Voortzetting Wet werkelijk rendement box 3 (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D05573, datum: 2026-02-04, bijgewerkt: 2026-02-05 11:51, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-04 10:00: Voortzetting Wet werkelijk rendement box 3 (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Voortzetting Wet werkelijk rendement box 3
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Financiën heeft op 4 februari 2026 overleg gevoerd met de heer Heijnen, staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over:
het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (36748);
de brief van de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 16 januari 2026 inzake voortgang nieuwe definitie start-ups en scale-ups box 3 (32140, nr. 289);
de brief van de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 22 januari 2026 inzake beantwoording resterende vragen gesteld tijdens het wetgevingsoverleg, gehouden op 19 januari 2026, over Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (Kamerstuk 36748) en appreciatie van de ingediende moties en amendementen (36748, nr. 28).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Van der Lee
De griffier van de vaste commissie voor Financiën,
Weeber
Voorzitter: Inge van Dijk
Griffier: Lips
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Van Eijk, Grinwis, Hoogeveen, Frederik Jansen, Oosterhuis, Stultiens en Vermeer,
en de heer Heijnen, staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Aanvang 9.59 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen. Ik ben even jullie tijdelijke voorzitter. Ik geef mezelf de
vrijheid om vanaf het papiertje voor te lezen wat we vandaag precies
gaan doen. Ik heropen het wetgevingsoverleg over de Wet werkelijk
rendement box 3. Welkom aan de staatssecretaris en de ondersteuning. Ik
heet ook de leden van de commissie van harte welkom. We hebben de eerste
termijn van de Kamer en de regering achter de rug, net als de tweede
termijn van de Kamer. In de tussentijd hebben we een brief ontvangen
waarin de beantwoording heeft plaatsgevonden van de gestelde vragen en
waarin de moties en de amendementen van een appreciatie zijn
voorzien.
Voordat we verdergaan, heb ik nog een aantal huishoudelijke
mededelingen. Aan het wetgevingsoverleg neemt vandaag ook de heer Jansen
deel van de fractie van Forum voor Democratie. Het Reglement van Orde
schrijft voor dat er, bij deelname aan een wetgevingsoverleg door een
Kamerlid dat niet in de eerste of de tweede termijn het woord heeft
gevoerd, geen bezwaar moet zijn vanuit de commissie. Ik kijk even rond
of dat inderdaad het geval is. Er is geen bezwaar.
Verder vermeld ik voor de goede orde dat er inmiddels een drietal
amendementen zijn ingediend, namelijk de amendementen op de stukken nrs.
29, 30 en 31. Ik neem aan, en ik hoop vooral ook, dat de
staatssecretaris deze amendementen ook nog een oordeel kan geven. Er is
daarnaast zojuist nog een gewijzigd amendement, het amendement op stuk
nr. 32, binnengekomen van de heer Hoogeveen.
Tot slot wil ik verzoeken om bijdragen en interrupties zo bondig
mogelijk te houden, zodat de voortzetting van het wetgevingsoverleg in
de geplande tijd kan worden afgerond. We hebben namelijk gewoon echt
geen uitloopmogelijkheid. Dit gezegd hebbende, gaan we zo over naar de
tweede termijn van de staatssecretaris. Maar eerst geef ik even kort het
woord aan de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, ik heb een dubbel verzoek. Naar aanleiding van de brief met
appreciaties en antwoorden op de vragen die nog openstonden, waarvoor
dank aan de staatssecretaris, heb ik het verzoek of we na de tweede
termijn van de staatssecretaris een korte derde termijn kunnen openen.
Ik verwacht zelf dat de tweede termijn van de staatssecretaris kort kan
zijn, aangezien er al heel veel vragen zijn beantwoord. Ik hoop dat mijn
collega's dit toestaan, omdat ik naar aanleiding van de beantwoording
voornemens ben om toch nog een enkele motie in te dienen. Het gaat dus
niet om het houden van hele verhandelingen, maar puur om het indienen
van moties. Als de collega's daarmee instemmen, wil ik ook vragen of er
even een schorsing kan zijn van vijf minuten tussen de tweede termijn
van de staatssecretaris en de start van de derde termijn van de Kamer.
Dat is eigenlijk het eerste verzoek. Het tweede verzoek is om een aantal
dagen de tijd te hebben tussen de stemming over de amendementen en de
moties enerzijds en de wet anderzijds.
De voorzitter:
Dank voor deze verzoeken. Ik wil hier pragmatisch mee omgaan, maar ik
moet ook wel even kijken naar de tijd. De staatssecretaris gaat zo de
beantwoording doen. Ik zou willen verzoeken om ook zo veel mogelijk van
de vragen die u nog heeft, te stellen. Ik heb geen moeite met het
indienen van moties in een derde termijn, maar inderdaad wel met het
houden van hele verhandelingen. Ik denk dat dat absoluut niet de
bedoeling is. Ik kijk ook even naar de collega's. Verder wil ik met
betrekking tot het verzoek over wat tijd tussen de stemmingen nog zeggen
dat ik daar alleszins toe bereid ben, als dat niet tot problemen leidt
met de tijd met het oog op de Eerste Kamer natuurlijk.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik zal even kort reageren. De heer Grinwis vraagt om enkele dagen. Ik
zou me kunnen voorstellen dat dat dan volgende week dinsdag of donderdag
gebeurt, of zo? Ik hoor dat dat ook het idee van de heer Grinwis
is.
De voorzitter:
De heer Stultiens heeft hier nog een reactie op.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Het verzoek over de stemmingen is voor mij helemaal goed. Het punt over
de derde termijn hebben we vorige week in de pv besproken, dus dat gaat
gebeuren. We hoeven daar volgens mij geen uren over te doen, maar ik wil
wel nog een paar dingen zeggen. Ik hoef me bij een wetgevingsoverleg
niet in te houden bij een derde termijn. Volgens mij moet het lukken
binnen de tijd die er nu voor gepland staat.
De voorzitter:
Het is ook absoluut niet mijn intentie om mensen spreektijd te
ontzeggen. Het is meer dat ik ook wel de ambitie voel om binnen de tijd
te eindigen.
Dan geef ik het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Het is goed om u allen weer te zien en te
spreken voor het vervolg van ons wetgevingsoverleg van 19 januari
jongstleden. Staat u mij toe om eerst kort in te gaan op een aantal
keuzes uit het verleden en daarmee, wat mij betreft, ook op de noodzaak
van dit wetsvoorstel.
Verschillende kabinetten en uw Kamer hebben hier inmiddels een lang
traject voor afgelegd. In 2001 is ervoor gekozen om vermogensinkomsten
forfaitair te belasten in box 3. Dit forfaitaire stelsel was als
tijdelijk bedoeld op weg naar belastingheffing over daadwerkelijk
genoten rendement bij vermogenswinstbelasting. Vervolgens is er een
aantal jaren daarna voor gekozen om het forfaitaire stelsel te
handhaven, met name naar ik begrepen heb om uitvoeringstechnische en
budgettaire redenen. In 2021 gaf de Hoge Raad aan dat het forfaitaire
stelsel niet houdbaar was. Er is toen voor gekozen om het bestaande
stelsel aan te passen. Ook is er geprobeerd de forfaitaire rendementen
van de diverse vermogensbestanddelen beter te laten aansluiten bij het
daadwerkelijk rendement. Vervolgens is er in 2022 voor gekozen om bij
het nieuwe stelsel uit te gaan van een vermogensaanwasbelasting als
basis en is in 2023 de keuze gemaakt voor een vermogenswinstbelasting
voor onroerende zaken en start-ups. Dat is een belangrijk moment, want
op basis van deze keuzes is het wetgevingstraject vormgegeven en zijn
alle voorbereidingen door de Belastingdienst getroffen. Tot slot heeft
de Hoge Raad in 2024 aangegeven dat het aangepaste forfaitaire stelsel
echt niet langer houdbaar is en is de Wet tegenbewijsregeling box 3
ingevoerd. Men had geen keuze.
Nu staat u voor de keuze om of de huidige situatie te handhaven of de
Wet werkelijk rendement box 3 in te voeren met ingang van 2028. Wat mij
betreft — dat heb ik al eerder aangegeven — kiezen we voor het nu
voorliggende wetsvoorstel, maar wel als tussenstation naar een volledige
vermogenswinstbelasting, het liefst zo snel mogelijk. Ik ben dan ook erg
blij dat de coalitie dezelfde mening is toegedaan. De huidige situatie
met de tegenbewijsregeling is namelijk complex voor burgers en voor de
Belastingdienst en ook niet rechtvaardig. Tevens leidt het langer
doorlopen van het huidige stelsel tot een jaarlijkse budgettaire derving
van 2,4 miljard.
Tijdens ons debat van 19 januari is veel gesproken over de keuze voor
het hybride stelsel ten opzichte van een volledige
vermogenswinstbelasting en ook ten opzichte van een volledige
vermogensaanwasbelasting. Meerdere partijen vragen mij om in kaart te
brengen hoe het stelsel doorontwikkeld kan worden naar een volledige
vermogenswinstbelasting. Ik heb daarbij aangegeven dat een overstap naar
een volledige vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 niet haalbaal
is. Zoals ik al zei, zijn alle voorbereidingen die door de
Belastingdienst zijn getroffen gebaseerd op het hybride stelsel dat nu
voorligt. Ook de ketenpartners hebben aangegeven dat voor hen een
volledige vermogenswinstbelasting in 2028 niet haalbaar is.
Ik sta echter positief tegenover het verkennen van een volledige
vermogenswinstbelasting zo snel mogelijk na 2028, net zoals de coalitie.
Het is mogelijk om samen met de ketenpartners deze doorontwikkeling en
de benodigde tijdlijnen te verkennen. Ik laat het oordeel over de motie
hierover van mevrouw Van Dijk dan ook aan de Kamer, zoals ik in mijn
brief heb aangegeven, en de uitvoering aan mijn opvolger, die hier, naar
ik het coalitieakkoord begrijp, snel mee aan de slag zal gaan. Bij deze
verkenning is uiteraard ook aandacht voor de budgettaire gevolgen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank voor de toezegging die de staatssecretaris doet namens het kabinet
in wording om in ieder geval verder te werken aan de verkenning rondom
de vermogenswinstbelasting, ook in lijn met de motie van collega Inge
van Dijk. Kan daar ook een datum aan gekoppeld worden in de zin van
hoeveel tijd het kost om dat uit te werken en in de tijd weg te zetten,
zodat de Kamer dat mee kan nemen in toekomstige debatten?
Staatssecretaris Heijnen:
Dank voor de vraag. Ik denk zelf dat een verkenning en het in kaart
brengen sneller zouden moeten kunnen dan de invoering. Ik denk dat de
invoering nog wat langer zal duren, maar het zou toch mogelijk moeten
zijn om in de loop van dit jaar of volgend jaar die mogelijkheden in
kaart te brengen. Maar ik ben hier heel voorzichtig, zeg ik tegen
mevrouw Van Eijk, want ik doe, zoals zij al aangaf, een toezegging
namens het volgende kabinet en ik denk dat dit echt aan mijn opvolger
is.
De voorzitter:
De heer Grinwis met een vervolgvraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zijn we hier niet aan het droogzwemmen? Ik zag in de tekst van het
coalitieakkoord weliswaar iets staan over vermogenswinstsystematiek en
dat men daarnaartoe wil ontwikkelen, maar in dit debat over box 3 is het
budgettaire uitgangspunt of zijn de budgettaire dogma's steeds dominant
geweest en in de budgettaire bijlage staat niks. Is dan elke
voorspelling over de invoering van een vermogenswinstsystematiek niet,
zoals ik zei, droogzwemmen? Is dat niet over iets praten waar volgens de
huidige begrotingsregels geen ruimte voor komt, tenzij er middelen zijn
gereserveerd?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Dat is in principe aan een volgend kabinet, maar ik neem aan
dat dan bij die verkenning ook aandacht wordt geschonken, zoals ook
expliciet door de heer Stultiens is gevraagd, aan de budgettaire
gevolgen, zodat de Kamer over een afgerond geheel kan debatteren. Want
ook ik heb het coalitieakkoord gelezen en de financiële plaat en ik had
dezelfde vraag.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Heijnen:
Verder wil ik in mijn tweede termijn nog kort stilstaan bij de zorgen
die zijn geuit over de NSW-landgoederen. Ik begrijp deze zorgen heel
goed. We willen niet dat het voortbestaan van deze landgoederen onder
druk blijft staan in het nieuwe stelsel. Daarom worden de gevolgen voor
de gebouwde eigendommen — daar spreken we namelijk over — op deze
landgoederen in kaart gebracht. Er worden mogelijkheden uitgewerkt voor
een volgend kabinet om desgewenst een regeling te treffen.
