten opzichte van wat er nu al wettelijk mogelijk is en of
nieuwe instrumenten goed uitlegbaar zijn aan deelnemers, of ze
uitvoerbaar zijn en of ze juridisch haalbaar zijn. Er wordt dus flink
werk gemaakt van datgene waar mevrouw Van Brenk om vraagt. Voor de zomer
hoort u daar meer over.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk heeft een vervolgvraag.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Absoluut. Ik ben in ieder geval heel tevreden met dit antwoord. We doen
iets omdat we graag de inflatie gaan bijhouden. Dat is een exercitie in
opdracht van het ministerie, maar gaan de pensioenfondsen dat dan ook
doen? Komt er straks vanuit de minister of de nieuwe minister ook echt
de opdracht: jongens, dit moeten we ook echt gaan doen? Gaan we met
enthousiasme tegen die pensioenfondsen zeggen: kom op, koopkrachtig
pensioen is echt belangrijk?
Minister Paul:
Ik kan natuurlijk niet voor mijn opvolger spreken, maar ik denk dat als
er steekhoudende adviezen uitkomen, we die zeker met enthousiasme verder
zullen brengen. Uiteindelijk is het wel aan pensioenfondsen zelf om daar
keuzes in te maken, maar je kunt zaken natuurlijk wel met klem ergens
neerleggen. Ik stel me zo voor dat als dat aan de orde is, dat ook zeker
zal gebeuren.
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat u verdergaat, een interruptie van de heer
Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Van Brenk vond het wel een fijn antwoord, maar het is toch
eigenlijk wel vreemd dat wij hiernaar moeten vragen. Een koopkrachtig
pensioen is een van de uitgangspunten van die hele pensioenherziening en
vervolgens krijgen we nu te horen dat dat afhankelijk is van
risicohouding, herverdeling tussen groepen en beleggingsresultaten, want
het moet ergens van betaald worden. Ja, dat was van tevoren al
duidelijk. Dat was in het oude pensioensysteem net zo. Maar wij moeten
hier toch niet gaan uitleggen waar het van afhankelijk is? Wij moeten
pensioenfondsen er toch op wijzen dat dit de opdracht is die ze
eigenlijk hebben en dat ze daarnaar moeten handelen? Wij hoeven hier
toch geen excuses te maken voor dingen die misschien niet goed gelukt
zijn, zoals een slecht beleggingsresultaat dat net genoemd werd? Dat
komt ook door keuzes van pensioenfondsen die bijvoorbeeld jarenlang niet
in de wapenindustrie wilden investeren terwijl er aan de andere kant
geroepen werd dat we onze defensie moesten versterken. Dat gaat niet met
houten wapens. Dat moet via de wapenindustrie.
Minister Paul:
Hier lopen twee dingen een beetje door elkaar: aan de ene kant het
beleggingsbeleid en aan de andere kant de opzet van de pensioenregeling.
Ik ga niet herhalen wat ik net heb gezegd, maar weet dat dit in ieder
geval verder wordt onderzocht. Het wordt duidelijk gemaakt waar bepaalde
keuzes, of dilemma's, als je het zo noemen wil, in zitten. Voor de zomer
komen we bij de Kamer terug. Of er al dan niet geïnvesteerd wordt in de
wapenindustrie of in andere zaken, daar gaat een pensioenfonds zelf
over.
De heer Vermeer (BBB):
Het pensioenfonds gaat daar op dit moment inderdaad zelf over, en niet
de deelnemers, of slechts zeer beperkt, hier en daar. Maar
beleggingskeuzes zijn geen natuurverschijnsels; het zijn keuzes. Als wij
met z'n allen de bedoeling hebben dat dit systeem meer koopkracht geeft
en zij nemen besluiten die die koopkracht verlagen, dan moeten we toch
ergens iets kunnen doen of iets in de wet kunnen veranderen zodat we
iets kunnen doen om ze op die kerntaak te wijzen? De minister ziet dit
als twee verschillende dingen, maar het een is afhankelijk van het
ander. Hun beleggingsactiviteit is niet iets separaat wat ze ernaast
doen; nee, dat is een instrument om koopkracht te leveren. Is de
minister dat met mij eens?
Minister Paul:
Ja en nee. Kijk, uiteindelijk — dat zei ik ook in het eerdere antwoord —
betekent meer koopkracht ook meer beleggingsrisico nemen of meer
herverdeling tussen jonge en oude deelnemers binnen een pensioenfonds.
Dus het staat inderdaad deels los van elkaar, maar heeft ook met elkaar
te maken.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Vermeer. Daarna komt de heer
Mulder.
De heer Vermeer (BBB):
Ik blijf dit echt opmerkelijk vinden. Als zij een bepaalde
beleggingskeuze maken, dan bepaalt dat ook de mate van risico. Maar er
worden ook keuzes gemaakt die niets met het risico te maken hebben, die
puur activistisch zijn. Zo noem ik ze, maar je kunt ze ook
"idealistisch", "ideologisch", "religieus" of "fout" noemen. Je kunt er
allerlei kwalificaties aanhangen, maar risico is niet iets wat
automatisch vasthangt aan elke belegging. Het gaat ook om welke keuzes
je maakt en in welke fondsen of sectoren je wel of niet zou willen
investeren. Volgens mij is de opdracht een koopkrachtig pensioen
realiseren. Anders moet je bij de Postcodeloterij gaan werken of zo, of
weet ik veel.
Minister Paul:
Uiteindelijk moet datgene wat het pensioenfonds doet in het
beleggingsbeleid overkoepelend in het beste belang van de deelnemers
zijn. De keuzes die daarin worden gemaakt, moeten passen bij de
deelnemers en bij het risicoprofiel, de risk appetite, van deelnemers.
Dat zijn ook gesprekken die worden gevoerd vanuit het fonds met de
deelnemersorganisaties, de vertegenwoordigende organisaties, om tot
steekhoudende besluiten te komen. Volgens mij werkt het zo.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik ga hier toch maar even op door. De drijfveer van het beleggingsbeleid
moet het beste belang van de deelnemers zijn, zegt de minister. Maar het
beste belang van de deelnemers is rendement. Punt. Als je besluit om
niet meer in fossiele brandstoffen te investeren omdat je … Wat zei die
meneer laatst? Hij was opa geworden, en opeens wilde hij in windmolens
gaan investeren. Die meneer neemt in zijn eentje die beslissing. Dat
heeft dus niets meer te maken met het belang van de deelnemers. Dat is
één meneer die opeens besluit, omdat hij opa is geworden, dat hij rare
dingen wil gaan doen. Daar hebben deelnemers helemaal niks over te
zeggen. We worden wel verplicht om in dat fonds ons geld in te leggen.
Je kan niet zeggen: nou, die meneer staat me niet meer aan, dus ik ga
naar een ander fonds. Dus het klopt niet. Misschien klopt het in theorie
bij u, maar in de praktijk klopt het niet. Kunt u daarop reageren?
Minister Paul:
Ik vind … Hoe ga ik hier nou op reageren? Kijk, die meneer beslist dat
niet in zijn eentje. Dat is ondenkbaar bij een pensioenfonds. Er is een
beleggingscommissie, er is intern toezicht en er is extern toezicht, dus
de willekeur van één meneer die zijn kleinkind doorslaggevend laat zijn
… Dat is dan een stoer verhaal. Laat ik het zo zeggen: het kan zijn dat
die meneer zelf gedreven wordt door andere waarden doordat hij nu
helemaal blij is met zijn kleinkind, en dat is natuurlijk fantastisch,
maar het is niet zo dat iemand dat in zijn eentje op die manier beslist.
Dat heeft niks te maken met theorie of een papieren werkelijkheid, zoals
de heer Mulder in mijn richting zei; zo werkt het in de praktijk
niet.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Laat me dan vaststellen dat in theorie die meneer, zegt u, niet alleen
beslist, maar dat dit samen met een groep mensen gaat, die dat in
theorie van tevoren heeft onderzocht bij de deelnemers. In de praktijk
hebben we allemaal nog nooit meegemaakt dat we verzocht zijn om een
reactie over de keuze tussen een windmolen en fossiele brandstoffen. Die
keuze wordt dus niet voorgelegd aan deelnemers. Er is wel een kleine
groep die dat beslist zonder dat het besproken wordt met de deelnemers.
Dat bedoelde ik met het verschil tussen theorie en praktijk.
De voorzitter:
De minister. Als zij erop wil reageren.
Minister Paul:
Als je kijkt naar hoe de organisatie in elkaar zit op het gebied van
governance, of hoe je het noemen wil, zie je dat er inspraakmanieren
zijn waarbij ook de stem van de deelnemers wordt vertegenwoordigd.
Daarnaast zie je — dat is iets heel recents, maar dat vind ik een goede
ontwikkeling en ik denk dat dat alleen maar verder doorgezet zal worden
— dat steeds meer fondsen enquêtes uitzetten, juist om ook de mening van
de deelnemers mee te nemen en de netten op te halen. Mensen zijn
mondiger geworden en willen hun stem laten horen. Ik denk dat dat heel
goed is.
De heer Edgar Mulder (PVV):
En wat je dan krijgt, is dat de kleine hoogopgeleide elite reageert en
de gewone mensen die aan de machine staan niet. Dat is ook het probleem
met klimaattafels en met welke tafel dan ook. Er is een kleine groep
hoogopgeleide mensen die daaraan meedoet en 65%, 70% van de bevolking
doet niet mee. Daar gaat het fout in dezen. Regel het dan zo dat er een
referendum komt waar iedereen aan kan meedoen. Dat is steeds niet
toegestaan, want als we een referendum willen organiseren, maakt niet
uit waarover, dan mag dat allemaal niet. Voorkom nou dat alleen die
kleine hoogopgeleide elite hierover meebeslist. Ik blijf het gestoord
vinden dat mensen niet meer in winstgevende fossiele brandstoffen
investeren, maar wel in rare windmolens die nul opleveren en alleen maar
geld kosten.
Minister Paul:
Ik hoorde geen vraag.
