[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Kamerstuk 28973-288)

Toekomst veehouderij

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D05950, datum: 2026-02-06, bijgewerkt: 2026-02-09 10:36, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z00247:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 12 januari 2026 ‘Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties’ (Kamerstuk 28973, nr. 288).

De fungerend voorzitter van de commissie,

Podt

De griffier van de commissie,

Jansma

Inhoudsopgave

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie 

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie 

II Antwoord / Reactie van de minister voor Landbouw, Visserij,

Voedselzekerheid en Natuur

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken met betrekking tot de Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties. Deze leden hebben geen aanvullende vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de start van de internetconsultatie voor de Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr). Deze leden constateren dat het kabinet opnieuw inzet op bedrijfsbeëindiging, terwijl fundamentele knelpunten in het stikstof- en vergunningenbeleid onopgelost blijven. Dit roept bij deze leden ernstige vragen op over de vrijwilligheid, doelmatigheid en rechtsstatelijke onderbouwing van deze regeling.

Vrijwilligheid of verkapte dwang

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling als vrijwillig wordt gepresenteerd, terwijl boeren tegelijk worden geconfronteerd met vergunningsonzekerheid, handhavingsdreiging en juridisch stilstaand beleid. Hoe kan de minister volhouden dat er sprake is van echte vrijwilligheid, zolang boeren geen reëel perspectief hebben op legalisatie en voortzetting van hun bedrijf?

Uitkoop als standaardoplossing

De leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet opnieuw kiest voor bedrijfsbeëindiging in plaats van het oplossen van de kernproblemen: vastgelopen vergunningverlening en juridisering van het stikstofbeleid. Waarom zet het kabinet opnieuw in op het uitkopen van boeren, in plaats van eerst te zorgen voor rechtszekerheid en toekomstperspectief voor bedrijven die willen doorgaan?

Onduidelijke doelmatigheid

De leden van de PVV-fractie constateren dat het voor de Kamer niet inzichtelijk is welk stikstofeffect met deze regeling daadwerkelijk wordt behaald en tegen welke kosten. Kan de minister aangeven hoeveel stikstofreductie met deze regeling wordt verwacht, hoeveel bedrijven naar verwachting zullen deelnemen en wat de kosten per mol reductie zijn?

Brussel vóór de Kamer

De leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling op korte termijn ter pre-notificatie wordt aangeboden aan de Europese Commissie, terwijl de Kamer hierover nog niet inhoudelijk heeft gedebatteerd. Waarom kiest de minister ervoor Brussel voorrang te geven boven het parlement en welke beleidsruimte resteert de Kamer nog na pre-notificatie?

Lessen uit eerdere regelingen

De leden van de PVV-fractie constateren dat eerdere beëindigingsregelingen trage uitvoering, complexe voorwaarden en langdurige onzekerheid voor boeren kenden. Welke concrete verbeteringen zijn doorgevoerd ten opzichte van eerdere regelingen en kan de minister garanderen dat deelnemers niet opnieuw vastlopen in langdurige procedures?

Risico-inventarisatie bij beleid dat afwijkt van het EU-beleid

De leden van de PVV-fractie zijn voor de instandhouding van de Nederlandse boeren en daarmee ook voor de Nederlandse voedselzekerheid. Deze leden vinden dan ook dat dit leidend moet zijn. Graag zouden deze leden een concrete reactie van de minister ontvangen met alle risico’s en mogelijke gevolgen wanneer de Nederlandse regering echt achter de boeren gaat staan en daarmee geen gehoor geeft aan de onwerkbare beperkingen die Brussel ons oplegt.

Tot slot

De leden van de PVV-fractie benadrukken dat boeren geen probleem zijn dat moet worden ‘weggekocht’, maar ondernemers zijn die recht hebben op rechtszekerheid, eigendomsbescherming en een toekomst. Zolang het kabinet vasthoudt aan een stikstofbeleid dat bedrijven juridisch klemzet en uitkoop als oplossing presenteert, is geen sprake van vrijwilligheid maar van politieke druk. Deze leden verzetten zich tegen beleid dat het Nederlandse platteland verder uitholt in plaats van versterkt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de regering over Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat jonge boeren meer moeite hebben met financiële redzaamheid dan langer zittende boeren vanwege onder andere financiële opstartproblemen. Deze leden zijn van mening dat er een risico kan ontstaan dat jonge boeren hierdoor eerder geneigd zijn zichzelf aan te melden voor een vrijwillige beëindigingsregeling. Deze leden zien het belang van jonge boeren voor een toekomstbestendige sector en willen de toegang tot de sector toegankelijker maken. Zij vragen de minister in hoeverre er bij het opstellen van deze vrijwillige beëindigingsregeling rekening is gehouden met dit risico en in hoeverre en op welke wijze de regeling zo kan worden ingericht dat dit risico wordt beperkt.

