Stand van zaken en voortgang gewasbeschermingsbeleid
Gewasbeschermingsbeleid
Brief regering
Nummer: 2026D05209, datum: 2026-02-04, bijgewerkt: 2026-02-05 15:53, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Rapport Evaluatie Geactualiseerd Nationaal actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen
- Gewasbeschermingsknelpunten 2025, zoals geïdenti?ceerd en toegelicht door de sector
- Beslisnota bij Kamerbrief over stand van zaken en voortgang gewasbeschermingsbeleid
Onderdeel van kamerstukdossier 27858 -741 Gewasbeschermingsbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z02277:
- Indiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-02-05 13:30: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-04 11:15: Procedurevergadering Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
27858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 741 Brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 februari 2026
Hierbij informeer ik u over de voortgang van enkele dossiers op het gebied van gewasbescherming. Eerst licht ik kort de context toe van deze dossiers.
Gewasbescherming is nodig om te komen tot een economisch gezonde landbouwsector en een voldoende en betaalbare voedselproductie. Daarbij wordt uitgegaan van de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming (Integrated Pest Management/IPM), waarbij eerst wordt gekeken naar niet-chemische maatregelen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk wordt beperkt tot situaties waarin andere opties onvoldoende toereikend zijn.
De maatschappelijke zorgen over het gebruik van chemische middelen nemen toe. Het gaat daarbij onder meer om blootstelling van omwonenden, natuur en water. Tegelijkertijd nemen de zorgen vanuit de agrarische sector toe omdat er minder chemische middelen beschikbaar zijn vanwege aangescherpte toelatingscriteria en alternatieven uitblijven. Als gevolg daarvan nemen knelpunten in plaag- en ziektebeheersing toe.
Het gewasbeschermingsbeleid richt zich in essentie op twee beleidsdoelen:
het terugdringen van de afhankelijkheid van chemische gewasbeschermingsmiddelen door onder meer de ontwikkeling en stimulering van alternatieve teeltsystemen en technieken (middellange tot lange termijn);
het verkleinen van mogelijke risico’s en effecten van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen door onder meer innovatieve toepassingstechnieken die gebruik en emissies terugdringen (korte tot middellange termijn).
Het gewasbeschermingsbeleid wordt mede vormgegeven met diverse maatschappelijke partijen, via het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming. Het jaarplan 2025 is in april 2025 gedeeld met uw Kamer (Kamerstuk 27858, nr. 706). Het jaarplan 2026 is in ontwikkeling en zal binnenkort worden vastgesteld en eveneens worden gedeeld met uw Kamer.
Het tweede beleidsdoel, dat vooral gaat over gewasbeschermingsmiddelen, wordt gerealiseerd via drie sporen: de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, de toepassing van deze toegelaten middelen en toezicht op het juiste gebruik ervan.
De huidige brief gaat vooral over een aantal acties met betrekking tot de toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Toelating van gewasbeschermingsmiddelen
Verduurzaming stimuleren
Het toelatingsbeleid is sterk EU geharmoniseerd en vastgelegd in
een verordening (Verordening (EG) 1107-2009). Die verordening is
gebaseerd op het voorzorgsbeginsel, biedt een hoge mate van bescherming
voor mens, dier en milieu en wordt wereldwijd als één van de strengste
gezien. Alleen stoffen en middelen waarvan vooraf is vastgesteld dat een
veilig gebruik mogelijk is, mogen worden toegelaten waarbij het gebruik
in wettelijke voorschriften is vastgelegd.
Desondanks is het wenselijk dat middelen met een hoog risicoprofiel zoveel mogelijk worden vervangen met middelen met een laag risicoprofiel. Hoog risicomiddelen hebben een grotere kans dat bij herbeoordeling de goedkeuring wordt ingetrokken of aangescherpt en er zijn meer mitigerende maatregelen nodig met meer risico op onjuist gebruik. Middelen met een werkzame stof van natuurlijke en biologische herkomst worden na beoordeling vaker ingedeeld als een laag risico middel.
