[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Brief regering

Nummer: 2026D05987, datum: 2026-02-06, bijgewerkt: 2026-02-09 10:13, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4261 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel van zaak 2026Z02668:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Fiche 2: Omnibuspakket veiligheid van voedsel en diervoeder

  1. Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

  • Proposal for a regulation amending Regulation 528/2012 – extension of certain data protection periods 2025/0408 (COD).

  • Proposal for a directive amending Council Directive 98/58/EC and EP and Council Directive 2009/128/EC and repealing Council Directives 82/711/EEC and 85/572/EEC – simplification and strengthening of food and feed safety requirements.

  • Proposal for a regulation amending Regulations 999/2001, 1829/2003, 1831/2003, 852/2004, 853/2004, 396/2005, 1099/2009, 1107/2009, 528/2012, 2017/625 – simplification and strengthening of food and feed safety requirements (SWD(2025) 1030 final).

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

16 december 2025.

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2025) 1020 final, COM(2025) 1021 final en COM(2025) 1030 final.

  1. EUR-Lex

EUR-Lex - COM:2025:1020:FIN - EN - EUR-Lex

EUR-Lex - COM:2025:1021:FIN - EN - EUR-Lex

EUR-Lex - COM:2025:1030:FIN - EN - EUR-Lex

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

Niet opgesteld.

  1. Behandelingstraject Raad

Raad Algemene Zaken (RAZ).

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), in nauwe samenwerking met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).

  1. Rechtsbasis

  • Proposal for a regulation amending Regulation 528/2012 – extension of certain data protection periods 2025/0408 (COD): Artikel 114 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).

  • Proposal for a directive amending Council Directive 98/58/EC and EP and Council Directive 2009/128/EC and repealing Council Directives 82/711/EEC and 85/572/EEC – simplification and strengthening of food and feed safety requirements: Artikelen 43, lid 2, 114 en 192, lid 1 VWEU.

  • Proposal for a regulation amending Regulations 999/2001, 1829/2003, 1831/2003, 852/2004, 853/2004, 396/2005, 1099/2009, 1107/2009, 528/2012, 2017/625 – simplification and strengthening of food and feed safety requirements (SWD(2025) 1030 final): Artikelen 43, lid 2, 114, 168, lid 4, onder b, en 192, lid 1 VWEU.

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid.

  1. Rol Europees Parlement

Medebeslissing.

2. Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

Op 16 december 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) het Omnibuspakket over voedsel- en diervoederveiligheid gepubliceerd. Dit pakket bevat drie voorstellen waarmee drie richtlijnen en elf verordeningen worden aangepast. Het maakt deel uit van een bredere serie Omnibusvoorstellen die zijn bedoeld om Europese regelgeving te vereenvoudigen. De voorstellen zijn eerder aangekondigd in de Visie voor Landbouw en Voedsel.1

Gewasbeschermingsmiddelen

De Commissie constateert dat boeren steeds minder mogelijkheden hebben om hun gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen. Door klimaatverandering nemen de uitdagingen toe, terwijl het aantal toegelaten werkzame stoffen afneemt. Om de introductie van zogenoemde biocontrolmiddelen of ‘groene middelen’ te versnellen, stelt de Commissie aanpassingen voor die de toelatingsprocedures vereenvoudigen in verordening nr. 1107/2009 en richtlijn 2009/128 (gewasbeschermingswetgeving). Deze maatregelen moeten bijdragen aan duurzamere gewasbescherming en het gebruik van meer risicovolle chemische middelen verminderen.

Er worden in het voorstel diverse maatregelen genomen om de toepassing en toelating van werkzame stoffen voor biocontrol en laagrisicomiddelen te stimuleren. Zo wil de Commissie de toelating van biocontrol en laagrisicomiddelen stimuleren door een duidelijke definitie van biocontrolstoffen vast te leggen. Ook worden de procedures voor het verkrijgen van de status van laagrisicomiddel en basisstof vereenvoudigd. Aanvragen voor biocontrolmiddelen krijgen voortaan voorrang bij beoordeling, en lidstaten kunnen deze middelen onder voorwaarden tijdelijk toelaten voordat een volledige toelating is afgerond. In sommige gevallen kan een toelating stilzwijgend worden verleend wanneer niet tijdig wordt beslist. Bovendien vervalt voor professionele gebruikers de verplichting om gebruiksgegevens van biocontrolmiddelen bij te houden.

Daarnaast stelt de Commissie een verandering van de systematiek voor herbeoordelingen van werkzame stoffen voor. De huidige periodieke herbeoordelingen zorgen volgens de Commissie voor vertragingen, terwijl dat niet altijd nodig is vanuit risicoperspectief. Daarom wordt voorgesteld om over te stappen op een risicogestuurd systeem zonder vaste goedkeuringsperiode. De Commissie stelt voor om stoffen geen vastgestelde goedkeuringstermijn te geven (met uitzondering op stoffen die tijdelijk toegelaten zijn of waar zorgen over bestaan). Verder wordt de respijtperiode na beëindiging van een toelating verlengd, tenzij het gaat om middelen met ernstige risico’s voor mens, dier of milieu.

De Commissie stelt voor dat de laatste Europese beoordeling van een werkzame stof geldt als de actuele wetenschappelijke standaard. Lidstaten kunnen bij nieuwe inzichten een geharmoniseerde herziening aanvragen. De eisen rondom het beschermen van gegevens voor toelatingen worden aangepast om dit te harmoniseren. De Commissie stelt ook procedurele aanpassingen voor om via wederzijdse erkenning toelatingen tussen lidstaten te vergemakkelijken, met name voor biocontrolmiddelen en kleine toepassingen. Voor kleine toepassingen worden bovendien enkele barrières verwijderd en kan de Commissie nationale procedures harmoniseren via uitvoeringsverordeningen. Overgangsbepalingen moeten zorgen voor een soepele overgang naar het nieuwe systeem.

Het voorstel maakt het onder strikte voorwaarden mogelijk om drones te gebruiken voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Lidstaten kunnen een algemene vrijstelling verlenen van het verbod op luchttoepassing voor door de Commissie aangewezen typen drones, mits is aangetoond dat toepassing met drones geen grotere risico’s voor mens en milieu oplevert dan grondgebonden toepassing, en mits het gewasbeschermingsmiddel specifiek is toegelaten voor toepassing met drones.

Maximale residulimieten

De Commissie stelt wijzigingen voor op het gebied van maximale residulimieten (MRL’s) van bestrijdingsmiddelen, in verordening nr. 396/2005 (MRL-verordening). De MRL is de maximale wettelijke hoeveelheid van een actieve stof die in/op levensmiddelen voor mag komen. Derde landen kunnen vaststelling van een MRL aanvragen voor geïmporteerde producten wanneer de gebruikte stof in de EU niet is toegelaten. Dit kan worden toegekend mits uit risicoanalyses blijkt dat toelating geen risico voor de voedselveiligheid oplevert.

In lijn met de Visie voor Landbouw en Voedsel streeft de Commissie ernaar te voorkomen dat gevaarlijke stoffen die in de EU zijn verboden, via ingevoerde producten alsnog in de EU komen. Hiervoor is in november 2025 een impact assessment gestart waarvan de eerste resultaten in de zomer van 2026 worden verwacht.

In de tussentijd stelt de Commissie voor om aan te geven dat MRL’s voor stoffen met bepaalde gevaarseigenschappen2 die zijn vastgesteld op basis van goede landbouwpraktijken in derde landen of op de normen van de Codex3, kunnen worden ingetrokken indien dit passend wordt geacht in het licht van de uitkomst van een impact assessment voor MRL’s. De voorwaarden en criteria van deze impact assessment zijn niet duidelijk en moeten verder uitgewerkt worden. De term ‘invoertolerantie’ moet worden geschrapt om misverstanden te voorkomen. Hierbij wordt dan duidelijk gemaakt dat de definitie voor goede landbouwbouwpraktijken voor het vaststellen van MRLs, voor zowel binnen de EU als voor derde landen van toepassing is.