Tot slot, voorzitter. Meerdere van mijn voorgangers hebben al
geconstateerd dat het ideale stelsel, als dat er al is, helaas niet op
korte termijn ingevoerd kan worden. Ook ik moet deze conclusie op dit
moment helaas trekken. Maar ik ben wel van mening dat we met dit
wetsvoorstel per 1 januari 2028 een eerste kleine stap in de juiste
richting zetten naar een eerlijkere belastingheffing op basis van
werkelijk rendement. Uiteraard blijft er na de invoering ruimte om het
stelsel verder te ontwikkelen, zoals uw Kamer dat wil. Het is aan uw
Kamer of dat vermogenswinstbelasting of vermogensaanwasbelasting is.
Maar ik hoop dat uw Kamer deze tussenstap kan steunen.
Ik dank u alvast voor uw scherpe inbreng en het samen verder brengen van
dit vraagstuk.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij is er nog één belangrijke vraag blijven liggen. De
staatssecretaris geeft aan dat dit een tussenstation is en nog niet het
eindstation. Daar zijn veel partijen het mee eens, maar mijn partij
niet. Dat mag natuurlijk. Wat gaat het kosten om van dit tussenstation
bij het eindstation te belanden? We weten nu dat dat 5 miljard in vijf
jaar tijd is, maar we weten ook dat Financiën de raming maakt tot 2060.
Er zijn dus bedragen voor de komende 30 jaar. Wat is het totale
bedrag?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap deze vraag heel goed, maar helaas kunnen we dat op dit moment
niet zeggen. We hebben de eerste berekeningen gedeeld naar aanleiding
van de vragen van de heer Stultiens. Dat was 23 miljard in de eerste
tien jaar. Op het moment dat we overgaan naar een volledige
vermogenswinstbelasting zullen daar nieuwe berekeningen voor moeten
worden gemaakt. Daar hebben de collega's die die berekeningen maken toch
echt wel veel tijd voor nodig. Dat zijn namelijk geen gemakkelijke
berekeningen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Zegt de staatssecretaris nu echt dat niemand van Financiën weet wat de
extra budgettaire derving zou zijn als je volledige vermogenswinst doet?
Hij geeft aan dat het voor vijf jaar 5 miljard is. Zijn voorganger gaf
aan dat het voor tien jaar 10 miljard is. Hij wist het dus blijkbaar
wel. Maar voor 30 jaar tijd kan hij het bedrag niet noemen, zegt hij
hier.
Staatssecretaris Heijnen:
Daarom ook de verkenning. Het klopt dat 5 miljard en 10 miljard genoemd
zijn. We hebben in kaart gebracht wat de vermogensaanwasbelasting
betekent voor vastgoed en start-ups. Dat laatste is trouwens beperkt.
Dat is in kaart gebracht, omdat dat op basis van het huidige
wetsvoorstel is. Als we er nu voor kiezen om naar een volledige
vermogenswinstbelasting te gaan, betekent dat met name dat voor aandelen
bijvoorbeeld, maar ook voor andere bezittingen, die berekeningen
aangevuld moeten worden. Dat kost nou eenmaal tijd. Op dit moment kan ik
daar helaas dus niet meer over zeggen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Een laatste poging. Klopt de uitspraak van zijn voorganger nog steeds,
dat het 10 miljard is in tien jaar tijd, of is dat ook niet meer
waar?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet welke voorganger die 10 miljard genoemd heeft. Een van hen.
Ik weet het heel eerlijk gezegd niet.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Misschien in het verlengde hiervan een vraag naar aanleiding van de
ingediende motie-Grinwis c.s. over de structurele belastingopbrengsten
op het moment dat je vermogenswinstbelasting heft. In de schriftelijke
appreciatie is daar ook best uitgebreid op ingegaan. Ik denk dat het
heel nuttig is als deze commissie meer inzicht krijgt in hoe die raming
nu precies tot stand komt. Dat geldt denk ik zowel voor de vragen van de
heer Stultiens als voor de vragen die een aantal mede-indieners van de
motie hebben. De motie wordt nu ontraden, maar ik denk dat we met z'n
allen wel behoefte hebben aan verdieping op dit onderwerp. Kan vanuit
het ministerie ambtelijk iets georganiseerd worden, eventueel samen met
het CBS, dat de ramingen en de doorrekening doet? Zo kunnen wij meer
grip krijgen op welke veronderstellingen daaraan ten grondslag liggen en
hoe je tot bepaalde bedragen komt. Ik denk dat dat ons enorm zou
helpen.
Staatssecretaris Heijnen:
Er wordt in mijn oor gefluisterd dat dat uiteraard kan en daar sta ik
ook volledig achter, want ik begrijp de vraag heel goed. Hoe kun je
beslissingen nemen als je de financiële consequenties niet goed in beeld
hebt en niet goed snapt hoe die tot stand zijn gekomen? Dat is de
achterliggende vraag. Wat ik kan aanbieden en wat de volgende
staatssecretaris naar ik aanneem ook wil aanbieden, is een technische
briefing hierover. Ik stel dan ook voor dat die op korte termijn
ingepland wordt.
Nog even naar de heer Stultiens: mijn team is druk bezig om te kijken
naar de vraag over die 10 miljard. Mogelijk kom ik daar in de derde
termijn nog op terug.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw beantwoording. Meneer Grinwis, gaat u beginnen aan uw
derde termijn of heeft u nog een korte vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb nog een paar minuten nodig voor het printen van eventuele moties.
Om een motie te voorkomen vraag ik het volgende. Er zitten nadelen aan
de vermogensaanwasbelasting, met name voor liquiditeit. Ze kan tot
liquiditeitsproblemen leiden. Ik heb eerder gevraagd naar de
mogelijkheden om betalingstermijnen te verruimen. Toen zei de
staatssecretaris: ik vind die betaling ineens, na één maand, en de elf
termijnen die er nu zijn in de inkomstenbelasting wel voldoende. Is de
staatssecretaris niet bereid nog eens te kijken of hij, vanwege de
implementatie van de vermogensaanwascomponenten in het nieuwe box
3-stelsel, het aantal betalingstermijnen toch kan uitbreiden of daar in
ieder geval meer ruimte in kan bieden? Zo kan het potentiële
liquiditeitsprobleem dat ook de staatssecretaris herkent, enigszins
worden ondervangen in het stelsel dat de staatssecretaris hier nu op
tafel legt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de vraag, maar we hebben nu eenmaal een inkomstenheffing over
box 1, box 2 en box 3 samen. U vraagt nu naar ruimere betalingstermijnen
vanwege een effect van box 3. Als we dat zouden doen, zou dat ook voor
box 1 en box 2 gelden, omdat er nu eenmaal maar één aanslag wordt
opgelegd. Ik denk heel eerlijk gezegd dat dat lastig wordt. We kunnen
het niet splitsen; dat kan ik nu al zeggen. Ik denk dat het lastig wordt
om alle betalingstermijnen te verlengen, enkel en alleen vanwege box 3.
Dat heeft, denk ik, ook wat meer consequenties dan het bieden van de
ruimte die de heer Grinwis zoekt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik snap deze reactie wel. Natuurlijk gaat het over de gehele
inkomstenbelasting. Je kunt hier dus niet zomaar zeggen "dat gaan we
doen" of "dat gaan we niet doen". Daarom stel ik ook deze vraag, om een
verstrekkende motie hierover te voorkomen. Ik ben eigenlijk op zoek naar
een toezegging. Ik wil dat de staatssecretaris hier niet alleen zo uit
de losse pols antwoord op geeft, maar bereid is toe te zeggen eens
grondig te gaan kijken wat mogelijk is en daarop schriftelijk terug te
komen. Dat kan althans zijn ambtsopvolger doen, bijvoorbeeld vóór de
behandeling van het Belastingplan dit najaar. Ik wil namelijk een betere
weging zien tussen de eventuele liquiditeitsproblemen en een eventuele
oplossing van ruimere betalingstermijnen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat onderzoek kan ik toezeggen. Als dat de vraag van de heer Grinwis is,
kan ik dat toezeggen. Ik ben altijd een beetje voorzichtig, want ik doe
hier toezeggingen namens mijn opvolger of opvolgster, maar het antwoord
is dus ja. Vóór het Belastingplan.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik merk dat ik deze vorm toch een beetje ingewikkeld vind, omdat er
uitgebreid is gereageerd en er appreciaties zijn gegeven op de moties.
Ik wil daar nu nog een aantal vragen over stellen en ze niet bewaren
voor de derde termijn, omdat ik denk dat dat logisch is. Dat scheelt
straks ook weer.
Ten aanzien van de vastgoedbijtelling had ik een motie ingediend over de
tegenbewijsregeling. Die motie is ontraden. Ik vraag niet meer en niet
minder dan uit te werken hoe een tegenbewijsregeling er eventueel uit
kan komen te zien. Daarbij vraag ik niet om die in te voeren, om een
concreet voorstel te doen of om de wet te wijzigen. Ik zou dus graag
willen weten of de staatssecretaris er op die manier nog een keer naar
wil kijken. Ik ga een gewijzigde motie indienen, dus misschien kan de
appreciatie dan ook aangepast worden.
Ten aanzien van de kapitaalverzekeringen krijg ik tegenstrijdige
signalen. Wat kan wel en wat kan niet? Het zou mij enorm helpen als hier
ook een toezegging op zou kunnen komen, waarbij in ieder geval met het
Verbond van Verzekeraars in overleg getreden wordt over het treffen van
een praktische regeling voor de mensen die het specifiek betreft. Het
gaat mij erom dat we weten dat er, op het moment dat iemand een aanslag
krijgt, bepaalde termijnen zijn om de belasting te betalen, omdat de
verzekering nog niet tot uitkering is gekomen. Ook daarvoor geldt de
vraag of we dat met elkaar verder kunnen verkennen om voor die groep een
oplossing te vinden. Als die toezegging komt, kan ik de motie
intrekken.
Staatssecretaris Heijnen:
Het tweede punt, nader overleg met het Verbond van Verzekeraars, kan ik
toezeggen.
Voor wat betreft de vastgoedbijtelling en de tegenbewijsregeling:
mevrouw Van Eijk gaf aan dat ze een nieuwe motie gaat indienen. Daarvan
zou ik graag willen afspreken dat wij die nieuwe motie ook
appreciëren.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
We hadden vorige keer een discussie over een door ons ingediend
amendement over een toptarief. Er werd aangegeven dat 2028 niet
uitvoerbaar is. Ik ben op zich gevoelig voor dat argument, maar de vraag
die ik en mijn collega's bij andersoortige amendementen hebben, is
wanneer het dan wél kan. Op die vraag is geen jaartal gekomen. Dat vind
ik jammer, want ik wil met liefde zeggen dat we het een jaar of twee
jaar later invoeren, maar je gaat mij niet wijsmaken dat het in de
toekomst nooit zou kunnen. Kan de staatssecretaris een jaartal noemen?
