[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen (Kamerstuk 22112-4201)

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D05159, datum: 2026-02-03, bijgewerkt: 2026-02-03 18:12, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z02246:

Preview document (🔗 origineel)


VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG INZAKE BRIEF FICHE: Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen

II Reactie van de minister

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de PVV, VVD, CDA, JA21 en BBB ten aanzien van het Fiche Aanbeveling over het faciliteren van beleggingsrekeningen (Kamerstuk 22112 nr. 4201). Bij de volgorde van de beantwoording is de volgorde van de inbreng van het schriftelijk overleg aangehouden.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat de kern van de aanbeveling is dat lidstaten kaders voor beleggingsrekeningen opzetten die voldoen aan een zestal kenmerken. Eén van de kenmerken is dat de kosten voor het openen van aanhouden van beleggingsrekeningen eerlijk, proportioneel en begrijpelijk dienen te zien. Deze leden willen weten wat hier concreet onder wordt verstaan. Wordt de hoogte van deze kosten volledig overgelaten aan de lidstaten of worden er toch bepaalde begrenzingen voorgesteld? In het geval van begrenzingen: welke begrenzingen zijn er?

In de aanbeveling van de Europese Commissie zijn geen voorstellen gedaan voor een harde kostenmaximering in de vorm van percentages of bedragen bij beleggingsrekeningen. Op basis van Europese wetgeving geldt momenteel in beginsel ook niet een dergelijke kostenmaximering bij andere beleggingsdienstverlening. Wel is het zo dat dat de Raad en het Europees Parlement in december 2025 een politiek akkoord hebben bereikt over de Retail Investment Strategy (de RIS), die wijzigingsvoorstellen bevat voor meerdere Europese richtlijnen ten aanzien van beleggingsdienstverlening.1 Als onderdeel van de RIS zijn regels opgenomen dat beleggingsproducten ‘value for money’ moeten bieden. In dat verband mogen kosten – heel kort gezegd – niet te veel afwijken van een gemiddelde als voor die afwijking geen rechtvaardiging is. Naar verwachting zal in de eerste helft van 2026 een definitief akkoord op de RIS worden bereikt, waarna dit in Nederlandse wetgeving zal worden geïmplementeerd. Zodra een definitief akkoord is bereikt zal ik de Kamer hierover informeren. Overigens geldt – zo blijkt uit herhaald onderzoek – dat de kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste zijn vergeleken met de rest van de EU.2

Daarnaast lezen de leden van de PVV-fractie dat de Europese Commissie ook aanbeveelt om aanbieders aan te moedigen om beleggingsproducten aan te bieden met een sterke focus op de Europese Unie, wat één van de doelen is van dit raamwerk. Aanbieders kunnen echter alsnog beleggingsproducten aanbieden die niet de focus hebben op de Europese Unie. Deze leden willen weten hoe effectief dit raamwerk is aangezien het een aanbeveling betreft en lidstaten het raamwerk ook naast zich neer kunnen leggen, wat dit kabinet grotendeels ook doet.

Het kabinet staat positief tegenover het streven om de participatie van retailbeleggers te vergroten. Hieronder valt ook de ontwikkeling van een raamwerk voor een (EU-)beleggingsrekening. Met de aanbeveling van de Commissie heeft dat raamwerk vorm gekregen, zodat de lidstaten daarmee aan de slag kunnen.

De effectiviteit van een dergelijk raamwerk blijkt bijvoorbeeld uit de populariteit van het ISK (Investeringssparkonto) uit Zweden, waarvan ongeveer een derde van de Zweden gebruik maakt en waar zo’n 176 miljard euro op wordt aangehouden.3 Ongeveer 70 miljard, zo’n 40%, is in Zweedse effecten, ondanks dat er geen beperking is op beleggen in het buitenland. Deze ‘home bias’ is niet alleen voorbehouden aan de Zweden, maar is een algemeen verschijnsel bij beleggers. Dit betekent dat wanneer Europese huishoudens meer zullen beleggen, er ook relatief meer in Europa zal worden belegd.

In het verlengde hiervan willen deze leden weten in hoeverre er een sturende werking uitgaat van de Europese Commissie met deze aanbeveling om bijvoorbeeld groen te beleggen en – indien het geval – in hoeverre het kabinet dit wenselijk acht.

Er is geen sprake van een sturende werking vanuit de Commissie om met deze aanbeveling groen te beleggen. Wel is het advies van de Commissie om zeer risicovolle of complexe producten zoals crypto’s of derivaten, die geen investering vertegenwoordigen in de reële economie, uit te sluiten voor de EU-beleggingsrekening.

Tevens lezen de leden van de PVV-fractie dat beleggingsrekeningen zouden moeten profiteren van de meest gunstige fiscale behandeling beschikbaar in een lidstaat. Deze leden willen weten welke genoemde mogelijkheid wellicht in de toekomst interessant kan zijn voor Nederland. Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat beleggen in Nederland (forfaitair) veel zwaarder belast wordt dan sparen (in Box 3). Kan een overzicht worden gepresenteerd hoe beleggingen (en vermogen) in andere lidstaten worden belast.


De leden van de PVV-fractie stellen dat beleggen forfaitair zwaarder belast wordt dan sparen. In de huidige bepalingen voor box 3 in de Wet IB 2001, zoals die sinds de inwerkingtreding van de Overbruggingswet box 3 luiden, worden drie vermogenscategorieën onderscheiden: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor iedere vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Per categorie wordt een forfaitair rendementspercentage vastgesteld dat het daadwerkelijke rendement zo dicht mogelijk benadert. Over dit rendement, of op basis van de Wet tegenbewijsregeling box 3 een lager werkelijk rendement, wordt een vast belastingtarief gerekend. Het tarief is voor ieder soort rendement gelijk. Beleggingen worden dan ook niet zwaarder belast maar het rendement op beleggingen is, over het algemeen, hoger.

Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of er een overzicht kan worden gepresenteerd hoe beleggingen en vermogen in andere lidstaten worden belast. In 2016 is er, in het kader van de ontwikkeling van het nieuwe box 3-stelsel, een internationaal onderzoek4 gedaan naar de belasting van inkomsten uit vermogen en vermogenswinsten in Denemarken, Duitsland, Italië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Zweden. Graag verwijs ik naar dit onderzoek voor het overzicht. Daarnaast is begin dit jaar een onderzoek door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) gepubliceerd.5

Nederlandse positie ten aanzien van de aanbeveling
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet aangeeft dat uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende vermogen heeft om te kunnen beleggen. Echter het onderzoek waarnaar verwezen wordt stamt uit 2022. De leden van de PVV-fractie willen weten of het kabinet deze constatering kan onderbouwen met recentere cijfers. Hoe valt dit te rijmen met bijvoorbeeld cijfers van Deloitte, waaruit blijkt dat 47 procent van de Nederlanders financieel kwetsbaar is (2025)?
6


Uit de AFM-Consumentenmonitor over beleggers van het derde kwartaal van 20257 blijkt dat het aandeel van de Nederlanders dat beleggingen zegt te hebben in de afgelopen jaren stabiel is gebleven. Ook is binnen de groep beleggers het aandeel consumenten dat relatief weinig spaargeld heeft de afgelopen jaren niet significant veranderd. Daarnaast blijk uit cijfers van DNB dat de hoeveelheid spaargeld in Nederland sinds september 2022 is toegenomen met 22,7%, ofwel zo’n 96 miljard euro.8 Het effectenbezit is in dezelfde periode toegenomen met 34,5% toegenomen, ofwel zo’n 52 miljard.9 DNB geeft aan dat deze groei voornamelijk te verklaren is door stijgende beurskoersen.10 Een herhaling van het onderzoek van de AFM uit 2022 is nodig om het precieze cijfer vast te stellen, maar op basis van de hiervoor beschreven cijfers is het niet aannemelijk dat de groep huishoudens die voldoende vermogen heeft om te kunnen beleggen sinds 2022 is afgenomen.

Uit het onderzoek van Deloitte, in samenwerking met het Nibud, Tilburg University en Universiteit Leiden dat in 2024 is uitgevoerd, blijkt dat inderdaad 22% van de Nederlanders financieel ongezond is en 25% financieel kwetsbaar. Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat 30% van de Nederlanders financieel gezond is en 23% financieel toereikend. Het is aannemelijk dat wanneer de helft van de Nederlanders voldoende vermogen heeft om te beleggen, dat het voornamelijk om financieel gezonde en financieel toereikende Nederlanders gaat.

Kortom, de cijfers uit het onderzoek van de AFM uit 2022 lijken in lijn met andere recentere cijfers en geven daarom waarschijnlijk een goed een beeld van het potentieel van huishoudens dat het financieel vermogen heeft om te beleggen, maar dat nog niet doet.

Vervolgens lezen deze leden dat Nederland heeft getekend voor de lancering van Finance Europe, oftewel een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze leden vragen naar de betekenis en de voortgang hiervan.

Finance Europe is een Europees beleggingslabel voor beleggingsrekeningen en -producten die (i) voor minstens 70% in de Europese Economische Ruimte (EER) beleggen en (ii) ontworpen zijn om langdurig aan te houden.11 Het label moet consumenten meer en duidelijke mogelijkheden geven om te beleggen in de Europese economie om zodoende het rendement op hun vermogen te vergroten. Nederland heeft via de intentieverklaring voor de lancering van Finance Europe ermee ingestemd te zullen verkennen of Finance Europe fiscaal gunstig kan worden behandeld. Op 3 december 2025 heeft de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd om een onderzoek te doen naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in box 3. In dit onderzoek zal worden meegenomen of het mogelijk en wenselijk is om beleggingen in Europa fiscaal te stimuleren, mogelijk met het beleggingslabel Finance Europe.


Verder lezen de leden van de PVV-fractie dat het kabinet het in het beginsel van belang acht dat lidstaten geen additionele, nationale belemmeringen opwerpen tegen het vrije verkeer van diensten die niet volgen uit Europese wetgeving. Deze leden vragen om de situatie in Nederland: is er sprake van bepaalde nationale belemmeringen en/of nationale koppen tegen het vrije verkeer van diensten? Zo ja, kan het kabinet dit specificeren en nader toelichten?

Voor beleggingsdienstverlening is er op dit moment geen sprake van nationale wetgeving die een belemmering vormt voor het vrije verkeer van diensten vanuit een andere lidstaat naar Nederland. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat sinds 1 oktober 2021 een besluit van de AFM van kracht is – gebaseerd op wettelijke grondslagen – dat het aanbod van zogenoemde turbo’s aan consumenten beperkt, onder andere door een hefboombeperking, een verplichte risicowaarschuwing en een verbod op handelsbonussen.12 Deze beperkingen zijn er om particuliere beleggers beter te beschermen tegen de risico’s van turbo’s en gelden voor alle in Nederland aangeboden turbo’s, ongeacht de lidstaat waar de aanbieder gevestigd is. Dit kan worden gezien als een (gerechtvaardigde) belemmering van het vrij verkeer van beleggingsdienstverlening naar Nederland.13

Ook lezen deze leden dat het kabinet aangeeft dat uit herhaald onderzoek blijkt dat de totale kosten bij Nederlandse beleggingsfondsen over het algemeen de laagste zijn ten opzichte van de rest van Europese Unie. De leden van de PVV-fractie vragen naar een kostenoverzicht van alle lidstaten verwerkt in een tabel, zonder dat er verwezen wordt naar de desbetreffende onderzoeken.  