Biologische gewasbeschermingsmiddelen
Mijn beleid is gericht op het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen en op samenwerking met gelijkgestemde lidstaten om de markttoegang van deze middelen te verbeteren. In dit kader verwelkomt Nederland het voorstel van de Europese Commissie om de markttoegang van deze middelen te versnellen, als onderdeel van een breder voorstel tot vereenvoudiging van regelgeving op het gebied van voedsel- en diervoederveiligheid (simplificatie omnibus). Ik heb uw Kamer op 8 december 2025 geïnformeerd dat dit simplificatie voorstel aanstaande was (Kamerstuk 27 858, nr. 737). Het Omnibus pakket1 is inmiddels gepubliceerd en op 18 december 2025 is hierover door uw Kamer een motie van Kamerleden Podt (D66) en Bromet (GL/PvdA) aangenomen (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1744). In deze motie wordt de regering verzocht om een kopgroep van EU-lidstaten te vormen om te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risico middelen bevorderen, maar met klem te pleiten tegen voorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovolle middelen verzwakken.
Het kabinet is op dit moment het Europese Omnibus voorstel aan het bestuderen en zal vervolgens zoals gebruikelijk en zo spoedig mogelijk een BNC fiche naar de Kamer sturen. In het BNC fiche zal rekening worden gehouden met het verzoek in deze motie.
Met bovengenoemde inzet geef ik ook uitvoering aan de motie van het lid Holman c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 660)2 en de motie van het lid Nijhof-Leeuw c.s. (Kamerstuk 27 858, nr. 726)3, die ik hiermee als afgedaan beschouw. Verder heeft uw Kamer bij motie verzocht (Motie Van der Plas, Kamerstuk 27 858, nr. 720)4 specifiek te kijken naar pilots en praktijkonderzoek bij boeren. Hierover ben ik in gesprek met de sector. Ik zal uw Kamer over de uitkomst hiervan informeren.
Toelatingskader van chemische stoffen actualiseren aan nieuwe wetenschappelijke inzichten
Glyfosaat eenzijdig versus tweezijdig statistisch toetsen op carcinogeniteit
De bepaling of een stof kankerverwekkende (carcinogene) eigenschappen heeft, is onderdeel van het Europese proces om te komen tot een geharmoniseerde classificatie en etikettering van stoffen. Dit is een zorgvuldig Europees proces waarin zowel een publieke consultatie als raadpleging van deskundigen plaatsvindt. Het Europese agentschap voor chemische stoffen (ECHA) bepaalt uiteindelijk of een stof kankerverwekkende (carcinogene) eigenschappen heeft of niet.
Het Ctgb is met verschillende wetenschappers in gesprek gegaan over de wijze waarop de statistische analyse van de resultaten van wetenschappelijke dierstudies met betrekking tot carcinogene eigenschappen wordt uitgevoerd. (Kamerstuk 27 858, nr. 711). De tweezijdige toets is momenteel de internationale wetenschappelijke standaard om de carcinogene eigenschappen van stoffen statistisch te beoordelen. Na het gesprek is gezamenlijk geconcludeerd dat een eenzijdige statistische toets het uitgangspunt zou moeten zijn bij de beoordeling van de resultaten en dat het Ctgb dit internationaal aankaart. Diezelfde wetenschappers concludeerden tegelijkertijd dat bij de beoordeling van een stof álle beschikbare wetenschappelijke informatie over de carcinogeniteit van een stof moet worden gewogen (‘weight of evidence’ benadering) en dat een andere manier van statistisch toetsen niet automatisch tot een andere conclusie leidt.
Bij de toxicologische beoordeling van glyfosaat is (mogelijke) carcinogeniteit uitgebreid beoordeeld met deze ‘weight of evidence’ benadering, in het licht van het Europees vastgestelde beoordelingskader. Dossier is opgesteld met EFSA, EChA en de lidstaten. Hierin zijn naast statistische significantie ook factoren als dosis-respons relatie, biologische betekenis, consistentie van (tumor)bevindingen tussen de verschillende studies meegenomen. Er is in deze ‘weight of evidence’ benadering zowel éénzijdig als tweezijdig statistisch getoetst, waarbij eenzijdige toetsing niet heeft geleid tot een andere conclusie met betrekking tot carcinogeniteit van de stof glyfosaat. In deze zin is reeds voldaan aan de motie Podt om ‘alsnog eenzijdig te toetsen op het risico van kanker’ (Kamerstuk 27 858, nr. 723). Ik beschouw de motie daarmee als afgedaan.