Zo niet, dan laat ik 2028 gewoon staan.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap het verzoek van de heer Stultiens en andere Kamerleden, maar op
dit moment kunnen wij dat helaas niet zeggen. We hebben namelijk niet
alleen te maken met de wijziging van box 3, maar ook nog met allerlei
andere wetswijzigingen die in de keten Inkomensheffing moeten worden
ingevoerd, en mogelijk ook nog met nieuwe plannen. Dit is namelijk mede
daarvan afhankelijk. We kunnen op dit moment dus helaas niet meer zeggen
dan dat 2028 niet kan. Wanneer het dan wel kan, kunnen we op dit moment
niet zeggen.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik had nog één vraag die is blijven liggen, en dan kan ik verder ook
afzien van een derde termijn. Ik had in tweede termijn een vraag gesteld
over de mogelijkheid van een heffingskorting voor groen beleggen en de
uitvoerbaarheid daarvan. Ik kreeg eerst signalen dat het mogelijk zou
zijn en vervolgens dat het niet mogelijk zou zijn, maar inmiddels krijg
ik toch weer signalen dat er mogelijk iets zou kunnen. Nu de
staatssecretaris toch ruimhartig is met toezeggingen op het bordje van
zijn opvolger, zou hij misschien ook kunnen toezeggen dat er in aanloop
naar het Belastingplan nog een keer goed gekeken wordt of hier toch iets
mogelijk zou zijn.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb begrepen dat het nog steeds niet uitvoerbaar is, dus ik heb die
geluiden niet gehoord. Nogmaals mijn excuses voor de eerste, verkeerde
quickscan, want de verwarring is voor een deel daardoor veroorzaakt. We
hebben bij de appreciatie in de brief ook aangegeven waarom het niet
uitvoerbaar is. Wat ik wel kan doen, is al dit soort zaken in een brief
meenemen voorafgaand aan het Belastingplan. Die vraag kreeg ik eerder.
Daarin kunnen wij ook aangeven wat er op dit punt wel en niet mogelijk
is.
De voorzitter:
Ik kijk even met een schuin oog naar de heer Oosterhuis: vindt hij dat
een goed voorstel?
De heer Oosterhuis (D66):
Ik wil vragen of het mogelijk is om nog een keer goed in overleg te gaan
met de Belastingdienst over de stand van zaken en de mogelijkheden. Het
wordt nu wel heel diffuus voor mij.
Staatssecretaris Heijnen:
De Belastingdienst is gelukkig aanwezig in de ambtenarenkamer, dus gaan
we het zo meteen bespreken, waarna ik er in de derde termijn op
terugkom.
De voorzitter:
Nog een vraag van de heer Oosterhuis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb nog één vraag over de vastgoedbijtelling. Er zijn alternatieve
berekeningen gekomen waarvan wordt gezegd dat als je actuele jaren als
basis neemt je zou uitkomen op een percentage van 2,8%.
Onderzoeksinstituut SEO komt uit op 3,35%. Kan de staatssecretaris
bevestigen dat 2,8% inderdaad een adequate weergave is van de
vastgoedbijtelling als je jongere basisjaren neemt dan is gedaan in het
SEO-rapport of het wetsvoorstel?
Staatssecretaris Heijnen:
We zijn daarop ingegaan bij de appreciatie van de motie van de heer
Grinwis. We hebben ook aangegeven dat 3,35% gebaseerd is op een langere
periode, dus niet op een korte maar een langere periode. Het is best
mogelijk dat als je een kortere, meer recente periode neemt, het
percentage lager is. Eerlijk gezegd moet ik antwoord schuldig blijven op
de vraag of dat 2,8% is of een ander percentage. Als u het mij toestaat,
kom ik daar in de derde termijn op terug.
De voorzitter:
Ik zie geen vragen meer. Dan vraag ik mijn collega's of ik zelf ook nog
een vraag mag stellen, namens het CDA. Ik heb een amendement ingediend
over een evaluatie. Dat is ontraden. Ik snap dat de tijdspanne relatief
kort is en dat sommige data er misschien nog niet zijn. Als we echter te
laat gaan kijken naar wat die wet doet, moeten we eventueel veel
repareren. Daar maak ik me wel zorgen over. Ik ben op zoek naar een
soort evaluatie light of iets dergelijks, zodat we rond die periode wel
serieus gaan kijken: wat weten we al wel, wat zien we en wat moeten we
snel voorkomen? Nogmaals, ik zit niet te drammen over een volledige
evaluatie, maar als we niets doen, maak ik me wel zorgen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de zorgen heel goed. Mevrouw Van Dijk zegt dat zij de vinger aan
de pols wil houden om snel te kunnen ingrijpen op het moment dat we tot
de conclusie komen dat het echt niet goed gaat. Zo begrijp ik de vraag.
Voor een volledige evaluatie, zo hebben wij bij de appreciatie
aangegeven, hebben wij onvoldoende gegevens om die op die korte termijn
te doen. Ik kan me voorstellen dat we wel een aantal aspecten van de wet
in de gaten houden en dat we signalen daarover al eerder met uw Kamer
kunnen delen. Ik wil ook even met mijn team overleggen, dan kom ik er in
de derde termijn nader op terug.
De voorzitter:
Mevrouw Van Eijk heeft toch nog een vraag.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Op dit specifieke punt. Ik snap dat, maar als het belastingjaar 2028 in
het voorjaar van 2029 binnenkomt, dan komen er al wel wat data op gang.
Ergens in het najaar zou je dus moeten kunnen weten hoeveel mensen
belastingplichtig zijn in box 3, welke vragen er binnen zijn gekomen bij
de BelastingTelefoon en waar mensen tegenaan lopen; dat soort aspecten.
Het zou helpen als die informatie in de vorm van een monitoringsbrief of
iets dergelijks naar de Kamer komt, los van een evaluatie, die heel
grondig moet worden gedaan.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ben het ermee eens; ik denk dat dat mogelijk zou moeten zijn. Ik zit
zelf — maar ik ben hard aan het nadenken en ik wil een en ander nog even
afstemmen — ook te denken aan de Wet tegenbewijsregeling, die natuurlijk
ook al bepaalde informatie biedt die wellicht bruikbaar is om dit soort
signalen te zien. Ik zou me goed kunnen voorstellen dat we daar op die
manier naar kijken; mevrouw Van Dijk noemde het een "evaluatie light".
Daar kom ik op terug.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de heer Grinwis. Volgens mij hebben de moties
inmiddels uw bureau bereikt. Met jullie goedvinden ga ik dan meteen door
naar de derde termijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ik dien gelijk de moties in. Dan hebben we dat
gehad.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet werkelijk rendement leidt tot een forse
belastingdruk op NSW-landgoederen, omdat bij de overdracht aan de
volgende generatie belasting betaald moet worden over de stijging van de
WOZ-waarde;
overwegende dat met het oog op het behoud van natuurschoon, cultureel
erfgoed en publieke recreatie de Natuurschoonwet al bijna 100 jaar de
instandhouding van NSW-landgoederen bevordert, en dat de voorgestelde
heffing indruist tegen de geest van de Natuurschoonwet;
verzoekt de regering een regeling uit te werken waarin bij vererving of
schenking de papieren waardestijging van NSW-landgoederen niet wordt
belast, met als voorwaarde dat in lijn met de Natuurschoonwet de
NSW-status 25 jaar behouden blijft, en deze regeling in een komend
belastingplan aan de Kamer voor te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Vermeer.
Zij krijgt nr. 33 (36748).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is in reactie op de reactie van de staatssecretaris, waarbij ik ook
nog wel de vraag heb aan de staatssecretaris of we ons amendement niet
zo kunnen verbeteren dat de uitvoeringsbezwaren zijn verholpen. Maar
voor de zekerheid, omdat dit de laatste termijn is, dien ik ook deze
motie in.
Dan de tweede.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de leegwaarderatiocorrectie de inbrengwaarde van
vastgoed bij inwerkingtreding van het nieuwe box 3-stelsel dermate drukt
dat het kan leiden ofwel tot het (tijdelijk) uit de (sociale) verhuur
halen van vastgoed voor 1 januari 2028 ofwel tot een extra hoge
belastingaanslag bij verkoop zonder huurders na 1 januari 2028;
overwegende dat er nood is aan sociaal en anderszins betaalbaar
verhuurde woningen;
verzoekt de regering de nadelen van de leegwaarderatiocorrectie bij de
beginwaarde van een woning bij inwerkingtreding van het nieuwe box
3-stelsel onafhankelijk te onderzoeken, met name voor de beschikbaarheid
van particulier betaalbaar verhuurde huizen, en de Kamer voor het
Belastingplan 2027 te informeren over de uitkomsten en de eventuele
consequenties voor de omgang met de leegwaarderatio bij het bepalen van
de inbrengwaarde,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Vermeer.
Zij krijgt nr. 34 (36748).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat waren mijn twee moties. Mag ik nog een enkele zin uitspreken over
wat ons te doen staat? Het huidige systeem in box 3 is niet goed. We
hebben tal van problemen met de forfaits, een onvolkomen
tegenbewijsregeling en inflatie waar we niks mee doen. Is voortgang met
het verbeterde tegenbewijs overwogen per 1-1-2028, in plaats van dit
nieuwe stelsel, omdat het eindplaatje nu toch vermogenswinst is? Of is
het Zweedse systeem overwogen? Die vragen wil ik nog één keer stellen
aan de staatssecretaris.
Het voorstel dat nu voorligt, leidt echt tot buikpijn. Ik noemde al het
punt van de vermogensaanwas in combinatie met liquiditeit. Vandaar dat
ik heb verzocht om de stemming over amendementen en moties enerzijds en
wetten anderzijds uit elkaar te halen, omdat het nog geen gelopen race
is hoe dit wetsvoorstel uiteindelijk na aanname of verwerping van
amendementen zal worden gewogen. Vandaar dat ik er zo in sta. Het is
geen ideaal voorstel, verre van. Dat wil ik nog even meegeven in aanloop
naar de stemmingen.
De voorzitter:
Ik kijk even of de heer Vermeer nog iets wil zeggen.
De heer Vermeer (BBB):
Zeker, voorzitter. Ik wil de staatssecretaris, en natuurlijk het team
dat achter hem staat, bedanken voor zijn werk en de beantwoording. Maar
na de behandeling van dit wetsvoorstel, hebben wij nog steeds een dubbel
gevoel. Enerzijds hebben we een wet die kostenaftrek mogelijk maakt voor
verhuurders van woningen. Dat is positief voor de huurmarkt. Daarnaast
zijn we blij met het vermogenswinstelement voor onroerende zaken. Maar
BBB is, zoals eerder gezegd, voorstander van een vermogenswinstbelasting
voor alle zaken, niet alleen de onroerende. Ik denk dat in dit debat nog
maar eens duidelijk geworden is hoe belangrijk dat is.
Voorzitter. Wat nog het meeste is blijven hangen, is het thema van
budgetneutraliteit. De vermogensdrempel maakt plaats voor een
winstdrempel. Dit leidt er concreet toe dat belastingplichtigen die nu
tot €59.000 vermogen hebben en vrijgesteld zijn van box 3-belasting, in
het nieuwe stelsel wel gaan betalen. Deze groep betaalt dan de rekening
van de grotere belegger, die door onder andere kostenaftrek minder gaat
betalen. Dat is wrang. Ik heb daar geen vragen over, maar het zit ons in
elk geval niet lekker. We denken hier toch vandaag nog een amendement
over in te dienen dat de winstdrempel verhoogt naar €3.600, wat
feitelijk gelijk is aan de vermogensdrempel van €59.000, zodat die groep
daar niet de prijs voor hoeft te betalen.
Ik heb nog een andere vraag aan de staatssecretaris, over iets heel
anders. Dat is TaxSolver. Ik heb ooit met de voorganger van de
staatssecretaris, de heer Van Oostenbruggen, een debat gevoerd in deze
commissie. Hij kondigde aan dat het ministerie van Financiën met een
rekentool voor fiscale beleidswijzigingen komt. Hij heeft mij destijds
bevestigd dat die al klaar zou liggen. Ik vroeg mij af of daar al schot
in zit en wanneer de staatssecretaris dat zou kunnen lanceren. Dat is
voor ons namelijk met name belangrijk in de context van een
stelselherziening waar we mogelijk ook box 3 bij kunnen betrekken.