Uit het meest recente rapport van ESMA over de kosten en resultaten van EU retail beleggingsproducten14 blijkt dat de kosten voor beleggingsfondsen in Nederland en Zweden het laagst zijn, net als in de voorgaande onderzoeken van ESMA. De hoogste kosten zijn voor beleggingsfondsen uit Luxemburg en Oostenrijk. Voor lopende kosten in plaats van totale kosten geldt dat fondsen uit Italië, Luxemburg en Portugal de hoogste kosten hebben. Een gedetailleerd overzicht met kosten voor beleggingsfondsen per lidstaat is niet beschikbaar.

Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat voor Nederlandse beleggers de aangifte grotendeels al vooraf wordt ingevuld. Buitenlandse instellingen kunnen zich al registreren, maar in de praktijk gebeurt dit echter zelden. De leden van de PVV-fractie vragen naar de eventuele belemmeringen die buitenlandse instellingen ondervinden en hoe deze kunnen worden weggenomen.

Voor de beantwoording van deze vraag schets ik graag eerst de wijze waarop informatie tot de Nederlandse belastingdienst komt. De Belastingdienst ontvangt informatie van gegevensleveranciers, zoals financiële instellingen. De informatie die gebruikt wordt voor de vooraf ingevulde aangifte ontvangt de Nederlandse belastingdienst van bij hem geregistreerde financiële instellingen, via de renseigneringsplicht. Wanneer de informatie die de Belastingdienst ontvangt een persoon betreft die relevant is voor de belastingheffing in een ander land, en wij hebben een afspraak met dat land om informatie hierover uit te wisselen (bijvoorbeeld op basis van de Common Reporting Standard en/of DAC2), dan wisselt de Nederlandse belastingdienst deze informatie uit met de relevante belastingdienst. Ter illustratie: een Nederlandse bank waarbij een persoon (fiscaal) woonachtig in Frankrijk een rekening aanhoudt. De informatie wordt door die Nederlandse bank aan de Nederlandse belastingdienst geleverd, waarna deze de informatie uitwisselt met de Franse fiscus. Dit gebeurt in de omgekeerde situatie evengoed. Hierdoor hoeven financiële instellingen deze informatie slechts op één plek te rapporteren en niet in ieder land waar een rekeninghouder woonachtig is. Dat de informatie die de Nederlandse belastingdienst ontvangt niet altijd volledig en tijdig gebruikt wordt voor de vooraf ingevulde aangifte heeft te maken met het tijdstip van ontvangst van die informatie en het tijdstip van de aangifte. De aangifte inkomstenbelasting moet, over het voorgaande jaar, voor 1 mei zijn ingediend. De vooraf ingevulde aangifte moet dan per 1 maart beschikbaar zijn. De uit het buitenland ontvangen informatie wordt later in het jaar ontvangen, vanwege de termijnen die voor de uitwisseling van informatie gelden. Deze kan hierdoor beperkt en enkel voor het volgende jaar in de vooraf ingevulde aangifte gebruikt worden, bijvoorbeeld door het vooraf invullen van een buitenlands rekeningnummer. Verder wordt de informatie als contra-informatie gebruikt.

In het huidige systeem van automatische uitwisseling rapporteren buitenlandse (financiële) instellingen over het algemeen aan hun lokale belastingdienst en niet rechtstreeks aan de Nederlandse belastingdienst. De Belastingdienst ontvangt de gegevens die relevant zijn voor de Nederlandse heffing vervolgens van deze buitenlandse belastingdiensten. Dit is een bewuste keuze in het internationale uitwisselingsstelsel want het voorkomt dubbele (rapportage)lasten voor (financiële) instellingen.

Grondhouding
Ten slotte lezen de leden van de PVV-fractie dat er geen financiële gevolgen voor de Staat zijn die voortkomen uit deze aanbeveling. Wel kunnen er financiële gevolgen zijn bij de invoering van een fiscaal voordeel, wat door dit kabinet vooruit wordt geschoven. Deze leden vragen vooralsnog naar de mogelijke opties wat het fiscaal voordeel betreft. Kan het kabinet tevens het budgettair belang per maatregel vermelden?

Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke opties tot fiscale stimulering, een fiscaal voordeel, en de eventuele budgettaire belangen per maatregel. De uitkomsten van dit onderzoek zullen later dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie zien net als de Europese Commissie heil in het gebruiken van het ‘slapende’ geld op Europese en Nederlandse spaarrekeningen voor het aanjagen van de Europese en Nederlandse economie. Dit gaat namelijk om een grote som passief geld: zo’n 11,5 biljoen euro in Europa. Tegelijkertijd kampt het Nederlandse bedrijfsleven met gebrekkige financiering, zo blijkt uit onderzoek, waardoor zij vaak uitwijken naar het buitenland als het bedrijfsleven wil opschalen, zoals naar de Verenigde Staten. Deze leden zijn het eens met de Europese Commissie en het kabinet dat deze trend een halt moet worden toegeroepen.

