[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Kostenbesparingen door betere benutting van het net

Voorzienings- en leveringszekerheid energie

Brief regering

Nummer: 2026D06069, datum: 2026-02-09, bijgewerkt: 2026-02-09 13:36, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29023 -628 Voorzienings- en leveringszekerheid energie.

Onderdeel van zaak 2026Z02702:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Geachte Voorzitter,

Geopolitieke ontwikkelingen en dreigingen wereldwijd tonen aan hoe belangrijk het is om in meer eigen energieproductie te voorzien en risicovolle afhankelijkheden rond de import van fossiele energie te verminderen. Elektriciteit is voor het grootste deel van onze energiebehoefte op termijn de meest duurzame en doelmatige oplossing en onmisbaar in een klimaatneutraal 2050; daarmee vormt elektriciteit de ruggengraat van ons toekomstige energiesysteem. Om in de elektriciteitsvraag te voorzien van industrie, utiliteit, woningen en mobiliteit moet het elektriciteitsnet fors worden uitgebreid.

Het IBO bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur becijfert dat de noodzakelijke investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur tot en met 2040 cumulatief op € 195 miljard uitkomen.1 Als gevolg hiervan stijgen de nettarieven voor burgers en bedrijven tussen nu en 2040 met gemiddeld circa 5% per jaar. Hier staan grote economische en maatschappelijke baten tegenover die kunnen oplopen tot tientallen miljarden euro’s per jaar.2 Deze brief bevat een actualisatie van de verschillende maatregelen en acties die zijn aangekondigd om de kostenstijging te dempen en het net beter te benutten, zoals toegezegd in de kabinetsreactie op het IBO.3 Gezien de demissionaire status van het kabinet is het aan het volgende kabinet om de in gang gezette acties door te zetten en verdere keuzes te maken om kosten te besparen.

Deze brief gaat achtereenvolgens in op de volgende onderwerpen:

  1. Het beter benutten van het elektriciteitsnet.

  2. Sterkere locatiesturing.

  3. Het anders verdelen van de netkosten en stroomlijnen besluitvorming.

  4. Opvolging van relevante moties en toezeggingen.

  1. Het beter benutten van het elektriciteitsnet

Betere benutting van het net is essentieel om de komende jaren meer woningen en bedrijven aan te kunnen sluiten. Bovendien kan dit de stijgende nettarieven dempen. Het IBO concludeert dat nadere keuzes om het net op land beter te benutten de cumulatieve investeringsopgave kunnen dempen met € 3,5 - 22,5 miljard (op een totaal van € 107 miljard voor het net op land) tot 2040. Met de gebundelde maatregelen uit de eerder geïntroduceerde beleidsagenda houdt het kabinet rekening met een potentiële besparing op de netkosten van € 10 - 20 miljard tussen 2025 en 2040. Hiermee wordt het middenscenario voor netto reductie van de investeringsopgave in het elektriciteitsnet uit het IBO gevolgd.

Recent is de Kamer geïnformeerd over de doorbraakaanpak om het elektriciteitsnet beter te benutten.4 Het kabinet heeft daarnaast eerder ook al enkele maatregelen geïntroduceerd om het net beter te benutten en de kostenstijging te dempen. Deze zijn gericht op het stimuleren van flexibiliteit en het besparen van elektriciteit, het sturen op locaties van energie-infrastructuur, -opslag en -productie, (onderzoek naar) het zwaarder belasten van het net en het maken van keuzes voor het toekomstige energiesysteem. Vanuit het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) zijn tevens reeds verschillende acties in gang gezet rond het flexibiliseren van het elektriciteitsgebruik en het zwaarder belasten van het net. Elk halfjaar wordt vanuit het LAN de Kamer geïnformeerd via een voortgangsrapportage en Kamerbrief over de actuele ontwikkelingen in het programma. De Kamer is het meest recent geïnformeerd op 6 oktober via de Kamerbrief “Stand van zaken aanpak netcongestie”.5 De volgende rapportage wordt naar verwachting eind maart 2026 naar de Kamer verzonden.