De voorzitter:
Het was een conclusie van de heer Mulder. Dan is er een interruptie van
mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had ook de nodige kritiek op de rendementen die gehaald werden door
pensioenfondsen, maar dat komt niet uitsluitend door beleggingen. Dat
komt ook door richtingen die zij op gedwongen worden door De
Nederlandsche Bank, om geen risico te nemen. Ik noemde het pensioenfonds
Johnson & Johnson. Die zijn uitgeweken naar België, omdat zij
volgens De Nederlandsche Bank te risicovol aan het beleggen waren en
terug in het gareel moesten. Daardoor zijn zij richting België gegaan.
Ik noemde ook het pensioenfonds van de sector glas, dat niet meer mocht
beleggen in goud. Kortom, het gaat niet alleen om de ideologie. Ik denk
dat het ook voor een deel angst is bij de pensioenfondsen. Ik zou ook
graag willen weten of de focus van echt iedereen het rendement voor de
deelnemers is, zoals het zou moeten zijn. Deelnemers werken één dag per
week voor hun pensioen en het rendement is echt dramatisch.
Minister Paul:
Allereerst zou ik willen benoemen dat de rendementen van fondsen
moeilijk te vergelijken zijn met een benchmark van een index. Mevrouw
Van Brenk verwees daarnaar in haar inbreng. Pensioenfondsen beleggen
namelijk niet alleen in aandelen en obligaties, maar onder andere ook in
vastgoed, infrastructuur en noem het maar op. Ten tweede bieden
pensioenfondsen hun deelnemers een levenslange pensioenuitkering.
Daarbij kijken ze niet alleen naar de vermogenszijde van de balans en
naar de rendementen, maar ook naar de verplichtingenzijde. Het
teruglopen van rendementen heeft te maken met de rentestijgingen. Door
deze rentestijgingen zijn de verplichtingen nog veel sterker gedaald.
Een toekomstige uitkering wordt goedkoper bij een hogere rentestand. Een
blik op enkel de rendementen zegt daarom weinig als daarbij niet de
effecten op de verplichtingenzijde worden meegenomen. DNB toetst aan de
passendheid van het beleggingsbeleid en aan de risicohouding van de
deelnemers.
Voorzitter. Ik ga door naar een vraag van de heer Vermeer over de
nettoprofijtberekeningen, of die ten onrechte een te grote rol hebben
gekregen in de vermogensverdeling bij invaren en wat het effect hiervan
is. DNB kijkt naar de onderbouwing van de evenwichtigheid, onder andere
door te kijken naar pensioenverwachtingen en nettoprofijt. Beide
maatstaven zijn in de wet opgenomen. In de praktijk ziet DNB dat de
effecten van de pensioenverwachtingen doorgaans goed onderbouwd waren,
maar die van nettoprofijt niet. Daarom heeft DNB daarop nadere
onderbouwingen gevraagd in de vorm van plausibiliteitstoetsen en
decomposities. Deze uitwerkingen hebben geleid tot betere inzichten in
de effecten van het invaren, waardoor enkele aanpassingen zijn
doorgevoerd. Deze verbeteringen leiden bijvoorbeeld ook tot een beter
invaardocument, iets wat u en ik, denk ik, alleen maar kunnen
aanmoedigen.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft de heer Vermeer een interruptie. Dat is zijn
laatste interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Nou, daar ben ik dan mooi klaar mee. Ook hier treedt de inflatie in,
natuurlijk.
Ik wil de minister bedanken voor het antwoord. Volgens een heel aantal
specialisten dat zich hierop richt, blijft het nog wel één grote black
box; een model dat zelfs rekening houdt met wanneer mensen in de
toekomst ontslagen kunnen worden, en dat soort aannames. Kan de minister
DNB vragen naar alle uitgangspunten in de modellen die gebruikt worden?
Zouden wij daar als Kamerleden de vinger achter kunnen krijgen?
Misschien vraag ik naar iets wat al ergens in de krochten van mijn
postbus ligt, maar dan wil ik graag weten waar ik op moet zoeken.
Minister Paul:
Het goede nieuws is dat dit allemaal openbaar is en dat u dus niet in
allerlei krochten hoeft te zoeken. Dit staat op de site van DNB. We
kunnen, als u dat wilt, nog even kijken waar het precies staat en een
linkje doorsturen. Het is openbaar, er is niks geheims aan.
Dan een vraag van mevrouw Van Brenk over het feit dat de invaarbonus
gespreid wordt over meerdere jaren. De verhoging van de
pensioenuitkering door het invaren wordt in één keer uitgekeerd en niet
gespreid uitbetaald. Dit betreft een procentuele verhoging; dus als je
meer hebt opgebouwd, ontvang je ook meer. Alle leeftijden worden gelijk
behandeld. De spreidingstermijn is een onderdeel van de regels voor het
verdelen van het vermogen over de leeftijdsgroepen bij invaren. Deze
regels benaderen hoe in het oude stelsel mee- en tegenvallers tussen de
deelnemers werden verdeeld. In het oude stelsel konden mee- en
tegenvallers over tien jaar worden gespreid. Bij het invaren mogen
sociale partners en fondsen van die spreidingstermijn van tien jaar
afwijken, zolang dat evenwichtig is voor alle deelnemers; jong en oud.
Als fondsen willen afwijken, dan moeten ze dit goed onderbouwen. In de
praktijk gebeurt dat; er zijn fondsen die bij invaren kortere
spreidingsperiodes dan tien jaar hanteren.
Dan …
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk met een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wat vindt de minister daar dan van? Ik ken een fonds dat dat in vier
jaar gaat doen. Dat betekent dat de alleroudsten dan misschien overleden
zijn. Het lijkt erop dat ze het gewoon niet willen uitkeren. Ik vind dat
te zot voor woorden.
Minister Paul:
Ik snap de wens wel. Ik snap dat gepensioneerden een zo kort mogelijke
spreidingstermijn willen, nu de dekkingsgraden bij invaren zo hoog zijn.
Ik snap die vraag, want dat levert voor gepensioneerden nóg hogere
vermogens en pensioenuitkeringen op. Maar de fondsen moeten ook kijken
naar de belangen van andere deelnemers. Daarbij moeten de
invaarafspraken ook evenwichtig zijn bij verschillende economische
omstandigheden, ook bij negatieve omstandigheden. Vandaar dat daarvoor
gekozen is, juist ook met de andere deelnemers in gedachten.
Ik ga door met een vraag van mevrouw Van Ark. Die ging erover dat er
geen eenduidige definitie is voor het pensioengevend inkomen. Ook hier
geldt dat het pensioengevend inkomen door sociale partners wordt
bepaald. Sectoraal of per cao worden hier afspraken over gemaakt,
rekening houdend met de gewenste verdeling tussen het maandelijkse loon
en de pensioenpremies die daarop worden ingehouden, en met de voorkeuren
van de sociale partners. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
specifieke afspraken over onregelmatigheidstoeslagen en de mate waarin
dat soort zaken meetellen voor het pensioengevend loon. Dat is aan de
sociale partners. Een sectorbrede definitie zou inbreuk maken op de
onderhandelingsruimte van sociale partners, dus ik vind dat geen goed
idee. Wat ik wel kan doen, is dit bij de Stichting van de Arbeid onder
de aandacht brengen, zodat het gesprek daarover wel gevoerd kan worden.
Ik begrijp de vraag van mevrouw Van Ark namelijk best.
Mevrouw Van Brenk had een vraag over de transitiekosten. In alle
eerlijkheid is een stijging van de kosten in verband met de transitie
voorzien. Naar verwachting is komend jaar het zwaartepunt van de
transitie. Dat betekent ook dat we verwachten dat de kosten voor het
pensioenbeheer vanaf volgend jaar weer zullen dalen. Ik heb van veel
kanten gehoord dat de transitie ook vaak wordt aangegrepen om
noodzakelijk onderhoud uit te voeren, met name aan grote IT-systemen.
Ook hierdoor lopen de kosten op. Ik ben het helemaal met mevrouw Van
Brenk eens dat we de kosten niet onnodig moeten laten oplopen, want
uiteindelijk gaat het om geld van deelnemers. De kosten die
pensioenuitvoerders ten behoeve van de transitie maken, worden dan ook
goed gemonitord in de zogenaamde transitiemonitor. Fondsspecifieke
kosteninformatie is te vinden in het jaarverslag van een pensioenfonds.
Dat houden we dus in de gaten.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had gevraagd om een benchmark en of we bij die transitiemonitor een
overzicht krijgen zodat deelnemers, en wij ook, in één oogopslag kunnen
zien wat de verschillen zijn tussen fondsen. Bij sommige fondsen zullen
er meer kosten zijn, en dan zijn ze daar makkelijker op aan te spreken.
Wat ons betreft moeten we daar heel fel op inzetten. Maar ook in de
transitiemonitor van eind 2025, die de minister recent gestuurd heeft,
staat dat de kosten ook in de toekomst omhoog zullen gaan. Ik zie dus
niet dat het minder gaat worden. Ik wil daarom graag de vinger aan de
pols houden.
Minister Paul:
Ik ben even aan het zoeken. Kijk, die fondsspecifieke kosteninformatie
is te vinden in het jaarverslag van een pensioenfonds. Wat ik zeg is dat
er een bepaalde bandbreedte is. We hebben voorzien dat die kosten gaan
stijgen, maar niet dat dat structureel maar doorgaat met stijgen. Dat
heeft nu gewoon met die transitie te maken. Voor niets gaat de zon op.
Netspar is een onderzoek gestart naar de beleggings- en
administratiekosten van pensioenuitvoerders in den brede. Op basis
daarvan voer ik, of mijn opvolger, graag het gesprek over de kosten.
Maar volgens mij is er nu niets geks aan de hand. Dat is eigenlijk de
hoofdboodschap. Ja, er zijn hoge kosten, maar er gebeuren ook
ingrijpende zaken. Die moeten wel geregeld worden. We houden dat dus in
de gaten.
De heer Neijenhuis stelde een vraag over de invloed van deelnemers op
het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ik gaf eerder al aan dat het
pensioenfondsbestuur gaat over de uitvoering van de pensioenregeling,
inclusief het beleggingsbeleid. Deelnemers hebben op een aantal manieren
en op een aantal momenten inspraak in het collectieve beleggingsbeleid
van pensioenfondsen. Ze zitten in het bestuur, het belanghebbendenorgaan
of het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan of het
belanghebbendenorgaan is verder bevoegd om een oordeel te geven over het
gevoerde beleggingsbeleid.