Deze leden lezen dat het kabinet denkt dat fiscale stimulering in box 3 het gebruik van een beleggingsrekening kan vergroten. Deze leden lezen dat het kabinet het daarbij van belang acht dat de stimulering niet alleen vermogensopbouw ondersteunt, maar ook een beleidsdoel dient door investeringen in Nederlandse en Europese bedrijven in strategische sectoren te stimuleren. Het kabinet acht het onwenselijk om tegelijkertijd met de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een fiscale regeling voor de beleggingsrekening in box 3 te behandelen, waardoor het kabinet eerst de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 wil afwachten, zo merken deze leden op. Deze leden vragen of het kabinet niet echter nu al kan starten met de voorbereidingen voor een fiscale stimulering in box 3, zodat het bij de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 voortvarend met deze wijziging aan de slag kan. Graag ontvangen deze leden daarop een toelichting.

Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke opties tot verkenning van fiscale stimulering. In dat onderzoek wordt ook het fiscaal stimuleren van strategische sectoren, al dan niet in Europees of Nederlands verband, meegenomen. De uitkomsten van dit onderzoek zullen later dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het voordelig acht voor huishoudens om meer van hun spaargeld te gaan beleggen, mits dit verantwoord gebeurt en huishoudens hiervoor voldoende liquide buffers aanhouden. Deze leden vragen wat volgens dit kabinet een voldoende liquide buffer is.

Voor elk huishouden verschilt het wat voldoende liquide buffer is. Zo maakt het voor de hoogte van de gewenste buffer bijvoorbeeld uit of een huishouden een auto bezit en of een huishouden een woning huurt of in bezit heeft. De BufferBerekenaar15 van het Nibud adviseert huishoudens over de hoogte van een goed bufferbedrag om onverwachte, grotere en noodzakelijke uitgaven direct te kunnen betalen als ze zich voordoen.

Ook merken deze leden op dat het kabinet stelt dat de helft van de Nederlandse huishoudens voldoende buffers heeft. Deze leden vragen hoe het kabinet wil stimuleren dat ook de andere helft van Nederland financieel weerbaarder wordt en ook in staat wordt gesteld buffers op te bouwen en welke acties het kabinet hiertoe onderneemt.

Het kabinet vindt het essentieel dat huishoudens een voldoende spaarbuffer achter de hand hebben om financiële tegenslagen op te vangen of om te sparen voor een uitgave in de toekomst. Voor het opbouwen van voldoende spaarbuffer is het in de eerste plaats van belang dat ook financieel kwetsbare huishoudens elke maand voldoende geld overhouden in de portemonnee. Het kabinet neemt maatregelen ten behoeve van de koopkracht, onder meer door lastenverlichting via de inkomstenbelasting, verhogen van toeslagen, het oplossen van problemen met de ongewenste doorwerking van nabetalingen van uitkeringen en het verlengen van de verlaging van de brandstofaccijns. Maar zoals ook in de brief16 naar aanleiding van de aangenomen motie van lid Van Dijk c.s. over het opstellen van een nationaal spaarplan is toegelicht, blijkt dat de meeste impact te bereiken is bij huishoudens die wel de mogelijkheid hebben om te sparen, maar dit in de praktijk niet doen. Het gaat hierbij om huishoudens met midden- en hoge inkomens die, door het ontbreken van een financiële buffer, onnodig kwetsbaar zijn voor financiële tegenslagen. Momenteel voert een extern bureau in opdracht van mijn ministerie een gedragsonderzoek uit naar deze specifieke doelgroep. In dat onderzoek kijken de onderzoekers naar de achterliggende gedragsinzichten, oorzaken en belemmeringen die hen ervan weerhouden om een spaarbuffer op te bouwen. De uitkomsten van dit onderzoek verwacht het kabinet medio dit jaar met de Kamer te delen.

Daarnaast voer ik gesprekken met de sector over haar rol in het stimuleren van financieel bewustzijn rondom vermogensopbouw van consumenten. Tijdens die gesprekken hebben banken toegezegd om hun klanten periodiek te informeren over spaarproducten en alternatieve manieren voor vermogensopbouw. Ook hebben zij toegezegd om door te gaan met uiteenlopende initiatieven voor het versterken van financieel bewustzijn rondom vermogensopbouw, zoals blijkt uit mijn brief over de opvolging van de ACM-aanbevelingen en aangenomen moties over de spaarmarkt, van 19 december jl.17

De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland Finance Europe heeft ondertekend, een label voor beleggingsrekeningen en -producten die voor minstens 70 procent in de EER beleggen en ontworpen zijn om langdurig aan te houden. Deze leden vinden dit een heel goed initiatief en vragen het kabinet of een dergelijk label ook voor overwegend Nederlandse beleggingen kan worden gemaakt. Deze leden zijn benieuwd in hoeverre het kabinet verwacht dat er een verschil in rendementen zit tussen zo’n Europees label en een Nederlands label.

Op 3 december 2025 heeft de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd om een onderzoek te doen naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in box 3. Naar aanleiding van de vragen van de leden van de CDA-fractie zal in dit onderzoek worden meegenomen of het mogelijk en wenselijk is om ook een beleggingslabel te ontwikkelen waarmee Nederlandse beleggingen (fiscaal) worden gestimuleerd voor Nederlandse huishoudens.

