Memorie van toelichting
Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche)
Memorie van toelichting
Nummer: 2026D05366, datum: 2026-02-03, bijgewerkt: 2026-02-04 15:28, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Beslisnota bij Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche)
- Reactie Kring van de commissarissen van de Koning over wetsvoorstel tweede tranche bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur
- Reactie Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding over wetgevingsadvies wetsvoorstel bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur
- Reactie Autoriteit Persoonsgegevens over het concept de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche
- Reactie Rijksvertegenwoordiger over voorstel Wet bevordering integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche
- Reactie Nederlands Genootschap van Burgemeesters over conceptvoorstel wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche
- Reactie Wethoudersvereniging over conceptvoorstel Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche
- Reactie Unie van Waterschappen over Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur en tweede tranche
- Reactie Nederlandse Vereniging voor Raadsleden over wet bevorderen integriteit
- Reactie VNG Consultatiereactie Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche
- Reactie Vereniging van Griffiers over Consultatie wetsvoorstel risicoanalyse bestuurlijke integriteit
Onderdeel van kamerstukdossier 36892 -3 Wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de risicoanalyse bestuurlijke integriteit voor kandidaat-bestuurders (Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur tweede tranche).
Onderdeel van zaak 2026Z02359:
- Indiener: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Medeindiener: R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- Volgcommissie: vaste commissie voor Koninkrijksrelaties
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-12 10:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Inhoudsopgave
1.1. Hoofdlijnen wettelijke regeling 2
2. Achtergrond wettelijke regeling risicoanalyse 4
2.1. Doel en strekking van het instrument 4
2.2. De uitvoering van een risicoanalyse in de praktijk 4
3. Inhoud en uitvoering wettelijke regeling risicoanalyse 6
3.1. Reikwijdte risicoanalyse 6
3.2. De uitvoering van een risicoanalyse 10
3.3. Risicoanalyse bij waterschappen 16
3.4. Risicoanalyse bij de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 17
4. Doel en inhoud wettelijke regeling omgang financiële belangen 17
4.1 Achtergrond en doel wettelijke regeling 17
4.2. Inhoud wettelijke regeling 18
4.3. Financieel belang in relatie tot de uitvoering van een risicoanalyse 19
5.1. Harmonisatie integriteitsnormen openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba 20
5.2. Besluit tot niet-benoeming 21
6. Verhouding hoger recht en nationale regelgeving 21
6.1. Grondwet en mensenrechten 21
7. Gevolgen voor decentrale overheden en anderen 29
7.1 Algemene gevolgen voor decentrale overheden 30
7.2. Administratieve lasten voor burgers, bedrijven en milieu 30
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING 34
ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
1.1. Hoofdlijnen wettelijke regeling
Met dit wetsvoorstel wordt het uitvoeren van een risicoanalyse integriteit (hierna: risicoanalyse) voor decentrale bestuurders verplicht gesteld en wordt vastgelegd welke waarborgen daarbij in acht moeten worden genomen. Dit wetsvoorstel legt daarnaast de omgang met financiële belangen door bestuurders vast. De omgang met financiële belangen door bestuurders betreft een fundamentele integriteitsnorm die regelmatig in de belangstelling staat, maar tot op heden niet is verankerd in de Europees Nederlandse wetgeving.1
Sinds de dualisering in 2002 zijn steeds meer taken bij decentrale overheden belegd met als gevolg dat zij over meer bevoegdheden en een steeds groter budget beschikken. Dat maakt dat steeds meer belangrijke beslissingen over verdeling van schaarse middelen door lokale besturen genomen moeten worden, bijvoorbeeld als het gaat om aanbesteding van publiek geld of ruimte voor wonen, infrastructuur of landbouw. Individuele bestuurders hebben daarbij vaak een doorslaggevende rol als het gaat om het afwegen van alle verschillende belangen. Inwoners moeten er daarom op kunnen vertrouwen dat zij eerlijk en betrouwbaar zijn. Bestuurders werken immers niet voor zichzelf, maar voor het algemeen belang. Het huidige politieke landschap kenmerkt zich echter door een lager publiek vertrouwen.2 Tegen die achtergrond is het borgen van integriteit een essentiële voorwaarde voor goed bestuur en daarmee voor het versterken van het vertrouwen in en de legitimiteit van de overheid.3
Integriteitskwesties komen het meeste voor op decentraal niveau en hebben een grote weerslag op alle betrokkenen.4 Een belangrijk moment om aandacht te besteden aan de integriteit van bestuurders is dan ook voordat zij benoemd worden. De risicoanalyse helpt om kwetsbaarheden tijdig te herkennen en beheersmaatregelen te nemen om daadwerkelijke problemen te voorkomen. Het aan de voorkant voeren van het goede gesprek over integriteit zorgt er daarnaast voor dat het bewustzijn hierover wordt versterkt. Bovendien helpt het om de vaak abstracte integriteitsnormen concreet te maken voor kandidaat-bestuurders.
Bij veel decentrale overheden wordt al een risicoanalyse uitgevoerd, maar uit onderzoek is gebleken dat hier op zeer verschillende wijzen en soms ook gebrekkig uitvoering aan wordt gegeven.5 Daarmee weten kandidaat-bestuurders niet altijd wat hen te wachten staat, zijn de verantwoordelijkheden niet helder belegd en krijgt de gemeenteraad soms weinig tot geen informatie. Met dit wetsvoorstel wordt het uitvoeren van een risicoanalyse een wettelijke verplichting. Daarmee wordt uitdrukking gegeven aan het grote publieke belang dat met de bestuurlijke integriteit is gemoeid. Met dit wetsvoorstel worden ook belangrijke kaders vastgelegd zodat voor alle betrokkenen – kandidaat-bestuurders, de voorzitters van het dagelijks bestuur en volksvertegenwoordigers – duidelijk is waar zij aan toe zijn. Daarbij gaat het om essentiële randvoorwaarden en waarborgen zoals de reikwijdte van de risicoanalyse, de verschillende verantwoordelijkheden en de omgang met persoonsgegevens. Dat is ook passend nu het uitvoeren van een risicoanalyse inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van kandidaat-bestuurders en daarmee een in potentie verstrekkend instrument is.
Al eerder bestond aan de zijde van de regering het voornemen om de
uitvoering van een risicoanalyse wettelijk te verankeren. Daarom heeft
de regering in 2021 een ontwerp van een nota van wijziging bij het
wetsvoorstel bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur
aangeboden aan de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de
Afdeling). Het advies van de Afdeling bevatte zowel een bezwaar tegen de
vorm als tegen de inhoud van de nota van wijziging. Hierop heeft de
regering besloten om niet tot indiening bij de Tweede Kamer over te
gaan.6 Kort weergegeven zagen de vragen en
opmerkingen van de Afdeling op de gevolgen voor de bestuurlijke
verhoudingen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de
rechtszekerheid van kandidaat-bestuurders. Om te komen tot dit voorstel
is de bestaande praktijk ten aanzien van de uitvoering van een
risicoanalyse in kaart gebracht.7 Dit voorstel is dan ook
tot stand gekomen met inachtneming van de vragen en de opmerkingen van
de Afdeling alsmede op basis van de lessen uit de praktijk. Met dit
voorstel wordt tevens uitvoering gegeven aan de door de regering
overgenomen motie Van der Graaf c.s.8 Het instrument van de
risicoanalyse is niet van toepassing op kroonbenoemde bestuurders zoals
burgemeesters, commissarissen van de Koning en dijkgraven. Zij worden
reeds aan een screening onderworpen, namelijk in de vorm van naslag bij
de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Belastingdienst en op
justitiële antecedenten.
Tot slot regelt dit wetsvoorstel dat de integriteitsnormen voor de
openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba in lijn worden
gebracht met de integriteitsnormen zoals die neergelegd zijn in de
Europees Nederlandse organieke wetgeving. Dat betekent dat er
vergelijkbare regels zullen gelden voor de uitvoering van een
risicoanalyse en de omgang met financiële belangen.9
1.2. Leeswijzer
Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 wordt de achtergrond, het doel en de strekking van de voorgestelde uitvoering van een risicoanalyse uiteengezet, en daarnaast wordt beschreven hoe de uitvoering van een risicoanalyse in de praktijk is ontstaan en wat het belang is van dit wetsvoorstel. In paragraaf 3 wordt vervolgens ingegaan op de inhoud en de uitvoering van de wettelijke regeling met betrekking tot de uitvoering van een risicoanalyse, met als belangrijk onderdeel de reikwijdte van een risicoanalyse. Paragraaf 4 ziet op de wettelijk te verankeren norm die gaat over financiële belangen door bestuurders. Paragraaf 5 ziet op het in lijn brengen van de integriteitsnormen van de openbare lichamen met die van Europees Nederland. In paragraaf 6 wordt stilgestaan bij de verhouding van dit wetsvoorstel tot hoger recht, waarna in paragraaf 7 wordt ingegaan op de verschillende gevolgen van dit wetsvoorstel. In paragraaf 8 volgt een toelichting op de opbrengst van de consultatiereacties en de eventuele verwerking daarvan.
Tot slot zij het volgende opgemerkt. Dit wetsvoorstel wijzigt de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. In deze toelichting wordt kortheidshalve in principe gesproken over gemeenten, gemeentelijke organen of de bepalingen uit de Gemeentewet. Tenzij anders aangegeven, is deze toelichting ook toepasselijk voor provincies, waterschappen en de Caribische openbare lichamen.10
2. Achtergrond wettelijke regeling risicoanalyse
2.1. Doel en strekking van het instrument
De uitvoering van een risicoanalyse is één van de onderdelen die in veel gemeenten plaatsvindt gedurende het benoemingsproces van kandidaat-wethouders.11 In de regel gebeurt dit nadat er een akkoord is bereikt door de onderhandelende partijen, maar voordat de wethouders door de raad worden benoemd. In die periode wordt met de uitvoering van een risicoanalyse preventief in kaart gebracht welke integriteitsrisico’s zich mogelijk (op termijn) kunnen voordoen gedurende de uitoefening van het ambt van wethouder. Ook kunnen eventuele preventieve maatregelen worden voorgesteld om het risico te mitigeren of geheel weg te nemen. Van belang is dat een risicoanalyse wordt verricht met het uitgangspunt dat de kandidaat-wethouder integer is. De uitvoering van een risicoanalyse is immers een preventief instrument ter ondersteuning van de bestuurlijke integriteit en geen, op wantrouwen gebaseerde, reactie op signalen of twijfels met betrekking tot de integriteit van een kandidaat. Het bestaan van integriteitsrisico’s betekent op zichzelf ook niet dat een kandidaat niet of minder integer is. Kandidaat-wethouders die zich rekenschap geven van eventuele integriteitsrisico’s en die op een juiste wijze adresseren, dragen juist bij aan het bevorderen van een integer openbaar bestuur. Het doel van de uitvoering van een risicoanalyse is om voor de burgemeester, de kandidaat-wethouder zelf en in het bijzonder de raad, die de wethouder benoemt, en uiteindelijk ook voor de lokale gemeenschap, inzicht te bieden in eventuele kwetsbaarheden met betrekking tot de integriteit van de kandidaat. Daarnaast moet de uitvoering van een risicoanalyse het bewustzijn aan de zijde van de kandidaat-bestuurder en het gesprek over bestuurlijke integriteit in de gehele organisatie (verder) stimuleren.
Het uitvoeren van een risicoanalyse wordt met dit wetsvoorstel een wettelijk verplichte procedurele stap voor de benoeming van een wethouder. Dit betekent dat indien er geen risicoanalyse is uitgevoerd, de kandidaat niet benoemd kan worden. Tegelijkertijd bevat het wetsvoorstel geen opsomming van mogelijke uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse en bepaalt het wetsvoorstel ook niet wanneer de raad een kandidaat na de uitvoering van een risicoanalyse wel of niet kan benoemen. De benoeming van wethouders blijft immers een naar haar aard politiek proces en gelet op het in de Grondwet neergelegde hoofdschap van de raad is het uitsluitend aan de raad om te beoordelen of een kandidaat-wethouder geschikt is voor het ambt.12 Dat betekent in de situatie dat – ondanks dat er zich blijkens de uitvoering van een risicoanalyse integriteitsrisico’s voordoen of beheersmaatregelen niet (volledig) worden uitgevoerd – de raad desgewenst tot benoeming kan overgaan. De raad kan naast de met hen gedeelde uitkomsten van een risicoanalyse – de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen – ook allerlei andere relevante aspecten meenemen bij de beoordeling of een kandidaat-wethouder naar het oordeel van de raad geschikt is voor het ambt en de kandidaat desgewenst daarover bevragen.
2.2. De uitvoering van een risicoanalyse in de praktijk
De afgelopen decennia is het aantal decentrale overheden dat kiest voor het gebruik van een vorm van risicoanalyse geleidelijk toegenomen. Uit eerdere verkennende gesprekken, die het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in 2018 met gemeenten voerde, bleek dat de uitvoering van een risicoanalyse zowel qua methode als proces erg verschilde tussen gemeenten. Daarop is in 2019 de Handleiding basisscan integriteit voor kandidaat-bestuurders – inmiddels onderdeel van het Handboek integriteit – opgesteld.13 Hiermee is beoogd decentrale overheden te ondersteunen bij de uitvoering van een risicoanalyse door een basis te leggen voor een zorgvuldige voorbereiding, uitvoering en borging van de uitvoering van een risicoanalyse. Een ruime meerderheid van de gemeenten heeft aangegeven bekend te zijn met en gebruik te maken van de basisscan.
Ter voorbereiding van dit wetsvoorstel heeft het ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties opdracht gegeven om de
uitvoeringspraktijk rond de uitvoering van een risicoanalyse bij
gemeenten anno 2022 nader in beeld te brengen. Dit onderzoek is
uitgevoerd door I&O Research in samenwerking met
DSP-groep.14 Dit onderzoek bestond uit een
kwantitatief deel waarbij burgemeesters (veelal opdrachtgever van de
uitvoering van een risicoanalyse) en wethouders (als subject van de
uitvoering van een risicoanalyse) zijn geënquêteerd. In de analyse van
de kwantitatieve data is een weging toegepast naar gemeentegrootte. De
resultaten kunnen ten aanzien van het inwonersaantal derhalve als
representatief worden beschouwd voor de landelijke praktijk. Na
afronding van dit deel zijn 28 verdiepende interviews afgenomen onder
zeven doelgroepen, te weten burgemeesters, wethouders, raadsgriffiers,
gemeentesecretarissen, hoofden bureau integriteit gemeenten,
kabinetschefs van de commissaris van de Koning en tot slot
vertegenwoordigers van externe bureaus die risicoanalyses uitvoeren. Uit
deze inventarisatie volgde dat de overgrote meerderheid van de
responderende gemeenten (96%) gebruik maakt van het instrument van de
uitvoering van een risicoanalyse. Er is door de onderzoekers een weging
toegepast naar gemeentegrootte, waardoor dit percentage representatief
is voor het landelijke beeld. Ook de meeste provincies en waterschappen
maken gebruik van de uitvoering van een risicoanalyse alvorens
Provinciale Staten respectievelijk het algemeen bestuur van het
waterschap overgaan tot het benoemen van de (dagelijkse) bestuurders.
Daarnaast worden bij het openbaar lichaam Bonaire
kandidaat-eilandgedeputeerden sinds 2019 onderworpen aan een
risicoanalyse.15 Bij de openbare lichamen
Sint-Eustatius en Saba zijn kandidaat-eilandgedeputeerden niet eerder
onderworpen geweest aan een risicoanalyse. Zo bezien is de uitvoering
van een risicoanalyse voor het gros van de decentrale overheden een
bekend instrument. Uit het verrichte onderzoek is eveneens gebleken dat
het overgrote deel – ruim negentig procent – van de burgemeesters en
wethouders het een effectief middel vinden om integriteitsrisico’s in
kaart te brengen en deze ook te verminderen. Zo gaven de respondenten
aan dat er bij een meerderheid van de kandidaat-wethouders daadwerkelijk
risico’s en kwetsbaarheden in kaart worden gebracht waarop
beheersmaatregelen volgden. Bovendien gaven veel ondervraagde
kandidaat-wethouders aan ‘zonder bezwaar’ bereid te zijn opvolging te
geven aan de voorgestelde maatregelen en dat het gesprek hen doorgaans
ook bewuster heeft gemaakt van het risico op belangenverstrengeling.16
Het onderzoek heeft verder inzichtelijk gemaakt dat de wijze waarop
risicoanalyses worden uitgevoerd zeer verschilt. Het gaat dan om
verschillende toetsingskaders, wisselende bronnen, andere procedures en
een andere omgang met de uitkomsten van de uitvoering van een
risicoanalyse. Zo worden de uitkomsten soms niet of slechts ten dele
gedeeld met de raad, terwijl in een beperkt aantal gevallen juist alle,
soms ook zeer persoonlijke, informatie met de raad wordt gedeeld. Ook
blijkt uit het onderzoek dat er veel verschillende typen uitvoerders
zijn, waarbij in de meeste gevallen de burgemeester en een extern bureau
al dan niet gezamenlijk de uitvoerder zijn. Tot slot kan geconstateerd
worden dat, mede vanwege het feit dat de wijze waarop de uitvoering van
een risicoanalyse niet nader geregeld is, de kwaliteit ervan in
voorkomende gevallen verhoogd kan worden.17
2.3. Belang wetsvoorstel
Een basisvoorwaarde voor een overheid waarin inwoners hun vertrouwen kunnen stellen, is dat zij integer handelt. Met dit wetsvoorstel wil de regering dan ook uitdrukking geven aan het grote publieke belang dat daarmee gemoeid is. Met de wettelijke verplichting om een risicoanalyse uit te voeren krijgt de bestuurlijke integriteit van kandidaat-bestuurders een centrale plaats voorafgaand aan hun benoeming door de raad. Het wetsvoorstel biedt tevens meer duidelijkheid en waarborgen voor de betrokken kandidaat-bestuurders zelf. Ten derde wordt met dit wetsvoorstel beoogd om duidelijkheid te scheppen over de verschillende verantwoordelijkheden en afhankelijkheden voor alle betrokkenen.
De Afdeling heeft bij het hiervoor genoemde eerdere voorstel uit 2021 een aantal kritiekpunten geformuleerd. Deze kritiek spitste zich toe op de gevolgen voor de bestuurlijke verhoudingen, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de rechtszekerheid van kandidaat-bestuurders. De regering heeft deze kritiek ter harte genomen bij het ontwerp van dit nieuwe wetsvoorstel. Een belangrijk doel van dit wetsvoorstel is dan ook om de nodige waarborgen te bieden zodat de persoonlijke levenssfeer en de rechtszekerheid van kandidaat-wethouders beter beschermd is. Dit gebeurt door in paragraaf 3.1 de reikwijdte duidelijk af te bakenen. Dit wetsvoorstel heeft ook als doel de gewenste duidelijkheid te verschaffen als het gaat om de bestuurlijke verhoudingen. Daarom regelt dit voorstel dat de burgemeester toeziet op de uitvoering van de risicoanalyse en wordt in paragraaf 3.2 van deze toelichting nader toegelicht hoe hij daar invulling aan kan geven. Tevens regelt dit wetsvoorstel dat de raad niet langer de feitelijke uitvoering van een risicoanalyse op zich kan nemen. Tot slot wees de Afdeling in haar advies bij dit wetsvoorstel in het kader van kwaliteitswaarborgen op het belang van het vaststellen van kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoek en in het bijzonder voor de risicoanalyse. De regering sluit zich hier bij aan, maar meent ook dat dit wetsvoorstel daartoe een belangrijke eerste stap is. Zo wordt het recht op wederhoor, de omgang met persoonsgegevens en ook het belangrijke uitgangspunt dat alleen kenbare integriteitsnormen onderdeel kunnen zijn van de risicoanalyse met dit wetsvoorstel vastgelegd. De vraag hoe het beste gekomen kan worden tot overige kwaliteitseisen is – voor alle soorten van integriteitsonderzoek naar politieke ambtsdragers – nog onderwerp van gesprek met de diverse beroeps- en belangenverenigingen alsmede met de uitvoerders van integriteitsonderzoek.
