Begroting Binnenlandse Zaken (36800-VII) (voortzetting) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D05818, datum: 2026-02-05, bijgewerkt: 2026-02-06 09:26, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-05 10:15: Begroting Binnenlandse Zaken (36800-VII) (voortzetting) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2026
Begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026 (36800-VII).
(Zie vergadering van 4 februari 2026.)
De voorzitter:
We hebben gisteren met elkaar de eerste termijn van de begroting van
Binnenlandse Zaken besproken. Er zijn een heel aantal vragen gesteld.
Het woord is nu aan de minister om daarop te reageren. Daarna vervolgen
we dit debat, dus we ronden ook de tweede termijn vandaag af.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op vragen, gesteld in eerste
termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Dat gezegd hebbende, nadat ik de minister welkom heb geheten in deze
Kamer, geef ik hem ook het woord. Ik zou hem willen vragen even
inzichtelijk te maken langs welke blokken of structuur de beantwoording
gaat verlopen. De minister.
Minister Rijkaart:
Voorzitter. Dank u wel voor uw welkom. Ik zal zo beginnen met een
inleidende tekst, waarna ik de amendementen die binnen zijn gekomen zal
appreciëren. Dat zal aan het einde van de termijn zijn. Allereerst wil
ik iedereen even de woorden van dank overbrengen van de staatssecretaris
voor de steunbetuigingen die hij heeft mogen ontvangen. Het doet hem en
zijn naasten erg goed om die van u te krijgen.
Voorzitter. Dank aan de leden voor de inbreng in de eerste termijn. Deze
begrotingsbehandeling vindt plaats op een ... We beginnen al.
De voorzitter:
Minister, een interruptie. We zijn nu wel heel benieuwd, meneer
Flach.
Minister Rijkaart:
Ik ben ook wel heel benieuwd.
De heer Flach (SGP):
Het kan aan mijn gehoor liggen, maar ik verwachtte een opsomming van wat
blokken. Ik hoorde alleen "inleiding" en daarna "appreciaties".
Daartussen zit niks, begrijp ik?
De voorzitter:
Goed punt. Goed punt. Minister, graag inzicht in de blokken waarlangs de
beantwoording plaatsvindt.
Minister Rijkaart:
Ik heb een inleidende tekst. Daarin zal ik een aantal dingen even
woordelijk behandelen, omdat ik daar graag even op terug wil komen naar
aanleiding van mijn schriftelijke beantwoording. Dan sluit ik af met een
appreciatie van de amendementen. Die werk ik dan een voor een af voor
u.
De voorzitter:
Daarmee stel ik vast dat er één blok is, meneer Flach.
Minister Rijkaart:
Er zijn eigenlijk twee blokken, of één groot blok.
De voorzitter:
Er is één blok. Ja. En er zijn de amendementen. Ik geef u het woord,
minister. De minister.
Minister Rijkaart:
Het houdt de gang er wel lekker in op die manier, voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Maar ik vind het wel prettig dat u pas spreekt nadat ik u het woord
geef. Dat gezegd hebbende, aan u het woord.
Minister Rijkaart:
Dank u wel, voorzitter. Deze begrotingsbehandeling vindt plaats op een
bijzonder moment. Terwijl we hier met elkaar spreken, staat achter de
schermen een nieuw kabinet klaar om eigen keuzes te maken. Daarom is het
van belang dat wij deze begroting zorgvuldig afronden, zodat mijn
opvolger kan voortbouwen op wat er ligt en zonder vertraging aan de gang
kan. Ik zal uw vragen zo goed mogelijk beantwoorden, met de
terughoudendheid die past bij deze fase. Mijn periode als minister was
kort, maar lang genoeg om te zien waar de prioriteiten liggen op de
verschillende beleidsterreinen van BZK. Vooraf wil ik daar drie
onderwerpen uitlichten die ons in deze Kamer verbinden, ongeacht de
politieke kleur. Ze raken aan het fundament van de samenleving.
Ten eerste is dat de bescherming van onze democratie en dan vooral de
mensen die daar hun nek voor uitsteken. Steeds meer lokale bestuurders
en volksvertegenwoordigers krijgen te maken met bedreiging en
intimidatie, bijvoorbeeld rondom de opvang van asielzoekers. Dat raakt
niet alleen henzelf, maar ook hun families en hun directe omgeving. Dat
heeft gevolgen voor hoe ons openbaar bestuur en de democratie
functioneren. Als voormalig raadslid en gedeputeerde gaat me dit aan het
hart. We moeten als overheid vierkant achter onze bestuurders staan. Het
is cruciaal dat mensen die een publieke taak uitvoeren, die taak kunnen
uitvoeren zonder dreiging of druk van buitenaf. Daarom bevat deze
begroting verschillende concrete maatregelen om bestuurders en
volksvertegenwoordigers beter te ondersteunen. Zo is 3 miljoen euro
beschikbaar gesteld om raadsvergaderingen veilig te laten verlopen, met
veiligheidsscans en protocollen die kosteloos beschikbaar zijn voor
raadsleden, wethouders en burgemeesters. Waar nodig zullen er ook
aanpassingen worden gedaan aan raadszalen, want juist in gemeenten en
provincies begint onze democratie. Juist daar moeten mensen die
democratisch zijn gekozen, kunnen waarmaken wat ze hebben beloofd aan de
burgers.
Dan het tweede onderwerp: de financiële positie van provincies en
gemeenten.
De voorzitter:
Minister, voordat u naar het tweede onderwerp gaat is er een interruptie
van mevrouw Bikker. Mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Nu de inleiding verschillende blokjes bevat, stap ik toch naar voren. Ik
dank de minister voor het benoemen: wij staan vierkant achter onze
decentrale bestuurders, de burgemeesters, de wethouders en de
raadsleden, juist ook als het pittig is om in de vuurlinie te staan. Wel
verwacht ik ook een reflectie van de minister op het volgende. Kijk, een
gemeenteraad heeft een eigen verantwoordelijkheid. Die is niet lager dan
het Rijk. Dat is gewoon een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid.
Het afgelopen jaar hebben we gezien dat een gemeenteraad soms een
beslissing nam en dat daartegen vervolgens hier vanuit de Kamer protest
werd gemaakt, waardoor gemeenteraadsleden, wethouders of burgemeesters
werden bedreigd. Hoe ziet de minister dat? Vindt hij ook dat hij op zo'n
moment normerend heeft op te treden?
Minister Rijkaart:
Op het moment dat dit soort praktijken plaatsvindt — die hebben we in
het verleden inderdaad gezien — heb ik dat ook afgekeurd en heb ik me
daartegen verzet. Ik ben zelf ook regelmatig naar de mensen toe gegaan
die dat ten deel viel. Ik heb contact met hen gezocht, wat zeer werd
gewaardeerd. Het is, denk ik, van belang dat we in onze democratie
onderkennen dat er inderdaad weliswaar verschillende bestuurslagen zijn,
maar dat als er vanuit die verschillende bestuurslagen op elkaar
gereageerd wordt, die reactie wel eenduidig dient te zijn. Je kan het
gemeenten niet kwalijk nemen dat zij vanuit hun eigenstandige positie
een beslissing nemen en daarmee bijvoorbeeld aan de wet voldoen. Soms
komt er dan vanuit de Kamer of vanuit onze publieke opinie een ander
geluid. Dat komt er niet vanuit het kabinet, want als kabinet hebben wij
het uitgangspunt: de wet is de wet en die moet gewoon gevolgd worden.
Als dat gaat conflicteren op lokaal niveau, maken we het die mensen daar
niet makkelijker. Ik heb dat meermaals gezegd en daar blijf ik voor
staan.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker met een vervolgvraag.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dat is goed om te horen, want ik heb toch te vaak burgemeesters,
wethouders en raadsleden gesproken die eigenlijk in hun hemd kwamen te
staan omdat er vanuit Den Haag andere signalen werden gegeven. Ik vind
het heel belangrijk dat deze mensen, die de wet proberen uit te voeren
maar het ook lokaal als democratische vertegenwoordiging eens zijn — ze
zijn daar gekozen — niet nog een keer uit Den Haag te horen krijgen dat
zij zich anders hadden moeten gedragen. Zij staan voor die publieke
zaak. Mijn vervolgvraag is dan wel of de minister de indruk heeft dat al
dit gedoe van de afgelopen tijd gevolgen heeft voor de beschikbaarheid
van mensen om deze ambten te vervullen.
Minister Rijkaart:
Ja, dat soort signalen krijg ik wel. Ik heb op dit moment nog niet de
indruk dat de beschikbaarheid heel hard terugloopt, maar ik krijg
inderdaad wel signalen dat mensen eraan twijfelen of ze zich beschikbaar
moeten stellen voor het ambt van burgemeester, wethouder, raadslid of
een ambt op provinciaal niveau. Dat vind ik zorgwekkende signalen. Wij
allemaal, het kabinet, de Kamer, het provinciaal bestuur en het
gemeentebestuur, hebben een rol om daarin een eenduidige lijn te
trekken. Ik heb altijd het volgende gezegd en dat is ook het
kabinetsstandpunt: de wet is de wet en een afspraak is een afspraak; die
voer je uit totdat we een nieuwe afspraak hebben. Daar moet je voor
staan. Je moet die mensen dus ook de steun geven om de beslissingen uit
te voeren. Gaat het zover dat de bedreigingen, de intimidaties — daar
hebben we het natuurlijk over — de beschikbaarheid aantasten? Ik krijg
daar signalen van. Die zijn zorgwekkend, maar nog niet zo zorgwekkend
dat ik denk dat we straks helemaal zonder zitten.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Bikker. Ook vandaag wil ik graag ruimte geven voor
interrupties, maar wel graag wat kortere, want dan hebben we een wat
levendiger debat.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
We kunnen hier niet gaan wachten tot er te weinig mensen beschikbaar
zijn. Ik zou de minister willen vragen om ervoor te zorgen dat hij in
zijn contact met partijvoorzitters en commissarissen van de Koning een
heel duidelijk beeld krijgt van de gevolgen daarvan in de afgelopen tijd
en dit beeld terug te geven aan deze Kamer. We kunnen ons namelijk niet
veroorloven dat er te weinig burgemeesters zijn of dat er nauwelijks
meer vrouwen solliciteren naar het ambt van burgemeester, om maar een
paar voorbeelden te noemen die ik de afgelopen tijd heb gehoord. Hoe
ziet de minister dat concreet voor zich? Wat zou zijn aanbeveling voor
zijn opvolger zijn, zeker nu?
Minister Rijkaart:
In die zin zijn mevrouw Bikker en ik het helemaal met elkaar eens. Ik
heb goed contact met de diverse partijen en inderdaad de commissarissen
van de Koning. Ik zal mijn opvolger dan ook aanbevelen om de goede
contacten die ik heb opgebouwd vooral voort te zetten en nog verder te
versterken, zeker om dit beeld zo snel mogelijk helder te krijgen en,
mocht zich dat ernstiger voordoen dan nu, daar eventueel op in te
grijpen.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Struijs had op dit punt een vraag aan de
minister.
De heer Struijs (50PLUS):
Mijn vraag ligt een beetje in het verlengde van die van mevrouw Bikker,
maar is toch iets specifieker. De VNG, burgemeesters en
gemeenteraadsleden geven aan dat ze behoefte hebben aan een intensievere
samenwerking met het landelijk stelsel bewaken en beveiligen. Het gaat
namelijk verder dan de raadszaal. Soms moeten gemeenteraadsleden helaas
zelfs thuis worden beveiligd. Dat geldt ook voor instellingen met
religieuze achtergronden. Ik wees gisteren al op de statische en
dynamische beveiliging. Is de minister bereid om die verkenning niet al
te vrijblijvend in te zetten om het stelsel van bewaken en beveiligen
voor een deel ook te laten landen in de gemeentes?
De voorzitter:
Overigens, meneer Struijs, wil ik naar aanleiding van de vraag die u
stelt, zeggen dat een aantal vragen die gisteren zijn gesteld,
schriftelijk zijn beantwoord. Ik zeg dit ook voor de mensen die dit
volgen. Vanochtend hebben we allemaal een brief met schriftelijke
antwoorden ontvangen, maar het staat eenieder natuurlijk vrij om daar in
het debat op terug te komen.
Minister Rijkaart:
Deze vraag was inderdaad al schriftelijk beantwoord. Dit gaat natuurlijk
over de portefeuille van mijn collega van JenV. Ik ken de zorgen en de
wensen van de heer Struijs. Ik zal die ook overbrengen aan de minister
van JenV. Het stelsel bewaken en beveiligen valt onder de NCTV en dus
onder JenV, maar ik ga uw zorg wel overbrengen.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma, ook op dit punt?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja, maar het risico is dat de vraag schriftelijk beantwoord is. Ik sluit
me even aan bij mevrouw Bikker. Zij gaf aan dat gemeenten en andere
overheden het misschien net iets anders doen dan wij verwachten. Ik wil
dit even omdraaien en daar wilde ik graag even een reflectie op van de
minister. Het kabinet moet ook staan voor de besluiten die hier zijn
genomen. Vindt de minister dat dat de afgelopen periode goed is gegaan?
Wat zou er beter kunnen om te voorkomen dat intimidatie en bedreigingen
door ons handelen hier komen?
Minister Rijkaart:
Ja, dan reflecteer ik even op mijn eigen handelen. Ik denk dat ik daar
in ruime mate invulling aan heb gegeven. Moet dat de komende periode
beter? Mogelijk is er nog ruimte voor versterking of verbetering, maar
dat is natuurlijk gewoon aan uw Kamer — die is nu netjes geïnstalleerd —
en mijn opvolgers, die, als het goed is, vanmiddag allemaal bekend
worden gemaakt.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma, een vervolgvraag.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dat is een nieuwtje. Nog even voor de minister: complimenten voor uw
handelen. Ik heb ook geluisterd naar wat u daarover heeft gezegd. Het
gaat mij om de kabinetseenheid. Dit kabinet heeft een aantal punten
geleerd en ik hoop dat dit door een volgend kabinet voortgezet kan
worden. Ik wilde dat hier toch nog even mededelen.
De voorzitter:
Dank u. Mevrouw Boelsma, wilt u via de voorzitter tegen de minister
spreken? Dat lijkt heel omslachtig, maar dat heeft een reden. Minister,
heeft u nog een reflectie op deze reflectie?
Minister Rijkaart:
Ik hoorde geen vraag, maar ik neem de opmerking ter harte. Ik wens u
vooral een goede voortzetting ermee.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Rijkaart:
Ik vervolg mijn betoog. Even kijken, het tweede onderwerp: de financiële
positie van provincies en gemeenten.
In de afgelopen periode heeft u daar terecht aandacht voor gevraagd. Ik
ben dan ook blij dat er, zoals de VNG stelt, op dit moment een
financieel werkbare situatie is ontstaan. Het is cruciaal dat er een
reële balans is tussen de taken en de middelen die gemeenten hebben.
Daarnaast moeten ze de benodigde bevoegdheden en uitvoeringskracht
hebben. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt,
bijvoorbeeld over jeugdzorg. Bij de Voorjaarsnota 2025 is bijna 3
miljard beschikbaar gesteld voor de jaren 2025 tot en met 2027. Daarmee
krijgen gemeenten meer ruimte om de stijgende kosten op te vangen.
Daarnaast zetten mijn collega's bij VWS samen met gemeenten stappen om
de maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd toekomstbestendiger te
maken, want jeugdzorg moet ook op de lange termijn betaalbaar en
uitvoerbaar blijven. Het is aan het nieuwe kabinet om ook de komende
periode met medeoverheden in gesprek te blijven om de balans tussen
taken en middelen te bewaken.
Dan het derde onderwerp: de betrokkenheid van mensen bij onze
democratie. Afgelopen november kozen Nederlanders een nieuwe Tweede
Kamer. In maart volgen dan de gemeenteraadsverkiezingen. Dat het
democratische proces goed verloopt, is iets om te koesteren, want het is
niet vanzelfsprekend. Wanneer het debat verhardt of mensen het gevoel
krijgen dat hun stem er niet toe doet, bestaat het risico dat ze
afhaken. Deze begroting draagt daarom bij aan een toegankelijk
democratisch proces en een publiek debat waarin ruimte is voor verschil
van mening, zonder dat mensen worden afgeschrikt. Zo steunen we
organisaties als ProDemos en Tienskip, die scholieren en jongeren leren
hoe onze democratie werkt en hen helpen bij het organiseren van eigen
initiatieven.
Voorzitter. Deze onderwerpen laten zien waar deze begroting over gaat.
Wat wij hier in Den Haag doen, kan alleen dankzij deze democratische
basis. Die moeten we op orde houden. Want democratie draait niet alleen
om rechten maar ook om verantwoordelijkheid. De heer Van den Brink zei
treffend in zijn maidenspeech: burgerrechten zijn voor niemand een
vrijbrief om bedreigingen te uiten of haat te verspreiden. Ook mevrouw
Boelsma-Hoekstra, mevrouw Huizenga en de heer Clemminck wil ik bedanken
voor het delen van hun drijfveren in hun maidenspeeches.