Bij dit onderzoek dienen een aantal overwegingen in aanmerking te worden genomen. Zo vergroot een puur Nederlands beleggingslabel mogelijk het concentratierisico voor consumenten omdat zij worden gestimuleerd om in een sterk beperkt aantal bedrijven te beleggen (enkel in Nederland in plaats van potentieel wereldwijd of in de EU). De koers van hun beleggingen wordt daarmee volatieler en consumenten lopen mogelijk rendement mis, doordat zij niet belegd hebben in potentieel meer winstgevende bedrijven die in het buitenland zijn gevestigd. Bij een mogelijk Nederlands beleggingslabel moet dus goed de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven worden afgewogen tegen de belangen van de Nederlandse belegger om concentratierisico’s tegen te gaan.

Ook vragen deze leden hoe het Zweedse model is ingericht, omdat deze leden begrijpen dat daarmee vooral beleggingen in de Zweedse economie worden bereikt. Kan het kabinet een inschatting maken hoeveel potentieel kapitaal hiermee in de Nederlandse markt vrijgemaakt zou kunnen worden, uitgaande van een conservatief scenario?

Het Zweedse ISK is een beleggingsrekening die Zweedse consumenten zelf kunnen aanvragen en waarop zij zelf effecten kunnen kopen en aanhouden.18 Daarnaast kunnen ook cash en onder bepaalde voorwaarden derivaten worden aangehouden. Niet-beursgenoteerde aandelen zijn niet toegestaan. Er is geen maximumbedrag dat op de rekening aangehouden mag worden. De belastingvrije voet is 13.000 euro en daarboven geldt belasting op basis van forfaitair rendement over de totale waarde van de rekening. Het forfaitair rendement is de Zweedse staatsrente, plus één procentpunt. Vervolgens wordt hierover 30 procent vermogensbelasting geheven. Dit is gunstig voor consumenten die een hoger rendement dan het forfaitair rendement op hun beleggingen verwachten. Doorgaans zal het rendement op aandelen hoger zijn dan op de Zweedse staatsrente, wat het dus aantrekkelijk maakt voor Zweedse consumenten om te beleggen. Het ISK kent geen specifieke voorwaarden die huishoudens sturen om te beleggen in Zweedse bedrijven. Toch hebben Zweedse huishoudens voor ongeveer 70 miljard, zo’n 40%, aan Zweedse effecten in bezit. Zoals eerder genoemd is dit te verklaren door het algemene verschijnsel dat huishoudens geneigd zijn te investeren in bedrijven in hun eigen land (‘home bias’).

Voor het beantwoorden van deze vraag zijn in het bijzonder twee variabelen relevant: hoeveel miljarden zullen Nederlandse huishoudens als gevolg van de maatregel extra gaan beleggen en hoeveel van deze investeringen gaan vervolgens naar Nederlandse bedrijven. Het is ingewikkeld om nu een concrete schatting te geven, omdat daarvoor meer inzicht nodig is naar onder meer de risicobereidheid van huishoudens om daadwerkelijk de stap te maken naar (meer) beleggen, wat weer afhankelijk kan zijn voor hoe fiscaal aantrekkelijk de maatregel is. Kijkend naar de hoeveelheid spaargelden van Nederlandse huishoudens (523 miljard19) in combinatie met het onderzoek van de AFM, waaruit blijkt dat voor ongeveer de helft van de huishoudens geldt dat zij voldoende vermogen hebben om te beleggen maar dat nog niet doen20, is de potentie in ieder geval groot. Ten aanzien van de vraag of de investeringen vervolgens ook landen bij Nederlandse bedrijven biedt het volgende mogelijk aanknopingspunten. Particulier beleggen Nederlandse huishoudens op dit moment zo’n 205 miljard.21 Van de directe aandelen, zo’n 70 miljard, is 29 miljard geïnvesteerd in Nederlandse bedrijven22. Dit betekent dat de home bias in Nederland voor directe aandelen van huidige beleggers zo’n 41% is, vergelijkbaar met de home bias in Zweden. Daarbij is het onduidelijk of de home bias van nieuwe beleggers vergelijkbaar is met die van bestaande beleggers.

De leden van de CDA-fractie lezen dat te zijner tijd wordt onderzocht hoe een en ander kan worden ingepast voor fiscale stimulering in box 3. Deze leden zijn blij met de toezegging in het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 om dit eerder te onderzoeken. Deze leden vragen per wanneer het kabinet hierover denkt te kunnen rapporteren. Het lijkt deze leden immers van het grootste belang het stimuleren van beleggen met positieve effecten op de economie zo snel mogelijk in gang te zetten, zodat dit direct van start kan tegelijk met inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, waar we ook nog twee jaar op moeten wachten. Deze leden vinden het goed dat beleggingen in risicovolle producten die geen investeringen in de reële economie vertegenwoordigen worden uitgesloten en zij vragen dit onderscheid in de fiscale behandeling ook mee te nemen.

De uitkomsten van het onderzoek naar fiscale stimulering in Box 3 zullen later dit jaar met uw Kamer worden gedeeld. Of en hoe de uitkomsten van dit onderzoek worden omgezet in een daadwerkelijk voorstel, en of dit gelijktijdig in werking kan treden met het nieuwe stelsel, is aan het volgende kabinet.

Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie zien in het beter faciliteren van beleggingsrekeningen zowel een kans voor versterkte vermogensopbouw als een mogelijke impuls voor de Europese economie. Tegelijkertijd constateren ze dat de Europese Commissie haar voorstel presenteert als een aanbeveling en verzoeken deze leden het kabinet om te bevestigen dat deze status betekent dat Nederland geen enkele verplichting heeft om onderdelen over te nemen. Ook vragen deze leden of het kabinet verwacht dat deze aanbeveling in de toekomst alsnog zou kunnen worden omgezet in een verordening of richtlijn, zoals in het verleden vaker is gebeurd bij initiatieven van de Europese Commissie.

