Amendement van de leden Stultiens en Teunissen over het vervangen van de uitzonderingspositie voor vastgoed door een vermogensaanwasbelasting
Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)
Amendement
Nummer: 2026D05106, datum: 2026-02-03, bijgewerkt: 2026-02-03 15:38, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: L.C.J. Stultiens, Tweede Kamerlid (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: C. Teunissen, Tweede Kamerlid (PvdD)
Onderdeel van kamerstukdossier 36748 -30 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3).
Onderdeel van zaak 2026Z02228:
- Indiener: L.C.J. Stultiens, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: C. Teunissen, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (đ origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 748 | Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) | |
| Nr. 30 | AMENDEMENT VAN de leden stultiens en teunissen | |
| Ontvangen 3 februari 2026 | ||
| De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: | ||
I
In artikel I, onderdeel J, onder 1, vervalt â, 5.15â en wordt â5.19â vervangen door â5.7aâ.
II
In artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde artikel 5.3, onderdeel b, âonroerende zaken ofâ.
III
In artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.6 als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid vervallen de dubbele punt en onderdeel a. Voorts vervalt, onder verplaatsing van de tekst van onderdeel b naar het slot van de aanhef, de aanduiding âb.â voor onderdeel b.
2. Er worden vijf leden toegevoegd, luidende:
4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt bij een onroerende zaak de vastgoedbijtelling, bedoeld in artikel 5.7a, in aanmerking genomen in plaats van de reguliere voordelen, tenzij:
a. de onroerende zaak is verhuurd of verpacht gedurende de gehele of nagenoeg gehele periode in het kalenderjaar waarin de onroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is; of
b. het bedrag van de reguliere voordelen ter zake van de onroerende zaak in het kalenderjaar hoger is dan het bedrag van de vastgoedbijtelling.
5. Onder onroerende zaken worden mede begrepen zakelijke rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben.
6. Een onroerende zaak waarop een genotsrecht is gevestigd wordt voor de toepassing van het vierde lid gelijkgesteld met een onroerende zaak die is verhuurd, indien het genotsrecht tot gevolg heeft dat de onroerende zaak gedurende de looptijd van het genotsrecht niet door de belastingplichtige kan worden gebruikt.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen onroerende zaken die feitelijk niet geschikt zijn om in gebruik te nemen worden gelijkgesteld met onroerende zaken in aanbouw.
8. Onder reguliere voordelen die worden getrokken uit onroerende zaken worden niet verstaan voordelen die worden verkregen met het door de belastingplichtige, zijn partner of personen die tot hun huishouden behoren voor persoonlijke doeleinden gebruiken van onroerende zaken.
IV
In artikel I, onderdeel R, worden na het voorgestelde artikel 5.7, eerste lid, onderdeel a, twee onderdelen ingevoegd, luidende:
aa. huur;
ab. pacht;.
V
In artikel I, onderdeel R, worden na het voorgestelde artikel 5.7 twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 5.7a. Vastgoedbijtelling
1. De vastgoedbijtelling wordt gesteld op 3,35% van de waarde van de onroerende zaak.
2. Indien een onroerende zaak een gedeelte van het kalenderjaar tot de bezittingen behoort of een gedeelte van het kalenderjaar in aanbouw is, wordt de vastgoedbijtelling gesteld op 3,35% van de waarde van die onroerende zaak, gedeeld door het totale aantal dagen in het kalenderjaar en vermenigvuldigd met het aantal dagen in het kalenderjaar dat de onroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is. Indien een onroerende zaak het gehele kalenderjaar in aanbouw is, wordt de vastgoedbijtelling gesteld op nihil.
Artikel 5.7b. Waardering voor vastgoedbijtelling
1. De waarde, bedoeld in artikel 5.7a, van een onroerende zaak, niet zijnde een woning, is de waarde in het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar.
2. De waarde, bedoeld in artikel 5.7a, van een woning wordt gesteld op de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde voor het kalenderjaar. Indien de woning deel uitmaakt van een onroerende zaak die op grond van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken voor de toepassing van die wet als één object wordt aangemerkt, wordt de waarde van de woning voor de toepassing van de eerste zin gesteld op het gedeelte van de waarde van het object dat kan worden toegerekend aan die woning.