De leden van de CDA-fractie merken op dat binnen de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus)was opgenomen dat de ondernemer bij vrijwillige uitkoop 15 procent van de omgevingsvergunning van een Natura 2000-activiteit kon behouden. Na de uitspraken van de Raad van State op 18 december 2024 inzake Rendac (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923) en Amercentrale (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909) is dit in de praktijk nagenoeg onmogelijk geworden vanwege de additionaliteitsvereiste en de ontbrekende stikstofruimte. Dit heeft er toe geleid dat een aanzienlijk aantal bedrijven zich uiteindelijk terugtrokken en niet meer wilden deelnemen aan de beëindigingsregeling. In de Vbr wordt ook een soortgelijke 15 procent-regeling opgenomen.

De leden van de CDA-fractie vragen de minister in hoeverre de uitspraken van 18 december 2024 ook invloed heeft op de voorgenomen 15 procent-regeling in deze nieuwe beëindigingsregeling. Ook vragen deze leden de minister in hoeverre en op welke wijze er rekening wordt gehouden met een scenario waarin deelnemers zich in de Vbr ook terugtrekken als blijkt dat er geen ruimte voor de 15 procent-regeling is.

De leden van de CDA-fractie constateren dat zaakbegeleiders worden ingezet in het ondersteunen van deelnemers van de Vbr. Deze leden merken op dat deze zaakbegeleiders een waardevolle rol vervullen en een unieke positie innemen die ook bij het opstellen van een nieuwe beëindigingsregeling kan worden benut. Deze leden zien de kennis en inzichten van de zaakbegeleiders uit zowel de Lbv en Lbv+ rals ook de gesprekken met Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders dan ook als zeer relevant voor de totstandkoming van de Vbr. Deze leden vragen de minister of en op welke wijze de zaakbegeleiders ook daadwerkelijk zijn en worden betrokken in de totstandkoming van de Vbr.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Vbr waarvoor 12 januari 2026 de internetconsultatie is gestart , gelezen en hebben daarover nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om de regeling zo in te richten dat veehouderijlocaties die volledig of deels gelegen zijn binnen een strook van 1000 meter rondom een overbelast en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied met voorrang aanspraak kunnen maken op subsidie, en daarnaast deelnemers buiten die gebieden geen vergoeding te geven voor sloopkosten.

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de minister kan reflecteren op de gevolgen van deze uitkoopregeling voor structuur op het platteland. Deze leden zien namelijk het risico dat gebiedsgericht nu erg veel agrarische bedrijven verdwijnen. Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als men breder kijkt dan alleen naar voedselproductie en financiën? Boeren voorzien ook in agrarisch natuurbeheer, educatie op hun bedrijf en neventakken zoals zorg en kinderopvang. Daarnaast is natuurlijk ook de structuur rondom agrarische bedrijven gevoelig voor het wegvallen van een groot aantal bedrijven in één gebied. Is daarnaar onderzoek gedaan? Wat zijn de gevolgen voor toeleveranciers, veeartsen, loonwerkers en andere bedrijven die afhankelijk zijn van de agrariërs?

De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wat de te verwachten gevolgen zijn voor het areaal blijvend grasland als deze uitkoopregeling succesvol is. Wat zouden de gevolgen zijn voor bijvoorbeeld de waterkwaliteit als het aandeel grasland afneemt door deze regeling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de conceptregeling voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging in de veehouderij die ter consultatie is voorgelegd. Deze leden hebben enkele vragen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat bij vorige saneringsregelingen relatief veel geld is geïnvesteerd in de sanering van relatief moderne stallen met relatief lage emissies per dierplaats en dat de regelingen minder aantrekkelijk waren voor bedrijven met verouderde stallen en relatief hoge emissies per dierplaats. Deelt de minister deze analyse? Deelt zij de mening van deze leden dat dit niet bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en geen doelmatige besteding van middelen is? Deelt de minister de analyse van deze leden dat de voorgestelde beëindigingsregeling opnieuw aantrekkelijker is voor bedrijven met relatief moderne stallen dan voor bedrijven met verouderde stallen? Ziet de minister mogelijkheden om de regeling zo in te richten dat het bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en de regeling aantrekkelijker wordt voor bedrijven met verouderde stallen? Deze leden wijzen in dit verband op de mogelijkheid om een koppeling te maken met de verplaatsingsregeling, zodat de verouderde stallen van een ondernemer die door wil gaankunnen worden gesloopt, maar de ondernemer door kan gaan op een locatie met modernere stallen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat er in de varkenshouderij zorgen zijn over de gevolgen van de verschillende saneringsregelingen voor de balans tussen het aantal zeugen en het aantal vleesvarkens, omdat relatief veel vleesvarkensbedrijven worden gesaneerd en een groter deel van de biggen geëxporteerd zal moeten worden. Hoe weegt de minister dit, zo vragen deze leden.