3. Inhoud en uitvoering wettelijke regeling risicoanalyse
3.1. Reikwijdte risicoanalyse
De verplichting tot het uitvoeren van een risicoanalyse wordt met dit voorstel van een duidelijke inkadering voorzien. Bij de uitvoering van een risicoanalyse gaat het erom inzichtelijk te maken of en zo ja, welke integriteitsrisico’s zich voordoen. Een belangrijk vertrekpunt daarbij is dat de uitvoering van een risicoanalyse uiteindelijk het doel heeft om risico’s te inventariseren ten aanzien van de wettelijke integriteitsnormen dan wel van integriteitsnormen die zijn vastgelegd in de lokale gedragscode integriteit of verordening. Deze integriteitsnormen brengen tot uitdrukking dat een politieke ambtsdrager18 niet zijn persoonlijke belangen mag laten prevaleren boven het algemeen belang dat hij dient te behartigen uit hoofde van zijn ambt. Veelal zijn deze normen in de Gemeentewet neergelegd – zoals bepalingen over nevenfuncties, onthouding van beraadslaging en stemming, geheimhouding, et cetera – en nader uitgewerkt of gespecificeerd in de wettelijk voorgeschreven gedragscode integriteit.19
Het is goed voorstelbaar dat er tijdens het gesprek met de kandidaat of wanneer er bijvoorbeeld een bredere bijeenkomst in het kader van integriteit plaatsvindt, zaken naar boven komen die relevant worden geacht, maar niet zijn te relateren aan een wettelijke integriteitsnorm of aan normen uit een verordening of de gedragscode integriteit. Integriteit gaat vanzelfsprekend om meer dan het volgen van normen en het beantwoorden van vragen daarover. Daar blijft nadrukkelijk ruimte voor, zodat tijdens het goede gesprek ook bij de bredere betekenis van integriteit – zoals in de vorige alinea geschetst – kan worden stilgestaan. Dit wetsvoorstel biedt echter geen grondslag voor de verdere verwerking van persoonsgegevens die daarbij een rol spelen. Bij de uitkomsten van de risicoanalyse zullen immers alleen conclusies worden getrokken ten aanzien van de risico’s die er zijn met betrekking tot de integriteitsnormen met een grondslag in de wet, verordening of gedragscode. Gelet op het belang van het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de beoogd wethouder, wordt het enkel ten aanzien van informatie die een direct verband houdt met deze normen proportioneel geacht om dit met de raad te delen. Dat betekent dus dat de informatie die in het kader van de risicoanalyse met de raad gedeeld kan worden beperkt is. Tegelijkertijd mag de raad elke denkbare (politieke) overweging – ook als het bijvoorbeeld gaat over de algemene geschiktheid van een kandidaat – bij de benoeming van wethouders betrekken. Hierop kunnen kandidaten ook bevraagd worden tijdens de openbare raadsvergadering waarin kandidaten al dan niet benoemd worden.20 De wettelijk voorgeschreven risicoanalyse – die één onderdeel vormt van het benoemingsproces – kan daar gelet op het voorgaande echter niet op zien.
3.1.1. Integriteitsnormen met een grondslag in de wet, verordening of gedragscode integriteit
Zoals hierboven al naar voren kwam ziet deze wettelijke regeling, waarin de risicoanalyse wordt vastgelegd, op normen die verband houden met de bestuurlijke integriteit. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen normen met een wettelijke grondslag in de Gemeentewet of met een buitenwettelijke grondslag zoals een gemeentelijke verordening of de lokale gedragscode integriteit. Dit wetsvoorstel regelt dat de risicoanalyse op het niveau van de wet wordt afgebakend. Dat doet het wetsvoorstel door te bepalen dat de risicoanalyse betrekking heeft op integriteitsnormen met een wettelijke grondslag. Aanvullend hierop kunnen normen uit de lokale gedragscode of verordening, bedoeld in artikel 41c, tweede lid, van de Gemeentewet ook onderdeel uitmaken van de risicoanalyse voor zover de raad uitdrukkelijk heeft bepaald dat deze betrokken dienen te worden bij de wettelijke risicoanalyse. De reikwijdte van de risicoanalyse ziet derhalve op de volgende onderwerpen:
Onverenigbare betrekkingen (artikel 36b van de Gemeentewet);
Naleving van de ambtseed (artikel 41a van de Gemeentewet);
Nevenfuncties (artikel 41b van de Gemeentewet);
Financiële belangen (op te nemen in een nieuw artikel 41ba Gemeentewet);21
Verboden handelingen (artikel 41c, eerste lid, van de Gemeentewet);
Normen die zijn vastgesteld in een verordening of gedragscode en waarvan door de raad uitdrukkelijk is bepaald dat deze betrokken dienen te worden bij de risicoanalyse (artikel 41c, tweede lid, van de Gemeentewet);
Onthouding van beraadslaging en stemming in geval van belangenverstrengeling (artikel 58 jo. artikel 28 van de Gemeentewet);
Verplichting tot geheimhouding in de zin van artikel 89, tweede lid, Gemeentewet.
De keuze voor deze scherpe en duidelijke afbakening van de uitvoering
van een risicoanalyse is er in de eerste plaats in gelegen dat de
uitvoering van een risicoanalyse een potentieel ingrijpend instrument is
voor kandidaat-bestuurders. De conclusies, aanbevelingen en
beheersmaatregelen die volgen uit de uitvoering van een risicoanalyse
worden immers gedeeld met de raad en kunnen worden besproken in de
raadsvergadering aangaande de benoeming van wethouders. Deze vergadering
is op grond van artikel 24, onderdeel d, van de Gemeentewet, altijd
openbaar. De uitvoering van een risicoanalyse kan een aanleiding vormen
om in deze raadsvergadering het gesprek aan te gaan, nadere vragen
daarover te stellen en kan in het uiterste geval ertoe leiden dat de
raad niet tot het benoemen van de kandidaat overgaat. Al met al bestaat
de kans dat de impact van de uitvoering van een risicoanalyse niet
gering is voor de reputatie van kandidaten, hun (politieke) loopbaan of
financiële belangen. Dit vereist dat van tevoren kenbaar is wat de
reikwijdte van een risicoanalyse betreft.
Zoals ook naar voren kwam in paragraaf 2.2. laat de huidige
uitvoeringspraktijk zien dat het per overheid verschilt hoe de
uitvoering van een risicoanalyse inhoudelijk is vormgegeven.
Integriteitsnormen dienen in heel Nederland hetzelfde doel: het
bevorderen dat politieke ambtsdragers het algemeen belang behartigen en
hun positie en bevoegdheden niet gebruiken voor eigen gewin. Om deze
reden is een meer uniform normenkader geboden. Dit biedt voor alle
betrokkenen de meeste houvast en zekerheid. Dit wetsvoorstel voorziet
daarin door te bepalen op welke wettelijke normen een risicoanalyse
ziet. Tegelijkertijd blijft er ruimte om rekening te houden met de
lokale context. Zoals in paragraaf 3.1 reeds naar voren kwam, is het
gesprek – in navolging van het bronnenonderzoek – een goed moment om
breder stil te staan bij het onderwerp integriteit.22
In de uiteindelijke rapportage zullen bevindingen echter herleidbaar
moeten zijn tot het hierboven genoemde kader.
Tot slot is op het niveau van de wet vastgelegd waarop de uitvoering van een risicoanalyse ziet, gelet op de grondrechtelijke beperkingssystematiek van artikel 10 van de Grondwet. De uitvoering van een risicoanalyse raakt aan de persoonlijk levenssfeer van de kandidaat-bestuurder, omdat er persoonsgegevens worden verwerkt, maar bovenal vanwege het effect van het instrument op het privéleven van de kandidaat an sich. Ook om die reden is het aangewezen om de hoofdelementen waaruit de uitvoering van een risicoanalyse bestaat op het niveau van de wet te regelen. Zie hierover ook paragraaf 6.1.
3.1.2. Formele benoembaarheidsvereisten
In de praktijk wordt in de fase van de uitvoering van een risicoanalyse ook onderzocht of een kandidaat-wethouder voldoet aan de formele benoembaarheidsvereisten. Het gaat dan om ingezetenschap, de leeftijd van 18 jaar, niet uitgesloten zijn van het kiesrecht en het kunnen overleggen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.23 Het onderzoek naar de benoembaarheidsvereisten voor kandidaat-wethouders is niet wettelijk gereguleerd. In de praktijk wordt dit bijvoorbeeld belegd bij een commissie geloofsbrieven. Dit wetsvoorstel heeft niet tot doel om die praktijk te wijzigen. De formele benoembaarheidsvereisten maken dan ook geen verplicht onderdeel uit van de uitvoering van een risicoanalyse. Tegelijkertijd wordt er nadrukkelijk rekening mee gehouden dat het in de praktijk wenselijk kan worden geacht om het onderzoek naar de formele benoembaarheidsvereisten te beleggen bij de uitvoerder van de uitvoering van een risicoanalyse. Het huidige wetsvoorstel staat hier niet aan in de weg en laat deze keuze aan de gemeente.
3.1.3. Bronnen
Bij de uitvoering van een risicoanalyse wordt gebruikt gemaakt van verschillende bronnen. De uitvoering van een risicoanalyse raakt daarmee aan de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat-wethouder, en in sommige gevallen aan zijn of haar directe omgeving, omdat er (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt. Bevoegdheden daartoe worden met dit wetsvoorstel niet toegekend. Het gaat daarom alleen om gegevens die openbaar zijn, door de kandidaat worden aangeleverd of eventueel volgen uit het netwerk van de kandidaat. Nu de reikwijdte van het onderzoek beperkt is tot vooraf bepaalde normen, kan alleen van bronnen gebruik worden gemaakt die daar direct mee in verband staan. Het gaat daarbij om de volgende bronnen:
Publiek toegankelijke bronnen (nieuwsberichten, sociale media, openbare publicaties, Handelsregister Kamer van Koophandel, et cetera) (artikel 36c, derde lid, onder a);
Informatie die de kandidaat zelf verstrekt (een ingevulde vragenlijst, het CV en een overzicht van nevenfuncties die de kandidaat vervult voor zover dit niet blijkt uit het CV, en het goede gesprek) (artikel 36c, derde lid, onder b);24
Het goede gesprek (als bijzonder onderdeel van de bovenstaande categorie) (artikel 36c, derde lid, onder b);
Het netwerk van de kandidaat (artikel 36c, derde lid, onder c).
Informatie die de kandidaat zelf verstrekt
Ten behoeve van de uitvoering van een risicoanalyse wordt de kandidaat gevraagd informatie aan te leveren. De vragenlijst stelt de uitvoerder in staat om zich een goed beeld te vormen van de kandidaat en de (mogelijke) risico’s in kaart te brengen. Ook biedt het de uitvoerder aanknopingspunten en een leidraad voor het latere gesprek met de kandidaat. Het staat de uitvoerder vrij om een eigen vragenlijst – met zelf geformuleerde vragen – te gebruiken. Omdat in deze fase van de risicoanalyse nog niet duidelijk is welke feiten en omstandigheden relevant zijn voor de bestuurlijke integriteit van de kandidaat, valt op voorhand niet duidelijk af te bakenen naar welke informatie gevraagd kan worden. Van belang is dat in ieder geval alle wettelijke integriteitsnormen aan bod komen. Het staat gemeenten vrij al dan niet tijdens het goede gesprek bijvoorbeeld open vragen te stellen die niet of niet direct verband houden met de bestuurlijke integriteit, zolang de uiteindelijke bevindingen in de rapportage maar een direct verband hebben met het relevante normenkader. Gesloten vragen hebben immers het risico dat zaken worden gemist die later toch relevant blijken te zijn. Om die reden geldt ook voor kandidaat zelf dat het goed is om in deze fase zo veel mogelijk informatie aan te leveren. Alleen die informatie die daadwerkelijk relevant is gelet op de wettelijke integriteitsnormen, zal verder worden verwerkt binnen de risicoanalyse. Of dat het geval is, kan bij het uitvoeren van de analyse dan zorgvuldig worden beoordeeld. Naast een vragenlijst, wordt de kandidaat gevraagd zijn curriculum vitae aan te leveren, alsmede een overzicht van zijn nevenfuncties als bedoeld in artikel 41b van de Gemeentewet voor zover deze niet uitputtend volgen uit het curriculum vitae.
Gesprek met de kandidaat
Een belangrijk onderdeel van de uitvoering van een risicoanalyse is een persoonlijk gesprek met de kandidaat. Het gesprek maakt als bron van informatie onderdeel uit van de categorie ‘door de beoogd wethouder zelf verstrekte informatie’. In het gesprek zullen naar alle waarschijnlijkheid, en dat is ook een uitgelezen moment daarvoor, ook zaken aan de orde komen die zich niet goed in een vragenlijst laten vastleggen en ook geen onderdeel zullen uitmaken van de uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse en dus ook niet van de conclusies, aanbevelingen en voorgenomen beheersmaatregelen die met de raad worden gedeeld. Bestuurlijke integriteit is immers meer dan het volgen van wettelijke integriteitsnormen en het beantwoorden van vragen. Het gaat bijvoorbeeld ook om bewustzijn, doorleven dan wel verinnerlijking, alertheid en handelingsperspectief. Van bestuurders mag men verwachten dat zij zich integer gedragen. Vooraf is het voor een wethouder echter niet altijd duidelijk wat ‘integer besturen’ precies van hem of haar vraagt, en dat de samenleving wel eens een ander moreel kompas kan hebben dan de bestuurder zelf heeft. Daarnaast is er bij integriteit vaak sprake van een groot grijs gebied. Het voeren van een gesprek biedt de kandidaat de mogelijkheid om te werken aan het integriteitsbewustzijn in relatie tot de functie. Dit wordt vaak aangeduid als “het goede gesprek”. Verder kan de uitvoerder de kandidaat doortastend bevragen over opvallende zaken uit de vragenlijst en het openbare bronnenonderzoek en stelt het gesprek de kandidaat in de gelegenheid om opvallende zaken toe te lichten. Dit goede gesprek is overigens niet klaar na afronding van de risicoanalyse, maar betreft juist een doorlopend gesprek tussen de wethouder en de burgemeester – en in sommige gevallen ook de raad – over dilemma’s die zich tijdens de ambtsperiode voordoen. Het goede gesprek als onderdeel van de risicoanalyse moet daarom worden gezien als het begin daarvan.
Publiek toegankelijke bronnen
Ter verificatie van en als aanvulling op de ingevulde vragenlijst kan de uitvoerder openbare bronnen raadplegen. Het gaat hierbij dus nadrukkelijk niet om het krijgen van een zo compleet mogelijk beeld van het leven een individu, maar om feiten en omstandigheden die raken aan de bestuurlijke integriteit. In de praktijk van de benoeming van kandidaat-bestuurders komt dit veelvuldig voor om een beeld te krijgen van de persoon in kwestie en verschillende zaken te kunnen verifiëren. Het gaat uitsluitend om bronnen die door iedereen kunnen worden geraadpleegd, zoals websites, sociale media en openbare registers.
Een publiek toegankelijke bron kenmerkt zich doordat in beginsel eenieder er toegang toe kan verkrijgen en dat voor zover toegang gebonden is aan een account, het verkrijgen van een account een (semi-)geautomatiseerd proces is waarbij bepaalde groepen niet worden uitgesloten van registratie. Ten aanzien van het gebruik van deze bronnen geldt dat de verwachtingen die iemand mag hebben ten aanzien van zijn privacy minder vergaand zijn dan ten aanzien van wat zich afspeelt in het privédomein. Dit speelt temeer ten aanzien van een persoon die kiest voor een openbaar ambt. Daar gaat een verminderde verwachting van privacy mee gepaard. Op het moment dat die informatie wordt gebruikt voor de risicoanalyse is er sprake van verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG en daarmee dienen ook de waarborgen die op grond daarvan gelden in acht te worden genomen. Met dit wetsvoorstel wordt daarom de grondslag hiervoor geëxpliciteerd. Eventuele openstaande onderdelen uit de vragenlijst kunnen na raadpleging van de bronnen in het gesprek met de kandidaat aan bod komen.
Netwerk van de kandidaat
In sommige gevallen kan het voorkomen dat het sociale- en/of zakelijke netwerk van de wethouder relevant kan worden geacht bij de vraag of er zich mogelijk een bepaald risico voordoet ten aanzien van een wettelijke integriteitsnorm. Zo kan er in de zin van artikel 28 juncto artikel 58 van de Gemeentewet sprake zijn van een aangelegenheid die de wethouder indirect persoonlijk (middellijk) aangaat bij de beraadslaging en/of stemming. Deze norm is in potentie relevant bij alle intensieve, persoonlijke relaties van de wethouder. Daarnaast kan in relatie tot het hebben van financiële- en/of zakelijke belangen zoals volgt uit het nieuwe artikel 41ba van de Gemeentewet relevant zijn met welke zakenpartner een wethouder bijvoorbeeld een aandelenportefeuille deelt. Om voormelde reden kunnen vragen die verband houden met het sociale en/of zakelijke netwerk van de wethouder worden opgenomen in de vragenlijst en kunnen relevante integriteitsrisico’s die daaruit voortvloeien worden meegenomen in de uiteindelijke rapportage, mits die risico’s te relateren zijn aan één van de hierboven genoemde integriteitsnormen.
Bovendien zou dit netwerk, indien daar aanleiding toe is, en de uitvraag direct verband houdt met een relevante integriteitsnorm – waaronder het persoonlijk belang zoals hierboven reeds beschreven – kunnen worden bevraagd. Dit wordt eveneens afgebakend door de reikwijdte van de uitvoering van een risicoanalyse. Indien hier gebruik van wordt gemaakt, wordt ook altijd de kandidaat zelf hiervan op de hoogte gesteld, en vermeldt de uitvoerder duidelijk wat de bedoeling is van de uitvraag. Medewerking van personen uit het netwerk van de kandidaat geschiedt op basis van vrijwilligheid.
3.2. De uitvoering van een risicoanalyse
Een risicoanalyse wordt uitgevoerd voorafgaand aan de benoeming, herbenoeming en vervanging van een wethouder. De uitkomsten kunnen ertoe leiden dat een beoogd wethouder een andere portefeuille krijgt binnen het college dan aanvankelijk was besproken tijdens de collegeonderhandelingen. In het uiterste geval trekt de beoogd wethouder zich terug of besluit de raad hem niet te benoemen. Dit zijn ingrijpende consequenties en daarom dient de uitvoering van een risicoanalyse op een transparante en zorgvuldige wijze plaats te vinden. In dit voorstel is om die reden niet alleen de reikwijdte van een risicoanalyse nader afgebakend, maar regelt het – in navolging op de vragen en opmerkingen van de Afdeling bij het eerdere voorstel uit 2021 – ook aan welke processuele waarborgen de uitvoering van een risicoanalyse minimaal dient te voldoen. Het gaat daarbij onder andere om de mogelijkheid voor de beoogd wethouder om vooraf te reageren op de uitkomsten van risicoanalyse, de verplichting tot geheimhouding, de beperking van welke gegevens met de raad gedeeld kunnen worden en de rol van burgemeester. Hieronder wordt dat nader toegelicht.
3.2.1 Verantwoordelijkheid en ondersteuning van de burgemeester
Met dit voorstel wordt in artikel 36c, tweede lid, van de Gemeentewet opgenomen dat de burgemeester verantwoordelijk is voor de uitvoering van een risicoanalyse. Uit artikel 170, tweede lid, van de Gemeentewet volgt reeds dat de burgemeester tot taak heeft de bestuurlijke integriteit te bevorderen. Deze nieuwe taak is een concretisering van deze algemene taak. Het gaat er daarbij om dat de burgemeester er op toeziet dat de uitvoering van een risicoanalyse daadwerkelijk en op een zorgvuldige wijze wordt uitgevoerd binnen de gestelde kaders. De burgemeester kan zelf zorg dragen voor de feitelijke uitvoering van een risicoanalyse, de uitvoering beleggen bij een extern bureau dan wel bij een onafhankelijke commissie, of een combinatie hiervan. Dit sluit ook goed aan bij de huidige uitvoeringspraktijk.25 Uit het onderzoek blijkt verder dat gemeenten veel gebruikmaken van de kennis en expertise van bureaus. Daarnaast kan een bureau een zekere onafhankelijkheid verzekeren ten behoeve van het onderzoek en de gemeenteorganisatie ontlasten in de uitvoering van de risicoanalyse.
Met dit wetsvoorstel wordt de mogelijkheid open gelaten dat een burgemeester zelf zorg draagt voor de uitvoering van de risicoanalyse. In reactie op het advies van de Afdeling advisering is hier ook in het nader rapport op ingegaan. Het open laten van deze mogelijkheid dient verscheidene doelen. In de eerste plaats wordt hiermee tot uitdrukking gebracht dat de risicoanalyse onder de verantwoordelijkheid van de burgemeester zelf kan plaatsvinden, waarbij de feitelijke uitvoering door een daartoe gemandateerde ambtenaar wordt gedaan. Dit sluit aan bij de huidige uitvoeringspraktijk en de regering hecht er aan dat daar ruimte voor blijft. In sommige situaties zal een burgemeester ook een eigenstandige rol vervullen, bijvoorbeeld als het ‘goede gesprek’ met de kandidaat plaatsvindt.26 Ook hier wil de regering ruimte voor houden omdat het de burgemeester concreet in staat stelt uitvoering te geven aan zijn zorgplicht ten aanzien van de bestuurlijke integriteit van het gemeentebestuur. De wet legt echter alleen de verantwoordelijkheid bij de burgemeester om toe te zien op de uitvoering van de risicoanalyse.
Het is binnen de bovenstaande algemeen geformuleerde procesverantwoordelijkheid niet aan te bevelen dat de burgemeester de gehele feitelijke uitvoering van de risicoanalyse voor zijn rekening neemt. Wel is denkbaar dat een burgemeester, die hier geen extern bureau voor wil inschakelen, de feitelijke uitvoering laat verrichten door een ambtelijke functionaris namens hem. Deze ambtenaar zorgt dan feitelijk voor het inwinnen van de benodigde informatie, het voeren van het gesprek met de kandidaat-bestuurder, het opstellen van de concept-rapportage, het delen van de concept-rapportage met de kandidaat-bestuurder en tot slot het overleggen van de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen aan de raad. De wet regelt dit niet tot op dit niveau. Het verplicht voorschrijven van mandaat past niet bij het karakter van de Gemeentewet en het direct attribueren van deze taak of bevoegdheid aan een ambtenaar zou zich niet verhouden tot artikel 128 Grondwet.