De heer Neijenhuis vroeg mij ook of ik bereid ben om nieuwe
governancemodellen binnen pensioenfondsen, waarbij er meer inspraak is
voor deelnemers, te onderzoeken. Het is belangrijk dat zowel alle
gewezen en huidige deelnemers als gepensioneerden zich inderdaad in hun
pensioenfonds kunnen herkennen. Ik ben, zoals aangekondigd,
voorbereidingen aan het treffen voor een onderzoek naar de governance in
de pensioensector. Dit onderzoek start in juni van dit jaar.
De heer Neijenhuis vroeg mij ook hoe we ervoor zorgen dat besturen van
pensioenfondsen een betere afspiegeling zijn van de groepen die ze
vertegenwoordigen. De sector werkt er zelf aan om diversiteit in de
samenstelling van pensioenfondsbesturen te realiseren. In de afgelopen
jaren is er al een toename te zien in de mate van diversiteit in
pensioenfondsbesturen.
Een vraag van mevrouw Van Brenk. Het nieuwe pensioenstelsel heeft vooral
impact op jonge werkende vrouwen. De vraag is: worden vrouwen in het
nieuwe pensioenstelsel benadeeld? In het nieuwe pensioenstelsel ligt het
zwaartepunt van de pensioenopbouw in principe bij de jongere jaren. De
inleg op jonge leeftijd kan langer renderen. Dit geldt voor iedereen,
mannen en vrouwen. Het nieuwe pensioenstelsel is daarmee neutraal
opgezet, en dat heeft de Raad van State ook bevestigd in het advies bij
de Wtp. Arbeidsparticipatie aan het begin van de loopbaan is daarmee
belangrijker geworden voor de pensioenopbouw. Daarom is de inzet op het
verkleinen van verschillen tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt
een belangrijk punt. Dit gaat bijvoorbeeld ook over gelijke beloning,
kinderopvang en een gelijke verdeling van zorgtaken. Dat zijn dus de
knoppen waar je aan kunt draaien om er uiteindelijk voor te zorgen dat
die participatie omhooggaat en dat je dus ook in de jonge werkende jaren
aan opbouw doet.
De heer Vermeer vroeg hoe mensen kunnen controleren of gegevens bij de
overgang naar het nieuwe stelsel kloppen. Deelnemers ontvangen een
transitieoverzicht, zowel voor als na de transitie. Als er verschillen
zijn, moeten uitvoerders dat toelichten. Dit komt bovenop diverse
informatiedragers en -momenten, dus brieven, mails, websites en allerlei
andere zaken die beschikbaar zijn. Daarnaast wordt door DNB toezicht
gehouden op de transitie en zijn er aanvullende accountantscontroles
voorgeschreven als extra waarborg voor de kwaliteit van de data en de
berekeningen. Mochten deelnemers vragen of klachten hebben, dan kunnen
ze zich richten tot hun pensioenuitvoerder.
Een vraag van mevrouw Van Ark over het opgebouwde wezenpensioen. Ze
vraagt of het klopt dat er nog decennialang studie-eisen worden
bijgehouden. Het overgangsrecht voorziet in de bescherming van het
opgebouwde en nog niet ingegane wezenpensioen. Dat betekent ook dat het
wezenpensioen dat vóór de transitie opgebouwd was, na de transitie
beschikbaar blijft als wezenpensioen. De voorwaarden van pensioenfondsen
voor het opgebouwde wezenpensioen blijven daarmee bestaan, zoals de
leeftijd van 30 jaar of de studie-eisen. Hierbij is overigens al
rekening gehouden met gevallen waarin andere voorwaarden gelden, zoals
een hogere eindleeftijd, van bijvoorbeeld 25 jaar.
De heer Vermeer vroeg of ik kan bevestigen dat alles op koers ligt voor
de invoering van de APPA per 1-1-2028. Het wetsvoorstel hierover is
belegd bij mijn collega de minister van BZK, en is op dit moment nog in
ambtelijke voorbereiding. Het streven is om het wetsvoorstel in begin
van dit jaar in consultatie te brengen, zoals ook aangegeven in de
recente Kamerbrief van 7 januari 2026. Ik stel me zo voor dat dat het
eerste kwartaal is. Laat ik zeggen: het eerste halfjaar. Ik vind het
eerste halfjaar niet helemaal het begin van het jaar, moet ik zeggen.
Naar verwachting kan het wetsvoorstel in het najaar bij uw Kamer worden
ingediend.
Mevrouw Van Ark stelde mij de volgende vraag. Ze geeft aan dat het bij
een verzekeraar of bij een premiepensioeninstelling niet altijd
duidelijk is welke pensioenregeling wordt voortgezet bij
arbeidsongeschiktheid. Ze vraagt of ik dat probleem herken, en ook het
belang ervan dat hier duidelijkheid over komt. Het is voor deze groep
wettelijk geregeld. Als een deelnemer ziek is onder de oude regeling en
pas onder het nieuwe stelsel in de WIA terechtkomt, dan kan de
premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid onder het karakter
van de oude pensioenregeling worden voortgezet. De pensioenuitvoerder is
verplicht om te communiceren over welke regeling voor de deelnemer van
toepassing is. Ik kan toezeggen dat we er in ieder geval voor zorgen dat
dit wordt verduidelijkt op de websites Pensioenduidelijkheid en Werken
aan ons Pensioen, zodat dit in ieder geval ook breder bekend is.
Mevrouw Van Ark vroeg mij ook naar de communicatie vanuit de
pensioenfondsen over het Anw-hiaat. Ze vroeg of het klopt dat die niet
altijd eenduidig is. In de richting van mevrouw Van Ark zeg ik dat
fondsen verplicht zijn om hun deelnemers goed te informeren over de
pensioenregeling, en dus ook over afspraken over een Anw-hiaat. Fondsen
communiceren over die regeling op een manier die past bij hun
deelnemers. Ze hoeven dus niet allemaal op dezelfde wijze te
communiceren, maar moeten dit uiteraard wel tijdig, correct en volledig
doen. Daar houdt de AFM ook toezicht op.
Voorzitter. Ik heb nog één vraag liggen over de 14%. Daarover wil ik
zeggen dat deze stijging mogelijk is omdat de fondsen onder de Wtp
minder grote buffers hoeven aan te houden. Door het aanpassen van deze
buffervereisten in het nieuwe stelsel, kunnen de pensioenfondsen
structureel hogere pensioenen uitkeren; volgens mij had ik dit al
gezegd. Ik zou nog willen aanvullen dat deze analyse de eerste cijfers
betreft. De definitieve cijfers over de pensioenstijgingen volgen op een
later moment. Die geven we dan weer in de stand van zaken van november.
O, sorry, ik hoor naast me dat de definitieve cijfers in het voorjaar
zullen volgen. Die nemen we in de rapportage van vóór de zomer
mee.
De voorzitter:
De heer Mulder heeft hier een vraag over.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Begrijp ik dan dat die 14% tijdelijk is? Het tegenovergestelde van
structureel is namelijk tijdelijk. Als u zegt dat u het opnieuw gaat
bekijken en opnieuw gaat berekenen, dan denk ik toch dat u nu, zonder
dat u dat hard zegt, afstand neemt van het woord "structureel". Anders
heb ik drie à vier jaar helemaal voor niets alle discussies gevolgd
hier. Die gingen er namelijk juist over dat het moest kunnen fluctueren
met de beurskoersen. Nogmaals, de PVV is daar volstrekt op tegen, maar
dat was wel de inzet, omdat anders het hele systeem niet houdbaar zou
zijn. Men moest kunnen wisselen van hoog naar laag. Laat ik het anders
zeggen: als je in de financiële wereld initieel met een verhaal richting
fondsen komt dat het structureel is en zegt "daarom moet u bij mij
investeren in boten of in vastgoed, want uit de eerste cijfers blijkt
dit en dat, en ik zeg u toe dat dit structureel is", dan krijg je
problemen met alles dat en iedereen die financiën in de gaten houdt. Ik
stel dus gewoon nog een keer die vraag over de hele opzet van de wet:
als het tegenovergestelde van structureel tijdelijk is, wilt u dan
afstand nemen van dat structurele en zeggen: ik schrijf daar nog eens
een brief over aan de Kamer?
Minister Paul:
Je moet twee dingen scheiden: het is structureel hoger vanwege de
kleinere buffers die aangehouden hoeven worden door fondsen. Dat maakt
het mogelijk dat het omhooggaat. Maar het klopt — ik zei dit ook al
eerder — dat er fluctuaties zullen blijven, die afhankelijk zijn van de
economische situatie.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Stel dat we anderhalf jaar verder zijn. Dan kunt u dus, als het straks
heel erg slecht gaat op de beurs, weer een voortgangsrapportage sturen
waarin u zegt dat de pensioenen structureel lager zijn geworden, met
10%. Wij hoeven dan dus niet te schrikken als u zegt dat die 10% lager
zijn geworden, omdat dat dan toch maar ... Tja, zegt u zelf maar wat het
betekent als we straks lezen dat die 10% lager zijn. Zegt u dan ook dat
het structureel is?
Minister Paul:
Als de pleuris uitbreekt, even in simpele bewoordingen, dan gaat het
omlaag vanaf dat hogere niveau.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Mulder.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Dat klopt, maar dat is geen antwoord op mijn vraag.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vind het echt een beetje een ongemakkelijk gesprek worden. Het is
toch vrij helder dat dit gebaseerd is op slechts een aantal
pensioenfondsen, op aannames en op een paar inschattingen? Dan is het
toch gewoon onhandig van de minister om te zeggen dat dit structureel
14% is? Dat schept toch gewoon verwachtingen die u zelf — dat hoorden we
twee à drie zinnen geleden — niet waar kunt maken?
Minister Paul:
Gezien alle discussies zou ik het misschien anders hebben geformuleerd;
laat ik het zo zeggen. Maar ik blijf bij het punt dat het gaat om grote
aantallen deelnemers en fondsen die nu zijn overgegaan. Dat is niet
niks. Nou, ik heb erover gezegd wat ik erover gezegd heb.
De voorzitter:
De heer Mulder met zijn laatste interruptie. Het gaat niet door. De heer
Mulder spaart zijn laatste interruptie op, dus u kunt uw beantwoording
vervolgen.
Minister Paul:
Ik ga door en ik zeg toe dat ik in de zomerrapportage hierop
terugkom.