Op Prinsjesdag 2025 heeft het kabinet besloten voor het toekomstig energiesysteem niet langer aan te sturen op 50 GW aan wind op zee in 2040.6 De verwachting is op dit moment dat er in 2040 tussen de 30 en 40 GW wind op zee nodig zal zijn om in de elektriciteitsvraag te voorzien.7 Deze bijstelling leidt tot lagere investeringskosten en daarmee minder sterk stijgende nettarieven voor burgers en bedrijven. Daarnaast heeft het kabinet enkele maatregelen geïntroduceerd die zijn gericht op energiebesparing, waarvan een groot deel ook elektriciteitsbesparing teweeg zal brengen, zoals de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor fixteams voor bedrijven, of de normering van gebouwen met een industriefunctie. Ook wordt in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) breder ingegaan op de kosten en betaalbaarheid van het nieuwe energiesysteem en de verwachte energievraag in 2040 en de daarvoor benodigde energie-infrastructuur. De actualisatie wordt uiterlijk met Prinsjesdag 2026 naar de Kamer verzonden. Tot slot verstuurt het kabinet begin dit jaar een brief over de decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem naar de Kamer, inclusief de potentie van decentrale interventies op de besparing van netkosten.

  1. Sterkere locatiesturing

In het nieuwe energiesysteem is de bestaande werkwijze voor het kiezen van de locatie voor het aanleggen van infrastructuur steeds minder toepasbaar. Van oudsher is deze werkwijze reactief: er is een concrete aantoonbare behoefte waarvoor de uitbreiding van infrastructuur te verantwoorden is of er is een ontwikkelaar die een vergunning aanvraagt. Vervolgens gaat de overheid aan de slag met het locatiebesluit en daarop volgt de vergunningverlening.

Op dit moment is een recordaantal nationale energieprojecten in uitvoering en dit aantal zal de komende jaren flink oplopen. Voor de aanleg van nieuwe energie-infrastructuur, -opslag en -productie is de komende jaren veel ruimte nodig. Veel nationale energieprojecten staan in dezelfde sleutelgebieden (zoals in/nabij de energie-intensieve clusters of hoogspanningsstations) gepland. Een groot deel van de projecten is daarbij ook afhankelijk van elkaar: het is essentieel dat zij tegelijk en in de buurt van elkaar beschikbaar komen om te kunnen functioneren. Daarbij is het ook van belang om te kijken naar vraag en aanbod in samenhang: de nabijheid van grote afnemers. Door te clusteren en bundelen gebruiken we zo efficiënt mogelijk de beschikbare ruimte.

In tijden van een snelle transitie wordt deze aanpak steeds uitdagender. In deze ‘project-voor-project’-aanpak dreigt elk project op elkaars uitkomsten en besluitvorming te moeten wachten. De consequentie is dat maatschappelijke kosten zullen oplopen omdat de maatschappelijk gewenste locaties niet op tijd beschikbaar zijn. Kosten hebben zowel betrekking op directe netkosten als impact op de leefomgeving van mensen. Daarnaast belast de aanpak (door per individueel project een afzonderlijke ruimtelijke/vergunningprocedure te doorlopen) de uitvoeringscapaciteit sterk, vooral in de piekjaren 2030-2040.

In het IBO is berekend dat locatiesturing op aansluitingen van grootschalige energiefuncties op het hoogspanningsnet de financiële kostenstijging flink – minimaal € 12,5 miljard - kan dempen op een totaal van € 107 miljard op land. Berekeningen uit het IBO wijzen bijvoorbeeld op de volgende besparingen dankzij locatiesturing:

  • Elektrolyse aan de kust kost minder dan elektrolyse diep in het netwerk (ver van wind op zee), maximaal € 10 miljard.

  • Optimaliseren sturing van 17 GW batterijen kan leiden tot een besparing van € 2,5 miljard aan investeringen op het hoogspanningsnet.

Als vervolgstap is nu ook onderbouwd wat de maatschappelijke kosten zijn van locatiesturing en wat de juridische onderbouwing is van sterkere regie op de ruimtelijke keuzes voor het energiesysteem. Beide onderzoeken zijn terug te vinden als bijlage van deze brief en hieronder samengevat.