Tot slot viel het mij samen met het lid Stoffer op dat de
staatssecretaris een toezegging doet in de brief over de
NSW-landgoederen, maar dat dit nog niet het geval is bij pachtgronden.
Is de staatssecretaris bereid eenzelfde onderzoek te doen naar
pachtgronden?
Ik wil graag nog één motie indienen, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de huidige Wet werkelijk rendement uitgaat van een
vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken en een
vermogensaanwasbelasting voor niet onroerende zaken;
constaterende dat een meerderheid van de Kamer van mening is dat dit
hybride stelsel niet het eindstation moet zijn, maar dat een
vermogenswinstbelasting voor alle beleggingscategorieën wenselijk
is;
overwegende dat in het coalitieakkoord is afgesproken toe te bewegen
naar een vermogenswinstbelasting;
verzoekt de regering zo snel als mogelijk maar uiterlijk bij het
Belastingplan 2029 een box 3-stelsel gebaseerd op
vermogenswinstbelasting te presenteren, inclusief dekkingsopties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 35 (36748).
De heer Vermeer (BBB):
Dat gaat eigenlijk verder dan de eerdere moties, want deze heeft een
concrete datum. Dat is volgens ons namelijk de enige manier om ervoor te
zorgen dat die bal niet continu vooruitgetrapt wordt en er wel een
belofte is, maar het vermogen ondertussen naar het buitenland
vertrekt.
Dank u wel.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik vergat helemaal te vertellen dat ik twee amendementen heb ingediend,
over die 300 dagen en over het verhogen van het heffingsvrije inkomen.
Dat heb ik gedaan in een amendement met €200, van €1.800 naar €2.000. Ik
hoorde de heer Vermeer zeggen dat hij een amendement overweegt om dat
verder te verhogen naar €3.600. Dat vind ik zeer interessant, maar welke
dekking heeft hij voor ogen? Ik heb een dekking gevonden in de lengte
van de eerste schijf van de erfbelasting. Sommigen staan daarbij te
juichen, maar anderen niet. Wat is de dekking van de heer Vermeer?
De heer Vermeer (BBB):
We hebben in het coalitieakkoord gelezen dat er gekoerst wordt op een
begrotingstekort van 2%. De Europese norm is 3%. Als wij van 2% naar
2,07% begrotingstekort gaan of zoiets hebben wij dat netjes gedekt en
hebben wij het systeem rechtvaardig gehouden, en dan hebben wij
voorkomen dat er een gigantische vermogensvlucht naar het buitenland
komt, die per saldo zorgt voor een groter begrotingstekort. We moeten
dus echt met gezond verstand deze modellenwerkelijkheid gaan bestrijden.
Dat doe ik met het voorgenomen amendement. Eigenlijk weet ik wel voor
99% zeker dat ik 'm in ga dienen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is natuurlijk, hoe sympathiek ook, toch een soort van gratis bier.
Is de heer Vermeer bereid om dan twee versies in te dienen, zodat de
kansrijkheid van zijn op zich goede voorstel groter wordt?
De heer Vermeer (BBB):
Nee, ik ben daar totaal niet toe bereid. Ook in het coalitieakkoord
staan gewoon allerlei plannen waarvan de dekking gezocht wordt in het
onder aan de streep op laten lopen van een begrotingstekort boven nul en
als het kabinet dat voor kan stellen, dan mogen wij als
verantwoordelijken, eindverantwoordelijken en de enigen die beslissen
over de begroting, op zijn minst hetzelfde toepassen. Wij moeten eens
even uit die fuik dat ons een paar stukken rood vlees in de arena
toegegooid worden, dat wij er niet over zouden gaan en dat als wij iets
willen veranderen, wij dan met een dekking moeten komen op een andere
post, terwijl het kabinet gewoon voor mag stellen dat het uit de grote
hap gaat en uit het begrotingstekort. Als we dat patroon niet
doorbreken, dan zitten we hier steeds over 1% of 2% van de begroting te
praten, terwijl het kabinet over 98% of 99% zelf beslist en daarmee
feitelijk de Kamer, de volksvertegenwoordiging, buiten spel staat. Daar
trekken wij een streep. Wij hebben de afgelopen jaren in de coalitie
veel geleerd over hoe dit spel werkt. Ik heb het door en ik ben er klaar
mee.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Heel kort. Dank aan de staatssecretaris voor alle inspanningen die hij
en zijn collega's en hun ambtelijke ondersteuning hebben gedaan om dit
wetsvoorstel hopelijk volgende week naar een veilige haven te brengen.
We weten met z'n allen dat we er echt nog niet zijn en dat de wens van
de Kamer in meerderheid waarschijnlijk is om daar nog een aantal stappen
in te gaan zetten. Dat gaan we met elkaar verkennen in de aankomende
periode. Ik denk dat dat een belangrijke beweging is. Ik sluit me ook
aan bij de vorige sprekers als het erom gaat dat het huidige stelsel
stuk is. We moeten deze stap met elkaar gaan zetten en hopelijk gaat dat
lukken. Dank voor de toezeggingen op de verschillende onderdelen, met
name op de NSW-landgoederen en om ons mee te nemen in alles rondom de
budgettaire gevolgen van welke keuzes er ook gemaakt gaan worden. Ik zal
een gewijzigde motie indienen op de vastgoedbijtelling. Ik zie de
schriftelijke appreciatie graag tegemoet.
Er zijn nog twee punten blijven liggen. Ik heb in mijn eerste termijn
aandacht besteed aan de partiële buitenlandse belastingplicht. Daar is
een antwoord op gekomen en ik zie daar nog wel een mogelijkheid om dat
een stap verder te brengen. Daar kom ik later nog een keer op terug. Ik
heb zeker niet de intentie om opnieuw een situatie te creëren waarin er
sprake is van dubbele niet-heffing, maar ik wil wel proberen om de
dubbele heffing waarvan nu sprake is in de toekomst te voorkomen. Dus
daar gaan we zelf mee aan de slag.
Wat betreft de fiscale regeling voor aandelen in de startende
ondernemingen ben ik blij met de appreciatie oordeel Kamer, dus dat die
in ieder geval verkend en uitgewerkt gaat worden. Ik heb zeker ook
begrip voor de uitvoering, maar ik vraag wel om heel serieus te kijken
naar de fonds-in-fondssystematiek die voor start-ups en scale-ups heel
erg relevant is en met name een toegankelijk instrument is voor
particuliere beleggers om die stap naar beleggen te gaan maken. Ik zou
dus straks graag in de uitwerking zien hoe het wel kan.
Daar wil ik het bij houden. Dank u wel.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik heb één vraag de mevrouw Van Eijk en dat is een beetje als
rapporteurs onder elkaar. Ik ben benieuwd hoe zij terugkijkt op de
informatiepositie die wij als Kamer hebben gehad, met name rondom de
budgettaire derving. De VVD is een partij die ook geeft om doelmatigheid
— zeker aan de uitgavenkant, zeg ik daarbij — maar tot voor kort was
helemaal niet bekend wat de keuze voor die vastgoeduitzondering in
totaal zou kosten. Dat weten we nu na jaren behandeling, namelijk meer
dan 40 miljard, maar dat was tot voor kort niet bekend. Ik ben benieuwd
of de VVD, net als ik, vindt dat dat eerder in beeld had moeten worden
gebracht bij de Kamer.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik denk dat het aan ons als Kamer is om daar stevig op door te vragen.
We hadden er aan de voorkant wellicht meer aandacht aan kunnen besteden,
maar ik snap ook dat het kabinet continu heeft gewerkt met de opdracht
om een budgettair neutrale omzetting te doen van het stelsel in box 3.
Daar is met verschillende parameters aan gewerkt en dit is daar de
uitkomst van. Heel eerlijk gezegd was ik in de veronderstelling dat het
alleen maar ging om het heffingsvrije resultaat, het tarief en — er was
er nog een — de vastgoedbijtelling. Ik denk dat ik het eens ben met de
heer Stultiens dat we niet alles hebben gekregen, dat niet alles in
beeld is gebracht. Of wij zijn niet alert genoeg geweest op de
informatie die wij hebben gehad om daar vervolgens op door te vragen en
door te pakken. Ik denk dat wij daar met z'n allen ook iets van geleerd
hebben en dat we dat een volgende keer iets preciezer zouden moeten
doen. Anderzijds is een budgettair neutrale omzetting precies wat het
kabinet heeft gedaan en hadden allerlei als-danscenario's — als het
tarief hoger was geweest, als er wel of niet was gekozen voor progressie
— ook tot andere uitkomsten geleid. Maar met een bredere blik ernaar
kijken: zeker.
De heer Vermeer (BBB):
Mevrouw Van Eijk zegt te snappen dat het kabinet heeft gewerkt met de
opdracht van budgetneutraliteit. Erkent mevrouw Van Eijk dat het kabinet
zich dat zelf heeft opgelegd en dat dit niet per se een opdracht van de
Kamer is geweest? Erkent zij dat je daar ook heel anders naar kunt
kijken en dat je eigenlijk bij belastingen, ook om allerlei juridische
procedures te voorkomen, altijd uit zou moeten gaan van rechtvaardigheid
in de benadering en niet van een benadering vanuit de budgetten?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik denk dat we de discussie over een rechtvaardiger stelsel uitgebreid
met elkaar hebben gevoerd en dat we ook met z'n allen vinden dat de stap
die nu gemaakt wordt, in ieder geval leidt tot een rechtvaardiger
stelsel dan wat we hadden. Budgettaire neutraliteit voor de omzetting
van dit stelsel gaat al verder terug dan het huidige dubbeldemissionaire
kabinet. Daar heeft het kabinet aan vastgehouden en ik hecht er ook heel
veel waarde aan dat we daar ook op die manier naar moeten kijken. Maar
ik heb in mijn eigen inbrengen ook continu aandacht gevraagd voor de
juridische kwetsbaarheden die in het stelsel zitten. Vandaar dat ik ook
zo blijf hameren op die tegenbewijsregeling voor de vastgoedbijtelling,
omdat we niet opnieuw in de fuik moeten lopen van allerlei procedures
die op ons afkomen. Zeker over dit wetsvoorstel lopen de meningen
ontzettend uiteen, maar ik denk nog steeds dat dit uit heel veel
verschillende opties de beste is.
De heer Vermeer (BBB):
Toch nog een korte vraag hierover. Is mevrouw Van Eijk het met mij eens
dat een halve reorganisatie gewoon geen reorganisatie is, en dat je, als
je een stelsel echt wilt vernieuwen, moet beginnen met een leeg
papiertje? Denkt ook zij dat je dan niet in eerste instantie moet
uitgaan van hoeveel geld je moet ophalen, maar van hoe je op
rechtvaardige manier kunt belasten, en dat je vervolgens met de
uitkomsten daarvan aan de slag moet gaan?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Deze discussie gaat natuurlijk heel veel verder. Dan krijg je ook
discussies over de belastingmix. Waar haal je belasting op? Als je
inderdaad een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel wilt
doorvoeren, inclusief heffingskorting en de hele
socialezekerheidsstelsel, dan denk ik dat het heel erg goed is om er
meer boven te gaan hangen en te gaan kijken hoe het stelsel
rechtvaardiger gemaakt kan worden. Dan heb je namelijk ook te dealen met
alle herverdeeleffecten en budgettaire gevolgen en moet je daar ook een
nette oplossing voor hebben.