Daarnaast wil de Commissie overgangsmaatregelen mogelijk maken zodat producten die bij productie, opslag of verhandeling voldeden aan de toen geldende MRL’s, ook na wijziging van die limieten in de handel kunnen blijven. Daarmee voorkomt zij dat producten – vooral met een lange houdbaarheid – onnodig uit de markt worden gehaald en vernietigd, wat voedselverspilling en economische schade vermindert. Ook stelt de Commissie voor om tijdelijke MRLs die worden vastgesteld in bepaalde omstandigheden permanent vast te stellen.

Biociden

Het voorstel voor de Biocidenverordening (BPR, nr. 528/2012) bevat drie belangrijke wijzigingen.

Ten eerste stelt de Commissie voor om goedkeuringen voor werkzame stoffen voor onbepaalde tijd te verlenen. Bestaande goedkeuringen worden omgezet, behalve voor stoffen [1] die onder uitsluitings- of vervangingscriteria vallen, [2] waarvan herzieningen reeds lopen, [3] die vanwege de risicobeoordeling niet de maximale goedkeuringstermijn krijgen, en [4] waarvoor geen tijdige herzieningsaanvraag is ingediend. Ten tweede worden uitvoeringsbesluiten over toelatingen van de Unie periodiek samengevat door de Commissie in het Publicatieblad gepubliceerd. Ten derde wordt de bescherming van gegevens voor werkzame stoffen waarvan vóór 7 juni 2018 geen besluit is genomen, verlengd tot 31 december 2030.

Fermentatieproducten

De Commissie doet een voorstel om de juridische status van fermentatieproducten die met behulp van genetisch gemodificeerde micro-organismen (GMM) zijn geproduceerd, te verduidelijken. Het voorstel van de Europese Commissie houdt in dat fermentatieproducten die zijn verkregen met behulp van GMM als productiestam, worden uitgesloten van de definitie van 'geproduceerd met GGO's' (genetisch gemodificeerde organismen). Dit betekent dat ze niet onder het toepassingsgebied van de GGO-verordening (EG) nr. 1829/2003 vallen.

Diervoederadditieven

De Commissie doet op hoofdlijnen drie voorstellen voor verordening nr. 1831/2003 over toelating diervoederadditieven. Ten eerste wordt voorgesteld om toelatingen voor onbepaalde duur te laten gelden.

Ten tweede wordt het eenvoudiger voor de houder van de vergunning om toelatingen te wijzigen. Ten derde wordt het mogelijk om etiketten deels te digitaliseren. Het gaat dan om bepaalde informatie die niet gerelateerd is aan de veiligheidsvoorschriften behorende bij het additief, bijvoorbeeld het batchnummer.

Voedselhygiëne

Met betrekking tot verordeningen nr. 852/2004 en nr. 853/2004, stelt de Commissie voor om de huidige dubbele kennisgevingsprocedures voor nationale maatregelen rond voedselhygiëne te vervangen door de algemene Technical Regulations Information System (TRIS)-kennisgevingsprocedure van Richtlijn nr. 2015/1535.

Dierenwelzijn

De Commissie doet voor verordening nr. 1099/2009 over de bescherming van dieren bij het doden een voorstel voor het verminderen van dubbelingen in rapportageverplichtingen. Ook wordt een overbodige registratieplicht in richtlijn nr. 98/58 geschrapt omdat deze al onder andere regelgeving4 valt. Het niveau van dierenwelzijnsbescherming blijft ongewijzigd.

Transmissible Spongiforme Encefalopathie

Boviene Spongiforme Encefalopathie (hierna: BSE), beter bekend als gekkekoeienziekte is een voorbeeld van een Transmissible Spongiforme Encefalopathie (hierna: TSE), een groep dierziekten. De Commissie doet een voorstel om de regels voor TSE’s en BSE in verordening nr. 999/2001 te moderniseren om beter aan te sluiten bij de World Organisation for Animal Health (WOAH)-standaard van 2023 en recente adviezen van de European Food Safety Authority (EFSA). Omdat het BSE-risico in de EU aanzienlijk is afgenomen, worden de regels flexibeler en beter afgestemd op de epidemiologische situatie.

Officiële controleverordening

De Commissie stelt voor om de officiële controleverordening (EU nr. 2017/625) te wijzigen om het splitsen van importzendingen mogelijk te maken. Zo kan de importinspectie voor een deel van de zending worden afgerond, terwijl een ander deel nog wacht op verdere inspectie zoals een laboratoriumanalyse. Daarnaast krijgt de Commissie meer ruimte om in gedelegeerde handelingen vast te leggen onder welke voorwaarden laboratoria als officiële of referentielaboratoria kunnen worden erkend.

Divers

De Commissie stelt voor om richtlijnen nr. 82/711 en nr. 85/572 te schrappen, omdat verordening nr. 10/2011 volledig voorziet in regels voor het testen van migratie van bestanddelen van materialen en voorwerpen van kunststof die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen.

  1. Impact assessment Commissie

Er is geen impact assessment uitgevoerd door de Commissie. Het kabinet hecht er waarde aan dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijk impact assessment. Dit mag ook verwacht worden vanuit de agenda voor betere regelgeving van de Commissie. Zonder een impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de economische, sociale, ecologische gezondheidsgevolgen van de wijzigingen in wetgeving. De urgentie van de voorstellen laat volgens de Commissie echter geen ruimte voor een dergelijke toets.

  1. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het Nederlandse beleid op de dossiers waarop de Commissie via dit Omnibuspakket voorstellen doet, is in de kern gericht op een hoog beschermingsniveau voor mens, dier en milieu, gecombineerd met wetenschappelijk onderbouwde en uitvoerbare regelgeving. Het kabinet ondersteunt vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie van Europese regels, zolang deze bijdragen aan innovatie, verduurzaming en een gelijk speelveld, en het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu, wordt gehandhaafd. Het kabinet heeft gereageerd op de publieke consultatie van dit Omnibuspakket.5

Voor gewasbeschermingsmiddelen zet het kabinet actief in op het versnellen van de markttoelating en toepassing van biocontrol en laagrisicomiddelen, onder meer via het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030. Daarbij is de wetenschap leidend en wordt gewerkt aan het verminderen van emissies, het verbeteren van de waterkwaliteit en het versterken van weerbare teeltsystemen. De Kamer vraagt regelmatig om deze inzet via moties.6 Verkorting van procedures en doorlooptijden is een speerpunt van het kabinet, met behoud van veiligheid. Het gebruik van drones voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen is momenteel niet toegestaan, maar het kabinet voorziet belangrijke kansen voor innovatie op het gebied van precisietoepassingen en wil deze kansen verzilveren.

Het Nederlandse beleid op het gebied van biociden is vormgegeven in het strategisch kader biociden.7 Biociden vervullen een maatschappelijk belang, maar brengen ook risico’s met zich mee voor mens, dier en milieu. Daarom streeft het kabinet naar verantwoord gebruik: biociden mogen alleen worden ingezet als dit strikt noodzakelijk is, met prioriteit voor niet-chemische alternatieven.

Het Nederlandse beleid ter voorkoming van BSE is primair gericht op preventie en het doorbreken van de besmettingsroute. Dit beleid bestaat uit een strikt verbod op het gebruik van dierlijke eiwitten in diervoeder voor herkauwers, de verplichte verwijdering en vernietiging van specifiek risicomateriaal, gerichte monitoring van risicodieren en volledige traceerbaarheid van runderen.

Door deze maatregelen en strikt toezicht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft Nederland de status van verwaarloosbaar BSE-risico.

Voor officiële controles en import van plantaardig materiaal is efficiëntie een belangrijk uitgangspunt, gelet op de logistieke positie van Nederland als doorvoerland. Het Nederlandse beleid zet daarom in op voldoende capaciteit van nationale referentielaboratoria en passende accreditatiekaders.

Ten aanzien van MRLs, diervoederadditieven, dierenwelzijn, hygiëneregels, migratietesten voor kunststoffen en GGO-gerelateerde regelgeving volgt het kabinet het Europese kader en zet het in op harmonisatie en verantwoord gebruik. In het biotechnologiebeleid8 streeft het kabinet naar duidelijke, voorspelbare en uitvoerbare regelgeving en naar het voorkomen van onnodige administratieve lasten.

