[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie, Bijeenkomst NAVO-ministers van Defensie en Ukraine Defence Contact Group van 11 en 12 februari 2026 (Kamerstuk 21501-28-296)

Defensieraad

Verslag van een schriftelijk overleg

Nummer: 2026D06246, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-10 13:36, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 21501 28-297 Defensieraad.

Onderdeel van zaak 2026Z02776:

Preview document (🔗 origineel)


> Retouradres Postbus 20701 2500 ES Den Haag

de Voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Bezuidenhoutseweg 67

2594 AC Den Haag

Datum 10 februari 2026
Betreft Beantwoording schriftelijke overleg over de Raad Buitenlandse Zaken Defensie, Defence Ministers Meeting, en Ukraine Defence Contact Group van 11 en 12 februari 2026

Ministerie van Defensie

Plein 4

MPC 58 B

Postbus 20701

2500 ES Den Haag

www.defensie.nl

Onze referentie

MINDEF20260007449

Bij beantwoording, datum, onze referentie en onderwerp vermelden.

Geachte voorzitter,

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de schriftelijke vragen zoals gesteld namens de vaste commissie voor Defensie over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) Defensie, Defence Ministers Meeting (DMM), en Ukraine Defence Contact Group (UDCG) van 11 en 12 februari 2026.

Hoogachtend,

DE MINISTER VAN DEFENSIE

Ruben Brekelmans

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de genoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie Ministeriële. Hierover hebben deze leden nog enkele vragen.

Vraag 1

De leden van de D66-fractie zijn opgelucht dat gezamenlijke inzet van zowel de Europese NAVO-lidstaten en de NAVO Secretaris Generaal hebben voorkomen dat president Trump zijn plannen op het gebied van Groenland door heeft gezet. Inmiddels hebben twee Nederlandse militairen deelgenomen aan een verkenningsmissie in Groenland. Wat zijn de bevindingen van de verkenningsmissie waarin twee Nederlandse officieren van de Nederlandse Koninklijke Marine aan hebben deelgenomen? Wat is de inzet van de minister als het gaat om gesprekken over een mogelijke NAVO-missie (Arctic Sentry) op Groenland, zo vragen deze leden.

Antwoord
In reactie op de vragen 1, 10 en 18 van de D66- en VVD- en GroenLinks-PvdA fracties inzake Groenland kan ik het volgende melden.

De veiligheid van het NAVO-grondgebied in de Arctische regio moet worden geborgd. Hiertoe zal worden samengewerkt door NAVO-bondgenoten. Nederland is bereid bij te dragen aan het vergroten van de bewustwording en aanwezigheid in het Arctisch-gebied, door deel te nemen aan oefeningen en trainingen, en een bijdrage te leveren binnen het NAVO-verband. Nederland is dan ook voorstander van de totstandkoming van een NAVO-inzet om de veiligheid van Groenland te versterken. Dit zal ook worden uitgedragen in gesprekken met bondgenoten. Interoperabiliteit tussen bondgenoten is een continu aandachtspunt binnen de NAVO. Het organiseren van gezamenlijke trainingen en oefeningen biedt de mogelijkheid om de interoperabiliteit tussen bondgenoten te toetsen en te verbeteren.

Vraag 2

De leden van de D66-fractie vragen de minister hoe hij de uitspraak van Eurocommissaris Kubilius beoordeelt dat artikel 42 lid 7 van toepassing is bij een aanval op Groenland? Is Artikel 42.7 volgens het kabinet wel of niet van toepassing op de landen en gebieden overzee? Wat betekent de uitspraak van minister van Weel dat het verdragsartikel “niet onverkort” van toepassing is, zo vragen deze leden.

Antwoord
Artikel 42.7 heeft betrekking op een gewapende aanval op het grondgebied van een EU-lidstaat. Op dit moment is een dergelijk scenario niet aan de orde. Het kabinet speculeert niet over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 42.7 op specifieke scenario’s. Buiten kijf staat dat Nederland pal staat voor de territoriale integriteit en soevereiniteit van Groenland en Denemarken.

Vraag 3

De leden van de D66-fractie hebben ook nog enkele vragen over Oekraïne. Kan de minister reflecteren op het functioneren van de UDCG nu de Amerikanen daar niet langer een centrale rol in spelen? Verwacht het kabinet dat de Raad instemt met de mogelijkheid voor Oekraïne om met de EU-lening militair materieel aan te schaffen in het Verenigd Koninkrijk?

Antwoord
De UDCG wordt sinds het aantreden van de nieuwe Amerikaanse administratie voorgezeten door het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. De UDCG is en blijft het belangrijkste politieke gremium voor coördinatie van bilaterale militaire steun aan Oekraïne. Onlangs kondigden het Verenigd Koninkrijk aan samen met Oekraïne en de NAVO te kijken naar hervormingen van het UDCG-format, met het oog op het verbeteren van de slagvaardigheid en effectiviteit van het gremium.

De Raad van de EU bereikte op 4 februari jl. in Comité van Permanente Vertegenwoordigers (Coreper) een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro, inclusief 60 miljard voor militaire steun. De andere €30 miljard is begrotingssteun in de vorm van macro-financiële bijstand of steun via de EU-Oekraïnefaciliteit. Het kabinet is tevreden over het bereikte akkoord, inclusief de ruimte die Oekraïne heeft om militair materieel aan te schaffen in het Verenigd Koninkrijk. In dit principeakkoord staat een horizontale derogatie voor landen waarmee de EU een Security and Defence Partnership heeft, zoals het VK. Oekraïne zal de financiële middelen uit de lening kunnen gebruiken voor aankopen van militair materieel in het VK en het VK zal een financiële bijdrage aan de EU doen die proportioneel is, op basis van de rentelasten die de EU betaalt en de contracten die het VK krijgt. Het voorstel volgt de gewone wetgevingsprocedure, dat betekent dat na dit akkoord in de Raad de triloog van start gaat met de Europese Commissie en het Europees Parlement. Uw Kamer is op 6 februari jl. in meer detail over de steunlening aan Oekraïne geïnformeerd (Kamerstuk 36 045, nr. 267).

Vraag 4

De leden van de D66-fractie lazen in de stukken ook over de vooruitgang van de capaciteitencoalities. Welke doelstellingen wil Nederland in 2030 hebben behaald met de capaciteitencoalities voor drones en anti-dronesystemen, en militaire mobiliteit? Hoe verhoudt het drone-actieplan van de Europese Commissie zich tot de door Nederland geleide PCA drones en counter-dronesystemen? In hoeverre is Nederland betrokken bij de totstandkoming van het actieplan, zo vragen deze leden.

Antwoord
Voor Nederland is van belang dat de Priority Capability Areas (PCA’s) leiden tot concrete operationele output en gezamenlijke capaciteiten. De Nederlandse inzet voor de PCA’s is dat deze bijdragen aan het versneld invullen van de nationale- en EU-capability tekortkomingen en NAVO Capability Targets. Via de PCA’s behaalt NL beleidsdoelen t.a.v. gezamenlijke capaciteitsontwikkeling binnen de EU: lidstaten aan zet, betrokkenheid EDA, aansluiting bij NAVO en de Commissie als financier via programma’s als EDIP en SAFE. Gezien de opzet van het PCA-format (lidstaten die zelf aan het roer staan voor militaire capabilities), hecht het kabinet er waarde aan dat het PCA-format slaagt en tot concrete, gezamenlijke resultaten leidt.

De insteek van de co-lead nations van de PCA Drones en counter-drone systemen is om de PCA een format te laten zijn waarin alle Europese initiatieven op drones en counter-drone systemen overzien kunnen worden. Hoewel de PCA focust op militaire capaciteiten, wordt hier ook gekeken naar dual-use oplossingen. Vanuit die gedachte kijkt het kabinet uit naar het drone-actieplan en zal na publicatie onderzocht worden hoe de PCA kan bijdragen aan het invullen van de acties die uit het actieplan voortkomen.

Op de specifieke plannen voor de PCA’s Drones en counter-drone systemen en Militaire mobiliteit wordt in het antwoord op vraag 13 verder ingegaan.