De burgemeester kan zoals hierboven reeds benoemd er tot slot ook voor kiezen de uitvoering van een risicoanalyse te beleggen bij een extern bureau dan wel bij een onafhankelijke commissie in de zin van artikel 84 van de Gemeentewet.27 Op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus geldt een vergunningsplicht voor externe bureaus om persoonsgericht integriteitsonderzoek te mogen uitvoeren.28 Deze vergunningsplicht is ook vereist ter uitvoering van de risicoanalyse en wordt inclusief Particulier Onderzoeksbureau-nummer uitgegeven door Justis.29
De uitvoering van een risicoanalyse kan niet langer geschieden door (een commissie van) de gemeenteraad. In navolging van het advies van de Afdeling advisering is dat ook op het niveau van de wet geëxpliciteerd. De beoordeling van de integriteitsrisico’s dient immers los van politieke overwegingen plaats te vinden. Raadsleden hebben ten opzichte van de beoogd wethouder nu eenmaal niet de neutrale positie die aan de burgemeester wel toekomt. Ook hangt dit samen met het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat. Bij het uitvoeren van een risicoanalyse komt veel persoonlijke informatie naar boven, die niet relevant is om in de openbaarheid gebracht te worden. Enkel de met de raad gedeelde uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse – de conclusies, aanbevelingen en door de kandidaat voorgenomen beheersmaatregelen – worden betrokken bij de openbare beraadslaging over de benoeming.
De burgemeester is niet verantwoordelijk voor de uitkomsten van een
concreet geval. Of een kandidaat-bestuurder al dan niet benoembaar is,
blijft uitsluitend een oordeel van de raad zelf. Wel zal de burgemeester
gelet op diens taak moeten oordelen of de uitvoering van een
risicoanalyse voldoende degelijk is uitgevoerd en of de raad daarmee
over voldoende gewogen informatie beschikt om te kunnen oordelen over de
benoeming. Dat zal er in de praktijk vooral op neerkomen te bezien of
alle relevante onderwerpen aan bod zijn gekomen, of er geen open eindjes
in de uitkomsten zitten, of de kandidaat-bestuurder geen klachten heeft
over de procedures en of de uitvoering daadwerkelijk en op een
zorgvuldige wijze is uitgevoerd binnen de gestelde kaders. In de meeste
gevallen zal er niet een directe aanleiding zijn om nader onderzoek te
doen. Hoewel de burgemeester toegang heeft tot alle informatie rond de
uitvoering van een risicoanalyse, zal in de praktijk vaak het bekijken
van de conclusies en aanbevelingen van de uitvoering van een
risicoanalyse voldoende zijn, als hierin alle relevante onderwerpen aan
bod gekomen zijn, de uitkomsten op zichzelf geen vragen meer oproepen en
vanuit de kandidaat-bestuurder of uitvoerder geen signalen zijn over
mogelijke problemen.30
Door met dit voorstel wettelijk de uitvoering van een risicoanalyse te
normeren en vast te leggen welke processuele waarborgen er gelden is
beoogd de burgemeester een handvat te bieden bij het uitvoeren van zijn
taak om de bestuurlijke integriteit te bevorderen. Zorgvuldig tot stand
gekomen uitkomsten van een risicoanalyse staan het periodiek bespreken
van het thema bestuurlijke integriteit binnen het college immers ten
dienste. Zo kan bijvoorbeeld bezien worden of de huidige
beheersmaatregelen nog het daarmee beoogde doel dienen of dat andere
maatregelen nodig zijn om de integriteit van het bestuur te bevorderen.
Tegen deze achtergrond is het dan ook logisch dat bij ambtsopvolging of
waarneming van het burgemeestersambt het dossier overgaat op de
ambtsopvolger of degene die in de waarneming van het ambt voorziet.
Uiteraard is de rol van de burgemeester bij integriteit breder dan de uitvoering van een risicoanalyse. In gevallen waarin de burgemeester daadwerkelijk vreest dat de bestuurlijk integriteit van de gemeente in het geding is, kan de burgemeester ook terecht bij de commissaris van de Koning op grond van artikel 182, eerste lid, onder c, van de Provinciewet. In die situatie, of wanneer sprake is van verstoorde verhoudingen, is de commissaris van de Koning als rijksorgaan belast met het adviseren en bemiddelen. In de gevallen dat de burgemeester twijfels heeft over de uitvoering van de risicoanalyse kan de burgemeester eveneens te rade gaan bij de commissaris van de Koning. Eventuele problemen rond de risicoanalyse zullen namelijk naar hun aard al snel raken aan de bestuurlijke integriteit van een gemeente. De commissaris van de Koning kan de burgemeester bijvoorbeeld bijstaan met advies. Daarbij kan de commissaris van de Koning op basis van artikel 182, tweede lid, van de Provinciewet, mits zijn taak als rijksorgaan dit vergt, inzicht krijgen in de uitvoering van een risicoanalyse. Opmerking verdient dat de commissaris van de Koning deze rol niet heeft ten aanzien van waterschappen. Dit vloeit voort uit artikel 133 van de Grondwet waarin het toezicht op de waterschappen bij gedeputeerde staten is belegd.
Het is belangrijk dat de burgemeester zijn taak om de bestuurlijke integriteit te bevorderen onbelemmerd kan uitvoeren.31 Dat geldt niet alleen rondom de benoeming, maar gedurende de gehele ambtsperiode van het college. Een continu bewustzijn van de krachten en kwetsbaarheden van het college draagt bij aan een integer bestuur dat in dienst staat van alle burgers. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ondersteunt met subsidie initiatieven van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (hierna: NGB) en de Wethoudersvereniging die hier aan moeten bijdragen.32
3.2.2. De uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse
Een deel van de uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse wordt door tussenkomst van de burgemeester overgelegd aan de raad in de vorm van conclusies, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen. Een belangrijk doel van de uitvoering van een risicoanalyse is dan ook om de raad inzicht te bieden in eventuele kwetsbaarheden met betrekking tot de integriteit van de kandidaat. De raad besluit immers of wethouders al dan niet worden benoemd. De burgemeester dient bij die afweging dus goed voor ogen te hebben dat de raad afdoende wordt geïnformeerd. Het is immers aan de raad om zich een oordeel dient te vormen over de kandidaat-wethouder. Tegelijkertijd worden er met de uitvoering van een risicoanalyse allerhande gegevens verzameld die behoren tot de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat. Het is tegen die achtergrond niet mogelijk om in algemene zin aan te geven welke gegevens wel of niet met de raad gedeeld mogen worden (en dus openbaar worden). Het richtsnoer daarbij voor de burgemeester is dat informatie alleen met de raad gedeeld wordt voor zover dat proportioneel is gelet op het doel van de uitvoering van een risicoanalyse: het bieden van inzicht in en het noemen van handelingsperspectieven in relatie tot (eventuele) integriteitsrisico’s. De burgemeester dient tegen deze achtergrond een zorgvuldige afweging te maken tussen de verschillende belangen. Om deze waarborg te verzekeren is in artikel 36c, vijfde lid, van de Gemeentewet geëxpliciteerd dat zowel betrokkene zelf als eventuele derden over wie mogelijk informatie wordt opgenomen in de conclusies, aanbevelingen of voorgenomen beheersmaatregelen die naar de raad worden gestuurd, een reactie kunnen geven voordat betreffende gegevens met de raad worden gedeeld. Is het verstrekken van deze informatie aan de raad niet proportioneel in verhouding tot de belangen van betrokkene – het gaat dan om de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat – dan blijft dit achterwege. Nu een belangrijk doel van de risicoanalyse ziet op het inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden aan de raad, zal van deze mogelijkheid terughoudend gebruikt moeten worden gemaakt.
Conclusie
Elke rapportage bevat ten minste een conclusie. Daarin kunnen bepaalde
integriteitsrisico’s worden geconstateerd. Benadrukt zij dat het bestaan
van integriteitsrisico’s op zichzelf niet betekent dat een persoon niet
of minder integer is, maar mogelijk is het wel aangewezen om
beheersmaatregelen te nemen. In de conclusie wordt geen standpunt
ingenomen over de benoembaarheid van een kandidaat. Dit is immers, met
de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen van een risicoanalyse
in de hand, aan de raad. Vanzelfsprekend kan ook geconcludeerd worden
dat er zich geen integriteitsrisico’s voordoen. In dat geval volgen er
geen aanbevelingen of eventuele beheersmaatregelen. Wel is het aan de
wethouder om bij de uitoefening van de functie zich rekenschap te geven
van gewijzigde omstandigheden en van de geldende integriteitsnormen
waaraan in de uitvoering van een risicoanalyse is getoetst. Indien
ervoor gekozen is om de formele benoembaarheidsvereisten onderdeel te
laten zijn van de risicoanalyse, zal dit ook onderdeel van de conclusie
zijn.
Aanbevelingen
Indien er integriteitsrisico’s worden geconstateerd, is het aan de
uitvoerder van een risicoanalyse om te bezien welke aanbevelingen er
kunnen worden gedaan om die risico’s te verkleinen dan wel weg te nemen.
Op basis van de bevindingen geeft de uitvoerder een advies met
handelingsperspectieven die de kandidaat inzicht bieden op welke manier
de risico’s kunnen worden verkleind of weggenomen. Het advies kan
bijvoorbeeld zijn om een bepaalde nevenfunctie neer te leggen, zich te
onthouden van beraadslagging en stemming in het college bij een bepaald
onderwerp of een plan dat een bepaald gebied betreft waarbij de
kandidaat een persoonlijk belang heeft of het op afstand plaatsen van
financiële belangen. De aanbevelingen moeten de proportionaliteitstoets
kunnen doorstaan. Dat wil zeggen dat de (zwaarte van de) aanbeveling
moet worden gerechtvaardigd door (de ernst van) het geconstateerde
integriteitsrisico.
Beheersmaatregelen
Beheersmaatregelen betreffen de door de uitvoerder voorgestelde aanbevelingen of andere maatregelen die gericht zijn aan de kandidaat-bestuurder. De beheersmaatregelen worden door de uitvoerder van een risicoanalyse voorgesteld door middel van een advies in de richting van de kandidaat. Het gaat hierbij vooral om aanbevelingen voor de kandidaat omtrent het kunnen mitigeren van de door de uitvoerder geconstateerde integriteitsrisico's. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een wethouder wordt geadviseerd dat financiële belangen op afstand worden geplaatst of nevenfuncties worden opgezegd. Ook is het mogelijk dat de uitvoering van een risicoanalyse aanleiding geeft om de portefeuilles binnen het beoogde college anders te verdelen dan aanvankelijk was beoogd. De kandidaat gaat vervolgens in gesprek om concrete afspraken te maken over op welke manier opvolging wordt gegeven aan de beheersmaatregelen en hoe daar bijvoorbeeld over wordt teruggekoppeld. Bovendien dient in de beheersmaatregelen rekenschap te worden gegeven van mogelijke integriteitsrisico’s ten aanzien van andere portefeuilles binnen het college. De risicoanalyse houdt in die zin dus nadrukkelijk rekening met het gegeven dat een wethouder onderdeel is van een collegiaal bestuur. Op die manier wordt ook rekening gehouden met de situatie waarin een portefeuillewissel plaatsvindt tijdens de ambtsperiode. Dit betekent dat er op dat moment geen nieuwe risicoanalyse hoeft plaats te vinden. Van de kandidaat wordt verwacht dat hij daar op een professionele manier mee omgaat en bovendien ziet ook de burgemeester hier in het bijzonder op toe bij een portefeuillewissel.
Tot slot is het nog van belang om te benoemen dat de raad ook altijd aparte afspraken (beheersmaatregelen) kan maken met de kandidaat-wethouder als voorwaarde om uiteindelijk tot benoeming over te gaan. Dat kan gaan over het mitigeren van risico’s met betrekking tot de bestuurlijke integriteit, maar kan ook andere afspraken betreffen. Deze afspraken vallen dan buiten de reikwijdte van de risicoanalyse.
3.2.3 Procedure rond de bekendmaking
De conclusie en aanbevelingen worden pas gedeeld nadat de kandidaat-bestuurder inzicht heeft verkregen in de definitieve rapportage en het onderdeel waarvan het voornemen er is om die met de raad te delen. Op grond van het voorgestelde artikel 36c, vijfde lid, van de Gemeentewet kunnen de conclusies en aanbevelingen uitsluitend gedeeld worden met de raad nadat de kandidaat de stukken heeft kunnen inzien en hem een redelijke kans is geboden daar mondeling en/of schriftelijk op te reageren. De exacte wijze waarop de mogelijkheid tot reactie wordt gegeven kan in de praktijk wisselen afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de wensen van de kandidaat. De reactie zal normaliter samenvallen met het moment van inzage, maar in overleg met de burgemeester kan de kandidaat ook iets meer bedenktijd worden gegeven. Waar het om gaat is dat eventuele feitelijke onjuistheden tijdig kunnen worden rechtgezet en dat de kandidaat-bestuurder kan aangeven in hoeverre hij of zij van plan is om uitvoering te geven aan de eventuele aanbevelingen door het nemen van beheersmaatregelen. Daarnaast kan de kandidaat mogelijke klachten over de procedure aankaarten bij de burgemeester, gezien zijn wettelijke plicht zorg te dragen voor een toereikende uitvoering van de risicoanalyse. Verder kan de kandidaat redenen aandragen waarom het delen van bepaalde persoonsgegevens onevenredig zou zijn gelet op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Uiteindelijk is het dan wel aan de burgemeester – gelet op diens wettelijke taak om toe te zien op de uitvoering van de risicoanalyse – om hierover een beslissing te nemen. Bovendien kan de kandidaat ervoor kiezen zijn klachten over de procedure of de informatie die over hem of haar is verzameld als aantekening mee te laten nemen in de conclusies. Tot slot heeft de beoogd wethouder op dit moment nog de mogelijkheid zich terug te trekken. Als de beoogd wethouder besluit zich terug te trekken, worden de conclusies, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen uiteraard niet gedeeld met de raad en blijft hier geheimhouding op rusten, omdat er geen legitiem doel meer is voor het overleggen aan de raad. Wanneer de stukken met betrekking tot de uitvoering van een risicoanalyse worden vernietigd, hangt af van hetgeen is bepaald in de gemeentelijke selectielijst voor archiefbescheiden.33
Verder is het mogelijk dat de integriteitsrisico’s direct te maken hebben met specifieke derden en het voor het voldoende informeren van de raad noodzakelijk lijkt dat er persoonsgegevens van deze derde – waaronder gegevens die herleidbaar zijn tot deze derde – worden opgenomen in de conclusies, aanbevelingen of voorgenomen beheersmaatregelen. In dat geval is het een verplichting dat deze derde ook vooraf in de gelegenheid wordt gesteld een reactie te geven. Als er alleen in het niet-openbare deel van de rapportage persoonsgegevens van derden worden vermeld, geldt deze plicht niet. Ook wordt opgemerkt dat – anders dan de kandidaat - deze derde geen inzicht dient te krijgen in de volledige rapportage, maar enkel op het deel van de conclusies, aanbevelingen of voorgenomen beheersmaatregelen dat ziet op deze derde. Dat heeft ermee te maken dat het delen van mogelijk privacygevoelige informatie zoveel mogelijk wordt beperkt in dit proces. Naast de mogelijkheid van feitelijke correcties, geeft deze procedure stap aan de derde de mogelijkheid om te verzoeken om bepaalde gegevens niet openbaar te maken omdat dit onevenredig zou zijn gelet op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat zal bij persoonsgegevens van een derde eerder aan de orde zijn omdat deze derde niet zelf heeft gekozen voor een openbaar ambt en niet zelf kan kiezen zich terug te trekken en daarmee de openbaarmaking te voorkomen. Ook hierover ligt de uiteindelijke afweging bij de burgemeester.
Als de kandidaat zich niet terugtrekt deelt de burgemeester de conclusie en de eventuele aanbevelingen en beheersmaatregelen met de raad. Dit onderdeel van de rapportage wordt voorafgaand aan de openbare raadsvergadering over de benoeming van de kandidaat-wethouder aan de raad overgelegd. Het is daarbij van belang dat de raad de tijd heeft om kennis te nemen van de inhoud van de rapportage om zo een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de met hen gedeelde uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse. De raad maakt de conclusie en de eventuele aanbevelingen en beheersmaatregelen openbaar als ingekomen stuk en vergaderstuk voor de vergadering waarin de benoeming van de wethouders wordt behandeld.
Op de informatie die in het kader van de uitvoering van een risicoanalyse is verwerkt en die niet aan de raad is overlegd, rust op grond van het voorgestelde artikel 36c, zesde lid, van de Gemeentewet van rechtswege geheimhouding. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om informatie die uiteindelijk niet relevant is bevonden om te gebruiken in de met de raad te delen uitkomsten. De geheimhoudingsplicht zal in de praktijk zien op feitelijke informatie die niet op andere en legitieme wijze openbaar is en op hoe bepaalde informatie (al dan niet openbaar) bij de uitvoering van een risicoanalyse is betrokken. Nu het om een geheimhouding van rechtswege gaat, zijn de bepalingen die zien op het verstrekken van informatie waarop het college of de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd niet van toepassing. Deze stukken kunnen dus niet onder geheimhouding met de raad worden gedeeld en evenmin kan de geheimhouding door een orgaan van het gemeentebestuur worden opgeheven. Overigens wordt opgemerkt dat de algemene opzet van de uitvoering van een risicoanalyse niet onder de geheimhoudingsplicht valt, omdat het hier niet gaat om informatie die in het kader van de uitvoering van de risicoanalyse is verwerkt. De geheimhoudingsplicht kan niet door gemeentelijke bestuursorganen opgelegd dan wel opgeheven worden. Deze geheimhoudingsplicht komt te vervallen ten aanzien van de conclusie, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen zodra deze door tussenkomst van de burgemeester zijn overgelegd aan de raad en daarmee openbaar worden. Deze informatie zal worden betrokken bij de openbare beraadslaging. Op de overige informatie en uitkomsten van de risicoanalyse blijft dus geheimhouding rusten.
Nadat de raad de beoogde wethouder heeft benoemd , is de wethouder verplicht de uiteindelijke beheersmaatregelen uit eigen beweging openbaar te maken. Deze openbaarmaking geschiedt zowel fysiek op het gemeentehuis als elektronisch, op de website van de gemeente. Dit betreft dus ten opzichte van het overleggen van de voorgenomen beheersmaatregelen aan de raad, in de zin van artikel 36c, vierde lid, nog een extra handeling van de wethouder zelf die veeleer strekt tot het op een toegankelijke manier openbaar maken van de beheersmaatregelen voor eenieder.34 Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de wethouder. Evenwel ziet de burgemeester, vanuit zijn in artikel 170, tweede lid, van de Gemeentewet omschreven zorgplicht, hier op toe. Deze verplichting wordt voorgesteld, omdat denkbaar is dat gedurende de vergadering over de benoeming aanvullende toezeggingen worden gedaan over de beheersmaatregelen. De uiteindelijke beheersmaatregelen kunnen dus verschillen ten opzichte van de door de kandidaat voorgenomen beheersmaatregelen die samen met de conclusies en aanbevelingen van de risicoanalyse met de raad zijn gedeeld.
3.3. Risicoanalyse bij waterschappen
Ter voorbereiding van dit wetsvoorstel is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat opdracht gegeven om de uitvoeringspraktijk van de risicoanalyse bij waterschappen nader in beeld te brengen. Uit dit voor interne doeleinden uitgevoerde onderzoek, dat is uitgevoerd door Berenschot, blijkt dat minimaal 75 procent van de waterschappen in de periode 2015 tot en met 2023 een risicoanalyse heeft laten uitvoeren door een extern bureau voorafgaand aan de benoeming van leden van het dagelijks bestuur. Uit de inventarisatie van de uitvoeringspraktijk is duidelijk geworden dat – net zo als het onderzoek naar de uitvoeringspraktijk bij gemeenten35 – er veel verschil zit tussen de uitvoeringswijze als het gaat om de reikwijdte, het gebruik van bronnen en de wijze waarop de uitvoerder te werk gaat. Ook zijn de bestuurlijke verantwoordelijkheden niet altijd duidelijk. Het wettelijk vastleggen van de risicoanalyse om zo meer duidelijkheid en waarborgen te bieden, biedt dus evident ook voor de waterschappen meerwaarde.
Waterschappen verschillen van gemeenten. Zo zijn de meeste leden van het dagelijks bestuur parttime bestuurder en hebben zij daarnaast een andere baan.36 Daarom moet bij waterschappen langer stil worden gestaan bij een mogelijke samenloop van werkzaamheden van dagelijks bestuurder met tevens andere functies. Er is wel een trend zichtbaar dat het aantal parttime dagelijks bestuursleden bij waterschappen afneemt. De reden hiervan is dat de bezoldiging van leden van het dagelijks bestuur van een waterschap sinds 2023 verhoogd kan worden van 300% naar maximaal 400% van een voltijds bezoldigingsbedrag.