De heer Hoogeveen (JA21):
We hebben natuurlijk allemaal het nieuwe coalitieakkoord gelezen. Ik
vond het best wel positief dat daarin staat dat het nieuwe
minderheidskabinet wil stimuleren dat mensen hun spaargeld gaan
beleggen, en dat er dus op lange termijn ook moet worden toegewerkt naar
een box 3-systeem van volledige vermogenswinstsystematiek. Maar zoals
net al in tweede termijn werd aangekaart door enkele collega's, is daar
geen budgettair vervolg aan gegeven in de financiële tabel. In welk
licht kijkt de VVD naar hoe dit in het coalitieakkoord is gezet en wat
voor gevolgen daaraan kunnen worden gegeven?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Wat u daar terugleest is de breed gedragen wens om de Wet werkelijk
rendement een stap verder te brengen naar een volledige
vermogenswinstbelasting. Maar men wordt ook geconfronteerd met de
realiteit dat de uitvoering dat niet op korte termijn kan. Daar zullen
we echt naar moeten kijken. Dat is ook een toezegging die de
staatssecretaris heeft gedaan en daar ligt ook een aantal moties onder,
zelfs met concretere data om daarin ook een volgende stap te kunnen
zetten. We hebben als Kamer breed de behoefte om beter meegenomen te
worden in de budgettaire gevolgen en wat dat dan betekent. Als dat
allemaal op tafel ligt, dan maken wij daar een nieuwe afweging in. Heel
eerlijk zie ik het om meerdere redenen niet voor me dat die volgende
stap al gezet kan worden in de aankomende kabinetsperiode. Het zou heel
mooi zijn als we alles hebben liggen voor een volgend kabinet, in de
periode vanaf 2030-2031, om dan die volgende stap te kunnen maken. Ik
zie dit dus echt als een stevige voorbereiding op het kunnen zetten van
die laatste stap op een later moment.
De voorzitter:
Ik zie een vervolgvraag van de heer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dus als ik het goed begrijp, is het eigenlijk meer een toezegging vanuit
de coalitiepartijen om dit te gaan onderzoeken, dat ze gaan kijken wat
er mogelijk is. Als daar dan budgettaire gevolgen aan zitten, zullen ze
op dat moment zelf gaan kijken waar ze dan in moeten gaan
schuiven.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Precies dat.
De voorzitter:
Ik zie geen vragen meer. Ik geef het woord aan de heer Jansen.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het heel kort houden. Wij maken ons best
wel heel veel zorgen hierover, met name over een mogelijke
kapitaalvlucht en over alles wat aanstaande is. Ik heb wel heel veel
goede dingen gehoord van de heer Grinwis en ook van mevrouw Van Eijk, en
ongetwijfeld ook van andere ambtsgenoten. Dus wij gaan alles, ook de
amendementen, heel kritisch bekijken, want ik weet niet zeker of dit een
verbetering is ten opzichte van wat we al hebben. Veel meer heb ik er op
dit moment niet over te zeggen. Ik heb met heel veel aandacht
geluisterd. Complimenten voor de inbreng en al het werk dat gedaan is,
want het is nogal een klus. Daar wil ik het bij laten. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank je wel. Er is een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Nou ja, ik heb één vraag, en die is misschien niet zo heel moeilijk te
beantwoorden. In het huidige stelsel wordt er gewerkt met forfaits. In
het toekomstige stelsel gaan we naar het belasten van inkomsten uit
werkelijk rendement. Ik denk persoonlijk dat dat een belangrijke
verbetering is, maar ik zou graag van de heer Jansen willen weten wat
hij daarvan vindt. Dat is wel de principiële kwestie die eronder
ligt.
De heer Frederik Jansen (FVD):
Dat begrijp ik. Vooropgesteld: eigenlijk vind ik deze hele belasting
onrechtvaardig. Ik vind het eigenlijk een spaarderstaks. Ik vind dat we
die niet zouden moeten hebben. Als je dit toch wilt doen, is de vraag
hoe je dit zo goed mogelijk kunt inrichten. Ik begrijp echt wel dat het
onrechtvaardig is om met forfaits te werken, maar de impact die ik door
verschillende mensen doorgerekend heb gezien, lijkt zo veel groter dan
wat het op dit moment is, zeker op het moment dat er verliezen worden
gemaakt. Dan moet dat het volgende jaar worden teruggerekend, en al die
dingen. Daarom kan ik niet zo goed beoordelen of dit echt een
vooruitgang is voor de mensen zelf.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de collega's. Ik zie verder geen vragen meer. Dan geef
ik het woord aan de heer Oosterhuis. Ik zie dat hij geen inbreng heeft.
De heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank. Uiteraard dank aan de staatssecretaris en alle ondersteuning; dat
vooropgesteld.
Ik ga wel een kritische noot plaatsen bij de hele informatievoorziening.
Ik snap dat het ook te maken heeft met de voorgangers, want deze wet
heeft in de afgelopen jaren vele vaders gehad. Maar ik heb er echt grote
moeite mee dat het punt over de budgettaire derving zo lang niet
duidelijk werd. Er is gekozen voor een vermogensaanwasbelasting, met
twee uitzonderingen. Dan is een heel normale vraag: hoeveel kost die
uitzondering? Dan kun je vervolgens politiek van mening verschillen over
of je dat het geld waard vindt. Nou, de meeste fracties hier vinden van
wel. Dat mag, maar mijn fractie vindt dat niet. Maar wat ik niet
begrijp, is hoe het kan dat dat bedrag zo lang niet boven tafel kwam.
Als je een wetsvoorstel maakt waarbij je een uitzondering maakt voor
vastgoed, dan hoort daar gewoon in te staan wat het budgettair kost. Dat
stond er niet in. Tegenwoordig hebben we een Toetsingskader fiscale
regelingen. Die is braaf gemaakt. Daar staat in: enkele miljarden voor
de komende jaren, 1 miljard per jaar voor de komende jaren. Iedereen die
dat leest, denkt dan: hm, nou, ordegrootte paar miljard. Vervolgens
stelden wij in de schriftelijke inbreng de vraag: wat kost deze
uitzondering? Dan krijg je een tabel voor tien jaar. Dat is nog steeds
niet het hele bedrag. Pas in het debat zelf, na vier keer vragen en na
onze vraag wat het kost voor 30 jaar, kwam de aap uit de mouw: dit kost
eenmalig 42 miljard euro aan budgettaire derving. Zo'n bedrag hoort
gewoon in het wetsvoorstel zelf te staan en anders in het
toetsingskader, of in de schriftelijke inbreng. Dus ik hoop, zeg ik voor
de opvolger, dat bij volgende wetsvoorstellen dit soort bedragen beter
in beeld worden gebracht, want dan wij kunnen als Kamer beter wegen of
wij dit het geld waard vinden, of niet. Ik hoor graag van de
staatssecretaris of hij deze analyse deelt, want hopelijk kunnen we hier
dan van leren. Ik denk echt dat het zonde is als we zulke grote keuzes
maken zonder deze informatie te hebben. Aan de uitgavenkant zouden we
dit nooit geaccepteerd hebben, zeg ik erbij.
Dan de keuze zelf. Velen hier vinden dit een tussenstation op de weg
naar het eindstation. Ik vind het ongelofelijk dat je al weet naar een
eindstation toe te willen zonder te weten wat het kost. De
staatssecretaris geeft eigenlijk aan: ik weet niet wat het kost;
minimaal 5 miljard, maar misschien wel meer. Toch zegt hij: ik ben er
een voorstander van. Bij de uitgavenkant zou het nooit gebeuren dat de
staatssecretaris zegt: ik wil iets, maar ik heb geen idee wat het kost
en hoe we het betalen zien we later wel. Ik vind dat heel scheef en ik
hoop dan ook dat het niet gaat gebeuren. Het is bemoedigend dat hiervoor
in het coalitieakkoord geen geld wordt uitgetrokken. Laten we hopen dat
van uitstel afstel komt, maar ik hoop ook dat de volgende keer dat
partijen zeggen iets te willen, er in ieder geval wordt aangegeven wat
het kost en hoe het wordt betaald.
Dan de keuze zelf. Wij zijn dus voor vermogensaanwasbelasting en het
toptarief, zoals ik duidelijk heb gemaakt. Wij hebben daarover ook
amendementen ingediend. Ik kan de koppen in de zaal tellen, dus ik
vermoed dat die worden weggestemd volgende week. Ondanks dat zullen wij
voor de wet stemmen, want hij is een verbetering ten opzichte van wat er
nu is. Eigenlijk is het pijnlijk om dat te moeten constateren. Wat we de
afgelopen jaren hadden was zo slecht, gedwongen door de rechter, dat we
dit wetsvoorstel wel moeten omarmen.
Tot slot. We gaan vast nog langer praten over het coalitieakkoord en de
fiscale kant ervan. Mijn fractie is echter wel teleurgesteld dat de
goede dingen over fiscale regelingen in het tussenakkoord van vorige
maand, namelijk de schuif van arbeid naar kapitaal en de
hypotheekrenteaftrek, allemaal zijn verdampt. Dat vinden wij jammer en
wij hopen dat wij dit het komende jaar nog kunnen bijstellen in het
Belastingplan, want dit is een gemiste kans. Het is zonde als de
rekening straks weer komt te liggen bij gewone werkende mensen in plaats
van bij de grootste vermogens.
Dank u wel.
De voorzitter:
De heer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter. Sinds onze eerste en tweede termijn enkele weken
geleden hebben we allemaal wel doorgekregen hoeveel zorg er in de
samenleving is ten aanzien van dit wetsvoorstel. Ik vermoed dat ik niet
de enige ben die is bedolven onder e-mails en verzoeken van bezorgde
burgers die zich afvragen wat hen te wachten staat. In mijn eerste
inbreng was ik er al duidelijk over: JA21 is geen voorstander van dit
systeem. Het is belasting op papieren winst, corrigeert niet voor
inflatie en de wet leidt ertoe dat mensen hun vermogen theoretisch
moeten gaan aanspreken om te betalen over rendement dat ze niet
daadwerkelijk hebben ontvangen. Toch hebben wij ons constructief
opgesteld. We hebben meegedacht en amendementen ingediend. Daar heb ik
nog enkele vragen over.
Ten aanzien van het gewijzigde amendement op stuk nr. 32 over de
doorschuifregeling bij trouwen en scheiden. Daarvoor hebben wij nu
netjes een dekking gevonden, maar toch zegt het kabinet dat het jaartal
2029 niet mogelijk is. Op onze vraag wanneer dat dan wel mogelijk is,
komt echter geen antwoord. Dat vinden wij toch wel moeilijk te verteren.
Dan weet je immers niet waar je aan toe bent.
Hetzelfde geldt voor mijn amendement ten aanzien van de carry back. In
de brief van het kabinet staat dat enkel bij de raming van de carry back
rekening is gehouden met de carry forward. De raming van de derving van
deze carry forward ontbreekt dus. Ik zie graag de derving van de carry
forward, dus zonder de invoering van de carry back, eigenlijk de
nulsituatie, en de mutatie van de derving bij de carry forward bij
invoering van de carry back van één jaar. Deze kan ik vervolgens naast
de raming van de derving van de carry back als maatregel leggen. Verder
hoor ik graag of een latere invoering van de carry back ook leidt tot
het mitigeren van een grotere derving. Tot slot ben ik benieuwd hoe het
bedrag van het heffingsvrije resultaat verandert wanneer dit wordt
aangewend als dekking voor de structurele 12 miljoen die is opgegeven.
Dat hoeft nu niet meteen, dat kan ook schriftelijk worden
beantwoord.
Tot slot, voorzitter. Het nieuwe minderheidskabinet zegt dat het wil
stimuleren dat mensen hun spaargeld meer gaan beleggen in de Nederlandse
economie. Het wil langetermijnbeleggen bevorderen door box 3 verder te
ontwikkelen naar een volledige vermogenswinstsystematiek. Dat roept
cruciale vragen op, zoals net ook al bleek. Wat betekent dit concreet?
Wanneer kan de volledige vermogenswinstbelasting worden ingevoerd? Wat
is realistisch? Welke budgettaire consequenties zijn eraan verbonden?
Zonder een duidelijke stip aan de horizon weten wij niet zo goed waar
wij nou ja of nee tegen zeggen. De staatssecretaris zit niet in het
volgende kabinet, maar wij als wetgever blijven wel verantwoordelijk
voor deze wet. Daarom hebben wij toch meer behoefte aan zekerheid. In
hoeverre stappen we nu niet in een fuik? En welke garantie kan de
staatssecretaris ons geven dat wij over een paar jaar niet moeten
constateren dat een volledige vermogenswinstbepaling er wellicht nooit
gaat komen? Mijn korte ervaring in Den Haag leert namelijk: belastingen
gaan zelden omlaag en niets is zo permanent als een tijdelijke
wet.