Vraag 5

De NAVO-lidstaten werken inmiddels toe naar de nieuwe NAVO-norm van 5%. Hoe wordt voorkomen dat verschillen in ambitie om toe te groeien naar 5% defensie brede uitgaven in 2035 leiden tot ongelijke verdeling van lasten tussen NAVO-lidstaten de komende 10 jaar? Hoe wordt de lastenverdeling binnen de NAVO gemonitord? En op welke manier worden landen aangesproken wanneer zij achterblijven?

Antwoord
NAVO-bondgenoten zijn op de top in Den Haag overeengekomen in 2035 5% aan defensie uit te geven, waarvan 3,5% aan harde defensie-uitgaven en 1,5% aan veiligheids- en defensie gerelateerde uitgaven. De 3,5% is primair bedoeld ter invulling van de NAVO-capaciteitsdoelstellingen. Deze worden onder de bondgenoten verdeeld onder meer op basis van eerlijke lastenverdeling (burden sharing). Bondgenoten stellen ieder een eigen groeipad op dat moet leiden naar de 3,5%. Deze groeipaden worden binnen het bondgenootschap met elkaar gedeeld en regelmatig besproken, zo ook tijdens deze DMM. Daarbij spreken bondgenoten elkaar aan mocht een van hen achterblijven op de gemaakte afspraken. Ook controleert de NAVO de bondgenootschappelijke lastenverdeling via formele rapportagemomenten, waaronder de Annual Strategic Level Report, waarin bondgenoten rapporteren over de gemaakte vooruitgang op gebied van cash, capabilities en contributions, en de tweejaarlijkse Defence Planning Capability Review, waarmee de NAVO de vooruitgang in de invulling van de vastgestelde capaciteitsdoelstellingen monitort.

Vraag 6
Recent hebben de Verenigde Staten haar nieuwe defensiestrategie gepresenteerd. Hoe beoordeelt het kabinet de nieuwe defensiestrategie van de VS? Welke lessen moeten Nederland en Europa daaruit trekken, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Antwoord
De Amerikaanse National Defence Strategy (NDS) wordt iedere 4 jaar opgesteld. De doelstellingen en ambities in de NDS komen voor het kabinet niet als een verrassing. De NDS legt nadruk op de verdediging van de VS zelf en verlegt de focus naar het Westelijk Halfrond. Het was reeds duidelijk dat de VS hieraan prioriteit geeft, bijvoorbeeld uit de eerder gepubliceerde National Security Strategy. Europa moet en wil meer verantwoordelijkheid nemen voor de eigen veiligheid, maar de VS blijft nauw betrokken in de NAVO met een belangrijke rol en kritieke capaciteiten. Nederland en Europa zijn zich wel meer bewust geworden dat ook daarbij sterke afhankelijkheden voorkomen moeten worden. Nederland en Europa moeten investeren in defensie, weerbaarheid en defensie-industrie, en investeren in diplomatie en coalitievorming. Hieraan werkt het kabinet de afgelopen tijd, onder meer door implementatie van de afspraken van de NAVO Top in Den Haag om in 2035 5% aan defensie- en defensiegerelateerde uitgaven te besteden. In dit kader verwijs ik ook graag naar de Kamerbrief inzake EU als geopolitieke speler die u 27 januari jl. toekwam.1

Vraag 7

De laatste Europese defensiestrategie is het EU Strategische Kompas uit 2022: ‘Kwantum voorwaarts’, Rapid Deployment Capacity en daarnaast ook het Witboek van het afgelopen jaar. Hoe verhouden deze twee zich ten opzichte van de nieuwe Europese Veiligheidsstrategie? Von der Leyen kondigde afgelopen maand aan dat deze in het eerste kwartaal van dit jaar zal worden gepresenteerd. Kan de minister aangeven wat de stand van zaken is en wanneer we deze kunnen verwachten, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Antwoord
Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen heeft recent, onder andere in haar toespraak tijdens het World Economic Forum, aangekondigd dat er later dit jaar een nieuwe EU Veiligheidsstrategie volgt. Er is op dit moment nog niet bekend hoe de strategie eruit gaat zien en wat de verhouding tot de genoemde documenten gaat zijn.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de aanstaande internationale defensie-overleggen, alsmede de verslagen van de bijeenkomsten van oktober en december 2025. In een tijd van voortdurende geopolitieke instabiliteit en directe dreigingen aan de grenzen van het NAVO-verdragsgebied, achten deze leden een krachtige en gecoördineerde inzet van essentieel belang. Zij danken de minister voor de uitgebreide documentatie en de proactieve houding van Nederland binnen de verschillende samenwerkingsverbanden, maar wensen naar aanleiding van de stukken nog enkele verdiepende vragen te stellen.

Vraag 8

Ten aanzien van de militaire steun aan Oekraïne en de actuele situatie aan het front vragen de leden van de VVD-fractie de minister om een nadere duiding van de diplomatieke inspanningen gericht op een duurzaam vredesakkoord. Welke voortgang is er de afgelopen periode geboekt bij de lopende gesprekken en in hoeverre ziet de minister een realistisch pad naar een beëindiging van de vijandelijkheden waarbij de soevereiniteit van Oekraïne gewaarborgd blijft? In het verlengde hiervan vragen deze leden naar de verwachtingen van de minister ten aanzien van de Nederlandse rol in een eventuele internationale vredesmissie na het bereiken van een akkoord. Welke specifieke bijdrage, zowel qua personeel als materieel, acht de minister passend voor Nederland binnen een dergelijke missie en welke randvoorwaarden stelt het kabinet aan de deelname van Nederland aan een 'coalition of the willing' die toeziet op de naleving van een vredesregeling?

Antwoord

Recentelijk zijn in technische werkgroepen trilaterale besprekingen in Abu Dhabi gehouden tussen Oekraïne, de Russische Federatie en de Verenigde Staten. Oekraïne heeft zich sinds vorig voorjaar constructief en meewerkend opgesteld om een duurzame vrede te bewerkstelligen, en heeft bereidheid getoond vergaande concessies te doen om vrede te bereiken. Desalniettemin lijkt een vredesovereenkomst nu nog niet aan de orde. Rusland toont nog geen enkele serieuze bereidwilligheid om diens maximalistische eisen los te laten en een beëindiging van de vijandelijkheden overeen te komen. Daarom blijf het kabinet inzetten op het opvoeren van verdere druk op Rusland en het ondersteunen van Oekraïne. De Coalition of the Willing staat Oekraïne bij in de onderhandelingen en werkt aan afspraken waardoor Oekraïne steviger staat aan de onderhandelingstafel. We houden uw Kamer op de hoogte van verdere ontwikkelingen.

Zoals reeds gesteld in de Kamerbrieven van 10 september en 6 januari jl. heeft het kabinet een bereidwillige houding om een substantiële bijdrage te leveren aan de actielijnen van de Coalition of the Willing, (CotW, zie Kamerstukken 36 045, nummers 215 en 264). Een besluit over de beoogde Nederlandse inzet is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de condities van een beëindiging van de vijandelijkheden, de uitwerking van de rules of engagement (ROE) en modaliteiten omtrent bestandsmonitoring. Het nemen van verantwoordelijkheid past binnen de geldende geopolitieke context en de onverminderde steun van Nederland aan Oekraïne, tevens in het belang van de Nederlandse en Europese veiligheid.

Vraag 9

Voorts vragen deze leden welke mogelijkheden de minister ziet om via het Prioritised Ukraine Requirements List (PURL) initiatief de Oekraïense behoeften op het gebied van defensie-infrastructuur en beveiliging te borgen, ook met het oog op de stabiliteit na een eventueel staakt-het-vuren.

Antwoord

De Oekraïense militaire behoeften overstijgen wat via het PURL-mechanisme geleverd kan worden aanzienlijk. PURL moet gezien worden als de beste manier om Oekraïne van Amerikaans materieel te voorzien, Nederland heeft hier reeds €750 miljoen aan toegezegd. Dat is van belang omdat Oekraïne over een aanzienlijke hoeveelheid Amerikaanse systemen beschikt en omdat het materieel betreft dat simpelweg alleen in de VS wordt geproduceerd. Het materieel in de PURL-pakketten is gebaseerd op kritieke behoeften zoals die door Oekraïne is geformuleerd en bestaat uit materieel dat spoedig kan worden geleverd, zodat Oekraïne zich op korte termijn kan blijven verdedigen tegen de Russische agressie. In algemene zin bestaat de behoefte uit luchtafweersystemen en bijbehorende munitie waaronder Patriot-raketten, artilleriemunitie, gevechtsvoertuigen en reserveonderdelen. SG NAVO Rutte heeft aangegeven dat sinds afgelopen zomer 75% van alle gebruikte rakketten voor Patriotsystemen en 90% van de gebruikte munitie voor overige luchtverdedigingssystemen via PURL is geleverd.

