Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken (VII) op 4 februari 2026
Brief regering
Nummer: 2026D05471, datum: 2026-02-05, bijgewerkt: 2026-02-06 11:43, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Onderdeel van zaak 2026Z02424:
- Indiener: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Volgcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-05 10:15: Begroting Binnenlandse Zaken (36800-VII) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-02-12 10:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tijdens de begrotingsbehandeling van Binnenlandse Zaken op woensdag 4 februari 2026 heeft uw Kamer vragen gesteld. Hierbij bied ik uw Kamer het antwoord op een deel van deze vragen schriftelijk aan.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Vragen van het lid Huizenga, Renilde (D66)
Vraag:
Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat de BZK-begroting doelen bevat die
concreet en meetbaar zijn?
Antwoord:
Ik let extra op de mate van concreetheid en meetbaarheid in de
formulering van doelstellingen. Ik vind het belangrijk om
doelstellingen, waar mogelijk, concreet en meetbaar te formuleren en
deze goed vindbaar op te nemen in de begrotingsstukken. Elk
beleidsartikel start daarom met een beschrijving van de algemene
doelstelling. In de Ontwerpbegroting BZK 2026 heb ik aangekondigd na
afronding van elke Periodieke Rapportage te bezien of deze algemene
doelstelling nog aansluit bij de actuele beleidstheorie en deze, waar
nodig, aan te passen.
Naast deze algemene doelstellingen kent BZK ook concrete doelstellingen
op specifieke beleidsdossiers. Via de rijksbrede werkwijze
“Beleidskeuzes uitgelegd” heb ik op diverse BZK-dossiers doelstellingen
inzichtelijk gemaakt. In 2025 ging dit bijvoorbeeld om de Economische
agenda Groningen en Noord-Drenthe alsook het Nationaal Programma
Groningen (Kamerstuk 36725-VII-3). Informatie over deze concrete
doelstellingen ontvangt u in separate Kamerbrieven en maken nog geen
onderdeel uit van de nu voorliggende begrotingsstukken. Vanaf de
begroting 2027 wil ik bezien om in de beleidsartikelen te verwijzen naar
eerder verstuurde “Beleidskeuzes uitgelegd”. Dit vergroot in het
begrotingsartikel het inzicht in de koppeling tussen doelen en middelen
op het niveau van concrete beleidsmaatregelen. Komend jaar zet ik
daarnaast verdere stappen in het gebruik van het Beleidskompas, dat
specifieke aandacht heeft voor de formulering van doelstellingen.
Vragen van het lid Sneller, Joost (D66)
Vraag:
Hoe ziet de minister het voor zich om de onderhandelingen over de 0-lijn
voor ambtenaren te openen voor 2026 en 2027, en eventueel de langere
looptijd? Welke ruimte ziet hij om daar te compenseren?
Antwoord:
Ik heb de cao-onderhandelingen geopend met een bod met een looptijd van
2 jaar. Daarin heb ik geen loonstijging geboden voor 2026, maar wel een
loonbod van 3% voor 2027. Plus de invoering van een nieuw
functiewaarderingssysteem in 2028 dat tot een hogere beloning van
bepaalde functies in de uitvoering leidt. Daarbij heb ik aangegeven dat
het een openingsbod is, geen eindbod. De bonden hebben besloten de
onderhandelingen te stoppen en actie te gaan voeren tegen de nullijn
voor 2026. Ik ben bereid om verder te onderhandelen. De structurele
bezuiniging op de loonruimte voor de CAO Rijk in 2026 van € 600 mln.
maakt de mogelijkheden zeer beperkt. Een eventuele langere looptijd van
de cao, bijvoorbeeld door 2028 ook te betrekken, lost dat probleem niet
op.
Vragen van het lid Erkens, Silvio (VVD)
Vraag:
Hoe kan het kabinet ervoor zorgen dat specialistische expertise
structureel wordt beloond en behouden zoals in de IT en voor welke
andere specialistische expertise geldt deze situatie?
Antwoord:
De CAO Rijk heeft een functiewaarderingssysteem, waarin ook complexiteit
van kennis wordt meegewogen. In het nieuwe functiewaarderingssysteem dat
gepland staat voor invoering in 2028, wordt ‘veranderlijkheid van
kennis’ als extra element meegewogen. Hierbij kan worden gedacht aan
sectoren waar kennis en inzicht zich snel ontwikkelen. Dat kan ertoe
leiden dan IT-functies in een hogere schaal terecht komen, maar dat zal
niet voor alle IT-functies het geval zijn. Daarnaast kunnen
departementen werknemers in specialistische functies ook een extra
beloning geven vanwege bijvoorbeeld arbeidsmarktkrapte.
Vraag:
Op welke concrete processen wil de minister AI inzetten om de
productiviteit te vergroten en zou een pilot op de Woo hierbij misschien
niet een logisch begin zijn omdat we daar veel mankracht aan kwijt
zijn?
Antwoord:
Dit sluit aan bij het lopende AI-beleid van het ministerie van BZK. Het
kabinet zet reeds in op verschillende initiatieven om met behulp van AI
de productiviteit te vergroten en de kansen van deze technologie voor de
overheid optimaal te benutten. Een van de prioritaire
toepassingsgebieden binnen de overheid is AI in te zetten voor een open
overheid. In dat kader werkt het kabinet aan het overheidsbreed
beschikbaar stellen van AI-toepassingen ter bevordering van
transparantie en publieke verantwoording. Op dit moment wordt al
dergelijke tooling ingezet, bijvoorbeeld om documenten te anonimiseren
bij Woo-verzoeken. Ook hebben we recent een hackathon georganiseerd
waarbij verschillende praktische tools zijn ontworpen om de afhandeling
van Woo-verzoeken te versnellen. Ik zie dus kansen om AI en andere
technologische middelen in te zetten om de werklast van Woo-verzoeken
terug te dringen en het proces te versnellen.
Op dit moment werk ik aan een interbestuurlijke innovatieagenda op het
gebied van openbaarheid en informatiehuishouding. In deze
innovatieagenda zet ik samen met de koepels van medeoverheden in op
innovatieve oplossingen, waaronder het gebruik van AI. We willen hierbij
gebruik maken van kansrijke initiatieven die al lopen binnen de
overheid, om die vervolgens verder te ontwikkelen en op te schalen. Het
idee achter de pilot kunnen we betrekken bij deze
initiatieven. Overigens wil ik daarbij wel meegeven dat de uitvoering
van de Woo ook mensenwerk blijft, zoals de inhoudelijke beoordeling van
documenten.
Vraag:
Is de minister bereid om, gegeven de besparing die in het
coalitieakkoord is opgenomen voor 2028, een interdepartementaal
beleidsonderzoek in te stellen naar alle taken en verantwoordelijkheden
van de overheid en welke keuzes je daarin kunt maken?
Antwoord:
Uw vraag ziet op een uitwerking van het vorige week gepresenteerde
coalitieakkoord en de plannen die daarin zijn opgenomen over onder
andere de vernieuwing van de Rijksdienst. Dit laat ik daarom over aan
het volgende kabinet.
Vraag:
Zijn er alternatieven voor de nullijn in salarisontwikkeling om de
taakstelling te halen? En hoe borgt de minister dat de Rijksoverheid een
aantrekkelijke werkgever blijft?