De voorzitter:
Ik kijk heel even naar de staatssecretaris om te zien hoelang hij wil
schorsen en of hij überhaupt wil schorsen.
Staatssecretaris Heijnen:
Wij willen wel graag schorsen. Er zijn een beperkt aantal vragen, maar
toch nog een behoorlijk aantal moties en amendementen. Is het mogelijk
dat wij om 11.30 uur weer beginnen?
De voorzitter:
Dat is wat mij betreft helemaal prima. Dan gaan we om 11.30 uur weer
verder. Ik kijk even naar de heer Vermeer, die nog een opmerking
heeft.
De heer Vermeer (BBB):
Over een kwartier begint ook het begrotingsdebat Binnenlandse Zaken. Ik
ga even kijken wat ik ga doen en hoe zich dat ontwikkelt. Het kan zijn
dat ik tijdens de beantwoording toch weg moet; dan verexcuseer ik
mijzelf nu vast, voorzitter.
De voorzitter:
Dan schorsen we nu de vergadering.
De vergadering wordt van 10.56 uur tot 11.29 uur geschorst.
De voorzitter:
Collega's, ik wil door met het debat, met jullie goedvinden. Ik geef het
woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin uiteraard met de vragen. Dat is toch
nog wel een behoorlijk aantal voor deze derde termijn. Ik doe daarna de
appreciatie van de amendementen en van de moties uiteraard.
Ik begin met de vraag van de heer Stultiens. Wanneer kan er nu wel een
toptarief 2028 worden ingevoerd? Het kan niet in 2029, maar wanneer kan
het dan wel? Ik kan daar helaas op dit moment niet meer over aangeven
dan dat deze structuurwijziging moet worden afgewogen ten opzichte van
de andere prioriteiten binnen de keten Inkomensheffing en nieuw beleid
voor de toekomst. Zoals uw Kamer bekend is, zijn er al veel wijzigingen
in voorbereiding. Ik noem maar even een verplichte
arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen, de digitalisering
van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven, en het fiscaal anders
belasten van de eenverdieners, de eenverdienersproblematiek. Dat zijn
allemaal prioriteiten die bij de nieuwe coalitie op tafel liggen. Het is
echt aan de nieuwe coalitie om daarin een prioriteitenafweging te maken.
Ik begrijp dat het antwoord onbevredigend is, maar helaas kan ik daar op
dit moment niet meer over zeggen.
Dan de bedragen. "Tien miljard in de eerste tien jaar", zei een van mijn
voorgangers. We hadden het in de pauze even over wie dat dan geweest zou
moeten zijn. Het klopt dat in het verleden inschattingen zijn gemaakt
van wat een volledige vermogenswinstbelasting kost. Ik heb het even op
laten zoeken. In de Kamerbrief van 22 september 2022 is het bedrag van
10 miljard genoemd, maar onder een aantal vereenvoudigde aannames en een
eerste hele ruwe globale indicatie. Deze inschatting is daarna ook niet
meer geactualiseerd. Ik heb toegezegd dat ik de Kamer via een technische
briefing graag meer inzicht geef in hoe die ramingen tot stand komen. Uw
Kamer zal dan ook zien dat een gedetailleerde raming voor alle
vermogensbestanddelen veel tijd kost. Duidelijk is wel dat er in lijn
met de eerste inschatting aanzienlijke incidentele budgettaire gevolgen
zijn van een volledige vermogenswinstbelasting.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze opheldering, of in elk geval voor de verwijzing naar de
brief van drie jaar geleden. Ik kijk uit naar de briefing. Wij allemaal,
denk ik. Het is wel goed om hier dan te constateren dat het verschil
tussen een volledige vermogensaanwas en een volledige vermogenswinst dus
minstens 50 miljard is. We hadden namelijk al die 40 miljard. Ik zie de
heer Grinwis nee schudden. Ik hoor graag zo meteen waarom dat niet zo
is. Het verschil tussen vermogensaanwas en wat er vandaag voorligt, is
40 miljard, en tussen wat er vandaag voorligt en vermogenswinst, is
minstens 10 miljard. Dus is het verschil tussen volledige
vermogensaanwas en volledige vermogenswinst minstens 50 miljard euro in
eenmalige budgettaire derving. Kan de staatssecretaris dat
bevestigen?
Staatssecretaris Heijnen:
We zijn bij het nieuwe stelsel uitgegaan van budgettaire neutraliteit.
Diverse Kamerleden kwamen daarop terug. Op het moment dat je een
volledige vermogensaanwasbelasting zou invoeren voor onroerende zaken —
daar zijn de berekeningen voor gemaakt — is dat 42 miljoen tot 2060, uit
mijn hoofd. Is dat dan derving? Ja, dat is misschien semantiek, maar dat
is minder opbrengst, uitgaande van de veronderstelling dat we
budgettaire neutraliteit willen. Voor wat betreft de 10 miljard: ik weet
niet of dat een minimaal bedrag is of dat dat minder is, maar dat zullen
toekomstige berekeningen uitwijzen.
Dan een vraag van de heer Grinwis: is voortgaan met die verbeterde
tegenbewijsregeling misschien niet beter dan dit nieuwe stelsel, omdat
het eindplaatje dan toch vermogenswinstbelasting zou moeten zijn, ook
volgens de coalitie? Ik moet heel eerlijk aangeven dat dit niet
overwogen is — dat was de vraag van de heer Grinwis — ook omdat uitstel
van invoering gewoon 2,4 miljard budgetderving per jaar oplevert. Ik zeg
daarbij dat het mogelijk is om de tegenbewijsregeling te verbeteren,
bijvoorbeeld via een kostenaftrek en verliesverrekening, maar dan zal
die budgettaire derving nog groter worden dan 2,4 miljard. Dus dat is
mijn antwoord op die vraag.
Verder heeft de heer Grinwis gevraagd of ik het percentage van 2,8% kan
bevestigen. Ik begrijp van mijn team dat ik dat niet kan bevestigen. Dit
moet nader uitgezocht worden op basis van recentere data. Op dit moment
kan ik daar niets over zeggen, maar zodra daarover meer bekend is bij de
Kamer zal ik u daar uiteraard over informeren.
Voorzitter. Dan de vraag van mevrouw Van Dijk over de wetsevaluatie
light. Het klopt inderdaad dat voor een goede evaluatie aangiftes over
meerdere jaren noodzakelijk zijn en daarom wordt zoals bekend ook
gekozen voor de termijn van vijf jaar. Ik heb wel veel sympathie voor
het verzoek van mevrouw Van Dijk, omdat ik het zelf ook belangrijk vind
om de vinger aan de pols te houden en dat uw Kamer erover geïnformeerd
wordt zodra er knelpunten ontstaan en daar eventueel actie op kan
ondernemen. Dan neem ik meteen de vraag van mevrouw Van Eijk mee, die
daarop reageerde in de trant van: wat het belastingjaar 2028 betreft
zouden we er begin 2029 het nodige van moeten weten. Wat de
Belastingdienst zal doen, is in 2029, volgens mij aan het begin van het
jaar, in de stand-van-zakenbrief dit soort aspecten en signalen
meenemen.
De voorzitter:
Dank u wel voor dit antwoord, maar u zegt "dit soort aspecten" en ik heb
wel behoefte om te weten wat er dan precies meegenomen wordt, zodat we
met elkaar in vervolgdebatten nog discussie kunnen voeren of we dit
voldoende vinden of dat we daar een uitbreiding op zouden willen.
Volgens mij komt er nog een brief. Zou dat niet in die brief opgenomen
kunnen worden?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat kan. Mevrouw Van Eijk vroeg mij om eens te onderzoek hoe een
tegenbewijsregeling van de vastgoedbijtelling eruit kan komen te zien.
Als ik het goed begrijp, was dat de vraag. Ik heb aangegeven dat er een
verkenning komt. Daar kunnen we dan ook in meenemen hoe een
tegenbewijsregeling eruit zou komen te zien. Ik snap die vraag zelf heel
goed. Dat heeft te maken met een zorg over de juridische
kwetsbaarheid.
Dan de vraag van de heer Vermeer — hij zit er nog — over TaxSolver. Dat
heeft, denk ik, wat minder met dit debat te maken, maar ik snap de vraag
van de heer Vermeer goed. Ik was daar zelf ook heel nieuwsgierig naar,
maar het is mij helaas niet gelukt om daar, in de korte tijd dat ik
staatssecretaris was, zelf een toelichting op te krijgen, simpelweg
omdat het model nog niet klaar is. Het is ook best een grote uitdaging.
Ik moet er wel bij aangeven dat TaxSolver met name gebouwd is om te
onderzoeken hoe de hervormingen van de belastingen in box 1 en de
toeslagen vorm kunnen krijgen. Uiteraard wordt de Kamer direct
geïnformeerd zodra alle stappen zijn afgerond. Wellicht dat het ook
meegenomen kan worden in de technische briefing over de ramingen, want
in feite heb je het over een raming. In onze kabinetsperiode zal dit
model niet gereed zijn. Ik neem aan dat het in de volgende
kabinetsperiode mogelijk wel gereed is.
De heer Vermeer (BBB):
Bedankt voor het antwoord, maar zegt die voorspelling iets over de
snelheid waarmee het klaar is of over de duur van het nieuwe
kabinet?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga ervan uit dat het kabinet vier jaar zit. Het zegt dus iets over de
snelheid waarmee het model klaar is.
Dan de vraag van mevrouw Van Eijk over de kapitaalverzekering: kan er
toch niet nog een keer overleg plaatsvinden met het Verbond van
Verzekeraars? Zij heeft namelijk signalen ontvangen dat dit voor hen
mogelijk toch een probleem zou kunnen zijn. Recent heeft ook van onze
kant overleg met het verbond plaatsgevonden. Toen gaf men aan dat zij
konden leven met de regeling zoals die nu is opgenomen. Ik kan, en mijn
opvolger zal, nogmaals met het verbond in overleg treden. Daarbij vinden
wij natuurlijk met name de uitvoeringsaspecten wel heel belangrijk; dat
wil ik wel aangeven.
Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de heffingskorting voor groen
beleggen. Zoals reeds eerder aangegeven betreft het een
structuurwijziging als we dat in het nieuwe stelsel zouden willen
opnemen. Hiervoor moet de aangifte worden uitgebreid met nieuwe
rubrieken; ook zal de berekening aangepast moeten worden. Daarnaast is
het van belang dat financiële instellingen in de gelegenheid worden
gesteld om deze gegevens tijdig aan de Belastingdienst te leveren. Ik
heb het al een aantal keer gehad over de verkenning. Desgewenst kan ik
de Belastingdienst vragen om te verkennen binnen welke termijn het
herintroduceren van een dergelijke heffingskorting voor groen beleggen
mogelijk is. Uiteraard moet er dan ook met een uitvoeringstoets getoetst
worden voordat er definitief uitsluitsel over de uitvoerbaarheid kan
worden gegeven. Uw Kamer zal hier dan in ieder geval voor Prinsjesdag,
dus voordat het Belastingplan er is, een brief over ontvangen.
De heer Grinwis vroeg of we het amendement over NSW toch niet dusdanig
kunnen aanpassen dat het amendement over box 3 kan worden uitgevoerd.