Ook na een staakt-het-vuren zal militaire steun ten behoeve van Oekraïne van groot belang blijven, als afschrikwekkend middel om een hernieuwing van de vijandelijkheden te voorkomen. Na een staakt-het-vuren zal worden bezien via welke initiatieven het beste in de behoeften van Oekraïne kan worden voorzien. Overigens richt PURL zich momenteel primair op materieel, en is het uitbreiden van het initiatief naar behoeften op het gebied van defensie-infrastructuur en beveiliging niet aan de orde. De behoefte wordt met name ingevuld door fondsen die kunnen voorzien in niet-lethale middelen en via de Capability Coalitions. Zo draagt Nederland, als co-leider van de Air Force Capability Coalition, bij aan het beschermen en beveiligen van vliegtuigen en vliegvelden.

Vraag 10

De leden van de VVD-fractie hebben tevens met interesse kennisgenomen van de besprekingen over de NAVO-inzet in het Arctisch gebied en de specifieke rol van Groenland. Zij deelden het standpunt dat de NAVO een grotere en meer structurele rol moet opeisen op de noordflank om de strategische belangen van de bondgenoten te beschermen tegen toenemende invloed van autocratische machten in deze regio. Kan de minister nader toelichten welke concrete Nederlandse capaciteiten, bijvoorbeeld op het gebied van maritieme surveillance of gespecialiseerde eenheden, in aanmerking komen voor een bijdrage aan een eventuele NAVO-missie in dit gebied? De leden van de VVD-fractie kijken welwillend naar een actieve Nederlandse bijdrage en vragen de minister op welke wijze hij de interoperabiliteit met bondgenoten zoals Denemarken en Canada in dit kader verder beoogt te versterken.

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 11

Daarbij wensen zij ook geïnformeerd te worden over de voortgang van het 'playbook' tegen de Russische schaduwvloot en de wijze waarop dit instrument bijdraagt aan de bescherming van vitale onderzeese infrastructuur in de Noord-Atlantische wateren.

Antwoord

Vanwege de dreiging die uitgaat van de Russische schaduwvloot houdt de Kustwacht de schaduwvloot op de Noordzee in de gaten. Daarnaast heeft de Kustwacht schepen die onder een valse Koninkrijksvlag varen wereldwijd in beeld. Naast nationale is ook internationale samenwerking essentieel om deze activiteiten tevens bij de bron aan te pakken.

Het kabinet zet in op robuuster optreden tegen de schaduwvloot binnen de Exclusieve Economische Zone (EEZ). Het kabinet werkt daarbij aan een nationale strategie voor de aanpak van de schaduwvloot en het versterken en robuuster maken van de Nederlandse wetgeving die gebruikt kan worden om schepen aan te houden.

Gezien de hybride dreiging die ook uitgaat van schaduwvlootschepen, is het goed in beeld brengen van deze schepen van groot belang voor de bescherming van vitale onderzeese infrastructuur op de Noordzee. Door zichtbaar zicht te houden op de schaduwvloot wordt heimelijk optreden door de schepen van deze vloot moeilijker. Dit heeft een afschrikkende werking richting de vlaggenstaten en ondernemingen die sanctieontduiking mogelijk maken. Aan de bescherming van vitale onderzeese infrastructuur wordt gewerkt middels het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur. In dit kader verwijs ik ook graag naar de Kamerbrief inzake de stand van zaken aanpak schaduwvloot die u 28 januari jl. toekwam.2

Vraag 12

Wat betreft de Europese defensiegereedheid en de versterking van de industriële basis, vragen deze leden naar de stand van zaken rondom het Security Action for Europe (SAFE)-instrument. Zij betreuren dat een akkoord met het Verenigd Koninkrijk over verruimde deelname tot op heden is uitgebleven, aangezien een nauwe samenwerking met deze cruciale veiligheidspartner essentieel is voor het opschalen van de Europese productiecapaciteit. Welke diplomatieke stappen onderneemt de minister om de blokkades in de gesprekken met het Verenigd Koninkrijk weg te nemen en hoe wordt voorkomen dat er onnodige versnippering optreedt binnen de Europese defensiemarkt?

Deze leden verwelkomen de focus op grensoverschrijdende industriesamenwerking binnen het EDIP-akkoord en vragen hoe de minister borgt dat Nederlandse toeleveranciers en innovatieve mkb-bedrijven optimaal gebruik kunnen maken van de bonusregelingen voor dergelijke samenwerkingsprojecten.

Antwoord

Er wordt uitvoering gegeven aan het Security Action for Europe (SAFE)-instrument: 19 lidstaten hebben verzoeken met investeringsplannen ingediend bij de Commissie. De Commissie heeft de plannen grotendeels al geanalyseerd; de Raad wordt binnenkort door de Commissie gevraagd om in te stemmen met het verstrekken van de leningen. Het doel is dat de overeenkomsten zo snel mogelijk worden ondertekend zodat de uitbetalingen op korte termijn kunnen plaatsvinden. Defensie bestudeert de investeringsplannen van andere lidstaten nauwgezet en indien hier capaciteiten tussen zitten die Nederland ook wil aankopen, wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om aan te sluiten bij betreffende aanbestedingen. Het kabinet zet zich er in gesprekken met Commissie en andere lidstaten voor in om de onderhandelingen met het VK voor aanvullende toegang voor bedrijven uit het VK tot SAFE nieuw leven in te blazen.

Het kabinet positioneert Nederlandse defensie-industrie actief in internationale en Europese ontwikkel- en aanschaftrajecten via financiële bijdragen en andere ondersteunende maatregelen. Zo heeft Nederland bij de EU actief gepleit voor het openen van toeleveringsketens voor mkb en industrie uit kleinere lidstaten. Als resultaat is grensoverschrijdende industriesamenwerking als doelstelling, inclusief een bonus om dit te stimuleren, opgenomen in het concept werkprogramma 2026-2027 van EDIP. De RVO heeft een belangrijke rol in de verspreiding van informatie over Europese defensieprogramma’s en biedt bedrijven die hieraan willen meedoen adviesgesprekken aan. Ook het in 2025 gelanceerde publiek-private platform Defport moet concreet bijdragen aan de versterking van de defensie-industrie.

Vraag 13

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie om een update over de voortgang binnen de Priority Capability Areas (PCA's), in het bijzonder de PCA militaire mobiliteit. Zij ondersteunen het gezamenlijke non-paper van Nederland, Duitsland, België, Polen en Litouwen en de oproep tot het creëren van een 'Joint European Continent Military Mobility Area'. Deze leden achten het van groot belang dat de administratieve lasten worden geharmoniseerd en dat de gestelde termijn van maximaal drie werkdagen voor grensoverschrijdende verplaatsingen een harde norm wordt. Kan de minister aangeven welke lidstaten momenteel nog terughoudend zijn bij het invoeren van deze versnelde procedures en welke maatregelen de minister overweegt om de noodzakelijke vaart in dit proces te houden?

Antwoord

Op 15 januari organiseerde Nederland in samenwerking met co-lead nations Kroatië en Letland een tweede bijeenkomst van de PCA Drones en counter-drone systemen in Zagreb. Op de agenda stond de governance van de PCA en het doel en de strategische richting van de PCA die door de co-lead nations werd voorgesteld. Het voorstel van de co-lead nations is dat de PCA Drones en counter-drone systemen zich richt op gezamenlijke aanschaf en het ontwikkelen van een Europees netwerk van Drone Technology Hubs. Dit voorstel kon rekenen op steun van de deelnemers in Zagreb. Momenteel wordt er vanuit de samenwerking in de PCA Drones en counter-drone systemen gewerkt aan een voorstel voor een European Defence Project of Common Interest (EDPCI) in het kader van EDIP. In maart vindt een derde bijeenkomst van deze PCA plaats in Riga.