Antwoord:
De nullijn en de taakstelling staan los van elkaar. De nullijn vloeit
voort uit de bezuiniging op de loonruimte voor de onderhandelingen over
een nieuw cao-akkoord voor het Rijk. Ik ben van mening dat de
Rijksoverheid nog steeds een aantrekkelijke werkgever is. Het Rijk biedt
inhoudelijk interessant werk en goede loopbaanmogelijkheden. Dat zijn
aspecten van werk waar huidige en toekomstige werknemers waarde aan
hechten.
Om aantrekkelijk te zijn en te blijven als werkgever is modern
personeelsbeleid met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden van belang. De
Rijksoverheid biedt goede primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden,
waaronder het Individueel Keuzebudget (IKB) en een ruime
ouderschapsverlofregeling. Daarnaast lopen er zowel departementale als
interdepartementale initiatieven op het gebied van instroom en
behoud.
Vraag:
Wat is de impact van het huidige thuiswerkbeleid op de productiviteit en
wordt dit gemeten? Zo nee, is de minister van plan om dit te doen?
Antwoord:
De relatie tussen thuiswerken en werkprestaties is een belangrijk
onderwerp van onderzoek. Jaarlijks wordt onderzoek gedaan naar de impact
van thuiswerken op de taken die medewerkers verrichten en het effect op
de organisatie. Samen met het kenniscentrum Centre for People and
Buildings wordt onderzoek gedaan naar het hybride werken en de effecten
hiervan op werkprestaties, waar productiviteit onderdeel van is. Ik zal
de Kamer hierover nader informeren.
Vraag:
Welke concrete stappen kunnen worden gezet om de ABD te hervormen zodat
er langere zittingstermijn komen en er fors meer extern geworven
wordt?
Antwoord:
Ik vind het belangrijk dat bij de algemene bestuursdienst managers
worden geworven die de juiste inhoudelijke kennis hebben om
maatschappelijke opgaves verder te brengen. In de werving en selectie
van topambtenaren wordt rekening gehouden met de deskundigheid die nodig
is om effectief te kunnen bijdragen aan de maatschappelijke opgaven. In
dat kader worden ook van buiten de rijksoverheid talentvolle managers
met (technische) vakkennis en brede ervaring aangetrokken. De algemene
bestuursdienst werft actief buiten de rijksoverheid, wat gemiddeld 20%
externe instroom per jaar oplevert.
Qua zittingsduur is het voor het goed functioneren van de overheid
belangrijk dat topambtenaren enerzijds lang genoeg op hun functie
blijven om een maatschappelijke opgave daadwerkelijk verder te brengen
en anderzijds dat ze op tijd ruimte maken voor een frisse blik en nieuw
talent van binnen en buiten de rijksoverheid. Het gaat erom balans te
vinden tussen kennisbehoud, continuïteit en een relevant netwerk aan de
ene kant, en vernieuwing, diversiteit en professionele doorstroom aan de
andere kant. Dat wordt niet alleen gedreven vanuit de wens van de
organisatie maar ook vanuit de beschikbaarheid op de arbeidsmarkt en
niet in de laatste plaats ook van de ambtenaar zelf. Voor de
Topmanagementgroep (TMG) - de ca. 100 hoogste functies binnen de
Rijksoverheid - is het mogelijk gemaakt een functie langer dan 7 jaar te
vervullen en de functieduur te verlengen naar maximaal 9 jaar als dit in
het belang is van de organisatie.
Vraag:
Klopt het dat het thuiswerkbeleid, een noodmaatregel uit de
coronaperiode, nog is voortgezet en niet is afgebouwd of
veranderd?
Antwoord:
Al vóór de coronaperiode heeft de Rijksdienst de beweging ingezet om
meer hybride te gaan werken. Hiervoor was een eerste basis neergezet,
die in coronatijd – logischerwijs – sterk is uitgebouwd. Het
thuiswerkbeleid, ofwel het hybride en flexibel werken, is in de periode
daarna voortgezet en onderdeel geworden van onze visie op werken bij het
rijk. Voortschrijdende inzichten uit zowel wetenschappelijke als
medewerkers-onderzoeken veranderen de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan hybride werken. Hybride werken draagt bij aan een grenzeloos
samenwerkende rijksoverheid en aantrekkelijk werkgeverschap. Het is van
belang voor het continu goed uit kunnen voeren van primaire taken van de
rijkoverheid. Het hybride werken draagt er bovendien aan bij dat het
aantal vierkante meters rijkskantoren niet meegroeit met het aantal fte.
Dit als gevolg van het naar beneden bijstellen van de werkplekfactor.
Hiermee zijn de huisvestingskosten per fte gedaald.
Vragen van het lid Vermeer, Henk (BBB)
Vraag:
Hoe kijkt de minister aan tegen de invoering van een gekozen
burgemeester?
Antwoord:
Gezien de huidige demissionaire status van het kabinet past het niet om
over dit onderwerp verstrekkende uitspraken te doen. In het
hoofdlijnenakkoord van het huidige, demissionaire, kabinet is
afgesproken de huidige aanstellingswijze van de burgemeester te
handhaven.
Vraag:
Is de minister alsnog bereid te onderzoeken welk deel van het
gemeentefonds daadwerkelijk opgaat aan medebewindstaken en welk deel
resteert voor autonome taken van gemeentes?
Antwoord:
De leden Vermeer (BBB), Flach (SGP), Bikker (CU) en Struijs (50PLUS)
vroegen mij naar het inzicht in de balans van taken en middelen van
medeoverheden en de adviezen van de ROB naar verhouding tussen Rijk en
gemeenten. Daar kan ik het volgende op reageren.
Voor alle taken van medeoverheden geldt dat het van belang is dat
taken en middelen, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die
taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen, in balans
zijn. Dit geldt zowel voor de medebewindstaken, waarin medeoverheden
weinig beleidsvrijheid hebben, als autonome taken, waarin zij die
beleidsvrijheid wel hebben. Dit is een verantwoordelijkheid voor alle
overheden samen, waarbij ook uw Kamer een belangrijke rol heeft. Voor
nieuwe taken worden de gevolgen voor medeoverheden door middel van een
Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) in kaart gebracht. Dit
zou ook moeten gelden voor aanpassingen van voorstellen bijvoorbeeld in
amendementen. Met de UDO worden niet alleen de financiële gevolgen
onderzocht, maar ook de gevolgen op het gebied van effectiviteit en
uitvoerbaarheid. De beleidsinitiërende minister is verantwoordelijk voor
de uitvoering van de UDO. BZK adviseert hierin en met de betrokken
medeoverheden vindt overleg plaats hierover. De ROB stelt in haar
rapporten dat er een disbalans is ontstaan tussen (medebewinds-) taken,
middelen en bevoegdheden van medeoverheden en er bij bestaande taken
onvoldoende inzicht is in de disbalans. Zij stelt daarom een overzicht
van medebewindstaken voor. Het kabinet ziet ook dat het niet voldoende
lukt om het gesprek over de disbalans te voeren op basis van beschikbare
informatie. Het kabinet gaat daarom met de koepels van medeoverheden een
verkenning uitvoeren. Het kabinet wil hierbij verkennen, hoe gezamenlijk
het gesprek over de balans tussen ambities, taken, middelen en
uitvoerbaarheid beter gevoerd kan worden door het inzicht in
medebewindstaken, en de informatiepositie en -voorziening hieromtrent,
te verbeteren. Hierbij zal aandacht zijn voor het passende
aggregatieniveau waarop monitoring plaatsvindt.