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de minister heeft gekozen voor een selectie op basis van wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Zijn vanuit het oogpunt van doelmatigheid andere varianten overwogen? Zo ja, welke? Waarom is hier niet voor gekozen? Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor prioritering op basis van euro’s per vermeden kilogram stikstofuitstoot in combinatie met de afstand tot de stikstofgevoelige natuur?

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister mogelijkheden ziet voor een regeling voor veehouders die vanwege het ontbreken van een opvolger binnen afzienbare termijn willen stoppen en met deze regeling contractueel akkoord gaan met bedrijfsbeëindiging binnen een afgesproken termijn, inclusief de garantie dat ze in de tussentijd niet meer hoeven te investeren in nieuwe milieu- of dierenwelzijnseisen.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de minister mogelijkheden ziet om gedeeltelijke bedrijfsbeëindigingen in de opkoopregeling mee te nemen, bijvoorbeeld bij gemengde bedrijven die een tak willen afstoten of bij bedrijven die een verouderde stal willen slopen.

De leden van de SGP-fractie zien risico’s voor de ontwikkeling van de waterkwaliteit als vrijkomende graslanden omgezet worden in bouwland. Hoe wordt, bijvoorbeeld door inzet van de Nationale Grondbank, omzetting van grasland in bouwland zoveel mogelijk voorkomen, zo vragen deze leden.

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom opnieuw een beroepsverbod binnen dezelfde veehouderijtak, ook binnen Nederland, is opgenomen, terwijl door de opkoop van de productie- en fosfaatrechten in combinatie met bijbehorend stelsel al is verzekerd dat het aantal dieren op nationale schaal afneemt. De op een op te kopen locatie stoppende veehouder kan immers alleen elders verder als hij bestaande productie- en fosfaatrechten overneemt.

 
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties en hebben hier een aantal vragen over.

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister te reflecteren op het onderzoek van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) (Rli, februari 2026 ‘Grond voor verbetering’ (https://www.rli.nl/publicaties/2026/advies/grond-voor-verbetering)), waarin wordt geconcludeerd dat de overheid de verduurzaming van de landbouw belemmert. Zo wordt bij de uitkoop van veehouderijen niet de grond opgekocht. Deze gronden worden vervolgens door de uitgekochte veehouders verpacht of verkocht aan de hoogste bieders, vaak voor intensieve teelten waarvoor veel landbouwgif wordt gebruikt, zoals aardappel- en lelieteelt.

De leden van de PvdD-fractie vragen of de minister de mening van deze leden deelt dat dit zeer onwenselijk is. Zo nee, waarom niet? Is zij bereid om, conform het advies van de Rli, actiever in te grijpen op de grondmarkt om zo maatschappelijke doelen te realiseren? Zo nee, waarom niet? Ziet de minister mogelijkheden om, in lijn met het advies van de Rli, de aankoop van grond onderdeel uit te laten maken van de beëindigingsregelingen, zodat deze grond vervolgens kan worden verkocht of verpacht ten behoeve van biologische, plantaardige teelten? Zo nee, waarom niet? Ziet zij dan mogelijkheden om via flankerend beleid ervoor te zorgen dat gronden die vrijkomen bij beëindigingsregelingen niet mogen worden verpacht of verkocht voor intensieve teelten maar uitsluitend mogen worden gebruikt voor biologische en plantaardige landbouw, indien de minister hier niet toe bereid is? Zo nee, waarom niet?

De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de minister het verder opdrijven van de hoge prijzen van landbouwgrond, wat vaak wordt aangejaagd door beleggers en speculanten, tegengaat.

De leden van de PvdD-fractie verzoeken de minister te reageren op de kritische inbreng van de Caring Farmers bij de internetconsultatie en expliciet in te gaan op de door hen genoemde punten.

De leden van de PvdD-fractie zijn voorts van mening dat het niet uit te leggen is dat er met belastinggeld stallen worden opgekocht in het kader van beëindigingsregelingen, maar dat op andere plekken veehouders nieuwe stallen bouwen of uitbreiden. Is de minister bereid om een landelijk moratorium voor nieuwe stallen en voor de uitbreiding van veehouderijen in te stellen? Zo nee, waarom niet? Is de minister tevens bereid om binnen de beëindigingsregeling prioriteit te geven aan niet-dierwaardige sectoren en stallen? Zo nee, waarom niet?

II Antwoord / Reactie van de minister