Volgens het amendement vindt de heffing plaats bij de vervreemder die
het landgoed niet meer onder zich heeft. Ons is nog onduidelijk hoe die
heffing bij de vervreemder wordt vormgegeven. Vandaar ook dat wij
aangeven dat het amendement op dit moment niet op uitvoerbaarheid
beoordeeld kan worden. Vandaar ook dat ik het amendement heb moeten
ontraden. Ik wil wel meegeven wat een beleidsmatig betere variant zou
zijn: een doorschuifregeling waarbij de oorspronkelijke
verkrijgingsprijs van de vervreemder wordt doorgeschoven naar de
verkrijger. Dat heeft als voordeel dat de Belastingdienst niet maximaal
25 jaar hoeft terug te kijken in de IB-gegevens van de vervreemder. Een
doorschuifregeling zou dus eventueel mogelijk zijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij zit dat laatste in het amendement, maar we gaan voor de
stemming nog wel met ambtelijke bijstand van Financiën naar het
amendement kijken. Bij mijn weten is het nu in het amendement zo
opgeschreven dat erfgenamen of begiftigden bij vererving de
rechtsverkrijgers zijn van de erflater of schenker en dat zij als
vervreemder in de zin van box 3 zouden kunnen worden beschouwd. Dat is
essentieel. Als dat inderdaad zo is, is er geen probleem met het
amendement. Als dat niet zo is, moeten we iets aanpassen. Ik weet dus
niet of het probleem dat de staatssecretaris schetst ook daadwerkelijk
een probleem is in het amendement zoals wij het hebben opgesteld.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik denk het wel, maar het is goed om hier nader naar te kijken. Op dit
moment hebben we voor de Wet IB geen doorschuifregeling in de NSW. Je
voldoet of je voldoet niet. Als je niet voldoet, ga je gewoon ib
betalen. Dat element zou nieuw zijn, of dat nu een herleving van de
aanslag bij de erflater is dan wel via een doorschuifregeling bij de
verkrijger. Vandaar dat wij die uitvoerbaarheid op dit moment niet echt
kunnen beoordelen, maar ik denk dat het goed is als hier voor dinsdag,
als er dan over het amendement gestemd wordt, nader overleg over
plaatsvindt.
Dan een vraag van de heer Vermeer. Ik kondig in mijn brief een onderzoek
naar een mogelijke oplossing voor NSW-landgoederen aan. De vraag is of
ik dat onderzoek ook voor pachtgronden kan doen. Ik kan de effecten van
het nieuwe stelsel en eventuele mogelijkheden voor een regeling,
inclusief budgettaire gevolgen en uitvoeringsgevolgen, ook voor
pachtgronden in kaart brengen. Dat zeg ik dus bij dezen toe. Ik geef de
heer Vermeer daarbij echter aan: dit is zodat een volgend kabinet hier
desgewenst een regeling voor kan opnemen bij een volgend
Belastingplan.
Dan een vraag van de heer Hoogeveen over de carry back, de achterwaartse
verliesverrekening. Hij vraagt zich af of de berekeningen wel kloppen en
hoe die precies zijn opgebouwd. We hebben de berekeningen voor de carry
forward, maar als we nu een carry back zouden invoeren, wat betekent dat
dan voor de berekeningen van de carry forward? Zo begrijp ik de vraag.
Het klopt inderdaad dat verliezen die achterwaarts worden verrekend,
niet meer voorwaarts kunnen worden verrekend. Dat is logisch. Daarom is
de raming van de structurele derving op hele lange termijn zo laag: in
2060 12 miljoen. In de eerste jaren na de invoering van het nieuwe
stelsel leidt een carry back wél tot een grote derving; dat heeft de
heer Hoogeveen ook gezien. Die derving is geraamd op 1,2 miljard. Zonder
achterwaartse verliesverrekening zouden in het geheel geen verliezen
kunnen worden berekend. Met achterwaartse verliesverrekening worden in
beginsel alle verliezen uit 2029 met het inkomen van 2028 verrekend.
Alleen in de situatie dat na verrekening met het inkomen uit 2028 nog
een verlies overblijft, wordt het resterende verlies voorwaarts
verrekend. Het verschil tussen geen enkele verliesverrekening en de
verrekening van in principe alle verliezen uit 2029 is groot. Dat
verklaart ook de grote derving in 2028. Het later invoeren van de carry
back zorgt daarentegen voor een minder grote derving, omdat de derving
van de carry forward ook afneemt. Maar de afname van de derving van de
carry back is langzaam. Ook een iets latere invoering van de carry back
zou tot een substantiële derving leiden. In die zin is er wel rekening
gehouden met de carry forward en zou de carry back tot een additionele
derving leiden van maximaal 1,2 miljard.
De heer Hoogeveen (JA21):
Als ik het goed begrijp, omvat de berekening die wij hebben gekregen ten
aanzien van ons amendement de gehele plaat van carry forward inclusief
carry back en is dat vervolgens met elkaar verrekend. Wat wij te zien
hebben gekregen, is wat er onder de streep staat.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt, zeg ik tegen de heer Hoogeveen. Zo heb ik dat ook
begrepen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Is het dan nog wel mogelijk om de volledige plaat voor ons te zien, dus
zonder de carry back, maar alleen met de carry forward? Dat is eigenlijk
wat ik net vroeg: de nullijn. Is het mogelijk om die alsnog te krijgen?
Dan kan ik het ook zelf een-op-een vergelijken en narekenen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga die vraag bij mijn team neerleggen. Daar komen we bij u op
terug.
Dan een vraag van de heer Stultiens: hoe kan het dat de kosten voor de
vermogenswinstbelasting voor vastgoed pas zo laat bekend zijn geworden?
De heer Stultiens heeft een terecht punt dat de kosten voor de
uitzondering van vastgoed niet zijn opgenomen in het wetsvoorstel.
Echter, in de Kamerbrief van 8 september 2023 is die budgettaire
informatie over de verschillen tussen belasting van onroerend goed op
basis van vermogensaanwas en op basis van vermogenswinst wel verschaft.
Bij het wetsvoorstel is dat niet gebeurd.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Voor de geschiedschrijving. Ik heb hier het toetsingskader bij de hand.
Daarin staat de zin: "De derving van deze uitzondering voor vastgoed kan
in de eerste jaren oplopen tot 1 miljard per jaar." Deze formulering
past niet bij een derving van 42 miljard. Volgens mij zijn we het daar
allemaal over eens. Ik zou de oproep aan de opvolger willen doen om de
volgende keer iets vollediger te zijn bij een toetsingskader, want dit
wekt de indruk dat het om een paar miljard gaat, en dat is echt een
ander verhaal dan 42 miljard.
Staatssecretaris Heijnen:
Genoteerd.
Dan het amendement van de heer Hoogeveen over de doorschuifregeling bij
trouwen en scheiden, dat ik in de brief heb ontraden. Ik kan de heer
Hoogeveen wel toezeggen dat de Belastingdienst de mogelijkheden en
gevolgen budgettair en wetstechnisch in kaart brengt en dat ik die in de
verkenning, zoals ik 'm eerder noemde, voor Prinsjesdag in een brief aan
de Kamer stuur.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank voor die toezegging. Alleen, mijn vraag ging ook over het jaartal,
dus per wanneer dat dan mogelijk zou zijn. Kan het ministerie dat in
kaart brengen?
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ben ik toch bang dat ik hetzelfde antwoord moet geven als ik eerder
gaf op een vraag over groen beleggen, namelijk: op dit moment kan dat
niet gezegd worden. Ook later dit jaar is dat moeilijk, denk ik, vanwege
alle andere prioriteiten binnen de keten inkomensheffing. Ik vind het
echt aan een volgend kabinet om te prioriteren waar we allemaal vorm aan
geven, dus wat men allemaal wil realiseren. Helaas kunnen we dat op dit
moment dus niet. Ik zeg heel eerlijk dat ik denk dat het ook later dit
jaar, voor Prinsjesdag, niet goed mogelijk zal zijn, maar dan is het
niet meer aan mij.
De voorzitter:
Heeft u ook een eindoordeel over het amendement of komt dat later?
Staatssecretaris Heijnen:
Aan de amendementen kom ik nu toe. Allereerst het amendement van de heer
Stultiens waarbij vermogensaanwas wordt belast in plaats van
vermogenswinst. Als we daarvoor zouden kiezen, dan zou dat bij een grote
ongerealiseerde waardestijging bij een aantal belastingplichtigen kunnen
leiden tot liquiditeitsproblemen. Er bestaat wel de mogelijkheid voor
een betalingsregeling, maar als die geen soelaas biedt, wat heel goed
mogelijk is, dan zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten
verkopen om de vermogensaanwasbelasting te kunnen voldoen. Hier komt nog
bij dat onroerende zaken, wellicht in tegenstelling tot aandelen, niet
altijd eenvoudig te verkopen zijn en dat additionele kosten ook nog een
rol spelen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Dat is een
van de redenen waarom is gekozen voor vermogenswinstbelasting voor
onroerende zaken. Daarom moet ik dit amendement ontraden.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Erkent de staatssecretaris dat de groep die in de problemen komt, die ik
ook zie, bestaat uit 4.000 mensen?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of dat 4.000 mensen zijn, maar wellicht kan meneer
Stultiens aangeven op basis waarvan hij die conclusie trekt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat is op basis van het toezichtkader van Financiën zelf. Dat zegt: als
we volledig vermogensaanwas zouden doen, dan komen er 4.000 mensen in de
problemen. Dat is voor mij een relevant gegeven. Ik noteer wel dat hier
dus voor 4.000 mensen een uitzondering wordt gemaakt van 40 miljard. Dat
betekent 10 miljoen euro per persoon. Dat is goed om te beseffen. Als er
aan de uitgavenkant 4.000 mensen in de problemen zouden komen, dan
zouden we nooit zeggen dat we 10 miljoen per persoon zouden uittrekken.
Ik vraag daarom of de staatssecretaris kan erkennen dat er veel
doelmatigere manieren zijn om deze 4.000 mensen te helpen dan met een
korting van 40 miljard.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Stultiens doet dat heel goed; hij geeft aan dat we voor
vermogenswinst van onroerend goed hebben gekozen om deze 4.000 mensen
ter wille te zijn, maar dat is natuurlijk niet het geval. We hebben voor
vermogenswinst gekozen vanuit het uitgangspunt van budgettaire
neutraliteit. Een additionele overweging daarbij — dat was de vraag van
de heer Stultiens — is dat kiezen voor vermogensaanwas budgettaire
gevolgen heeft en tot problemen leidt voor deze 4.000 mensen. Maar het
is niet zo dat er vanwege de problemen van die 4.000 mensen is gekozen
voor vermogenswinstbelasting voor onroerend goed.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Dat klopt en dat snap ik. Erkent de staatssecretaris ook of is
hij het eens met het eerdere toetsingskader van de ambtenaren dat dit
niet de meest doelmatige oplossing is? Hier staat over deze groep: een
uitstelfaciliteit is gerichter en daarmee doelmatiger. Daarmee is ons
amendement dus een stuk doelmatiger dan het wetsvoorstel van het kabinet
zelf.
Staatssecretaris Heijnen:
Nee, dat erken ik niet. Nogmaals, het uitgangspunt is
vermogenswinstbelasting. Dat is het uitgangspunt. De heer Stultiens wil
graag vermogensaanwasbelasting. Dat leidt tot betalingsproblemen en daar
zijn wellicht andere oplossingen voor mogelijk, maar dat is niet ons
uitgangspunt. Het uitgangspunt is vermogenswinstbelasting.
De voorzitter:
Echt tot slot, meneer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat matcht toch niet met het wetsvoorstel? Het wetsvoorstel kiest voor
het uitgangspunt vermogensaanwas, met twee uitzonderingen. De
staatssecretaris zegt dat het uitgangspunt vermogenswinstbelasting is.
Dan heeft een van ons twee de wet niet goed gelezen, want volgens mij is
het uitgangspunt vermogensaanwasbelasting met twee uitzonderingen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan heb ik de wet niet goed gelezen, denk ik, want de heer Stultiens
heeft de wet uiteraard wel goed gelezen. Het uitgangspunt zijn
vermogensaanwasbelasting, dus vermogens voor bepaalde liquide
vermogensbestanddelen, en vermogenswinstbelasting voor illiquide
bestanddelen, zijnde onroerende zaken en start-ups.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb een korte vraag. Wat ik mis in de appreciatie van de
staatssecretaris is het antwoord op de vraag of deze uitvoering
überhaupt kan, want dit amendement is nogal een ingrijpende aanpassing
van het wetsvoorstel. Iedere kleine wijziging die wij in de afgelopen
jaren hebben voorgesteld kan niet, mag niet en is ingewikkeld. Nu gaat
de staatssecretaris uitgebreid in op de budgettaire consequenties, maar
kan dit überhaupt voor 1 januari 2028?