Dan kan ik het natuurlijk niet nalaten om kort te reflecteren op de
vraag van de heer Bosma. Hoe kijk ik als relatieve buitenstaander terug
op mijn periode als minister op het moederdepartement? Ik moet heel
eerlijk zeggen dat heel eventjes het citaat van een acteur door mijn
hoofd ging: "Do you want the truth? You can't handle the truth!" Maar zo
erg is het dan ook weer niet. Maar ik overweeg om een boek te schrijven,
dat ik dan online beschikbaar stel. Ik heb van iemand geleerd dat dat
best succesvol kan zijn. Ja, gratis, hoor ik iemand zeggen.
Voorzitter. Ik kan helder zijn. Vanaf dag één ben ik gesteund door
mensen uit alle hoeken van het ministerie. Ik ben onder de indruk van
hoe hard en plichtsgetrouw er wordt gewerkt. Naar mijn eigen rol kijk ik
eigenlijk vrij nuchter. Ik zeg vaak dat ik samen met alle ambtenaren
goed op de winkel heb gepast. Dat bedoel ik niet oneerbiedig. We hebben
samen gepast op onze democratie en ons openbaar bestuur, en daarmee op
alles wat dit land elke dag draaiende houdt, van raadzalen,
provinciehuizen tot aan de ministerraad. In de laatste fase van dit
kabinet was het vooral belangrijk om rust te brengen. Daar zijn we dan
toch met z'n allen in geslaagd.
Maar mag ik dan toch afsluiten met een kleine kanttekening? Het valt mij
op dat wij hier, in het huis van de volksvertegenwoordiging, soms erg
met onszelf bezig zijn, met moties, procedures en het politieke spel.
Natuurlijk hoort dat bij democratie. Tegelijkertijd vraagt die
voortdurende beschikbaarheid voor debatten veel van bewindspersonen en
hun departementen. Een kleine aanpassing in de systematiek van uw Kamer
en iets meer rust en regelmaat in ons aller vergaderschema zou volgens
mij iedereen de broodnodige tijd en ruimte geven, bijvoorbeeld om ons
gezicht meer in het land te laten zien. Dat is namelijk ook een wens die
binnen uw Kamer leeft. Eerder heb ik al aangegeven dat die wens om daar
invulling aan te geven ook heel sterk bij mij leeft. Ik heb hier eerder
een constructief gesprek over gehad met uw Voorzitter. Laten we niet
vergeten dat het uiteindelijk niet om het debat op zichzelf gaat, maar
om wat we samen voor elkaar krijgen om de mensen in Nederland echt te
helpen.
Ik zie iemand voorzichtig richting de interruptiemicrofoon lopen,
voorzitter.
De voorzitter:
Ik wilde even het einde van uw reflectie … Dit was het einde?
Minister Rijkaart:
Dit was het einde. Ik zou nu overgaan tot de appreciatie van de
amendementen, voorzitter.
De voorzitter:
Oké. Dan geef ik het woord aan de heer Bosma.
De heer Martin Bosma (PVV):
Ik stel vast dat dit debat wel heel snel gaat. Dan zijn we over tien
minuten gewoon klaar en staan we buiten. Dat mag, hoor, prima. Ik stelde
die vraag, een heel open vraag, vanaf het spreekgestoelte. Ik keek
vanuit mijn ooghoeken naar deze minister toen ik hem vroeg: hoe is het
nou om als buitenstaander hier te komen aanvliegen? Wat zijn dan je
indrukken? Toen zag ik de minister een beetje glunderen en meteen
aantekeningen maken. Hij zit natuurlijk in een prachtige positie. De
minister staat over een week of misschien twee weken buiten. Hij is
waarschijnlijk al bezig met het inpakken van zijn foto's. Wat zijn nou
zijn indrukken? Je komt binnen in zo'n ministerie — wow! — je meldt je
aan bij de portier, en die zegt: wat kan ik voor u doen? Je zegt: nou,
ik word minister. Dan kom je binnen. En dan? Wat maak je dan mee, hoe is
dat en wat zie je dan?
De voorzitter:
De vraag is helder.
De heer Martin Bosma (PVV):
Wat zijn je observaties, gewoon uit de losse pols? Vertel eens.
Minister Rijkaart:
Dan kom je hier in een wondere wereld. Ik kwam natuurlijk vanuit de
provincie. Als provinciaal bestuurder is het zaaltje kleiner. Hier in de
Kamer zag ik dus een hele hoop dingen. Indachtig de gedachte van mevrouw
Bikker destijds — hoe gaan we hier nu met elkaar om? — en de 4%
verwonderde ik me er weleens over wat er allemaal naar elkaar gezegd en
geroepen werd. Toen ik in de wondere wereld van het departement kwam,
heb ik eigenlijk alleen maar zeer hardwerkende ambtenaren gezien, die
mij hier hebben opgevangen. Die hadden toch in hoge mate tot doel a de
samenleving te dienen en b de minister overeind te houden. Er komt
namelijk nogal wat op je af als je minister wordt. Ik gun iedereen een
keer die ervaring, want het is een fantastische ervaring geweest, maar
soms is het echt veel. Dan vragen we heel veel van elkaar en gooien we
heel veel over elkaar uit waarvan ik me afvraag: is dat in een
intermenselijke verhouding nog binnen de grenzen van redelijkheid?
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Bosma.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dan komt de minister aan met hoe het hier in de Tweede Kamer gaat. Ja,
dat kunnen wij zelf ook wel zien. Dat weten we wel, maar ik vraag me
gewoon af hoe het nou is om minister te zijn. Je zit gewoon lekker
thuis, je wordt, misschien door Caroline van der Plas, gebeld of je
minister wil worden, je valt van je stoel en je zegt: "Is het 1 april?
Word ik in de maling genomen?" En een of twee dagen later rij je zo'n
ministerie binnen. Dan maak je allemaal dingen mee. Misschien is het een
jongensboek en misschien denk je: wat heb ik nou aan mijn fiets hangen
en hoe werkt dit? Hoe gaat het bijvoorbeeld met de lokale democratieën?
Hoe interacteert dat allemaal? Wat zijn de observaties van zo'n
minister, die even wordt ingevlogen en over een of twee weken weer wordt
uitgevlogen?
Minister Rijkaart:
Eigenlijk vat de heer Bosma het heel goed samen. Hij zegt dat ik
waarschijnlijk de foto's al heb ingepakt, maar ik heb niet eens tijd
gehad om die uit te pakken, meneer Bosma. Dat dus niet. Ik werd
inderdaad gebeld door Caroline van der Plas. Ik stond op dat moment op
een boerenbijeenkomst. Dan moet je inderdaad even gaan zitten. Dan wordt
er gezegd: u mag er nog een nachtje over slapen. Dat nachtje slapen gaat
vrij slecht, kan ik u vertellen. Dan ga je gewoon de mallemolen in. Is
het inderdaad een jongensboek? Kijk naar mijn carrière. Nog geen vier
jaar geleden was ik nog lid van het wonderschone politiekorps
Haaglanden. Dan word je gevraagd om gedeputeerde te worden. Dan weet je
al niet wat je overkomt. Als je dan eenmaal net lekker bezig bent, twee
jaar onderweg en geland, word je gebeld of je minister wil worden. Nou,
je pleurt niet van je stoel, dat niet, maar het was wel even twee tellen
stil. Ja, dan ga je nadenken over die eervolle vraag en zeg je daar ja
op. Dan ga je eigenlijk gewoon in de vaart der volkeren mee, in een
totale achtbaan. Als ik er zo op terugkijk, is het een jongensboek.
De voorzitter:
Ik weet niet of de heer Bosma helemaal tevreden is, maar u kunt altijd
een kopje koffie met elkaar gaan drinken. U kunt misschien nog samen
lunchen vandaag. Dan kan alle inside-information nog gedeeld worden.
De heer Flach (SGP):
Volgens mij gaan we een enorm gat in de plenaire agenda krijgen. Ik had
niet verwacht dat het zo kort zou duren. Ik had over twee onderwerpen
nog een vraag willen stellen, dus ik zou uw toestemming willen vragen om
dat in twee blokjes te doen, voorzitter. Misschien is het niet nodig,
maar ik zal er geen misbruik van maken.
De voorzitter:
Oké. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
De eerste vraag gaat over het dorp Moerdijk. Daar heb ik een vraag over
gesteld. Die ging niet zozeer over het besluit of het verdwijnen van het
dorp; daar is al genoeg over gezegd. Ik heb specifiek aandacht gevraagd
voor kwetsbare dingen zoals een begraafplaats, waar vaders, moeders en
kinderen begraven liggen. Ik heb gevraagd of het voorstelbaar is dat dat
soort dingen behouden blijven. De minister heeft in de schriftelijke
beantwoording terugverwezen naar het hele formeel antwoord dat de
gemeente daarover gaat. Ja, dat snap ik. Formeel is dat zo, maar het
Rijk gaat straks voorwaarden bekendmaken waaronder het al dan niet het
dorp wil laten verdwijnen. Ik zou een dringende oproep willen doen om
juist ook vanuit het Rijk zorgvuldigheid te betrachten wat betreft
monumentaal erfgoed en zaken als begraafplaatsen, waarvan er twee zijn
in het dorp.
Minister Rijkaart:
Monumentaal erfgoed valt natuurlijk niet direct onder mijn portefeuille,
maar ik herken de zorg van de heer Flach. Dat zijn natuurlijk gewoon
gebouwen en plekken waar mensen hun geschiedenis hebben liggen en waar
ze een enorme emotionele binding mee hebben. Het is inderdaad een heel
formele uitspraak om te zeggen dat daar waar het een begraafplaats is,
het een begraafplaats blijft zolang daar graven zijn gesitueerd tenzij
er een bestemmingswijziging plaatsvindt. Ik kan me indenken dat mensen
die vraag stellen. Het ligt natuurlijk primair bij een gemeenteraad,
maar ik wijs mijn opvolger en mijn collega's er wel op dat er goed
aandacht moet zijn voor juist dit soort plekken, waar mensen echt een
binding mee hebben, en voor de zorgvuldige afwikkeling van het proces op
het moment dat je een dorp laat verdwijnen.
De voorzitter:
Meneer Flach, heeft u een vervolgvraag op dit punt?
De heer Flach (SGP):
Nee. Dank voor dit antwoord. Dan wil ik door naar het volgende
onderwerp. Dat betreft de vraag die ik heb gesteld over het onder druk
staan van klassieke vrijheden. In het schriftelijke antwoord wordt
vooral ingegaan op demonstraties, terwijl ik juist ook voor een aantal
andere klassieke vrijheden aandacht heb gevraagd, bijvoorbeeld de
situatie rond meneer De Wal in Tilburg en het optreden van de
burgemeester daar. Daar zie je toch dat het recht op vrijheid van
vergadering en de godsdienstvrijheid op dat moment onder druk staan. De
kwestie is veel breder dan alleen het demonstratierecht en het
aangekondigde WODC-onderzoek. Het gaat, breder, om de vraag hoe we in
Nederland met elkaar met klassieke vrijheden omgaan. Ik heb een
voorbeeld genoemd van een gemeenteraadslid dat opmerkingen maakte die
meer in de categorie "verschil van smaak" vallen dan dat het over
klassieke vrijheden gaat. Zou de minister nog eens even wat uitgebreider
willen reflecteren op de waarde van klassieke vrijheden en hoe hij erin
staat als hoeder van die vrijheden?
Minister Rijkaart:
Ik sta nog steeds voor klassieke vrijheden die gewoon onder mijn
departement vallen. Dat hebben we met elkaar nu eenmaal zo afgesproken.
Sommige zaken worden echter wel elders, op een ander niveau, geregeld;
dat is heel formeel. Daar moet je, denk ik, als kabinet en als regering
ook niet te veel in willen treden, omdat we dat op die manier hebben
geregeld. Natuurlijk staan sommige vrijheden onder druk; dat erken ik
ook wel. Daar moeten we aandacht voor hebben en blijven houden, omdat
die de basis zijn waarop we onze samenleving hebben georganiseerd. Op
het moment dat je daar afstand van neemt, ben je voorzichtig al bezig
met een glijdende schaal. Dat moeten we met z'n allen niet willen, denk
ik.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dank voor dit antwoord. Tegelijkertijd zie ik dat die vrijheden onder
druk staan; ik heb twee voorbeelden genoemd: uit Utrecht en uit Tilburg.
Burgemeesters handelen op een bepaalde manier die meer wordt ingegeven
door smaak wat betreft de inhoud van datgene wat er plaatsvindt, dan dat
ze puur vanuit de rol als hoeder van klassieke vrijheden handelen. Mijn
vraag aan de minister, die ik toch een beetje als overkoepelend hoeder
daarvan zie, is: heeft hij — of gaat hij ook aan zijn opvolger aanraden
om dat te doen — daar regelmatig gesprekken over met burgemeesters? Dan
is het punt: let op, beste mensen, we zien in toenemende mate dat smaak
dominant wordt in afwegingen. Je mag van dingen griezelen en je mag ze
verschrikkelijk vinden, maar we hebben in dit land vrijheden en die zijn
juist van belang als er iets aan de hand is waarvan een aantal mensen
zeggen dat het niet moet kunnen. Pakt de minister die rol?
Minister Rijkaart:
Op dit moment hebben we daar natuurlijk gesprekken over, ook vaak in de
kantlijn van een van de vele bijeenkomsten die ik bezoek. Daar komen dit
soort gesprekken wel voor. We voeren die gesprekken niet in formele zin.
We wijzen de diverse gremia op hun rol op het moment dat dit soort
casussen rond vrijheden zich aandienen, en geven aan dat deze echt op
het lokale niveau geduid moeten worden. Soms gaat dat zo ver dat het
Openbaar Ministerie bijvoorbeeld ook een mening geeft over de keuze die
er dan gemaakt is. Dan is het aan de lokale besturen om daar verder mee
te gaan. Als minister wil ik daar op dit moment nog niet tussen gaan
zitten; daar zie ik nog geen aanleiding toe. Ik herken echter wel het
onder druk staan van de klassieke vrijheden die we hier kennen.
De voorzitter:
Meneer Flach, tot slot op dit punt.
De heer Flach (SGP):
Afrondend, voorzitter, toch even het volgende. De minister noemt
zichzelf de hoeder van de klassieke vrijheden. Op welke manier vult hij
dit dan wél in? Wat moet er dan gebeuren voordat hij hier wel een
actieve rol in gaat nemen? Ik snap heel goed dat lokale overheden
primair in de lead zijn, maar ik heb een paar serieuze voorbeelden
genoemd, die ook behoorlijk wat publiciteit hebben gehad. Wanneer grijpt
hij dan wel in?
Minister Rijkaart:
Ik denk dat het moment om in te grijpen echt afhangt van de individuele
casus en de afronding daarvan. Als er op lokaal niveau nog debatten
plaatsvinden en de casussen nog worden uitgediept, of als er
bijvoorbeeld nog zaken onder de rechter zijn, dan is het niet aan deze
minister om daar nu al in te treden. Dat moet je echt pas doen op het
laatste moment, als alle feiten en omstandigheden helder zijn. Dat is de
systematiek die ik aanhang; die heb ik dan meegenomen vanuit, zeg maar,
mijn verleden: eerst de feiten en omstandigheden helder en dan pas een
eventuele reactie.
Mevrouw Beckerman (SP):
De Rijksoverheid heeft fantastische mensen in dienst. Ik heb speciaal
aandacht gevraagd voor mensen in lagere salarisschalen, bijvoorbeeld
schoonmakers, gevangenispersoneel, mensen van de Douane, beveiligers en
mensen hier in het restaurant. Ik wil vanavond ook heel graag terug naar
huis, naar Groningen. Ik heb dus Rijkswaterstaat en de mensen die de weg
ijzelvrij maken, heel hard nodig. Die mensen zijn wel op de nullijn
gezet, terwijl de kosten voor het levensonderhoud stijgen: de huren, de
boodschappen, de energie. Als het aan het nieuwe kabinet ligt, geldt dat
ook nog voor het eigen risico. Hoe wenselijk vindt de minister deze
nullijn voor deze onmisbare ambtenaren?
Minister Rijkaart:
Laat ik vooropstellen dat ik volledig onderken dat deze ambtenaren
volledig onmisbaar zijn. In mijn hele carrière heb ik diverse groepen
van deze onmisbare ambtenaren zelf doorlopen. Dat is mijn meerwaarde in
deze Kamer. Ik heb mij echter te houden aan de afspraken die we als
kabinet met elkaar gemaakt hebben. Een daarvan is inderdaad die nullijn.
Wel is er een doorzicht gegeven naar het jaar daarop. Juist met de
onderdelen die zitten in FUWA-Rijk, waarvan ik een groot voorstander ben
en waarbij we als kabinet een doorzicht hebben gegeven wat betreft welke
kant dat op zou moeten gaan, zijn deze bevolkingsgroepen expliciet
genoemd. Ik heb, gezien het eindigen van mijn termijn, wel de indruk dat
mijn opvolger hiermee verder zal moeten gaan. Daarmee rust dan ook een
behoorlijke verantwoordelijkheid op zijn of haar schouders.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik vind het mooi dat de minister zelf die meerwaarde ziet. Hij zegt: ik
ben eigenlijk een van deze mensen. Dat maakt het juist zo wrang. Daarom
vraag ik het de minister nog eens. Hij kan nu wel zeggen dat het aan
zijn opvolger is, maar zou hij niet meer ruimte willen creëren om juist
voor deze groepen te zorgen dat die onderhandelingen weer kunnen
starten? Dat kan nu namelijk gewoon niet.