3. Indien met betrekking tot een woning het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, wordt de waarde van de woning bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 18 en 20, tweede lid, van die wet.
VI
In artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde opschrift van paragraaf 5.3.2 âmet onroerende zaken ofâ.
VII
In artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.15.
VIII
In artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.18, eerste lid, als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef vervalt âuit een onroerende zaak ofâ.
2. De onderdelen a en b vervallen.
IX
In artikel I, onderdeel R, vervallen de voorgestelde artikelen 5.19 en 5.20.
X
In artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.24 als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt âeen onroerende zaak of een deel daarvan ofâ. Voorts vervalt telkens âvan die onroerende zaak, van dat deel daarvan,â.
2. In het tweede lid vervalt âvan die onroerende zaak, van dat deel daarvan,â.
XI
In artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.25.
XII
In artikel I, onderdeel R, vervalt het voorgestelde artikel 5.31.
XIII
In artikel I, onderdeel R, wordt het voorgestelde artikel 5.37 als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervallen âonroerende zaken ofâ en âonroerende zaken,â.
2. In het tweede lid vervallen âde in het buitenland gelegen onroerende zaken ofâ en âonroerende zaken,â.
XIV
In artikel I, onderdeel R, vervalt in het voorgestelde artikel 5.38, eerste lid, â, 5.15â.
XV
In artikel I, onderdeel HH, wordt het voorgestelde artikel 10a.31 als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift vervalt âonroerende zaken enâ.
2. In het eerste lid vervalt âonroerende zaken als bedoeld in artikel 5.15 en voorâ.
3. De aanduiding â1.â voor het eerste lid vervalt.
4. Het tweede lid vervalt.
XVI
In artikel IV, onderdeel B, onder 1, wordt het voorgestelde tweeëntwintigste lid als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt âaandelen, winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpenâ vervangen door âaandelen of winstbewijzenâ en vervalt â5.15, eerste lid, onderdeel b,â. Voorts vervalt â5.31,â.
2. In onderdeel d vervalt âingeval voordelen die worden getrokken uit onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen die aan het uitstel ten grondslag liggen,â.
3. De aanduiding âd.â voor onderdeel d vervalt.
XVII
Artikel IV, onderdeel C, wordt als volgt gewijzigd:
1. Het voorgestelde negende lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de aanhef vervalt âonroerende zaken, rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen,â.
b. Onderdeel a vervalt.
c. In onderdeel c wordt âaandelen, winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpenâ vervangen door âaandelen of winstbewijzenâ.
2. In het voorgestelde tiende lid wordt âaandelen, winstbewijzen, onroerende zaken of rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpenâ vervangen door âaandelen of winstbewijzenâ.
XVIII
In artikel VII, onderdeel 3, wordt â10a.31, eerste en tweede lid,â vervangen door â10a.31â.
Toelichting
Dit amendement schrapt de uitzonderingspositie voor vastgoed in de Wet werkelijk rendement box 3. Het voorliggende wetsvoorstel gaat uit van een hoofdregel, namelijk het belasten van werkelijk rendement op basis van vermogensaanwas, waarop twee uitzonderingen worden gemaakt, voor vastgoed en voor aandelen in startups. Voor deze uitzonderingen geldt een vermogenswinstbelasting.
In de Tweede Kamer is uitvoerig gedebatteerd over de voor- en nadelen van een vermogensaanwas en een vermogenswinstbelasting. De indieners zijn van mening dat voor beide varianten veel te zeggen valt; zo heeft een vermogenswinstbelasting als voordeel dat het verrekenen van verliezen veel minder nodig is dan bij een vermogensaanwasbelasting. Een vermogensaanwasbelasting is echter beter uitvoerbaar voor zowel de Belastingdienst als de belastingplichtige, en biedt minder mogelijkheden tot belastinguitstel en uiteindelijk -afstel.