De officiële startbijeenkomst voor de PCA Militaire mobiliteit met de geïnteresseerde landen wordt voorzien in maart. De co-lead nations van de PCA Militaire mobiliteit (Duitsland, België en Nederland) hebben de afgelopen tijd gewerkt aan de gewenste richting van de PCA militaire mobiliteit. Gezien het veelvoud aan bestaande coördinatie mechanismen en werkgroepen op militaire mobiliteit bij zowel EU als NAVO, is het van belang om duplicatie te voorkomen en de juiste meerwaarde van de PCA te identificeren. Mogelijkheden voor deze meerwaarde zitten in digitalisering, governance, en capabilities (warehouses, logistieke hubs, support to operations). Dit wordt besproken tijdens de startbijeenkomst voor de PCA militaire mobiliteit in maart. Het kabinet gaat niet in op inhoudelijke posities van andere lidstaten.

Ook de PCA’s op de andere onderwerpen, zoals IAMD, artillery en space, hebben inmiddels hun eerste bijeenkomsten gehad. De PCA’s Missile & ammunition en Maritime zullen deze maand starten. De PCA’s voor Cyber, EW & quantum, voor Ground combat en voor Strategic enablers zijn nog niet gestart.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie ministeriële van 11 en 12 februari en hebben naar aanleiding hiervan nog enkele vragen.

Vraag 14

Steun aan Oekraïne

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de achterblijvende militaire steun voor Oekraïne, juist in deze cruciale fase van de oorlog. Ondanks de vele toezeggingen van bondgenoten is de totale militaire steun aan Oekraïne in 2025 juist afgenomen. Tijdens de bijeenkomst van de Ukraine Defence Contact Group in december 2025 zijn er weliswaar nieuwe steunpakketten toegezegd voor 2026 door verschillende landen, maar hoe concreet zijn deze toezeggingen en hoe is de lastenverdeling onder Europese lidstaten? Het kabinet zegt continue aan te dringen bij achterblijvende bondgenoten om meer bij te dragen. Deze leden zijn benieuwd of dit aandringen tot dusver meetbare resultaten heeft opgeleverd. Kan de minister hierop reflecteren, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

Antwoord

Het kabinet deelt de zorg dat de militaire steun aan Oekraïne onder druk staat, juist nu de oorlog een cruciale fase kent en de militaire noden van Oekraïne groot blijven. Het beeld dat de totale militaire steun in 2025 is afgenomen, wordt mede verklaard door het feit dat een aantal grote toezeggingen in eerdere jaren is gedaan en gefaseerd tot uitbetaling en levering komt, terwijl nieuwe toezeggingen in 2025 deels nog niet volledig zijn geconcretiseerd in leveringsschema’s. Het kabinet blijft er bij bondgenoten op aandringen om toezeggingen zo snel mogelijk te vertalen naar concrete, tijdige en uitleverbare militaire steun. Het kabinet zet zich consequent in voor eerlijke en evenredige lastenverdeling, onder meer door dit onderwerp steeds te agenderen in EU-, NAVO- en G7-verband.

Militaire steun aan Oekraïne, toegezegd in UDCG-verband of elders, is echter een vrijwillige bilaterale aangelegenheid tussen het desbetreffende land en Oekraïne. Er bestaat geen formeel lastendeling-mechanisme of verdeelsleutel. Voor wat betreft lastendeling onder de Europese lidstaten geldt dat alle lidstaten, met uitzondering van Tsjechië, Hongarije en Slowakije, naar rato bijdragen aan de rentelasten die voortvloeien uit de Oekraïne herstelleningen. Met deze leningen krijgt Oekraïne in de periode 2026–2027 toegang tot in totaal €90 miljard, bestaande uit €30 miljard aan begrotingssteun in de vorm van macro-financiële bijstand of steun via de EU-Oekraïnefaciliteit en €60 miljard voor de ondersteuning van de Oekraïense defensiecapaciteiten.

Indien de steun geconcretiseerd wordt in UDCG-verband volgt NSATU op wanneer leveringen daadwerkelijk plaatsvinden. Dat is van belang voor de militaire planning van Oekraïne.

Vraag 15

In het kader van afnemende totale steun voor Oekraïne willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie graag weten hoe het staat met de volledige uitvoering van de motie Klaver inzake versnelde steun aan Oekraïne (Kamerstuk 36045, nr. 243). Tot op heden is namelijk slechts 700 miljoen euro van de additionele 2 miljard euro gerealiseerd. Tevens zijn deze leden benieuwd wat de mogelijke (financiële en budgettaire) consequenties zijn van het opnemen in het uitgavenkader van steun aan Oekraïne. Kan de minister hierover uitweiden?

Antwoord

Op 27 november 2025 verzocht de motie Klaver de regering het budget voor militaire steun aan Oekraïne aan te vullen met €2 mld. zodat het budget in het eerste kwartaal van 2026 beschikbaar gesteld kan worden ten behoeve van de defensie-industrie in Oekraïne. Dit omdat het kabinet €2 miljard aan steun bestemd voor 2026 versneld in 2025 heeft gerealiseerd (Motie van het lid Klaver cs., 36 045, nr. 243). Het kabinet erkent de noodzaak voor onverminderde steun aan Oekraïne en heeft in december een eerste stap gezet in de opvolging aan de motie Klaver (zie Kamerstuk 36045, nr. 261) door €700 mln. aan te wenden ten behoeve van militaire steun voor Oekraïne. De extra steun van € 700 mln. werd gegenereerd door onderbesteding en een gunstige valutakoers. In het Defensiematerieelbegrotingsfonds bleef dit jaar € 500 mln. ongebruikt, aangezien diverse projecten vertraging opliepen. Op de begroting van Buitenlandse Zaken stond nog € 200 mln. aan overgebleven middelen. Deze aanvullende steun valt derhalve niet onder de generieke OEK‑steun. Destijds is uw Kamer toegezegd dat het kabinet begin 2026 beziet hoe het verdere opvolging aan de motie kan geven. Omdat inmiddels een coalitieakkoord is bereikt tussen D66, VVD, en CDA waarin is uitgesproken de steun voort te zetten, laat het demissionaire kabinet de invulling van de motie Klaver over aan het volgende kabinet.

Het Coalitieakkoord geeft – in lijn met het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte – aan dat steun aan Oekraïne onderdeel zal worden van het uitgavenkader. De begrotingsregels worden nog door het nieuwe kabinet vastgesteld. Het is daarom niet mogelijk om als demissionair kabinet hierover uitspraken te doen.

Vraag 16

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen in de beantwoording van de minister op dit schriftelijk verslag ook graag een kabinetsappreciatie van het Duitse voorstel dat beoogt gegeven militaire steun als voorwaarde te stellen voor landen om in aanmerking te komen voor Oekraïense militaire contracten gefinancierd met de EU-lening. Evenals hoe dit voorstel is ontvangen in andere lidstaten.

Antwoord

Op 4 februari jl. heeft de Raad op ambassadeursniveau een principeakkoord bereikt op de voorwaarden voor de leningen voor Oekraïne. Het Duitse voorstel maakt geen onderdeel uit van dit akkoord. Het kabinet onderschrijft het belang van lastendeling met betrekking tot de steun aan Oekraïne, maar ziet het Duitse voorstel niet als de beste manier om dat te bereiken. Op dit moment is het vooral van belang dat Oekraïne op korte termijn beschikking krijgt over de leningen en dat zij deze kunnen uitgeven aan het materieel waar zij het meest urgent behoefte aan hebben.

Vraag 17

Defensiegereedheid

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat Nederland andere lidstaten aanspoort om (verdere) actie te ondernemen op hun respectievelijke PCA’s. Bedoelt de minister hiermee dat andere landen naar zijn mening achterblijven? Op welke wijze spoort Nederland deze landen aan? Kan de minister deze leden tevens informeren hoe Nederland nu zelf concreet actie onderneemt om voortgang te boeken op eigen PCA’s, anders dan bijeenkomsten organiseren, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

Antwoord

Zoals eerder aangegeven is het voor Nederland belangrijk om het PCA-format tot een succes te maken. Om deze reden is het belangrijk om concrete resultaten te behalen vanuit de PCA’s. Zo kunnen lidstaten gezamenlijk hun capaciteitsbehoeften op deze kritieke gebieden identificeren en versneld tot resultaten komen. De co-lead nations van de PCA Drones en counter-drone systemen doen dit door aanspraak te maken op EU-financiering voor de aanschaf van materieel vanuit de samenwerking die voor deze PCA is opgezet. Het concrete verband tussen de PCA-werkzaamheden en EU-financiering wordt nog niet voor alle PCA’s gelegd. Dit is iets waar Nederland andere co-lead nations toe aanmoedigt.