Ik hecht er ook aan dat we in de verkenning ook zullen ingaan op de
vraag hoe verschillende vormen van monitoring zich verhouden tot
belangrijke uitgangspunten van ons stelsel. Hierbij gaat het om het
vinden van een balans tussen enerzijds de wens en gevoelde urgentie om
te komen tot een gezamenlijke feitenbasis en inzicht en anderzijds het
belang om niet te treden in de beleids- en bestedingsvrijheid van
medeoverheden, de daarbij behorende mogelijkheden tot het voeren van
integraal beleid en het belang van beperking van de administratieve
lasten. Uw Kamer wordt medio 2026 over de eerste uitkomsten van de
verkenning nader geïnformeerd.
Vraag:
Kan de minister op korte termijn inzichtelijk maken wat de
uitvoeringskosten zullen zijn van Uitvoeringsprogramma Vitale
Regio's?
Antwoord:
In de brief van 30 januari jl. is een eerste indicatie opgenomen van de
investeringsopgave voor de 11 regio’s samen. In de bijlage bij mijn
brief van 30 januari jl. is voor iedere regio een stand van zaken
opgenomen. De regio’s hebben verschillende opgaven gemeen, maar
verschillen onderling ook zodanig van elkaar dat regionale verdieping en
maatwerk noodzakelijk zijn om echt grip te krijgen op de opgaven en te
vertalen in concrete maatregelen.
Het jaar 2026 staat in het teken van het afronden van de plannen van de
regio’s, en voor die regio’s die daar aan toe zijn, het doorvertalen
hiervan in een eerste uitvoeringsagenda. Dan worden de maatregelen en
daaraan gekoppelde uitvoeringskosten ook stapsgewijs zichtbaar.
Er is geen dekking voorzien voor de uitvoeringsagenda’s van de 11
regio’s.
Uit politieke besluitvorming moet blijken of en hoeveel middelen er
voor de verschillende regio’s beschikbaar komen al dan niet via
herprioritering binnen bestaande middelen. Deze keuzes zijn aan het
volgende kabinet en uw Kamer. Uw Kamer ontvangt aan het eind van dit
kalenderjaar een voortgangsbrief, waarin (zover als dan mogelijk) dit
onderwerp betrokken kan worden.
Vragen van het lid Bosma, Martin (PVV)
Vraag:
Wat vindt de minister van een kiesdrempel zoals genoemd in het
coalitieakkoord? Vindt hij de argumenten dat je 1,5 miljoen mensen
uitsluit of dat de democratie er beter van gaat werken valide?
Antwoord:
Er worden in het publieke debat en ook in uw Kamer geregeld pleidooien
gehouden voor de invoering van een kiesdrempel als maatregel tegen
versplintering in het parlement. Hoe nu verder te gaan met deze
discussie en de argumenten voor en tegen het voorstel is aan het
volgende kabinet in samenspraak met uw Kamer.
Vraag:
Wat vindt de minister van het instellen van een grondwettelijk
hof?
Antwoord:
Het huidige, demissionaire, kabinet heeft bij zijn aantreden de intentie
uitgesproken dat een grondwettelijk hof wordt opgericht. We hebben
gemerkt dat het draagvlak voor een grondwettelijk hof in de Kamer en
onder rechterlijke instanties gering is. Dat vind ik een belangrijk
signaal.
Vraag:
Wat vindt de minister van de staat van de democratie?
Antwoord:
Ik ben als minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hoeder
van de democratische rechtsstaat. We moeten zuinig zijn op onze
democratie; deze onderhouden, beschermen en vernieuwen. Democratie
bestaat bij de gratie van voortdurende betrokkenheid en inzet van velen.
Samenleving, openbaar bestuur en volksvertegenwoordiging, bedrijven. Ik
heb mij de afgelopen periode ingezet voor goed bestuur en een sterke
rechtsstaat. Daar zijn vanuit dit kabinet ook structureel middelen voor
vrijgemaakt met de enveloppe goed bestuur en sterke rechtsstaat. In de
brief van 2 juli 2025 is de inzet van het kabinet toegelicht. Ik heb me
bijvoorbeeld ingezet voor verkiezingen, een weerbaar bestuur en het
ondersteunen van politici in het werk, het weerbaar maken van overheid
en maatschappij tegen desinformatie en het versterken van (lokale)
politieke partijen.
Vraag:
Uit onderzoek blijkt dat Nederland er heel anders uit had gezien als,
niet hoogopgeleiden hun zin zouden krijgen, maar het brede Nederlandse
volk op het gebied van immigratie, verschillen rijk-arm, sociale
voorzieningen, criminaliteit en Europese immigratie. Hoe staat de
minister hier tegenover en tegenover diplomademocratie?
Antwoord:
Dit kabinet ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van de
samenleving te versterken en ruimte te bieden aan eigen initiatieven van
burgers en bedrijven. Daarbij vind ik het van belang dat iedereen mee
kan doen en mee kan komen, ongeacht inkomen of opleiding. Ik zie net als
u – en dat wordt ook bevestigd in onderzoek en de Staat van Bestuur –
dat theoretisch opgeleiden vaak beter vertegenwoordigd zijn in politieke
en democratische processen. Het is daarom belangrijk dat we werken aan
een democratie voor iedereen. In de brief ‘meedoen in democratie en
samenleving’ van 18 juni jl. is uiteengezet langs welke lijnen dit wordt
gedaan: door het versterken van de samenleving en initiatieven, door het
versterken van invloed en zeggenschap op lokaal en nationaal niveau
bijvoorbeeld met lokale referenda of een burgerforum en door
burgerschapsvorming en educatie. Maar ook het initiatiefvoorstel van uw
Kamer over een bindend correctief referendum past daarbij.
Vragen van het lid Tseggai, Mikal (GL-PvdA)
Vraag:
Volgens het nieuwe coalitieakkoord moet er enerzijds fors gesneden
worden in het aantal ambtenaren, maar anderzijds wordt de Wet normering
topinkomens voor topambtenaren versoepeld om de externe inhuur terug te
dringen. Denkt de minister dat hiermee de externe inhuur daadwerkelijk
kan worden teruggedrongen?
Antwoord:
Uw vraag ziet op een uitwerking van het vorige week gepresenteerde
coalitieakkoord. Dit laat ik daarom over aan het volgende kabinet.
Vraag:
Kan de minister reflecteren op het probleem van versnipperde
verantwoordelijkheid over verschillende departementen op het nationaal
programma discriminatie en racisme?
Antwoord:
Naar aanleiding van de motie die u samen met het lid Koops heeft
ingediend over een gecoördineerde aanpak loopt een ambtelijk onderzoek
naar de knelpunten in de coördinatie van de aanpak van discriminatie.
Dit is bijna afgerond. Het volgende kabinet zal u hierover berichten.
Vraag:
Kan de minister een update geven over de huidige onderhandelingen van de
nieuwe CAO en hoe hij zich inzet om alsnog snel een CAO af te
sluiten?