  1. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet staat in beginsel positief tegenover het Omnibuspakket en onderschrijft de doelstelling van vereenvoudiging, versnelling en harmonisatie van EU-regelgeving, zolang het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu wordt gehandhaafd. Het kabinet steunt het pakket waar vereenvoudiging en efficiëntie bijdragen aan innovatie, uitvoerbaarheid en een gelijk speelveld binnen de EU. Het kabinet is voorstander van een verlaging van onnodige regeldruk en wil inzetten dat dit concreet onderdeel zal zijn in het Omnibus pakket. Het kabinet is wel kritisch en heeft voorwaarden waar voorstellen risico’s kunnen opleveren voor veiligheid, milieu, uitvoerbaarheid of internationale verplichtingen. Het kabinet wil voorkomen dat de voorstellen Europese en nationale doelen ondermijnen. Dit sluit aan bij de motie van Kamerleden Podt (D66) en Bromet (GL/PvdA) die op 18 december 2025 is aangenomen over dit Omnibuspakket (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1744). Een impact assessment is belangrijk om inzicht te krijgen in hoeverre de oplossingen bijdragen aan het geconstateerde probleem, wat de oplossingen bijdragen aan bescherming mens, dier en milieu, wat de economische impact is en wat de juridische implicaties zijn.

Gewasbeschermingsmiddelen

Het kabinet staat positief tegenover de voorgestelde maatregelen om de toelating en toepassing van biocontrol en laagrisicomiddelen te stimuleren, waaronder versnelde en voorlopige toelatingen. Biocontrol vormt volgens het kabinet een belangrijke schakel voor een robuust en toekomstbestendig teeltsysteem. Daarbij is het voor het kabinet wel essentieel dat een strikte definitie van biocontrol wordt gehanteerd; breedwerkende toxische stoffen van biologische oorsprong dienen daar niet onder te vallen. Het kabinet staat daarom kritisch tegenover stilzwijgende toelating van middelen op basis van dergelijke stoffen zolang deze definitie niet wordt aangescherpt. Verder pleit het kabinet ervoor het gebruik van biocontrol door professionele gebruikers te blijven registreren, zo nodig in vereenvoudigde vorm.

Het kabinet onderschrijft dat het huidige EU-toelatings- en herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen onvoldoende efficiënt functioneert en staat open voor een hervorming van dit systeem, zolang het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu blijft gewaarborgd en waar nodig wordt verhoogd. Het kabinet blijft ook open staan voor andere alternatieven om hetzelfde effect te bereiken. Cruciaal bij de inrichting van zo’n systeem is een robuust, wetenschappelijk onderbouwd werkprogramma voor (her)beoordelingen, waarin nieuwe inzichten tijdig worden meegenomen, het voorzorgsbeginsel wordt gehanteerd en de bewijslast bij producenten blijft liggen.

Het kabinet vindt dat het werkprogramma in het voorstel nog onvoldoende is uitgewerkt en pleit voor duidelijke randvoorwaarden, vaste termijnen en een proactief Europees signaleringssysteem.9 Het kabinet steunt dat stoffen waarvoor zorgen bestaan, zoals candidates for substitution, worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd. Bovendien zal het kabinet zich inzetten dat stoffen waarvoor zorgen bestaan vanuit de KRW, zoals de prioritaire stoffen, ook worden uitgesloten van goedkeuring voor onbepaalde tijd. Het wegvallen van de periodieke herbeoordeling van werkzame stoffen heeft ook gevolgen voor de periodieke herbeoordeling van de middelen op basis van deze stoffen. Het kabinet vindt het niet logisch dat binnen het nieuwe systeem de werkzame stoffen risicogestuurd worden herbeoordeeld, maar dat de herbeoordeling voor middelen wel periodiek verplicht blijft op nationaal niveau. Dit leidt volgens het kabinet tot een inefficiëntere inzet van de capaciteit van de nationale toelatingsautoriteiten en uitvoeringsproblemen, wat tot gevolg kan hebben dat het niveau van bescherming daalt.

Het kabinet vindt het wel van groot belang dat, indien er twijfels of (wetenschappelijke) aanwijzingen zijn, gegarandeerd is dat middelen en de werkzame stoffen ervan altijd tussentijds herbeoordeeld worden, bijvoorbeeld wanneer er zorgen over mogelijke risico’s voor water of omwonenden. Het kabinet vindt het cruciaal dat in het voorstel is opgenomen dat lidstaten herbeoordelingen kunnen aandragen voor het voorgestelde werkprogramma van herbeoordelingen. Het Ctgb heeft daarbij gezien haar bevoegdheid een grote rol. Het Ctgb zal erop toezien dat de laatste wetenschappelijke inzichten en aanwijzingen een plaats krijgen in de herbeoordelingen in het voorgestelde Europese werkprogramma. Het kabinet zal het Ctgb hierin steunen. Het is uit oogpunt van efficiëntie van belang dat o.a. vanwege de waterrijke omstandigheden in NL benodigde nationale beoordelingen gebaseerd worden op die nieuwe herbeoordelingen. Voorkomen moet worden dat tijd en capaciteit verspild wordt aan verplichte nationale beoordelingen die gebaseerd zijn op oude-stofbeoordelingen.

Het kabinet kan de wijzigingen over kleine toepassingen, vereenvoudiging van gegevensbescherming, het aanscherpen van de definitie van behandeld uitgangsmateriaal en het vervallen van de verplichting tot uitfaseringsplannen steunen. Het kabinet vraagt hierbij wel aandacht voor de samenhang met andere wetgeving en ruimte voor nationale omstandigheden, zoals de KRW en de Drinkwaterrichtlijn en het EU-beleid voor herstel van natuur en biodiversiteit.

Het is momenteel nog onduidelijk wat de effecten zullen zijn van een meer risico-gebaseerde herbeoordeling van stoffen en het verlengen van de maximale respijtperiode op de markttoegang en toepassing van biocontrol middelen. Het kabinet acht het daarom van belang dat deze effecten nauwgezet wordt gemonitord en dat de Commissie hier jaarlijks over rapporteert, zodat kan worden vastgesteld of dit beleid ook daadwerkelijk effectief bijdraagt aan toepassing van biocontrol middelen en daarmee het verbeteren van biodiversiteit (landbouwgewassen bestuivende insecten), milieu- en waterkwaliteit en vermindering van blootstelling van toepassers en omwonenden.

Het kabinet ziet de potentie van nieuwe toepassingstechnieken zoals drones en steunt daarom het voorstel hierop. Onderzoek heeft aangetoond dat bij toepassing van spuitdrones momenteel niet wordt voldaan aan minimale eisen t.a.v. drift en dosering en daarmee een mogelijk risico vormt voor het realiseren van waterkwaliteitsdoelen (KRW en Drinkwaterrichtlijn). Tegelijkertijd gaat de technologische ontwikkeling van drones in een razendsnel tempo. Het Kabinet vindt het daarom belangrijk dat spuitdrones alleen worden toegepast wanneer wetenschappelijk is aangetoond dat deze voldoen aan de strenge eisen voor drift en dosering.

Om het effect van de innovatie van dronegebruik voor gewasbescherming te kunnen monitoren is het kabinet van mening dat de data voor locatie, tijd en concentratie van applicatie beschikbaar komen voor inspectie en onderzoek.

Maximale residulimieten

In het voorstel van de Commissie wordt een wijziging voorgesteld ten aanzien van de eisen van de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde producten (MRLs). Het kabinet hecht waarde aan de uitvoering van het op 25 november 2025 gelanceerde impact assessment, voordat de verordening hierop wordt aangepast. Het impact assessment is aangekondigd in de Visie voor Landbouw en Voedsel en onderzoekt de gevolgen voor de concurrentiepositie van de EU en de internationale implicaties.

Ten aanzien van de overgangsmaatregelen die de Commissie voorstelt bij wijziging van de MRLs, is het belangrijk dat het gaat om de datum waarop producten in de EU in de handel of in opslag zijn gebracht. Anders bemoeilijkt dit de grenscontrole.

Het kabinet staat kritisch tegenover het steunen van het voorstel om in bepaalde omstandigheden de MRLs niet tijdelijk maar permanent vast te stellen. Het is goed om aandacht te blijven houden voor deze stoffen en regelmatig een herbeoordeling uit te voeren. Het huidige voorstel dat MRLs te allen tijde kunnen worden herzien in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis, is hierin te vrijblijvend.