Het is juist dat een aanbeveling inhoudt dat Nederland geen verplichting heeft om deze geheel of gedeeltelijk over te nemen. Het kabinet heeft geen informatie die aanleiding geeft te verwachten dat de Commissie deze aanbeveling op termijn wil omzetten in een richtlijn of verordening.

Daarnaast vernemen de leden van de JA21-fractie dat Nederland een intentieverklaring heeft ondertekend voor de lancering van Finance Europe. Daarbij valt het deze leden op dat Nederland pas voornemens is om de fiscale aspecten in nationale wetgeving om te zetten nadat box 3 is herzien. Deze leden vragen of het niet juist wenselijker is om dit traject parallel te laten lopen aan de herziening van box 3, zodat fiscale keuzes rondom beleggen in een stelsel kunnen worden vormgegeven. Graag vernemen deze leden welke mogelijkheden het kabinet ziet om het label op nationaal niveau te faciliteren. Zouden producten met het label van Finance Europe bijvoorbeeld kunnen worden ondergebracht binnen de vermogenswinstheffing van de nieuwe box 3? Daarnaast verzoeken deze leden om een overzicht per lidstaat van de fiscale behandeling die andere ondertekenaars (Frankrijk, Duitsland, Spanje, Luxemburg, Estland, Portugal en Polen) op dit moment toepassen op, dan wel voornemens zijn toe te passen op, producten met dit label.

Tijdens het commissiedebat Eurogroep/Ecofin van 3 december 2025 is door de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd nader onderzoek te doen naar mogelijke opties tot verkenning van fiscale stimulering. De uitkomsten van dit onderzoek zullen later dit jaar met uw Kamer worden gedeeld. Hier zal ook worden ingegaan op de behandeling van producten met het label van Finance Europe. Daarnaast vragen deze leden naar de fiscale behandeling van medeondertekenaars van het label voor producten met dit label. Op dit moment zijn er voor zover bekend nog geen producten met het label in gebruik. Over de fiscale behandeling van producten die nog in ontwikkeling zijn is geen informatie voorhanden.

Voorts merken deze leden op dat in het verslag wordt aangegeven dat de sector al aan de slag kan met de ontwikkeling van beleggingsrekeningen en -producten die voldoen aan de voorwaarden van Finance Europe. Deze leden vragen welke instantie toezicht zal houden op de naleving van deze voorwaarden en op welke wijze wordt geborgd dat de producten daadwerkelijk aan de criteria van het label voldoen.

De AFM is de bevoegde toezichthouder op de financiële markten en ziet toe op de naleving door beleggingsondernemingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft). De AFM houdt echter alleen toezicht op bepalingen die wettelijk zijn vastgelegd. De voorwaarden van Finance Europe zijn geen wettelijke bepalingen, maar vormen een internationale beleidsafspraak tussen deelnemende landen. De AFM controleert dan ook niet of beleggingsproducten aan het Finance Europe-label voldoen, en houdt geen toezicht op de naleving van die specifieke voorwaarden. Het is aan beleggingsondernemingen zelf om te beoordelen of zij aan de voorwaarden van Finance Europe voldoen voordat zij het label voeren.

Het voorgaande laat onverlet dat beleggingsondernemingen wel moeten voldoen aan de geldende informatieverplichtingen uit de Wft, waaronder de plicht om consument correct, duidelijk en niet-misleidend te informeren. De AFM houdt wél toezicht op deze wettelijke informatieverplichtingen. Misleidende, niet duidelijke of niet correcte informatie, zoals het onterecht beweren dat met een bepaald product voor 70% in de Europese Economische Ruimte wordt belegd terwijl dat niet klopt, is niet toegestaan. Indien consumenten menen dat zij onjuist geïnformeerd zijn, kunnen zij hierover een klacht indienen bij de AFM.

Tot slot vragen deze leden in hoeverre de huidige Nederlandse regelgeving aansluit bij de niet-fiscale kenmerken die in het fiche worden genoemd en of het kabinet van plan is de overige aanbevelingen van de Europese Commissie, voor zover die nu nog niet zijn verwerkt, op te nemen in de Nederlandse wet- en regelgeving.

Op grond van de huidige, Nederlandse regelgeving is het in beginsel mogelijk om beleggingsrekeningen aan te bieden die voldoen aan de niet-fiscale aanbevelingen van de Commissie. Dit gaat bijvoorbeeld om de aanbeveling – kort gezegd – dat complexe en risicovolle producten worden uitgesloten van de beleggingsrekening en dat beleggingsrekeningen gebruiksvriendelijk moeten worden ontworpen. Bovendien kunnen momenteel meerdere soorten aanbieders beleggingsrekeningen aanbieden, zoals banken en ‘brokers’, wat eveneens een aanbeveling is van de Commissie. Aanbieders zijn echter niet verplicht de aanbevelingen van de Commissie op te volgen. Indien het kabinet er uiteindelijk voor kiest om beleggingsrekeningen (fiscaal) te faciliteren, moet worden overwogen of de aanbevelingen in de wet worden opgenomen. In dat geval zouden aanbieders wel verplicht kunnen worden om – bijvoorbeeld – complexe of risicovolle producten van deze (gefaciliteerde) beleggingsrekeningen uit te sluiten of om aan (enkele van) de andere aanbevelingen te voldoen.