Minister Rijkaart:
Dan kom ik toch terug op wat ik net al zei: een afspraak geldt totdat we
een nieuwe afspraak hebben. Hoe wrang het ook is, die afspraak is de
nullijn. Met mijn achtergrond herken ik wel wat deze mensen doormaken.
Dat is de meerwaarde die ik meegegeven heb aan mijn huidige collega's.
Een aantal van hen gaat ongetwijfeld ook nog mee in de volgende ronde.
Ik hoop dat zij goed nota hebben genomen van wat ik uit de eerste hand
met hen heb gedeeld over wat het effect kan zijn van een nullijn. Maar
die nullijn staat, want dat is nu eenmaal de afspraak die wij hebben.
Het is aan een volgend kabinet om daar eventueel nadere afspraken over
te maken.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
"Ik weet wat deze mensen doormaken" klinkt heel empathisch, maar het is
iets wat deze minister deze mensen aandoet, letterlijk. Het is
letterlijk een afspraak van dit kabinet. Je kunt altijd naar je
opvolgers kijken en je kunt altijd naar je voorgangers kijken, maar het
is dít kabinet dat tegen deze mensen zegt: jammer dan; u krijgt er niks
bij terwijl uw kosten enorm hard stijgen. Als ik de minister dan toch
mag uitdagen om nog één keer op te komen voor deze mensen, waarvan hij
er zelf zegt één te zijn, wat zou dan zijn oproep zijn, desnoods aan
deze Kamer, om te doen? Want we kunnen deze begroting nog wijzigen; dat
weet de minister ook. Wat er nu gebeurt is heel pijnlijk voor deze
onmisbare ambtenaren.
De voorzitter:
Helder.
Minister Rijkaart:
Dan wordt toch aan mij gevraagd om nu bij wijze van spreken eigenstandig
het regeerakkoord open te breken. Ik denk dat de spreker zelf wel weet
dat dat niet aan mij is, hoe wrang dat ook is. Wat zou dan de suggestie
zijn aan u als Kamer? U zult toch met mijn opvolgers in gesprek moeten
gaan om te kijken wat de mogelijkheden dan zijn. Op dit moment zijn we
gewoon gebonden aan het regeerakkoord dat er ligt.
De voorzitter:
Ik zag eerst mevrouw Boelsma en dan mevrouw Kröger.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
In de antwoorden op de vragen die ik aan de minister had gesteld, staat:
"Onderdeel van de uitvoering van het rapport Elke regio Telt! is ook de
doorontwikkeling van de beleids- en investeringslogica waarin we als
Rijk gezamenlijk kijken naar passend rijksbeleid met aandacht voor
regionale verschillen en brede welvaart." Ik zou de minister willen
vragen waar het nu op vastloopt, want het is nog niet geregeld. Wat
zouden wij kunnen inbrengen om dit wel te kunnen regelen in de volgende
kabinetsperiode?
Minister Rijkaart:
Dit zal ik nader uitwerken. Daar kom ik dan in mijn tweede termijn op
terug. Er zit namelijk nog wel een verhaal achter.
De voorzitter:
Oké. Dat hebben we genoteerd. Mevrouw Bikker rent naar de
interruptiemicrofoon. Als ik het goed begrijp, minister, wilde u gaan
starten met de appreciatie van de amendementen. Klopt dat?
Minister Rijkaart:
Ja, dat is wat ik voorstelde.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk iedereen indringend aan. Ja, mevrouw Kröger, ik had gezegd
u het woord te geven na mevrouw Boelsma. U komt allemaal langs; we
hebben tijd.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Het komt allemaal goed.
De voorzitter:
Het komt allemaal goed.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik wil toch nog iets vragen in aanvulling op de interruptie van mevrouw
Beckerman over de nullijn. Ik hoor de bevestiging van hoe pijnlijk en
wrang het is — het woord "wrang" wordt genoemd — maar het gaat
natuurlijk ook om een gigantisch risico, namelijk dat we een hele grote
uitstroom van mensen in cruciale sectoren gaan zien. Dan hebben we het
over de politie, de marechaussee en de Douane. Die zijn cruciaal. Kunt u
schetsen wat dat risico nou eigenlijk gaat betekenen?
Minister Rijkaart:
Op dit moment is de indruk dat wij in de bestaande situatie nog steeds
een aantrekkelijke werkgever zijn, althans voor het gedeelte waar wij
over gaan. We onderkennen dat deze mensen zomaar een ander vak zouden
kunnen kiezen of inderdaad uit zouden kunnen stromen. Op dit moment
lijkt de schade nog beperkt, maar in de toekomst, als je dit jaren vol
zou houden, zou het inderdaad wel een risico kunnen zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dan hoor ik de minister eigenlijk zeggen dat dit beleid absoluut niet
toekomstbestendig is, aangezien we in de toekomst dus aanlopen tegen een
uitstroom van mensen in cruciale beroepen, die ons land draaiende
houden. Is de oproep van de minister dan dat de lijn die ingezet is,
niet toekomstbestendig is?
Minister Rijkaart:
Nee, dat is niet het geval. Hetgeen wij nu hebben ingezet is weliswaar
een nullijn voor het komende jaar, maar we hebben wel een doorkijk
gegeven voor het jaar daarop, met inderdaad de invoering van het
functiewaarderingssysteem, om juist deze cruciale groepen toch te
ondersteunen. Dit beleid kan daarmee dus gewoon voortgaan. Mocht je in
de toekomst — dit is puur hypothetisch gesproken — echt structureel,
jaar op jaar op jaar een nullijn doorvoeren, dan gaat het risico dat u
schetst, zich natuurlijk wel voordoen. Dat kan iedereen aan zijn water
voelen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik mis hier echt de erkenning van wat de nullijn nu al kan doen qua
risico op uitstroom en wat dat betekent voor onze diensten. Dan vraag ik
toch de minister waarop hij zich beroept om te zeggen dat dit risico nu
niet aanwezig zou zijn.
Minister Rijkaart:
Ik heb niet gezegd dat het risico niet aanwezig is; dat risico kan
terdege ontstaan. Alleen, op dit moment hebben wij nog geen indruk dat
er echt een massale uitstroom plaatsvindt. Dat is hoe ik ertegen
aankijk.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker heeft nog een vraag voor u.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Eigenlijk heb ik een klein puntje van orde. Gaat de minister nog meer
zeggen over de regio of gaat het alleen maar over de amendementen,
waarin dat nauwelijks aan de orde is?
De voorzitter:
De minister gaat alleen nog maar de amendementen appreciëren. Als de
regio daarin niet wordt geadresseerd, is dit het moment om nog een vraag
over de regio te stellen, want dan zijn de gestelde vragen schriftelijk
beantwoord. Het is aan u of u dat een goede manier vindt. Dus aan u het
woord.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
U brengt mij in een enorm ingewikkelde situatie, voorzitter, want ik zou
ook nog wat willen zeggen over de lonen bij de rijksdiensten. Mag ik dan
... De inleiding was namelijk zo kort. Zo heb ik ietsje meer tijd. Ik
denk dat ik het red in drie, maar misschien niet.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik begin nog even met de lonen. Vorige week, of de week ervoor alweer,
is hier de begroting van Justitie behandeld. Het ging daarbij uitgebreid
over de arbeidstekorten in het gevangeniswezen. De staatssecretaris gaf
daarbij aan dat ook de onderhandelingen daarover stroef lopen. Ik bemoei
me nooit met de onderhandelingen, want dat is tussen de bonden en de
werkgever. Het is als Kamer altijd uitkijken voor het moment waarop je
inspringt, vind ik. Maar wat ik wel belangrijk vind, is het volgende.
Als we de leegloop van het gevangenispersoneel extra hard zien gaan,
bijvoorbeeld naar het particuliere beveiligingswezen, kan het niet zo
zijn dat de grote nullijn eigenlijk betekent dat we zo'n grote dienst
als DJI in de kou zetten. Hoe ziet de minister dat?
De voorzitter:
Dat mag.
Minister Rijkaart:
Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik niet bekend ben met het
doemscenario dat hier geschetst wordt. Daar zal ik mij dus nader over
moeten laten informeren. Maar zoals ik al zei: als een nadere uitstroom
zich voordoet, zullen we, om die uitstroom te voorkomen, toch moeten
bekijken hoe we het personeel binnenhouden. Die diensten zijn namelijk
cruciaal en kunnen aan het eind van de rit natuurlijk niet omvallen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag op dit punt van mevrouw Bikker.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Afrondend, als het goed is. Dan kan ik daarna nog iets vragen over de
regio. Het is goed om te horen dat de minister oog en oor wil hebben
voor de nood daar. De staatssecretaris verwees expliciet naar de
minister van Binnenlandse Zaken, omdat de cao-onderhandelingen van het
overheidspersoneel onder zijn vleugels vallen. Zou de minister willen
toezeggen dat hij op dit punt nader schriftelijk reageert, ook over de
cijfers en wat die betekenen?
Minister Rijkaart:
Dat zal ik even na moeten vragen bij mijn collega. Ik moet die cijfers
even opvragen. Als het mogelijk is, wil ik dat doen. Hij verwijst
natuurlijk naar de nullijn en de onderhandelingen, maar de status is
momenteel dat de bonden hebben gezegd: wij schorten de onderhandelingen
op. Maar wij zijn als overheid gewoon nog steeds bereid om te
praten.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Het ging er met name om dat de Kamer zei: misschien moeten we een aparte
cao voor het gevangeniswezen ontwikkelen, zodat we deze mensen vast
kunnen houden. Ik kan mij voorstellen dat de minister zich er even in
wil verdiepen. Ik wil hem echt niet in de problemen brengen, maar ik zou
het graag schriftelijk ontvangen.
De voorzitter:
Een aparte cao.
Minister Rijkaart:
Als de vraag hier echt is of de minister bereid is om een aparte cao
voor het gevangeniswezen te maken, gaat dat op dit moment echt ver
buiten mijn bevoegdheid hier. Dat moet echt nader uitgediept worden, en
dat is ook echt aan mijn opvolger, want dat heeft hele forse
implicaties. Het gaat om een hele grote groep mensen.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker vraagt of er een schriftelijk antwoord op kan komen.
Minister Rijkaart:
Daar wil ik een schriftelijk antwoord op geven. Dat zal waarschijnlijk
in deze lijn zijn.
De voorzitter:
Precies. Ze wil ook weten wat het kader daarvoor is.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik vroeg allermeest om het volgende erbij te betrekken. De minister zei
eerst in de beantwoording: als de uitstroom groot en zorgwekkend is,
zullen we misschien andere stappen moeten zetten. Ik wil echt niet in de
onderhandelingspositie van het Rijk komen, maar ik heb de zorg dat de
uitstroom bij het gevangeniswezen te hard gaat en dat we als we dan druk
zijn met de hele nullijn, geen oog hebben voor wat daar de gevolgen van
zijn. Ik zou dus heel graag een iets explicietere brief hebben.
Dan de regio. Ik had u beloofd dat ik dat zou proberen te comprimeren.
Ik maak me er zorgen over dat we de regio keer op keer plannen laten
maken en dan zeggen: het geld moeten we later bezien. Hoe reflecteert de
minister daar nu op? Ik lees in de schriftelijke beantwoording wel de
feitelijke situatie, maar niet de reflectie en gedachten van de
minister, die ook gedeputeerde is geweest. Hij weet dus ook heel goed
wat het aan de andere kant van de tafel betekent.
Minister Rijkaart:
We hebben natuurlijk een versnelling gegeven aan de regio's met
procesgeld. Ik onderken inderdaad dat als die plannen straks komen, daar
een financieel plaatje bij zit. Dit wordt een beetje een
kip-en-eidiscussie. Gaan we nu eerst geld vrijmaken voor de regio, en
zeggen we dan "dit is het"? Misschien maakt men het budget op of gaat
men eroverheen. Of laten we die regio nu eerst plannen maken? Ik omarm
momenteel het idee dat de regio's eerst plannen maken. Men is er echt
druk mee bezig. We weten dat een aantal regio's echt al met de finale
concepten bezig zijn. Ik zou toch zeggen: als die plannen dan komen,
inclusief de financiële implicaties, is het echt aan uw Kamer en mijn
opvolger om daar handen en voeten aan te geven.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Bikker op dit punt.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Maar dan heb je toch wel het risico dat mensen nu plannen maken en daar
enthousiast voor zijn. Ik kijk naar de financiële bijlage van het
komende coalitieakkoord. Daarin staat hiervoor niks gereserveerd. Ik
denk dat deze minister vanuit zijn huidige verantwoordelijkheid en wat
hij gezien heeft best iets kan zeggen over wat de regio nodig heeft. Ik
snap dat dat met terughoudendheid zal zijn, maar een klein signaal over
welke erfenis hij graag achterlaat zou ik waarderen.
Minister Rijkaart:
Ik heb met veel enthousiasme de regio's mogen bezoeken in de beperkte
tijd die ik buiten deze Haagse kring kom. U heeft mij daar volgens mij
al eens over aangesproken, en daar heb ik invulling aan gegeven. Om nu
uitspraken te doen over het volgende regeerakkoord, dat gaat echt te
ver. Maar ik kan niet anders dan zeggen dat de regio's deze plannen
inderdaad hard nodig hebben. Ze hebben mij meermaals op het hart gedrukt
hoe belangrijk deze plannen voor de regio zijn om daar de leefbaarheid
en welvaart op orde te houden. Dat zal ik ook overbrengen aan mijn
opvolger. Het is natuurlijk aan u als Kamer om daar met mijn opvolger,
met hetzelfde enthousiasme als u hier tentoonspreidt, het debat over aan
te gaan.
De voorzitter:
Mevrouw Vellinga. Sorry, mevrouw Huizenga.
Mevrouw Huizenga (D66):
U bedoelt inderdaad "mevrouw Huizenga".
De voorzitter:
Sorry. Dat is niet netjes van mij. Mevrouw Huizenga; dat ga ik nooit
meer vergeten.
Mevrouw Huizenga (D66):
Kan gebeuren. Via de voorzitter: u gaf een reflectie op de drukte en de
hoeveelheid werk die er op u afkomt als minister. In aansluiting daarop
had ik een vraag gesteld over de doelmatigheid van de begroting van BZK
en hoe we die realiseren. In de beantwoording zie ik wel staan dat we
regelmatig doelen beschrijven in de begroting, maar de aanvullende vraag
is eigenlijk: hoe realiseren we die ook? We kunnen wel heel veel doelen
toevoegen en aanpassen, maar het gaat ons meer over de realisatie. Kunt
u daar nog iets over zeggen? Hoe realistisch is alles en hoe halen we
alles? We kunnen heel veel doelen stellen en allerlei onderwerpen
toevoegen, maar hoe gaan we die dan realiseren? Kunt u daar een
reflectie op geven?
Minister Rijkaart:
Dat is een heel relevante vraag, die we ons allemaal moeten stellen.
Hier in dit gremium stellen wij heel vaak hele mooie plannen op. Over
het algemeen hebben we goede ideeën met z'n allen. Dan zeggen we: we
gaan het doen. Maar hoe realistisch, haalbaar en betaalbaar is dat
allemaal? Inmiddels zitten we al in een construct waarin we in ieder
geval altijd zeggen dat er wel of geen dekking voor is. Dat
onderschrijft al gauw hoe haalbaar en betaalbaar het allemaal is. Dan
heb je daarover een oordeel. Sommige dingen zijn echt aan de
buitenwereld. Hoe realistisch is het dat we dit allemaal buiten deze
Kamer zouden kunnen realiseren? Daar zouden we soms met z'n allen wat
dieper over na mogen denken. De opgaven stapelen zich namelijk heel vaak
op terwijl de tijd kort is. Het personeelsbestand mag ook niet oneindig
uitdijen; dat is ook vaak een vraag van uw Kamer. Het ambtenarenapparaat
wordt groter en groter. Het hebben van meer doelen betekent vaak ook dat
er meer mensen aan het werk zijn. Maar je kunt ook de keuze maken dat je
iets niet meer gaat doen. Die systematiek zullen we met z'n allen — of
u, als ik hier klaar ben — toch eens moeten doorgronden: wat gaan wij
niet meer doen? Dat zou ook een keuze kunnen zijn.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Huizenga op dit punt.
Mevrouw Huizenga (D66):
De vervolgvraag is: geeft u uw advies om echt realistische dingen toe te
voegen dan ook aan uw eventuele opvolger mee?
Minister Rijkaart:
Als de vraag is "zou u bijvoorbeeld bij een appreciatie ook een
realismeperspectief mee kunnen geven?" dan is het antwoord dat we dat zo
veel mogelijk proberen te doen. Ik wil ook zeker aan mijn opvolger
meegeven dat die deze werkwijze er vooral in moet houden en waar nodig
moet versterken.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb gisteren in mijn bijdrage iets gezegd over
ondersteuningsverklaringen. Ik heb daar in de schriftelijke antwoorden
geen reactie van de minister op gevonden. Ik ben benieuwd hoe hij kijkt
naar het idee om dat aantal omhoog te brengen van 580 naar … Noem maar
wat.