Biocidenverordening

Het kabinet onderschrijft de analyse van de Commissie over de voortgang van het werkprogramma onder de Biocidenverordening (BPR) en verwelkomt de voorgestelde maatregelen om dit programma te versnellen, inclusief de verlenging van de gegevensbescherming.10 Het is van cruciaal belang dat het werkprogramma zo spoedig mogelijk wordt afgerond, aangezien dit bijdraagt aan een geharmoniseerd Europees speelveld en een betere bescherming van mens, dier en milieu. Dit standpunt is ook uiteengezet in een brief11 van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan de Eurocommissaris uit 2021. Om een goede inschatting te maken van de effecten van het voorstel op het beoordelingssysteem om een onbeperkte goedkeuringstermijn te hanteren, stelt het kabinet voor deze eerst te onderzoeken in het lopende evaluatietraject12 van de BPR. Resultaten hiervan worden in 2027 verwacht. Het kabinet vindt het huidige plan nog onvoldoende uitgewerkt en wil voorkomen dat het voorstel om een onbeperkte goedkeuringstermijn te hanteren resulteert in de remming van innovatie en het omkeren van de bewijslast. Tevens mag het niet op termijn de hoge beschermingsdoelen van de verordening, of de realisatie van de doelen van Europese richtlijnen zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW)13, de Drinkwaterrichtlijn14, de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natuurherstelverordening ondermijnen. De door de Kamer aangenomen motie15 vraagt om deze zorgvuldigheid. Het kabinet ziet mogelijkheden om binnen het huidige systeem werkzame stoffen risicogestuurd te herzien, waarmee het door de Europese Commissie beoogde doel kan worden gerealiseerd. Het kabinet heeft hiervoor pragmatische aanpassingen16 voorgesteld. Vergaande aanpassingen kunnen in het kader van de evaluatie verder worden uitgewerkt. Ten slotte mist het kabinet in deze omnibusverordening voorstellen om horizontale harmonisatie tussen verordeningen in lijn met het ‘one substance, one assessment’-principe te bevorderen. Dit geldt met name voor de samenhang met de GWB-, REACH-, CLP- en MRL-verordeningen en de GGO-richtlijn17.

Fermentatieproducten

Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om de juridische status van fermentatieproducten geproduceerd met behulp van GMM te verduidelijken, aangezien de huidige situatie leidt tot onzekerheden en uiteenlopende handhavingspraktijken. Het kabinet vindt het belangrijk dat de regelgeving duidelijkheid biedt en deze consistent geïnterpreteerd wordt door alle lidstaten. Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om levensmiddelen en diervoederproducten die zijn verkregen met behulp van GMM als productiestam en waarvan het GMM is verwijderduit te sluiten van de definitie van 'geproduceerd met GGO’s'.

Het kabinet is het eens met de Commissie dat eventuele DNA-residuen van GMM tot een minimum beperkt moeten worden, geen technologisch effect mogen hebben op het eindproduct en geen levensvatbare cellen mogen bevatten. Daarbij heeft het kabinet wel nog enkele vragen hoe eventuele schadelijke effecten op de gezondheid van mens, dier of milieu worden beoordeeld. Het kabinet zal zich ervoor inzetten om hier meer duidelijkheid op te verkrijgen.

Diervoederadditieven

Ten aanzien van de toelatingen voor diervoederadditieven verschuiven de kosten voor het monitoren van de veiligheid van het bedrijfsleven naar EFSA en de lidstaten. Dit acht het kabinet zeer onwenselijk. Ten aanzien van de overige voorstellen voor de diervoederadditieven is het kabinet het eens met de richting, maar ziet het kabinet in de uitwerking nog verbeterpunten, bijvoorbeeld voor wat betreft het handhaven en borgen van de voedselveiligheid.

Transmissible Spongiforme Encefalopathie

Het kabinet steunt in principe de wijzigingen voor regelgeving rondom TSE’s, zoals BSE, mits wijzigingen wetenschappelijk onderbouwd zijn en aansluiten bij internationale standaarden, en met de kanttekening dat het EU-kader een hoog niveau van diergezondheid en voedselveiligheid moet blijven waarborgen. Een aandachtspunt is dat dit voorstel de Commissie in staat stelt om bijlagen van de verordening met gedelegeerde handelingen te veranderen. Het kabinet vindt het van groot belang dat er een verplichte EFSA-opinie is bij dergelijke wijzigingen, omdat dit moet gebeuren op basis van wetenschappelijke kennis en internationale standaarden.

Officiële controleverordening

Het kabinet steunt de voorstellen van de Commissie op de Officiële controleverordening (OCR). Deze voorstellen helpen om de verordening beter te laten aansluiten bij de praktische uitvoering van importinspecties. Het kabinet zal ook verdere versimpelingsvoorstellen ten aanzien van plantaardig materiaal inbrengen in de Raadsonderhandelingen om de controleverordening nog beter te laten aansluiten op de logistiek van import van plantaardig materiaal. Ook ten aanzien van accreditatievereisten van laboratoria steunt het kabinet de voorstellen van de Commissie. Het kabinet verwacht dat de voorgestelde regels een positief effect zullen hebben op de officiële laboratoria. Het kabinet zal benadrukken dat de Commissie snel na goedkeuring van het voorstel een gedelegeerde handeling moet opstellen om de mogelijkheid te bieden dat laboratoria niet voor alle toetsen ISO 17025 gecertificeerd hoeven te zijn waar dat in de praktijk onhaalbaar is. Het intrekken van verouderde richtlijnen en het verminderen van administratieve verplichtingen sluit aan bij de Nederlandse inzet op regeldrukvermindering en rechtszekerheid.

Divers

Het kabinet kan de voorstellen tot wijzigingen van regelgeving voor dierenwelzijn, hygiëneregels en voor migratietesten voor kunststoffen die in contact staan met levensmiddelen steunen. Hiermee wordt regelgeving efficiënter en wordt regeldruk verlaagd.

  1. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor zowel de verordeningen als de richtlijn is positief.

    Het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 528/2012 is gebaseerd op artikel 114 van het VWEU. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om de maatregelen vast te stellen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Het is dezelfde rechtsgrondslagen die reeds van toepassing is op verordening die gewijzigd wordt.

    Het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 1829/2003, (EG) nr. 1831/2003, (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1099/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 528/2012 en (EU) nr. 2017/625 is gebaseerd op

    artikel 43(2), artikel 114, artikel 168(4)(b) en artikel 192(1) van VWEU.

    Het voorstel voor een richtlijn tot wijziging van richtlijnen nrs. 98/58/EC en 2009/128/EC en tot intrekking van richtlijnen nrs. 82/711/EEC en 85/572/EEC is gebaseerd op artikel 43(2), artikel 114 en artikel 192(1) van VWEU.

    Artikel 43(2) van het VWEU geeft de EU de bevoegdheid om bepalingen vast te stellen die nodig zijn om de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na te streven. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om de maatregelen vast te stellen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Artikel 168(4)(b) geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen op veterinair en fytosanitair gebied aan te nemen die rechtstreeks gericht zijn op de bescherming van de volksgezondheid. Artikel 192(lid 1), geeft de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen ter verwezenlijking van onder andere de bescherming van de gezondheid van de mens en het behoud, de bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen. Het zijn dezelfde rechtsgrondslagen die reeds van toepassing zijn op de richtlijnen en verordeningen die gewijzigd worden, te weten verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 1829/2003, (EG) nr. 1831/2003, (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1099/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 528/2012, (EU) 2017/625, (EU) 528/2012 en richtlijnen nr. 98/58/EC en nr. 2009/128/EC. Op het terrein van landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, op het terrein van de interne markt, op het terrein van gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op het gebied van volksgezondheid, voor de in het VWEU genoemde aspecten, en op het terrein van milieu heeft de EU een met de lidstaten gedeelde bevoegdheid (artikel 4, lid 2, sub a, d, e en k, VWEU).