Antwoord:
Zie voor de beantwoording van deze vraag het antwoord op de vraag van
het lid Sneller (D66), op pagina 2.
Vraag:
Waarom heeft de minister besloten een nationaal programma om
discriminatie en racisme terug te dringen te beëindigen? En betekent dit
dat er geen gecoördineerde aanpak meer zal zijn op het gebied van
racisme en discriminatie in een volgend kabinet?
Antwoord:
Dit kabinet heeft niet besloten om geen nationale programma’s meer te
maken, wel heb ik geschreven dat het niet voor de hand zou liggen dat
dit kabinet een meerjarenagenda zou opstellen die de periode van een
nieuw kabinet bestrijkt. Daarom heb ik de denkrichtingen voor een
meerjarenagenda voor de aanpak van discriminatie aan uw Kamer gezonden.
Er is blijvend sprake van een gecoördineerde aanpak waarbij diverse
acties uit het vorige programma doorlopen. Deze krijgt op verschillende
wijzen vorm, onder andere in de hoogambtelijke interdepartementale
stuurgroep Aanpak discriminatie en racisme. Deze blijkt ook uit diverse
departementsoverstijgende trajecten, zoals de antisemitismestrategie en
de aanpak moslimdiscriminatie. De verdere politieke besluitvorming
over de gecoördineerde aanpak op discriminatie en racisme voor de
komende jaren is aan een volgend kabinet.
Vraag:
Welke risico's ziet de minister bij de ambtenaren in de lagere schalen
en de uitvoeringsinstanties die extra geraakt worden door de nullijn?
Erkent hij ook dat de nullijn bijdraagt aan de verdere uitstroom van de
uitvoeringsorganisaties en dat dit zorgt dat de uitvoeringsorganisaties
qua slagkracht terug kan duwen?
Antwoord:
Om aantrekkelijk te zijn en te blijven als werkgever is modern
personeelsbeleid met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden van belang. De
Rijksoverheid biedt goede primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden,
waaronder het Individueel Keuzebudget (IKB) en een ruime
ouderschapsverlofregeling. Indien een loonstijging plaatsvindt bij
concurrerende werkgevers, zie ik een risico voor uitstroom. Ook daar
waar nu al vacatures moeilijk vervuld worden kan dat tot problemen in de
uitvoering leiden. Hierbij kan gedacht worden aan organisaties in het
veiligheidsdomein als de Douane, Rijksbeveiliging en het
Gevangeniswezen.
Vraag:
Kan de minister bevestigen dat er nieuwe middelen nodig zijn om het
nieuwe ravijnjaar van 2028 af te wenden?
Antwoord:
De financiële positie van gemeenten heeft de afgelopen periode inderdaad
aandacht gevraagd. Ik ben dan ook blij, zoals de VNG in haar reactie op
de opvolging van het rapport Van Ark heeft aangegeven, dat er op dit
moment een financieel werkbare situatie voor gemeenten is ontstaan. In
bredere zin gaat het om een balans tussen de taken en middelen die
gemeenten hebben, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die
taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen. Op diverse
terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, wij bewaken mede dat
deze afspraken nagekomen worden. Zoals bijvoorbeeld op het terrein van
de jeugdzorg. Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025-2027
cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor
zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds.
Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen
euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele
tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Voor 2028 en verder worden de
beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd
versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met
gemeenten uitgewerkt.
Vraag:
Is de minister het met ons eens dat eerst een taakstelling inboeken en
daarna pas kijken hoe deze behaald kan worden, de verkeerde volgorde is?
En welke risico's ziet de minister als er zo fors bezuinigd wordt?
Antwoord:
Op de aangekondigde taakstellingen uit het nieuwe regeerakkoord kan ik
niet ingaan. De taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord 2024 is een
budgettaire taakstelling en is ingeboekt bij de begroting 2025. De
taakstelling kent een oploop naar structureel € 1 miljard Rijksbreed
vanaf 2029.
Elke minister is zelf verantwoordelijk voor het eigen ministerie en de
concrete invulling van de taakstelling, zodat risico’s zoals het
verdwijnen van kennis, het niet kunnen aantrekken van talent of de
daling van de kwaliteit van beleid en dienstverlening voorkomen of
beperkt kunnen worden. Wel heeft het kabinet enkele richtingen voor
besparingen meegegeven, zoals externe inhuur en efficiency (zoals ook
verwoord in de Kamerbrief van 14 maart 2025).
Er zijn mogelijkheden om kosten te besparen. Hierbij kan worden gedacht
aan het sterker inzetten op het realiseren van generieke producten en
diensten in de bedrijfsvoering.
Vragen van het lid Boelsma-Hoekstra, Luciënne
(CDA)
Vraag:
Wat zijn de leerpunten uit de agenda Goed Bestuur?
Antwoord:
De samenleving staat voor grote maatschappelijke opgaven. Dit vraagt om
een dienstbare, slagvaardige, realistische en democratische overheid die
dichtbij mensen staat, toegankelijk en betrouwbaar is. Hier is
structureel en vooral langjarig aandacht voor nodig. Daarom heb ik de
actieagenda Goed Bestuur gecontinueerd.
De actieagenda Goed Bestuur leert mij dat het nodig is te investeren in
een goede samenwerking met medeoverheden. Dit betekent onder andere:
Tijdige aandacht voor de uitvoerbaarheid van beleid;
Het belang van een passende taaktoedeling;
Periodiek overleg over de balans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht;
Investeren in cultuur, houding en werkwijze;
Dit zijn in grote mate ook de leerpunten van de studiegroep
Interbestuurlijke verhoudingen (Polman), die zijn vertaald in vijf
duidelijke bouwstenen met bijbehorende adviezen.
Vraag:
Welke ambities heeft de minister als het gaat om het schrappen van
regels en op hoeveel geschrapte regels kunnen we dit jaar rekenen vanuit
BZK?
Antwoord:
Op 15 december 2025 heeft de minister van EZ aan uw Kamer een
tussenstand van het aantal regels gestuurd dat op moment van schrijven
in kaart is gebracht om te schrappen of in administratieve druk te
verminderen, en waaraan op dit moment wordt gewerkt per departement.
Deze maatregelen voor regeldrukvermindering volgen uit een eerste
inventarisatie en worden momenteel verder uitgewerkt. Voor de resultaten
voor dit kalenderjaar laat ik dat aan mijn ambtsopvolger.
Vraag:
Kan de minister aangeven of de financiële verhoudingswet altijd wordt
opgevolgd bij het toekennen van nieuwe taken richting
medeoverheden?
Antwoord:
Voor nieuwe taken worden gevolgen voor medeoverheden door middel van een
Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) in kaart gebracht. Bij
de UDO wordt ook rekening gehouden met het onderzoek in het kader van
artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Door middel van de UDO
worden niet alleen de financiële gevolgen onderzocht, maar ook de
gevolgen op het gebied van effectiviteit en uitvoerbaarheid. De
beleidsinitiërende minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van
de UDO en het artikel 2-onderzoek. BZK adviseert hierin en met de
betrokken medeoverheden vindt hierover overleg plaats.
Vraag:
Kan de minister toezeggen dat er eindelijk uitvoering wordt gegeven aan
het rapport 'Elke Regio Telt'?