Het tweede blokje ging over Gezond naar het pensioen. De afgelopen
periode is met sociale partners gewerkt aan de uitvoering van de
afspraken uit het akkoord Gezond naar het pensioen. Eergisteren nog heb
ik in een werkbezoek met sociale partners de invulling van de agenda
voor duurzame inzetbaarheid, met een focus op zwaar werk, toegelicht.
Het is juist belangrijk dat we ons inzetten om zwaar werk te voorkomen
en te verlichten. Voor mensen met zwaar werk die niet gezond kunnen
doorwerken tot de AOW-leeftijd is de RVU-drempelvrijstelling voortgezet.
Er is afgesproken dat sociale partners de RVU gericht inzetten. TNO zal
daarbij als derde partij advies geven aan cao-partijen. Dit werd ook
aangekaart door het Kamerlid Neijenhuis. Ik verwacht dat cao-partijen
serieus met deze adviezen omgaan. Uw Kamer zal een jaarlijkse rapportage
van TNO ontvangen over de ingediende afbakeningen en de gegeven
adviezen; daar verzocht de heer Neijenhuis ook om. Met sociale partners
houden we via de monitoring een vinger aan de pols bij de voortgang van
de afspraken uit het akkoord.
Dan kom ik nu op de vragen. Ik begin met een vraag van de heer Dijk:
"Hoe zorgen we ervoor dat dit beter gaat? Werknemers en werkgevers komen
er niet uit. Hoe versterken we de rechten van werknemers?" De
RVU-drempelvrijstelling is voortgezet, zodat mensen met zwaar werk die
niet gezond kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd eerder kunnen stoppen
met werken. De RVU is een arbeidsvoorwaardelijke afspraak tussen
werkgever en werknemer. Afspraken hierover zijn dus aan decentrale
sociale partners, die het beste weten wat passend is in het bedrijf of
in de sector en die zich bovendien ook te houden hebben aan de adviezen
van TNO of die in ieder geval mee moeten nemen. Ik zou …
De voorzitter:
De minister kan haar zin afmaken.
Minister Paul:
… meer in algemene zin het volgende willen zeggen. Er was denk ik ook
een interruptiedebatje met de heer Neijenhuis. De RVU-regeling blijft
bestaan, maar ik denk dat we er alles aan moeten doen om te voorkomen
dat mensen, zeg maar, versleten richting de eindstreep gaan. Dat
betekent waar mogelijk inzetten op technologische vernieuwing, zodat
zwaarder werk lichter wordt. Dat betekent ook tijdig investeren in om-
en bijscholing, zodat iemand voor wie een bepaald type werk te zwaar
wordt ander werk kan verrichten. In de duurzame-inzetbaarheidsagenda is
er met name focus op de fysiek zware beroepen en ook focus op het mkb.
We zien dat het met name daar voor werkgevers moeilijk kan zijn om te
investeren in technologische vernieuwing of om dit onderwerp de volle
aandacht te geven. Daar wordt heel gericht aan gewerkt op basis van de
agenda. Er worden bijvoorbeeld dingen bedacht door slimme mensen van
kennisinstellingen, onze technische universiteiten in samenwerking met
hbo's en mbo's. Wij kijken heel goed hoe je die dingen naar de werkvloer
kunt brengen, want die mkb'er heeft niet de tijd om dit allemaal zelf
uit te zoeken. Je zorgt dus dat je met de mensen vanuit de praktijk aan
de slag gaat.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Dijk.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vind dit eigenlijk al vanaf het moment dat ik het ooit over een
zwaarwerkregeling heb gehad een "on-discussie". De theorie en de manier
waarop erover gesproken wordt vanuit de politiek staan zo ver af van de
realiteit dat ik … Ik noemde het voorbeeld van werknemers in de
tuinzaadbedrijven: 5.600 werknemers. Daar vindt nu dus een strijd
plaats. Sorry, maar het is toch gewoon helder dat dat zwaar werk is?
Laat ik een ander beroep noemen: beveiligers. Dat ga je niet
automatiseren. Beveiligers staan over het algemeen bij een deur bij een
bedrijf en die moeten hun leven lang staan. Dat is zwaar; dat wordt op
een gegeven moment zwaar. Dan moet er een regeling komen zodat mensen
vervroegd uit kunnen treden. Dat kun je niet overlaten aan de
maatschappelijke krachten tussen werkgevers en werknemers alleen. Er zal
ook hier een beslissing moeten worden genomen over onregelmatig werk,
over fysiek werk wat veel met staan te maken heeft, over psychische
belasting. Daar moet hier een beslissing over genomen worden. Als we dit
steeds overlaten … Ik zei net: ik ga het met liefde doen, want dat moet.
Maar dat betekent wel dat we dan iedere dag of iedere week hier een
bedrijf of een sector kunnen aankaarten waar een zwaarwerkregeling voor
moet komen. Ik vind dat dat moet gebeuren, maar dat is toch geen doen?
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat zoiets, zo'n strijd als nu
plaatsvindt bij die tuinzaadbedrijven, geen strijd hoeft te gaan
worden?
De voorzitter:
De minister. En interrupties mogen iets korter.
Minister Paul:
Ik blijf erbij dat dit bij uitstek tussen sociale partners geregeld moet
worden. De sociale partners, vertegenwoordigers van werkgevers en
werknemers, weten bij uitstek wat er in bepaalde sectoren en bedrijven
speelt. Ik snap de zorg van de heer Dijk. Geloof me, die snap ik. Maar
ik vind het tegelijkertijd niet goed om alles en iedereen over één kam
te scheren. Er zijn mensen die in de industrie werken, die in
nachtdiensten en onregelmatige diensten werken, die daar heel goed in
gedijen en die dat bewust kiezen omdat dat past in hun leven. Ik ga dus
niet mee in — hoe moet je dat zeggen? — dat soort collectief
slachtofferschap. Dat is er namelijk niet. Waar duidelijk is dat werk te
zwaar wordt voor mensen of dat werkgevers niet de kansen grijpen om te
investeren in technologische vernieuwing, moet je sturen als overheid.
Daar is de duurzame-inzetbaarheidsagenda bij uitstek voor ontwikkeld.
Daar gaan we de komende jaren gewoon snoeihard mee aan de slag. Daar
wordt serieus geld in geïnvesteerd en daar worden werkgevers, werknemers
en de mensen op de werkvloer bij betrokken.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het woordje "collectief slachtofferschap" zegt ongeveer alles in dit
gesprek, in dit debat hierover. Hoe kunt u dat nou zeggen? Ik heb zelf
tien jaar in een kartonfabriek gewerkt. Ik heb zelf gezien dat mensen
inderdaad niet wilden stoppen met werken op hun 67ste, omdat ze vol
trots door wilden werken. Dat klopt; ik zag het. Maar er zaten heel veel
mensen tussen die heel graag eerder wilden stoppen, omdat het lijf het
niet meer aankon. Dat is geen collectief slachtofferschap. We moeten in
ons land goede collectieve voorzieningen opbouwen voor mensen die het
land draaiende houden. Dat heeft niks met collectief slachtofferschap te
maken. Het heeft ermee te maken dat je het met elkaar zo organiseert dat
je in solidariteit aan een land bouwt. Dan moet er een overheid zijn die
daar bokje voor staat en die de ongelijke verdeling in machtsbalans
tussen werknemers en werkgevers vereffent. Dan moet er een politiek zijn
die het opneemt voor deze werkende mensen en niet met kulargumenten komt
over collectief slachtofferschap. Ik mag toch hopen dat
volksvertegenwoordigers hier aan deze kant van de tafel aanwezig — ik
noemde het al "de verenigde oppositie" — een totaal andere mening erop
nahouden dan deze minister.
De voorzitter:
Minister, wilt u daarop reageren?
Minister Paul:
Nee, volgens mij was het een oproep aan de collega-Kamerleden en niet
aan mij.
Ik ga door met een vraag van de heer Neijenhuis. Hij vroeg of duurzame
inzetbaarheid echt centraal staat en waar de beschikbare gelden precies
voor worden ingezet. Ja, die gelden worden met name … Volgens mij was de
vraag ook of dit geen tijdelijke projecten zijn zonder blijvend effect
of in het verlengde van vervroegd uittreden. Het speerpunt van die
gelden is om zwaar werk te voorkomen en te verlichten, zo veel mogelijk
bij de bron van de zwaarte van het werk. Dat doen we door middel van
subsidie voor samenwerkingsverbanden en het mkb om projecten te starten
die zwaar werk voorkomen of verlichten en door het opzetten van
innovatielabs die mkb-bedrijven helpen oplossingen te ontwikkelen en te
verspreiden die zwaar fysiek werk minder zwaar maken. Dat kan
bijvoorbeeld door tilmachines in te zetten of andere hulpmiddelen waar
nu in sommige sectoren gewoon te weinig gebruik van wordt gemaakt. Daar
is dus geld voor. De bedoeling is dat die investering leidt tot duurzame
impact. Het gaat dus niet om losse initiatieven. Er lopen nu allerlei
trajecten in bepaalde sectoren, in de zorg maar ook in de zware
industrie en op andere plekken, om te kijken hoe je daar het werkend
leven beter kan maken en vervolgens hoe je die ideeën dan gaat
opschalen, ook in andere sectoren.
De heer De Kort (VVD):
Ik denk dat de minister een goed voorbeeld noemt, namelijk om
bijvoorbeeld met behulp van technologie zwaar werk lichter te maken. Ik
denk dat dat goed is. Ik heb bij de SZW-begrotingsbehandeling in 2023
een amendement ingediend voor inclusiviteitstechnologie, wat meer
mogelijk wordt gemaakt door subsidie voor mkb'ers en cofinanciering
vanuit de overheid. Ik hoor dat de minister enthousiast is over dat
soort technieken. Is zij bereid om met pensioenfondsbestuurders in
gesprek te gaan of zij ook dat soort investeringen willen doen om werk
met inclusiviteitstechnologie lichter te maken, zodat ook van die kant
cofinanciering kan plaatsvinden?