Het opnieuw beoordelen van alle wetenschappelijke carcinogeniteitsstudies van glyfosaat is een besluit dat alleen door de Europese Commissie kan worden genomen en is, conform de Verordening (EC) 1107/2009), alleen mogelijk wanneer hier wetenschappelijke aanleiding toe is. Deze wetenschappelijke aanleiding ontbreekt nu, terwijl de conclusie dat glyfosaat niet carcinogeen is stevig overeind blijft.
Uitsluiten niet-nalevers voor vrijstelling
In het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen van 15 mei 2025 heb ik mijn zorgen uitgesproken over de NVWA-bevindingen over het hoge percentage van telers dat de voorschriften die bij een vrijstelling horen, niet naleeft. Deze voorschriften zijn er om een veilige toepassing van het vrijgestelde gewasbeschermingsmiddel te garanderen. Met dit gedrag stellen die telers de gehele sector in een kwaad daglicht en zorgen voor een ongelijk speelveld tussen Nederlandse telers. Mede om deze reden heb ik in het vorige debat aangegeven dat ik “de mogelijkheden tot het uitsluiten van telers voor een eventuele vrijstelling het jaar daaropvolgend wegens het niet naleven van toepassingsvoorschriften” wilde onderzoeken (TZ202505-070).
In samenspraak met de NVWA, ben ik tot de conclusie gekomen dat er zowel juridische als praktische bezwaren zijn om telers die in overtreding gegaan zijn, uit te sluiten in het daaropvolgende jaar. Ik heb verschillende mogelijkheden verkend om op een andere manier invulling te geven aan mijn voornemen. Hieruit zijn twee mogelijke opties naar voren gekomen die verdere uitwerking behoeven. Dit zijn het versterken van het instrument van gecontroleerde distributie en het verhogen van boetes. Ik zal deze opties de komende tijd verder uitwerken om te bezien of deze haalbaar en wenselijk zijn en uw Kamer over de uitkomst informeren.
Toepassing/gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Algemeen
Evaluatie Nationaal Actie Plan Duurzaam gebruik 2022-2025
De Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden 2009/128/EG (hierna: Richtlijn) verplicht lidstaten om nationale actieplannen aan te nemen en deze periodiek te evalueren. De afgelopen tijd heeft een nieuwe evaluatie plaatsgevonden, over de jaren 2022-2025, door het bureau KWINK Groep (hierna: het bureau). In deze evaluatie is gekeken naar de effectiviteit van de invulling van de volgende maatregelen in de Richtlijn, te weten (de toepassing van) geïntegreerde gewasbescherming, bescherming van de waterkwaliteit en van drinkwater, vermindering van gebruik en risico’s in specifieke gebieden, voorlichting bij verkoop, informeren van het bredere publiek en monitoring. Hierbij stuur ik u het evaluatierapport toe.
Uit het rapport blijkt dat er in de periode 2022-2025 en ook al in de periode daarvoor wetten, regels en beleid waren waarmee Nederland invulling heeft gegeven aan deze maatregelen in de Richtlijn. Het bureau constateert tegelijkertijd dat de effectiviteit ervan in veel gevallen lastig vast te stellen is, doordat de informatiepositie beperkt is. Ook resulteert de evaluatie volgens het bureau in een gedeeld beeld, bij de gesprekspartners met uiteenlopende perspectieven, dat op vrijwel alle onderzochte maatregelen in de toekomst nog acties nodig zijn, om de effectiviteit (verder) te verbeteren. Hiervoor identificeert het bureau diverse richtingen voor de toekomst. Gelet op de demissionaire status van dit kabinet, laat ik het aan mijn opvolger om met deze uitkomsten het actieplan te hernieuwen, mede in het licht van de mogelijke beleidsvoornemens van een nieuw kabinet.
Bovenstaande betekent niet dat lopende ontwikkelingen om de afhankelijkheid en emissies van gewasbeschermingsmiddelen terug te dringen, stil staan. Hierna informeer ik uw Kamer over enkele lopende dossiers op dit terrein.