Minister Rijkaart:
Daar kom ik zo even op terug. Ik herinner me uw vraag inderdaad. Ik zal
die even uitzetten en kijken of we daar een goed antwoord op kunnen
formuleren. Het lijkt me in eerste aanleg niet al te problematisch.
De voorzitter:
De minister komt daar in tweede termijn op terug.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan moet ik een motie indienen. Dat ga ik dan waarschijnlijk nog doen.
We hadden ook gevraagd hoe de minister kijkt naar het voorstel om nu
alvast geld uit de Wet op de politieke partijen te gebruiken om lokale
partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen te financieren. Ik
ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.
Minister Rijkaart:
Volgens mij zit er een aantal amendementen met ongeveer die strekking in
het stapeltje …
De voorzitter:
Mooie brug!
Minister Rijkaart:
… dat ik wilde gaan behandelen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Krijg ik dan de gelegenheid om daarop door te vragen?
De voorzitter:
Zeker, zeker.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mooi. Dank u.
De voorzitter:
De minister begint met het appreciëren van de amendementen. Het is
prettig voor de administratie als u daar ook even de nummers en de
indiener bij noemt.
Minister Rijkaart:
De strekking van het amendement-Clemminck op stuk nr. 16 is de
subsidiëring van decentrale politieke partijen. In het amendement wordt
voorgesteld een bedrag van 8,15 miljoen op de begroting van openbaar
bestuur en democratie toe te voegen aan de Gemeentefondsbegroting, zodat
lokale politieke partijen kunnen worden gefinancierd. Dit amendement
moet ik in deze vorm ontraden. U stelt voor om een subsidie voor lokale
politieke partijen beschikbaar te stellen via de
decentralisatieuitkering, maar dan zouden we er geen grip meer op
hebben. Dan gaat het een algemene pot in en kunnen die gemeenten het
eigenlijk vrij besteden, waardoor het misschien nog niet ten goede komt
aan het doel dat u zelf voorstelt.
Ik herken wel een brede wens van deze Kamer om iets te doen aan het
versterken van die lokale politieke partijen. Daarom wil ik het volgende
voorstellen. Ik doe een handreiking naar de Kamer: ik wil zo spoedig
mogelijk met een brief komen over een zinnige besteding die echt ten
goede komt aan die lokale politieke partijen. Maar ik moet u wel zeggen
dat als wij dat gaan doen, als wij uw suggestie omarmen, het amendement
zal moeten komen te vervallen. Anders worden we namelijk met dubbele
kosten opgezadeld. Het amendement wordt dus ontraden, maar ik stel wel
voor om op korte termijn met die brief te komen, zodat u die kunt
beoordelen.
De voorzitter:
U krijgt het woord, meneer Clemminck, maar de amendementen op de stukken
nrs. 16 en 33 gaan over hetzelfde onderwerp, dus …
Minister Rijkaart:
Beide worden ontraden.
De voorzitter:
Beide worden ontraden. Komt er op het amendement op stuk nr. 33 nog een
andere toelichting? O, deze toelichting geldt ook voor het amendement op
stuk nr. 33. Oké. Dat is prettig om te weten. Ik kijk dan ook even in de
richting van de heer Van den Brink: dit is de toelichting op het punt
dat de heer Van den Brink net inbracht. Dan kijk ik even naar de leden
die hier een vraag over hebben. Als eerste is het woord aan de heer
Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ik probeer even goed te begrijpen wat de minister zegt. De doelstelling
van mijn amendement — volgens mij is dat ook de doelstelling van een
groot deel van deze Kamer — is om ervoor te zorgen dat de middelen die
al in de begroting gereserveerd staan, nog dit jaar toegekend kunnen
worden aan gemeenten, zodat lokale politieke partijen daar gebruik van
kunnen maken. Zorgt die brief die de minister aankondigt er dan
effectief voor dat die middelen ook nog dit jaar besteed kunnen worden?
Dat is voor mij een cruciale vraag.
Minister Rijkaart:
Ik denk dat zowel het amendement als de brief niet binnen een dusdanig
tijdpad gerealiseerd worden om het nog dit jaar ten goede te kunnen
laten komen aan die politieke partijen. Daar is eenvoudigweg te weinig
tijd voor. De brief wendt wel een beklemmende besteding aan, zodat het
gevaar voorkomen wordt dat ik schetste. Daarom ontraadde ik ook de
amendementen op de stukken nrs. 16 en 33. Het moet dus niet ins Blaue
hinein gaan; het moet echt ten goede komen aan die politieke partijen.
Daar zal die brief duiding aan geven.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van meneer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Maar wat is dan het verschil tussen de toezegging die de minister doet
en wachten tot de Wet op de politieke partijen is aangenomen? Ik zie het
verschil niet meer.
Minister Rijkaart:
Nou ja, je hebt hierover mogelijk al eerder een uitspraak dan dat de wet
er helemaal doorheen is. Dan kan je nog over deze gelden gaan
beschikken.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind dat ingewikkeld, want we moeten stemmen over dat amendement en
de brief hebben we nog niet. Geen enkele lokale partij kan geld krijgen
door een brief an sich; die brief moet dan ook een besluit bevatten.
Mijn vraag aan de minister is of die brief dan ook het besluit bevat dat
ervoor zorgt dat lokale partijen gegarandeerd geld krijgen, en op welke
termijn dat geld dan komt.
Minister Rijkaart:
Er zal dan nadere duiding komen over dat geld, en over dat dat echt ten
goede komt aan die politieke partijen. Want anders heeft dit niet zo
veel zin. Dan ben ik met een amendement bezig waarin ik een gevaar zie
staan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Eigenlijk adviseert hij: ga tegen dit amendement stemmen, want dit
garandeert niet wat jullie willen. Maar wij weten niet wat het
alternatief is. Dan hebben we misschien liever een amendement waarbij de
garantie er niet is maar waarbij we wel de druk van die lokale partijen
vol op die gemeentecolleges kunnen leggen. Die lokale partijen hebben
gemiddeld genomen namelijk zeker 40% van de stemmen. In veel gemeentes
hebben ze zelfs de meerderheid en kunnen ze het ook afdwingen. Maar wij
moeten een goed gevoel hebben bij wat nou de uitkomst wordt.
Minister Rijkaart:
Ik vat even de vragen samen van de heer Clemminck en de heer Vermeer.
Volgens mij is dit de concrete vraag: komen de gelden tijdig dan wel zo
snel mogelijk daadwerkelijk bij die lokale politieke partijen terecht
als ik met een brief kom met een voorstel voor de besteding van deze
gelden? De voorkeur daarbij is dan: voor de aankomende
gemeenteraadsverkiezingen. Ik kijk even om te zien of ik het zo goed
samenvat.
De heer Vermeer (BBB):
Ik kan niet namens de heer Clemminck spreken, maar ik denk dat voor de
komende verkiezingen … Dat geld moet eerst nog overgemaakt worden. Daar
gaan die lokale partijen echt geen advertenties meer voor kunnen inkopen
en dat soort dingen. Als het lukt, zou ik dat een huzarenstukje vinden
en krijgt u van mij hiervoor een bokaal. Maar wij moeten wel weten of
dat nog dit jaar geregeld wordt, ja of nee.
Minister Rijkaart:
Een concrete vraag. Daar kan ik wat mee. Daar kom ik in tweede termijn
op terug. Ik hoor ook dat ik een bokaal krijg. Dat is misschien nog
beter, want ik heb al eerder te horen gekregen dat ik mogelijk een
openbaar toilet krijg.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Kan de minister misschien iets meer zeggen over waar hij dan aan denkt
als het niet via die subsidie kan? Hoe denkt hij dan die lokale
politieke partijen en lokale afdelingen van landelijke partijen
financieel tegemoet te kunnen komen?
Minister Rijkaart:
Wij hebben ook andere programma's. Het gaat hierbij om het volgende. Het
geld verdwijnt in de algemene pot. Dan bestaat het gevaar dat het gewoon
verwatert en verdwijnt. We hebben andere programma's waarbij we die
beklemming wel kunnen doen. Dat is volgens mij essentieel om het geld
uiteindelijk bij die lokale partijen te krijgen.
De voorzitter:
Meneer Van den Brink, een vervolgvraag.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan gaat het niet om het versterken van het lokaal bestuur maar echt om
het versterken van die lokale afdelingen en die lokale partijen. Dat
onderscheid zou ik graag scherp maken.
Minister Rijkaart:
Het programma dat wij hebben betreft wel het lokale bestuur, in de volle
breedte. Ik zal even moeten bezien of daar inderdaad een subparagraaf
onder zit die zegt dat het echt ten volle daaraan ten goede komt. Maar
hoe dan ook is de uitkomst wat betreft het lokale bestuur beter dan wat
nu voorligt; daarom wordt het amendement ook ontraden.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan ga ik daar straks toch gewoon een motie over indienen. Ik zal daarin
vragen om het wel echt bij de lokale partijen en lokale afdelingen
terecht te laten komen.
De voorzitter:
Dat mag. Daar kijken we dan naar uit. De minister vervolgt zijn
appreciatie van de amendementen.
Minister Rijkaart:
Voorzitter. Even voor de administratie: de amendementen op de stukken
nrs. 16 en 33 krijgen dus allebei hetzelfde oordeel, namelijk
ontraden.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 30 van het lid Kröger. Dat
gaat over €100.000 vrijmaken ten bate van diepgaand onderzoek door een
onafhankelijke partij naar de beste manier om burgerberaden te
betrekken. Dit amendement moet ik ontraden, omdat beschreven staat dat
dit moet op basis van artikel 11. Maar ik wil hier toch graag een
handreiking doen. Als het amendement aangepast wordt met dekking elders
binnen artikel 1, kan ik het oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Kröger knikken. Ik geef haar het woord.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat is een suggestie voor een alternatieve dekking waar ik even goed
naar ga kijken, maar volgens mij kunnen we dat doen. Ja.
De voorzitter:
De heer Sneller op dit punt.
De heer Sneller (D66):
Ja, het is een mooi amendement van mevrouw Kröger. Ik gun haar van harte
de dekking daarvoor. Hoeveel zit er dan onbeklemd in dat artikel waar nu
dekking uit wordt geserveerd?
Minister Rijkaart:
Dat durf ik zo uit mijn hoofd niet te zeggen, maar er is mij verzekerd
dat er voor dit geval nog genoeg in de pot zit.
De heer Sneller (D66):
En zoals gezegd: dat gun ik haar van harte. We hebben er met die
budgetflexibiliteit altijd ingewikkelde discussies over, maar als we
hier toch de begroting aan het behandelen zijn, zou ik het toch wel
waarderen als de minister iets preciezer is over welke ruimte er is. Dat
mag ook in de tweede termijn. Volgens mij stemmen we pas in maart over
de amendementen, maar dit is natuurlijk wel de crux van een
begrotingsbehandeling.
De voorzitter:
Wie weet wat er nog voor andere appreciaties komen, meneer Sneller, met
suggesties, dus we gaan door. Voor de administratie: het amendement op
stuk nr. 30 is ontraden. Er is een alternatieve dekking gesuggereerd en
daar beraadt mevrouw Kröger zich op.
Dan heb ik het amendement op stuk nr. 31 op mijn lijst.
Minister Rijkaart:
Ja, voorzitter, dat heb ik ook op mijn lijst. Dat is het amendement van
de heer Van Baarle over extra middelen voor de aanpak van discriminatie.
Dat ontraden wij. Natuurlijk ben ik het met de heer Van Baarle eens dat
er een aanpak van discriminatie moet komen. Dat is ook heel erg
belangrijk, maar in de huidige begroting staan daar al voldoende
middelen voor. We doen al diverse dingen in de aanpak van discriminatie.
Het amendement op stuk nr. 31 wordt derhalve ontraden.
Het amendement op stuk nr. 32, ook van het lid Van Baarle, over de
versterking van de NCDR, ga ik ook ontraden. De NCDR heeft een budget
dat is opgestart met 2 miljoen en dat later is opgehoogd met 2,5
miljoen. Er is op dit moment geen signaal dat de middelen voor de NCDR
ontoereikend zijn. Derhalve wordt het amendement op stuk nr. 32
ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 32: ontraden. Dan komen we bij het amendement
op stuk nr. 34.
Minister Rijkaart:
Het amendement op stuk nr. 34 van het lid Erkens over een pilot om AI
toe te passen bij de afhandeling van Woo-verzoeken wil ik op dit moment
ontraden. Er wordt dekking gezocht vanuit de Wet op de politieke
partijen. Het gaat om de gereserveerde middelen aanwenden voor het
achterliggende beleidsdoel, namelijk het versterken van de lokale
democratie. De Woo voorziet niet in het versterken van de lokale
democratie. Daarnaast doen wij al het een en ander rondom de Woo en
AI-inzet. Ik denk dat het goed is om die zaken eerst af te wachten en te
laten lopen, zodat het daarmee niet direct conflicteert.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Erkens.
De heer Erkens (VVD):
De discussie over de dekking kun je altijd voeren met elkaar. De Woo
gaat wel degelijk ook over lokale democratie. De minister geeft
eigenlijk aan dat er al best veel loopt op dit moment en dat hij dat wil
afwachten. Dat is mij niet duidelijk geworden, ook niet uit de
schriftelijke beantwoording. Kan er voorafgaand aan de stemmingen van
dinsdag een brief gestuurd worden met wat er allemaal gaande is? Dan kan
onze fractie ook beraadslagen over de vraag of we het amendement
inderdaad in stemming brengen of niet.
Minister Rijkaart:
Nou, voorzitter …
De voorzitter:
Minister, ik wijs de heer Erkens er eerst even op dat we in maart over
de amendementen stemmen. Dus we stemmen dinsdag alleen over de moties. U
heeft dus nog iets tijd, meneer Erkens, maar voor de minister is dat
niet het geval.
De heer Erkens (VVD):
Dan graag voorafgaand aan de stemmingen graag een brief over de
amendementen, voorzitter.
Minister Rijkaart:
Ik kan toezeggen dat er een brief komt over dit specifieke item. Dat is
dus het oordeel over het amendement op stuk nr. 34.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 36 van de leden Sneller en
Erkens over 2 miljoen aan extra gelden voor ProDemos. Dat amendement ga
ik toch ontraden, hoe erg ik ze ook een warm hart toedraag. Ik ben er
namelijk zelf ook weleens actief en met erg veel plezier; dat heb ik u
al eens meer gezegd. Burgerschap is een belangrijk thema. Wij stellen
daarvoor ook al structureel gelden beschikbaar door middel van een
subsidieregeling specifiek voor ProDemos. We voeren gesprekken met
ProDemos over een nieuwe subsidieregeling. De huidige regeling komt
immers dit jaar ten einde. Daarvoor zijn al structurele middelen
gereserveerd op de begroting. Het is echt aan een nieuw kabinet om daar
eventueel nog extra middelen aan toe te kennen. Derhalve krijgt dit
amendement het oordeel ontraden.
De voorzitter:
Meneer Vermeer, zullen we de heer Sneller, als indiener, hierop als
eerste laten reageren? Dat is wel zo netjes.
De heer Vermeer (BBB):
Ja.
De heer Sneller (D66):
Dit ligt natuurlijk in het verlengde van amendementen die de Kamer in
voorgaande jaren heeft aangenomen om een miljoen extra uit te trekken
voor ProDemos, zodat ze juist actief kunnen zijn in de regio's waar de
doelgroepen minder goed worden bereikt. De minister heeft ervoor gekozen
om dat niet in zijn begroting te zetten, dus als ik het goed begrijp, is
daar dit jaar geen geld voor.
Minister Rijkaart:
Op dit moment is daar geen geld voor, maar er is wel een budget
toegekend aan ProDemos. Als de Kamer wil dat daar extra gelden naartoe
gaan, dan is dat echt aan mijn opvolger. ProDemos zal het moeten doen
met het budget dat op dit moment is toegekend.
De voorzitter:
Behalve dat we vandaag de begroting bespreken en je dan wijzigingen kunt
doorvoeren.
Minister Rijkaart:
Uiteraard.
De voorzitter:
Dat is dan een fait accompli voor uw opvolger.
De heer Sneller (D66):
Volgens mij is het amendement dat de minister in handen heeft juist een
uiting van de wens van in ieder geval een klein deel van de Kamer om dat
door te trekken. De minister heeft ervoor gekozen om het niet op te
nemen in zijn begroting. Als hij zegt dat de dekking uit de Wet op de
politieke partijen niet adequaat is, dan is de logische vervolgvraag
natuurlijk of artikel 1, waarnaar net verwezen werd, voldoende middelen
bevat om het wél te dekken. Of hanteert de minister een hele andere
argumentatie?
Minister Rijkaart:
Op dit moment is mijn indruk dat de dekking voor ProDemos voldoende is.
We hebben het nog over de subsidieregeling.
De heer Sneller (D66):
Dat miljoen was bedoeld om actief te kunnen zijn in die regio's, wat
niet kon voor het oorspronkelijke budget. Daarom is er extra budget ter
beschikking gesteld. De minister kiest ervoor om het extra budget voor
die extra taken weg te halen of niet te continueren. Dan kan hij niet
zeggen "zonder dat miljoen moeten ze het ook gewoon kunnen doen", want
dat kon eerst ook al niet. Dit is geen zuivere argumentatie van de
minister. Ik hoor graag een inhoudelijke appreciatie, in de zin van: ik
garandeer dat ze die taken in de regio's waar ze normaal niet konden
komen, toch kunnen voortzetten, ook al heb ik ze dat miljoen niet
gegeven.