Antwoord:
Er is uitvoering gegeven aan het rapport Elke regio Telt!. Eind 2024 is
het Nationaal Programma Vitale Regio’s gelanceerd waarin het Rijk met 11
specifieke regio’s aan de randen van het land, waar de leefbaarheid het
meest onder druk staat, werkt aan een langjarige agenda ter versterking
van de kwaliteit van leven, wonen en werken en we inzetten op verdere
versterking van de samenwerking met onze buurlanden in dit kader. De 11
regio’s zijn op dit moment samen met het Rijk hard aan de slag met de
plannen van de regio’s en zullen na vaststelling van het plan
gezamenlijk tussen Rijk en regio werken aan de doorvertaling van de
plannen in uitvoeringsagenda’s. Onderdeel van de uitvoering van het
rapport Elke regio Telt! is ook de doorontwikkeling van de beleids- en
investeringslogica waarin we als Rijk gezamenlijk kijken naar passend
rijksbeleid met aandacht voor regionale verschillen en brede welvaart.
Er zijn geen middelen in de begroting van BZK opgenomen voor de
uitvoering van de plannen van de 11 regio’s. Het is aan een volgend
kabinet om hier al dan niet keuzes in te maken.
Vragen van het lid Brink, Tijs van den (CDA)
Vraag:
Wat vindt de minister van het voorstel om in de Wet politieke partijen
op te nemen dat politieke partijen democratisch georganiseerd moeten
zijn?
Antwoord:
In de Kamerbrief (Kamerstukken II 2024/25, 36742, nr. 5) die mijn
ambtsvoorganger afgelopen mei aan uw Kamer heeft verzonden, is
uitgebreid ingegaan op de voor- en nadelen van het in de Wet op de
politieke partijen (Wpp) opnemen van de verplichting dat politieke
partijen democratisch georganiseerd moeten zijn. Voor het kabinet wegen
de nadelen daarvan zwaarder. Het voorstel vraagt om fundamentele keuzes
ten aanzien van het grondwettelijke recht op de vrijheid van vereniging,
het vaststellen van een gedeelde norm over wat het betekent om
democratisch georganiseerd te zijn, en de handhaafbaarheid van zulke
regels.
Gezien de belangrijke rol van politieke partijen in onze democratische
rechtsstaat is normstelling wel gewenst. Daarom wordt de duizendledeneis
als subsidievoorwaarde overgenomen uit de Wet financiering politieke
partijen (Wfpp) in de Wpp. Ook worden partijen verplicht transparant te
zijn over o.a. de inhoud van hun statuten, de manier waarop het
verenigingsbestuur benoemd wordt en over hoe kandidatenlijsten tot stand
komen. Dit stelt kiezers en leden in staat om zich een mening te vormen
over welke partijen zij willen steunen en hoe zij intern invloed kunnen
uitoefenen. Ik hoop op korte termijn de nota naar aanleiding van het
verslag aan uw Kamer te kunnen zenden.
Vragen van het lid Clemminck, Ranjith (JA21)
Vraag:
Hoe rijmt de minister aan de ene kant de jacht op discriminatie en aan
de andere kant de quota die het voor bevolkingsgroepen oneerlijk en
ongelijk maakt?
Antwoord:
Over deze vraag heeft mijn voorganger uw Kamer reeds geïnformeerd, o.a.
tijdens het debat Functioneren Rijksdienst van afgelopen jaar en de
eerste voortgangsbrief discriminatie en racisme BZK. Binnen het Rijk
wordt géén voorkeursbeleid of positieve discriminatie in de vorm van
quota toegepast, met uitzondering van het wettelijk quotum
banenafspraak. We werken aan een toegankelijke Rijksoverheid met gelijke
kansen en gelijkwaardige behandeling voor iedereen en een
medewerkersbestand dat aansluit bij de samenleving en arbeidsmarkt in
haar verscheidenheid. De aanpak binnen het Rijk is gericht op brede,
objectieve werving en selectie, zodat geen enkele groep bewust of
onbewust wordt bevoordeeld. We monitoren in hoeverre het
personeelsbestand een afspiegeling is van de Nederlandse
arbeidsmarkt.
Vraag:
Hoe reflecteert de minister op de verregaande juridisering van de
bestuurlijke ruimte en daarmee de inperking van de politieke ruimte? En
beziet de minister in dat licht bijvoorbeeld een constitutionele
toetsing aan de klassieke grondrechten door afschaffing van artikel 120
van de Grondwet?
Antwoord:
De invoering van constitutionele toetsing door de gewone rechter aan
klassieke grondrechten kan bijdragen aan een betere rechtsbescherming
voor burgers en versterking van het gezag van de Grondwet. De Grondwet
moet op een effectieve manier grenzen kunnen stellen aan wetgeving die
klassieke grondrechten van burgers schendt. Dat is nu onvoldoende het
geval. Het grondwetsvoorstel wil deze leemte opvullen. Zoals in de
toelichting is omschreven, laat het voorstel daarbij de
staatsrechtelijke verhoudingen in de trias zoveel mogelijk in stand. Ik
laat de verdere bespreking met uw Kamer over dit voorstel aan een
volgend kabinet.
Vraag:
Op welke wijze wordt aandacht besteed door de ambtenarij aan hun
staatsrechtelijke begrip van hun positie en rol?
Antwoord:
Een ambtenaar is op grond van de Ambtenarenwet 2017 verplicht zich als
een goed ambtenaar te gedragen. In de Gedragscode Integriteit Rijk wordt
hier nadrukkelijk aandacht aan besteed. De kern is dat ambtenaren
neutraal adviseren en dat interne tegenspraak daarbij mogelijk is.
Uiteindelijk besluit de politiek. Met instrumenten als de Gids Ambtelijk
Vakmanschap en (morele) dialogen wordt aandacht besteed aan de rol en
positie van de ambtenaar in de praktijk en de daarbij voorkomende
dilemma’s. Ook worden er verplichte rijksbrede basisopleidingen
ontwikkeld voor rijksambtenaren met daarin o.a. kennis over (de
toepassing van) de ambtseed en democratisch en rechtstatelijk handelen,
in de politiek-ambtelijke context.
Vraag:
Is de minister van mening dat de Ambtenarenwet nog actueel is en
voldoende handvatten biedt om op te treden tegen publieke ambtelijke
ongehoorzaamheid?
Antwoord:
In de Ambtenarenwet 2017 is bepaald dat ambtenaren recht hebben op
vrijheid van meningsuiting zolang dat niet schadelijk is voor het eigen
functioneren of voor het functioneren van de organisatie. In de
Aanwijzingen externe contacten rijksambtenaren zijn factoren opgenomen
die een rol spelen bij de beoordeling of de normen uit de Ambtenarenwet
2017 zijn overschreden. Als ambtenaren gebruik maken van het recht op
vrijheid van meningsuiting of demonstratie bieden de Ambtenarenwet 2017
en de Aanwijzingen naar mijn mening voldoende handvatten om te handelen
in voorkomende situaties.