In het rapport van STEC en Haskoning wordt de maatschappelijke onderbouwing gegeven door uit te gaan van twee scenario’s. Eén scenario betreft de klassieke reactieve aanpak waarbij elk project een individueel locatiebesluit krijgt, een individuele milieueffectrapportage en een individuele vergunning. In het tweede scenario wordt per sleutelgebied één ruimtelijk besluit voor de gebiedsopgave genomen op basis van één ruimtelijke verkenning en gebiedsparticipatie, en daarna vinden individuele vergunningsprocedures plaats. Uit dit onderzoek blijkt dat de maatschappelijke baten van een proactieve aanpak groot zijn, ook als de publieke middelen die nodig zijn voor actief grondbeleid (zoals grondverwerving en het bouwrijp maken) worden meegerekend. Het verlaagt netkosten, voorkomt netcongestie en risico’s voor ontwikkelaars en biedt meer mogelijkheden voor ruimtelijke kwaliteit. Door slimme locaties aan te wijzen voor grootschalig aanbod, opslag of conversie van energie in de industrieclusters kunnen kosten en realisatiekracht bij overheden, ontwikkelaars en netbeheerders worden bespaard omdat minder netuitbreidingen nodig zijn.

In het rapport van Straatman en Koster Advocaten is onderzocht hoe de juridische onderbouwing eruit zou kunnen zien wanneer de overheid niet wacht op een initiatiefnemer, maar zelf de regie neemt en nut en noodzaak aantoont van belangrijke projecten in het energiesysteem op maatschappelijk wenselijke locaties per gebied. Op basis van een dergelijke procedure zouden doorlooptijden van grote projecten met twee tot vier jaar verkort kunnen worden.

In het Programma Energiehoofdstructuur uit 2024 zijn de slimme locaties in kaart gebracht.8 Die locaties betreffen in het nationale energiesysteem vooral de hoogspanning stations, de locaties voor aanlanding van wind op zee en grote energieproductielocaties (kerncentrales en andere energiecentrales). Met bijgaande onderzoeken zijn de eerste contouren van een uitvoeringsaanpak uitgewerkt, namelijk de ruimtelijke besluiten, de maatschappelijke businesscase en de juridische onderbouwing. Ook het formatierapport ‘Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie’ brengt beleidsopties in kaart voor proactieve ruimtelijke sturing vanuit het Rijk.9 Nadere uitwerking hiervan en besluitvorming hierover (inclusief financiering) is aan een nieuw kabinet.

Een belangrijke voorwaarde is de afstemming met andere ruimtelijke opgaven om samenhangende keuzes per gebied te maken. Een groot aantal nationale energiefuncties zal, in combinatie met de transitie naar een circulaire economie, in belangrijke mate worden gerealiseerd in de vijf energie-intensieve haven- en industrieclusters (Rotterdam-Moerdijk, Noordzeekanaalgebied, Chemelot, Zeeland – West-Brabant en Noord-Nederland). In deze gebieden spelen meerdere nationale belangen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 20 juni jl. is hier sprake van een fors ruimtetekort en gelden er ernstige beperkingen aan de beschikbare milieuruimte.10 Ook dit vergt meer Rijksregie. In de NOVEX-gebieden voor de energie-intensieve industrieclusters stellen Rijk en regio een gezamenlijk ontwikkelperspectief op voor deze industrieclusters. In de ontwerp Nota Ruimte zijn deze clusters aangewezen als gebieden van nationaal belang.

Locatiesturing is ook nodig voor het decentrale energiesysteem, waarvoor in de eerste plaats gemeenten en provincies het bevoegd gezag zijn. Door bij het bouwen van woningen of laadinfrastructuur vroegtijdig rekening te houden met netcapaciteit en uitbreidingen van het energiesysteem, kan sneller worden gebouwd. Op dit moment worden er door de decentrale overheden zogenaamde energiebeelden opgesteld om een begin te maken met het in kaart brengen van slimme locaties. Rond de zomer zullen zij starten met pilots.