Minister Rijkaart:
Het is niet zo dat dat geld niet is gegeven of is weggehaald. Althans,
dat is mijn opvatting. Dat geld hebben we toegekend, maar dat is
uiteindelijk niet gebruikt of aangewend. Als ze dat in de toekomst
alsnog willen om het verder te versterken, dan denk ik dat dat via de
nieuwe subsidieregeling zal gaan.
De voorzitter:
Ja, dit is het, meneer Sneller. De heer Vermeer heeft nog een vraag
hierover.
De heer Vermeer (BBB):
Ik probeer te begrijpen hoe die subsidie, de subsidieovereenkomst en de
wensen van de Kamer zich verhouden tot de afspraken die de minister
heeft met ProDemos. Tussen de regels door hoor ik dat er twee opties
zijn: óf het geld wordt niet beschikbaar gesteld voor taken die
afgesproken zijn, wat niet kan omdat knaken taken moeten volgen, óf de
minister bedoelt eigenlijk te zeggen dat ProDemos zelf andere
prioriteiten stelt dan de Kamer en dat hij geen invloed heeft op de
prioriteitstelling van ProDemos. Dat laatste kan ook waar zijn, maar
misschien is beide wel waar. Ik denk dat dat uitgezocht moet worden voor
de tweede termijn. Ik wil heel graag weten of ProDemos zegt "we zouden
wel wat extra's willen, maar we willen iets anders niet doen" en ze dus
hun eigen beleidskeuzes maken of dat ze via de subsidieregeling gestuurd
worden. Dat laatste betekent dat als ze dat geld krijgen, ze dit ook
moeten doen omdat ze anders verzaken en het geld niet krijgen. Hoe werkt
het?
Minister Rijkaart:
Het lijkt me goed om hier in de tweede termijn op terug te komen, want
dit is een dusdanig specifieke vraag dat dit even uitgezocht moet
worden.
De voorzitter:
Dat begrijp ik goed. Op mijn lijst komen we bij het amendement op stuk
nr. 37.
Minister Rijkaart:
Ja, ook op mijn lijst. Dat is het amendement van het lid Huizenga over
eenmalig een bedrag vrijmaken om onderzoek te doen naar daderprofielen
van online haat en bedreigingen van lokale politici. Daar geldt
eigenlijk een beetje hetzelfde voor. Dit amendement moet ik op dit
moment ontraden, maar als de dekking aangepast kan worden naar een
dekking elders binnen artikel 1, dan kan ik het oordeel Kamer geven.
Mevrouw Huizenga (D66):
De logische vervolgvraag is of u kunt aangeven of er voldoende geld in
dat artikel zit om dit mogelijk te maken. Zo ja, dan ga ik het gewoon
aanpassen.
Minister Rijkaart:
Ik heb een algemene vraag gesteld over de dekking van de diverse
amendementen, tegen de achtergrond van: ga ik niet over het totaalbudget
heen? Daarop was het antwoord: ja. Dan zal hiervoor dus voldoende geld
moeten zijn.
De voorzitter:
Ik zie dat dat akkoord is.
Minister Rijkaart:
Voorzitter, dan ben ik door de amendementen heen.
De voorzitter:
Die indruk heb ik ook. Dan gaan we gelijk over naar de tweede termijn
van de zijde van de Kamer. Is iedereen daar al klaar voor? Dat is het
geval.
De eerste spreker in tweede termijn is mevrouw Huizenga van D66. Aan u
het woord.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, bedankt. Ik ben wel een beetje in verwarring — volgens mij
geldt dat voor meerdere mensen hier in de Kamer — over hoe we nu omgaan
met de begroting, want dit is wat mij betreft juist het moment dat we
wijzigingen kunnen doorvoeren. Dus misschien kan de minister daar toch
nog op reflecteren. Daarnaast lijkt het erop dat dit misschien wel uw
laatste debat is. Ik wil u dus toch bedanken voor uw bijdrage. Dat was
het eigenlijk. Ik hou het verder kort. Mijn vraag is vooral hoe we hier
in de toekomst mee omgaan. Dat is niet een vraag aan u maar aan uw
opvolger. De Kamer moet serieus worden genomen als wij dingen willen
wijzigen, zodat wij op het moment dat het er is, er ook mee aan de slag
kunnen gaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Sneller ziet af van zijn tweede termijn. De heer
Erkens ziet ook af van zijn tweede termijn. Dan is het woord aan Mevrouw
Kröger.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. In de eerste plaats wil ik graag de minister
bedanken, aangezien het waarschijnlijk zijn laatste debat is in de
plenaire zaal. Wij blijven zeer bezorgd over de financiële situatie van
gemeenten en ook over de nullijn voor ambtenaren. Met name in de lagere
schalen is er echt een heel zorgelijk beeld te zien. Wij gaan ervan uit,
of hopen in ieder geval, dat een nieuw kabinet dit snel en adequaat
oppakt, want dit gaat tot grote problemen leiden.
Wat het amendement over burgerberaden betreft: ik denk dat het in deze
tijd waarin de democratie stevig onder druk staat, ongelofelijk
belangrijk is om ook nieuwe innovatieve vormen van democratische
versterking te steunen. Ik ben dus blij dat dat amendement oordeel Kamer
krijgt.
Tot slot één motie, mede namens mevrouw Tseggai, die ik vandaag
vervang.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige kabinet ervan afziet om in een nationaal
programma tegen discriminatie en racisme te voorzien;
van mening dat ononderbroken voortzetting van een gecoördineerde aanpak
van discriminatie en racisme in de vorm van een nationaal programma niet
alleen voor de discriminatiebestrijding zélf, maar ook als expliciet
normstellend signaal vanuit het kabinet van het grootste belang
is;
verzoekt de regering om op korte termijn en aan de hand van de met de
Kamer gedeelde denkrichtingen een aanzet voor een nationaal programma
tegen discriminatie en racisme naar de Kamer te zenden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Tseggai.
Zij krijgt nr. 38 (36800-VII).
Dank u wel.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Even voor de precisie, nauwkeurigheid. Het amendement over
burgerberaden, zoals dat is ingediend, is ontraden. De minister deed een
suggestie: pas als dat gewijzigd wordt, kan het oordeel Kamer
krijgen.
Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat ik hiermee heb aangegeven dat ik van plan ben die wijziging
door te voeren en daarom blij ben met "oordeel Kamer".
De voorzitter:
Zeker. Ook heel goed dat u dat zegt; dan is het maar duidelijk.
Meneer Vermeer, aan u het woord.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het rapport Elke regio telt! vaststelt dat structurele
achterstelling van regio's vraagt om een langjarige en samenhangende
aanpak;
constaterende dat via het Nationaal Programma Vitale Regio's uitvoering
zal worden gegeven aan de conclusies van dat rapport;
overwegende dat plannen alleen effectief zijn wanneer zij ook
daadwerkelijk van voldoende middelen worden voorzien;
verzoekt de regering om, na inzichtelijk te hebben gemaakt wat de
uitvoeringskosten van het Nationaal Programma Vitale Regio's zijn, de
benodigde middelen zo ruimhartig als nodig beschikbaar te stellen om dit
programma volledig en voortvarend tot uitvoering te brengen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 39 (36800-VII).
De heer Vermeer (BBB):
Dan een motie over de gekozen burgemeester.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de rol van de burgemeester in de afgelopen decennia is
uitgegroeid tot een zwaar bestuurlijk ambt met grote
verantwoordelijkheden op het gebied van openbare orde, veiligheid en
maatschappelijke verbinding;
overwegende dat bij zulke verantwoordelijkheden ook een stevig
democratisch mandaat past;
overwegende dat directe verkiezing van de burgemeester kan bijdragen aan
democratische legitimiteit, betrokkenheid van inwoners en vertrouwen in
het lokaal bestuur;
verzoekt de regering om een wetsvoorstel voor te bereiden dat de
rechtstreekse verkiezing van de burgemeester mogelijk maakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Lammers.
Zij krijgt nr. 40 (36800-VII).
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker in de tweede termijn is de heer Bosma.
Pardon, er is een vraag van de heer Flach voor u, meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter, had er twee seconden eerder op de knop gedrukt kunnen
worden? Dat had mij een minuut gescheeld.
De voorzitter:
Goed zo, meneer Vermeer, u zit erbovenop! Dat is belangrijk.
De heer Flach (SGP):
Na deze handel in seconden heb ik een vraag over de gekozen burgemeester
voor de heer Vermeer. Ik heb de motie gehoord. We hebben het er in het
debat verder niet over gehad, in ieder geval niet met u. Wat zegt het de
heer Vermeer dat eigenlijk alle burgemeesters zeggen: doe dit niet;
gezien de aard en invulling van het ambt op dit moment, gebeuren er
gewoon ongelukken als we naar een gekozen burgemeester gaan?
De heer Vermeer (BBB):
Daar past een spreekwoord bij: je moet niet aan de kikkers vragen om de
sloot te dempen. Het is natuurlijk heel apart om dat te zeggen tegen ...
Ik snap wel dat mensen die nu benoemd zijn en op een positie zitten, het
ingewikkeld vinden als het hele proces verandert. Zij zijn daar
natuurlijk vanuit een hele andere insteek gekomen. Misschien krijg je
dan ook een ander type burgemeester, dat hier juist wel voor openstaat.
Kijk, als er geen enkele kandidaat komt, dan weten we dat dit niet de
oplossing is, maar ik verwacht dat die er wel komen.
De heer Flach (SGP):
Ik heb weleens betere antwoorden gehoord van de heer Vermeer. Je zou ook
kunnen zeggen: deze mensen weten hoe het ambt in elkaar zit en
waarschuwen van binnenuit voor de effecten. Het ambt zit steeds meer op
de as van openbare orde en veiligheid. Daar past een
populariteitswedstrijd, wat een verkiezing toch is, niet bij. Bovendien
krijg je botsende programma's tussen de burgemeester aan de ene kant en
wethouders met een politieke agenda. Ik ga die motie in ieder geval niet
steunen; dat mag helder zijn. Ik zou toch in overweging nemen om er nog
eens over na te denken.
De heer Vermeer (BBB):
Er zijn ook andere constructies mogelijk. In België is het bijvoorbeeld
meestal zo dat de lijsttrekker van de grootste partij in de
gemeenteraadsverkiezingen ook automatisch de burgemeesterskandidaat is.
Dan weet men waar men voor stemt, wie men kiest en met welk mandaat dat
is. Dat kan dus ook nog een optie zijn. Er zijn meerdere varianten
mogelijk. Het is wat ons betreft het toppunt van democratie.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Bosma is de volgende spreker. Sorry, mevrouw Boelsma
heeft nog een interruptie.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Via u, voorzitter. In de motie over Elke regio telt! stelt meneer
Vermeer dat de elf regio's de uitvoering zijn van Elke regio telt! Mijn
vraag is of hij het met mij eens is dat het breder is, dat het meer
thuishoort in het algemene afwegingskader en dat het niet alleen
geprojecteerd moet worden op de regio's die in de motie benoemd
zijn?
De heer Vermeer (BBB):
Ik constateer dat, zoals hier is afgesproken of in ieder geval wordt
voorgesteld door het kabinet, het Nationaal Programma Vitale Regio's een
uitvoering is van de conclusies van het rapport. Het is verder aan ons
om, als de uitgewerkte plannen er zijn, te beoordelen of die voldoende
dekking geven over het totale programma van Elke regio telt! of dat we
er nog dingen in missen.
De voorzitter:
Leidt dat tot een vervolgvraag, mevrouw Boelsma?
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja, voorzitter. Mijn vervolgvraag is: wat is de mening van de heer
Vermeer? Is dit de uitvoering van het programma Elke regio telt!?
De heer Vermeer (BBB):
Volgens mijn informatie wordt er nog volop gewerkt aan die plannen. Pas
als dat allemaal beschikbaar is, kan ik mijn eindoordeel hierover geven.
Weet dat wij daar als partij, als stem van en voor het platteland en de
regio, bovenop zullen zitten.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Bosma.
De heer Martin Bosma (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Het was gisteren toch een debat met een zeker
historisch belang. Dan heb ik het over de korte interruptie die ik mocht
hebben met heer Sneller, want ik vroeg de heer Sneller of zijn partij
nog steeds voorstander is van de gekozen burgemeester. Een gekozen
burgemeester is niet zomaar iets voor D66. Het is een van de zogenaamde
kroonjuwelen. Ik heb nog even het prachtige boekje "Daarom D66" van Hans
Gruijters erbij gepakt. Daarin worden de gekozen burgemeester maar ook
de gekozen minister-president als "cruciaal" beschreven in de
ideeënrijkdom van de toen startende partij. De heer Sneller gaf aan dat
de gekozen burgemeester geen onderdeel meer uitmaakt van het
verkiezingsprogramma van D66, omdat de leden hebben besloten dat het
anders moet. Ik heb dat nog even opgezocht. In de krant staat
argumentatie van de mensen die op het D66-congres aanwezig waren. Zij
zeiden: "Als je een gekozen burgemeester hebt, kun je iemand krijgen als
Trump." Aha, men is dus tegen de gekozen burgemeester omdat de
verkiezingen een verkeerde uitslag hebben en niet de juiste mensen
opleveren. Verkiezingen vindt men bij D66 blijkbaar dus alleen leuk als
de juiste partijen winnen. Anders is D66 blijkbaar tegen
verkiezingen.
Historisch gezien is dit van groot belang. Het verbaast ons niet, want
de "kroonjuwelen" van D66 waren nooit de kroonjuwelen. D66 is opgericht
in de kelder van een reclamebureau, het reclamebureau FHV, en D66 is
bedacht door Martin Veltman, de man die ook "Heerlijk helder Heineken"
heeft bedacht. Hij adviseerde Hans van Mierlo toen: "Weet je wat je moet
doen? Je moet focussen op die staatsrechtelijke dingen. Je moet niet een
hele waaier aan programmapunten hebben. Fixeer je op dat staatsrecht."
Dat is gebeurd. Vele mensen wisten dat het een reclamestunt was en dat
is nu gewoon duidelijk geworden, maar de korte interruptie die ik
gisteren mocht hebben, is vooral pikant in verband met de vraag waarom
de heer Sneller hier in de Kamer nu niet meer het standpunt te berde zal
brengen dat er een gekozen burgemeester moet komen. Dat is niet omdat de
heer Sneller over het strand liep en dacht: hé, dat is misschien toch
niet een goed idee; ik heb een andere mening. Nee, het zijn de leden die
de heer Sneller dwingen tot een ander standpunt. Dat is raar; dat is
vreemd.
Ik ben gisteren even teruggegaan in de geschiedenis, mevrouw de
voorzitter, met uw welnemen. Ik heb nog eens gememoreerd dat Thorbecke
een tegenstander was van politieke partijen. Daarom staan de politieke
partijen niet in de Grondwet van 1848, want Thorbecke zei: als we
politieke partijen gaan hebben, hebben we geen volksvertegenwoordigers
meer maar partijvertegenwoordigers. Dat is dus exact wat er gebeurd is.
De Kamerleden die we hier hadden, kwamen bij elkaar in kiesverenigingen.
Die kiesverenigingen waren losse verbanden van mensen die gewoon contact
met elkaar hadden. Mijn favoriete kiesvereniging heette "Redding door
bezuiniging" uit Zutphen. Vervolgens werden dat ledenpartijen. Het kwaad
is geschied in 1879, want toen heeft Kuyper de ARP opgericht. Die ARP
zei tegen de mensen in de Tweede Kamer die ARP-lid waren: je moet op die
en die manier stemmen. Toen kregen we dus eigenlijk het begin van de
particratie. De partijbobo's werden dus dominant.
Later is het districtenstelsel afgeschaft en in 1917 kregen we de
evenredige kiesvertegenwoordiging. Dat betekent dat de partijbaasjes nog
veel machtiger werden, want die waren de controle kwijt op die lokale
kiesverenigingen, die gewoon zelf met kandidaten kwamen. Toen kwam ook
nog het amendement-Alberda erdoorheen, waardoor voorkeurstemmen
eigenlijk geen zin meer hadden. Daarmee was de particratie compleet. Het
werden de partijbaasjes die uitmaakten wie er op de lijst kwamen. De
kiezers hadden daar niets over te zeggen. Het waren de partijbaasjes die
bepaalden wat er in verkiezingsprogramma's geschreven werd. Dat moesten
Kamerleden dus maar uitvoeren.
Dit staat natuurlijk haaks op de Grondwet. In de Grondwet staat artikel
69, lid 3. Er stond altijd heel mooi: zonder last en ruggenspraak. Wij
hebben een zelfstandig mandaat; zo zou het moeten zijn, maar dat hebben
we dus niet meer. We hebben een dubbelmandaat: we moeten ons buigen
richting de kiezers, maar sommigen in dit huis moeten ook buigen
richting hun ledenpartij. Dat staat natuurlijk haaks op dat
grondwetsartikel. Dat betekent ook dat er beloften zijn gedaan.