Minister Paul:
Ik zie dit niet in eerste instantie als een investering vanuit de
pensioenfondsen. Ik pak dit thema wel heel voortvarend op met de sociale
partners, dus de werkgevers en de werknemers, met de kennisinstellingen
en wetenschappelijke instellingen die samen … Dat is overigens ook het
mooie. Ik was eergisteren bij TU Delft. Die werken samen met hbo's,
mbo's en verschillende sectoren. De mensen vanuit de praktijk zijn
betrokken bij die projecten om ervoor te zorgen dat wat misschien ergens
ontwikkeld wordt in de praktijk werkt, zodat je niet een innovatie hebt
die uiteindelijk staat te verstoffen. Maar ik zie dit in alle
eerlijkheid niet als een gespreksonderwerp met de pensioenfondsen.
De heer De Kort (VVD):
Excuses van mijn kant. Wij als politiek gaan niet over pensioenfondsen;
het is uitgesteld loon. Maar als de minister kan toezeggen dat ze dit
wil oppakken met de sociale partners, dan zou ik daar al heel blij mee
zijn. Ik begrijp dat iedereen daarin zijn eigen verantwoordelijkheden
heeft, maar het zou heel mooi zijn als het gesprek daarover wordt
aangegaan.
Minister Paul:
Ik kan het nog extra onder de aandacht brengen, maar die gesprekken
lopen. Sterker nog, die hele duurzame-inzetbaarheidsagenda is
gezamenlijk tot stand gekomen. Ik heb altijd geleerd: als ik een
toezegging doe, dan moet ik daar ook weer schriftelijk iets over zeggen.
Maar dit is iets waar we al volop mee bezig zijn. Het is een ongoing
gesprek, zeg maar, en een gezamenlijke inspanning. Aan de
duurzame-inzetbaarheidsagenda, waar we afgelopen dinsdag over hebben
gesproken en die we naar buiten hebben gebracht, zijn al heel veel
gesprekken en voorwerk voorafgegaan. maar ik wil het best nog een keer
onder de aandacht brengen.
De heer Neijenhuis had een vraag over het traject wettelijke borging
RVU: welke varianten worden onderzocht en hoe wordt de Kamer hierbij
betrokken? Er is een technische werkgroep gestart met medewerkers van
het ministerie van SZW, Financiën en de sociale partners. Die onderzoekt
de mogelijkheden voor betere borging. Daarbij zijn ook ervaringen met de
huidige situatie van belang. Voor de zomer zal de Kamer hier nader over
geïnformeerd worden.
De heer Neijenhuis vroeg ook naar het feit dat mensen met een laag
inkomen weinig gebruikmaken van de RVU en naar wat er nu concreet
verandert om dit te verbeteren. In het akkoord zijn daar afspraken over
gemaakt. Bij werknemers in knellende situaties kan de werkgever bovenop
de basis-RVU-uitkering €300 bruto per maand extra meegeven. Cao-partijen
maken zelf de afweging of ze hier gebruik van maken.
Voorzitter. Dan ga ik door met blokje drie.
De voorzitter:
Voordat u dat doet, is er nog een vraag van de heer Neijenhuis.
De heer Neijenhuis (D66):
Mijn zorg zat er een beetje in dat, als je kijkt naar welke mensen
vooral gebruikmaken van de RVU-regelingen zoals die er nu zijn, je ziet
dat dat vaak de hoge middeninkomens zijn. Dat zijn waarschijnlijk mensen
die het van harte verdienen, maar ik maak me dan toch ook wel zorgen om
juist de mensen met een laag inkomen. Daar zitten toch ook heel veel
kwetsbare mensen. Alleen het aanbieden van €300 extra kan in sommige
gevallen natuurlijk echt wel tot hulp zijn, maar ik weet niet of dat de
doorslag gaat geven om ervoor te zorgen dat je met die regeling ook echt
de lage inkomens bereikt. Ik zou dus toch de minister willen vragen om
iets breder te kijken naar oplossingen voor dit probleem.
Minister Paul:
Ik begrijp de zorg. In de nieuwe DI-agenda is ook nadrukkelijk aandacht
voor de groep waar de heer Neijenhuis het over heeft. Daarmee willen we
juist de mensen ondersteunen die zwaar fysiek werk verrichten. We weten
dat een groot deel van de mensen die daar misschien voor in aanmerking
zouden willen of moeten komen, maar die nu niet bereikt worden onder
andere in het mkb zit. Er zit in die DI-agenda dus ook extra aandacht
voor mkb-bedrijven.
De heer Neijenhuis (D66):
Nog één vervolgvraag. Dit klinkt in ieder geval wat positiever. In de
DI-agenda staat nog niet heel veel concreets. Ik zou dus een toezegging
willen krijgen dat we hier als Kamer nader over geïnformeerd worden,
misschien voor de zomer. Misschien kan er dan in de komende maanden iets
beter en breder geïnventariseerd worden wat voor concrete zaken er
zouden kunnen gebeuren om ervoor te zorgen dat deze groep meer gebruik
gaat maken van deze regeling.
Minister Paul:
Ja, dat gaan we doen.
Voorzitter. De AOW vormt de basis van de oudedagsvoorziening. Met de AOW
zorgen we ervoor dat alle ouderen een goede financiële basis hebben.
Vanwege de vergrijzing is de AOW-leeftijd gekoppeld aan de
levensverwachting. De huidige 2/3-koppeling komt uit het
pensioenakkoord, dat in 2019 met de sociale partners is gesloten.
Hiermee geniet de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd ook brede
steun in de polder. In de toekomst kunnen er nog stappen worden gezet in
vereenvoudiging. Dat kan bijvoorbeeld door de introductie van een
objectief partnerbegrip. Dit maakt de AOW voor mensen duidelijker en
voorspelbaarder. Het brengt ook voordelen voor de woningmarkt en
mantelzorg met zich mee. Hier heb ik uw Kamer over geïnformeerd. Het is
aan het volgende kabinet om hier verdere stappen in te zetten. De heer
Vermeer, de heer Mulder en de heer Dijk hebben hier vragen over gesteld.
Ik ga mijn best doen om die vragen zo goed mogelijk te
beantwoorden.
De heer Mulder stelde een vraag over het objectief partnerbegrip. Hij
vroeg of het mogelijk is dat dit alleen geldt voor ouderen die een groot
deel van hun leven in Nederland hebben gewoond en zei dat er geen link
moet zijn met de AIO. De AOW is een volksverzekering waarbij je
volledige verzekering opbouwt als je 50 jaar in Nederland woont of
werkt. Met elk gemist jaar valt de AOW-opbouw 2% lager uit. De
aanvullende inkomensondersteuning ouderen, waar de heer Mulder aan
refereerde, is er voor AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW die
onder het sociaal minimum terechtkomen. Dit vangnet is van belang om te
voorkomen dat ook deze ouderen onder het sociaal minimum uitkomen. Als
het objectief partnerbegrip in de AOW wordt ingevoerd, geldt dit voor
alle AOW-gerechtigden en dus ook voor degenen met een AIO-uitkering.
Anders ontstaat er een risico op ongelijke behandeling. Voor de
AIO-uitkering zelf geldt het regime van de Participatiewet. De AIO bevat
ook een inkomens- en vermogenstoets. Een objectief partnerbegrip in de
AOW verandert daar verder niks aan.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Mag ik, om ingewikkelde discussies te voorkomen en vanwege het simpele
feit dat ik nog maar één interruptie heb, de minister vragen om een
aantal scenario's? Hoeveel AOW krijgt iemand die bijvoorbeeld 40 jaar in
Nederland heeft gewerkt, en hoeveel AOW krijgt iemand die 62 jaar was
toen diegene het land binnenkwam? Als ze allebei 67 jaar of 68 jaar
zijn, wat krijgen ze dan per maand? Is het mogelijk voor de minister om
dat uit te werken?
Minister Paul:
Ja, dat is mogelijk. Dat gaan we doen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Wordt dat dan niet alleen vanuit de AOW geredeneerd? Ik heb eerder een
discussie met uw ambtenaren gehad, die toen zeiden: iemand die 62 is,
krijgt maar 6%. Maar dat wordt aangevuld met de AIO vanuit de
Participatiewet. Wat zijn dan samen de bedragen?
Minister Paul:
Ja, dat gaan we doen.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Oké, dank u wel.
Minister Paul:
Een vraag van de heer Vermeer: wanneer komt er een voorstel om
samenwonen aantrekkelijker te maken? Of nou, dat ging over het objectief
partnerbegrip. Samenwonen hangt ervan af, denk ik. Het draagt er in
ieder geval aan bij dat samenwonen aantrekkelijker wordt gemaakt. Het is
aan een volgend kabinet om hierover een besluit te nemen, dus ik ga daar
geen verdere stappen in zetten.
De heer Mulder vroeg wat ik ervan vind dat de AOW-leeftijd in andere
landen veel lager is. Landen in Europa gaan over hun eigen
pensioenvoorziening. Het klopt dat er verschillen bestaan tussen landen.
De pensioenstelsels van andere landen neem ik aan voor wat ze zijn. Die
ga ik verder niet recenseren. Ik heb mijn handen vol aan het eigen
pensioenstelsel.
De heer Vermeer stelde een vraag naar onderzoek naar de optie om de AOW
vrijwillig eerder of later te laten ingaan. Het ontvangen van een
AOW-uitkering vormt nu geen belemmering om door te werken na de
AOW-gerechtigde leeftijd. Voor mensen met zwaar werk die niet gezond
kunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd bestaat er de RVU-regeling. Het
flexibiliseren van de AOW geeft, zeg ik in alle eerlijkheid, heel veel
complexiteit in de uitvoering. Voor de SVB is het ingewikkeld om deze
aanpassing te doen. "Ingewikkeld" is, denk ik, een understatement.
Meerdere partijen hebben in het verleden onderzoek gedaan naar de
zogenaamde flexibele AOW. Daar nog extra onderzoek naar doen, voegt
volgens mij weinig toe. Het stuit gewoon op heel veel
uitvoeringsproblemen.