  2. Subsidiariteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel).

    Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. De voorgestelde verordeningen en richtlijn hebben tot doel de regelgeving betreffende voedselveiligheid, veiligheid van diervoeder, bescherming van volks- en diergezondheid en milieu te vereenvoudigen en te stroomlijnen. Deze vereenvoudiging en stroomlijning kan alleen gegarandeerd worden door het aanpassen van de regelgeving, welke reeds op EU-niveau is vastgesteld. Dit kan niet door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Om een hoog niveau van bescherming te garanderen en vanwege het feit dat onderwerpen als voedselveiligheid, veiligheid van diervoeder, (effectieve) bescherming van volks- en diergezondheid en (effectieve) bescherming van milieu grensoverschrijdende van aard zijn, is de EU het meest aangewezen niveau om regelgeving vast te stellen. Daarnaast wordt met de voorgestelde wijzigingen in verordening (EG) 1107/2009 het ontstane ongelijke speelveld als het gaat om wederzijdse erkenningen aangepakt. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd. Bovendien kan een wijziging van bestaande EU-wetgeving enkel op het niveau van de EU geschieden.

  3. Proportionaliteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de EU niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).

    Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit is positief, met kanttekeningen. De voorgestelde verordeningen en de richtlijn hebben tot doel de regelgeving betreffende voedselveiligheid, veiligheid van diervoeder, bescherming van volks- en diergezondheid en milieu te vereenvoudigen en te stroomlijnen, zonder de bescherming van de diergezondheid, volksgezondheid en het milieu in gevaar te brengen. Het voorgestelde optreden is wel geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat het leidt tot meer duidelijkheid en consistente interpretatie door nationale autoriteiten, zonder daarbij voedselveiligheid, veiligheid van diervoeder en de bescherming van milieu, volksgezondheid en diergezondheid in gevaar te brengen.

    Het kabinet heeft echter ook drie kanttekeningen, en wel ten aanzien van het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 528/2012 en het voorstel voor een verordening tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 1829/2003, (EG) nr. 1831/2003, (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1099/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 528/2012, (EU) nr. 2017/625.

    De eerste kanttekening ziet op het voorstel voor de wijziging van verordening (EU) nr. 528/2012. Het voorgestelde optreden is ontijdig nu er geen impactanalyse is gedaan. De voorgestelde aanpassingen doen mogelijk afbreuk aan de beoogde doelen, te weten stroomlijning en vereenvoudiging van regels. Zo worden door de wijziging van de goedkeuring van werkzame stoffen naar onbepaalde tijd, de bewijslast omgekeerd, kan de innovatie worden geremd en mogelijk op termijn de hoge beschermingsdoelen van de verordening ondermijnd worden. Daarnaast heeft het kabinet in de publieke consultatie van dit Omnibuspakket minder vergaande voorstellen gedaan om de beoogde doelen wel te halen.

De tweede kanttekening ziet op het voorstel voor de wijziging van verordening (EG) nr. 396/2005. Dit gaat om het punt in het voorstel om MRL’s voor stoffen met bepaalde gevaarseigenschappen die zijn vastgesteld op basis van goede landbouwpraktijken in derde landen of op de normen van de Codex, in te trekken. Uit het voorstel blijkt dat er niet wordt gewacht op de uitkomsten van de impact assessment. Afhankelijk van de uitvoering van het voorstel kunnen de maatregelen verder gaan dan noodzakelijk om de nagestreefde doelstelling te behalen. Het kan zijn dat de aanwezigheid van bepaalde residuen van gewasbeschermingsmiddelen op geïmporteerde producten verboden wordt, zonder dat het gebruik van de middelen negatieve effecten voor de volksgezondheid of milieu met zich meebrengt.

De derde kanttekening betreft het voorstel voor de wijziging van verordening 1831/2003. Het kabinet onderschrijft het doel om regeldruk en kosten te verlagen, maar stelt zich op het standpunt dat de lidstaten als gevolg van de invoering van een toelatingstermijn zonder einddatum worden geconfronteerd met onevenredige kosten voor het monitoren van de veiligheid van diervoederadditieven. Wanneer toelatingen voor onbepaalde tijd geldig worden, is EFSA afhankelijk van externe signalen om herbeoordelingen te starten. Het ligt niet voor de hand dat het bedrijfsleven deze signalen zelf aanlevert, waardoor monitoring en gegevensverzameling in de praktijk bij de lidstaten of EFSA zal komen te liggen. Dit leidt tot een aanzienlijke kostenverschuiving van het bedrijfsleven naar de overheid. Deze verschuiving is onevenredig. Het bedrijfsleven heeft een direct financieel belang bij het op de markt brengen van diervoederadditieven en draagt primair de verantwoordelijkheid voor de veiligheid ervan. Bovendien is het maatschappelijk belang van diervoederadditieven onvoldoende zwaarwegend om de volledige lasten van veiligheidsborging bij de overheid te leggen. Het voorstel heeft als doel o.a. de regeldruk te verminderen. Dit doel kan ook worden bereikt met een minder ingrijpend alternatief, zoals het verlengen van de geldigheidsduur van toelatingen naar bijvoorbeeld 15–20 jaar.

  1. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

Voor de voorstellen rondom (EG) nr. 1107/2009 wordt een toename van 15,073 miljoen euro verwacht voor subsidie aan de EFSA voor de periode 2028-2034. Dit gebeurt omdat de EFSA extra taken krijgen voor deze verordening, onder andere ter ondersteuning van de toelatingsautoriteiten van lidstaten. Voor wijzigingen in (EG) nr. 1831/2003 wordt een kostenbesparing van 42 miljoen euro voor de Commissie, EFSA en EURL verwacht. De kosten van de veranderde rol van EFSA (proactief en risicogericht werken) zijn hierin niet meegenomen. De modernisering van de verordening (EG) nr. 999/2001 heeft beperkte financiële gevolgen voor de EU-begroting, omdat de uitvoering vooral binnen bestaande toezichts- en monitoringsprogramma’s plaatsvindt. Eventuele extra kosten voor het aanpassen van bijlagen zijn marginaal. Financiële effecten van inhoudelijke wijzigingen zijn niet van tevoren in te schatten.

Het kabinet is van mening dat de eventueel benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.

  1. Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden

De Commissie geeft in haar voorstellen aan dat er geen directe financiële gevolgen voor lidstaten worden voorzien. Het gebrek aan een impact analyse maakt het moeilijk inschatten. (Eventuele) budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.

Voor verordening (EG) 1107/2009 en verordening (EU) nr. 528/2012 verwacht het kabinet dat er extra financiering voor het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) vanuit de Rijksoverheid nodig zal zijn. Het Ctgb werkt op dit moment, in tegenstelling tot de meerderheid van de Europese toelatingsinstanties, op basis van kostendekkende tarieven die door aanvragers betaald worden. De voorstellen kunnen ertoe leiden dat werkzaamheden verschuiven naar andere processen die geheel of gedeeltelijk door de Rijksoverheid (moeten) worden gefinancierd (bijvoorbeeld vaker ingrijpen in toelatingen op initiatief van het Ctgb, meer meekijken met andere landen bij middelbeoordelingen).

De voorgestelde vervanging van een periodieke herbeoordeling van alle werkzame stoffen met een werkprogramma met een selectie werkzame stoffen, heeft als doel de hoeveelheid werk voor toelatingsautoriteiten zoals het Ctgb te verminderen. Deze vrijgemaakte capaciteit zou dan ingezet worden op andere werkzaamheden, zoals het afronden voor het werkprogramma onder de biocidenverordening en aanvragen voor nieuwe (biocontrol) stoffen en middelen.

De flexibilisering van regels van verordening (EG) nr. 999/2001 kan leiden tot efficiëntere inzet van personeel en middelen bij toezicht en monitoring, waardoor structurele kosten niet toenemen en soms zelfs kunnen afnemen. Aan de andere kant: het risico op BSE is niet nul, en indien een dier besmet is zitten hier kosten aan vast voor diagnostiek, diertracering en mogelijk ook ruimingen welke worden gefinancierd vanuit het Diergezondheidsfonds. In geval van incidentele besmettingen is de impact beperkt. In geval van een uitbraak van TSE is de verwachting dat het DGF de kosten niet kan dekken en zijn aanvullende middelen noodzakelijk.

De wijziging van verordening (EU) nr. 2017/625 met betrekking tot accreditatieverplichtingen zal leiden tot een lagere regeldruk en capaciteitsinzet voor aangewezen laboratoria om aan de onder deze verordening gestelde accreditatieverplichtingen te voldoen.