Zie beantwoording vraag 12 voor een toelichting over de voortgang op de PCA’s waarin Nederland de rol van co-lead nation bekleedt.

Vraag 18

Arctisch gebied

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn solidair met de Groenlanders en Denen in het verdedigen van hun soevereiniteit en territoriale integriteit. In het licht daarvan zijn deze leden benieuwd naar de bevindingen van de verkenningsmissie in Groenland en wat de inzet van het kabinet gaat zijn bij een eventuele militaire aanwezigheid in Groenland, zij het in NAVO-verband of op verzoek van Denemarken. Welke voorbereidingen worden nu getroffen voor een eventuele bijdrage?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 1.

Vraag 19

Afschrikking en verdediging

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag van de minister wat de inzet is van Nederland rondom een zogenaamd “eenvoudiger en efficiënter NAVO IAMD” en welke concrete acties hieraan verbonden worden.

Antwoord

Zoals toegelicht in de geannoteerde agenda voor de RBZ, DMM en UDCG van 11 en 12 februari a.s. zullen de bondgenoten verdere stappen zetten in de voorbereiding van nieuwe militaire plannen van de NAVO voor IAMD. Dit is ter besluitvorming voorzien tijdens de NAVO-top in Ankara in juli 2026. Deze nieuwe militaire plannen voor IAMD zijn geclassificeerd en het kabinet kan via deze brief niet nader ingaan op de details. Ik kan uw Kamer aanbieden om in een vertrouwelijke briefing toelichting te geven op deze stappen en de Nederlandse positie daarin. Uitgangspunt van de Nederlandse positie is dat de (militaire) dreiging is veranderd de afgelopen jaren, dat IAMD-capaciteiten schaars zijn en dat verbeteringen op diverse aspecten in de IAMD-militaire plannen zeer welkom zijn.

Vraag 20

Kan de minister deze leden tevens informeren op welke vlakken van de capability targets Nederland vooruitgang heeft geboekt ten opzichte van de vorige NAVO Defensie Ministeriële?

Antwoord

Nederlandse investeert in de realisatie van de NATO Priority Targets, in het bijzonder in de verbetering van de algemene gereedheid, personeel en inzetvoorraden. Daarbij zijn gevechtskracht op land, lucht- en raketverdediging (integrated air & missile defence, of IAMD) en slagkracht over lange afstand (deep precision strike, of DPS) belangrijke focusgebieden. Op dit moment doorloopt Nederland samen met de NAVO de afronding van de 2-jaarlijkse Defence Planning Capability Review (DPCR), waarbij de invulling van de Nederlandse capability targets tegen het licht wordt gehouden. In de eerste helft van 2026 wordt de rapportage van NAVO hierover verwacht. Op het moment dat de uitkomst van dit proces beschikbaar is, zal uw Kamer zoals gebruikelijk daarover worden geïnformeerd. Indien gewenst zullen wij u tegen die tijd ook middels een vertrouwelijke briefing nader informeren.

Vraag 21

Deze leden lezen verder dat Nederland welwillend kijkt naar een mogelijke verlenging van de inzet van MQ-9s. Hoe lang zou een eventuele verlenging daadwerkelijk zijn en betreft het een verlenging van de inzet op hetzelfde niveau of een intensivering van de inzet, zo vragen deze leden.

Antwoord

Momenteel vindt besluitvorming plaats over mogelijke verdere inzet van de MQ-9. Ik informeer de Kamer uiterlijk eind maart van dit jaar over de uitkomst van dit besluitvormingsproces.

Vraag 22

Lastendeling

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen graag weten welke afspraken er bestaan over de invulling van de afgesproken 1,5% bbp aan uitgaven voor weerbaarheid en hoe andere NAVO-landen hiermee omgaan. Daarbij zijn deze leden in het bijzonder benieuwd of reeds voorgenomen of nieuwe investeringen in Nederland die bijdragen aan brede weerbaarheid van de Nederlandse samenleving, anders dan enkel militaire verdediging, bijvoorbeeld in infrastructuur of medische zorg, ook toegerekend (kunnen) worden aan de 1,5% norm.

Antwoord

Tijdens de NAVO-top in Den Haag stemden de NAVO-bondgenoten in met het The Hague Defence Investment Plan. Bondgenoten spraken af dat 1,5% van het bbp dient te worden uitgegeven aan bredere veiligheid- en defensie-gerelateerde uitgaven om de uitvoering van zowel NAVO- als nationale defensieplannen mogelijk te maken. Dit kan gaan om bijvoorbeeld infrastructuur, industriële capaciteiten, weerbaarheid, innovatie en het aanleggen van strategische voorraden. Het is niet uitgesloten dat reeds voorgenomen of nieuwe investeringen onder deze categorieën kunnen worden geschaard. De gemaakte afspraak laat ruimte voor bondgenoten om, binnen de door de NAVO uiteen gezette categorieën, zelf keuzes te maken bij de nationale doorvertaling van de 1,5%. Er is op dit moment nog geen nationale afbakening vastgesteld van zaken die worden toegerekend aan de 1,5%. Het is aan het volgende kabinet om hierin keuzes te maken.

Vraag 23

Inzetten Kenia en Oeganda

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd op wier verzoek het kabinet heeft besloten om over te gaan tot inzetten in respectievelijk Kenia en Oeganda. Kan het kabinet ook specifiek ingaan op de omvang van de personele bijdragen en welke (meetbare) doelen vastgesteld zijn voor deze inzetten?

Antwoord

OP SETWISE in Kenia geeft invulling aan de Letter of Intent (LoI) tussen de Republiek Kenia en het Koninkrijk der Nederlanden inzake Defensiesamenwerking, ondertekend in maart 2025. De Nederlandse bijdrage wordt geleverd aan een lopende samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en Kenia, op verzoek van het Verenigd Koninkrijk en met instemming en steun van gastland Kenia. De omvang van de personele bijdrage is kleinschalig (3 trainers). Nederland draagt hiermee bij aan een gecoördineerde inzet van Westerse partnerlanden (VS, VK) en versterking internationale samenwerking.

De Defensie bijdragen aan de Open Source Peacekeeping Intelligence (OPKI) training van de VN in Oeganda is onderdeel van de Nederlandse pledge tijdens de VN Peacekeeping Ministeriele (PKM) te Berlijn op 13 en 14 mei 2025. Nederland koos hier voor een strategisch partnerschap tussen Nederland en de Peacekeeping intelligence Academy (PKIA) op het gebied van Open Source Peacekeeping Intel (OPKI). De inzet vindt plaats op uitnodiging van de PKIA en met instemming van gastland Oeganda. De omvang van de personele bijdrage is kleinschalig (2 trainers). Met de trainingen draagt Nederland bij aan de wens van de VN om de trainingen te integreren in de VN trainingscentra. Inlichtingen zijn essentieel voor de opbouw van een beeld van de missieomgeving, bescherming van peacekeepers en burgerbevolking, en verbeteren zo de effectiviteit en verantwoording van VN-vredesmissies. 

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie van 11 februari 2026 en hebben de volgende vragen en opmerkingen.

Vraag 24

Militaire steun Oekraïne / EU-financiering

De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet exact kan aangeven of Nederland direct of indirect financieel risico loopt bij het door de Europese Commissie op 13 januari 2026 gepresenteerde voorstel voor een EU-lening van 90 miljard euro aan Oekraïne. Deze leden vragen daarbij expliciet in te gaan op eventuele garanties, rentecompensatie, begrotingsbijdragen of aansprakelijkheid voor Nederland bij (gedeeltelijke) wanbetaling.