Ten aanzien van de twee resterende, niet-fiscale aanbevelingen (die hierboven niet zijn genoemd) is – allereerst – relevant dat er op dit moment voor beleggingsdienstverlening geen sprake is van nationale, additionele belemmeringen die het vrij verkeer van diensten belemmeren vanuit een andere lidstaat naar Nederland. Het kan echter niet worden uitgesloten dat dit in de toekomst kan wijzigen, onder meer gezien de eerdergenoemde Europese Retail Investment Strategy waarop recent een voorlopig akkoord is bereikt en die de Europese regels voor beleggingsdienstverlening deels zal herzien (onder andere de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten, MiFID II). Daarnaast is het op dit moment reeds mogelijk om – vaak zonder hoge kosten – een beleggingsportfolio over te dragen aan een andere aanbieder, zoals eveneens aanbevolen door de Commissie ten aanzien van beleggingsrekeningen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het voornemen van de Europese Commissie om lidstaten op nationaal niveau kaders te laten creëren voor spaar- en beleggingsrekeningen.

Deze leden lezen dat de Europese Commissie schrijft dat een dergelijk raamwerk ruimte zou moeten geven aan specifieke beleggingsproducten waarbij andere, meer risicovolle beleggingsproducten die naar het inzicht van de Europese Commissie geen toegevoegde waarde hebben in de economie worden uitgesloten. Ook complexe beleggingsproducten ziet de Europese Commissie het liefst uitgesloten.

De leden van de BBB-fractie ervaren een bepaalde spanning bij het actief sturen van het beleggingsgedrag van particulieren door een nationale overheid. Bepaalde beleggingsproducten/investeringskansen worden zodoende voorgetrokken op andere wat niet past bij een vrije beweging van kapitaal. Heeft het kabinet begrip voor dit standpunt?

Het kabinet begrijpt de zorg van de BBB-fractie dat actief stimuleren van het beleggingsgedrag door de overheid spanning kan opleveren met het principe van een vrije beweging van kapitaal. Dit punt wordt zorgvuldig meegewogen bij de vormgeving van beleid.

Tegelijkertijd ziet het kabinet het belang om consumenten met voldoende spaargeld te stimuleren om vermogen op te bouwen door te beleggen in de reële economie, wat ook bijdraagt aan meer financiering voor onze economie. Complexe en risicovolle producten, zoals speculatieve derivaten en crypto’s, voegen weinig tot geen waarde toe aan de reële economie en zijn voor de meeste consumenten geen verstandige beleggingscategorieën. Zo zijn sommige complexe en risicovolle producten al uitsluitend toegankelijk voor professionele beleggers. Het scheppen van de juiste omgeving voor consumenten om verstandige financiële keuzes te maken en het gegeven dat complexe en risicovolle producten vaak weinig tot geen waarde toevoegen aan de reële economie, maakt dat het kabinet het wenselijk vindt om deze categorieën uit te sluiten van het raamwerk van een (EU-)beleggingsrekening. Verder ligt er een verantwoordelijkheid bij de overheid om de juiste randvoorwaarden te creëren en consumenten in staat te stellen zelf verstandige financiële keuzes te maken, door middel van financiële educatie.

Deze leden vragen ook in hoeverre naast het wegnemen van barrières voor bepaalde beleggingsproducten ook barrières worden opgeworpen voor andere producten/bedrijven/investeringsvehikels binnen de Europese Unie? Hoe verhoudt het voorstel zich tot de eigen EU-staatssteunwetgeving?

Binnen de aanbeveling van de Commissie worden er geen directe barrières opgeworpen inzake andere producten/bedrijven/investeringsvehikels binnen de Europese Unie. Wel kiest de Commissie in haar aanbeveling er nadrukkelijk voor om binnen deze (EU-)beleggingsrekening risicovolle of complexe producten zoals crypto’s of derivaten, die geen investering vertegenwoordigen in de reële economie, uit te sluiten. Dat laatste wil niet zeggen dat consumenten of andere investeerders de toegang tot deze producten wordt ontzegd. Consumenten kunnen, wanneer zij dat willen, nog steeds deze producten op een beleggingsrekening aanhouden bij een aanbieder die deze producten aanbiedt én lidstaten zijn vrij in hun landelijk beleid om die producten niet uit te sluiten.

Mocht de Nederlandse regering een dergelijke (EU-)beleggingsrekening willen stimuleren, dan zullen natuurlijk Europese aspecten, zoals vrij verkeer van kapitaal en staatssteun, daarbij in acht worden genomen.

Het kabinet schrijft dat het goed zou zijn voor de Europese economie als consumenten meer van hun spaargeld zouden beleggen, zo lezen de leden van de BBB-fractie. Dat zou komen doordat retailbeleggers vaak de voorkeur hebben om ‘dichtbij huis’ te beleggen (een zogeheten home bias) in bedrijven die zij beter kennen en kapitaalmarkten waar zij de taal en cultuur beter begrijpen. Kan het kabinet aangeven welke onderzoeken concreet wijzen op zo’n home bias?

De home bias van huishoudens is een fenomeen dat is bevestigd in diverse wetenschappelijke studies. Een voorbeeld uit de praktijk is het eerdergenoemde Zweedse ISK waar duidelijk een home bias waarneembaar is: particuliere beleggers houden verhoudingsgewijs (40%) aanzienlijk meer effecten aan in Zweedse bedrijven dan dat Zweedse bedrijven vertegenwoordigd zijn in een mondiale index.23

Hoeveel geld wordt door Nederlandse particulieren in Nederlandse bedrijven belegd en hoeveel in buitenlandse bedrijven?