Verbeteren zorgvuldig gebruik
Informatiepunt omwonenden
Het Ministerie van LVVN heeft verkend welke vorm van een informatiepunt voor omwonenden van agrarische percelen, waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, passend en haalbaar is. Er zijn gesprekken gevoerd met o.a. de VNG, NVWA, enkele GGD’s en het Ctgb, om te bespreken wat er nodig is binnen bestaande initiatieven en om vragen van omwonenden goed te kunnen beantwoorden. Naar aanleiding van de gesprekken is er besloten een periodiek structureel overleg in te richten, waarin partijen elk kwartaal actuele ontwikkelingen en gezamenlijke vragen van omwonenden kunnen bespreken. Daarnaast is er gebleken dat er behoefte bestaat aan een helder overzicht van de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen, zodat omwonenden duidelijkheid hebben over bij wie zij met hun vragen terecht kunnen. Dit overzicht wordt begin 2026 beschikbaar gesteld op een centrale webpagina genoemd ‘bestrijdingsmiddelen’ van de Rijksoverheid. Met de uitvoering van deze twee acties beschouw ik dit deel van toezegging TZ202412-010, gedaan naar aanleiding van het verzoek van het lid Podt (D66) tijdens het commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen op 27 november 2024, afgedaan.
Terugdringen gebruik chemische gewasbeschermingsmiddelen
De Afdeling advisering van de Raad van State (Afdeling RvS) heeft op 13 augustus 2025 een advies uitgebracht5 over het wijzigingsvoorstel van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden waarin het mogelijk zou worden om alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen te verplichten (Kamerstuk 27 858, nr. 683 en nr. 711). De Afdeling RvS heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert het besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast. Zij adviseert het ontwerpbesluit na aanpassing opnieuw voor advies aan haar voor te leggen.
De belangrijkste bezwaren van de Afdeling RvS betreffen de onderbouwing van de beoogde maatregelen en het niveau van de regelgeving. Allereerst is volgens de Afdeling RvS in de toelichting bij het ontwerpbesluit onvoldoende onderbouwd hoe de voorgestelde verplichting kan bijdragen aan de doelstelling van bevordering van alternatieven zoals opgenomen in de Europese Richtlijn duurzaam gebruik. Uit de toelichting blijkt namelijk niet onder welke omstandigheden uitsluitend niet-chemische alternatieven adequate bescherming bieden tegen ziekten, plagen en onkruiden. Daarmee is nog niet bekend in hoeverre de grondslag in de praktijk kan worden toegepast. Verder wijst de Afdeling RvS erop dat op basis van het ontwerpbesluit niet kan worden vastgesteld voor wie de verplichting tot het gebruik van alternatieven geldt en voor welke toepassingen en teelten. Dit zijn evenwel belangrijke elementen, die dan ook ten minste op het niveau van een algemene maatregel van bestuur (het ontwerpbesluit) dienen te worden vastgelegd. Voor zover hiervoor nog nader onderzoek nodig is, dient dit te worden verricht voorafgaand aan het vaststellen van het ontwerpbesluit. Op die manier kunnen de belangrijke elementen van een verplichte alternatieve methode op het juiste regelgevingsniveau worden geregeld. Met het oog op het advies van de Raad van State laat ik verdere besluitvorming in dit dossier over aan een volgend kabinet.
Innovatieve toepassingstechnieken
Innovaties in toepassingstechnieken bieden perspectief om gebruik en emissies van gewasbeschermingsmiddelen sterk te reduceren. Denk daarbij aan pleksgewijze en zelfs afzonderlijke plantgerichte behandelingen, al dan niet in combinatie met ziekte- en onkruidherkenningssystemen. Met behulp van diverse sectororganisaties, NVWA, Ctgb en betrokkenheid van de WUR, worden binnen het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming stappen gezet om nieuwe technieken en voorwaarden voor markttoegang, gebruik en toezicht beter op elkaar af te stemmen. Ik heb tijdens het Commissiedebat van 15 mei 2025 toegezegd uw Kamer te informeren over het overleg met de sector over het wegnemen van knelpunten voor de inzet van precisietechnieken (TZ 202505-068). Dit vergt zorgvuldigheid en enige tijd. Ik zal uw Kamer in 2026 nader informeren over de voortgang van dit project.