Een ander verschil is dat het bij waterschappen regelmatig voorkomt dat er in het dagelijks bestuur een lid zitting heeft met veel grondeigendom – of dat een direct familielid dat heeft. De directe dan wel indirecte relatie tussen onroerend goed en de uitvoering van de waterbeheertaak van het waterschap verdient dan ook bijzondere aandacht bij de uitvoering van de risicoanalyse. Waterschappen hebben een aantal geborgde zetels met als doel om specifieke belangen te representeren. Het gaat hierbij echter nadrukkelijk niet om een te onderscheiden persoonlijk belang zoals ook volgt uit de Waterschapswet.37 Op dit punt wijkt de situatie dus niet af van die van gemeenten zodat de risicoanalyse op eenzelfde manier uitgevoerd kan worden.
De voorzitter, veelal aangeduid als dijkgraaf, is een kroonbenoemde bestuurder en heeft de wettelijke taak om de bestuurlijke integriteit van het waterschap te bevorderen. Het is daarmee passend dat de voorzitter toeziet op de uitvoering van de risicoanalyse. Een voorzitter kan zelf zorg dragen voor de uitvoering van een risicoanalyse, waarbij de feitelijke uitvoering door een daartoe gemandateerde ambtenaar wordt gedaan of kan de uitvoering beleggen bij een extern bureau. Het wetsvoorstel regelt daarbij niet door wie de risicoanalyse feitelijk wordt uitgevoerd. Wel wordt vastgelegd dat dit niet (een commissie uit) het algemeen bestuur kan zijn, omdat dit niet past bij de rol van het algemeen bestuur rondom de benoemingsprocedure van een dagelijks bestuurder. De verdere uitvoering van de risicoanalyse geschiedt op gelijke wijze als bij gemeenten en provincies.38 Vanwege de aanpassing van de Waterschapswet is dit wetsvoorstel mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat ingediend.
3.4. Risicoanalyse bij de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze memorie van toelichting wordt kortheidshalve in principe gesproken over gemeenten, gemeentelijke organen of de bepalingen uit de Gemeentewet. Dat laat onverlet dat met dit wetsvoorstel ook de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (WolBES) wordt gewijzigd. Hiermee wordt het uitvoeren van een risicoanalyse bestuurlijke integriteit een wettelijke verplichting.39 Met het oog op de verschillende functietitels wordt hier opgemerkt dat waar in deze memorie van toelichting gerefereerd wordt aan de rollen, taken en bevoegdheden van respectievelijk de ‘burgemeester’, ‘wethouder’ en de ‘raad’, voor de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba gelezen moet worden de ‘gezaghebber’, ‘eilandgedeputeerde’ en de ‘eilandsraad’. Alle voorgestelde wijzigingen zijn onverkort van toepassing voor de openbare lichamen.40 Er lijkt geen aanleiding om een afwijkende regeling te treffen gelet op de bijzondere omstandigheden van de openbare lichamen.
4. Doel en inhoud wettelijke regeling omgang financiële belangen
4.1 Achtergrond en doel wettelijke regeling
Een belangrijk vertrekpunt is dat bestuurders werken voor het algemeen belang. Situaties waarbij publieke belangen enerzijds en persoonlijke belangen anderzijds onderling conflicteren – belangenconflicten – leveren een groot risico op voor daadwerkelijke belangenverstrengeling. Dit is schadelijk voor het gehele aanzien van en het vertrouwen in het openbaar bestuur. Om dit te voorkomen dienen bestuurders geen financiële belangen te hebben die onverenigbaar zijn met de uitoefening van het ambt. Hoewel er steeds meer aandacht naar het vraagstuk van financiële belangen uitgaat, is deze fundamentele integriteitsnorm voor decentrale bestuurders tot op heden niet opgenomen in het huidig wettelijk kader en daarmee is het wettelijk normenkader inzake bestuurlijke integriteit onvolledig.41 Voor andere openbare ambten worden verder wel reeds integriteitsnormen gehanteerd tot het financieel belang. Zo zijn bewindspersonen in het gesprek met de formateur onder andere gehouden bij zichzelf na te gaan of er zeggenschapsrechten zijn met betrekking tot relevante financiële of zakelijke belangen.42 Bovendien is het ook voor ambtenaren – zowel op nationaal- als decentraal niveau – niet toegestaan financiële belangen te hebben, effecten te bezitten, of effectentransacties te verrichten waardoor de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.43
Sommige decentrale overheden hebben over de omgang met financiële belangen door hun bestuurders regels opgenomen in de lokale gedragscode. Regels over de omgang met financiële belangen zien op een fundamentele integriteitsnorm die grondrechten aangaande de persoonlijke levenssfeer en het eigendomsrecht van de bestuurder beperken. De regering is daarom van mening dat deze integriteitsnorm een specifieke wettelijke grondslag vereist. Hierbij wordt wel benadrukt dat het verbod niet ziet op financiële belangen in het algemeen. Het gaat alleen om belangen waarbij er specifieke omstandigheden zijn die concreet reden geven om aan te nemen dat de ambtsinvulling van de specifieke bestuurder ook daadwerkelijk geraakt kan worden, en deze risico’s ook niet door het treffen van beheersmaatregelen binnen het ambt gemitigeerd kunnen worden. Dat is en blijft contextafhankelijk, en anders dan bij bijvoorbeeld bewindspersonen, valt niet op voorhand aan te geven om welke belangen het gaat.
De reden om deze norm wettelijk te verankeren houdt ook verband met het uitgangspunt dat fundamentele integriteitsnormen in de kern niet per gemeente dienen te verschillen. Dit past in de bredere inzet om de meest fundamentele integriteitsnormen op het niveau van de wet te formuleren, zodat de normen ten aanzien van bestuurlijke integriteit in de kern zoveel mogelijk uniform zijn voor politieke ambtsdragers onder meer in het kader van rechtszekerheid. De hier geïntroduceerde norm laat tegelijkertijd onverlet dat decentrale overheden nadere regels kunnen (blijven) opnemen die uitwerking geeft aan deze norm, mits daarbij in lijn met dit wetsvoorstel de benodigde proportionaliteit en subsidiariteit in acht wordt genomen.
4.2. Inhoud wettelijke regeling
Voorgesteld wordt om in de wet vast te leggen dat bestuurders van
decentrale overheden geen financiële belangen hebben, geen effecten
bezitten of geen effectentransacties verrichten (hierna: financiële
belangen) voor zover dit ongewenst is met het oog op een goede
vervulling van hun ambt. Het gaat hierbij om financiële belangen die een
goede functievervulling als geheel in de weg kunnen staan. Met deze
regeling wordt aangesloten op de reeds bestaande norm uit de
Ambtenarenwet en een wetsvoorstel waarmee de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren een gelijkluidende norm introduceert voor
rechterlijke ambtenaren.
Met dit wetsvoorstel wordt in de eerste plaats beoogd een goede
functievervulling te waarborgen. Het begrip financieel belang is zeer
divers. Het kan gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten,
onroerend goed (zoals bouwgrond) alsook om financiële deelnemingen in
ondernemingen, et cetera. Ook financiële belangen, zoals schulden uit
hypothecaire vorderingen of onderhandse schulden, kunnen in verband met
een goede functievervulling relevant zijn. Het gaat alleen om financiële
belangen die de ambtsinvulling ook echt kunnen raken. Financiële
belangen zullen, in tegenstelling tot het uitoefenen van nevenfuncties,
minder vaak een directe relatie met het ambt hebben. Die relatie zal in
de regel veelal bepaald worden door in welke gemeente het ambt wordt
uitgeoefend en of het financiële belang verband houdt met de
geografische ligging van de gemeente, al hoeft dit niet zonder meer het
geval te zijn. Hoe dan ook zal vooraf niet eenduidig kunnen worden
aangegeven welke financiële belangen wel en welke niet toelaatbaar zijn
in relatie tot het te vervullen of vervulde ambt. Of een bepaald
financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich brengt, is afhankelijk
van onder andere de desbetreffende gemeente, de portefeuille van de
bestuurder – al is het tegelijkertijd van belang om te benadrukken dat
bestuurders onderdeel zijn van een collegiaal bestuur en derhalve niet
alleen de eigen portefeuille van belang is – en het concrete financiële
belang. Opgemerkt zij dat de financiële belangen van minderjarige
kinderen en de partner ook relevant kunnen zijn.44
Naast dat het niet toegestaan is om financiële belangen te hebben als
dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het ambt, wordt
dit geëxpliciteerd voor het bezitten van effecten of het verrichten van
effectentransacties. De reden daarvan is dat bestuurders uit hoofde van
hun ambt de beschikking kunnen krijgen over informatie waaraan in het
bijzonder het risico is verbonden op oneigenlijk gebruik van
koersgevoelige informatie. Deze informatie mag alleen worden gebruikt
voor de publieke doeleinden. Bestuurders beschikken immers om die reden
over die informatie. Deze normen werken dus beide kanten op: enerzijds
beletten zij het oneigenlijk gebruik van informatie waarover een
bestuurder beschikt voor financiële transacties. Anderzijds beogen deze
normen te voorkomen dat een bestuurder eigen financiële belangen laat
meewegen in het besturen van de gemeente. Dit laatste wordt mede
ondervangen door onthouding van beraadslaging- en stemming op grond van
artikel 28 juncto artikel 58 van de Gemeentewet. Deze normen zijn
daarmee complementair aan elkaar. Het kan dan ook voorkomen dat een
kandidaat de verenigbaarheid van zijn of haar financiële belangen
waarborgt door zich in bepaalde gevallen te onthouden van beraadslaging
en/of stemming.
De norm over de omgang met financiële belangen richt zich tot de
individuele bestuurders. Het is primair aan de ambtsdrager om de
afweging te maken of bepaalde hem toekomende financiële belangen
verenigbaar zijn met een goede vervulling van het ambt. Ter illustratie
ziet de wethouder met de portefeuille afval en reiniging die een grote
aandelenportefeuille heeft in een afvalbedrijf dat zich heeft gevestigd
binnen de gemeentegrenzen, of de wethouder met portefeuille jeugd die
een vorderingsrecht heeft op een jeugdzorgbedrijf binnen diezelfde
gemeentegrenzen zich in het bijzonder voor deze afweging gesteld. Zowel
bij aanvang als tijdens de ambtsperiode is deze norm relevant.
Kandidaat-bestuurders zullen zich bij aanvaarding van het ambt moeten
afvragen of de aan hen toekomende financiële belangen een goede
vervulling van het ambt in de weg staan. Reeds benoemde bestuurders
zullen dit ook moeten, temeer als zij onverwacht bepaalde belangen
verwerven door bijvoorbeeld het verkrijgen van een erfenis of
schenking.
De raad kan in de gedragscode integriteit nader inkleuring blijven geven aan de wijze waarop de omgang van financiële belangen door bestuurders in relatie tot hun ambt plaatsvindt. Zo behoort het aanwijzen van bepaalde sectoren of specifieke opgaven waarbij financiële belangen in de betreffende gemeente vaak een problematische rol spelen tot de mogelijkheden. Daarbij is wel van belang dat het hierbij moet blijven gaan om situaties waarbij de financiële belangen de ambtsinvulling ook echt kunnen raken, en dit proportioneel en subsidiair is. Bij de eerstvolgende wijziging van de Modelgedragscode integriteit – die is opgenomen in het Handboek integriteit – worden hiervoor nadere handvatten meegegeven.
Als er sprake is van een financieel belang waarbij daadwerkelijk risico’s zijn voor de vervulling van het ambt, kunnen beheersmaatregelen getroffen worden. In veel gevallen zal volstaan dat een bestuurder niet mee beraadslaagt en mee stemt over een bepaald onderwerp binnen het college. In dat geval betekent dat dat het financiële belang gewoon verenigbaar is met een goede invulling van het ambt. In meer uitzonderlijke gevallen kan de oplossing ook worden gezocht in de omgang met het financiële belang. Indien een bepaald financieel belang niet verenigbaar is met een goede vervulling van het ambt kan het betreffende belang onder meer worden vervreemd, of kan (tijdelijk) afstand gedaan worden van het belang, bijvoorbeeld in de zin van een regeling treffen waarbij de zeggenschapsrechten gedurende de ambtsperiode niet kunnen of zullen worden uitgeoefend en de invloed daarover dus tijdelijk wordt geblokkeerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het op afstand plaatsen van de zeggenschap en beheer over eigendom, zoals over onroerend goed met het oog op commerciële exploitatie of opties op aandelen binnen een onderneming, bijvoorbeeld door het eigendom onder te brengen in een beheersstichting waarvan onafhankelijke derden het bestuur vormen (niet zijnde familie van betrokkene of diens partner). Dergelijke afspraken kunnen voor kandidaat-wethouders onderdeel zijn van de aanbevelingen en/of beheersmaatregelen die volgen uit een risicoanalyse.45 Tegelijkertijd wordt benadrukt dat dit slechts in uitzonderlijke gevallen nodig zal zijn.
4.3. Financieel belang in relatie tot de uitvoering van een risicoanalyse
Zoals in paragraaf 3.1 reeds naar voren kwam, ziet de risicoanalyse op normen met een wettelijke grondslag. Door met dit wetsvoorstel ook de omgang van financiële belangen van bestuurders op het niveau van de wet te regelen, kan dit onderwerp voor kandidaat-wethouders aldus betrokken worden in een risicoanalyse. De uitvoerder kan de kandidaat-wethouder vragen naar relevante financiële belangen en daarbij openbare bronnen raadplegen die daar mogelijk inzicht in kunnen bieden. In het gesprek met de kandidaat kan nader ingegaan worden op de (on)verenigbaarheid van relevante financiële belangen met het oog op een goede uitoefening van het ambt. Desgewenst kunnen hierover afspraken worden gemaakt – al dan niet nadat er aanbevelingen in die richting zijn gedaan – in de vorm van beheersmaatregelen. Zoals hierboven al naar voren kwam, kunnen die zien op de invulling van het ambt of de omgang met de financiële belangen door die bijvoorbeeld op afstand te plaatsen.
Het bij de kandidaat kunnen opvragen van financiële belangen roept de vraag op hoe dit zich verhoudt tot het niet wettelijk voorschrijven van een registratieplicht. Informatie over financiële belangen zullen immers via de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen geagendeerd worden voor de raadsvergadering, en de Gemeentewet schrijft voor dat de beraadslaging en stemming over de benoeming van wethouders in het openbaar plaatsvindt.46 De informatie die daar ter sprake komt, wordt derhalve ook beschikbaar voor de buitenwereld en tast daarmee de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat aan. Het is dan ook aan de uitvoerder van een risicoanalyse om informatie over de financiële belangen op een zorgvuldige manier te formuleren in de conclusies van een risicoanalyse en de aanbevelingen, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat. Indien duidelijk is dat er geen risico’s kleven aan een bepaald financieel belang, is het in elk geval duidelijk dat dit financiële belang niet moet worden opgenomen in de met de raad te delen uitkomsten. Als het financiële belang mogelijk wel ongewenst is met het oog op de goede vervulling van het wethouderschap, zal dat belang waarschijnlijk op een zorgvuldige manier moeten worden opgenomen in de met de raad te delen van de uitkomsten. Daarbij is zorgvuldigheid gepast. Dit betekent in ieder geval dat de uitvoerder terughoudend is met het delen van specifieke kenmerken of gegevens van het concrete financieel belang, zoals de hoogte van de schuld, de locatie van het eigendom of een percentage van het aandeel. Op het moment dat een kandidaat er niettemin bijvoorbeeld voor kiest een beheersmaatregel – die betrekking heeft op het financieel belang in kwestie – in het geheel niet of niet volledig op te volgen, is het voorstelbaar en ook te rechtvaardigen dat de raad hier uitgebreider over wordt geïnformeerd. Dit kan door een volledigere beschrijving van het financieel belang te geven in de eindrapportage. Op die manier wordt de situatie voor de raad inzichtelijker gemaakt, en kan op basis van een zo volledig mogelijk beeld een afgewogen besluit worden genomen bij de benoeming. De financiële belangen van een (kandidaat) wethouder kunnen dus via de uitvoering van een risicoanalyse in bepaalde mate openbaar worden, maar van een algemene registratieplicht voor een (kandidaat) bestuurder is geen sprake.
Kroonbenoemde bestuurders – burgemeesters, commissarissen van de Koning en dijkgraven – worden niet onderworpen aan een risicoanalyse integriteit, maar zij worden gescreend in de vorm van naslag bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Belastingdienst en op justitiële en strafvorderlijke antecedenten.47 Vanuit het ministerie van BZK wordt tevens aandacht besteed aan het vraagstuk van financiële belangen en zo nodig wordt hierover het gesprek gevoerd met een kandidaat. Net zo als bij de risicoanalyse doet een kroonbenoemde bestuurder er goed aan om eventuele kwetsbaarheden met de gemeenteraad te delen en beheersmaatregelen te nemen; dit blijft uiteindelijk wel de verantwoordelijkheid van de individuele bestuurder.
5. Overige
wijzigingen
5.1. Harmonisatie integriteitsnormen openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
Tot slot regelt dit wetsvoorstel dat de integriteitsnormen voor de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba geharmoniseerd worden met het gemeentelijk stelsel. De WolBES kent een aantal integriteitsnormen die verstrekkender zijn dan de integriteitsnormen in de Gemeentewet (paragraaf 3.1.1.), het betreft specifiek het verbod op bloed- en aanverwantschap tussen leden van het bestuurscollege48,49 en een nauwkeurige omschrijving van de zakelijke belangen die de (kandidaat)eilandgedeputeerde en zijn of haar echtnoot hebben of beheren. Deze normen werden in de context van ‘legislatieve terughoudendheid’ in 2009 gemotiveerd aan de hand van vrees voor belangenverstrengeling in kleine (eilandelijke) leefgemeenschappen.50 De norm voor bloed- en aanverwantschap geldt niet voor Europees Nederland, terwijl er in Europees Nederland ook sprake is van kleine (eilandelijke) leefgemeenschappen met een eigen lokaal bestuur51. Dit verschil past niet meer bij de inzet van het kabinet om Bonaire, Saba en Sint-Eustatius een gelijkwaardig deel van Nederland te laten zijn. Vanuit de uitgangspunten van ‘comply or explain’ en de inzet van het kabinet om Caribisch Nederland meer aan te sluiten op het wettelijk stelsel in Europees Nederland, wordt voor de voornoemde integriteitsnormen in de WolBES voorgesteld om deze af te schaffen dan wel dezelfde norm te hanteren.
5.2. Besluit tot niet-benoeming
In artikel 50 van de Gemeentewet is opgenomen dat de rechter niet treedt in de gronden die ten grondslag liggen aan het ontslag van een wethouder. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd te verduidelijken dat de rechter ook niet treedt in de gronden die ten grondslag liggen aan de benoeming van een wethouder. Op dit moment geldt al dat het besluit van de raad tot niet-benoeming van de kandidaat-wethouder in zijn geheel niet openstaat voor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter. Een dergelijk besluit ontbeert immers enig rechtsgevolg. Met dit wetsvoorstel wordt niettemin expliciet geregeld dat de rechter niet treedt in de gronden die ten grondslag liggen aan het besluit tot benoeming en daarmee impliciet ook niet-benoeming. Daarmee wordt geëxpliciteerd dat ook de civiele rechter niet treedt in voormelde gronden. Het oordeel van de raad om een wethouder te ontslaan is immers een naar zijn aard politiek besluit. Tegen die achtergrond past het niet als de civiele rechter zich inhoudelijk zou buigen over de gronden die tot de benoeming of niet-benoeming hebben geleid.
6. Verhouding
hoger recht en nationale regelgeving
6.1. Grondwet en mensenrechten
Maatregelen die strekken tot het vermijden van (de schijn van) belangenverstrengeling of een andere aantasting van de integriteit kunnen een inbreuk vormen op het privéleven van de bestuurder en daarmee een inperking zijn van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals dat is vastgelegd in de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Een dergelijke inperking moet in overeenstemming zijn met de beperkingsclausules zoals verankerd in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 10, eerste lid, van de Grondwet vloeit voort dat, indien door maatregelen de persoonlijke levenssfeer wordt beperkt, daarvoor een basis in de wet moet bestaan. Daarnaast moeten dergelijke maatregelen voldoen aan de vereisten van artikel 8 EVRM. Dit betekent dat maatregelen die beperkingen in de persoonlijke levenssfeer meebrengen alleen mogelijk zijn voor zover deze zijn neergelegd in wettelijke maatregelen en deze noodzakelijk zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 8, tweede lid, EVRM genoemde belangen. Blijkens jurisprudentie van het EVRM moet een dergelijke beperking een zwaarwegend maatschappelijk belang dienen. Dat maatschappelijk belang is gelegen in de bevordering van de integriteit van het openbaar bestuur. Bestuurders hebben hierbij een bijzondere verantwoordelijkheid. Zowel het verbod op niet verenigbare financiële belangen als de verplichting tot het uitvoeren van een risicoanalyse integriteit zien op het wettelijk borgen van maatregelen ter bevordering van de integriteit van de bestuurders. Hieronder wordt dit nader toegelicht.