Antwoord

Gezien de urgente noden van Oekraïne heeft het kabinet ingestemd met een politiek akkoord op de Ukraine Support Loan om twee jaar aan urgente en financiële militaire steun veilig te stellen. De lening wordt gegarandeerd via de beschikbare ruimte onder het eigenmiddelenplafond (de zogeheten headroom) van de EU. Nederland staat reeds, op basis van het in 2021 door beide Kamers goedgekeurde Eigenmiddelenbesluit, naar rato van het Nederlandse bni-aandeel garant voor verplichtingen die uit deze headroom voortvloeien. Het aanspreken van de garantie van de Unie via de headroom kan gebeuren in het scenario dat Rusland de oorlog beëindigt en herstelbetalingen doet aan Oekraïne voor de geleden schade. Op dat moment ontstaat een terugbetalingsverplichting van Oekraïne aan de EU, waarbij het mogelijk is dat Oekraïne niet (volledig) aan deze terugbetalingsverplichting kan voldoen. Een risico is ook dat de leningen langere tijd blijven uitstaan, wat kosten voor de EU met zich meebrengt in onder andere de vorm van rentelasten. Het Nederlandse aandeel in garantie voor de lening van EUR 90 mld. is op basis van de bni-sleutel gecorrigeerd voor het niet-deelnemen van Hongarije, Slowakije en Tsjechië, ca. 6 mld. De budgettaire verwerking van de garantie voor de eventuele rentekosten geschiedt bij de eerste suppletoire begroting 2026.

Ten aanzien van de rentelasten geldt dat in verband met de schuldhoudbaarheidspositie van Oekraïne, de EU deze niet zal doorbelasten aan Oekraïne. Voor 2026 zijn geen rentebetalingen voorzien. De totale rentelasten voor 2027 bedragen volgens het voorstel 1 miljard euro. Deze rentekosten komen in eerste instantie ten laste van de EU-begroting, conform de Nederlandse inzet. De Commissie heeft aangegeven te verwachten dat er binnen het huidige MFK voldoende ruimte is om de rentekosten voor 2027 op te vangen. Indien dat onverhoopt niet volledig lukt, kan een beroep worden gedaan op een nieuw speciaal instrument (Ukraine Support Loan Instrument) dat als backstop fungeert in 2026-2027. Indien dit speciaal instrument wordt ingeroepen, dan kan dat leiden tot een verhoging van de Nederlandse afdrachten in 2027 met naar huidige inschatting van de Commissie maximaal 66 mln. euro in 2027. Rentelasten vanaf 2028 worden betrokken bij de onderhandelingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader 2028–2034.

Uw Kamer is op 6 februari jl. in meer detail over de steunlening aan Oekraïne geïnformeerd (Kamerstuk 36 045, nr. 267).

Vraag 25

De leden van de PVV-fractie vragen voorts wat de actuele stand van zaken is in de lopende nationale en internationale onderzoeken naar het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen.

Antwoord

Zoals onder andere in het ER debat van 19 maart 2024 aan de kamer gecommuniceerd, heeft het kabinet geen nationale onderzoeken naar het opblazen van de Nord Stream-pijpleidingen gestart. Duitsland doet onderzoek naar de toedracht van de explosies. Het is aan de Duitse autoriteiten om over het onderzoek naar buiten te treden. Nederland wacht het Duitse vervolgproces af.

Vraag 26

EU-defensieprogramma’s en bevoegdheidsverdeling

De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is zich te verzetten tegen nieuwe EU-programma’s, zoals het door de Europese Commissie aangekondigde Qualitative Military Edge-programma, indien deze leiden tot structurele EU-sturing op defensie, bewapening of gezamenlijke verplichtingen richting Oekraïne. Deze leden vragen tevens of het kabinet kan aangeven welke gevolgen dergelijke programma’s hebben voor de nationale zeggenschap over het defensiebeleid.

Antwoord

De NAVO vormt al decennialang de hoeksteen van onze veiligheid, onze vrede en veiligheid kunnen we alleen samen met bondgenote waarborgen. De Europese Unie speelt een belangrijke rol voor wat betreft het versneld versterken van de Europese defensiegereedheid door onder andere vereenvoudiging van wetgeving en coördinatie bij gezamenlijke aankoop. Dit helpt om ook een grotere bijdrage te leveren aan de NAVO. Het is belangrijk dat Europa onafhankelijker wordt en beter samenwerkt, onder andere op het gebied van defensie. Het kabinet acht het van belang dat Nederland een constructieve rol speelt in de beweging naar een sterker en veiliger Europa en is dus niet bereid zich te verzetten tegen initiatieven die hieraan bij kunnen dragen.

Het is onbekend wat de vorm en inhoud van het Qualitative Military Edge zal zijn. Een appreciatie van de gevolgen kan daarom nog niet worden gegeven.

Vraag 27

Coalition of the Willing en juridische binding

De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet kan bevestigen dat de Verklaring van Parijs van 6 januari 2026 en deelname aan de zogeheten Coalition of the Willing geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland scheppen zonder voorafgaande expliciete instemming van de Kamer.

Antwoord

De Parijsverklaring past binnen de onverminderde steun voor Oekraïne zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet. Zoals gesteld in de brieven van 10 september en 6 januari jl. heeft dit kabinet een bereidwillige houding om een substantiële bijdrage te leveren aan de actielijnen van de Coalition of the Willing (CotW), zie Kamerstukken 36 045, nr. 215 en 36 045, nr. 264). Het nemen van verantwoordelijkheid past binnen de huidige geopolitieke context en de onverminderde steun van Nederland aan Oekraïne, tevens in het belang van de Nederlandse en Europese veiligheid.

In de brief verstuurd op 6 januari jl. geeft het kabinet aan te hechten aan een zo gedegen mogelijk politiek proces. Zodra de afronding van een mogelijke vredesovereenkomst nadert en militaire inzet in CotW-verband aanstaande lijkt, volgt politieke besluitvorming over een Nederlandse bijdrage en nadere informatievoorziening conform artikel 100 van de Grondwet, zoals eerder aan uw Kamer toegezegd. Het kabinet zal uw Kamer ook in de tussentijd blijven informeren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie ministeriële van 11 en 12 februari 2026. Deze leden hebben hier nog enkele vragen bij.

Vraag 28

Het kabinet wil snelle besluitvorming over de EU-lening aan Oekraïne en noemt daarbij dat men wil werken met conditionaliteiten (EU-Oekraïnefaciliteit/IMF). De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete conditionaliteiten Nederland in de lening wil terugzien, en hoe wordt gecontroleerd dat geld ook echt naar de juiste prioriteiten gaat?

Antwoord

De Raad van de EU bereikte op 4 februari jl. in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro, inclusief 60 miljard voor militaire steun. Het kabinet is tevreden over het bereikte akkoord. Ten aanzien van de macro-financiële steun vanuit de steunlening hecht het kabinet er waarde aan dat de verstrekking hiervan gepaard gaat met duidelijke en afdwingbare conditionaliteiten, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande kaders om versnippering en extra administratieve lasten voor Oekraïne te voorkomen. Het kabinet heeft er daarom op ingezet dat de voorwaarden voor de lening voortbouwen op de EU-Oekraïnefaciliteit en, waar relevant, in het lopende IMF-programma. Het kabinet hecht hierbij in het bijzonder waarde aan hervormingen op het gebied van rechtsstatelijkheid en corruptiebestrijding.

Het verstrekken van macro-financiële steun vanuit de EU-lening voor Oekraïne kan op twee manieren gebeuren. Ten eerste kan de steun worden verleend als macro-financiële bijstand, waarbij de Unie en Oekraïne in een Memorandum of Understanding (MoU) hervormingsvoorwaarden vastleggen waar Oekraïne voorafgaand aan de uitbetaling aan moet voldoen. Ten tweede kan de steun worden verstrekt via de bestaande Oekraïne-faciliteit. Bij deze optie is de uitbetaling van steun voorwaardelijk aan het doorvoeren van hervormingsstappen uit de bestaande hervormingsagenda voor 2024-2027 uit het Oekraïneplan. Het kabinet wilde dat de conditionaliteiten in ieder geval betrekking hebben op het behoud en de versterking van de rechtsstaat, effectieve corruptiebestrijding, goed financieel beheer en begrotingsdiscipline en het functioneren van democratische instellingen en de eerbiediging van mensenrechten.

Oekraïne is verplicht jaarlijks een financieringsstrategie op te stellen waarin de financiële noden, prioriteiten en beoogde besteding van de middelen worden uiteengezet. De Europese Commissie beoordeelt deze strategie aan de hand van vastgestelde criteria. Alleen bij een positief oordeel stelt de Commissie, via een uitvoeringsbesluit van de Raad, de middelen in tranches beschikbaar. Nederland geeft de voorkeur aan het gebruik van de Oekraïne-faciliteit vanwege de meerjarige integrale hervormingsagenda die daar onder ligt. Desalniettemin, houdt het kabinet oog voor de noden van Oekraïne en sluit daarom snelle uitbetaling via macro-financiële bijstand niet uit.