Vragen van het lid Baarle, Stephan van (DENK)
Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat politieke partijen in dit huis aan de
leiband lopen van Israëlische beïnvloedingscampagnes? Wat doet de
minister tegen deze vormen van inmenging [o.a. zwaaien met Israëlische
rapporten door partijen, 1-op-1 teksten van zionistische
lobbyorganisaties overnemen door politieke partijen en geld krijgen van
zionistische clubs] door de regering Netanyahu?
Antwoord:
Het kabinet staat voor de veiligheid en vrijheid van alle inwoners van
Nederland. Ongewenste buitenlandse inmenging is volstrekt onacceptabel.
Als er signalen zijn van acties van een andere staat die in strijd zijn
met onze democratische rechtsstaat, handelt het kabinet daarnaar. Zo
wordt onder coördinatie van de NCTV door departementen en
veiligheidspartners voortdurend gekeken naar mogelijkheden om ongewenste
inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of de dreiging
die ervan uitgaat te mitigeren. Inzake het rapport van het Israëlische
Ministerie van DAb heeft het kabinet de wijze van verspreiding als een
poging tot beïnvloeding van de Nederlandse politiek en samenleving
geduid en de Israëlische autoriteiten daar ook op aangesproken. Dit
heeft het kabinet ook aan uw Kamer gemeld in de brief van de ministers
van J&V en BZ op 29 november 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 651,
nr. 34).
Vraag:
Hoe gaat de minister de maximale ruimte benutten om discriminatie als
uitsluitingsgrond vast te leggen in de nieuwe
rijksinkoopstrategie?
Antwoord:
Uitsluitingsgronden zijn limitatief vastgelegd in de Aanbestedingswet.
Er kunnen in de rijksinkoopstrategie dan ook geen uitsluitingsgronden
worden toegevoegd danwel gewijzigd. Desalniettemin wordt de (juridische)
ruimte om de anti-discriminatiebepaling op te nemen in de
rijksinkoopstrategie, meegenomen bij het actualisatietraject hiervan. Uw
Kamer wordt hierover in Q3 van dit jaar verder geïnformeerd, zoals in
het schriftelijke overleg Functioneren Rijksdienst is
gecommuniceerd.
Vraag:
Hoe kunnen kleinere gemeenten beter geholpen worden met actief beleid
tegen discriminatie? Is het niet tijd om gemeenten te verplichten om
actief antidiscriminatiebeleid te voeren en hen daarbij structureel te
ondersteunen? Is de minister bereid dit te doen? Dit zou onderzocht
worden, wat is de status hiervan?
Antwoord:
Ik ben er een voorstander van om gemeenten te ondersteunen bij het
voeren van lokaal antidiscriminatiebeleid en niet om hen daartoe te
verplichten. Zoals toegelicht in de voortgangsbrief discriminatie en
racisme van november 2025, ben ik samen met de VNG tot de conclusie
gekomen dat een nieuwe wettelijke taak voor gemeenten in de huidige
omstandigheden niet uitvoerbaar is. Dat geldt in het bijzonder voor
kleine gemeenten, die nu al worstelen met de veelheid en complexiteit
van taken. Ik wil benadrukken dat gemeenten al een rol hebben om
discriminatie en racisme te voorkomen en tegen te gaan. Gemeenten nemen
die verantwoordelijkheid ook en hebben steeds vaker een lokaal
antidiscriminatiebeleid of werken daaraan. Dit blijkt uit de monitor
lokaal antidiscriminatiebeleid van Movisie, waar de heer Van Baarle ook
naar verwijst. Samen met de VNG zal het ministerie van BZK de komende
tijd een aantal sessies met gemeenten organiseren om te bespreken hoe
gemeenten het beste ondersteund kunnen worden.
Vraag:
Klopt het dat het Aziatische deel van het Nederlandse slavernijverleden
buiten de regelingen valt en dat het onvoldoende aandacht krijgt? Is de
minister bereid om dat aan te passen?
Antwoord:
De huidige subsidieregeling maatschappelijke initiatieven voor Europees
Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk richt zich op het
trans- Atlantische slavernijverleden. Het slavernijverleden in de
voormalige Nederlandse koloniëen in Azië valt buiten de reikwijdte van
deze regelingen.
Het Herdenkingscomité Slavernijverleden heeft als opdracht om te
verkennen of en hoe het herdenken van dit verleden verbreed kan worden
naar Azië.
Vraag:
Wat gaat de minister doen om de meldingsbereidheid bij racisme en
discriminatie te verhogen?
Antwoord:
Mijn ministerie werkt aan een brede publiekscampagne ter verhoging van
de meldingsbereidheid van ervaren discriminatie. De publiekscampagne is
op dit moment in ontwikkeling. De lancering is beoogd voor Q2 van dit
jaar. De publiekscampagne zal gericht zijn op het vergroten van kennis
van burgers over discriminatie, de vindbaarheid van meldinstanties en
het vergroten van het vertrouwen in het nut van melden. Deze insteek is
gebaseerd op onderzoek dat ik heb laten uitvoeren naar
gedragsveranderingsstrategieën. Mijn ministerie werkt hierbij samen met
belangrijke partners zoals de landelijke vereniging van
antidiscriminatievoorzieningen, Discriminatie.nl. Ook de landelijke
stichting waaraan mijn ministerie werkt draagt bij aan de zichtbaarheid
en vindbaarheid van Discriminatie.nl, waardoor melden toegankelijker
wordt. Tot slot wil ik ook refereren aan het feit dat dit jaar de ADV op
de BES haar loketten opent. Dit zorgt ervoor dat ook onze inwoners op de
BES discriminatie kunnen gaan melden.
Vraag:
Wat is de actuele stand van zaken van de landelijke organisatie voor
antidiscriminatie voorzieningen? Is er een wetsvoorstel hierover,
wanneer gaat dat in internetconsultatie?
Antwoord:
Het conceptwetsvoorstel is voorbereid. Het is aan het nieuwe kabinet om
het conceptwetsvoorstel verder te brengen en open te stellen voor de
internetconsultatie.
Vraag:
Wanneer krijgt moslimdiscriminatie, een groep van meer dan 1 miljoen
Nederlandse burgers, een eigen aanpak en dezelfde aandacht als andere
vormen van discriminatie?
Antwoord:
Het kabinet benadrukt allereerst dat iedere vorm van discriminatie en
racisme in Nederland onacceptabel is. Het regeerprogramma van dit
kabinet is er duidelijk over dat we een stevige aanpak willen tegen alle
discriminatievormen. Op 12 december vorig jaar hebben de
staatssecretaris Participatie en Integratie en ik de kabinetsreactie op
het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie aan uw Kamer verzonden.
Daarin hebben we uiteengezet hoe de aanpak van moslimdiscriminatie, als
onderdeel van een kabinetsbrede integrale aanpak, vormgegeven wordt. In
deze aanpak vullen generieke en specifieke maatregelen elkaar aan om
discriminatie integraal aan te pakken. Zo wordt er gewerkt aan
versterking van de lokale aanpak van discriminatie, meer bewustwording
over discriminatie en handelingsperspectief bij ingrijpen wanneer iemand
discriminatie ziet plaatsvinden. Daarnaast is er aandacht voor de wijze
waarop specifieke groepen geraakt worden door discriminatie. In het
geval van moslims worden hierover verschillende perspectieven opgehaald
via periodiek bestuurlijk overleg met stakeholders uit de
moslimgemeenschap en zal een werkgroep de uitkomsten van het onderzoek
vertalen naar actiegerichte interventies.