Risicoanalyse integriteit
Voor het goed functioneren van de rechtsstaat is vereist dat burgers kunnen vertrouwen op een integer decentraal bestuur. Dit kan een voldoende zwaarwegend belang zijn om beperkingen op het recht van de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen, indien zij niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken. Het door middel van een risicoanalyse vooraf inzichtelijk maken van integriteitsrisico’s kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van integriteitsschendingen en in het algemeen het integriteitsbewustzijn verhogen. Dit betekent wel een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het screenen van kandidaten voor een functie is vrij gebruikelijk, maar wat dit instrument bijzonder maakt is dat de gemeenteraad uiteindelijk – in openbaarheid – moet beraadslagen over de benoeming van een wethouder. Dit brengt met zich mee dat bepaalde delen van de uitkomsten van de risicoanalyse openbaar gemaakt moeten worden. Tegelijkertijd wordt voldaan aan de voorwaarden voor inperking zoals verankerd in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
Met dit voorstel wordt voorzien in een specifieke formeel wettelijke grondslag. In de wettelijke regeling wordt de reikwijdte van de risicoanalyse scherp afgebakend net als de te raadplegen bronnen en worden de hoofdlijnen van de te volgen procedure, inclusief waarborgen zoals de geheimhoudingsplicht, wettelijk vastgelegd. Ook volgt uit het wetsvoorstel op wie de risicoanalyse ziet en daarmee wordt de burger zo goed mogelijk in staat gesteld om zijn gedrag af te stemmen op het geldende recht. Daarbij wordt wel opgemerkt dat voorstelbaar is dat ook de persoonlijke levenssfeer van een derde relevant is voor de inschatting van de integriteitsrisico’s. Deze groep kan niet bij voorbaat exact wettelijk worden afgebakend, maar er moet een direct verband zijn met de wettelijke integriteitsnormen. Dit is maar voor een zeer beperkte groep derden potentieel aan de orde. Het zal dan met name gaan om de partner of naaste familie van een beoogd wethouder. Dit is noodzakelijk om een volledig beeld te kunnen scheppen van de bestaande integriteitsrisico’s.
Artikel 8 van het EVRM verlangt verder dat de inmenging afkomstig moet zijn van het openbaar gezag. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een inmenging van overheidswege. De wetgever kan openbaar gezag uitoefenen, door middel van het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften die als een inmenging kunnen worden aangemerkt.
De inmenging moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving in het belang van één of meer van de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM genoemde doelcriteria: het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, het voorkomen
van wanordelijkheden of strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Er is alleen sprake van noodzaak wanneer de inmenging beantwoordt aan een dringende maatschappelijke behoefte. De inmenging moet bovendien evenredig zijn aan het nagestreefde doel (proportionaliteit) en de daarvoor aangevoerde gronden moeten relevant en toereikend zijn (subsidiariteit). Hierbij heeft de Staat een ruime beoordelingsvrijheid. De dringende maatschappelijke behoefte is gelegen in de noodzaak om de integriteit van wethouders te waarborgen en daarmee noodzakelijk in het belang van bescherming van de goede zeden en beschermen van de openbare veiligheid. Mede gelet op de toenemende aandacht voor de integriteit van bestuurders en het feit dat de risicoanalyse door veel overheden wordt toegepast, wordt geconstateerd dat het deze inmenging noodzakelijk is. De proportionaliteit van de maatregel is gelegen in de grote invloed die wethouders hebben op het algemeen en hun publieke taak. Het is bij uitstek belangrijk dat zij voldoen aan hoge standaarden voor integriteit. Daarbij helpt de risicoanalyse als preventief instrument. Het beginsel van subsidiariteit houdt in dat het beoogde doel niet bereikt kan worden met een maatregel die minder ingrijpend is voor de persoonlijke levenssfeer. De regeling een aantal waarborgen om de inperking zoveel mogelijk te beperken. Zo ziet de risicoanalyse enkel op wettelijke integriteitsnormen en is wettelijk ingeperkt welke bronnen kunnen worden geraadpleegd. Ook geldt een geheimhoudingsregeling voor zover het niet nodig is betrokken informatie te delen met de raad en moet daarbij een concrete evenredigheidsafweging worden gemaakt. Er is overwogen of het mogelijk was de uitkomsten van de risicoanalyse geheel vertrouwelijk te houden, maar dit is niet mogelijk gelet op de openbare benoemingsprocedure. De gemeenteraad moet daarbij is staat zijn om over alle relevante aspecten te discussiëren, waaronder integriteitsrisico’s. De voorgestelde regeling voldoet hiermee aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Voor wat betreft de verwerking van persoonsgegevens wordt verder
verwezen naar paragraaf 6.2. Wel wordt opgemerkt dat in de wettelijke
bepaling expliciet is verankerd dat bij het overleggen van bepaalde
uitkomsten uit de risicoanalyse aan de raad – waarmee deze gegevens
openbaar worden - een weging moet plaatsvinden van of het belang van het
vermelden van deze gegevens evenredig is gelet op het belang van de
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van het
vermelden van gegevens over derden houdt direct verband met relevante
integriteitsaspecten van de kandidaat, zoals over nevenfuncties en
persoonlijke belangen. Bij deze belangenafweging gaat het dus enerzijds
om het belang van het bevorderen van de bestuurlijke integriteit en het
goed informeren van de raad in het kader van het benoemingsproces en
anderzijds het belang van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat
of eventuele derden.
Wettelijke regeling omgang financiële belangen
Het hebben van bepaalde financiële belangen en/of het verrichten van bepaalde financiële transacties kan (de schijn van) belangenverstrengeling of andere integriteitsaantastingen veroorzaken. Met dit wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld hierop beperkingen te stellen. Dit vormt evenwel een inperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voor het goede functioneren van de rechtsstaat is vereist dat burgers kunnen vertrouwen op een integer decentraal bestuur. Dit kan een voldoende zwaarwegend belang zijn om beperkingen op het recht van de persoonlijke levenssfeer te rechtvaardigen, indien zij niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken. De voorgestelde regeling geeft door middel van een specifieke formeel wettelijke regeling invulling aan een en ander, waarbij dit zoals hierboven ook toegelicht uitgaat van het openbaar gezag.
Ook voor deze maatregel geldt dat wordt voldaan aan de materiële vereisten voor de inperking. De inmenging is noodzakelijk in een democratische samenleving in het belang de in artikel 8, tweede lid, van het EVRM genoemde doelcriteria: de bescherming van de goede zeden en beschermen van de openbare veiligheid. Gelet op maatschappelijke onrust die het veroorzaakt als een bestuurder onzuivere financiële belangen heeft en de algemeen geldende morele opvatting dat dit niet passend is, is er een dringende maatschappelijke behoefte deze norm duidelijk wettelijk vast te leggen. Dit te meer binnen een kader waarin meer wettelijke verplichtingen gelden voor bestuurders, ter bevordering van de integriteit. Voorts is de regeling proportioneel omdat het hierbij gaat om zaken waarvan reeds de algemene norm is dat het specifiek gaat om een verbod op financiële belangen, effectenbezit en het verrichten van effectentransacties voor zover dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het ambt. Hierin zit vervat dat de maatregel niet ziet op de zaken die niet schadelijk kunnen zijn voor de goede vervulling van het ambt. Het ziet dus enkel op een zeer beperkte categorie en er wordt geen algeheel verbod ten aanzien van financiële belangen gesteld. Ook worden voor eilandgedeputeerden de bestaande verplichtingen met betrekking tot financiële belangen, die ook een beperking van de persoonlijke levenssfeer vormen, gelijktijdig geschrapt omdat het niet proportioneel zou zijn als beiden normen gelijktijdig zouden gelden. Wat betreft de subsidiariteit van de regeling wordt opgemerkt dat er geen andere passende maatregel is dan het verbieden van de ongewenste financiële belangen. Ook is het mogelijk voor een bestuurder om met het verbod om te gaan door maatregelen te treffen waardoor er niet langer sprake is van een ongewenst financieel belang, zoals omschreven in dit wetsvoorstel. Het is daarbij niet altijd nodig dat volledig afstand wordt gedaan van een financieel belang.
Verder raakt dit verbod aan het eigendomsrecht, zoals vastgelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat het verbod op het hebben van financiële belangen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van het ambt een beperking inhoudt van het eigendomsrecht. Zoals hierboven beschreven is er hiervoor een wettelijke basis, dient dit een gerechtvaardigd algemeen belang en is hierbij een afweging van de belangen gemaakt. Ten aanzien van het laatste onderdeel is de regering van mening dat er sprake is van een ‘fair balance’ omdat er is gekozen voor een bepaling die rekening houdt met specifieke omstandigheden van het geval en verschillende mogelijkheden om onwenselijke situaties te adresseren. Het is daarbij niet noodzakelijk dat er geheel afstand wordt gedaan van het eigendomsrecht: er is immers veel ruimte om afspraken te maken over de (beperking van de) zeggenschap over het eigendom. Als dat al nodig blijkt te zijn in een specifiek geval, dan is dit slechts voor de periode dat iemand het wethoudersambt uitoefent en louter ten aanzien van dié belangen die in de gegeven omstandigheden een onafhankelijke uitoefening van het ambt in de weg staan, en dus niet voor alle typen eigendom. Tot slot staat voor de betrokkene ook altijd nog de mogelijkheid open om zich terug te trekken indien de voorgestelde maatregelen ten aanzien van zijn of haar eigendom daartoe nopen.
6.2. Gegevensbescherming
6.2.1 Algemeen
Gezien de aard van dit voorstel is in de fase van beleidsontwikkeling een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitgevoerd. Voor de uitvoering van een risicoanalyse is het immers noodzakelijk dat persoonsgegevens verwerkt worden. Met behulp van de gegevensbeschermingseffectbeoordeling is de noodzaak onderzocht van de voorgenomen verwerking van persoonsgegevens en zijn op gestructureerde wijze de gevolgen en risico’s van de uitvoering van een risicoanalyse voor gegevensbescherming in kaart gebracht. Hierbij is in het bijzonder aandacht besteed aan de beginselen van transparantie, gegevensminimalisering, doelbinding, het vereiste van een goede beveiliging en de rechten van de betrokkenen.
Voor de uitvoering van een risicoanalyse zullen persoonsgegevens
verwerkt worden. Op grond van de Algemene verordening
gegevensbescherming (hierna: AVG) kan dit enkel indien hiermee een
legitiem doel wordt gediend. Het uiteindelijke doel van de uitvoering
van een risicoanalyse is het bevorderen van de integriteit bij het
decentraal bestuur. Voor verdere toelichting op de doelen die met dit
voorstel worden gediend, zij voorts verwezen naar de algemene
toelichting op de uitvoering van een risicoanalyse. De rechtsgrond voor
de verwerking is het voldoen aan de wettelijke verplichting om een
risicoanalyse uit te voeren (grondslag artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder c). Dit voorstel expliciteert de wettelijke grondslag die hiervoor
nodig is.
Gemeenten en eventuele externe uitvoerders zullen bij de uitvoering van
een risicoanalyse de AVG in acht dienen te nemen. Uit dit wetsvoorstel
vloeien daarnaast enkele specifieke voorwaarden voort, waarmee de
zorgvuldige omgang met persoonsgegevens verder wordt geborgd. Het gaat
daarbij om de inkadering van de reikwijdte van de risicoanalyse, de
verplichting tot het bieden van de mogelijkheid voor de beoogd wethouder
om vooraf te reageren op de uitkomsten van een risicoanalyse, de
verplichting tot geheimhouding en de beperking van welke gegevens met de
raad gedeeld kunnen worden. De burgemeester is daarbij
verwerkingsverantwoordelijke. Dit hangt samen met het feit dat de
burgemeester, vanuit diens taak om toe te zien op de uitvoering van een
risicoanalyse, de uitvoering van een risicoanalyse uitvoert of opdracht
geeft aan een andere partij om deze uit te voeren. Wanneer de
risicoanalyse wordt uitgevoerd door een externe partij zoals een
commercieel bureau, wordt deze partij aangemerkt als verwerker van
persoonsgegevens in de zin van de AVG. Daarbij hoort dat er in dat geval
een verwerkingsovereenkomst wordt gesloten met de instantie die de
uitvoering van de risicoanalyse uitvoert. Indien de burgemeester zelf
zorg draagt voor de uitvoering van de risicoanalyse wordt zijn positie
conform de AVG-regelgeving onveranderd aangemerkt als
verwerkingsverantwoordelijke.
Uit artikel 5, eerste lid, onder b, van de AVG, volgt dat slechts persoonsgegevens kunnen worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een risicoanalyse met betrekking tot de bestuurlijke integriteit van de beoogd wethouders. In het voorgestelde artikel 36c van de Gemeentewet is de reikwijdte van een risicoanalyse afgebakend.52 In samenhang betekent dit dat het verzamelen van persoonsgegevens gericht moet worden op het onderzoek naar deze wettelijk afgebakende thema’s. Ook dienen slechts de kandidaten die daadwerkelijk als wethouder worden beoogd voor een bepaalde portefeuille aan de uitvoering van een risicoanalyse onderworpen te worpen.
Opgemerkt zij dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke – en in verlengde daarvan aan de verwerker – is om adequate technische en organisatorische maatregelen te treffen om het risico te minimaliseren dat persoonsgegevens worden verwerkt buiten het wettelijk kader. Denk hierbij voor maatregelen onder meer aan een zo nauw mogelijke inperking van de toegang tot deze gegevens, adequate afscherming van deze gegevens in techniek, gebruik van technieken om informatie veilig van verzender naar ontvanger te krijgen (bijvoorbeeld versleuteling). Omdat de methode van verwerking en de keuze van verwerker niet wettelijk worden bepaald, dient de verwerkingsverantwoordelijke voordat de verwerking wordt gestart een DPIA op te stellen die betrekking heeft op de specifieke manier van verwerking die door diegene wordt bepaald. De uitvoering van een DPIA is in het bijzonder van belang gezien de risico’s die de uitvoering van de risicoanalyse met zich meebrengt voor de persoonlijke levenssfeer van betrokken kandidaten, gelet op de aard, de omvang, de context en de doeleinden van de risicoanalyse.
6.2.2. Persoonsgegevens van derden
Ook gegevens van derden kunnen worden betrokken bij de uitvoering van een risicoanalyse. Er kan namelijk worden gesproken met derden om nader inzicht te krijgen in de bestuurlijke integriteit van een beoogd wethouder zij het op basis van vrijwilligheid. Daarnaast is voorstelbaar dat de gegevens van een derde voor de inschatting van de integriteitsrisico’s relevant zijn. Het zal dan met name gaan om de partner of naaste familie. Voor zover de informatie relevant is met het oog op integriteitsrisico’s voor de kandidaat dient terughoudend te worden omgegaan met het opnemen van de persoonsgegevens over een derde in de rapportage.
Dit wordt ook wettelijk geborgd met de bepaling dat persoonsgegevens niet worden vermeld in de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen die met de raad worden gedeeld, voor zover het belang van het vermelden van deze gegevens onevenredig is gelet op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Bij de persoonsgegevens van derden zal deze evenredigheidsweging vaker resulteren in het niet vermelden van betreffende gegevens. Enerzijds zal het vermelden van persoonsgegevens van derden veel minder vaak noodzakelijk zijn gelet op het belang van het bevorderen van de bestuurlijke integriteit en het goed informeren van de raad in het kader van het benoemingsproces. Anderzijds weegt het belang van de persoonlijke levenssfeer van de derde over het algemeen zwaarder. Anders dan de kandidaat, heeft de derde immers niet zelf gekozen voor een openbaar ambt en kan deze niet kiezen om zich terug te trekken en daarmee de openbaarmaking te voorkomen. Niet miskend kan echter worden dat ook belangen van derden risico’s ten aanzien van de bestuurlijke integriteit van een kandidaat met zich kunnen brengen. Het is dus noodzakelijk voor een volledig beeld van de risico’s om derden niet generiek uit te sluiten. Deze belangenafweging ligt uiteindelijk bij de burgemeester vanuit diens verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de risicoanalyse en het delen van de conclusies, aanbevelingen en voorgenomen beheersmaatregelen met de raad.
Verwacht wordt dat dit zich ook goed verhoudt tot de praktijk, omdat deze persoon niet primair onderwerp van de risicoanalyse is. Daarmee zal het veel minder vaak noodzakelijk zijn om iets op te nemen in de conclusies, aanbevelingen of beheersmaatregelen over deze persoon. Zelfs als deze derde relevant is voor de integriteitsrisico’s kan de persoon zelf over het algemeen anoniem blijven. Het volstaat dan te vermelden dat het gaat om iemand uit de omgeving van de kandidaat. Tegelijkertijd kan ook een geanonimiseerde weergave soms herleidbaar zijn tot de derde, waardoor het alsnog gaat om het verwerken van persoonsgegevens. Indien het noodzakelijk is om mogelijk tot derden herleidbare gegevens op te nemen in het openbare deel van de rapportage, heeft deze derde de mogelijkheid om conform het voorgestelde artikel 36c, vierde lid, van de Gemeentewet hierop te reageren. Daarbij kan deze derde feitelijke onjuistheden rechtzetten, maar ook benoemen waarom het vermelden van bepaalde persoonsgegevens toch achterwege gelaten zou moeten worden gelet op de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Deze belangenafweging ligt de uiteindelijk bij de burgemeester vanuit diens verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de risicoanalyse en het delen van de conclusies, aanbevelingen en voorgenomen beheersmaatregelen met de raad.
6.2.3. Bijzondere persoonsgegevens
Bovendien kan het voorkomen dat er bijzondere persoonsgegevens, in de zin van artikel 9 van de AVG, worden verwerkt. Dit zal echter nooit primair de bedoeling kunnen zijn van de risicoanalyse. Het is denkbaar dat bijvoorbeeld in het geval van nevenfuncties er persoonsgegevens worden opgehaald die indirect iets zeggen over de religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging van de kandidaat. Deze gegevens mogen alléén verwerkt worden indien deze gegevens kennelijk reeds door de kandidaat openbaar zijn gemaakt, in de zin van artikel 9, tweede lid, onder e, van de AVG. Gegevens die daar niet onder vallen mogen dus uitdrukkelijk niet worden verwerkt.
6.2.4. Verdere verwerking
In artikel 6, vierde lid, van de AVG wordt verder geregeld dat wanneer persoonsgegevens voor een ander doel dan waarvoor ze oorspronkelijk zijn verzameld worden gebruikt en de verwerking niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke- of lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van een in artikel 23, eerste lid, van de AVG genoemde doelstelling, de verwerkingsverantwoordelijke dient na te gaan of de ‘verdere verwerking’ voor een ander doel verenigbaar is met het oorspronkelijke doel van verwerking. Voor de risicoanalyse is relevant dat reeds bestaande informatie uit openbare bronnen wordt geraadpleegd. Waar het gaat om bijvoorbeeld informatie uit registers van Kadaster of de Kamer van Koophandel is de verdere verwerking goed verenigbaar met het oorspronkelijke doel van verzameling, omdat het in beide verwerkingen onder meer gaat om verifiëren van feitelijke gegevens. Daar waar het gaat om informatie van sociale media is geen sprake van een eerdere verzameling van gegevens, waardoor überhaupt niet gesproken kan worden van verdere verwerking. Het is voor de overige aandachtspunten die in artikel 23, eerste lid, van de AVG worden genoemd van belang dat de verwerkingsverantwoordelijke daar acht op slaat.
6.2.5 Geheimhouding
Verder is geregeld dat ten aanzien van de informatie die in het kader van de uitvoering van de risicoanalyse is verwerkt en die niet aan de gemeenteraad is overlegd een strikte – en van rechtswege gegeven – geheimhoudingsplicht geldt, die niet door gemeentelijke bestuursorganen opgelegd dan wel opgeheven kan worden. De conclusie, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen worden gedeeld met de gemeenteraad en worden openbaar gemaakt. Hierbij worden persoonsgegevens niet vermeld voor zover het belang van het vermelden van deze gegevens onevenredig is gelet op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij artikel 5.1, tweede lid onder e van de Wet open overheid met dien verstande dat het verstrekken van informatie – met als doel inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden – proportioneel moet zijn in verhouding tot de belangen van betrokkene.53 Wanneer het verstrekken van deze informatie aan de gemeenteraad niet proportioneel is in verhouding tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de kandidaat, dan blijft dit achterwege. Nu een belangrijk doel van de risicoanalyse ziet op het inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden aan de raad, zal van deze mogelijkheid terughoudend gebruikt moeten worden gemaakt. De persoonsgegevens worden derhalve of openbaargemaakt of niet opgenomen in het document. Verder is geregeld dat de beoogd wethouder ten minste gehoord moet worden voordat de conclusie, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen worden gedeeld met de raad, zodat de beoogd wethouder in de gelegenheid is zich te uiten over de uitvoering van een risicoanalyse en eventuele onjuistheden kan rechtzetten. Uiteraard kan de beoogd wethouder ook op meer momenten gedurende de uitvoering van een risicoanalyse worden betrokken.