Vraag 29

De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde EU-lening 90 miljard euro is en dat lidstaten verdeeld zijn over de vraag of Oekraïne hiermee ook buiten de EU materieel mag kopen. De leden van de CDA-fractie vragen wat de inzet van het kabinet hierbij is. Mag materieel strikt alleen in de EU, Noorwegen en Canada gekocht worden, of is er wat het kabinet betreft ruimte om elders in te kopen als daarmee sneller geleverd wordt? De leden van de CDA-fractie lezen verder dat Duitsland pleit voor een koppeling tussen geleverde steun en de mate waarin landen kunnen profiteren van Oekraïense contracten. Hoe kijkt het kabinet naar deze gedachte? Helpt dit de solidariteit, of zet het juist druk op de eenheid?

Antwoord

De Raad van EU bereikte op 4 februari jl. in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers een principeakkoord op de EU-leningen voor Oekraïne. De lening bevat 90 miljard euro, inclusief 60 miljard voor militaire steun. Het kabinet is tevreden over het bereikte akkoord. De Nederlandse inzet was dat de militaire noden van Oekraïne leidend dienen te zijn. Het kabinet onderschrijft dat de inzet van de EU-lening primair moet bijdragen aan het versterken van de Oekraïense defensiecapaciteiten én, waar mogelijk, aan de Europese defensie-industrie. Nederland steunde daarom het cascade principe waarbij in eerste instantie gekeken word of materieel binnen de EU kan worden aangeschaft. Mocht urgent materieel echter niet beschikbaar of niet voldoende snel geleverd kunnen worden, is het kabinet van mening dat steun bij uitzondering ook hierbuiten, bijvoorbeeld in de VS, moet kunnen worden ingekocht. Hierbij zal in eerste instantie gekeken worden naar landen waarmee al sterke defensie samenwerkingen van kracht zijn, waaronder Canada en het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet blijft zich daarom inzetten voor een aanpak waarin de operationele noden van Oekraïne leidend zijn, met behoud van Europese eenheid en met voldoende flexibiliteit om effectief en tijdig steun te kunnen leveren. Het Duitse voorstel maakt geen onderdeel uit van dit bereikte principeakkoord.

Vraag 30

Het kabinet geeft aan dat Nederland bilaterale steun moet blijven leveren en de druk op Rusland wil verhogen met extra sancties. Ook is in 2025 al €700 miljoen van de (extra) €2 miljard gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie vragen wat de planning is voor het resterende deel van deze 2 miljard euro. Is al bekend waar dat aan wordt besteed?

Antwoord

Over de resterende €1,3 mld. voor 2026 uit de motie Klaver is nog geen besluit genomen. Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 31

In de Ukraine Defense Contact Group wil Nederland specifiek aandacht vragen voor gelijke lastenverdeling. Tegelijk laat het Kiel Institute zien dat de wereldwijde militaire steun in 2025 lager lag dan het gemiddelde in de jaren 2022 tot en met 2024. Kan het kabinet een overzicht delen van de mate waarin partners hun ‘fair share’ hebben geleverd?

Antwoord

Elk land maakt eigen afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet kan daarom geen (volledig) overzicht geven van de steun verleend door andere landen.

Wel roept het kabinet in fora zoals de UDCG, binnen de EU en in bilaterale contacten consequent op om meer te doen voor Oekraïne en mee te dragen in de lasten.

Vraag 32

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie op 10 februari met een nieuw plan (QME) komt om Oekraïne een “kwalitatief militair voordeel” te geven (de zogenoemde “stekelvarkenstrategie”), met prioriteiten zoals munitie, luchtverdediging, drones, training en steun aan de Oekraïense defensie-industrie. De leden van de CDA-fractie vragen welke onderdelen hiervan door Nederland geleverd kan worden en welke resultaten het kabinet al in 2026 wil zien (aantallen, leveringstempo, productiecapaciteit). Hoe verhoudt dit EU-plan zich tot NAVO-coördinatie (NSATU) en bestaande coalities? (In de routekaart staan onder andere capaciteitencoalities en een EU-Oekraïne drone-alliantie genoemd). Hoe wordt voorkomen dat hiermee dubbel werk tussen de EU en NAVO wordt uitgevoerd, zo vragen deze leden.

Antwoord

Zie antwoord op vraag 26.

Vraag 33

Eurocommissaris Kubilius pleit voor een Europese Veiligheidsraad, mogelijk met niet-EU partners (zoals het VK en Canada). De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet hier over denkt. Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederland hier zo goed mogelijk bij aangesloten is?

Antwoord

Het kabinet leest met interesse alle voorstellen die erop gericht zijn dat Europese landen meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen veiligheid en defensie. Eerder heeft het kabinet gekeken naar de mogelijke meerwaarde van een Europese Veiligheidsraad. Destijds bleek hiervoor binnen Europa onvoldoende draagvlak te bestaan. In lijn met de aangenomen motie van het lid Klos (Kamerstuk 36 800 V, nr. 48) is het kabinet bereid om dit draagvlak opnieuw te onderzoeken. Bovendien is van belang te vermelden dat Nederland reeds in verschillende verbanden samenwerkt t.b.v. de Europese veiligheid. De NAVO vormt de hoeksteen van onze collectieve veiligheid. De EU heeft een nuttige aanvullende rol te spelen op het gebied van financiering, coördinatie en vereenvoudigen wetgeving. Daarnaast werken we samen binnen coalities zoals de Joint Expeditionary Force (JEF) de Coalition of the Willing. In dit kader verwijs ik ook graag naar de Kamerbrief inzake EU als geopolitieke speler die u 27 januari jl. toekwam.3

Vraag 34

De spanningen rond Groenland hebben geleid tot aandacht voor Artikel 42.7 VEU (wederzijdse bijstand), maar er is onduidelijkheid over de operationele uitwerking en de vraag of dit ook geldt voor overzeese gebieden. Kan het kabinet aangeven wat de juridische en politieke inzet van het kabinet is. Geldt artikel 42.7 ook voor Groenland?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 2.

Vraag 35

De Commissie wil met betrekking tot Militaire Mobiliteit troepenverplaatsingen versnellen. Het BNC-fiche laat echter vooralsnog op zich wachten. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer het kabinetsstandpunt verwacht wordt. De Commissie wil doorvoer binnen de EU in drie dagen mogelijk maken en noemt investeringen in wegen, bruggen, spoor, tunnels en (lucht)havens. Welke “hotspots” ziet het kabinet in Nederland en welke investeringen zijn het meest urgent?

Antwoord

Het kabinetsstandpunt met betrekking tot het Militaire Mobiliteitspakket heeft u op 6 februari jl. ontvangen.

Er zijn drie militaire corridors door Nederland vastgesteld waarover zowel Host Nation Support als eigen inzet moet kunnen plaatsvinden. De infrastructuur op deze corridors dient gereed gemaakt te worden voor langdurige en grootschalige militaire transporten. Momenteel wordt door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat middels delta-analyses in kaart gebracht waar de grootste knelpunten op de infrastructuur zich bevinden. Dit betreft gevoelige informatie, vandaar dat uw Kamer over deze routes en knelpunten op de weg en het spoor is geïnformeerd tijdens een vertrouwelijke technische briefing op 14 januari jl.

Vraag 36

Nederland pleit voor een eenvoudiger en efficiënter NAVO IAMD-plan, maar het is onduidelijk wat Nederland precies hierin wil verbeteren. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet concreet kan maken welke aanpassingen Nederland voorstelt (command & control, interoperabiliteit, taakverdeling, voorraadbeheer).

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 19.

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda’s van de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en de NAVO Defensie Ministeriële en hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten.