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen in waterwingebieden
Voor de kwaliteit van het drinkwater is het belangrijk dat grondwater, bestemd voor drinkwaterwinning, geen normoverschrijdende verontreinigingen bevat van chemische stoffen. Ter bescherming van drinkwaterbronnen hebben provincies waterwingebieden, grondwaterbeschermingsbieden en boringsvrije zones aangewezen. Waterwingebieden zijn de gebieden binnen de grondwaterbeschermingsgebieden waar het grondwater voor drinkwater gewonnen wordt. Deze waterwingebieden zijn deels in eigendom en beheer van de drinkwaterbedrijven.
Uit meetgegevens van provincies en drinkwaterbedrijven blijkt echter dat er toch werkzame stoffen en metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen in normoverschrijdende gehaltes worden aangetroffen in het diepere grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden en in drinkwaterputten. Ik heb u hier eerder over geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 712, mei 2025).
Mijn ministerie is, zoals aangekondigd in die brief, met het ministerie IenW in overleg met IPO/provincies over opties om normoverschrijdingen in grondwaterbeschermingsgebieden (en de daarbinnen gelegen waterwingebieden) in de toekomst tegen te gaan. Dit in het licht van de motie Tjeerd de Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 587). De mogelijkheden worden nu ambtelijk verkend en zullen in een later stadium in een bestuurlijk overleg tussen LVVN, IenW en IPO/provincies worden besproken. Ik verwacht u in het voorjaar van 2026 daarover nader te kunnen informeren.
Vervolgacties op uitspraak Raad van State over provinciaal handhavingsbesluit
Op 12 mei jl. heb ik u geïnformeerd over de uitspraak van de Raad van State van 2 april 2025, betreffende een provinciaal handhavingsbesluit op grond van de Wet natuurbescherming over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt in Drenthe (Kamerstuk 27 858, nr. 710). Hierbij wil ik u informeren over het onderzoek dat sindsdien is uitgezet bij WUR, en de contacten die er zijn met IPO, provincies en sectorpartijen.
Naar aanleiding van deze uitspraak van de Raad van State heb ik WUR verzocht om ondersteunend onderzoek te doen om provincies te helpen bij hun besluitvorming. In het onderzoek wordt geïnventariseerd wat bekend is over de aanwezigheid van stoffen in Natura 2000-gebieden, de verspreiding van stoffen naar die gebieden, welke maatregelen kunnen zorgen voor een reductie van emissies naar Natura 2000 gebieden en wat er bekend is over het (ecologisch) effect van die stoffen op Natura 2000 gebieden. Het onderzoek zou dit voorjaar de eerste antwoorden moeten opleveren. Op basis hiervan zal de vraag worden beantwoord welke informatie nog ontbreekt en wat mogelijke vervolgonderzoeksvragen zijn. Tenslotte is de WUR gevraagd om aanbevelingen te doen over de monitoring van stoffen in Natura 2000-gebieden.
De provincies zijn bevoegd gezag voor Natura 2000-gebieden en daarmee ook voor de handhavingsbesluiten inzake deze gebieden. Het IPO zorgt voor nauw overleg tussen provincies en met het ministerie van LVVN hierover. Verschillende provincies ontwikkelen beleid om op provinciaal niveau met de gevolgen van de uitspraak van de Raad van State om te gaan, en delen deze informatie met andere provincies en mijn ministerie.
Partijen uit de primaire sector hebben mij laten weten zich zorgen te maken over de gevolgen van de uitspraak van de Raad van State, en hebben om overleg gevraagd. Dit overleg met LVVN heeft plaats gevonden, in aanwezigheid van IPO en provincie Drenthe, en zal opnieuw plaats vinden zodra de eerste (tussen) resultaten van het onderzoek van de WUR bekend zullen zijn.