De heer Dijk stelde mij een vraag over een groep van ongeveer 5.000
mensen voor wie geldt dat ze een AOW/AOV-gat hebben tussen hun 65ste en
67ste jaar. Waarom heeft het kabinet het SP-voorstel hierover niet
uitgevoerd? Op 15 april 2025 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat
het niet mogelijk is om een eenmalige tegemoetkoming te treffen alleen
voor de arbeidsongeschikte zzp'ers die hun AOV-uitkering al voor 2013
ontvingen. Dit zijn inderdaad de 5.000 mensen aan wie de heer Dijk
refereert. Het ministerie heeft uitgebreid onderzocht of er een
objectief criterium bestaat om de groep arbeidsongeschikte zzp'ers die
gebruikmaken van de tijdelijke overbruggingsregeling met een eenmalige
tegemoetkoming gunstiger te behandelen dan andere groepen die ook onder
de OBR, die tijdelijke overbruggingsregeling, vielen. Er is geen
objectieve rechtvaardiging om deze groep anders te behandelen dan andere
groepen die van de OBR gebruikmaken, zoals mensen met een VUT-uitkering
of een private nabestaandenuitkering. De conclusie van de brief van 15
april blijft hetzelfde. De toelichting is ook niet anders.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik heb dat natuurlijk gelezen, en ik ben het er niet mee eens. Dat kan,
hè? Heel veel juristen hebben hier ook andere meningen over. Die hebben
wij ook geraadpleegd. Wat me dan bevreemdt, is wat ik net ook in mijn
betoog zei. Wij doen een voorstel. Het kabinet zegt: dat kan niet. Oké,
maar vervolgens komt het kabinet met niks anders, voor een groep mensen
die precies gedaan hebben wat er van hen verwacht werd. Ze hebben exact
gedaan wat de overheid van hen vraagt en worden daar nu eigenlijk gewoon
op gepakt. Dan verwacht ik van de minister en het kabinet, zoals ik net
in mijn interruptie ook zei, dat ze aan de kant van mensen gaan staan en
wel met een oplossing komen. Ik dacht er nu een kabinet gaat komen dat
zegt dat het wél kan. Laat maar zien dat het kan! 5.000 mensen hebben
precies gedaan wat er van hen verwacht werd, maar ze worden
tekortgedaan. Dan moet de overheid dat nu gaan oplossen, want die heeft
het zelf veroorzaakt.
Minister Paul:
Het spijt me, maar mijn antwoord is niet anders dan het antwoord dat ik
net gaf. Dat heeft er ook alles mee te maken dat die groep niet
objectief af te bakenen is. Het spijt me.
De voorzitter:
De heer Dijk met zijn laatste interruptie.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het kabinet, dus de politiek, verandert de spelregels. Mensen zijn
daarvan de dupe. De conclusie van het verhaal is dan eigenlijk dat u
mensen in de ellende heeft gebracht, maar vervolgens zegt: succes ermee,
want ik ga er niet over, en kan er niks aan doen omdat de groep zo
moeilijk af te bakenen is. Dit komt op heel veel verschillende plekken
voor. Het kan toch niet zo zijn dat mensen precies hebben gedaan wat er
van hen verwacht wordt, maar de overheid, die zelf fouten maakt,
vervolgens zegt: zoek het maar uit? Het zou eigenlijk meteen een reden
zijn om te zeggen: ga dan maar iets anders doen, mevrouw de minister
...
De voorzitter:
Kunt u tot een vraag komen?
De heer Jimmy Dijk (SP):
Het zou voor mij meteen een reden zijn om te zeggen: dan zit u niet op
de goeie plek, want u doet er niet alles aan om uw eigen fouten te
herstellen.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Paul:
Waarvan akte.
Ik ga door met het blokje overig. Wat is de laatste stand van zaken van
de rechterlijke uitspraak over de btw-premies op uitkeringen? Dat was
een vraag van de heer Ceulemans. Ondanks de uitspraken zijn er op dit
moment geen praktische gevolgen voor de uitvoering van de
pensioentransitie. In afwachting van het arrest in een soortgelijke
zaak, waarin de Belastingdienst in het gelijk is gesteld, die nu bij de
Hoge Raad ligt, blijft de Belastingdienst bij het standpunt dat er
sprake is van een vrijgestelde verzekeringsdienst, en daarmee van een
volledige btw-vrijgestelde pensioenpremie. Dit betekent dat de huidige
praktijk vooralsnog gehandhaafd blijft. De staatssecretaris van
Financiën heeft dit standpunt ook kenbaar gemaakt in een publicatie op
de site van de Rijksoverheid. Dat is de stand van zaken.
De voorzitter:
Mag ik mezelf het woord geven voor een verduidelijkende vraag? Dat was
mij bekend, net als de reactie van de staatssecretaris. Het punt is
natuurlijk wel dat die onzekerheid in de lucht blijft hangen zolang die
cassatie loopt en er geen duidelijkheid over is. Heeft de minister een
indicatie van wanneer die duidelijkheid wel te geven valt?
Minister Paul:
Nee, dat weet ik niet. Dat hangt van de Hoge Raad af.
Mevrouw Van Brenk stelde de vraag wat ik vind van het advies van het
ACOI, het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding. Op basis
van dat advies zal SZW een nieuw besluit nemen, waarin aandacht wordt
besteed aan de nieuwe jurisprudentie. SZW zal gemotiveerd ingaan op het
advies van het adviescollege. Dit is conform rijksbrede afspraken over
de omgang met adviezen van het adviescollege. Uw Kamer ontvangt dit
voorjaar een afschrift van dit nieuwe besluit. Voor de goede orde wil ik
wel benadrukken dat het adviescollege niet tot de conclusie komt dat SZW
de adviezen onterecht geweigerd heeft. Het adviescollege benoemt in het
advies zelfs het aannemelijk te achten dat de weigering standhoudt bij
de rechter. Maar dat advies ligt er, dus wij zullen met een nieuw
besluit moeten komen. Zo simpel is het.
Mevrouw Van Brenk stelt verder een vraag over de casus Johnson &
Johnson als het gaat om de overgang naar het nieuwe stelsel. Ik heb
begrepen dat het pensioen de afgelopen jaren niet geïndexeerd is,
ondanks de hoge dekkingsgraden. Ik kan helaas in dergelijke individuele
situaties geen sluitend antwoord geven. Het aanvullend pensioen is een
arbeidsvoorwaarde. Werknemers en werkgevers maken daar afspraken over,
ook over zaken als indexatieambitie en de vereiste premie. Die vrijheid
hebben ze. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn onderworpen
aan de financiële regels die dáár gelden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik
geen signalen heb gekregen dat daar iets is gebeurd wat niet volgens de
Belgische regels of de regels van de Belgische toezichthouder was.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Er zullen hier vast mensen van Johnson & Johnson zitten die op dit
moment zwaar teleurgesteld zijn. De vraag is of dit betekent dat
Amerikaanse bedrijven op deze manier zaken kunnen doen. Dan heb ik het
over het feit dat ze naar België kunnen vluchten en dan nooit meer
hoeven uit te keren. Wat gebeurt er nu? Dit fonds gaat absoluut nooit
dat geld invaren; dat snapt iedereen. Dat geld staat daar namelijk
prima; daar hoeven ze nooit meer aan te komen. De deelnemers kunnen daar
dus naar fluiten. Maar wat betekent dit nu voor alle huidige werknemers
van Johnson & Johnson die straks ook naar de Wtp over moeten gaan?
Gaan die dan ook naar België? Hebben we daar dan ook geen toezicht meer
op? Ik zou graag willen dat de minister zich hier eens in verdiept, of
in ieder geval haar ambtenaren. In mijn beleving kan dit een trend
zetten die we echt niet moeten willen met z'n allen. We hebben hier
steeds meer te maken met overnames door Amerikaanse bedrijven; misschien
geldt dit straks ook voor een hele keten van tandartsen of weet ik veel
wat. Laten we dat in godsnaam niet doen.
Minister Paul:
Sowieso is het goed om aan te geven dat overdracht naar het buitenland
niet zomaar kan gebeuren: daarvoor moet er instemming van twee derde van
de deelnemers zijn. Dat was het geval; op basis daarvan is het
overgedragen. Ik vind het natuurlijk ontzettend spijtig voor de
deelnemers, ook voor de mensen die de moeite hebben genomen om
hiernaartoe te komen. Ik snap de teleurstelling. Deelnemers van Johnson
& Johnson kunnen bij een onafhankelijke geschillencommissie hun
klacht voorleggen. Dan heb ik het over een geschilleninstantie in
Nederland, dus niet in België. Dat is een laagdrempelige procedure. Er
is ook een bemiddelingsprocedure mogelijk. We kunnen er in ieder geval
voor zorgen dat die informatie beschikbaar komt. Dat zullen we ook doen.
Ik denk dat het goed is om dat in ieder geval te regelen.
De voorzitter:
Dan heeft mevrouw Patijn ook nog een interruptie. Althans, die heeft er
nog … Ja, dat kan nog.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ja, toch? Ik had nog niet zo veel gezegd in deze ronde. Volgens mij is
een onderdeel van het probleem bij Johnson & Johnson het feit dat de
transparantie heel beperkt is. Er is dus eigenlijk heel weinig inzicht
wat betreft hoe het nou zit met dat geld. Dat geldt voor meer
pensioenfondsen van Amerikaanse bedrijven. Is het mogelijk om wat meer
inzicht te krijgen in hoe dat op dit moment juist met die Amerikaanse
bedrijven gaat, omdat die aan speciale boekhoudregels moeten voldoen?
Kunnen we niet kijken of er misschien toch wat meer regels voor die
fondsen kunnen komen over transparantie?
Minister Paul:
Als een Amerikaans bedrijf, of welk bedrijf dan ook, in Nederland
gevestigd is, dan is het gehouden aan de transparantieregels die hier
gelden. Het maakt niet uit wat de origine van het bedrijf is. Die moeten
zich aan de regels hier houden. Nu ben ik het tweede deel van de vraag
kwijt, sorry.
De voorzitter:
Kan mevrouw Patijn dat even herhalen?
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Ook gezien de boekhoudregels voor Amerikaanse bedrijven, die regelingen
en transparantie heel ingewikkeld maken, zou het fijn zijn om hier wat
meer inzicht in te krijgen. Hoe zou dit verbeterd kunnen worden, zodat
de positie van de pensioengerechtigden uiteindelijk wat beter
gewaarborgd is?
Minister Paul:
Ik kan in ieder geval het volgende doen, ook al kan ik hier niet
een-twee-drie een hapklaar antwoord op geven. Ik kan navragen bij DNB
wat er eventueel gedaan kan worden om hier strakker zicht op te houden.