De geheimhouding die wordt voorgesteld in artikel 36c, zesde lid, Gemeentewet dient ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de (kandidaat) wethouder en eventuele derden. De plicht tot geheimhouding geldt voor eenieder die kennis heeft van de betreffende informatie.54 Het geldt dus bijvoorbeeld voor de burgemeester, de uitvoerders van de risicoanalyse en ambtenaren die kennis hebben van de informatie. Schending van de geheimhoudingsplicht is strafbaar op grond van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dit laat onverlet dat bepaalde informatie om andere redenen openbaar kan zijn of worden. Voor zover de openbaarheid volgt uit een andere bron dan de uitvoering van de risicoanalyse is er geen schending van de geheimhouding. Ook kan het zijn dat bepaalde informatie op grond van een andere wettelijke plicht openbaar moet worden gemaakt, zoals het geval is met betrekking tot nevenfuncties van de wethouder.55 Meer algemene aangelegenheden zoals de opzet van de risicoanalyse of bepaalde procedurele stappen – bijvoorbeeld welk bureau wordt aangezocht – vallen niet onder de geheimhoudingsplicht omdat het hier niet gaat om informatie in het kader van de risicoanalyse is verwerkt. In algemene zin kan dit worden besproken en toegelicht, zolang de informatie die in een specifieke risicoanalyse is gebruikt geheim blijft. Tot slot is het in bepaalde uitzonderlijke gevallen mogelijk voor derden om kennis te nemen van deze informatie waarbij dan de geheimhoudingsplicht ook op hen komt te rusten.
Als de beoogd wethouder zich terugtrekt voordat de raad is geïnformeerd over de conclusie, aanbevelingen en eventuele beheersmaatregelen, wordt geen enkele informatie uit de uitvoering van een risicoanalyse openbaar gemaakt en blijft volledige geheimhouding gelden.
Rondom de informatievoorziening richting de raad door de burgemeester dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de informatieplicht en de verantwoordingsplicht van de burgemeester.
Van de burgemeester kan alleen worden verlangd dat hij zich zo nodig verantwoordt over het gevolgde proces en de procedurele waarborgen binnen de risicoanalyse integriteit. Hiertoe bestaat géén verschoningsgrond. Dit is anders bij de inhoudelijke uitkomsten van de risicoanalyse, hiervoor is de burgemeester niet verantwoordelijk en hierover hoeft hij daarom geen verantwoording af te leggen aan de raad. Voor zover de raad met een beroep op de inlichtingenplicht bovenop de conclusies en aanbevelingen van de burgemeester wil weten wat de inhoudelijke uitkomsten van de risicoanalyse zijn, geldt wel een verschoningsgrond. Artikel 180, derde lid, Gemeentewet bepaalt daarover dat verstrekking niet gebeurt, indien dat in strijd is met het openbaar belang.
De in dit wetsvoorstel voorgestelde geheimhoudingssystematiek benadrukt het belang van het te openbaren document met conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen. Dit is namelijk het enige document met informatie uit de risicoanalyse dat openbaar wordt gemaakt en waarop de raad zijn politieke oordeel rondom eventuele integriteitsrisico’s en beheersmaatregelen kan baseren. Om die reden dient de informatie in dit document zo volledig mogelijk te zijn. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de kandidaat-wethouder, maar ook de burgemeester en uitvoerder van de risicoanalyse spelen hierin een rol. Dat betekent ook dat met gepaste terughoudend gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheid om informatie niet openbaar te maken.
6.2.6 Samenhang met Wet open overheid
Op basis van artikel 110 van de Grondwet draagt de overheid zorg voor openheid en openbaarheid bij haar taak. De Wet open overheid regelt het recht op overheidsinformatie. De Wet open overheid kent twee vormen van openbaarmaking. Dat zijn passieve openbaarmaking (openbaarmaking op verzoek) en actieve openbaarmaking (openbaarmaking uit eigen beweging).56
Informatie ten behoeve opstellen risicoanalyse
Voor de informatie die in het kader van de uitvoering van de risicoanalyse is verwerkt en die niet aan de raad wordt overlegd, geldt van rechtswege een geheimhoudingsplicht. Zoals hierboven toegelicht dient deze geheimhouding, die wordt voorgesteld in artikel 36c, zesde lid, Gemeentewet ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de (kandidaat) wethouder en eventuele derden. Het is daarbij van belang dat de kandidaat-wethouder en derden vrijuit informatie kunnen delen in dit proces, zonder zorgen dat inhoudelijke informatie, voor zover niet onderdeel van de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen, via actieve- óf passieve openbaarmaking openbaar wordt gemaakt. Alleen op die manier is een zorgvuldige uitvoering van een risicoanalyse verzekerd en vorm het daadwerkelijk een instrument dat de integriteit van het openbaar bestuur bevordert. Om die reden is een bijzonder openbaarmakingsregime opgenomen. Het voorstel is om artikel 36c, zesde lid, van de Gemeentewet op te nemen in de bijlage behorend bij artikel 8.8. van de Wet open overheid. Dat betekent dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid niet van toepassing zijn op deze informatie.
Document met conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen
Het door tussenkomst van de burgemeester door de raad als ingekomen stuk publiceren van de conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen betreft een vorm van actieve openbaarmaking in de zin van de Wet open overheid. Deze vorm van openbaarmaking gaat op grond van de Wet open overheid – tenzij daar op grond van de wet uitzonderingen op worden gemaakt – gepaard met een aantal procedurele waarborgen. Het gaat bijvoorbeeld om de zienswijzeprocedure met bijbehorende termijn en de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen tegen de voorgestelde openbaarmaking. Deze waarborgen uit de Wet open overheid verhouden zich echter niet (goed) met het uitvoeren van een risicoanalyse. De risicoanalyse is onderdeel van een bestuurlijk proces waarbij het doel is op korte termijn de raad te informeren over de belangrijkste uitkomsten zodat dit meegewogen kan worden in het al dan niet benoemen van de kandidaat (om te komen tot een nieuw college van burgemeester en wethouders).
Gelet op dat uitgangspunt wordt met dit wetsvoorstel de Wet open overheid op een aantal punten uitgezonderd, temeer omdat binnen het proces van de risicoanalyse gelijksoortige waarborgen zijn opgenomen. Deze waarborgen zien onder andere op de positie van de kandidaat (zoals hoor- en wederhoor), de wijze waarop omgegaan wordt met persoonsgegevens, de positie van derden (ook hoor- en wederhoor) en ook de mogelijkheid om in contact te treden met de burgemeester indien er zaken niet goed lopen. In het document met conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen worden persoonsgegevens niet vermeld voor zover het belang van het vermelden van deze gegevens onevenredig is gelet op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer . Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij artikel 5.1, tweede lid onder e van de Wet open overheid met dien verstande dat het verstrekken van informatie – met als doel inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden – proportioneel moet zijn in verhouding tot de belangen van betrokkene.57 De persoonsgegevens worden derhalve of openbaargemaakt of niet opgenomen in het document. Deze afweging wordt door de burgemeester gemaakt waarna hoor- en wederhoor plaatsvindt met de kandidaat (en derden voor zover het relevante gegevens betreft). Tegen die achtergrond bevat dit voorstel daarom een bepaling waarmee geregeld wordt dat artikel 3.3, vijfde lid, aanhef en onderdelen h en i, en zevende lid van de Wet open overheid niet van toepassing is op de openbaarmaking van de conclusie, aanbevelingen, voorgenomen beheersmaatregelen of beheersmaatregelen.
6.2.7 Wet bescherming persoonsgegevens BES
De AVG is niet van toepassing op Caribisch Nederland. In plaats daarvan wordt het juridisch kader gevormd door de Wet bescherming persoonsgegevens BES (Hierna: Wbp BES). Het verwerken van persoonsgegevens voor de uitvoering van de risicoanalyse voor eilandgedeputeerden valt niet onder een van de uitzonderingsgronden in artikel 2 of 3 van de Wbp BES. De waarborgen van de Wbp BES zijn dan ook van toepassing. Dit heeft niet geleid tot een andere regeling dan voor andere decentrale overheden.
Op grond van artikel 6 van de Wbp BES moeten de persoonsgegevens worden verwerkt in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt. Zoals hierboven is toegelicht voorziet dit wetsvoorstel in wettelijke kaders voor de behoorlijke en zorgvuldige verwerking van persoonsgegevens. Ook wordt met dit wetsvoorstel voldaan aan het in artikel 7 vereiste van welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinde voor het verzamelen van persoonsgegevens. Dit is de risicoanalyse integriteit voor beoogd eilandgedeputeerden, waarbij de reikwijdte is beperkt tot de wettelijke integriteitsnormen. De grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens is de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak (art. 8, aanhef en onder e, van de Wbp BES). Wat betreft het verwerken van bijzondere persoonsgegevens, zoals omschreven in artikel 16 van de Wbp BES, geldt ook dat dit op grond van artikel 23, eerste lid, kan als deze gegevens duidelijk openbaar zijn gemaakt. Daarnaast is dit ook mogelijk met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene.
Bij de uitvoering van de risicoanalyse zal men uiteraard geacht worden te handelen in overeenstemming van de vereisten van de Wbp BES.
6.2.8 Archiefwet
Na de beraadslaging worden alle documenten ten aanzien van de uitvoering van een risicoanalyse bewaard conform de eisen die volgen uit de Archiefwet 1995, de onderliggende regelgeving en de kaders die de gemeente, het waterschap of de provincie hierover heeft gesteld. Dit betekent ook dat een selectie wordt gemaakt van welke documenten bewaard moeten worden en welke worden vernietigd. De bewaartermijnen zijn geregeld in de selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020, de Selectielijst Waterschappen 2012 en de Selectlijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen vanaf 1 januari 2020.58
Met betrekking tot de bewaartermijnen voor de risicoanalyse kan worden aangesloten bij hetgeen momenteel al is geregeld in de selectielijst met betrekking tot het proces ‘personen aanstellen’. Dit betekent dat als de kandidaat niet wordt aangesteld, en deze geen toestemming geeft voor bewaren, de bewaartermijn een jaar is.59 Gedurende deze tijd blijft geheimhouding gelden. Vervolgens moeten de archiefbescheiden worden vernietigd ongeacht of die zich bij gemeente en/of een externe organisatie bevinden. Indien de kandidaat wel wordt aangesteld moeten de archiefbescheiden worden bewaard.60 Daarbij wordt opgemerkt dat de archiefbescheiden na 20 jaar moeten worden overgebracht naar de archiefbewaarplaats en daarmee in principe openbaar worden op grond van artikel 12 en 14 van de Archiefwet 1995. Op grond van artikel 15, eerste lid, kunnen echter beperkingen worden gesteld aan de openbaarbaarheid voor een bepaalde termijn met het oog op bepaalde belangen. Het besluit hierover ligt bij de zorgdrager, maar een beperking van de openbaarheid ligt wel zeer voor de hand gelet het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de wethouder en eventuele derden.
Indien voor de uitvoering van de risicoanalyse is gekozen voor een externe uitvoerder geldt dat ten behoeve van een zorgvuldige archivering het dossier slechts op één plek dient te worden bewaard, namelijk bij de burgemeester. Dit houdt in ieder geval in dat de externe partij bij het beëindigen van de risicoanalyse het volledige dossier aan de burgemeester overdraagt. De externe partij heeft de persoonsgegevens niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins, in de zin van artikel 5, eerste lid onder e van de AVG. Tegen die achtergrond maakt de burgemeester in de verwerkingsovereenkomst duidelijke afspraken met die partij als zijnde verwerker in de zin van de AVG.
In afwijking van gemeenten, provincies en waterschappen, geldt ten aanzien van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het regime van de Archiefwet BES met de bijbehorende onderliggende regelgeving en de kaders die Bonaire, Sint Eustatius en Saba zelf hebben opgesteld. De toepassing hiervan is vergelijkbaar met hetgeen hierboven is beschreven.
7. Gevolgen voor decentrale overheden en anderen
7.1 Algemene gevolgen voor decentrale overheden
De uitvoering van een risicoanalyse wordt zoals reeds beschreven beschouwd als een effectief middel om integriteitsrisico’s in kaart te brengen en deze ook te verminderen.61 Dit voorstel bevordert dan ook de integriteit door voor te schrijven dat in alle gemeenten een risicoanalyse moet worden uitgevoerd alvorens een wethouder wordt benoemd. Voor kandidaat-wethouders verschaft dit wetsvoorstel de gewenste duidelijkheid en waarborgen alvorens zij onderworpen worden aan een risicoanalyse. Met dit voorstel wordt voor een groot aantal gemeenten aangesloten bij de huidige praktijk. Veel gemeenten laten immers al een risicoanalyse uitvoeren. Tegelijkertijd bakent dit wetsvoorstel de reikwijdte van de uitvoering van een risicoanalyse af en stelt het grenzen aan de wijze waarop de uitvoering van een risicoanalyse wordt uitgevoerd. Dit laat onverlet dat binnen de gegeven kaders gemeenten ruimte behouden om de uitvoering van een risicoanalyse vorm te geven. Sommige gemeenten hebben de wijze waarop de uitvoering van een risicoanalyse wordt uitgevoerd vastgelegd in een verordening of in het Reglement van orde. Voor zover dat niet verenigbaar is met dit voorstel, zullen gemeenten dat moeten aanpassen. Dit betreft een éénmalige inspanning. Ten behoeve van de voorbereiding van dit voorstel is de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden gevolgd.
Daarnaast zijn er zoals in paragraven 3.3. en 3.4. reeds beschreven enige verschillen aan te wijzen tussen de verschillende overheden in de organisatie van het bestuur, de omvang, capaciteit, enzovoort. De waterschappen kennen immers nog een monistische vorm van bestuur. Tegelijkertijd is het zo dat het algemeen bestuur de leden van het dagelijks bestuur benoemt, en in die procedure is het zeker passend een risicoanalyse uit te voeren en dat gebeurt ook veelvuldig. Daarnaast zijn de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet dusdanig anders georganiseerd dan kleinere gemeenten in Europees Nederland, dat dit zou leiden tot differentiatie in dit wetsvoorstel. Wel zal het schrappen van de afwijkende integriteitsnormen in de WolBES een kleine beperking van de regeldruk met zich meebrengen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verder zijn provincies in de kern niet anders georganiseerd dan gemeenten en wordt de risicoanalyse in de provinciepraktijk ook op vergelijkbare wijze als in gemeenten veelvuldig toegepast.
7.2. Administratieve lasten voor burgers, bedrijven en milieu
Het voorstel heeft geen administratieve lasten voor burgers, voor bedrijven en milieu.
7.3. Financiële gevolgen
In alle sectoren is meer aandacht voor het onderwerp integriteit. Dat geldt niet alleen voor overheden, maar evenzeer voor de rechterlijke macht, het bankwezen, de zorg als ook in andere sectoren. Het waarborgen en bevorderen van integriteit betreft dan ook een vast onderdeel dat bijgehouden moet worden. Dit voorstel volgt derhalve de reeds ingezette ontwikkeling waarbij – zoals volgt uit de verrichte inventarisatie – reeds 96% van de responderende gemeenten gebruik maakt van het instrument van de uitvoering van een risicoanalyse. Het financieren van dergelijke onderdelen is voor gemeenten, provincies, en Caribisch Nederland gewaarborgd doordat de begrotingsfondsen meestijgen met de rijksuitgaven in de vorm van het accres en in de toekomst door de koppeling aan het Bruto Binnenlands Product.
7.4. Rechtsbescherming
In de bijzondere politieke context van een benoemingsprocedure van een bestuurder heeft rechtsbescherming een andere rol dan algemeen gebruikelijk bij overheidshandelen. Het al dan niet benoemen van een kandidaat tot wethouder is immers naar zijn aard een politiek proces. Daarbij past het niet dat een rechter treedt in de gronden die daaraan ten grondslag liggen; dat is bij uitsluiting aan de raad als hoogste orgaan van het gemeentebestuur. Dit wordt met dit wetsvoorstel ook verduidelijkt (zie ook paragraaf 5.2). De uitvoering van een risicoanalyse of het al dan niet benoemen van een kandidaat levert dan ook geen mogelijkheid op voor een kandidaat om zich tot de bestuursrechter te wenden. Daarbij speelt ook mee dat de risicoanalyse zelf geen besluit is, maar enkel een advies. Wel is in de vormgeving van procedure van de risicoanalyse zoveel mogelijk gepoogd de positie van de kandidaat te beschermen. Zo moet het bijvoorbeeld voor de kandidaat duidelijk zijn dat hij de uitkomsten mag inzien alvorens deze naar de raad worden gestuurd, waarbij hij gedurende het gehele proces de mogelijkheid heeft zich nog terug te trekken uit het proces. De burgemeester ziet bovendien toe op een goede uitvoering van de risicoanalyse, waarbij de positie van de kandidaat ook nadrukkelijk zijn aandacht zal hebben. Verder zorgt de burgemeester ervoor dat persoonsgegevens slechts met de raad worden gedeeld indien dit proportioneel is. Daarnaast is het mogelijk een klacht in te dienen over de uitvoering bij de burgemeester. Indien de kandidaat ondanks een klacht over de procedure toch besluit om zijn kandidatuur voort te zetten, dan kan hij de burgemeester verzoeken over zijn klacht een aantekening op te laten nemen in de conclusies van. Tot slot gelden ook voor derden die in directe zin relevant zijn voor zaken rondom de integriteit van de kandidaat een aantal waarborgen. Indien over een derde informatie wordt verzameld wordt hem of haar door de burgemeester de mogelijkheid geboden een zienswijze in te dienen voor zover er relevante persoonsgegevens zijn opgenomen in de conclusies. Hetzelfde geldt voor een derde die tijdens de uitvoering van een risicoanalyse is benaderd om -op vrijwillige basis- medewerking te verlenen aan de risicoanalyse. Het is daarbij ook voor de derde mogelijk een aantekening te laten opnemen in de conclusies indien deze het niet eens met de wijze waarop opvolging is gegeven aan de zienswijze. Ook is in het voorstel opgenomen dat het uiteindelijk aan de burgemeester is om de afweging te maken of het opnemen van deze persoonsgegevens opweegt tegen de daarmee te dienen doelen en hij aan de zienswijze dus geen opvolging hoeft te geven. Relevant om daarbij te vermelden is dat informatie over derden in het stadium dat het wordt opgenomen in de informatie die naar de raad wordt gezonden al zeer streng is beperkt tot slechts de informatie die relevant is in het kader van de integriteit van de kandidaat en niet die derde zelf.
8. Reacties consultatie
De reacties via de internetconsultatie komen voornamelijk van de beroepsverenigingen voor decentrale politieke ambtsdragers. Daarnaast hebben enkele burgers, een gemeente en instanties zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en de Rijksvertegenwoordiger gereageerd op het wetsvoorstel. Uit de reacties kan worden afgeleid dat het wetsvoorstel in overwegende mate wordt ondersteunend, met enkele kanttekeningen en aandachtspunten op specifieke onderdelen.
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) heeft aangegeven het wetsvoorstel positief te beoordelen onder meer gelet op het met dit voorstel geboden evenwicht tussen de kandidaat-wethouder en de gemeenteraad. Daarnaast heeft de VNG een aantal kanttekeningen geplaatst op specifieke onderdelen, zoals de wijze waarop de gegevensbescherming is verzekerd. De regering heeft ervoor gekozen aanvullende waarborgen te regelen, onder andere voor derden bij de eventuele verwerking van hun persoonsgegevens en de omgang met bijzondere persoonsgegevens. Bovendien heeft de VNG opgemerkt dat in de toelichting nader diende te worden uitgewerkt in hoeverre dit wetsvoorstel voldoende waarborgen biedt in het kader van de inbreuk op het eigendomsrecht, in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol behorend bij het EVRM. Dat punt is eveneens door de regering geadresseerd in paragraaf 6.1.
De Nederlandse Vereniging voor Raadsleden (hierna: NVvR) heeft
kritisch gereageerd op het voorstel. Er zijn namelijk twijfels over nut
en noodzaak van dit wetsvoorstel, de effectiviteit van risicoanalyses en
de beperkte rol van de raad in de uitvoering van de risicoanalyse. De
regering ziet zonder meer nut en noodzaak van dit wetsvoorstel zoals ook
uiteengezet in de inleiding en de paragrafen 2.2 en 2.3. Zoals in de
inleiding naar voren gebracht kenmerkt deze tijd zich door een lager
publiek vertrouwen en is het borgen van integriteit een essentiële
voorwaarde voor goed bestuur en daarmee voor het versterken van het
vertrouwen in en de legitimiteit van de overheid. Door de risicoanalyse
voor te schrijven zal deze voorafgaand aan de benoeming plaatsvinden.