Het belangrijkste nadeel van een vermogenswinstbelasting is wat de indieners betreft echter de gigantische eenmalige derving. Omdat de huidige box 3-heffing de facto al een vermogensaanwasbelasting is (op basis van een forfaitair rendement), betekent de overstap van het huidige box 3-stelsel naar de heffing op werkelijk rendement dat een deel van de belastingheffing uitgesteld wordt. Dat komt doordat voor vastgoed en aandelen in startups voortaan een vermogenswinstbelasting geldt: waar de waardestijging van deze vermogensbestanddelen in het oude stelsel jaarlijks zou worden belast, wordt in het voorliggende voorstel de belastingheffing uitgesteld tot sprake is van realisatie, zoals verkoop.
Tijdens de parlementaire behandeling is gebleken dat door dit uitstel sprake is van een eenmalige derving die in de komende 30 jaar cumulatief zoân âŹ42 miljard euro bedraagt. Dat is meer dan het volledige Klimaatfonds, en twee keer het beoogde nieuwe stikstoffonds. Van dit bedrag kan de Lelylijn ongeveer drie keer gebouwd worden.
Over een langere periode gaat het om nog meer geld, omdat de voorgestelde vermogenswinstbelasting langer dan 30 jaar nodig heeft om in te groeien. Deze derving wordt niet in de toekomst ingelopen, omdat het vermogenswinstregime ervoor zorgt dat ook toekomstige belastinginkomsten worden uitgesteld; er is gedurende de hele periode dat de vermogenswinstbelasting wordt geheven in plaats van een vermogensaanwasbelasting sprake van belastinguitstel. In theorie gaat dat oneindig door, waardoor de derving nooit meer ingelopen wordt en de schatkist vele tientallen miljarden misloopt.
Tegelijkertijd is gebleken dat de uitzonderingspositie van vastgoed niet noodzakelijk is. De regering geeft immers aan dat âeen groot deel van deze belastingplichtigen aan de betalingsverplichting kunnen voldoen doordat het inkomen uit box 1 of box 2 toereikend is, of omdat zij spaargeld hebben of ander vermogen dat zonder kosten liquide gemaakt kan wordenâ. Daarnaast geeft de regering aan dat er verschillende mogelijkheden zijn voor betalingsregelingen, waardoor in de praktijk de problemen die zouden ontstaan door illiquiditeit zeer beperkt zullen zijn.
De indieners zijn daarom van mening dat het onverantwoord is om, op basis van vermeende illiquiditeit waarvoor geen directe aanwijzingen bestaan, over te gaan tot het zodanig uitstellen van belastingheffing dat een derving van vele tientallen miljarden ontstaat. Met name particuliere vastgoedbeleggers profiteren van deze wijziging, terwijl de staat minder geld beschikbaar heeft voor de grote uitdagingen van deze tijd.
De indieners stellen om deze reden voor de uitzondering voor vastgoed te laten vervallen, en in plaats daarvan de hoofdregel ook op vastgoed toe te passen. Daardoor wordt de jaarlijkse waardestijging van vastgoed ook jaarlijks belast via het vermogensaanwasregime. Voor aandelen in startups blijft de voorgestelde uitzondering behouden.
Budgettair
Dit amendement levert in de eerste negen jaar incidenteel ongeveer ⏠23,4 miljard op. Dat bedrag loopt op naar ⏠42 miljard in de eerste dertig jaar, en verder in de jaren daarna. Op de zeer lange termijn is de structurele opbrengst nihil, omdat dan alle onroerende zaken minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld. In de tabel hieronder is weergegeven om welk bedrag het per jaar gaat in de eerste negen jaar.
| Â | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | 2036 | struc |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| VAB voor vastgoed | 3538 | 3225 | 2925 | 2721 | 2506 | 2335 | 2176 | 2065 | 1925 | 533 |
De indieners stellen voor de opbrengst van dit amendement te besteden aan de grote uitdagingen waar Nederland voor staat. Te denken valt aan substantiële investeringen in woningbouw, infrastructuur en de energietransitie.
Stultiens
Teunissen