Dat was 1917, de vestiging van de particratie. Is er ooit verzet geweest
tegen die particratie? Jazeker, want op 30 april 1966 kwamen in Hotel
Krasnapolsky te Amsterdam 25 jonge mannen bij elkaar, licht kakkineus,
meestal lid van de VPRO. Zij zeiden: "Dit is helemaal verkeerd." Ze
waren te beschaafd voor Provo en niet socialistisch genoeg voor Nieuw
Links. Ze verzonnen een politieke partij; dat werd D66. D66 ontstond op
grond van de strijd tegen de particratie. Toen ik gisteren de heer
Sneller hoorde, moest ik meteen denken aan een citaat uit het Appèl, het
geschrift dat ten grondslag ligt aan D66. Daarin staat het citaat: "De
parlementariër heeft slechts een band met zijn partij, want die heeft
hem op een verkiesbare plaats gesteld. En als zijn partij moet
schipperen met verkiezingsbeloften, dan schippert hij mee." Ik stel vast
dat de cirkel rond is. D66 is nu zelf een particratische partij
geworden. De leden zijn oppermachtig. De band met de kiezers is er niet
meer. De band is er met de ledenpartij.
De voorzitter:
Denkt u aan uw tijd.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dat staat haaks op de Grondwet en op hoe we de parlementaire democratie
zouden moeten financieren.
Voorzitter. Daarom de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat Thorbecke een fel tegenstander was van de
ledenpartij;
overwegende dat hij vreesde dat volksvertegenwoordigers gereduceerd
zouden worden tot partijvertegenwoordigers;
constaterende dat hij gelijk heeft gekregen;
constaterende dat parlementariërs het staatsrechtelijke principe dienen
te eerbiedigen dat zij moeten handelen zonder last of ruggespraak;
constaterende dat ledenpartijen een aantasting betekenen van het mandaat
van gekozen parlementariërs en dus schadelijk zijn voor de parlementaire
democratie;
verzoekt de regering een einde te maken aan de subsidie voor politieke
partijen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Martin Bosma.
Zij krijgt nr. 41 (36800-VII).
De heer Martin Bosma (PVV):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Boelsma in
tweede termijn. Zij ziet daarvan af. De heer Van den Brink in tweede
termijn. Aan u het woord.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik dank de minister voor de antwoorden in de eerste termijn. Ik wil
graag twee moties indienen. Dit is de eerste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor deelname van een politieke partij aan de Tweede
Kamerverkiezingen 580 ondersteuningsverklaringen vereist zijn en 10 per
kieskring in Caribisch Nederland;
constaterende dat deze zeer lage drempel deelname aan verkiezingen heel
gemakkelijk maakt, wat bijdraagt aan de verdere versnippering van het
politieke landschap;
overwegende dat een weerbare en goed functionerende democratie niet
alleen open en toegankelijk moet zijn, maar ook vraagt om politieke
partijen met voldoende maatschappelijk draagvlak;
overwegende dat het verhogen van het aantal ondersteuningsverklaringen
een eenvoudig en proportioneel instrument is om de toetredingsdrempel
tot verkiezingen meer in balans te brengen, zonder de kern van het
passief kiesrecht aan te tasten;
verzoekt de regering om te verkennen of en hoe het aantal vereiste
ondersteuningsverklaringen voor deelname aan verkiezingen kan worden
verhoogd, en de Kamer te informeren over de effecten hiervan op
versnippering, representativiteit en uitvoerbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tijs van den Brink.
Zij krijgt nr. 42 (36800-VII).
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil heel graag de heer Van den Brink vragen of hij zelf ooit een
politieke partij opgericht heeft, of dat hij alleen maar meegelift heeft
op een partij die al bestond.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb nog nooit een politieke partij opgericht.
De heer Vermeer (BBB):
Hoe kan de heer Van den Brink dan weten dat dat een hele lage drempel is
en daar conclusies aan verbinden? Vindt de heer Van den Brink niet ook
dat die drempel er automatisch al is op het moment dat er gekozen wordt?
Vindt hij dat er dus een drempel opgeworpen moet worden voor het
oprichten van nieuwe partijen die willen doen wat andere, bestaande
partijen blijkbaar nalaten?
De voorzitter:
Ik hoor dat hij daar een motie over indient.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik wil graag van de minister horen wat het effect daarvan zouden zijn en
of dat zou leiden tot bijvoorbeeld minder partijen. Dat weet ik niet. Ik
heb nooit een partij opgericht; dat zeg ik u eerlijk. Ik denk dat het
een hele lage drempel is, dat we heel veel partijen hebben in dit land
en dat dat de bestuurbaarheid van het land niet altijd ten goede komt.
Ik zoek dus naar middelen om misschien tot iets minder partijen te
komen, maar wel op een manier waarbij iedereen de mogelijkheid heeft om
zich uit te spreken en om te kiezen zoals hij wil.
De voorzitter:
De heer Vermeer, tot slot.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb nog wel een vraag. De heer Van den Brink zegt dat dit de
bestuurbaarheid van Nederland ten goede zou komen, maar op welk
onderzoek en op welke feiten baseert hij zich als hij zegt dat kleine
partijen zorgen voor slechte bestuurbaarheid terwijl de grote partijen
hier steeds aan het besturen zijn en crisissen veroorzaken?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik denk dat ik dat niet eens ga bestrijden. Maar stel dat alle partijen
hier in de Kamer vier zetels hadden. Hoe zouden we dan een regering
moeten maken?
De heer Vermeer (BBB):
Dat is een eenvoudige rekensom. Dan moet je 76 door 4 delen. Zoveel
partijen heb je dan nodig.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ja, maar zou dat bestuurbaarheid opleveren?
De voorzitter:
Meneer Van den Brink, het is niet echt de bedoeling om een vraag terug
te stellen. Als u een antwoord op een vraag moet geven, dan gaan we zo
over en weer met elkaar in gesprek. Dit komt de orde niet ten goede. De
heer Bosma heeft nog een vraag voor u.
De heer Martin Bosma (PVV):
De heer Van den Brink wil het aantal ondersteuningsverklaringen
verhogen. Nou, dat is een standpunt. Hij is lid van een ledenpartij.
Stel nou eens dat de ledenpartij waar de heer Van den Brink lid van is,
zegt dat het aantal ondersteuningsverklaringen naar nul moet, of — het
maakt niet uit — naar een heel klein aantal. Gehoorzaamt hij dan die
ledenpartij?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Die ledenpartij spreek ik niet elke dag. Dus dan komt er een moment dat
er een verkiezingsprogramma wordt vastgesteld en dat wij daarover met
elkaar in gesprek gaan. Dan ga ik met mijn leden in gesprek en leg ik
uit waarom ik het wél een goed idee vind. Als dan in het
verkiezingsprogramma zou komen te staan, wat mij zou verrassen, dat het
geen goed idee is, dan gaan we daar eens goed over praten met
elkaar.
De heer Martin Bosma (PVV):
Nou ja, je kan altijd goed met elkaar praten; dat is het punt niet. De
vraag is als volgt. Stel dat zijn ledenpartij bij elkaar komt — er is
een congres of wat dan ook, of het is het bestuur — en er wordt gezegd:
wij delen het standpunt van de heer Van den Brink niet; hij moet zijn
standpunt wijzigen. Wijzigt hij dan zijn standpunt?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Congressen kopen geen straaljagers, heb ik altijd geleerd. Uiteindelijk
maak ik dan zelf opnieuw een afweging over welk standpunt ik, met mijn
fractie, hierover inneem.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Bosma.
De heer Martin Bosma (PVV):
O, dus de leden van het CDA betalen contributie; dan mogen ze meepraten.
Dan wordt er een motie aangenomen waarin staat "de heer Van den Brink
heeft zich vergist met dat aantal ondersteuningsverklaringen", en dan
gaat de heer Van den Brink daar helemaal niets mee doen. Is dat niet een
soort van oplichting of zo?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Nee, dat lijkt me niet. En ik zeg ook niet dat ik daar niets mee ga
doen. Ik heb gezegd dat wij dan met elkaar het gesprek aangaan, dat daar
een uitkomst uit komt en dat uiteindelijk de fractie hier een volledig
eigen mandaat heeft om te doen wat ze wil doen. Daar heeft u gelijk in.
Wij stemmen hier zonder last.
De voorzitter:
U heeft nog een tweede motie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dat klopt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat decentrale politieke partijen een belangrijk onderdeel
zijn van onze democratie, maar in tegenstelling tot landelijke lokale
politieke partijen geen financiering ontvangen;
constaterende dat met de Wet op de politieke partijen er voorzien zal
worden in deze financiering en dat het geld hiervoor daarom al
gereserveerd is;
overwegende dat het conform het voorstel van de VNG uitvoerbaar is om
dit geld via een tijdelijke, eenmalige, subsidieregeling aan lokale
politieke partijen uit te keren;
verzoekt de regering subsidiëring voor decentrale politieke partijen
mogelijk te maken, vooruitlopend op de Wet op de politieke partijen,
aangezien de middelen hiervoor reeds beschikbaar zijn;
verzoekt de regering de Kamer daarbij eveneens te informeren over welke
verplichtingen decentrale politieke partijen daarbij moeten aangaan
rondom transparantie van financiën en kandidaatstellingsprocedures
gedurende deze overbruggingsperiode,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tijs van den Brink en
Boelsma-Hoekstra.
Zij krijgt nr. 43 (36800-VII).
Dank u wel. Ook dit leidt tot een vraag, van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Als ook lid van een lokale partij en jarenlang raadslid voor een lokale
partij werd ik geconfronteerd met onderzoeken die suggereerden dat bij
een lokale partij de giften beter gecontroleerd zouden moeten worden dan
bij een afdeling van een landelijke partij. Wat is de mening van de heer
Van den Brink hierover? Maakt hijzelf de inschatting dat de risico's op
ongewenste beïnvloeding bij lokale partijen groter zijn dan bij
afdelingen van landelijke partijen? Ja of nee?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik heb geen reden om dat te vermoeden. Ik weet dat in de nieuwe Wet op
de politieke partijen dezelfde eisen worden gesteld aan lokale
afdelingen van landelijke partijen als aan lokale partijen. Dat lijkt
mij heel verstandig.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee bent u aan het einde van uw tweede termijn gekomen.
Dan gaan we luisteren naar de heer Clemminck voor zijn bijdrage in de
tweede termijn. Aan u het woord.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor de beantwoording van
de vragen. Ik ga alleen even in op het amendement, en de interrupties
die ik al even had op de minister, om ondersteunende middelen voor
lokale politieke partijen mogelijk te maken. Ik constateer dat de
politieke wil er in ieder geval is bij de minister. Volgens mij geldt
dat ook voor een groot deel van deze Kamer, maar in ieder geval geldt
dat voor de Verenging van Nederlandse Gemeenten en voor honderden lokale
partijen, waarvan wij ook een brief hebben ontvangen. Mijn amendement
regelt dat dat zo snel mogelijk gebeurt. Dat gaat sneller dan wat staat
in de brief van de minister. Ik begrijp van de VNG dat ze een
modelverordening klaar hebben staan, waarvan gemeenten gebruik kunnen
maken, zodat alles wat betreft voorwaardes en de verantwoording over het
bedrag goed geregeld is. Ik hoor dus graag een nadere reflectie van de
minister op het amendement en mijn inbreng op dit moment. Ik zal het
amendement zeker in stemming laten brengen in maart.
De voorzitter:
Dat staat u vrij. Dank u wel. De heer Van Baarle voor zijn tweede
termijn. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat slechts 37% van de gemeenten actief lokaal
antidiscriminatiebeleid voert en dat met name kleinere gemeenten
achterblijven;
verzoekt de regering om te verkennen op welke wijze het voeren van
antidiscriminatiebeleid voor gemeenten kan worden verplicht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 44 (36800-VII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat meerdere moskeeën en islamitische instellingen de
afgelopen periode te maken hebben gehad met intimidatie, haatincidenten,
vernielingen en bedreigingen;
verzoekt de regering om een landelijk actieplan tegen moslimhaat te
ontwikkelen, in samenwerking met gemeenten en maatschappelijke
organisaties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 45 (36800-VII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties werkt aan een model voor de aanpak van racisme en
discriminatie binnen de rijksoverheid, inclusief departementale beleids-
en effectrapportages;
overwegende dat de minister op grond van het Coördinatiebesluit kaders
kan stellen ter bevordering van eenheid, kwaliteit en efficiëntie van de
bedrijfsvoering door ministeries;
verzoekt de regering om, binnen de bestaande wettelijke kaders, dit
model rijksbreed te implementeren en departementen te verplichten de
rapportage volgens dit model aan te leveren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 46 (36800-VII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de rijksinkoopstrategie op dit moment wordt
geactualiseerd;
van mening dat de rijksoverheid niet samen zou moeten werken met
bedrijven die onherroepelijk veroordeeld zijn voor discriminatie;
verzoekt de regering in de actualisatie van de rijksinkoopstrategie te
streven naar het maximaal benutten van de (juridische) ruimte om de
antidiscriminatiebepaling op te nemen in de rijksinkoopstrategie en
hierbij ook maatregelen te treffen zodat deze structureel en rijksbreed
wordt toegepast,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 47 (36800-VII).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het conceptwetsvoorstel voor een landelijke
antidiscriminatievoorziening reeds is voorbereid en het kabinet aangeeft
dat het aan het nieuwe kabinet is om het conceptwetsvoorstel verder te
brengen en open te stellen voor internetconsultatie;
verzoekt de regering om na de beëdiging van het nieuwe kabinet de
behandeling van het wetsvoorstel voor een landelijke
antidiscriminatievoorziening met prioriteit op te pakken zodat het
wetsvoorstel nog dit jaar ingediend kan worden bij de Tweede
Kamer,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 48 (36800-VII).
Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Flach in de tweede termijn. Meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Dank voor de beantwoording en het debat dat we deze week
hebben gevoerd. Ik wil nog twee dingen opmerken. Eén opmerking gaat over
regio's. Het Rijk gaat de woningnood niet oplossen, net zoals het Rijk
jeugdzorg niet uitvoert en niet zorgt voor leefbaarheid. Daar hebben we
toch echt gemeenten voor nodig, die dat dicht bij en met hun inwoners
doen, net als regio's. Als ik in regio's kom, valt het mij op dat nog
steeds een veelgehoorde klacht is dat de toegang tot ministeries
moeilijk is. Als je al binnenkomt, is het per departement, en juist een
van de winstpunten van de regiodeal was dat het integraal zou zijn.
Vandaar deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat voorkomen dient te worden dat een kansenkloof ontstaat
tussen regio's doordat sommige regio's buiten alle landelijke
gebiedsgerichte programma's vallen;
constaterende dat het kabinet ook voor regio's die buiten de landelijke
gebiedsgerichte programma's voor regio's vallen een aanspreekpunt wil
bieden;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het aanspreekpunt voor regio's
ook een bestuurlijke dialoog tussen departementen en regio kan
faciliteren over de doorontwikkeling van een langjarige agenda voor een
gebiedsgerichte aanpak,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 49 (36800-VII).
De heer Flach (SGP):
De tweede motie gaat over Moerdijk.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet en de regio in de komende maanden een
voorkeur willen ontwikkelen voor de toekomst van het dorp Moerdijk en
het omliggende gebied;
overwegende dat het bezoeken van begraafplaatsen een diep emotioneel
belang is dat de overheid dient te respecteren;
verzoekt de regering bij de ontwikkeling van een voorkeur hoe dan ook te
waarborgen dat de begraafplaatsen van het dorp Moerdijk toegankelijk
blijven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 50 (36800-VII).
Dank u wel. Daarmee komen we bij de bijdrage in de tweede termijn van mevrouw Bikker. Ik kijk naar mevrouw Bikker en geef haar het woord.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin meteen met drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de coalitie van D66, VVD en CDA in het coalitieakkoord
een onderzoek naar verhoging van de kiesdrempel voorstelt;
overwegende dat de staatscommissie-Remkes in het eindrapport Lage
drempels, hoge dijken concludeerde dat een hogere kiesdrempel geen
oplossing is voor gemakkelijkere kabinetsformaties en een hogere
kiesdrempel niet past bij de representatieve democratie in
Nederland;
overwegende dat er bezuinigd moet worden en een nieuw onderzoek naar
verhoging van de kiesdrempel niet nodig is;
verzoekt de regering geen geld te steken in een onderzoek waarvan de
uitkomsten al bekend zijn en dus niet opnieuw onderzoek te gaan doen
naar verhoging van de kiesdrempel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Flach, Vermeer, Lammers,
Clemminck, Van Baarle, Struijs, Beckerman, Kröger en Kostić.
Zij krijgt nr. 52 (36800-VII).
Er is een interruptie op dit punt van de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ja, ik heb wel de behoefte om hier iets over te vragen aan mevrouw
Bikker, en er ook iets over te zeggen. Gisteren heb ik namelijk ook de
woorden van meneer Struijs, meneer Flach en meneer Vermeer gehoord. Ik
hoorde ook de emotie daarin, en ik snap die ook. Dat is het eerste wat
ik daarover wil zeggen. Ik kan me voorstellen dat het voor u voelt alsof
wij, de grote partijen, jullie, de kleine partijen, weg willen hebben.