Staatssecretaris Heijnen:
Dank voor deze vraag. Ik zeg heel eerlijk dat de uitvoerbaarheid op deze
termijn niet vast te stellen is. Vanwege de complexiteit is een
uitvoeringstoets nodig. Het zou heel goed kunnen dat daaruit blijkt dat
het niet uitvoerbaar is of in ieder geval niet met ingang van 1 januari
2028. Ik denk dat de Kamer zou moeten voorkomen dat een onuitvoerbaar
amendement in de wet terechtkomt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dit lokt natuurlijk een interruptie uit. Mocht de uitvoerbaarheid voor
mevrouw Van Eijk de doorslag geven, dan wil ik met liefde nog even
wachten met stemmen, maar ik vrees dat zij überhaupt tegen is. Voor het
verslag wil ik wel graag genoemd hebben dat de quickscan die wij kregen,
erkende dat het een vereenvoudiging is. Wij schrappen uitzonderingen.
Het amendement is dus doelmatiger, eenvoudiger en in onze ogen ook
rechtvaardiger. Ik denk niet dat het gaat leiden tot anders stemmen door
mevrouw Van Eijk, maar ik wil dit wel gezegd hebben voor het
verslag.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar het amendement van de heer ...
De voorzitter:
Het amendement is ontraden, neem ik aan.
Staatssecretaris Heijnen:
Ontraden, ja. Sorry, mevrouw de voorzitter.
Dan kom ik bij het amendement van Grinwis om een woning minder snel in
de categorie gemengd gebruik te laten vallen en de 90%-grens te
verlagen. Dit amendement heeft budgettaire gevolgen. Dat is logisch. In
principe is het bovendien ongedekt. Een vaste dagengrens zoals de heer
Grinwis vraagt, pakt onevenwichtig uit wanneer het eigendom van de
roerende zaak gedurende het jaar overgaat op een ander. Dan kan met dit
amendement de vastgoedbijtelling juist eerder van toepassing zijn. Ik
wil wel iets aangeven over de uitvoerbaarheid. Het opnemen van het
aantal dagen, 300, in de wet is een parameter en is uitvoerbaar, dus dat
kan wel. Vanwege de onevenwichtigheid bij gesplitst eigendom en vanwege
de budgettaire gevolgen die niet gedekt worden, moet ik dit amendement
echter ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 29 is ontraden. Dat vraagt om een reactie van
de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Is dat nadeel van een gesplitst eigendom gedurende een kalenderjaar niet
te ondervangen met een formulering in het amendement?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat weet ik niet, zeg ik heel eerlijk. Het is mogelijk dat het kan, maar
van de andere kant: onevenwichtigheid is één, want het is wel
uitvoerbaar. Het budgettaire aspect is daarmee echter nog niet
opgelost.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Erkent de staatssecretaris het probleem van met name de betaalbaar
verhuurde woningen met een hoge WOZ-waarde in bijvoorbeeld stedelijk
gebied? Als een verbouwing daar één weekje uitloopt, krijgen die een
veel hogere belastingaanslag, terwijl het in principe gewoon verhuurd
vastgoed is. Het is helemaal wrang als er ook nog eens wordt
verduurzaamd, waardoor de energiekosten van de volgende huurder
omlaaggaan. Dat zijn allemaal geen denkbeeldige scenario's. Dat is
gewoon reëel aan de hand bij het verhuren van huizen. Nagenoeg 328 dagen
per jaar kan op het moment van een huurdermutatie een scherpe eis
zijn.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Eerlijkheidshalve geef ik aan dat dat bij elke grens het
geval is. Elke grens leidt tot grensgevallen en tot mogelijk individueel
moeilijke situaties. Als een verbouwing 70 dagen duurt, zitten we ook
bij dit amendement in de problemen. We moeten dus een grens trekken en
elke grens leidt tot grensgevallen. Het is nu eenmaal niet anders.
Dan kom ik bij het amendement van Grinwis om het heffingsvrije resultaat
met €200 te verhogen en dat te dekken door het verkorten van de eerste
schijf in de schenk- en erfbelasting. De heer Grinwis past met zijn
amendement alleen parameters aan, zodat het uitvoerbaar is per 2028. Het
amendement is voorzien van een deugdelijke dekking. Ook zijn er geen
beleidsmatige bezwaren tegen dit amendement, dus ik geef het oordeel
Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 31 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan kom ik bij het amendement van de heer Hoogeveen over de
doorschuifregeling voor trouwen en scheiden. Ik heb daar in mijn
beantwoording van de vragen al een toezegging op gedaan. Ik hoop
eigenlijk dat dat voor de heer Hoogeveen voldoende is, want het
amendement moet ik ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 32 is ontraden.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat waren de amendementen. Dan ga ik naar de moties. De motie van de
heer Grinwis op stuk nr. 34 gaat over het onafhankelijk onderzoeken van
de nadelen van de leegwaarderatiocorrectie bij de beginwaarde bij
inwerkingtreding van het nieuwe box 3-stelsel en de Kamer daarover te
informeren voor het Belastingplan 2027. Ik kan deze motie oordeel Kamer
geven.
Dan de motie van de heer Vermeer over het plan van aanpak voor een
overgang naar vermogenswinstbelasting in box 3. Als ik de motie mag
uitleggen als een opdracht aan mijn opvolger om de verkenning en de
presentatie serieus te nemen, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.
Ik wil voorzichtig zijn, want formeel is dat natuurlijk aan mijn
opvolger. Als wij als kabinet door zouden zijn gegaan, wat niet het
geval is, dan zou ik de motie oordeel Kamer geven, maar daarom moet ik
die nu het oordeel ontijdig geven.
De voorzitter:
Is dat de motie op stuk nr. 35?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb het nummer nu niet bij de hand.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind dat wel wat ingewikkeld, want als er een opvolger is dan spreekt
die altijd ook namens de voorgangers. Volgens mij zit het huidige
kabinet er gewoon nog en voeren we dit debat vandaag. Volgende week
hebben we stemmingen hierover. De staatssecretaris kan en moet gewoon
reageren uitgaande van wat er mogelijk is. Hij zegt niet dat het
onmogelijk is. Hij ziet het zelfs als een aanmoediging. Om het dan
ontijdig te noemen, vind ik heel raar, want het is niet ontijdig. Wij
praten hier juist tijdig over. Het zou ontijdig zijn om dat over vier
weken te doen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de reactie van de heer Vermeer. Dit is de motie waarover wij
intern het langst gediscussieerd hebben. De heer Vermeer moet mij echt
geloven als ik zeg dat ik staatsrechtelijk gezien niet over mijn graf
heen mag regeren. We zitten met z'n allen in een twilightzone, een
schemerzone tussen het huidige demissionaire kabinet en het kabinet dat
eraan komt; dat is voor iedereen een beetje lastig, zeker ook voor mij.
Vandaar mijn beoordeling van de motie. Als het formeelrechtelijk zou
kunnen — dat kan als wij als kabinet door zouden gaan — zou ik het
oordeel Kamer kunnen geven. Maar staatsrechtelijk en formeelrechtelijk
kan ik op dit moment niet anders dan er de kwalificatie "ontijdig" aan
te geven. Dat laat onverlet dat u als Kamer natuurlijk helemaal vrij
bent om uw oordeel over deze motie te geven. Ik zou mij zomaar kunnen
voorstellen dat veel partijen voor deze motie stemmen, ook gezien de
plannen die inmiddels bekend zijn geworden.
De voorzitter:
Ik zie de heer Vermeer aarzelen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik snap de staatssecretaris en het spijt mij zeer dat ie niet doorgaat.
Tenminste, dat verwacht ik; ik heb de lijstjes nog niet gezien. Maar als
dit zo geldt, kunnen wij nu dan wel al die amendementen appreciëren, die
ook over de toekomst gaan, en die hele wet behandelen? Kan dat dan
wel?
Staatssecretaris Heijnen:
Eerlijkheidshalve denk ik dat hierin een onderscheid te maken is. Deze
motie gaat over de toekomst. De moties en amendementen die ik net heb
geapprecieerd, zien op het wetsvoorstel dat we nu bespreken. Die wet
gaat natuurlijk in de toekomst in, maar dit gaat niet over de toekomst.
Ik regeer hiermee niet over mijn graf. Ik zie dat eerlijk gezegd toch
wel anders.
De voorzitter:
Gaat u verder met uw appreciatie.
Staatssecretaris Heijnen:
De motie op stuk nr. 33, van de heer Grinwis, verzoekt een regeling uit
te werken waarin bij vererving of schenking de papieren waardestijging
van NSW-landgoederen niet wordt belast, mits de NSW-status 25 jaar wordt
behouden. Deze motie sluit aan bij de toezegging die ik in mijn
Kamerbrief van 22 januari heb gedaan. In die zin kan ik deze motie
oordeel Kamer geven.
Voorzitter, volgens mij heb ik dan alle amendementen, alle moties en
hopelijk alle vragen beantwoord.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik heb toch een vraag over de laatste motie, die volgens mij wat
verdergaat dan de toezegging, want die verzoekt de regering ook om het
in het Belastingplan op te nemen. Dat betekent volgens mij dat er een
budgettaire derving is. Die zie ik niet in de motie. Daarom vraag ik de
staatssecretaris waarom de motie oordeel Kamer krijgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Dat is heel scherp opgemerkt van de heer Oosterhuis. De motie
heeft inderdaad geen dekking. Daarom wil ik de verwachtingen temperen.
Ik kan niet namens mijn opvolger toezeggen dat het nieuwe kabinet met
een gedekt voorstel komt. Ik kan alleen maar aangeven dat ik deze motie
oordeel Kamer geef. Dan is het aan mijn opvolger om een voorstel te doen
en om, als hij of zij een voorstel doet, voor een gedekt voorstel te
zorgen.
De voorzitter:
Dank voor de beantwoording. O, mevrouw Van Eijk heeft nog een
vraag.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik ben in verwarring. Over welke motie gaat dit?
De voorzitter:
Over de motie op stuk nr. 33.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
O, de eerste motie. We zijn terug bij af.
Staatssecretaris Heijnen:
Sorry, ik heb het niet in de juiste volgorde gedaan.
De voorzitter:
Dank. Er zijn heel wat toezeggingen gedaan. Ik heb overleg gehad met de
griffie. Het leek ons goed om ervoor te zorgen dat de Kamer de
toezeggingen voor de stemmingen heeft, zodat men weet wat er precies is
toegezegd. Omdat het er nogal wat zijn, leek mij dat fijn voor het
overzicht van de Kamerleden. Op 10 februari zijn de stemmingen over de
moties en de amendementen en op 12 februari wordt er gestemd over het
wetsvoorstel.
Ik zie dat de staatssecretaris nog naar de interruptiemicrofoon grijpt.
Volgens mij wil hij nog wat zeggen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, voorzitter. Zoals bij u bekend, was dit mijn laatste debat. In die
zin is het wel mooi dat ik mijn staatssecretarisschap mag afsluiten met
een debat over de Wet werkelijk rendement box 3, ondanks het feit dat de
wet als zodanig minder mooi is. Ik wil de Kamer, de commissieleden
hartstikke bedanken voor de debatten die we hebben mogen voeren en voor
hun inbreng. Ik vind het heel jammer dat ik jullie nu niet meer tegenkom
in debatten. Uiteraard wens ik mijn opvolger, van welke partij die ook
mag komen — wie weet zit mijn opvolger wel aan deze tafel — heel veel
succes.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Daar wil ik toch nog een paar woorden aan toevoegen; die vrijheid neem
ik als voorzitter. Ook namens de Kamer heel hartelijk dank voor uw
constructieve en open houding en voor het meedenken. U krijgt zo'n wet
toch maar in uw schoot geworpen, dus veel waardering daarvoor. Zeker tot
ziens!
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik sluit de vergadering.
Sluiting 12.08 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|