Dat zullen we gaan doen.
Dan ga ik naar een vraag van mevrouw Van Ark over faillissementen.
Mevrouw Van Ark stipte aan dat werkgevers zich moeten melden bij het
UWV. Haar vraag was ook naar aanleiding van een uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep. Ik heb begrepen dat de uitspraken in hoger
beroep op 19 februari plaatsvinden. Zolang dit onder de rechter is, is
het niet aan mij om hierop in te gaan. Ik wil wel aangeven dat het in
het belang van alle deelnemers aan een pensioenfonds is dat die premies
gewoon betaald blijven. Ik ben al een tijdje in gesprek met zowel de
Pensioenfederatie als het UWV om de mogelijkheden, beperkingen en
proportionaliteit van een eventuele wetswijzing waarmee pensioenfondsen
zelf namens de werknemer een aanvraag mogen doen, te verkennen. Dan zou
die zorg uit handen worden genomen en zou dit op een andere manier
getackeld worden. Ik snap die zorg namelijk. Wij hebben daar deze week
zelfs nog over gesproken met verschillende partijen uit de
pensioensector en met het UWV. Deze optie wordt nu concreet verder
uitgewerkt. Ik denk niet dat ik het besluit daarover zelf nog zal kunnen
nemen, omdat dit aan een volgend kabinet is. Wij doen echter wel het
huiswerk dat nodig is om hierover een besluit te kunnen nemen en daarmee
de werknemer te ontzorgen.
Dat was 'm, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, u bent door uw interrupties heen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Maar mijn vraag is niet beantwoord. Ik heb ook pas vijf interrupties
gehad.
De voorzitter:
U heeft er zes gehad, zie ik hier op het notitieblok. Maar als er een
vraag niet beantwoord is …
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Die is niet beantwoord.
De voorzitter:
Ik hoor meneer Dijk zeggen dat hij dit mooi vindt, omdat hij dan ook nog
drie onbeantwoorde vragen heeft. Kijk, hier was ik dus bang voor! Als er
één vraag nog niet is beantwoord, dan heeft mevrouw Van Brenk het recht
om die nog eventjes te herhalen, maar als er nu meer handen omhooggaan,
dan wil ik die vragen toch naar de tweede termijn doorschuiven. Ik zie
de heer Vermeer namelijk ook al verlekkerd kijken.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had een vraag gesteld over leeftijdsdiscriminatie. Ik vroeg of de
minister ook vond dat daar sprake van was. Die zit 'm met name in de
standaardmethode: die maakt onderscheid op grond van leeftijd. Theo
Gommer, van Gommer Advocaten, had een mooi betoog waarin hij aangaf dat
het niet is toegestaan om onderscheid te maken op grond van leeftijd bij
arbeid. Aangezien pensioen een arbeidsvoorwaarde is, kan dit dus niet.
Hier heb ik nog geen antwoord op gehad.
Minister Paul:
Ik heb daar wel antwoord op gegeven. Die vraag ging over die spreiding,
toch? Mevrouw Van Brenk voegde daar nog vrij cynisch aan toe: hopen ze
nou dat mensen tegen die tijd overleden zijn? Dat is niet zo. Ik heb
daar volgens mij vrij uitgebreid antwoord op gegeven. Ik kan het
antwoord nu zo een-twee-drie ook niet terugvinden. Ik ga zo meteen
zoeken, zodat ik het in tweede termijn eventueel kan herhalen, maar ik
weet vrijwel zeker dat ik daar antwoord op heb gegeven.
De voorzitter:
Dan rond ik hierbij de eerste termijn van de minister af. Dank voor de
beantwoording.
We gaan over naar de tweede termijn. Gelet op de tijd, vraag ik de leden
of zij het redden om hun tweede termijn in een minuut te doen. Ik zie
geknik.
Dan krijgt de heer Mulder van de PVV als eerste het woord.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Ik win vandaag, want ik ben de snelste: ik heb geen bijdrage en vraag
alleen maar een tweeminutendebat aan, met daarin allemaal mooie moties
naar aanleiding van dit debat.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik heb nog één punt, over het bijzonder
nabestaandenpensioen. Ik begrijp dat er op het moment van scheiden iets
is met de voorgaande partner en na scheiden met de andere partner; het
ABP past een formule toe met een datum ná de scheidingsdatum, waardoor
één van de partijen … Nou ja, kortom: ik heb hier een brief liggen. Als
de minister die wil hebben, zou dat schelen. Maar volgens mij doet het
ABP iets niet correct. Daar gaat het om.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Patijn, GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, u geeft ons maar een minuut, maar ik wilde echt nog wel een
aantal dingen inbrengen. Ik heb een vraag ten aanzien van wat ik maar
even "het compensatiegat" noem, dat op allerlei manieren ontstaat. Ik
zou het heel fijn vinden als we daar een brief over kunnen krijgen. Dat
betreft zowel de mogelijkheid van de dubbele voortzetting, dus de
dubbele pensioenopbouw — die zou mogelijk kunnen — en wat daar de
fiscale ruimte in is, als een onderzoek naar de mogelijkheid om
dwingender vast te leggen dat mensen vrijwillige voortzetting kunnen
hebben. Ik begrijp dat de vrijwillige voortzetting er in sommige
gevallen helemaal niet toe leidt dat je ook compensatie krijgt, want
sommige sluiten dan de compensatieregeling weer uit, ondanks de
voortgang. Daar zou ik dus graag nog een stap in zien. Daar zou ik graag
een brief over krijgen. Ook zou het fijn zijn als daarover in overleg
getreden wordt met de sociale partners. AFM roept daar volgens mij ook
toe op.
Dan ten aanzien van de verzekerde regeling. Ik zou heel graag in de
voortgangsbrief nog wat meer horen over wat er aan extra maatregelen
getroffen kan worden in de communicatie, niet alleen over wat er
gebeurt, maar ook over de accountant. Ik hoor de minister zeggen dat er
sprake is van aansprakelijkheid als werkgevers nalatig blijken te zijn.
Ik zou het fijn vinden als daar ook over gecommuniceerd zou
worden.
Dan als laatste. Sorry, voorzitter, ik bedacht dit me ineens. Het is
heel fijn om te horen dat nu in ieder geval duidelijk is dat 01-07-2026
'm niet meer gaat worden. Ik zou er ook op willen aandringen dat er in
een overdrachtsdossier voor de volgende minister of iets dergelijks ook
op wordt aangedrongen dat dit heel snel wordt opgepakt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Ark, CDA.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Laat ik beginnen door te zeggen dat ik de brief over de
compensatieregeling die mevrouw Patijn vraagt, steun. Ik denk dat het
goed is om even te kijken naar de verschillende situaties waarin mensen
zich nu bevinden. Je hebt mensen die zich nu al voor een fait accompli
gesteld zien. Zij hebben eigenlijk überhaupt geen keuze om vrijwillig
voort te zetten. Je hebt ook mensen die wel een keuze hadden gehad, als
ze beter waren geïnformeerd. Volgens mij heeft de AFM ook gezegd dat de
informatie een beetje laat op gang is gekomen, zo in november à
december. Als je net van baan bent veranderd, ben je dan eigenlijk al
een beetje te laat. Het lijkt me dus goed om even naar de verschillende
situaties en de verschillende groepen te kijken. Wat is er nog mogelijk
om dit probleem aan te pakken?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Dijk, SP.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het viel mij in de eerste termijn van de Kamer
op dat er best een roep is om meer democratie en meer zeggenschap over
fondsen. Ik heb een opzienbarende discussie gehoord over foute
windmolens. Ik vind ze ook niet mooi, maar om ze nou fout te noemen,
vind ik ook weer een beetje flauw, jongens! Ze zijn gewoon niet mooi,
maar dat is wat anders. Het zegt wel iets over de betrokkenheid dat we
vinden dat er meer zeggenschap over moet komen.
Het is me niet meer gelukt om in de eerste termijn te interrumperen over
Johnson & Johnson. Ik wil eigenlijk gewoon van de minister horen of
ze dit gewenst vindt of niet. Zo niet, wat zou de politiek er mogelijk
aan kunnen doen? Ik vind het namelijk een nogal absurde situatie dat een
fonds verhuist naar het buitenland om vervolgens werknemers in Nederland
— het gaat hier om 3.850 Nederlandse werknemers — uit te knijpen. Ik
denk dat niemand dat wil. Dat moeten we vanaf nu dus voorkomen. We
moeten regels gaan opstellen voor als mensen zich niet gedragen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Vermeer van de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel. Naar die antwoorden over Johnson & Johnson ben ik ook
zeer benieuwd. Het is een interessante casus, maar het is niet fijn voor
die mensen, want je wil helemaal niet interessant zijn. Je wil namelijk
geen casus zijn. Maar dat terzijde.
Ik mocht net niet meer interrumperen, dus ik moet het op deze manier
doen. Ik had het volgende gevraagd. In het geval van het Pensioenfonds
Zorg & Welzijn oordeelde de rechter dat een berekening niet geleverd
hoefde te worden. De minister zegt dat verschillen moeten worden
toegelicht. Maar als je de toegelichte verschillen niet kunt
controleren, dan zit er toch iets scheef in het systeem. Is de minister
dat met me eens? Wat kunnen we hieraan doen? Blijkbaar is het verhaal
niet duidelijk genoeg voor de fondsen en beweegt dat de rechters ertoe
te zeggen dat het niet hoeft zoals het beschreven is. Wat is de
eerstvolgende wet die naar de Kamer komt waarbij we ergens een haakje
hebben om dit verhaal te wijzigen? Dat zou ik heel graag willen weten.
Dit kan namelijk nooit de bedoeling zijn. Het gaat over geld dat door
mensen is ingelegd. Daar hoort gewoon een nette verantwoording
bij.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Neijenhuis van D66.
De heer Neijenhuis (D66):
Dank voor alle antwoorden en de toezeggingen op de punten die ik heb
aangedragen. Ik wil één punt nog even nader noemen: het "bedrag ineens",
waar we het over hebben gehad. Het is jammer dat het weer uitgesteld
gaat worden, maar dank voor de duidelijkheid. Ik wil daarover het
volgende vragen. Het wordt nu nog één keer uitgesteld, maar zorg ervoor
dat er daarna echt één duidelijke datum komt waarop het in één keer goed
zal gebeuren, zodat we dit niet nog meerdere keren hoeven uit te
stellen. Ik doe die oproep, maar ik heb wel begrip voor de minister, die
zegt dat ze zo'n grote beslissing niet meer gaat nemen in
blessuretijd.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer De Kort van de VVD.