Dit draagt bij aan het voorkomen van integriteitskwesties tijdens de
rit, onder meer omdat het een belangrijk moment van bewustwording is en
abstracte integriteitsnormen een concrete invulling krijgen. Ook het
verbeteren van de huidige uitvoeringspraktijk is een belangrijke reden
om tot voorschrijven over te gaan. De regering acht het noodzakelijk de
kwaliteit van dit instrument te kunnen versterken, door op wetsniveau de
belangrijkste randvoorwaarden en waarborgen te uniformeren. De gedachte
hierachter is dat het voor een aantal onderdelen van de risicoanalyse,
zoals de reikwijdte en de omgang met persoonsgegevens, essentieel is dat
de kwaliteit ervan overal zoveel mogelijk hetzelfde is en dus niet
afhankelijk mag zijn van de individuele keuze van een gemeente. De
regering heeft daarnaast bewust gekozen voor een belangrijke rol voor de
burgemeester gelet op diens neutrale rol in het gemeentebestuur en diens
taak om de bestuurlijke integriteit te bevorderen. Dit heeft, hierover
is de NVvR kritisch, logischerwijs effect op de beperktere rol van de
gemeenteraad in het gehele proces. De regering hecht er tegelijkertijd
aan een sterke (informatie)positie van de gemeenteraad te verzekeren
tijdens en voorafgaand aan de benoemingsfase. Daarom moeten de
conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen met de raad worden
gedeeld. Tot slot zij opgemerkt dat het overgrote deel – ruim negentig
procent – van de burgemeesters en wethouders de risicoanalyse een
effectief middel vindt om integriteitsrisico’s in kaart te brengen en
deze ook te verminderen. Zo gaven de respondenten van het uitgevoerde
onderzoek aan dat er bij een meerderheid van de kandidaat-wethouders
daadwerkelijk risico’s en kwetsbaarheden in kaart worden gebracht waarop
beheersmaatregelen volgden.
De Wethoudersvereniging wijst in de consultatiereactie terecht op het
feit dat het ‘goede gesprek’ over integriteit meer is dan een selectie
aan de poort. Het is juist een doorlopend gesprek over dilemma’s, over
verinnerlijking van normen, waarden en bewustwording. Dat brengt ook met
zich mee dat integriteit breder is dan een toets aan het wettelijke
normenkader. Naar aanleiding van de reactie van de Wethoudersvereniging
is deze belangrijke notie meer benadrukt in de toelichting. De
bovengrens van dit voorstel is gegeven met de reikwijdte: in de
uiteindelijke rapportage kunnen alleen die zaken worden genomen die te
herleiden zijn tot het wettelijk normenkader.
De Vereniging van Griffiers (hierna: de VvG) heeft onder meer aandacht
gevraagd voor de uitvoering van een risicoanalyse door de burgemeester
zelf. Omdat de burgemeester toeziet op de uitvoering van de
risicoanalyse bestaat inderdaad ook de ruimte dat hij de risicoanalyse
zelf uitvoert. Uit de praktijk blijkt dat hij zich daarbij ambtelijk
laat ondersteunen, waardoor de benodigde kennis en capaciteit zijn
verzekerd. Daarbij mag een grote mate van objectiviteit en
onafhankelijkheid van de burgemeester worden verwacht, als zijnde
'hoeder van de bestuurlijke integriteit’ en als ‘boven de partijen
staande figuur’. Daarnaast laat deze formulering ruimte om de
daadwerkelijke uitvoering elders te beleggen. Dit is in de praktijk ook
een veelvuldig gebruikte figuur. Bovendien heeft de VvG in de
consultatieversie van het wetsvoorstel te weinig ruimte gezien om
verschillende aandachtspunten en risico’s te kunnen betrekken bij de
uitvoering. De regering heeft dit onderkend en de toelichting op dit
punt gewijzigd.
Het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) geeft aan dat dit
nieuwe wetsvoorstel tegemoet komt aan eerdere kanttekeningen over de
reikwijdte en de rol van de burgemeester. Beide aspecten zijn nu goed
geregeld. Tegelijkertijd plaatst het NGB kanttekeningen bij de
reikwijdte van financiële belangen en de kwaliteitseisen van
onderzoeksbureaus. De reikwijdte inzake financiële belangen betreft een
norm die voor de toepassing voor een deel afhangt van de omstandigheden
van een geval, waardoor het lastig is op voorhand in te kaderen waar de
grenzen precies liggen. Tegelijkertijd heeft de regering kans gezien om
het voorstel aan te vullen met enkele aanscherpingen waar het gaat om de
definitie van deze norm en wordt een toezegging gedaan de
modelgedragscode in het Handboek integriteit aan te vullen met enkele
voorbeelden en aandachtspunten. Het NGB heeft bovendien terecht gewezen
op het belang van kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoek in den
brede. De regering onderschrijft dit en verkent de mogelijkheden
hiervoor door middel van een separaat traject.
In het verlengde van dit laatste punt heeft ook de Vereniging
Veiligheidsdomein Nederland gewezen op het belang van (nadere)
kwaliteitseisen voor integriteitsonderzoek, met zelfs enkele
aanbevelingen/ideeën voor basiseisen. In de nadere uitwerking van het
separate traject hiervoor neemt de regering deze ter harte. Daarnaast
heeft de Nederlandse Veiligheidsbranche de minister van BZK geadviseerd
nadere informatie op te nemen over de reeds bestaande vergunningsplicht
op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en
recherchebureaus voor particuliere onderzoeksbureaus in het kader van
integriteitsonderzoek. Deze informatie is opgenomen onder paragraaf
3.2.1.
De Unie van Waterschappen (hierna: UvW) heeft aangegeven de inhoud van
het wetsvoorstel te onderschrijven. De UvW heeft verder onder andere
aandacht gevraagd voor de impact van het delen van (gevoelige)
informatie over de kandidaat met de buitenwereld voor de kandidaat zelf.
De regering is het eens met de UvW dat uit het wetsvoorstel helder moet
blijken wat die gevolgen zijn, zodat de kandidaten zich daarvan kunnen
vergewissen en dit de aantrekkelijkheid van het ambt ten goede komt. Op
dit punt zijn enkele waarborgen op het niveau van de wet toegevoegd en
is de toelichting aangescherpt. Bovendien is de UvW van mening dat het
wetsvoorstel zou moeten borgen hoe en wanneer informatie wordt
vernietigd en/of gearchiveerd. Ook op deze aspecten is de regering nader
ingegaan in de toelichting.
De Kring van commissarissen van de Koning (hierna: Kring CdK’s) heeft
gesteld de bestaande praktijk te herkennen in dit wetsvoorstel en het
daarnaast positief te vinden dat er ruimte wordt gelaten aan lokale
invulling. De regering is het met de Kring eens dat het de
verantwoordelijkheid van de burgemeester is om te toetsen aan de eisen
van proportionaliteit bij het delen van informatie met de raad. Verder
is de regering het met de Kring eens dat de risicoanalyse geen toets is
van de integriteit van de persoon, maar dat het veeleer gaat om feiten
en omstandigheden ten aanzien van diens bestuurlijke integriteit. Op dit
punt is zowel de toelichting als de wettekst aangepast.
De Rijksvertegenwoordiger wijst op een recent verschenen WODC-rapport
over ambtelijk-bestuurlijke integriteit op Caribisch Nederland. In het
rapport wordt een brede analyse weergegeven over de aard en omvang van
schendingen die plaatsvinden binnen de ambtelijk-bestuurlijke context op
de BES-eilanden. De Rijksvertegenwoordiger vraagt daarom om een nadere
analyse over het voorstel om de norm voor bloed- en aanverwantschap te
schrappen en de norm ten aanzien van financiële belangen te wijzigen.
Het rapport geeft kwetsbaarheden weer over de bredere sociale- en
culturele factoren in de samenleving, wat logischerwijs ook indirect
raakt aan integriteit van het openbaar bestuur als geheel, maar
tegelijkertijd focust het rapport zich niet specifiek op problemen
rondom bloed- en aanverwantschap als het gaat om toetreding tot het
bestuur van de openbare lichamen. De regering ziet daarom – zoals ook
onder paragraaf 5.1. genoemd – geen reden om af te wijken van het
kabinetsstandpunt om zoveel als mogelijk Europees-Nederlandse wetgeving
op dezelfde wijze toe te passen voor Caribisch Nederland (‘comply’).
Daar komt bij dat met deze wettelijke verplichting om een risicoanalyse
uit te voeren juist op allerlei integriteitsaspecten die in het rapport
worden genoemd de aandacht kan worden gevestigd. Een uniforme procedure
die met allerlei waarborgen is omkleed draagt daarnaast ook bij aan een
verdere professionalsering waar het gaat om het bevorderen van de
bestuurlijke integriteit in Caribisch Nederland.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet
geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen
omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft in reactie op de
consultatieversie van het wetsvoorstel aangegeven dat het wetsvoorstel
naar verwachting niet zal nopen tot extra inzet door de AP. Daarnaast
heeft de AP enkele kanttekeningen en vragen meegegeven in het kader van
gegevensverwerking, bijvoorbeeld waar het gaat om verdere verwerking van
gegevens voor een ander doel, bijzondere persoonsgegevens,
persoonsgegevens van derden en omgang met informatie uit openbare
bronnen. Op al deze aspecten heeft de regering nadere overwegingen
opgenomen in het voorstel. Zo is voor het kunnen raadplegen van
verschillende bepaalde bronnen een specifieke wettelijke grondslag
gecreëerd, mogen bijvoorbeeld bijzondere persoonsgegevens alleen worden
verwerkt indien deze gegevens kennelijk al eerder openbaar zijn gemaakt
door de kandidaat en alleen als die informatie relevant is voor het in
kaart brengen van integriteitsrisico’s. Ook krijgen derden inzage in de
voor hen relevante persoonsgegevens indien deze worden opgenomen in de
met de raad te delen uitkomsten van de risicoanalyse – de conclusies,
aanbevelingen en door de kandidaat voorgenomen beheersmaatregelen.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I, onderdeel A, Artikel II, onderdeel A, Artikel III, onderdeel A en Artikel IV, onderdeel A (artikelen 36c Gemeentewet, 35d Provinciewet, 41 Waterschapswet, en 41 WolBES)
Met deze wijziging wordt voorgesteld om wettelijk verplicht te stellen dat voorafgaand aan de benoeming een risicoanalyse wordt uitgevoerd met betrekking tot de bestuurlijke integriteit van de beoogd wethouder. Deze kan niet worden uitgevoerd door de raad of een commissie van de raad. Hiertoe wordt een nieuw artikel 36c van de Gemeentewet ingevoegd.62 Anders dan bij de VOG is de benoembaarheid van de wethouder wettelijk gezien niet gebonden aan een bepaalde uitkomst van de uitvoering van een risicoanalyse. Daarom wordt de uitvoering van een risicoanalyse niet opgenomen in artikel 36a Gemeentewet, waarin de benoembaarheidsvereisten zijn opgenomen. Het zetten van de procedurele stap om een risicoanalyse uit te voeren is echter wel verplicht en een kandidaat kan niet benoemd worden als dit niet is gebeurd. De uitvoering van een risicoanalyse zal ook verplicht zijn in geval van herbenoeming, alsmede voor een vervangende wethouder die op grond van artikel 45b van de Gemeentewet kan worden benoemd.
Ook wordt met deze bepaling de reikwijdte van de uitvoering van een risicoanalyse wettelijk vastgelegd. Het gaat hierbij om het risico dat een of meerdere van de volgende normen met betrekking tot de integriteit in het geding zouden kunnen komen bij of na de benoeming van de kandidaat-wethouder:
Het verbod op het hebben van een onverenigbare betrekking (artikel 36b van de Gemeentewet);
De naleving van de ambtseed (artikel 41a van de Gemeentewet);
De regels met betrekking tot nevenfuncties (artikel 41b van de Gemeentewet);
De regels met betrekking tot verboden handelingen (artikel 41c, eerste lid, juncto artikel 15 eerste en tweede lid van de Gemeentewet);
Normen die zijn vastgesteld in een verordening of gedragscode en waarvan door de raad uitdrukkelijk is bepaald dat deze betrokken dienen te worden bij de risicoanalyse (artikel 41c, tweede lid, van de Gemeentewet);
Het verbod op het hebben van financiële belangen of het bezit van effecten en verrichten van effectentransacties voor zover dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het wethouderschap (het voorgestelde artikel 41ba van de Gemeentewet);
Onthouding van beraadslaging en stemming in geval van belangenverstrengeling (artikel 58 juncto artikel 28 van de Gemeentewet);
De verplichting tot geheimhouding (artikel 89, tweede lid, van de Gemeentewet).
Aanvullend op de opsomming hierboven, wordt voor gedeputeerden van
een provincie ook de norm betrokken dat een gedeputeerde niet als
gemachtigde of adviseur werkzaam mag zijn bij zaken die aan uitspraken
van gedeputeerde staten onderworpen zijn (artikel 47 van de
Provinciewet). Deze norm bestaat niet voor wethouders.
In het voorgestelde artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet wordt
de reikwijdte van de uitvoering van de risicoanalyse voor de kandidaat
dagelijks bestuurders vastgelegd. Die wettelijke normen zijn dezelfde
normen als die hiervoor genoemd zijn. Vanwege de verschillende opzet van
de Waterschapswet betekent dit dat de verwijzingen soms ook anders zijn
vormgegeven. In artikel 45 van genoemde wet worden de artikelen 38 tot
en met 39 van overeenkomstige toepassing verklaard. In artikel 38 is
bepaald dat bestuurders zonder last stemmen. De risicoanalyse ziet niet
op deze bepaling, dat geldt ook voor de artikelen 38b, 38c en 39.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een risicoanalyse ook wordt uitgevoerd voor een beoogd dagelijks bestuurder indien voor die persoon op grond van artikel 41, derde lid, van de Waterschapswet63 een ontheffing wordt verleend van de hoofdregel dat de leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, uit de leden van het algemeen bestuur worden benoemd.
Naast de wettelijk vastgelegde normen – zoals benoemd in de opsomming – wordt voorgesteld om normen uit de uit de lokale gedragscode of verordening, bedoeld in artikel 41c, tweede lid, van de Gemeentewet, mogelijk te betrekken bij de risicoanalyse. Het kan hierbij gaan om verdere inkleuring van bovengenoemde wettelijke normen, maar ook om aanvullende normen. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het in een gedragscode of verordening voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke regeling niet mogelijk is. Aangezien de risicoanalyse alleen ziet op de bestuurlijke integriteit, zullen hooguit enkele specifieke bepalingen uit verordeningen relevante integriteitsnormen bevatten. Waarschijnlijk zullen ook niet alle integriteitsnormen uit een gedragscode zich lenen voor de risicoanalyse. De raad zal dan ook, voorafgaand aan de procedure van de risicoanalyse, expliciet moeten bepalen welke normen ook betrokken moeten worden bij de risicoanalyse. Het staat de raad ook vrij om geen enkele norm uit de gedragscode of gemeentelijke verordening onder de reikwijdte van de risicoanalyse te brengen. De risicoanalyse ziet dan uitsluitend op de bovengenoemde wettelijke normen.
In het tweede lid wordt voorgesteld dat de burgemeester toeziet op de uitvoering van de risicoanalyse. Het wetsvoorstel regelt daarbij niet door wie de risicoanalyse feitelijk wordt uitgevoerd. Wel wordt vastgelegd dat dit niet (een commissie uit) de raad kan zijn, omdat dit niet past bij de politieke rol van de raad rondom de benoemingsprocedure van een wethouder. Met de formulering “ziet toe op” wordt aangesloten op de formulering met betrekking tot de taken van de burgemeester in artikel 170, eerste lid van de Gemeentewet. Net zoals in artikel 170, eerste lid, betekent dit niet dat de burgemeester wordt aangemerkt als toezichthouder.
Vanuit het oogpunt van kenbaarheid en voorzienbaarheid is ervoor gekozen in het nieuwe derde lid expliciet te omschrijven welke bronnen gebruikt kunnen worden voor de risicoanalyse. Daarbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen drie verschillende categorieën: publiek toegankelijke bronnen en informatie die rechtstreeks is te herleiden tot gegevens uit publiek toegankelijke bronnen; hetgeen wordt verstrekt door de beoogd wethouder; hetgeen wordt verstrekt door personen die geacht worden relevante gegevens te kunnen verstrekken voor de risicoanalyse en vrijwillig kiezen om deze gegevens te verstrekken. Er is voor gekozen de bronnen niet nader te specificeren, teneinde het wetsvoorstel op dit punt toekomstbestendig te maken. Daarnaast verstrekt de kandidaat zelf enkele documenten (categorie 2) zoals een CV, de ingevulde vragenlijst en zaken die worden genoemd tijdens het gesprek.
Voor de betrokkenen bij de uitvoering van een risicoanalyse geldt een geheimhoudingsplicht, welke rechtstreeks uit de wet voortvloeit en niet door gemeentelijke bestuursorganen kan worden opgeheven. Daarbij moet worden aangetekend dat ingevolge artikel 24 van de Gemeentewet de beraadslaging en stemming over de benoeming van wethouders alleen in een openbare vergadering kan plaatsvinden. Daarom komt de geheimhoudingsplicht te vervallen ten aanzien van de conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen, zodra deze door tussenkomst van de burgemeester zijn overgelegd aan de raad.
De conclusie is een samenvatting van de bevindingen van het onderzoek die relevant zijn voor de bestuurlijke integriteit van de beoogd wethouder zelf en het uitvoeren van het ambt als wethouder, waarin enkel persoonsgegevens worden opgenomen voor zover noodzakelijk om de raad te informeren. Het is denkbaar dat hiervoor kan worden volstaan met de mededeling dat er geen relevante risico’s zijn vastgesteld. De conclusie wordt gedeeld met de raad en daarna door de raad openbaar gemaakt als ingekomen stuk en vergaderstuk. De aanbevelingen van de instantie die de uitvoering van een risicoanalyse uitvoert over het mitigeren van de risico’s en de beheersmaatregelen die de beoogd wethouder eventueel naar aanleiding hiervan wil treffen, worden eveneens gedeeld met de raad. Daarbij wordt opgemerkt dat de raadsvergadering over de benoeming zou kunnen leiden tot veranderingen in de beheersmaatregelen. Hierbij wordt gewezen op de verantwoordelijkheid van de kandidaat-wethouder zelf – naast de rol die de burgemeester hierin speelt – om te zorgen dat de raad voldoende is geïnformeerd over eventuele integriteitsrisico’s en de mogelijke beheersmaatregelen daarbij. Als de wethouder wordt benoemd, moet deze de uiteindelijke beheersmaatregelen terstond openbaar maken. Deze verplichting geldt ook als de beheersmaatregelen niet veranderd zijn. Deze verplichting rust na benoeming op de wethouder zelf.
Het overleggen van de conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen aan de raad dient pas te gebeuren nadat de uitvoering van een risicoanalyse volledig is afgerond en de beoogd wethouder de gelegenheid heeft gehad te reageren op de uitkomsten van de uitvoering van een risicoanalyse. Op dat moment geeft de beoogd wethouder ook aan of hij beheersmaatregelen wil gaan treffen en zo ja, welke. Als de informatie die aan de raad verstrekt zal worden, persoonsgegevens van derden bevat, moeten deze derden eveneens vooraf in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren. Daarbij wordt wel aangemerkt dat dit alleen ziet op dat deel van de informatie dat rechtstreeks verband houdt met de derde. De rest van de persoonsgegevens van de beoogd wethouder of derden die zijn gebruikt bij de risicoanalyse worden niet gedeeld, omdat dit niet noodzakelijk is voor het beoogde doel. Op grond van het vierde lid van het voorgestelde artikel 36c van de Gemeentewet moet voor het delen van de conclusie, aanbevelingen en voorgenomen beheersmaatregelen die volgen uit de risicoanalyse een afweging gemaakt worden of het delen van persoonsgegevens wel evenredig is gelet op het belang van de persoonlijke levenssfeer. Daarbij gaat het nadrukkelijk ook om de persoonlijke levenssfeer van een eventuele derde als wordt overwogen persoonsgegevens op te nemen die zien op een derde. Voor de afweging hieromtrent kan aansluiting worden gezocht bij de afweging die gemaakt wordt als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid van de Wet open overheid. Nu een belangrijk doel van de risicoanalyse ziet op het inzicht bieden in eventuele kwetsbaarheden aan de raad, zal van deze mogelijkheid terughoudend gebruikt moeten worden gemaakt voor wat betreft de kandidaat-wethouder. Hierbij is het denkbaar dat het document met conclusies, aanbevelingen en beheersmaatregelen zo wordt geformuleerd dat het integraal openbaar gemaakt wordt en een nieuwe belangenafweging door de raad niet nodig is.
Er moet ook worden opgemerkt dat indien de beoogd wethouder gedurende het proces van de risicoanalyse of na het zien van de uitkomsten, besluit zich terug te trekken, er geen reden is om de benoemingsprocedure verder te doorlopen. De conclusie, aanbevelingen en beheersmaatregelen zullen in dat geval dus ook niet gedeeld worden met de raad en de geheimhouding blijft dan rusten op deze informatie, aangezien het hier gaat om persoonsgegevens van de voormalig beoogd wethouder en eventuele derden. Ten aanzien van de gegevens waarop geheimhouding rust is het openbaarmakingsregime van de Wet open overheid niet van toepassing. Zie ook de toelichting bij Artikel V.