Nederlandse huishoudens beleggen zelf zowel direct (via beursgenoteerde aandelen) als indirect (via bijvoorbeeld beleggingsfondsen). Daarnaast beleggen zij veelal ook collectief via bijvoorbeeld verzekeraars en pensioenfondsen. In totaal belegt Nederland zo’n 3.500 miljard euro.24 Daarvan is ongeveer 980 miljard in beursgenoteerde aandelen. Hiervan is bijna driekwart van aandelen buiten het eurogebied, zo’n 18% van aandelen uit Nederland en zo’n 8% van aandelen in het Eurogebied exclusief Nederland.

Particulier beleggen Nederlandse huishoudens zo’n 205 miljard.25 Dit is onderverdeeld in beleggingsfondsen (zo’n 129 miljard), beursgenoteerde aandelen (zo’n 70 miljard) en schuldpapier (zo’n 7 miljard). De beleggingen in beleggingsfondsen zijn weer verder uit te splitsen, waarbij zo’n 74 miljard in aandelenfondsen is geïnvesteerd.26 De homebias van deze beleggingsfondsen is onbekend. Van de directe aandelen, zo’n 70 miljard, is 29 miljard geïnvesteerd in Nederlandse bedrijven (41%)27.


  1. Zie: https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2025/12/18/retail-investment-strategy-council-and-parliament-agree-on-package-to-empower-consumers-while-boosting-markets/.↩︎

  2. Zie bijvoorbeeld het rapport Costs and Performance of EU Retail Investment Products 2024 van de Europese Autoriteit voor effecten en markten, ESMA.↩︎

  3. Zie het werkdocument van de Commissie als bijgevoegd voor de aanbeveling: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52025SC6800↩︎

  4. Bijlage bij Kamerstukken II 2017/17, 34 552, nr. 6.↩︎

  5. Internationaal onderzoek box 3 – NOB. Zie: https://www.nob.net/actueel/internationaal-onderzoek-box-3/↩︎

  6. Zie: https://www.deloitte.com/nl/nl/about/press-room/47-percent-van-nederland-is-financieel-kwetsbaar.html↩︎

  7. AFM Consumentenmonitor Beleggers – Q3 2025↩︎

  8. Dashboard Spaargeld huishoudens – DNB. Zie: https://www.dnb.nl/statistieken/dashboards/spaargeld-huishoudens/↩︎

  9. Het Effectenbezit Nederlandse huishoudens – DNB. Zie: https://www.dnb.nl/statistieken/dashboards/effectenbezit-nederlandse-huishoudens/↩︎

  10. Zie: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/statistiek/2025/beleggingen-huishoudens-breken-door-de-grens-van-200-miljard-dankzij-beurskoersen/↩︎

  11. Het verslag van de ondertekening op 5 juni 2025 en de intentieverklaring zelf te vinden via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/06/06/aanbieding-geannoteerde-agenda-eurogroep-en-ecofinraad-juni-2025.↩︎

  12. Zie: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2021/juni/besluit-beperkingen-turbos↩︎

  13. Zie ook de opinie die de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) over het besluit heeft afgegeven waarin wordt geconcludeerd dat het besluit gerechtvaardigd en proportioneel is: https://www.esma.europa.eu/press-news/esma-news/esma-issues-opinion-product-intervention-measures-turbos.↩︎

  14. Zie het rapport Costs and Performance of EU Retail Investment Products 2024 van ESMA.↩︎

  15. Zie: https://www.nibud.nl/tools/een-financiele-buffer/↩︎

  16. Kamerstuk II, 2023/2024, 36 410 IX, nr. 45.↩︎

  17. Te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/71e38d95-c534-41d1-887a-fe6e056d010a/file↩︎

  18. Zie het werkdocument van de Commissie als bijgevoegd voor de aanbeveling: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:52025SC6800↩︎

  19. Dashboard Spaargeld huishoudens – DNB. Zie: https://www.dnb.nl/statistieken/dashboards/spaargeld-huishoudens/↩︎

  20. Zie: https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2022/maart/meer-nederlanders-beleggen-sparen↩︎

  21. Zie: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/statistiek/2025/beleggingen-huishoudens-breken-door-de-grens-van-200-miljard-dankzij-beurskoersen/↩︎

  22. Zie: https://data.ecb.europa.eu/data/datasets/SHSS/SHSS.Q.N.NL.W2.S1M.S1.N.A.LE.F511._Z._Z.XDC._T.M.V.N._T↩︎

  23. Zie: https://www.fondbolagen.se/en/Facts_Indices/fund-savings-in-sweden-and-europe/↩︎

  24. Zie: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/statistiek/2025/nederland-belegt-voor-zo-n-3500-miljard/↩︎

  25. Zie: https://www.dnb.nl/algemeen-nieuws/statistiek/2025/beleggingen-huishoudens-breken-door-de-grens-van-200-miljard-dankzij-beurskoersen/↩︎

  26. Het Effectenbezit Nederlandse huishoudens – DNB. Zie: https://www.dnb.nl/statistieken/dashboards/effectenbezit-nederlandse-huishoudens/↩︎

  27. Zie: https://data.ecb.europa.eu/data/datasets/SHSS/SHSS.Q.N.NL.W2.S1M.S1.N.A.LE.F511._Z._Z.XDC._T.M.V.N._T↩︎