Sterkere locatiesturing helpt om de ruimtelijke principes uit de Ontwerp Nota Ruimte waar te maken, zoals het beter in samenhang brengen van (energie)vraag en -aanbod en het realiseren van uitbreidingen op strategische locaties. Een volgend kabinet kan in de definitieve Nota Ruimte en bijbehorende uitvoeringsagenda, en in de geplande actualisatie van het PEH concretere handen en voeten geven aan locatiesturing.

  1. Het anders verdelen van de netkosten en stroomlijnen besluitvorming

Naast de hoogte van de totale investeringen is ook van belang wie de lasten draagt. Hier spelen verschillende overwegingen en perspectieven, bijvoorbeeld ten aanzien van de concurrentiepositie, voorkomen van energiearmoede, behoud van draagvlak voor de transitie en (intergenerationele) rechtvaardigheid.

Om de energierekening te dempen voor huishoudens, maatschappelijke instellingen en bedrijven, heeft het kabinet eerder de energiebelasting verlaagd en de indirecte kostencompensatie voor de elektriciteits-intensieve industrie (IKC-ETS) verlengd. In navolging op het IBO heeft het kabinet onderzocht of amortisatie van de kosten van de noodzakelijke investeringen in het stroomnet mogelijk is om de netkosten voor huishoudens, bedrijven en instellingen de komende jaren te dempen. De Kamer is over de uitkomsten van het onderzoek geïnformeerd in de Kamerbrief ‘Uitvoering pakket voor Groene Groei’. Uit dit onderzoek blijkt dat amortisatie van de investeringskosten maar heel beperkt kan bijdragen aan lagere tarieven. Dit is nader toegelicht in genoemde brief en bijbehorende bijlagen.11

Omdat dit vraagstuk urgent blijft, zijn in het onafhankelijke ambtelijke rapport ‘Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie’

alternatieve opties om de nettarieven te verlagen en de kosten anders te verdelen (tussen burgers, bedrijven en generaties) verder uitgewerkt en toegelicht. Het rapport geeft ook inzicht in manieren om de investeringszekerheid van elektrificerende bedrijven te vergroten, bijvoorbeeld via verschillende mogelijkheden om de hoogte van elektriciteitskosten te adresseren. Het volgende kabinet is aan zet om dit vraagstuk verder op te pakken.

Het kabinet heeft daarnaast meerdere aanbevelingen uit het IBO om besluitvorming te stroomlijnen omarmd. Zo verbetert het kabinet het proces voor het gezamenlijk opstellen van langetermijnscenario’s van de netbeheerders, onder andere door transparante uitgangspunten – over bijvoorbeeld prijsontwikkelingen, ruimtelijke aannames of economische ontwikkelingen – vast te stellen waarop de scenario’s worden gebaseerd. Het kabinet is hierover in gesprek met de netbeheerders, planbureaus en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).

Tevens werkt het kabinet met de netbeheerders – en in samenhang met PEH en NPE – aan een nieuwe werkwijze voor de doorvertaling van de genoemde scenario’s. Het doel hiervan is om, in aanvulling op de bestaande langetermijnscenario’s, tot een concrete integrale systeemplanning te komen. Deze systeemplanning zou een completer en duidelijker beeld moeten geven van wanneer welke infrastructuur waar komt. Daarnaast maakt het inzichtelijk waar nog keuzes nodig zijn voor tijdige programmering van energie-infrastructuur via bijvoorbeeld het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). De eerste processtappen in de uitwerking hiervan worden rond de zomer verwacht. In diezelfde periode wordt in de actualisatie van het NPE nader toegelicht hoe het kabinet deze systeemplanning verder wil ontwikkelen.

Ook werkt het kabinet samen met de netbeheerders aan afspraken over een ‘netwerktoets’, zodat netbeheerders beter en eerder betrokken worden bij beleidsvoorstellen die naar verwachting grote impact hebben op het elektriciteitsnet en op de benodigde investeringen en daarmee de kosten- en tariefontwikkeling. Streven is om als pilot de eerste uitkomsten van de netwerktoets gelijktijdig met de Voorjaarsnota van 2026 met de Kamer te delen. Verder heeft het kabinet sinds de kabinetsreactie op het IBO de investeringsprognoses, de verwachte nettarieven en financieringsbehoefte van de netbeheerders opgenomen als bijlage bij de Voorjaarsnota en nader geactualiseerd in de Miljoenennota.