Dat is absoluut niet het geval. De informateur sprak hier afgelopen
dinsdag, geloof ik, haar waardering uit voor hoe hard er hier gewerkt
wordt. Ik ben hier nu een paar maanden en mij valt op dat hier inderdaad
ontzettend hard gewerkt wordt, zeker ook door uw partij en de andere
kleine partijen. Onze waardering daarvoor is groot. Ik vind het
super-de-luxe dat u er bent en dat de andere kleine partijen er zijn, en
dat we samen een goede vertegenwoordiging zijn van de Nederlandse
bevolking. De vraag is voor ons of we ons die luxe nog kunnen
permitteren. Kan er een moment komen waarop het het hier zo versnipperd
is dat het land niet meer geregeerd kan worden? Stel dat er 50 partijen
zijn van 3 zetels. Hoe doen we dat dan?
De voorzitter:
Uw vraag is helder. Mevrouw Bikker.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter, een punt van orde.
De voorzitter:
De heer Vermeer, voor een punt van orde.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind het gewoon heel aanmatigend hoe hier gepraat wordt en hoe
partijen ingedeeld worden in groot en klein, terwijl de heer Van den
Brink, als zijn geheugen goed is, precies kan uittellen hoeveel
Kamerleden het CDA in de afgelopen periode had. Iedere partij begint
klein, en kan alleen maar groot worden als zij klein begonnen is.
De voorzitter:
Oké, uw punt is duidelijk.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind dat we partijen hier niet op deze manier moeten indelen terwijl
de kiezer elke keer weer de keuze heeft om iedereen net zo groot te
maken als hij belieft.
De voorzitter:
Uw standpunt is duidelijk. Over smaak valt te twisten. Ik kijk nu
mevrouw Bikker aan voor het antwoord op de vraag van de heer Van den
Brink.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Allereerst ontvang ik natuurlijk graag de complimenten van collega Van
den Brink voor het goede werk dat wordt verzet door heel veel fracties
hier, en zeker ook door de ChristenUniefractie. Inderdaad waren het in
de afgelopen periode de collega's Grinwis en Ceder die het meest voor
elkaar kregen. Dat zegt ook iets over elke Kamerzetel hier. Daar wil ik
mee beginnen. Elke Kamerzetel van de 150 heeft een waarde in zichzelf en
een volksvertegenwoordigende waarde. Collega Bosma heeft heel mooi de
geschiedenis daarvan uitgelegd, ook aan de hand van de Grondwet. Onze
Grondwet kent geen partijen.
Terug naar het voorstel dat hier nu voorligt! Ik dank voor de
waardering. Als je waardering krijgt en de uitkomst vervolgens is dat
men aan de slag gaat met alle aanbevelingen van de commissie-Remkes, de
staatscommissie nota bene, maar het laatste punt van die alinea juist
contrair aan de aanbeveling is, dan wekt dat wel bevreemding. Het gaat
dan over de constructieve partijen waar deze coalitie zeer van
afhankelijk is. Ik heb eerder in mijn interruptie op collega Erkens
uitgelegd dat ik van harte mee wil denken over de bestuurbaarheid van
dit land en dat daar allerlei vragen over te stellen zijn. Neem
bijvoorbeeld over het verdwijnen van de oude politieke tradities, de
bestaande geworteldheid en de debatten die we hier voeren. Daar ga ik
graag het gesprek over aan. Doe dat echter niet door opnieuw iets te
onderzoeken wat al onderzocht is en geen effect heeft, terwijl je
vervolgens wel de bijl legt bij de wortels van partijen die zich, in het
geval van de SGP, al meer dan honderd jaar constructief laten zien.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van den Brink.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Mijn vraag zou zijn: zou u mij willen geloven als ik zeg dat het niet de
arrogantie van de macht is dat we dit voorstellen, maar dat we het juist
vanuit onmacht doen? We gaan nu met een minderheidskabinet aan de slag.
Dat is niet uit luxe. We gaan onze uiterste best doen. We gaan er het
beste van maken, maar de grootste partij in 2018 had 41 zetels, terwijl
de grootste partij nu nog maar 26 zetels heeft. Toen Remkes zijn advies
schreef, was de situatie dus minder gefragmenteerd dan nu. Dat zit
erachter. Het is niet de arrogantie van de macht, wat mij betreft.
Alstublieft, neemt u dat van mij aan. Het is de onmacht om dit land goed
te besturen.
De voorzitter:
Ja, maar we geloven op een andere ... Het gaat om standpunten.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
We geloven allebei; dat is mooi. Daar ben ik ook heel blij om. Het is
fijn om te horen dat dit niet arrogant bedoeld is, maar het voelt
eerlijk gezegd erg ongemakkelijk. Ik ben in de vorige ronde heel goed
met het CDA opgetrokken toen het vijf zetels had. Ik weet dat er
daarvoor, onder Buma, altijd het voornemen bestond om de kiesdrempel te
verhogen. Zodra het CDA teruggeveerd is, zijn we ook daar weer bij
terug. Dat verrast me, eerlijk gezegd. Ik wil heel graag het gesprek
voeren over hoe we de bestuurbaarheid van dit land verbeteren. Sterker
nog, ik heb zelf een initiatiefnota aangekondigd om daar ook op andere
manieren over na te denken. Als je deze oplossing kiest, wetend in welk
getij dit kabinet zit, wetend ook dat niet de ChristenUnie, de SGP of de
SP het debat hier onmogelijk maakt of ervoor zorgt dat het land
onbestuurbaar raakt, dan vind ik eigenlijk dat je een vals akkoord
maakt, terwijl je een mooi muziekstuk wilt maken. Begin niet met een
vals akkoord. Een dissonant zou nog kunnen, maar dit is een vals
akkoord.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik ben persoonlijk nog niet overtuigd van het nut van een kiesdrempel.
Mijn partij, de leden, hebben me gevraagd om te onderzoeken of die een
rol kan spelen. Dat onderzoek gaan we graag aan, maar ik weet niet wat
de uitkomst is. Nogmaals, het is niet bedoeld om u te desavoueren. Het
is bedoeld om met elkaar na te denken over hoe we dit land bestuurbaar
houden. Dat is de kern van ons onderzoek.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Als je iets niet bedoelt, dan moet je soms ook bedenken welke daden je
daaraan koppelt. Ik ben blij om te horen dat collega Van den Brink zegt
dat het zo niet bedoeld is. Dat is goed om te horen. Eerlijk gezegd
kennen we allemaal situaties in ons leven waarin we iets niet zo
bedoelen, maar dan moeten we dat ook laten zien in onze daden. Dan had
ik een veel breder onderzoek verwacht dan een heel specifiek onderzoek
naar de kiesdrempel.
De voorzitter:
U vervolgt. U heeft nog twee moties.
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, ik ga als de brandweer, voorzitter. Daar gaan we!
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat burgemeesters en wethouders in toenemende mate te
maken hebben met agressie, intimidatie en bedreigingen;
overwegende dat het uitblijven van duidelijke keuzes rondom de
Spreidingswet en het tegelijkertijd laten voortbestaan van de wettelijke
verplichtingen, lokale bestuurders in een kwetsbare positie brengt en
bijdraagt aan maatschappelijke onrust en bedreigingen;
verzoekt de regering expliciet en publiekelijk burgemeesters en andere
lokale bestuurders actief en zichtbaar te steunen bij de uitoefening van
wettelijke taken;
verzoekt de regering de gevolgen van de toename van agressie,
intimidatie en bedreiging voor de bereidheid en beschikbaarheid voor
ambten van burgemeesters, lokale en provinciale vertegenwoordiging in
beeld te brengen en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bikker.
Zij krijgt nr. 53 (36600-VII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet-Schoof en het aanstaande kabinet goede
woorden schrijven over investeringen buiten de Randstad, zoals in de
programma's Elke regio telt! en het Nationaal Programma Vitale
Regio's;
overwegende dat het cynisme groeit als er wel mooie woorden gesproken
worden, maar geen daden volgen;
verzoekt de regering de plannen voor de regio te voorzien van een
financiële onderbouwing,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bikker.
Zij krijgt nr. 54 (36800-VII).
Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik dank u voor uw geweldige begeleiding van dit debat. Ik
wil ook de bewindspersoon bedanken voor zijn beantwoording en voor alles
wat hij in dit ambt heeft gedaan om goed te zorgen voor ons land. Dank u
wel.
De voorzitter:
Dank voor uw aardige woorden. Wij gaan luisteren naar de bijdrage van
mevrouw Beckerman in tweede termijn.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de nullijn, met name voor medewerkers in de uitvoering,
de overheid tot een minder aantrekkelijke werkgever maakt en kan leiden
tot verhoogde uitstroom en personeelstekorten, wat ten koste gaat van de
kwaliteit van de uitvoering;
overwegende dat het hanteren van een nullijn als openingsbod in de
cao-onderhandelingen de waarde van het harde werk van deze medewerkers
onvoldoende erkent, kan leiden tot financiële problemen voor de lagere
loonschalen en heeft geleid tot vastgelopen gesprekken;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat een nullijn niet langer wordt
gehanteerd en niet langer als uitgangspunt dient voor gesprekken met de
vakbonden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 55 (36800-VII).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Beckerman. Ik kijk naar de heer Struijs. Ja, hij
komt hiernaartoe. Ik geef hem het woord voor zijn bijdrage in de tweede
termijn.
De heer Struijs (50PLUS):
Voorzitter. Minister, dank. Ook wij hebben zo onze dilemma's, zeker als
het gaat om publieke toiletten. Wij hebben intensief contact gezocht met
de gemeenten en ervaren leden. Wij hebben toch besloten, mede omdat dit
een publieke voorziening is die gestimuleerd wordt door de gemeenten, om
dit bij BZK in te dienen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende het feit dat veel ouderen en mensen met een aandoening of
handicap minder vaak of minder lang de deur uit durven omdat zij
afhankelijk zijn van een toilet in de buurt;
overwegende het feit dat dit kan bijdragen aan vereenzaming of een
nodeloze inperking van de bewegingsvrijheid;
overwegende het feit dat het ook door Nederland ondertekende VN-Verdrag
inzake de rechten van personen met een handicap gelijke rechten,
zelfstandigheid en inclusie voor mensen met een lichamelijke,
verstandelijke of psychische beperking garandeert, en de overheid
verplicht om toegankelijkheid in al haar facetten te bevorderen;
overwegende dat openbare toiletten vanuit gemeenten geregeld kunnen
worden;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe het aantal goede openbare
toiletten op logische plekken substantieel kan worden uitgebreid, en de
Tweede Kamer daarvoor een plan te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs, Van Brenk, Tseggai en
Beckerman.
Zij krijgt nr. 56 (36800-VII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat gemeenten om privacyredenen niet aan elkaar mogen
doorgeven wanneer zij te maken hebben (gehad) met een frauderende
zorgorganisatie, waardoor deze in andere gemeenten weer aan de slag
kan;
overwegende dat dit nodeloos gemeenschapsgeld kost, dat veel beter
gebruikt kan worden;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe het mogelijk gemaakt kan worden
dat gemeenten dit soort informatie wel aan elkaar mogen doorgeven, om
verspilling van gemeenschapsgeld te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Struijs.
Zij krijgt nr. 57 (36800-VII).
Dank u wel. Meneer Struijs, u heeft nog een vraag van mevrouw Beckerman, naar aanleiding van uw moties.
Mevrouw Beckerman (SP):
Alleen de vraag of ik mee mag doen aan de eerste motie.
De heer Struijs (50PLUS):
Altijd.
De voorzitter:
Nou, kijk eens aan. De laatste spreker in de tweede termijn is mevrouw
Lammers.
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Extinction Rebellion en de daaraan gelieerde
organisaties zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten, zoals
het blokkeren van wegen, het platleggen van infrastructuur en het
dreigen met boterzuuraanvallen, en hiermee bewust de wet
overtreden;
constaterende dat burgemeesters verantwoordelijk zijn voor het handhaven
van de openbare orde;
verzoekt de regering de door haar aangestelde burgemeester op te dragen
de openbare orde te handhaven tegen Extinction Rebellion en de daaraan
gelieerde organisaties en, indien hij dit weigert, een burgemeester aan
te stellen die wél de orde handhaaft,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 58 (36800-VII).
Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeentelijke fusies of het opheffen van gemeenten
ingrijpende en onomkeerbare gevolgen hebben voor de bevolking en de
lokale democratie;
overwegende dat inspraakprocedures geen volwaardig alternatief zijn voor
directe democratische instemming van inwoners;
overwegende dat dergelijke besluiten over het fuseren of opheffen van
gemeenten gelegitimeerd moeten worden door aantoonbaar draagvlak onder
de lokale bevolking;
verzoekt de regering wetgeving voor te bereiden waarmee een verplicht
referendum onder de lokale bevolking wordt ingevoerd als voorwaarde voor
gemeentelijke fusies of het opheffen van gemeenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Lammers.
Zij krijgt nr. 59 (36800-VII).
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik wil een voorstel van orde doen. We schorsen nu voor de voorbereiding
van de minister en tevens voor de lunch. Dan gaan we om 12.45 uur
luisteren naar de beantwoording in tweede termijn van de zijde van het
kabinet. Er is een nieuw schema rondgegaan. Om 13.30 uur start de
voortzetting van de begroting AenM.
De vergadering wordt van 12.00 uur tot 12.43 uur geschorst.
Begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2026
Begroting Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026 (36800-VII).
De voorzitter:
Dan komen we bij de tweede termijn van het debat over de begroting van
Binnenlandse Zaken. Ik zie dat er nog weinig sprekers in de zaal zijn,
maar het tijdstip waarop we hadden afgesproken weer te gaan starten, is
reeds verstreken. We gaan dus van start.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef de minister van Binnenlandse Zaken het woord om nog te reageren
op een aantal openstaande punten. Ik meen dat er ook een amendement is
aangepast en opnieuw ingediend. Het verzoek is om dat ook weer te
appreciëren. Kortom, we ronden het gewoon even netjes af. Minister, aan
u het woord.
Minister Rijkaart:
Voorzitter, dank u wel. Dank u wel voor de inbreng van deze Kamer. Het
moge duidelijk zijn dat het lokaal bestuur deze Kamer, en natuurlijk ook
mij, na aan het hart gaat. We moeten de lokale democratie dan ook zeker
versterken. Daarin hebben we belangrijke maatschappelijke opgaven te
realiseren. Ik heb in mijn eerste termijn dan ook aangegeven dat ik
bereid ben om dit jaar een maatregelenpakket toe te zeggen dat gericht
is op het versterken van de lokale democratie. Daarvoor hebben we ook
een denkrichting, over hoe dat dan besteed kan worden. Dat kan nog
besteed worden in 2026. Het kan echter niet rechtstreeks verstrekt
worden aan lokale politieke partijen; ik heb dat ook uitgelegd.
Voorbeelden van maatregelen waar we wél op kunnen inzetten, zijn: veilig
vergaderen door gemeenteraden, opleiding en trainingen voor
volksvertegenwoordigers en lokale bestuurders, het uitbreiden van de
inzet van ProDemos in de regio en de ondersteuning van kleine gemeenten
op het punt van weerbaarheid. Dat is waar we nu op dit moment aan
denken, maar dit vergt nog wel nadere uitwerking.
Nogmaals, tegelijkertijd zie ik dat er diverse amendementen zijn
ingediend met als dekking de 8,15 miljoen die dit jaar beschikbaar is
doordat de Wpp een jaar later wordt ingevoerd. Die heb ik dus ontraden
omdat ik die middelen bestemd wil houden voor de versterking van de
lokale democratie. Als een of meerdere amendementen worden aangenomen
met dezelfde dekkingsbron, dan heeft dat wel tot gevolg dat ik geen of
minder middelen beschikbaar heb voor het maatregelenpakket, want het
geld kan natuurlijk maar één keer uitgegeven worden. Dat moge duidelijk
zijn.
Voorzitter. Ik stel voor dat ik dan even de vragen afwerk en dat ik
straks begin met het gewijzigde amendement. Hoe werkt nu de subsidie
voor ProDemos? Jaarlijks krijgt ProDemos 8,9 miljoen aan subsidie van
BZK. Die subsidieregeling loopt dit jaar af. Zoals ik al zei wordt nu
gewerkt aan een nieuwe subsidieregeling voor januari 2027. Daarnaast
wordt in 2026, dus nog dit jaar, met een aanvullende subsidie van 1
miljoen euro de inzet van ProDemos in de regio verlengd. Dit is de
continuering van het amendement-Sneller uit 2025. Het wordt gefinancierd
uit de envelop goed bestuur en democratische rechtsstaat. Voor als er
nog twijfel bestond over die 1 miljoen: die wordt dus
gecontinueerd.
De beschikbare ruimte binnen artikel 1, Openbaar bestuur en democratie.
In de begroting is aangegeven dat er voor artikel 1 geen vrij te
besteden middelen meer zijn. Ik heb in de eerste termijn wel aangegeven
dat ik de amendementen van de leden Kröger en Huizenga ga dekken binnen
artikel 1. Ik zie zelf ook de toegevoegde waarde ervan. Hoe gaan we dat
doen? We gaan binnen artikel 1 herprioriteren om te bekijken hoe het dan
toch tot stand kan komen.
