Reactie op verzoek commissie over RIVM-rekenmodel voor oversterfte
Infectieziektenbestrijding
Brief regering
Nummer: 2026D06177, datum: 2026-02-09, bijgewerkt: 2026-02-10 08:06, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderdeel van kamerstukdossier 25295 -2262 Infectieziektenbestrijding.
Onderdeel van zaak 2026Z02753:
- Indiener: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-02-10 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-25 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
> Retouradres Postbus 20350 2500 EJ Den Haag
De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 9 februari 2026
Betreft Commissieverzoek inzake 3-den; RVIM-rekenmodel voor oversterfte (25295-2234)
Geachte voorzitter,
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een brief ontvangen van S. over het RIVM-rekenmodel voor oversterfte. In de procedurevergadering van 3 december 2025 heeft de commissie besloten graag een reactie van mij op deze brief te ontvangen. Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen in de brief over het RVIM-rekenmodel voor oversterfte (25295-2234).
Hoogachtend,
de minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
Jan Anthonie Bruijn
Antwoorden op de vragen in de brief “3-den; RVIM-rekenmodel voor oversterfte” (Kamerstuk 25295, nr. 2234) (2025Z21394).
Vraag 1
Bent u bekend met het feit dat het RIVM geen signalering kan geven over het optreden van langdurige oversterfte?
Vraag 2
Bent u bekend met het feit dat inmiddels ook het CBS deze signalering niet meer kan geven?
Antwoord vragen 1 en 2
Het model dat het RIVM gebruikt voor het berekenen van de oversterfte is er primair op gericht om te bepalen of er sprake is van incidentele oversterfte. Het is van belang te onderstrepen dat de wekelijkse oversterfte die het RIVM rapporteert, gebaseerd op wekelijks door CBS gerapporteerde sterfte-aantallen, slechts één van meerdere indicatoren is gerelateerd aan trends in sterfte. De oversterftemonitor wordt niet gebruikt voor lange termijn verwachtingen van sterfte. Andere indicatoren zoals de geschatte periode-levensverwachting, leeftijdsspecifieke sterftekansen en doodsoorzaken(trends), die het CBS publiceert, zijn ook belangrijke indicatoren om trends in sterfte te monitoren.
Vraag 3
Het Kamerlid Thiadens heeft vragen gesteld over de zorgwekkende oversterfte, met name bij vrouwen rond de 40 jaar die een oversterfte van 30% hebben. De minister heeft hierover geen signalen van het RIVM gehad. Deelt u alsnog de zorgen van Thiadens?
Antwoord vraag 3
Ik sta in contact met diverse organisaties als het gaat om ontwikkelingen in de sterftecijfers. Zo heeft het CBS in maart 2025 een rapport gepubliceerd over de doodsoorzaken trends tussen 2014 en 2024.1 Het CBS concludeert in dit rapport onder andere dat de coronapandemie mogelijk heeft bijgedragen aan een verhoogde kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten, doordat de daling in het sterftecijfer met name onder vrouwen werd onderbroken.
Het CBS concludeert daarbij ook dat de analyses een beschrijvend karakter hebben, geen verbanden tonen en dat daarnaast toekomstige data nodig zijn om een beeld te krijgen van de trend, waarbij niet alleen het eerste jaar na de coronapandemie wordt meegenomen, maar ook de ontwikkelingen in de jaren daarna, voor een breder perspectief.
Dergelijke rapporten houd ik vanzelfsprekend nauwlettend in de gaten en daarbij vertrouw ik op de expertise van zowel het CBS als het RIVM en de uit hun modellen volgende analyses en mogelijke signalen van uitzonderlijke oversterfte.
Het model waaruit deze statistiek voortkomt, maakt gebruik van de data tien jaren voor Covid-19, een periode die inmiddels ver achter ons ligt met grote demografische verschillen. Het CBS heeft ook aangegeven bij het stoppen van de monitoring van (over)sterfte eind 2023 dat de periode (vijf jaar voor Covid-19) waarop de monitor een beroep deed inmiddels te ver achter ons ligt en daarmee geen solide basis vormt voor een statistisch verantwoorde schatting.
Concluderend deel ik op dit moment de zorgen van het voormalig lid Thiadens dus niet. Indien noodzakelijk word ik geïnformeerd door de verantwoordelijke instanties over verdere ontwikkelingen van de trends in de sterftecijfers.
Vraag 4
Het RIVM suggereert dat er een ander rekenmodel noodzakelijk is voor het vaststellen van aanhoudende oversterfte. Bent u bekend met ons voorstel om daartoe het begrip Normsterfte te introduceren?
Antwoord vraag 4
Ja, ik ben bekend met dit voorstel.
Vraag 5
Bent u bereid om dit Normsterfte model nader te onderzoeken?
Antwoord vraag 5
Het RIVM en CBS doen onafhankelijk onderzoek en het is dus niet aan mij om modellen nader te onderzoeken of hen daartoe aanwijzingen te geven. Het staat onderzoekers vrij om deel te nemen aan het wetenschappelijke debat, bijvoorbeeld via peer reviewed publicaties. Onderdeel van peer review is ook eventuele kritiek op de gebruikte methoden en technieken van onderzoek, inclusief de gebruikte modellen. Indien noodzakelijk word ik hierover vervolgens geïnformeerd door de verantwoordelijke instanties.
In reactie op de motie van het lid De Korte van 27 maart 20252 heeft het RIVM een reflectie op het rekenmodel voor oversterfte opgesteld. Deze reflectie is op 10 september 2025 met uw Kamer gedeeld. Het RIVM geeft in deze reflectie aan dat zij actief deelneemt aan internationale kennisuitwisseling en methodologische verkenningen, onder meer binnen het EuroMOMO-consortium. Er zijn zowel binnen EuroMOMO als bij het RIVM reeds trajecten in gang gezet gericht op het ontwikkelen en toetsen van alternatieve of aanvullende modellen. Deze initiatieven kunnen op termijn mogelijk aanleiding geven tot aanpassing of verfijning van de huidige werkwijze.