Daarnaast ontwikkelt het kabinet publieke kennis, data en methoden verder om kosten, baten en verdelingsaspecten en het effect van beleidskeuzes daarop, gedurende de energietransitie integraal en structureel in beeld brengen. Daarom heeft het kabinet de publieke kennisinstellingen (PBL, CPB, TNO, CBS en RVO) verenigd in de Kenniscoalitie voor de Energietransitie (KCET) en hen verzocht een hierop gericht werkprogramma op te stellen en uit te voeren. Het programma ‘Energietransitie Integraal Kostenoverzicht’ (EIK) is in september 2025 gestart en gaat kennis en inzichten ontwikkelen die cruciaal zijn voor weloverwogen beleidskeuzes in de energietransitie. De eerste projecten binnen dit programma zijn inmiddels van start gegaan.12 Het programma zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 een startnotitie opleveren. De inzichten uit deze startnotitie worden in de actualisatie van het NPE meegenomen.

  1. Opvolging van relevante moties en toezeggingen

Naar aanleiding van een toezegging aan het lid Bontenbal heeft het kabinet onderzocht of het wenselijk is om de inkoop van energie ter compensatie van netverliezen via energieleveranciers te laten lopen.13 Op basis van dit onderzoek concludeert het kabinet dat dit niet het geval is. In een ruime meerderheid van de EU-landen is het de netbeheerder die moet compenseren voor het verlies van elektriciteit en/of gas dat tijdens het transport verloren gaat. Een belangrijke reden voor deze keuze is dat netbeheerders de meeste mogelijkheden hebben om netverliezen te beperken. Netbeheerders gaan namelijk over het netontwerp, goed onderhoud en het voorkomen van energiediefstal. De ACM stimuleert als toezichthouder dat netbeheerders netverliezen beperken en kan monitoren of netbeheerders een goed proces hebben voor het inkopen van de netverliezen. Ten slotte weegt het kabinet mee dat een eventuele beleidswijziging zorgt voor meer onzekerheid over de toekomstige kosten van energieleveranciers. Voor de betaalbaarheid van de energierekening is het wenselijk dat reguleringsrisico’s beperkt blijven.

Tot slot onderneemt het kabinet verschillende acties voor wat betreft de ruimtelijke opgave. Eén van deze acties is de motie van het lid Grinwis c.s. om samen met TenneT en regionale netbeheerders geschikte opslaglocaties voor batterijen zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen.14 Over de uitvoering van deze motie wordt uw Kamer eind maart geïnformeerd in de volgende brief over de stand van zaken van het LAN.

Sophie Hermans

Minister van Klimaat en Groene Groei


  1. Kamerstukken II, 2024/25, 29023, nr. 553.↩︎

  2. BCG (2024) - Haal de kink uit de kabel. Ecorys (2024) - Maatschappelijke kostprijs netcongestie.↩︎

  3. Kamerstukken II, 2024/25, 29023, nr. 567.↩︎

  4. Kamerstukken II, 2025/26, 29023, nr. 626.↩︎

  5. Kamerstukken II, 2024/25, 29023, nr. 597.↩︎

  6. Kamerstukken II, 2024/25, 33043, nr. 119.↩︎

  7. Wind Infrastructuurplan Noordzee (2025) Hoofdstuk 2 – De rol van windenergie op zee in het energiesysteem; Deze analyse is gebaseerd op de scenario’s van TNO (2024); PBL (2024) en NBNL (2025).↩︎

  8. Kamerstuk 31239, nr. 388.↩︎

  9. Kamerstukken II 2024/25, 32813, nr. 1543, fiche 11.↩︎

  10. Kamerstuk 29826, nr. 258.↩︎

  11. Kamerstukken II 2024/25, 33043, nr. 119.↩︎

  12. KCET (2025). Werkprogramma Energietransitie Integraal Kostenbeeld.↩︎

  13. TZ202404-097.↩︎

  14. Kamerstukken II 2024/25, 29023, nr. 538.↩︎