Het lid Huizenga vroeg ook om een reflectie op de vraag hoe we het gaan
doen met de begrotingsbehandeling: mogen er wijzigingen gedaan worden
wanneer dat kan? De begrotingsbehandeling is natuurlijk een cruciaal
debat; daar zijn we het met z'n allen over eens. Ik heb ervoor gekozen
om een aantal zaken al schriftelijk aan u toe te zenden en deze
mondeling toe te lichten, net zoals de hele systematiek is bij andere
begrotingsbehandelingen. Dat doe ik juist om de focus in het debat aan
te brengen en in te kunnen gaan op de punten waarop uw Kamer wijzigingen
aan wil brengen. Dit alles gebeurt natuurlijk wel — dat is een beetje
vervelend — tegen de achtergrond van de spoedige komst van een nieuw
kabinet. We zitten hier gewoon een beetje in een spagaat. Daar zijn we
momenteel met z'n allen een beetje slachtoffer van, denk ik.
Er was nog een vraag, over de uitvoering van het rapport Elke regio
telt!: waar loopt het nu op vast in de doorontwikkeling, waarbij we als
Rijk gezamenlijk kijken naar regionale verschillen en brede welvaart en
zouden we versnelling aan kunnen brengen in de volgende kabinetsperiode?
Het loopt momenteel niet echt ergens op vast. Op meerdere
beleidsterreinen zijn we wel die gesprekken aan het voeren. Wat zou u
dan kunnen doen? Ik zou met klem adviseren om als Tweede Kamer toch het
gesprek te blijven voeren in de commissies die de komende tijd over
onder andere dit item gaan.
Dan kom ik bij het gewijzigde amendement. Dat ging volgens mij over de
wijzigingen van het lid Huizenga, als ik het helemaal goed heb. Voor uw
administratie, voorzitter: dat wordt dan het amendement op stuk nr. 51.
Het lid Huizenga heeft volgens mij de wijziging gedaan in het artikel
zoals wij geadviseerd hebben. Dat klopt, dus wij kunnen dat dan oordeel
Kamer geven.
De voorzitter:
Ja. Het amendement op stuk nr. 51, ter vervanging van het amendement op
stuk nr. 37, krijgt nu oordeel Kamer. U vervolgt.
Minister Rijkaart:
Dan kom ik bij de moties.
De voorzitter:
Maar niet voordat ik mevrouw Boelsma in staat heb gesteld om een vraag
te stellen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik heb een vraag over Elke regio telt!. Het gesprek gaan wij voeren en
dat blijven we ook doen. Ik zocht eigenlijk naar een haakje waarom het
nog niet is gelukt, want dan weten we ook hoe we het gesprek kunnen
voeren. Dat is eigenlijk de echte vraag.
Minister Rijkaart:
Concreet: het proces loopt nog. Het gaat waarschijnlijk niet zo snel als
u zou willen. Dat onderken ik ook. Ik denk dat iedereen zegt: het mag
wel wat vlotter allemaal. Het loopt niet echt vast op een aanmerkelijk
knelpunt dat we nu kunnen beetpakken en kunnen tackelen.
De voorzitter:
Dan komen we bij de moties.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 38, van de leden Kröger en Tseggai, over een
nationaal programma tegen discriminatie, is momenteel ontijdig. Op 11
december heb ik uw Kamer geïnformeerd over denkrichtingen met betrekking
tot een meerjarenplan. De meerjarenagenda zou samenvallen met de beoogde
looptijd van het aankomende kabinet. Ik heb de stellige verwachting dat
het kabinet de handschoen op zal pakken en hiermee aan de slag zal gaan.
Dan kunt u het debat vervolgen met het nieuwe kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 38 krijgt het oordeel "ontijdig". We kunnen de
indieners nu niet vragen om de motie aan te houden, dus die komt ter
stemming, tenzij zij haar aanhouden. Dan de motie op stuk nr. 39.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 39, van het lid Vermeer, over middelen voor de
uitvoering van het Nationaal Programma Vitale Regio's, is ontijdig. Er
zijn nu geen middelen in de begroting van BZK opgenomen. Het is aan een
volgend kabinet om hier al dan niet keuzes in te maken. Derhalve is de
motie voor nu ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39: ontijdig. Ik kijk even naar de heer Vermeer. Is
dit voor u een reden om deze motie aan te houden?
De heer Vermeer (BBB):
Ik vind het ingewikkeld, omdat ik al zeg: verzoekt de regering om, na
inzichtelijk te hebben gemaakt wat de uitvoeringskosten zijn, de
benodigde middelen beschikbaar te stellen. Als het niet de bedoeling is
dat het uitgevoerd wordt, dan hoeven we toch ook geen plannen te
maken?
Minister Rijkaart:
Ik kan me levendig indenken dat je de wens hebt dat een plan uitgevoerd
wordt. Het zit 'm er in dit geval in dat het een voorschot neemt op een
beslissing van de minister om ruimhartig — wat is ruimhartig? — middelen
vrij te maken. Omdat er nog helemaal geen middelen zijn opgenomen in de
begroting, is het echt aan een nieuw kabinet om daar een allocatie voor
te vinden, in welke vorm en ordegrootte dan ook. Derhalve zeg ik: op dit
moment is de motie nog even ontijdig. Wacht even de plannen af. Dan
hebben een concreter financieel voorstel vanuit de regio.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Stel dat ik "zo ruimhartig als nodig" eruit haal en gewoon zeg: de
benodigde middelen beschikbaar te stellen. Krijgt de motie dan oordeel
Kamer? Begrijp ik dat hieruit?
De voorzitter:
Er ontstaat een hele onderhandeling.
Minister Rijkaart:
Nee, sterker nog, dan wordt uw motie juist veel sterker. Feitelijk
gezien committeer ik me dan nu al aan alles wat de regio's gaan vragen.
Dan zou ik 'm zelfs ontraden.
De voorzitter:
Precies.
De heer Vermeer (BBB):
Het was te proberen. Maar we stemmen hier, ongeacht de appreciatie, toch
zoals we zelf willen. Ik maak me dus niet ongerust; ik dien 'm gewoon
in.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 39 komt in stemming met het oordeel ontijdig. De
motie op stuk nr. 40.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 40 over de gekozen burgemeester, ook van het lid
Vermeer, gaan we ontraden. Gezien de huidige demissionaire status van
het kabinet, past het niet om over dit onderwerp verstrekkende
uitspraken te doen. In het hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet is
afgesproken de huidige aanstellingswijze van de burgemeester dan ook te
handhaven.
De voorzitter:
Ja. De motie op stuk nr. 40 is ontraden. De motie op stuk nr. 41.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 41 over een einde aan de subsidie voor politieke
partijen gaan wij ontraden. Wij zien namelijk dat politieke partijen een
spreekbuis zijn voor opvattingen uit de samenleving. Ze brengen het
publiek samen vanuit hun standpunten en in hun programmering. Daarnaast
hebben ze ook nog te maken met de rekrutering en selectie van
bestuurders en volksvertegenwoordigers, communicatie en mobilisatie.
Daarom is het belangrijk om ze te blijven subsidiëren. De motie op stuk
nr. 41 is derhalve ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 41 is ontraden.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 42 van de heer Van den Brink gaat over het aantal
vereiste ondersteuningsverklaringen voor deelname aan de Tweede
Kamerverkiezingen. Dat wordt oordeel Kamer. Een wetsvoorstel gaat voor
de zomer in consultatie. Oordeel Kamer dus.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 42 krijgt oordeel Kamer.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 43 van mevrouw Boelsma-Hoekstra over de
subsidiëring van decentrale politieke partijen moet ik ontraden. Het is
namelijk niet mogelijk om in een subsidieregeling nadere
verantwoordings- en transparantieregels op te stellen. Dit staat haaks
op het wetsvoorstel Wet op de politieke partijen, waarbij een
subsidiëring van politieke partijen hand in hand gaat met de
verantwoording en transparantie over de financiën en de interne
organisatie. De motie op stuk nr. 43 is derhalve ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 43 is ontraden.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 44 van het lid Van Baarle over gemeentelijk
antidiscriminatiebeleid verplichten is ontijdig. Het huidige kabinet
heeft niet de keuze gemaakt om een en ander te laten vallen. Ik heb dat
ook schriftelijk in de beantwoording gemeld. Of het volgende kabinet
beslist of er nader onderzoek nodig is, laat ik dan ook aan hen.
Voorlopig hebben we daar overigens ook geen middelen voor.
De voorzitter:
Ik kijk even naar meneer Van Baarle. De motie op stuk nr. 44 is
ontijdig. Leidt dat ertoe dat u deze motie aanhoudt? Dat is niet het
geval. De motie op stuk nr. 44 zal in stemming gebracht worden met het
oordeel ontijdig. De motie op stuk nr. 45.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 45 van het lid Van Baarle over een landelijk
actieplan tegen moslimhaat is overbodig. Op 12 december heeft het
kabinet gereageerd op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie. Daar
zit ook de versterkte aanpak in. Dat is de inzet van dit kabinet. Wat
het volgend kabinet wil, is dan ook aan het volgend kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45 is overbodig.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 46 van het lid Van Baarle gaat over een modelaanpak
voor departementaal rapporteren over de aanpak van discriminatie. Deze
is overbodig. Er is reeds een raamwerkrapportagemodel vastgesteld door
de departementen. Dat wordt verder vormgegeven. Alle departementen
hebben al toegezegd een rapportage aan te leveren, dus verplichten is
verder niet nodig. De motie op stuk nr. 46 is dus overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 46 is overbodig.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 47 van het lid Van Baarle over de
rijksinkoopstrategie. Deze krijgt oordeel Kamer. Dit sluit aan op een
brief die ik vanochtend heb gestuurd, waarin ik dezelfde ambitie
aangeef.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47 krijgt oordeel Kamer.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 48, ook van het lid Van Baarle, gaat over een
wetsvoorstel voor landelijke antidiscriminatievoorzieningen. Deze is
ontijdig. Het dictum van de motie zegt het al: na beëdiging van het
nieuwe kabinet. Alleen daarom al is de motie eigenlijk ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48 is ontijdig. De heer Van Baarle houdt ook deze
niet aan, dus zij komt in stemming.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 49 van het lid Flach over een aanspreekpunt voor de
regio is ontijdig. Naar aanleiding van een eerdere motie heeft het
kabinet aangegeven met de regio's in gesprek te gaan over de opgaven en
deze te koppelen aan de meest betrokken departementen. De regio mag dan
ook verwachten dat het Rijk intern zoekt naar een goede verbinding. Ook
zal besproken worden op welke wijze de samenwerking kan plaatsvinden. Of
dan altijd en overal een langjarige gebiedsgerichte aanpak plaatsvindt,
is wel aan een volgend kabinet. Derhalve is de motie op stuk nr. 49
ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49 is ontijdig. Ik kijk naar de heer Flach. Is hij
bereid deze motie aan te houden? Dat is niet het geval. Zij komt in
stemming.
Minister Rijkaart:
Dan de motie op stuk nr. 50 van het lid Flach over de begraafplaats van
Moerdijk. Ik begrijp de wens en heb daar volgens mij ook invulling aan
gegeven in mijn eerste termijn. Het proces vraagt om een brede,
zorgvuldige afwerking, juist om op een zorgvuldige manier met dit soort
gevoeligheden om te kunnen gaan. Het lokale bestuur beslist in eerste
aanleg. Laten we dat afwachten en pas daarna als Rijk instappen.
De voorzitter:
En daarmee wordt de motie …
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 50 wordt daarmee ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50 wordt ontraden.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 52 is een brede motie, waarin wordt gevraagd om een
onderzoek naar de kiesdrempel niet door te laten gaan. Zoals wij de
motie hebben gelezen, betreft het een voornemen in het akkoord van het
nieuwe kabinet. Derhalve is deze ontijdig.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker wenst deze motie in stemming te laten brengen. De motie
op stuk nr. 52 heeft het oordeel "ontijdig" gekregen, maar wordt niet
aangehouden; we gaan erover stemmen.
Dan de motie op stuk nr. 53.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 53 van mevrouw Bikker over weerbaar bestuur is
overbodig. We doen dit al. We investeren al in programma's en steunen
het lokale bestuur. Ik zie 'm wel als een aanmoediging om hiermee door
te gaan. Dan was er ook nog een vraag over de Monitor Integriteit en
Veiligheid. Daar wordt dit in vormgegeven. De cijfers waar u naar vraagt
over agressie, intimidatie et cetera komen eind 2026.
De voorzitter:
Mevrouw Bikker, ik zie u staan. De motie op stuk nr. 53 krijgt het
oordeel overbodig, maar we gaan er toch over stemmen.
De motie op stuk nr. 54.
Minister Rijkaart:
Dan de motie op stuk nr. 54 van mevrouw Bikker over financiële
onderbouwing van de plannen van de regio's. De regering wordt hierin
verzocht om de plannen in de regio's te voorzien van financiële
onderbouwing. Zoals eerder gezegd, geef ik deze het oordeel "ontijdig".
Eerst moeten de plannen worden uitgewerkt en dan moet er inzicht komen
in de uitvoeringskosten. De vraag komt nu nog te vroeg. De motie op stuk
nr. 54 is ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 54 is ontijdig. Wenst mevrouw Bikker deze aan te
houden? Dat is niet het geval. Dan gaan we erover stemmen.
De motie op stuk nr. 55.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 55 van mevrouw Beckerman over de nullijn moet ik
ontraden. Die is niet conform het kabinetsbeleid, zoals ik vandaag
eigenlijk al heb toegelicht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 55: ontraden.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 56 over openbare toiletten is ontijdig. Ik ga 'm
wel bespreken met mijn collega van VWS en ik bericht u over de uitkomst
daarvan. Het is even aan de heer Struijs of hij in afwachting van mijn
bericht de motie wil aanhouden. Anders krijgt de motie het oordeel
"ontijdig".
De voorzitter:
Wanneer kunt u een terugkoppeling geven over het overleg met VWS?
Misschien kan dat wel vóór dinsdag.
Minister Rijkaart:
Dat zou het mooiste zijn.
De voorzitter:
Ja, dat zou natuurlijk het mooiste zijn.
Minister Rijkaart:
Als dat lukt. Ik ga een poging wagen om dat te doen.
De voorzitter:
U komt elkaar allemaal weer tegen. Het oordeel is dus ontijdig, maar de
minister doet zijn best om voor de stemming op dinsdag tot een oordeel
te komen samen met VWS.
Minister Rijkaart:
We gaan in deze nadagen een poging wagen.
De voorzitter:
Meneer Struijs zegt buiten de microfoon dat hij sowieso dinsdag stemming
hierover wenst. Het zou goed zijn als we dan een oordeel hebben.
De motie op stuk nr. 57.
Minister Rijkaart:
We gaan over naar de motie op stuk nr. 57 van het lid Struijs over
informatie die gemeenten aan elkaar kunnen doorgeven. Die motie ging
over zorgfraude. Deze casuïstiek kan onderzocht worden binnen het
programma Interbestuurlijke Datastrategie. De motie krijgt oordeel
Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 57 krijgt oordeel Kamer.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 58 van het lid Lammers vraagt mij om de
burgemeester de opdracht te geven te handhaven tegen Extinction
Rebellion. De inzet rond openbare orde en veiligheid en vooral rond de
Wet openbare manifestaties is echt aan de burgemeester zelf; die kan de
lokale omstandigheden het beste beoordelen. Ik ga deze motie dan ook
ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 58 is ontraden.
Minister Rijkaart:
De motie op stuk nr. 59, ook van het lid Lammers, gaat over het
verplicht referendum. Dat is echt aan het lokale bestuur; dat kan dit
het beste beoordelen. Ik ken ook voorbeelden waarbij er ook zonder
verplicht referendum het een en ander binnen gemeenten wordt
gedestilleerd. Ik wil dit ook echt bij het lokale bestuur laten en
derhalve de motie op stuk nr. 59 ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 59 is ontraden.
Minister Rijkaart:
Volgens mij ben ik er dan doorheen, voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Ik kijk even naar de leden. Missen we nog iets? Ik zie meneer Van
den Brink naar de interruptiemicrofoon lopen.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ik had nog één vraag over de subsidiëring van lokale partijen. U heeft
daar aan het begin van deze termijn iets over gezegd. Heb ik goed
begrepen dat u daarover zegt: "Dat kan gewoon niet dit jaar. Ik kan wel
andere dingen doen voor het lokale bestuur, maar ik kan geen geld
terecht laten komen bij lokale partijen"?
Minister Rijkaart:
Dat is inderdaad de systematiek vanuit het programma dat we hebben. Die
8,15 miljoen gaat dit jaar nog uitgegeven worden. Zelfs als het kan,
gaan we het in de uitvoering niet redden voor de
gemeenteraadsverkiezingen. Als je het dan wel al doet en je een heel
individueel subsidietraject opstelt, dan belast je de gemeenten met een
enorm subsidietraject, terwijl de wet waarin alles geregeld wordt op 1
januari 2027 in zou moeten gaan. Dat is de meest vloeiende manier om dit
te doen.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het debat over de
begroting van Binnenlandse Zaken.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. We stemmen
later, nadat alle begrotingsbehandelingen zijn afgerond, over de wet en
de amendementen. We stemmen dan dus ook over die van Binnenlandse
Zaken.
Om 13.30 uur gaan we verder met het debat over de begroting van Asiel en
Migratie. We schorsen dus tot 13.30 uur. Daarna gaan we door met Asiel
en Migratie.
De vergadering wordt van 13.05 uur tot 13.30 uur geschorst.