De leden van de SGP-fractie steunen de inzet van het kabinet met betrekking tot het EU-breed Militair Mobiliteitsgebied. Het versterken van militaire mobiliteit beschouwen zij als een essentiële maatregel voor het verzekeren van collectieve veiligheid op het Europese continent. Nederland blijft wat de leden van de SGP-fractie betreft de inlichtingenbehoefte van de NAVO ondersteunen, onder meer door de inzet van MQ-9’s vanuit Roemenië en vliegbasis Leeuwarden, dus ook na 31 maart 2026. De leden van de SGP-fractie staan vierkant achter de inspanningen van de minister om met gelijkgezinde landen in de Ukraine Defense Contact Group werk te maken van gelijke (financiële) lastenverdeling. Duurzame voortzetting van militaire steun voor Oekraïne is cruciaal voor een optimale uitgangspositie aan de onderhandelingstafel met de Russische agressor.

De leden van de SGP-fractie zijn uitermate kritisch op de uitlatingen van Eurocommissaris Kubilius. Zonder de Amerikanen is geloofwaardige afschrikking luchtfietserij, zeker op korte termijn. Iedere stap naar meer Europese defensie- en veiligheidssamenwerking wordt wat de leden van de SGP-fractie betreft in volstrekte openheid met, en met instemming van de NAVO genomen. Europa moet politiek en militair zelfstandiger worden, maar de Commissie moet zich hierin uitermate terughoudend opstellen en de regie bij de hoofdsteden laten. Het is voor de leden van de SGP-fractie onbespreekbaar dat de Commissie bevel voert over de strijdkrachten, of dat het Europees Parlement ooit over de inzet van Nederlandse jongens en meiden beslist.

Een Europese Veiligheidsraad is voor de leden van de SGP-fractie alleen een optie als informeel overlegorgaan dat in een concrete crisis op het Europese continent als politieke regisseur optreedt. Dit orgaan opereert in nauwe afstemming met de NAVO, met een sleutelpositie voor het Verenigd Koninkrijk naast Frankrijk en Duitsland. Niet de Commissie, maar de voorzitter van de Europese Raad heeft een permanente plaats in dit orgaan, evenals de secretaris-generaal van de NAVO.

Vraag 37

Hoe wordt in het EU-breed Militair Mobiliteitsgebied omgegaan met EU-lidstaten die geen deel uitmaken van de NAVO? Wordt Oostenrijk onderdeel van het zogenoemde Militair Schengen, en zo ja, gelden hier enige beperkingen voor militaire verplaatsingen onder NAVO-vlag, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

Antwoord

Het voorstel van de Commissie geldt voor de gehele Europese Unie, daar maken ook de niet-NAVO EU-lidstaten deel van uit, zoals Oostenrijk. Op deze manier kan flexibiliteit gegarandeerd worden voor militair transport in de EU. Het Commissievoorstel voor de verordening is niet het eindresultaat dat in werking zal treden. Dit eindresultaat is afhankelijk van de uitkomsten van onderhandelingen met de Raad en het Europees Parlement, de precieze afspraken zijn dus momenteel nog niet in te schatten.

Vraag 38

Wat zijn de criteria op basis waarvan de minister tot een mandaat komt voor de inzet van Nederlandse MQ-9’s ten behoeve van NAVO-inlichtingen? Is er, gelet op Russische dreiging aan vooral de Europese oostflank, behoefte aan intensivering van Nederlandse inzet op dit terrein?

Antwoord

Momenteel vindt besluitvorming plaats over mogelijke verdere inzet van de MQ-9. De inzet vindt plaats op basis van NAVO-verzoeken en moet passen binnen Nederlandse wettelijke kaders. In de besluitvorming worden diverse factoren meegewogen zoals de personele en materiële inzetbaarheid en beschikbaarheid. Ik informeer de Kamer uiterlijk eind maart van dit jaar over de uitkomst van dit besluitvormingsproces.

Vraag 39

Kan de minister aangeven welke voordelen het Nederlandse leiderschap op drones en counterdrones heeft voor onze binnenlandse maakindustrie? Waar in het proces is Spanje toegevoegd als lead-nation naast Letland, Kroatië en Nederland, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

Antwoord

In de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie zijn intelligente systemen, waaronder drones, benoemd tot prioritair technologiegebied voor Nederland. Met het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen zet Defensie stappen om een koploper te worden op dit gebied. Voor succesvolle Nederlandse industrie is een grotere afzetmarkt randvoorwaardelijk. Dat kan alleen in samenwerking met Europese partners worden gerealiseerd. Mede daarom heeft Nederland, samen met Letland, Kroatië en inmiddels ook Spanje, de leiding genomen op deze Europese Priority Capability Area. Europese samenwerking leidt tot vraagbundeling én -zekerheid, interoperabiliteit en schaal. Dat komt alle Europese producenten van drones ten goede, ook de Nederlandse. Nemen wij deze stappen niet, dan kan de Europese markt onvoldoende concurreren met de snelle ontwikkelingen in landen buiten de EU. Dat heeft negatieve effecten voor het concurrentievermogen van onze bedrijven, maar ook voor onze militaire slagkracht en voortzettingsvermogen.

Tijdens de tweede bijeenkomst van de PCA Drones en counter-drone systemen op 15 januari jl. in Zagreb is Spanje verwelkomd als co-lead nation.

Vraag 40

Wat is de positie van het kabinet over een Europese pilaar binnen de NAVO? Hoe beoordeelt het kabinet de uitspraken van Eurocommissaris Kubilius en NAVO secretaris-generaal Rutte hierover? Wat is de positie van het kabinet over een Europese Veiligheidsraad met deelname van niet-EU partnerlanden zoals het Verenigd Koninkrijk, zo vragen de leden van de SGP-fractie.

Antwoord
Het kabinet acht het zeer wenselijk dat Europese bondgenoten meer verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid op het Europese continent. Het is daarvoor minimaal van belang dat wordt voldaan aan NAVO’s Capability Targets en de The Hague Investment Pledge. Momenteel wordt gesproken over hoe Europa verder kan toewerken naar meer Europese verantwoordelijkheid voor de Europese veiligheid. Ook niet-EU landen, zoals het VK, Noorwegen, Turkije en Canada, zijn daarbij essentieel. Wat het kabinet betreft staat een Europese pilaar voor dit geheel aan afspraken en capaciteiten ten behoeve van een grotere Europese veiligheidsverantwoordelijkheid. Dit perspectief sluit aan bij de lezing van het kabinet van Rutte’s speech bij het Europese Parlement op 28 januari jl.4 en Kubilius’ speech tijdens de EDA Annual Conference op 28 januari jl.5

Het kabinet leest met interesse alle voorstellen om meer en beter verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen veiligheid door Europese landen. Zo ook het voorstel voor een Europese veiligheidsraad. Het kabinet stelt zich constructief op bij voorstellen die de geopolitieke slagkracht van de EU te vergroten. Het kabinet is betrokken bij gesprekken, onder andere met andere lidstaten, over hoe dit te bewerkstelligen. Hierbij is voor het kabinet belangrijk dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande structuren en dubbeling wordt voorkomen. Waar bestaande structuren niet genoeg handvatten bieden om als EU en/of met Europese landen slagvaardiger te worden, denkt het kabinet mee over mogelijke andere oplossingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower

De leden van Groep Markuszower hebben de kamerstukken behorende bij de Raad Buitenlandse Zaken Defensie en NAVO Defensie Ministeriële van 11 en 12 februari gelezen en hebben hierover nog een aantal aanvullende vragen.

Vraag 41

Genoemde leden vragen zich af welke rol de minister speelt bij de invulling van de afgesproken 1,5% van het bbp aan uitgaven voor weerbaarheid. Kunnen de voorgenomen investeringen in Nederland (bijvoorbeeld in infrastructuur, onderwijs of medische zorg) ook kunnen worden toegerekend aan de 1,5%-norm voor weerbaarheid? Is er inmiddels meer bekend over de wijze waarop Oost-Europese landen invulling geven aan de 1,5%-norm voor weerbaarheid? Zijn er reeds concrete uitgaven aangemerkt die (gedeeltelijk) onder de 1,5% bbp-uitgaven voor weerbaarheid zullen vallen, zo vragen deze leden.

Antwoord
Zie het antwoord op vraag 22.


  1. Kamerstuk 36715, nr.32↩︎

  2. Kamerstuk 36124-57↩︎

  3. Kamerstuk 36715, nr.32↩︎

  4. https://www.nato.int/en/news-and-events/events/transcripts/2026/01/26/remarks-by-nato-secretary-general-mark-rutte-at-the-meeting-of-the-european-parliaments-committee-on-security-and-defence↩︎

  5. https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/speech_26_249↩︎