  1. Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

De wijzigingen in verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten volgens de Commissie leiden tot substantiële verlaging van administratieve lasten en kosten voor het bedrijfsleven, met name voor aanvragers van gewasbeschermingsmiddelen. In het bijzonder MKB bedrijven, die actief zijn in biocontrol en laag-risico producten, zouden hiervan moeten profiteren. De belangrijkste kostenbesparing komt voort uit het wijzigen van het herbeoordelingssysteem naar een risico-gebaseerd systeem. Deze wijziging raamt de Commissie op een besparing van 49,6 miljoen euro per jaar voor niet-biocontrol stoffen en 6,5 miljoen euro per jaar voor biocontrol stoffen. De Commissie beschrijft ook dat de snellere markttoegang indirect financiële voordelen biedt aan bedrijven. Volgens stakeholder gegevens leiden de huidige vertragingen tot een gemiste omzet van 1 tot 3,7 miljoen euro per product per jaar. Het kabinet staat in principe positief tegenover het verlagen van regeldruk en financiële lasten voor het bedrijfsleven, zolang het veiligheidsniveau voor mens, dier en milieu hier niet van achteruit gaan. Voor burgers verwacht de Commissie geen directe financiële lasten of extra regeldruk voor deze wijzigingen.

Voor de wijzigingen in verordening (EU) nr. 528/2012 wordt vanaf 2027 de besparingen op de bedrijfskosten geraamd op ongeveer 71,5 miljoen euro per jaar. Daarnaast biedt het opschorten van de gegevensbescherming naar 2030 aanvragers financiële zekerheid.

Voor de wijzigingen in verordening (EG) nr. 1831/2003 wordt een kostenbesparing geraamd van 221 miljoen euro voor het bedrijfsleven. Door het opheffen van onnodige beperkingen van verordening (EG) nr. 999/2001 neemt de regeldruk voor bedrijven af en wordt de administratieve last beperkt. Het risico op BSE is niet nul, en de voorgestelde wijzigingen zullen leiden tot versoepelingen in de bijlages. Met inhoudelijke gevolgen voor de monitoring die op dit moment niet zijn te voorspellen, maar waarbij aangegeven kan worden dat gevolgen van een uitbraak het bedrijfsleven hard zal raken, want dat heeft grote gevolgen voor internationale handel.

De wijzigingen van verordening (EU) nr. 2017/625 ten aanzien van het splitsen van importzendingen plantaardig materiaal zal leiden tot een lagere kosten voor de import van plantaardig materiaal aangezien de logistiek voor het bedrijfsleven wordt bevorderd. De NVWA schat in dat deze wijziging ten goede komst aan een versnelde afhandeling van 1200 jaarlijkse zendingen plantaardig materiaal.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

Het Omnibus-principe is ingericht naar aanleiding van het Draghi-rapport dat stelt dat de opeenstapeling van regels soms een negatief effect heeft gehad op het concurrentievermogen van de EU.18 De voorstellen die in de verschillende pakketten worden gedaan, zijn er dan ook deels op gericht om de concurrentiekracht van de EU te versterken.

Doordat de voorstellen in dit Omnibuspakket de regelgeving pogen te versimpelen en versnellen, draagt dit Omnibus pakket bij aan het verbeteren van het concurrentievermogen van de EU. Bijvoorbeeld doordat de EU hiermee aantrekkelijker wordt voor bedrijven om zich te vestigen en producten op de markt te brengen. In het kader van toenemende internationale spanningen en geopolitieke onzekerheid, draagt het versterken van de concurrentiepositie bij aan de strategische positie van de EU op het gebied van voedselzekerheid en toekomstbestendige landbouw. Tegelijkertijd kunnen schadelijke effecten aan mens, dier en milieu negatieve economische effecten met zich meebrengen. Voor BSE geldt dat door de harmonisatie met internationale normen de handel met derde landen wordt vergemakkelijkt.

Het voorstel ten aanzien van het intrekken van MRL’s voor stoffen met bepaalde gevaarseigenschappen die zijn vastgesteld op basis van goede landbouwpraktijken in derde landen of op de normen van de Codex zal impact hebben op derde landen, waaronder ontwikkelingslanden. Het zal voor hen moeilijker worden om producten te exporten naar de EU, wat mogelijk impact heeft op de betrekkingen met derde landen. Het is daarom van belang dat de voorstellen in lijn zijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).19

Er is altijd de mogelijkheid dat een derde land maatregelen aanvecht in het kader van het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO.

De wijzigingen van verordening (EU) nr. 2017/625 ten aanzien van het splitsen van importzendingen plantaardig materiaal zal leiden tot verbetering van de logistiek voor de import van plantaardig materiaal. Hiermee neemt de concurrentiekracht van de EU toe voor de internationale handel in van plantaardig materiaal.

  1. Implicaties juridisch

  1. Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

Voor een aantal wijzigingen in het Omnibus pakket zijn er consequenties voor nationale regelgeving, te weten:

Wijziging Verordening (EG) nr. 1107/2009

De voorgestelde wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bevatten een aantal harmonisatiestappen, bijvoorbeeld voor de wederzijdse erkenning en de beveiligingsvereisten voor data bij toelatingen. Hierdoor wordt de nationale beleidsruimte beperkt. Nederland moet daardoor haar nationale uitvoeringsregelgeving en beleidsregels in overeenstemming brengen met de aangescherpte en vereenvoudigde EU-procedures, met name waar het gaat om biocontrol-middelen en laag-risico-stoffen.

Een belangrijke wijziging voor nationale regelgeving gaat over de introductie van stilzwijgende instemming (lex silencio positivo) bij de wederzijdse erkenning van gewasbeschermingsmiddelen die uitsluitend biocontrol- of laag-risico-stoffen bevatten. Als een lidstaat niet binnen de, in de verordening vastgestelde termijn, beslist, wordt de toelating van automatisch verleend. Deze toepassing van de lex silencio positivo volgt uit het Unierecht en laat geen ruimte voor nationale uitsluiting of afwijking.

Wijziging Verordening (EG) nr. 1831/2003

De wijzigingen, voor zover relevant voor nationale regelgeving, van bestaande artikelen zijn technisch en administratief van aard. Mogelijk is hierdoor wel een wijziging nodig van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. Daarin wordt in de bijlage verwezen naar "Artikel 23, voor zover dat artikel betrekking heeft op artikel 16, eerste tot en met vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1831/2003". De leden van artikel 16 lijken vernummerd te gaan worden in het voorstel. Zo staat in de tekst van het voorstel nu een aanhef met 7 onderdelen (a t/m g), en leden 3 tot en met 9. Lex silencio positivo is niet aan de orde.

Wijzigingen richtlijn nr. 98/58/EC

De wijziging in richtlijn 98/58 brengt mee dat, als dit definitief is, ook de Nederlandse regelgeving moet worden aangepast. Dat deel van de richtlijn is in artikel 2.10 van het Besluit houders van dieren geïmplementeerd, die AMVB (en eventueel regelgeving die daarnaar verwijst) zal dan ook moeten worden gewijzigd. De voorgestelde omzettingstijd (zie artikel 14, tweede lid) geeft daarvoor voldoende tijd.

  1. Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Voor een aantal wijzigingen in het Omnibus-pakket zijn er gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen voorzien in het voorstel voor de verordening waarmee verordeningen 999/2001, 1829/2003, 1831/2003, 852/2004, 853/2004, 396/2005, 1099/2009, 1107/2009, 528/2012, 2017/625 en de richtlijn waarmee richtlijn 2009/128/EC worden gewijzigd:

Wijzigingen (EG) nr. 1107/2009

Het voorstel bevat bevoegdheden voor de Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen (artikelen 18, 18a, 19, 23a, 42, 49, 51 en 59 van Verordening 1107/2009; respectievelijk artikelen 1(10), 1(11), 1(12), 1(16), 1(25), 1(32), 1(33) en 1(34) van het voorstel). Dit betreft de bevoegdheid om nadere regels te stellen over verlenging, herbeoordeling en intrekking van de goedkeuring van aangewezen werkzame stoffen en basisstoffen, over de te volgen procedure bij wederzijdse erkenningen en zonale toelating, over beperking of verbod van het gebruik of verkoop van behandeld zaaizaad en plantaardig uitgangsmateriaal, over kleine toepassingen en over gegevensbescherming. Het toekennen van deze bevoegdheden is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wel wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure. De keuze voor uitvoering in plaats van delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige voorwaarden.