Overig
Rol Ctgb bij juridische procedures
In verschillende civiele rechtszaken hebben rechters uitspraken gedaan die ook raken aan het Europese toelatingsbeleid en de nationale invulling daarvan door het Ctgb. Rechters doen dan over het algemeen uitspraken op basis van door de civiele partijen aangeleverde informatie (lijdelijkheid6). In algemene zin benadruk ik het goed benutten van het Ctgb als gerenommeerd en erkend kennisinstituut op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, dus niet alleen in rechtszaken en procedures. Ik ben van mening dat het goed is als het Ctgb als kennisinstituut bij rechtszaken wordt betrokken, zeker in procedures die het toelatingskader voor gewasbeschermingsmiddelen raken. Eén of beide civiele partijen kunnen overwegen om de rechter te vragen om een onafhankelijk instituut, zoals het Ctgb, te raadplegen of informatie te laten verstrekken. Het instituut levert dan geen informatie namens de civiele partij maar onafhankelijk op verzoek van de rechter. Het daadwerkelijk raadplegen van het Ctgb in een procedure betreft echter steeds een afweging van de desbetreffende onafhankelijke rechter waar ik niet in kan of wil treden. Daarmee doe ik de motie van lid Flach af (Kamerstuk 27 858, nr. 727) over bij geschillen over gewasbeschermingsmiddelen eerder het Ctgb als onafhankelijke deskundige raadplegen.
Gewasbeschermingsknelpunten
Ik heb uw Kamer tijdens het Commissiedebat gewasbeschermingsmiddelen van 15 mei 2025 toegezegd de lijst met actuele gewasbeschermingsknelpunten te voorzien van een nadere toelichting (TZ202505-067). De sector is verzocht om aanvullend op de eerder door haar geleverde lijst informatie per knelpunt aan te leveren. Uit het opgestelde overzicht blijkt dat de knelpunten zich vooral concentreren op het gebied van onkruidbeheersing en de beheersing van insecten. De knelpunten zijn volgens de sector vrijwel uitsluitend ontstaan door het vervallen van de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. In een aantal gevallen had de sector hier overigens wel eerder op kunnen anticiperen.
De sector zet breed in op onderzoek om tot oplossingen te komen van deze knelpunten. Binnen het Uitvoeringsprogramma toekomstvisie gewasbescherming 2030 wordt hier regelmatig over gesproken met als doel ervaringen uit te wisselen tussen sectoren, adviseurs, distributeurs en beleidsmakers. Daarbij worden veel oplossingen gezocht rondom de inzet van biologische bestrijding. Hierin ondersteun ik waar mogelijk de sector, bijvoorbeeld door het (mede-)financieren van onderzoeken via publiek-private samenwerkingen (PPS). In het geval dat het onderzoek op korte termijn geen oplossing kan bieden, kan de sector bij een plantenziektekundige noodsituatie een aanvraag doen om een niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddel tijdelijk te mogen gebruiken, een zogeheten artikel 38 vrijstelling. Als de NVWA en het Ctgb beiden positief adviseren over de aanvraag, zal ik er voor kiezen de vrijstelling te verlenen. Waar nodig zal ik daarbij wel rekening houden met de eerder in deze brief genoemde beperkte nalevingscijfers.
Bijlage 1 bevat de lijst met knelpunten (2025) met een toelichting van de sector, opgesplitst in knelpunten voor voedselgewassen, gecombineerde knelpunten voor voedselgewassen en sierteelt en knelpunten voor sierteelt en boomteelt.
De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
F.M. Wiersma
https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_25_3081↩︎
verzoekt de regering om actief bij de Europese Commissie te bevorderen dat de beoordelingskaders voor de goedkeuring en toelating van deze effectieve groene middelen meer worden toegesneden op de aard en kenmerken van deze middelen, mede door een kopgroep te vormen met andere lidstaten.↩︎
verzoekt de regering te onderzoeken of biologische middelen met werking op plagen op grond van hun natuurlijke oorsprong, werkzame stoffen en milieuprofiel een eigen categorie kunnen krijgen binnen de toelatings- en toepassingskaders.↩︎
verzoekt de regering te zorgen voor versnelling in de toelating en opschaling van nieuwe technieken en groene middelen, en daarbij ook specifiek te kijken naar pilots en praktijkonderzoek bij boeren.↩︎
https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@150465/w11-25-00111-iv/↩︎
Lijdelijkheid van de rechter is het principe in het civiele recht waarbij de rechter een afwachtende houding aanneemt en zich beperkt tot het beslissen over de geschilpunten die de partijen zelf naar voren brengen, zonder zelf actief de feiten te onderzoeken.↩︎