De heer De Kort (VVD):
Dank, voorzitter. Aansluitend op mijn collega: ook in blessuretijd kun
je nog scoren. Helaas is dat mijn club, PSV, afgelopen woensdag niet
gelukt. Ik zou de minister willen meegeven dat zij in de blessuretijd de
wet voor het bedrag ineens echt aandacht geeft tijdens de overdracht. We
vinden het namelijk heel jammer dat er weer vertraging wordt opgelopen.
Ik dank de minister voor de beantwoording en de collega's voor het
debat. Ik ben blij met de toezegging dat de kwartaalmonitoring van de
verzekerdenregeling plaatsvindt en dat daar in de volgende
voortgangsrapportage meer aandacht aan wordt besteed.
Tot zover mijn bijdrage.
Voorzitter: De Kort
De voorzitter:
Dan geef ik de heer Ceulemans namens JA21 het woord.
De heer Ceulemans (JA21):
Hartelijk dank. Dit gaat heel efficiënt. Dank voor de beantwoording in
de eerste termijn. Ik denk dat het goed is dat de minister heeft erkend
dat de communicatie over de 14% naar buiten achteraf gezien beter anders
had gekund, ook gezien de onrust die daardoor is ontstaan. Dat nemen we
mee. Ik sluit me aan bij de teleurstelling over het bedrag ineens en het
verdere uitstel daarvan, gezien het belang dat onze fractie hieraan
hecht. Hopelijk gaat dat alsnog zo snel mogelijk uitgevoerd
worden.
Er blijven zorgen bij ons over de communicatie naar 40-plussers over de
compensatieregeling. Dat zullen wij ook meenemen in het
tweeminutendebat, evenals het punt over de activistische beleggingen.
Daar houd ik ook een onbevredigend gevoel aan over. Dat nemen we dus ook
mee.
Daarmee rond ik af.
Voorzitter: Ceulemans
De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister. O, zij heeft eerst vijf minuten de
tijd om haar antwoorden voor te bereiden.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. De minister is klaar voor haar beantwoording
in tweede termijn. Ik verzoek om stilte op de tribune. Ik geef de
minister het woord voor de beantwoording in tweede termijn.
Minister Paul:
Voorzitter, dank. Dank aan de leden voor hun inbreng. Ik ga nog een paar
openstaande punten behandelen. Mevrouw Van Brenk kaartte de brief van
ABP aan. Ik zou willen vragen of we dat buiten de vergadering kunnen
delen. Dan gaan we kijken wat we daarmee kunnen doen.
Mevrouw Patijn had een aantal vragen. Eentje ging over de
compensatieregeling. Daar ging ook een vraag van mevrouw Van Ark over.
Zij vroeg om een brief met daarin de verschillende situaties
gespecificeerd. Die brief gaan we maken. Die komt in het voorjaar naar
de Kamer.
Dan over de verzekerdenregeling. De vraag was om dat goed in de gaten te
houden. Dat doen we. We zullen rapporteren over de voortgang in de
rapportage die nog voor de zomer naar de Kamer gaat. Ik heb in het debat
een hele reeks maatregelen genoemd, waarvan een deel nog niet zo lang is
opgestart en ontplooid. Daarmee willen we echt meters maken. Als binnen
nu en een paar maanden blijkt dat meer nodig is, dan gaan we dat
uiteraard doen.
Er was een vraag over de aansprakelijkheid van werkgevers. De vraag was
om dat te communiceren. Dat doen we. Dat doen we bijvoorbeeld al in
gesprekken met accountants. We doen dat in bredere communicatie op sites
en via andere kanalen. Dat zullen we blijven doen.
Dan de vraag over het "bedrag ineens". Volgens mij had mevrouw Patijn
daar een vraag over, maar de leden Neijenhuis, De Kort en Ceulemans
hebben dat ook aangestipt. Ik zou daarover willen zeggen dat ik in ieder
geval mijn best doe om in de overdracht de urgentie van dit thema te
benadrukken. We hebben nu in ieder geval iets van duidelijkheid, in de
zin van: het gaat niet door per 1 juli '26. Vervolgens vragen we het
nieuwe kabinet om zo snel mogelijk met een nieuwe, definitieve datum te
komen. Ik zal die urgentie inderdaad overbrengen.
De heer Dijk vroeg mij naar de situatie bij Johnson & Johnson. In
het verlengde daarvan deed hij het verzoek om overdracht van pensioenen
naar het buitenland te verbieden. Dat was de expliciete vraag. Het punt
is dat ik dat op basis van Europese wetgeving niet kan verbieden. Er
zijn Europese richtlijnen die juist zeggen dat je nationaal geen
obstakels mag opwerpen om dat te doen. Tegelijkertijd geldt ook dat
wanneer je dat doet, daar wel regels aan verbonden zijn. Ik noemde
bijvoorbeeld even de tweederde-instemming van deelnemers, maar zo zijn
er meer regels. Die moeten in acht genomen worden. Dat vind ik ook wel
belangrijk om te zeggen. Maar ik kan het dus niet verbieden.
De heer Vermeer had een vraag over het beter kunnen controleren van
gegevens. Hij vroeg wanneer de eerstvolgende wet komt waarin we daar
werk van kunnen maken. De eerstvolgende wet over pensioenen komt in het
voorjaar naar de Kamer. Dan zou de heer Vermeer daar eventueel iets mee
kunnen doen.
Ik kijk nog even … De heer Neijenhuis … Nee, dat ging over het bedrag
ineens. Die heb ik beantwoord.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is één verhelderende vraag van de heer Dijk en één van
mevrouw Van Ark.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Kort, voorzitter. Dank voor het antwoord op de vraag over het
verplaatsen van een fonds. Europese regels zouden het onmogelijk maken
om dat te verbieden. De minister geeft wel aan dat daar nu voorwaarden
aan gesteld worden. Blijkbaar is het mogelijk dat die voorwaarden op de
een of andere manier kunnen leiden tot dit soort problemen. Die
voorwaarden zijn vanuit ons dus niet scherp genoeg gesteld. Ik vraag de
minister of zij voorbeelden kan geven van voorwaarden die we kunnen
aanscherpen om dit soort problemen in de toekomst te voorkomen.
Minister Paul:
De EU-lidstaten zijn nu bezig met een richtlijn voor voorwaarden van de
overdracht naar andere landen. Nederland maakt deel uit van de
onderhandelingen. Daar komt het dus in eerste instantie op tafel. Dat
komt dan ook naar de Kamer. In het voorjaar wordt de Kamer betrokken bij
de nadere voorwaarden die gesteld worden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Ark heeft nog een verhelderende vraag.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Ik heb een kleine toevoeging. Heel veel dank voor de toezegging aan
mevrouw Patijn over de brief. Ik had nog even aan moeten geven dat ik in
die brief ook graag aandacht wil zien voor de mantelzorg. Het gaat dan
om mensen die mantelzorgverlof, ouderschapsverlof of in die zin verlof
opnemen in het jaar voor invaren en daardoor dus minder compensatie
krijgen.
Minister Paul:
Even in algemene zin: het gaat dan om mensen die minder gaan werken in
het jaar voor invaren? Oké. Dat kunnen we erin meenemen.
De voorzitter:
Mevrouw Patijn heeft ook één verhelderende vraag. Daar houden we het
bij.
Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):
Sorry. Het gaat dus heel nadrukkelijk over alle groepen die benadeeld
worden in de compensatieregeling. Ik zou het heel fijn vinden als de
dubbele opbouw specifiek wordt genoemd in de brief. Dat heb ik niet
gehoord in het antwoord.
Minister Paul:
Dat nemen we daarin mee. Al ga ik er niet helemaal in mee dat … Nee,
laat maar. Het is goed. We nemen het erin mee.
De voorzitter:
Goed. Dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording in de
tweede termijn. Om te beginnen is er een tweeminutendebat aangevraagd
door de heer Mulder van de PVV. We zijn toegekomen aan de toezeggingen.
Die pakken we er even bij.
Aangaande de gevolgen van niet-tijdig omzetten zegt de minister toe vaker cijfers van verzekeraars en PPI's te delen met de Kamer en deze op te nemen in de volgende voortgangsrapportage.
De minister neemt de definitieve cijfers over pensioenstijgingen mee in de voortgangsrapportage van aankomende zomer.
Aan het lid Neijenhuis is de volgende toezegging gedaan De minister informeert de Kamer voor de zomer over acties die plaatsvinden en in de komende maanden geïnventariseerd worden om het relatieve gebruik van de RVU-regeling onder lage inkomens te vergroten.
Aan de heer Mulder is de volgende toezegging gedaan. De minister werkt aangaande de AIO verschillende scenario's uit en stuurt deze naar de Kamer.
De heer Edgar Mulder (PVV):
Is dat mogelijk voor het tweeminutendebat?
Minister Paul:
We werken voorbeelden uit en die komen naar de Kamer. Het hangt er een
beetje van af wanneer dat tweeminutendebat gepland wordt, maar we gaan
ons best doen om dat te doen. Dat moet lukken.
De voorzitter:
De volgende toezegging is gedaan aan de leden Patijn en Van Ark. De minister stuurt in het voorjaar een brief over het compensatiegat en de verschillende situaties. Ook de mantelzorg en de dubbele opbouw worden hierin meegenomen.
Dat waren de toezeggingen. Ik zie een vinger bij mevrouw Van
Ark.
Mevrouw Van Ark (CDA):
Volgens mij was er ook een toezegging gedaan om het signaal over het
pensioengevend inkomen door te geven aan de sociale partners.
Minister Paul:
Ja, aan de Stichting van de Arbeid.
De voorzitter:
Dat is geen formele toezegging, maar bij dezen wel toegezegd door de
minister. Dat gaat de minister doen. Oké. Dan zijn we aan het einde
gekomen van dit commissiedebat. Ik dank iedereen die dit debat gevolgd
heeft, de minister en haar team en de commissieleden. Ook dank ik de
griffier voor de ondersteuning. Ik sluit deze vergadering.
Sluiting 17.18 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|