Vragen van het lid Flach, André (SGP)
Vraag:
In Groningen zijn bij het opheffen van dorpen de begraafplaats en kerk
blijven staan. Wil de minister uitdrukkelijk leren van deze voorbeelden,
wat betreft de situatie in Moerdijk?
Antwoord:
Het kan hier om een zeer ingrijpend vraagstuk gaan en de keuze zal enorm
ingrijpende effecten hebben op de inwoners.
Het omgaan met locaties van de bestaande begraafplaats en kerkgebouwen
bij een verplaatsing van het dorp vraagt inderdaad een zeer zorgvuldige
afweging. Deze afweging ligt bij het lokale bestuur. Het kader voor het
bestuur bij het sluiten en het opheffen van een begraafplaats zijn
geregeld in de Wet op de lijkbezorging (Wlb), waarbij onderscheid wordt
gemaakt tussen gemeentelijke begraafplaatsen en bijzondere
begraafplaatsen. Op grond van artikel 47 Wlb houdt een begraafplaats op
dit te zijn, indien de grond die bestemming (in het bestemmingsplan dan
wel omgevingsplan) heeft verloren en zich daarin geen graf bevindt (en
de aanwezige graven zijn geruimd).
Vraag:
Wakers bij abortusklinieken zijn gearresteerd op grond van de laster
door de Dolle Mina's. Hoe is dit in een rechtstaat mogelijk minister?
Wordt dit soort obstructies door tegendemonstranten betrokken bij de
beoogde wetswijziging?
Antwoord:
Op individuele casuïstiek kan ik niet ingaan. In algemene zin kan ik wel
zeggen dat het kabinet werkt aan een beleidsreactie op het
WODC-onderzoek, dat ook ingaat op het recht om te demonstreren bij
abortusklinieken. In lijn met de uitkomst van het WODC-onderzoek zal het
wettelijke stelsel niet ingrijpend worden herzien. Wel worden specifieke
aanpassingen van wet- en regelgeving verkend. Uw Kamer wordt hier in de
beleidsreactie door een volgend kabinet binnen enkele maanden over
geïnformeerd.
Vraag:
Wat vindt de minister ervan dat klassieke vrijheden steeds meer onder
vuur komen en wil hij het standpunt van het Openbaar Ministerie onder de
aandacht van gemeenten brengen?
Antwoord:
De overheid heeft de plicht om de klassieke vrijheden van burgers te
respecteren en te beschermen. In de wet is neergelegd welke
overheidsorganen in specifieke gevallen hiervoor aan de lat staan. Waar
wij echter signalen krijgen dat het wettelijk stelsel niet meer adequaat
is in de waarborging van klassieke vrijheden, kan de regering wel worden
aangesproken. Dat heeft er onder andere toe geleid dat een
WODC-onderzoek is uitgevoerd naar het demonstratierecht en nu wordt
toegewerkt naar enkele aanpassingen van de Wet openbare manifestaties.
Ook het grondwetsvoorstel om rechterlijke toetsing van wetten aan de
klassieke grondrechten in de Grondwet in te voeren past in deze
categorie. Deze casus heeft breed aandacht gekregen en gaan ervan uit
dat het bij gemeenten ook onder de aandacht is gekomen.
Vraag:
Kan de minister toezeggen dat een aanspreekpunt per regio er komt en dat
er een overleg tussen Rijk en Regio wordt georganiseerd om over een
langjarige agenda te spreken?
Antwoord:
In antwoord op de in 2025 door het lid Flach ingediende motie omtrent
het maken van langjarige agenda’s met regio’s die buiten de nationale
programma’s vallen heeft het kabinet aangegeven dat regio’s die hier
behoefte aan hebben aan de hand van hun concrete opgaven gekoppeld
worden aan de meest betrokken departementen.
Het Rijk spreekt over de aard en omvang van de opgaven en zet zich in om
het structurele contact met deze regio’s daar te beleggen waar de
grootste beleidsmatige raakvlakken zitten. Het is aan het volgende
kabinet om dat nader in te vullen. Als er regio’s zijn die niet in het
programma vallen kan die het gesprek met het Rijk aangaan. Uw Kamer is
daar naar aanleiding van de motie Flach ook door mij over geïnformeerd
(Kamerstukken II 2025/26, 29697, nr. 178).
Vraag:
Heeft de minister op basis van de inventarisatie van de financiën binnen
de regio's inmiddels voldoende gegevens om een tijdpad met concrete
doelstellingen te maken?
Antwoord:
Op dit moment werken we met de 11 regio’s samen aan plannen van de
regio’s. Het tempo van de regio’s is leidend bij de totstandkoming van
het plan en de doorvertaling naar een uitvoeringsagenda. In de bijlage
van de voortgangsbrief NPVR van 30 januari jl. is voor elk van de 11
regio’s een stand van zaken opgenomen. Ik voorzie vaststelling van de
plannen in 2026 waarbij er dit jaar al enkele regio’s starten met een
verdere doorvertaling in een uitvoeringsagenda met concrete
doelstellingen. In de uitvoeringsagenda’s wordt aan de hand van de drie
inhoudelijke doelstellingen concrete afspraken over te bereiken doelen
en inzet gemaakt voor de periode van 5 jaar. Er zijn geen middelen in
de begroting van BZK opgenomen voor de uitvoering van de plannen van de
11 regio’s. Het is aan een volgend kabinet om hier al dan niet keuzes in
te maken.
Vraag:
Is de inzet van het gesprek van de minister met de overheden dat er meer
inzicht komt in de balans van taken en middelen?
Antwoord:
Zie antwoord op vraag het lid Vermeer (BBB) op pagina 5 en 6.
Vragen van het lid Bikker, Mirjam (CU)
Vraag:
Hoe gaat de herijking van het gemeentefonds plaatsvinden?
Antwoord:
Op dit moment wordt gewerkt aan de herziening van de verdeling van de
algemene uitkering van het gemeentefonds. De ROB wordt momenteel om
advies gevraagd. Het eerste deel van deze adviesaanvraag is inmiddels
met uw Kamer (TK, vergaderjaar 2025-2026, 36800B, nummer 17) gedeeld. Na
ontvangst van het advies van de ROB en de reactie van de VNG zal het
kabinet een besluit nemen en uw Kamer informeren.
Vraag:
Waarom heeft de minister nog steeds geen geld vrij kunnen maken voor
leeglopende dorpen zoals Varik en Ophemert?
Antwoord:
In algemene zin is het belangrijk om op basis van de belangrijkste
opgaven van de regio’s te kijken naar wat nodig is. En als er middelen
zijn voor specifieke onderwerpen dan kunnen gemeenten daar ook aanspraak
op maken.
Op dit moment werken we met de 11 regio’s van het NPVR samen aan plannen
van de regio’s. Het tempo van de regio’s is leidend bij de
totstandkoming van het plan en de doorvertaling naar een
uitvoeringsagenda. In de bijlage van de voortgangsbrief NPVR van 30
januari jl. is voor elk van de 11 regio’s een stand van zaken opgenomen.