De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet wel op zijn plaats, omdat het gaat om uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub a en sub b, onder iii) van de Verordening (EU) nr. 182/2011.

Wijziging Verordening (EG) nr. 1831/2003

Het voorstel bevat bevoegdheden voor de Commissie om uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen vast te stellen (uitvoeringshandelingen in artikel 9, lid 8a en gedelegeerde handelingen in artikel 16, achtste en negende lid; respectievelijk artikel 6(4)(c) en artikel 6(9) van het betreffende voorstel).

Dit betreft allereerst de bevoegdheid om bij uitvoeringshandeling de besluiten tot verlening van vergunningen te wijzigen. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure. De keuze voor uitvoering i.p.v. delegatie ligt hier voor de hand omdat het gaat om uitvoering van de verordening volgens eenvormige voorwaarden. De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van verordening 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats, omdat het gaat om uitvoeringshandelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub a, van de Verordening (EU) nr. 182/2011.

Daarnaast krijgt de Commissie de bevoegdheid om met gedelegeerde handelingen bijlage III te wijzigen om rekening te houden met technologische vooruitgang en wetenschappelijke ontwikkeling en regels vast te stellen om de etikettering door middel van digitale middelen te verbeteren en te vergemakkelijken. Het toekennen van deze bevoegdheid is mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, omdat dit de administratieve lasten van de Europese Commissie vermindert en vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om het wijzigen van de basishandeling (de bijlage). Het kabinet acht deze bevoegdheid wel voldoende afgebakend.

Wijzigingen Verordening (EU) nr. 528/2012

Het voorstel bevat een aanpassing van de bevoegdheden van de Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen (artikel 44, lid 5, en artikel 46, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012; respectievelijk artikel 4(9) en artikel 4(10) van het voorstel). Deze aanpassing betreft de bevoegdheden van de Commissie om een biocideproduct toe te laten tot de Europese markt onderscheidenlijk de toelating te verlengen bij uitvoeringsbesluit in plaats van bij uitvoeringsverordening. Het toekennen van deze bevoegdheden is wel mogelijk, omdat het essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze (aanpassing van) bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure.

De uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats omdat het gaat om uitvoeringshandelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub a, van de Verordening (EU) nr. 182/2011.

Wijzigingen verordening (EU) 999/2001

Het voorstel bevat bevoegdheden voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen (in artikelen 5, derde lid, 6, eerste lid, 6, eerste lid bis, 8, eerste lid, tweede lid en vijfde lid, 16, zevende lid, en 23, derde lid; respectievelijk artikelen 10(1), 10(2a), 10(2b), 10(3a), 10(3b), 10 (3c), 10(4b), 10(5). Dit betreft de bevoegdheid om snelle tests te erkennen en toe te voegen aan een lijst van bijlage X, hoofdstuk C, punt 4, toevoegingen te doen aan de lijst van specifiek risicomateriaal (bijlage V), toevoegingen te doen aan de lijst van goedgekeurde alternatieve tests waarmee BSE kan worden opgespoord (bijlage X), om uitzonderingen op regels uit artikel 8, eerste t/m vierde lid ten aanzien van specifiek risicomateriaal vast te stellen en een bevoegdheid om toevoegingen te doen aan de bijlagen van de verordening. Het toekennen van deze bevoegdheden is wel mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om aanvulling/wijzigingen van de basishandeling. Het kabinet acht deze bevoegdheden voldoende afgebakend.

Wijzigingen Verordening (EU) nr. 2017/625

Het voorstel bevat de bevoegdheid voor de Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen (artikelen 41, 93 (4a), 100(6) van Verordening 2017/625; respectievelijk artikel 11(1), 11(3) en 11(4a) van het voorstel). Dit betreft de bevoegdheid om de voorwaarden vast te stellen waaronder laboratoria kunnen worden aangewezen als officiële laboratoria, nationale referentielaboratoria en EU-referentielaboratoria, terwijl zij zijn geaccrediteerd overeenkomstig een andere norm dan EN ISO/IEC 17025 en/of niet zijn geaccrediteerd voor alle methoden die zij gebruiken voor officiële controles of andere officiële activiteiten, de bevoegdheid om Het toekennen van deze bevoegdheid is wel mogelijk, omdat het niet essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Toekenning van deze bevoegdheid acht het kabinet wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedure. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om aanvulling van de wetgevingshandeling. Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend.

Wijziging Richtlijn 2009/128/EC

Het voorstel voor een richtlijn bevat een delegatiebevoegdheid in artikel 1, lid 3, waarmee artikel 9a wordt ingevoegd in richtlijn 2009/128/EC. Dit betreft de bevoegdheid om ter aanvulling op de richtlijn onbemande luchtvaartuigen (die gewasbeschermingsmiddelen kunnen sproeien) te identificeren die lagere of gelijke risico’s bevatten dan de toepassingsapparatuur op het land. Het toekennen van deze bevoegdheid is wel mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft.

Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wel wenselijk, vanwege de behoefte aan flexibiliteit, snelheid en het niet hoeven te belasten van wetgevingsprocedures. Delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om aanvulling van de richtlijn. Het kabinet acht deze bevoegdheid wel voldoende afgebakend.

  1. Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De voorgestelde wijzigingen treden in werking 20 dagen na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie, en zijn vanaf dat moment rechtstreeks van toepassing. Voor de richtlijnen nr. 98/58, nr. 2009/128 en nr. 82/711 wordt voorzien in omzettingstijd. Voor de wijzigingen in verordening (EG) nr. 1107/2009 en (EG) nr. 999/2001 zal er extra tijd nodig moeten zijn om te voldoen aan de gewijzigde regelgeving. Het kabinet zal hier aandacht voor vragen tijdens de onderhandelingen.

  1. Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Er is geen concrete evaluatie-/horizonbepaling opgenomen in de Commissievoorstellen, de Commissie geeft daarbij aan dat de bestaande evaluatie momenten in de verschillende verordeningen en richtlijnen die de voorstellen wijzigen blijven bestaan. Het kabinet vindt het van belang dat de wijzigingen uit deze Omnibus daar dan ook in betrokken worden.

  1. Constitutionele toets

N.v.t.

  1. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

  1. Uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het Omnibus-pakket worden de volgende effecten voorzien in een aantal van de te wijzigen verordeningen:

Wijzigingen (EG) nr. 1107/2009

De gemaakte voorstellen hebben mogelijk veel impact op de Nederlandse toelatingsautoriteit voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden (de Ctgb). Het voorstel is erop gericht om capaciteit voor nieuwe (biocontrol) stoffen en middelen vrij te maken door risicogestuurd te gaan werken. Het huidige voorstel bewerkstelligt dit vooralsnog alleen voor de EFSA en niet de nationale toelatingsautoriteiten (zoals de Ctgb). Dit komt doordat de periodieke herbeoordeling van de middelen niet wordt vervangen door een gerichte aanpak. Hierdoor wordt in feite voorgesteld om de herbeoordeling van de werkzame stoffen in verkapte vorm uit te voeren als onderdeel van de middelbeoordelingen op lidstaatniveau, waarbij de aanvrager nieuwe stofinformatie in de middelprocedure moet leveren. Dit ondermijnt het uitgangspunt van deze verordening. In plaats van één Europese beoordeling voor een werkzame stof, moeten verschillende lidstaten dezelfde stofinformatie beoordelen. De herbeoordeling van middelen duurt daardoor langer en wordt duurder.

Om voor de beoordelingen van zowel de werkzame stoffen en de middelen de capaciteit zo effectief mogelijk in te zetten en daarmee het beschermingsniveau te verhogen, is het cruciaal om de herbeoordelingen van de middelen te koppelen aan de herbeoordeling van de werkzame stoffen. Verder geldt in algemene zin dat het beoordelen van de mogelijke effecten van werkzame stoffen en middelen op de gezondheid van mens, dier en milieu specialistisch werk is dat verschillende disciplines omvat. Hiervoor is een stabiel team van deskundigen nodig dat naast de inhoudelijke expertise ook beschikt over de relevante procedurele kennis. Het voorstel van de Commissie kan leiden tot grote schommelingen in de werkvoorraad (als geheel of voor bepaalde specialismen). Om veranderingen in het werkaanbod op te kunnen vangen is het van belang dat de Commissie het werkprogramma voor de herbeoordelingen van stoffen tijdig beschikbaar stelt.