Op grond van artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c, van de Wet open overheid moet de raad de conclusie, aanbevelingen en voorgenomen beheersmaatregelen openbaar maken. Dit is gelijktijdig met de verspreiding van aan de deelnemers van de vergadering waarin de benoeming van de wethouder is geagendeerd. De zienswijzeprocedure van artikel 3.3, vijfde lid, aanhef en onderdelen h en i, en zevende lid, van de Wet open overheid wordt daarbij buiten toepassing verklaard. De reden hiervoor is dat tijdens de totstandkoming van de risicoanalyse de beoogd wethouder en eventuele derden waarvan persoonsgegevens of waarnaar herleidbare informatie kan voorkomen in de conclusie aanbevelingen of voorgenomen beheersmaatregelen, al in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op de voorgenomen openbaarmaking. Dit betekent dat belanghebbenden die naar verwachting bezwaar hebben tegen de openbaarmaking geen aanvullende termijn gesteld hoeft te worden om een zienswijze naar voren te brengen. Ook kan tegen de openbaarmaking evenmin rechtsmiddelen zoals bezwaar en beroep worden ingeroepen. De openbaarmaking is namelijk een feitelijke handeling. Met de buiten toepassing verklaring van artikel 3.3, zevende lid, betekent dit ook dat de mededeling dat de informatie alsnog openbaar wordt gemaakt, niet gelijk wordt gesteld met een besluit. Daarmee kunnen tegen de openbaarmaking geen rechtsmiddelen worden aangewend. Dit is gerechtvaardigd nu een voorlopige voorziening en bezwaar en beroep kunnen leiden tot vertraging in het benoemingsproces terwijl dit bestuurlijke benoemingsproces gebaat is bij een vlotte doorloop. Het te publiceren document is immers de basis voor het gesprek voor de benoeming van de wethouder tijdens de raadsvergadering.
Het huidige artikel 41 van de WolBES bevat een verbod op familiebetrekkingen tussen de leden van het bestuurscollege. Dit verbod komt te vervallen en dit artikel zal in plaats daarvan worden gebruikt voor de bepalingen met betrekking tot de uitvoering van een risicoanalyse. Het vervallen van dit artikel zorgt ervoor dat de integriteitsregeling voor eilandgedeputeerden nader aansluit op de regeling voor andere decentrale bestuurders, omdat voor hen ook niet een vergelijkbare verplichting geldt. Voor wat betreft de openbaarmaking geldt voor de stukken die onder de geheimhoudingsplicht vallen, een bijzonder en uitputtend openbaarheidsregime ten aanzien van de Wet openbaarheid van bestuur BES. Deze informatie kan dus niet openbaar worden gemaakt met een Wob BES-verzoek.
Artikel I, onderdelen B en D, Artikel II, onderdelen B en D, Artikel III, onderdelen A en B, en Artikel IV, onderdelen B en E (artikelen 41ba en 68a Gemeentewet, 41ba en 67ba Provinciewet, 44l en 48a Waterschapswet en 49 en 81 WolBES)
Met dit voorstel tot het toevoegen van artikel 41ba aan de Gemeentewet worden wettelijke regels gesteld over de financiële belangen van wethouders. Met het toevoegen van een overeenkomstig artikel 68a van de Gemeentewet worden ook vergelijkbare regels gesteld voor burgemeesters. Het doel van deze regeling is het tegengaan van het risico van financiële belangenverstrengeling en het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie. Hiermee wordt aangesloten bij vergelijkbare regels voor ambtenaren64 en de voorgestelde regeling met betrekking tot de rechterlijke macht65. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat de relatie tussen bijvoorbeeld een ambtenaar en diens werkgever niet direct vergelijkbaar is met de verhouding tussen een bestuurder en de raad. In dat laatste geval gaat het om een politiek-bestuurlijke verhouding waarbij de vertrouwensvraag tussen college en raad van invloed is op de toepassing van de norm. Daarbij gelden niet dezelfde mogelijkheden voor het aanspreken of sanctioneren van het schenden van de norm.
Het begrip «financieel belang» is zeer divers van aard. Het kan bijvoorbeeld gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond of om financiële deelnemingen in ondernemingen. Ook negatieve financiële belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen in verband met mogelijke belangenverstrengeling relevant zijn. Gelet op de variëteit van financiële belangen en de variëteit van taken en zaken waarmee bestuurders kunnen worden belast, kan niet eenduidig worden aangegeven welke financiële belangen wel en welke niet toelaatbaar zijn in relatie tot de ambtsvervulling. Alleen als er specifieke omstandigheden zijn die concreet reden geven om aan te nemen dat er risico’s zijn voor de goede vervulling van het ambt, zal dat financieel belang onder dit verbod kunnen vallen. Of een bepaald financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich brengt, is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de gemeente waar een bestuurder actief is, de portefeuille van een wethouder, alsmede het concrete financiële belang. Integriteitsrisico’s kunnen ook ontstaan indien de bestuurder in de uitoefening van het ambt kan beschikken over vertrouwelijke kennis die diegene in de privésfeer zou kunnen aanwenden om er persoonlijk voordeel mee te behalen. Op basis van artikel 41c, tweede lid, en artikel 69, tweede lid, van de Gemeentewet, stelt de gemeenteraad een gedragscode vast met betrekking tot wethouders respectievelijk burgemeesters. Daarin kan nadere inkleuring worden gegeven aan de voorgestelde wettelijke norm. Zo behoort het aanwijzen van bepaalde sectoren of specifieke opgaven waarbij financiële belangen in de betreffende gemeente vaak een problematische rol spelen tot de mogelijkheden. Daarbij is wel van belang dat het hierbij moet blijven gaan om situaties waar daadwerkelijk risico’s zijn voor de goede vervulling van het ambt, en dit proportioneel en subsidiair is.
Ook als er risico’s kunnen zijn voor de goede vervulling van het ambt, betekent dit niet noodzakelijkerwijs dat het financiële belang onverenigbaar is met een goede vervulling van het ambt. In veel gevallen zal volstaan kunnen worden met beheersmaatregelen, zoals dat de bestuurder niet mee beraadslaagt en mee stemt in het college over een bepaald onderwerp dat ziet op het financiële belang.
Het is primair de eigen verantwoordelijkheid van de bestuurder om te voorkomen dat een situatie ontstaat waarin (de schijn van) belangenverstrengeling aan de orde is. In de uitvoering van een risicoanalyse zullen de financiële belangen worden betrokken.
Het huidige artikel 49 van de WolBES bevat kortgezegd het eerste deel van een regeling met betrekking tot een verklaring van de eilandgedeputeerden over diens financiële situatie. Zoals ook toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting op Artikel IV, onderdelen C, F en G, wordt voorgesteld deze regeling te laten vervallen. Dit artikel kan nu worden aangewend voor de nieuw voorgestelde regeling met betrekking tot de financiële belangen van de eilandgedeputeerden. Deze nieuwe regeling sluit aan bij de regeling voor andere decentrale bestuurders.
Het huidige artikel 81 van de WolBES bevat een verbod op familiebetrekkingen tussen de gezaghebber en andere leden van het bestuurscollege. Net als de vergelijkbare regeling met betrekking tot de leden van het bestuurscollege in artikel 41 van de WolBES, wordt voorgesteld deze te laten vervallen. Het vervallen van dit artikel zorgt ervoor dat de integriteitsregeling voor gezaghebbers nader aansluit op de regeling voor andere decentrale bestuurders, omdat er geen vergelijkbare verplichting bestaat voor andere decentrale bestuurders. Dit artikel kan nu worden aangewend voor het regelen van de financiële belangen van de gezaghebber. Deze nieuwe regeling sluit aan bij de regeling voor andere decentrale bestuurders.
Artikel I, onderdeel C, Artikel II, onderdeel C, en Artikel IV, onderdeel D (artikelen 50 Gemeentewet, 50 Provinciewet, en 61 WolBES)
Met deze wijziging wordt beoogd te expliciteren dat ook de benoeming van een wethouder een politiek oordeel van de volksvertegenwoordiging is en het daarom niet aan de rechter is om te oordelen over de gronden waarop de benoeming al dan niet heeft plaatsgevonden. Dit was al geregeld voor het ontslag van een wethouder. Voor waterschappen bestaat er niet een dergelijke regeling.
Artikel IV, onderdelen B, C, F en G (artikelen 49 tot en met 52, 83 en 235 WolBES)
De huidige artikelen 49 tot en met 52 van de WolBES betreffen kortgezegd een regeling met betrekking tot een verklaring van de eilandgedeputeerden over diens financiële situatie. Het huidige artikel 83 van de WolBES verklaart dit van overeenkomstige toepassing op de gezaghebber. Voorgesteld wordt deze regeling te laten vervallen. Wel wordt voorgesteld in artikel 49 en van de WolBES een regeling op te nemen ten aanzien van het hebben van financiële belangen door de eilandgedeputeerde.66 Op deze manier wordt nader aangesloten bij de regelingen betreffende integriteit voor andere decentrale bestuurders. Zie hierover ook paragraaf 5.1 van het algemeen deel van de toelichting. Met het vervallen van deze bepalingen vervalt de juridische grondslag voor het bewaren van de verklaringen en dienen deze onverwijld vernietigd te worden. De bijzondere regeling in artikel 51 omtrent geheimhouding blijft van toepassing op reeds ingediende verklaringen. Hiertoe wordt voorgesteld een overgangsregeling op te nemen in artikel 235 van de WolBES.
Artikel V
Met deze voorgestelde wijziging van de bijlage bij de Wet open overheid wordt een bijzonder openbaarheidsregime gecreëerd. Dit bijzonder openbaarheidsregime geldt voor de informatie die in het kader van de risicoanalyse wordt verwerkt en valt onder de geheimhoudingsplicht. Hierbij is bedoeld af te wijken van het openbaarmakingsregime in de Wet open overheid. Daarom wordt voorgesteld om het voorgestelde artikel 36c, zesde lid, van de Gemeentewet, artikel 35d, zesde lid, van de Provinciewet en artikel 41, zevende lid, van de Waterschapswet op te nemen op de bijlage behorende bij artikel 8.8 van de Wet open overheid. Dit betekent dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid hierop niet van toepassing zijn.
Ten aanzien van de WolBES is het niet nodig om dit te regelen omdat de Wet openbaarheid van bestuur BES van toepassing is in plaats van de Wet open overheid. Met de voorgestelde regeling in de WolBES wordt net als in Europees Nederland beoogd een uitputtend en bijzonder openbaarheidsregime te creëren dat voortgaat op de Wet openbaarheid van bestuur BES.
Artikel VI
Het moment van inwerkingtreding zal worden bepaald bij koninklijk besluit. Dat moment kan verschillend worden vastgesteld voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan.
Artikel VII
Dit wetsvoorstel is een volgende stap in het wettelijk bevorderen van
de integriteit en het functioneren van het decentraal bestuur. In die
zin is het de tweede tranche na de eerdere Wet bevorderen integriteit en
functioneren decentraal bestuur.67
Daarom wordt dit voorgesteld als citeertitel: Wet bevorderen integriteit
en functioneren decentraal bestuur tweede tranche.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
In artikel 49 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is de omgang met financiële belangen wel van een wettelijke basis voorzien.↩︎
Zie bijv. Zie bijv. L. van Noije, J. den Ridder en B. Geurkink. Democratie en vertrouwen. In: D. Verbeek-Oudijk, S. Hardus, A. van den Broek en M. Reijnders (red.), Notities: sociale en culturele Ontwikkelingen: stand van Nederland 2023. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, p. 110.↩︎
Zie bijv. L.W.J.C. Huberts, ‘Integrity: What is it and Why is it Important’, Public Integrity, 2018 (20), s18 e.v.↩︎
L.W.C.J. Huberts e.a., ‘Politieke Integriteitsaffaires in Nederland: de jaarlijkse index’, Beleid en Maatschappij 2024 (51), p. 118 e.v.; Uit de recent verschenen Monitor Integriteit en Veiligheid volgt dat bijna vier op de tien politieke ambtsdragers (37%) getuige waren of dachten te zijn van niet-integer gedrag bij collega-ambtsdragers (online raadpleegbaar via https://www.kennisopenbaarbestuur.nl/documenten/rapporten/2024/12/12/index).↩︎
I&O Research en DSP-Groep, Inventarisatie risicoanalyse integriteit bij kandidaat-wethouders, Amsterdam: I&O Research 2023 (online raadpleegbaar via https://www.kennisopenbaarbestuur.nl/documenten/rapporten/2023/03/21/inventarisatie-risicoanalyse-integriteit-bij-kandidaat-wethouders).↩︎
Advies Raad van State inzake nota van wijziging risicoanalyse voor kandidaat-bestuurders; Nader Rapport en de tekst van de nota van wijziging zoals toegezonden aan de Raad van State (Stcrt. 2021 48265).↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023.↩︎
Kamerstukken II 2019/20, 35 300 VII, nr. 29.↩︎
Zoals het kabinet bij schrijven d.d. 4 oktober 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 35 300, IV, nr. 11) heeft aangegeven wordt in tegenstelling tot het voorheen geldende principe van legislatieve terughoudendheid thans gewerkt met het principe van ‘comply or explain’. Alle Europees Nederlandse beleidsintensiveringen en regelgeving zijn van toepassing op de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba, tenzij er gronden zijn om dat niet te doen.↩︎
In paragraaf 3.3 en 3.4 wordt achtereenvolgend nadere toelichting gegeven in het kader van de waterschappen en de Caribische openbare lichamen. De aard en eventuele verschillen met de gemeente nopen naar onze overtuiging niet tot het opnemen van een dergelijke paragraaf ten aanzien van de provincie.↩︎
Naast de risicoanalyse – die plaatsvindt alvorens een kandidaat wordt benoemd – hebben ook politieke partijen diverse instrumenten om aandacht te hebben voor integriteit. Zie daarvoor het Handboek integriteit, Den Haag: ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2023 (online raadpleegbaar via https://www.kennisopenbaarbestuur.nl/documenten/rapporten/2023/12/5/handboek-integriteit-voor-politieke-ambtsdragers-van-decentrale-overheden).↩︎
Deze vrijheid geldt met inachtneming van de bestaande vereisten en verboden.↩︎
Zie voetnoot 9.↩︎
I&O Research en DSP-Groep, Inventarisatie risicoanalyse integriteit bij kandidaat-wethouders, Amsterdam: I&O Research 2023 (online raadpleegbaar via https://www.kennisopenbaarbestuur.nl/documenten/rapporten/2023/03/21/inventarisatie-risicoanalyse-integriteit-bij-kandidaat-wethouders).↩︎
Voorafgaand de benoeming van eilandgedeputeerden (wethouders) worden eventuele integriteitsrisico’s in kaart gebracht aan de hand van een aantal risicoprofielen.↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023, p. 37-40.↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023, p. 6 en 46-47.↩︎
In het geval van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba wordt gesproken over ‘politieke gezagdragers’ (zie bijvoorbeeld het Rechtspositiebesluit politieke gezagdragers BES). In deze toelichting wordt kortheidshalve gesproken over politieke ambtsdragers.↩︎
Op grond van artikel 15, derde lid, artikel 41c, tweede lid en artikel 69, tweede lid van de Gemeentewet is de raad gehouden een gedragscode integriteit vast te stellen voor zichzelf, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.↩︎
Artikel 24, onder d, van de Gemeentewet.↩︎
Zie paragraaf 4.↩︎
Zie paragraaf 3.1.↩︎
Zie artikel 36a, jo. artikel 10, eerste lid, van de Gemeentewet.↩︎
Informatie die verband houdt met de andere formele benoembaarheidsvereisten zoals een uittreksel uit de BRP en een Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen ook in deze fase overlegd. Zie ook paragraaf 3.1.2.↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023, p. 17.↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023, p. 17.↩︎
Een dergelijke commissie kan bijvoorbeeld vergeleken worden met een bezwaarschriftenadviescommissie.↩︎
Uit artikel 1, derde lid, van de Wpbr volgt dat de vergunningsplicht niet voor advocatenkantoren geldt, daar waar advocaten gebonden zijn aan wettelijke voorschriften zoals de Advocatenwet.↩︎
Justis is de screeningsautoriteit van het ministerie van Justitie en Veiligheid.↩︎
Als de burgemeester de uitvoering van een risicoanalyse zelf op zich neemt heeft hij vanzelfsprekend toegang tot alle relevante informatie.↩︎
In de nota integriteit openbaar bestuur worden daartoe diverse maartregelen aangekondigd. Zie Kamerstukken II 2022/23, 28 844, nr. 254, p. 17-18 (online raadpleegbaar via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28844-254.html).↩︎
Volledigheidshalve wordt aangemerkt dat deze organisaties – ondanks de fysiek grote afstand tot het Caribische deel van Nederland – ook de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba ondersteunen.↩︎
Zie ook paragraaf 6.2.6.↩︎
Ook artikel 3.3, tweede lid, sub c, van de Wet open overheid – nadat het in werking is getreden – verplicht hier toe.↩︎
Uit het onderzoek van Berenschot volgde dat van de 47 in 2023 onderzochte kandidaten slechts bij drie daarvan geen integriteitsrisico’s werden gesignaleerd: de geconstateerde risico’s zien meestal op nevenfuncties en persoonlijke belangen.↩︎
Zie artikel 44k van de Waterschapswet.↩︎
Zie artikel 38 van de Waterschapswet.↩︎
Zie daarvoor de overige paragrafen.↩︎
Het equivalent van de functie van ‘wethouder’.↩︎
Hiermee wordt, vanuit het kabinetsstandpunt ‘comply or explain’, gekozen voor comply.↩︎
Het is mogelijk dat er sprake is van een ‘persoonlijk belang’ in de zin van artikel 58 jo. 28 van de Gemeentewet vanwege bepaalde financiële belangen, maar een specifieke norm is er niet.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, nr. 3, 28754 (online raadpleegbaar via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28754-3.html).↩︎
Zie artikel 8, eerste lid, onder c, van de Ambtenarenwet 2017.↩︎
Voor het begrip ‘partner’ wordt aangesloten bij de definitie van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Blijkens dit artikel kan het hierbij ook gaan om een partner die niet in gemeenschap van goederen is gehuwd.↩︎
In paragraaf 3.2.2. wordt hier nader op ingegaan.↩︎
Zie artikel 24, onderdeel d, van de Gemeentewet↩︎
Sollicitanten voor het ambt van dijkgraaf worden niet gescreend op justitiële en strafvorderlijke antecedenten, maar leveren een Verklaring Omtrent het Gedrag aan.↩︎
Artikel 41 van de Wet op de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.↩︎
Het bestuurscollege is equivalent aan het college van burgemeester en wethouders.↩︎
Kamerstukken II 2008/2009, 31 954, nr. 3.↩︎
Bijvoorbeeld Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog.↩︎
Zie ook paragraaf 3.1.1.↩︎
Zie paragraaf 3.2.2.↩︎
Artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.↩︎
Artikel 41b, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.↩︎
Documenten die onder de actieve openbaarmaking vallen worden gefaseerd ingevoegd. Op moment van schrijven zijn de categorieën ingekomen stukken en vergaderstukken nog niet van kracht. Het betreft respectievelijk toekomstig artikel 3.3, tweede lid, onder a en c van de Wet open overheid.↩︎
Zie paragraaf 3.2.2.↩︎
Selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020 (Stcrt. 2020, 11143). Digitale vindplaats van selectielijst: https://www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/selectielijst-gemeenten-en-intergemeentelijke-organen-2020; Selectielijst Waterschappen 2012 (Stcrt. 2011, 22255). Digitale vindplaats van selectielijst: https://www.nationaalarchief.nl/archiveren/kennisbank/selectielijst-waterschappen-2012; Selectielijst voor archiefbescheiden van provinciale organen 2020 (Stcrt. 2020, 39934). Digitale vindplaats van selectielijst: Selectielijst voor archiefbescheiden van de provinciale organen vanaf 1 januari 2020 | Nationaal Archief.↩︎
Selectielijst gemeenten en intergemeentelijke organen 2020, procestypenummer 17.2↩︎
Op dit moment is een wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet in voorbereiding. Daarbij wordt voorgesteld om het instrument selectielijst te vervangen door het instrument selectiebesluit. Daarbij wordt tevens voorzien in overgangsrecht, waarbij de op dat moment geldende selectielijst wordt geacht te zijn vastgesteld als selectiebesluit.↩︎
I&O Research en DSP-Groep 2023, p. 37-38.↩︎
Gelet op de redactionele systematiek van de Waterschapswet, zijn de bepalingen hier ingevoegd in artikel 41. Dit artikel ziet onder andere op de benoemingsprocedure voor leden van het dagelijks bestuur.↩︎
Artikel 41, achtste lid, van de Waterschapswet in het wetsvoorstel.↩︎
Artikel 8, eerste lid, onder c van de Ambtenarenwet 2017.↩︎
Kamerstukken II 2022/23, 36243, nr. 2.↩︎
Voor de gezaghebber wordt een overeenkomstige bepaling voorgesteld in artikel 81 van de WolBES.↩︎
Stb. 2022, 504.↩︎