Ik voorzie vaststelling van de plannen in 2026 waarbij er dit jaar al
enkele regio’s starten met een verdere doorvertaling in een
uitvoeringsagenda met concrete doelstellingen. In de uitvoeringsagenda’s
wordt aan de hand van de drie inhoudelijke doelstellingen concrete
afspraken over te bereiken doelen en inzet gemaakt voor de periode van 5
jaar. Er zijn geen middelen in de begroting van BZK opgenomen voor de
uitvoering van de plannen van de 11 regio’s. Het is aan een volgend
kabinet om hier al dan niet keuzes in te maken.
Vraag:
Waarom schuift de minister de adviezen van de ROB over de verhoudingen
Rijk en gemeenten aan de kant?
Antwoord:
Zie antwoord op vraag van het lid Vermeer (BBB) op pagina 5 en 6.
Vraag:
Kan de minister uitleggen waarom de spreiding van de
rijkswerkgelegenheid over het land in de praktijk langzaam van de grond
komt en welk stevig advies hij geeft aan het opvolgend kabinet?
Antwoord:
Ik onderschrijf de wens om ontwikkelingen buiten de Randstad te
stimuleren en te komen tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid
over het land. Daar maken we daadwerkelijk voortgang in. Om dit te
bereiken, is in 2024 de coördinerende rol van de minister van BZK in het
kabinet versterkt. Hiermee geef ik invulling aan rijksbrede sturing bij
besluitvorming over de vestigingslocaties van rijksdiensten. In de
afgelopen periode heb ik gewerkt aan een aantal concrete casussen om te
komen tot een betere spreiding. Hiervoor voer ik gesprekken met
ministeries en met commissarissen van de Koning en burgemeesters. Ik ben
op deze manier gericht op zowel de kortere als de langere termijn. Het
streven daarbij is om te komen tot een goede match en duurzame
samenwerking tussen een rijksdienst en regio, als een kans zich
voordoet. In de jaarlijkse rapportage aan de Tweede Kamer over de stand
van de spreiding van rijkswerkgelegenheid van 19 september 2025 heb ik
een overzicht opgenomen van casussen die leiden tot meer
rijkswerkgelegenheid in verschillende regio’s. De casussen laten zien
hoe we gezamenlijk tot een betere spreiding over het land komen. De
feitelijke realisatie is echter vaak pas over een paar jaar omdat
huisvesting en vastgoedontwikkelingen in de praktijk tijd kosten om te
effectueren.
Vragen van het lid Beckerman, Sandra (SP)
Vraag:
Hoe staat het met het onderzoek naar het toevoegen van
sociaal-economische status aan het discriminatieverbod?
Antwoord:
De vraag of sociaal economische status als beschermde grond zou moeten
worden opgenomen in de Algemene wet gelijke behandeling is sinds het
bestaan van die wet (sinds 1994) al een aantal keer opgeworpen. De
aanleiding hiervoor is dat de grond ‘sociale status’ wél expliciet wordt
beschermd door internationale verdragen. Tegelijk is er geen helder
beeld van wat er precies moet worden verstaan onder ‘discriminatie op
grond van sociaal economische status’, ook niet op basis van die
verdragen. Deze vragen zullen onder meer met experts worden besproken
tijdens een symposium dat mijn departement half maart organiseert over
de toekomst van de gelijke behandelingswetgeving. Ik verwacht dat een
ambtelijk onderzoek van BZK hiernaar op zijn vroegst in het najaar van
2026 kan starten.
Vragen van het lid Struijs, Jan (50PLUS)
Vraag:
Ziet de minister mogelijkheden om in samenwerking met VWS en JenV de
informatiedeling tussen gemeenten over dubieuze zorgbureaus te
verbeteren?
Antwoord:
Met mijn ambtsgenoten van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en
Justitie en Veiligheid (JenV) deel ik uw zorg over frauderende
zorgaanbieders die zich verplaatsen tussen gemeenten. Dit moet een halt
worden toegeroepen.
Sinds 1 januari 2025 is er een wettelijke basis voor gemeenten,
zorgverzekeraars en zorgkantoren om elkaar voor frauderende
zorgaanbieders te waarschuwen via het Waarschuwingsregister zorgfraude.
Dit stelt gemeenten in staat zo nodig maatregelen te treffen bij hun
inkoopproces.
Verder zijn gemeenten verplicht signalen van zorgfraude te delen met het
Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ), dat signalen verrijkt en deelt met
de instanties die daarmee aan de slag kunnen.
Het delen van signalen van zorgfraude begint bij goed zicht op die
signalen. Met de data uit het Dashboard Zichtopondermijning.nl help ik
gemeenten om relevante patronen en risico’s van o.a. zorgfraude beter te
herkennen. Momenteel werk ik samen met o.a. VWS, JenV en gemeenten samen
aan een bijpassend handelingskader. Dit wordt dit voorjaar
opgeleverd.
Parallel wordt er door mijn ambtsgenoot van VWS gewerkt aan regelgeving
die gegevensuitwisseling gedurende een fraudeonderzoek, na ontvangst van
een verrijkt signaal van het IKZ, mogelijk maakt tussen gemeenten
onderling en met zorgverzekeraars en zorgkantoren.
Vraag:
Kan de minister zo snel mogelijk met VWS en de gemeentes het probleem van gebrek aan openbare toiletten oplossen zodat we allemaal van het publieke domein gebruik kunnen maken?
Antwoord:
Ik zal deze vraag doorgeleiden naar mijn ambtsgenoot van VWS.
Vraag:
Kan de minister een reflectie geven over de herverdeling van 350 miljoen
voor chronisch zieken die extra gedupeerd worden? En kan hij aangeven
hoe de verdeelsleutel is en waar de meeste zieken zitten?
Antwoord:
Uw vraag ziet op een uitwerking van het vorige week gepresenteerde
coalitieakkoord. Dit laat ik daarom over aan het volgende kabinet.
Vraag:
Hoe gaat de disbalans tussen taken en middelen er uit zien op basis van
gelijkwaardigheid met die gemeenten? Wat geeft deze minister mee aan
zijn opvolger hierover?
Antwoord:
Zie antwoord op de vraag van het lid Vermeer (BBB) op pagina 5 en
6.
Vraag:
Hoe ziet de vorm van beveiliging eruit, met name op de samenwerking
tussen het landelijke stelsel bewaken en beveiligen en het lokale
stelsel? Waar kan dit verbeterd worden?
Antwoord:
Ik vind het belangrijk om continue aandacht te hebben voor de veiligheid
van bestuurders en volksvertegenwoordigers. In het geval van zeer
ernstige bedreigingen die op het leven zijn gericht en op basis van één
van de vier dreigingsfenomenen, treedt het Stelsel Bewaken en Beveiligen
van personen in werking. Dit valt onder verantwoordelijkheid van de NCTV
en daarmee de minister van J&V. In dit Stelsel kunnen dus ook
decentrale politieke ambtsdragers vallen, zoals burgemeesters en
raadsleden. Ik werk al nauw samen met de minister van J&V om al onze
politici veilig hun werk te kunnen laten doen. Maar ik ben zeker bereid
om met hem nader in gesprek te gaan om te bezien hoe we inspanningen
vanuit het Programma Weerbaar Bestuur en de inspanningen rondom het
Stelsel Bewaken en Beveiligen beter op elkaar aan kunnen laten
sluiten.