Wat betreft de beoordeling van biocontrol middelen geldt dat voorgestelde termijn van 120 dagen waarbinnen het Ctgb bij bepaalde aanvragen moet besluiten over de toelating niet realistisch is zolang ook breedwerkende, giftige stoffen binnen de categorie biocontrol vallen. Het is voor het Ctgb niet mogelijk om de voor Nederland vastgestelde nationaal specifieke elementen ter bescherming van water binnen die periode te beoordelen. Een stilzwijgende toelating in dergelijke gevallen is ongewenst omdat het beschermingsniveau hiermee verlaagd wordt. Het voorstel schrapt de registratieplicht voor professionele gebruikers van biologische gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft mogelijk gevolgen voor uitvoeringstaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het kader van de productie van de statistieken over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. Het gaat om taken die eerder zijn toegekend naar aanleiding van (Europese) wetgeving. Het kabinet onderzoekt deze gevolgen nog.

Wijzigingen (EU) nr. 528/2012

Het voorstel is erop gericht om capaciteit voor de afronding van het werkprogramma onder de biocidenverordening vrij te maken door risicogestuurd te gaan werken. Het huidige voorstel bewerkstelligt dit vooralsnog alleen voor de Commissie en juist niet de nationale toelatingsautoriteiten (zoals het Ctgb). Dit komt doordat de periodieke herbeoordeling van de middelen niet wordt vervangen door een gerichte aanpak. Hierdoor wordt in feite voorgesteld om de herbeoordeling van de werkzame stoffen in verkapte vorm uit te voeren als onderdeel van de middelbeoordelingen op lidstaatniveau, waarbij de aanvrager nieuwe stofinformatie in de middelprocedure moet leveren. Dit ondermijnt het uitgangspunt van de Verordening. In plaats van één Europese beoordeling voor een werkzame stof, moeten verschillende lidstaten dezelfde stofinformatie beoordelen. De herbeoordeling van middelen duurt daardoor langer en wordt duurder.

  1. Handhaafbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het omnibus pakket worden de volgende effecten voorzien in een aantal van de te wijzigen verordeningen:

Wijzigingen (EG) nr. 1107/2009

Voor de handhavende instanties (zoals de NVWA en de waterschappen) hebben de voorstellen ook mogelijk impact op hun werk. Zo heeft de aanscherping van de definitie van behandeld uitgangsmateriaal tot gevolg dat er een verzwaring van toezicht door de NVWA zal moeten komen op de verkoop en gebruik van uitgangsmateriaal. Zo zullen diverse administratieve processen (opnieuw) ingericht moeten worden in de keten, bijvoorbeeld op de etikettering. Verder heeft de vrijstelling voor het registreren van het gebruik van biocontrol middelen tot gevolg dat de handhavende instanties minder zicht hebben op het gebruik hiervan. Mocht de definitie van biocontrol in het voorstel worden gehandhaafd, dan kan dit betekenen dat de handhavende instanties minder zicht hebben op mogelijk breedwerkende, giftige stoffen met een biologische oorsprong. De registratieplicht voor professionele gebruikers van biologische gewasbeschermingsmiddelen lijkt onder het voorstel te vervallen. Dit heeft mogelijk uitvoeringsgevolgen voor de het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), omdat dit kan leiden tot aanvullende gegevensverzamelingen door het CBS voor en uitvoeringsgevolgen voor het CBS.

Wijzigingen (EG) nr. 396/2005

De Commissie doet het voorstel om de mogelijkheid te creëren voor het vaststellen van overgangsmaatregelen zodat producten die bij productie, opslag of verhandeling voldeden aan de toen geldende MRL’s, ook na wijziging van die limieten in de handel kunnen blijven. Het is hierbij belangrijk dat duidelijk wordt dat wanneer het gaat om in de handel brengen, het gaat om in de EU in de handel in brengen. Ook gaat het in het voorstel voor overgangsmaatregelen over producten die na productie in de opslag zijn gegaan. Hier is het ook belangrijk dat dit een opslag binnen de EU betreft. Anders bemoeilijkt dit de grenscontrole en is dit voorstel niet handhaafbaar. Er is namelijk geen zicht op wanneer een product in een derde land opgeslagen is, dit staat niet op de importdocumenten. Ook is één lot van een product vaak afkomstig van verschillende boeren die hun eigen opslag hebben in derde landen.

Wijzigingen (EG) nr. 1831/2003

Het voorstel voor toelatingen voor diervoederadditieven voor onbepaalde tijd, zal leiden tot een significante toename van de monitoringstaken van de NVWA. De NVWA heeft op dit moment onvoldoende budget om alle huidige taken uit te voeren. Deze verzwaring brengt daarom extra risico’s met zich mee. Wat betreft het digitaliseren van etiketten is het voor toezicht en handhaving van belang dat het identificatienummer en batchnummer zichtbaar blijft op het product (dus niet digitaal), en dat de toegankelijkheid van de digitale informatie geborgd is.

  1. Implicaties voor ontwikkelingslanden

    N.v.t.


  1. BNC-fiche Visie Voedsel en Landbouw Beoordeling Mededeling: Visie voor Landbouw en Voedsel | Publicatie |Rijksoverheid.nl↩︎

  2. Mutageen; kankerverwekkend; toxisch voor de voortplanting; hormoonontregelend; persistente organische verontreinigende stof (POP); persistente, bioaccumulerende en toxische (PBT) stof; zeer persistente en zeer bioaccumulerende stof (vPvB); hormoonontregelend voor niet-doelwit organismen.↩︎

  3. Codex Alimentarius | Codex Alimentarius↩︎

  4. Verordening (EG) 2016/429 en Verordening (EG) 2019/6↩︎

  5. Feedback from: Ministries of LVVN, VWS, I&W & Feedback from: Ctgb↩︎

  6. Kamerstuk 27 858, nr. 660, Kamerstuk 27 858, nr. 628, Kamerstuk 27 858, nr. 631, Kamerstuk 27 858, nr. 614, Kamerstuk 27 858, nr. 539, Kamerstuk 22 112, nr. 3506, Kamerstuk 27 858, nr. 538,↩︎

  7. Strategisch kader biociden, Kamerstuk 2023/24, 27 858, nr. 638.↩︎

  8. https://open.overheid.nl/documenten/a83e3ff3-ac9e-45be-8c8a-ace92a9e7e3e/file↩︎

  9. Voorbeeld van een dergelijk systeem: https://www.anses.fr/en/content/phytopharmacovigilance-0↩︎

  10. https://circabc.europa.eu/ui/group/e947a950-8032-4df9-a3f0-f61eefd3d81b/library/194ee6a3-40dd-41e8-b50d-a5f329c0ecc0/details↩︎

  11. Antwoord op EC over de implementatie van de Biocidenverordening, Kamerstuk 2021/22, 27 858, nr. 557↩︎

  12. https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/14527-Biocidal-Products-Regulation-evaluation_en↩︎

  13. 2000/60/EG↩︎

  14. (EU) 2020/2184↩︎

  15. Motie-Podt/Bromet Kamerstuk 21 501-32 nr. 1744↩︎

  16. https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/14824-Food-and-feed-safety-simplification-omnibus/F33088472_en↩︎

  17. GWB: Verordening betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (EC)1107/2009

    REACH: Verordeningen betreffende registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (EG)1907/2009
    CLP: Verordeningen betreffende indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (EG)1272/
    MRL: Verordeningen betreffende vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong (EG) 396/2005

    GGO: Richtlijn 2009/41/EG inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen↩︎

  18. https://commission.europa.eu/topics/competitiveness/draghi-report_en↩︎

  19. Zie het rapport van de Commissie over de juridische haalbaarheid en rationale van het toepassen van EU gezondheids- en milieunormen op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten https://food.ec.europa.eu/system/files/2022-06/ia_environmental-standards-aw-report.pdf↩︎