Beantwoording vragen van de commissie Klimaat en Groene Groei over de begroting Klimaat en Groene Groei 2026
Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026
Brief regering
Nummer: 2026D06282, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-10 13:44, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van kamerstukdossier 36800 XXIII-14 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026.
Onderdeel van zaak 2026Z02795:
- Indiener: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- 2026-02-10 18:30: Begroting Klimaat en Groene Groei (36800-XXIII) (1e TK) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-02-12 10:15: Begroting Klimaat en Groene Groei (36800-XXIII) (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-02-24 17:00: Procedurevergadering Klimaat en Groene Groei (Procedurevergadering), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij ontvangt de Kamer de beantwoording van de vragen die de leden van de vaste commissie Klimaat en Groene Groei hebben gesteld over de begroting KGG 2026 (kenmerk 2026Z02344/2026D05311, ingezonden 4 februari 2026).
Sophie Hermans
Minister van Klimaat en Groene Groei
Beantwoording vragen over SDE++
1
Hoeveel nadeelcompensatie voor kolencentrales wordt betaald vanuit de SDE++-middelen?
Antwoord
Voor de nadeelcompensatie van de kolencentrales is € 497 miljoen gereserveerd binnen de SDE++-middelen, gelijk aan het bedrag dat aan RWE en Uniper samen is toegekend1. Wel moet de Europese Commissie nog beoordelen of er geen sprake is van staatssteun. Zonder instemming van de Europese Commissie kan de compensatie niet betaald worden. Deze procedure loopt nog. Voor Onyx is besloten geen nadeelcompensatie toe te kennen2. Bezwaar en beroep door Onyx tegen dit besluit loopt nog.
2
Kunt u inzicht geven in de meerjarige uitgaven van de openstellingsronde van de SDE++ in 2025 en 2026?
Antwoord
Hieronder is een tabel opgenomen met daarin de verwachte kasuitgaven voor de SDE++-rondes van 2025 en 2026 op basis van de meest recente cijfers uit de Klimaat- en Energieverkenning van 16 september 2025.
Tabel: verwachte kasuitgaven voor de SDE++-rondes van 2025 en 2026 (in miljoenen euro's)
| jaar | SDE++ 2025 | SDE++ 2026 |
|---|---|---|
| 2026 | 0 | - |
| 2027 | 6 | - |
| 2028 | 24 | - |
| 2029 | 95 | 7 |
| 2030 | 175 | 85 |
| 2031 | 324 | 204 |
| 2032 | 349 | 289 |
| 2033 | 344 | 296 |
| 2034 | 341 | 286 |
| 2035 | 338 | 275 |
| 2036 | 336 | 264 |
| 2037 | 334 | 252 |
| 2038 | 332 | 240 |
| 2039 | 330 | 233 |
| 2040 | 327 | 230 |
| 2041 | 325 | 228 |
| 2042 | 311 | 223 |
| 2043 | 284 | 193 |
| 2044 | 244 | 184 |
| 2045 | 211 | 177 |
| 2046 | 63 | 105 |
| 2047 | 5 | 24 |
| 2048 | - | 2 |
| Totaal | 5098 | 3798 |
3
Kunt u schetsen wat de concrete gevolgen zijn van het leegboeken van de reserve duurzame energie en klimaattransitie en het ontbreken van middelen voor openstellingen na 2026 voor projecten in de industrie en de elektriciteitssector?
Antwoord
De SDE++ is de grootste regeling voor duurzame energieproductie en CO2-reductie en is daarmee cruciaal voor het behalen van de klimaat- en energiedoelstellingen. De SDE++ stimuleert verschillende technieken die bijdragen aan de verduurzaming van de industrie en de elektriciteitssector. Zonder de SDE++ kan de verduurzaming in deze sectoren vertragen of stil komen te vallen. De begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie is bedoeld om tegenvallers in de SDE-uitgaven op te vangen. Op dit moment is de verwachting dat de reserve in 2029 volledig is uitgeput. Wanneer er geen reserve is, dan moeten tegenvallers op een andere manier worden opgevangen.
4
Welke wijzigingen worden overwogen in de stimulering van CCS? In hoeverre wordt er gewerkt aan contracts for difference als alternatief voor de SDE++? Wanneer kan de Kamer hier meer duidelijkheid over krijgen (pagina 32/34)?
Antwoord
In de Kamerbrief van 21 november 2025 over de resultaten van het traject Toekomst van de SDE++ is nader ingegaan op de passende stimulering van CCS3. In deze brief is aangegeven dat het in deze fase van de ontwikkeling van CCS niet opportuun is om een meerjarig verrekenmechanisme, waarbij subsidie in jaren van lage marktprijzen wordt verrekend met inkomsten in jaren van hoge marktprijzen, te introduceren. Wel is in de brief opgenomen dat op het moment dat investeringsbesluiten over essentiële infrastructuurprojecten zijn genomen en er grotere zekerheid over transport- en opslagkosten bestaat, er over een meerjarig verrekeningsmechanisme voor CCS zal worden besloten en dit mechanisme nader zal worden uitgewerkt. Tot die tijd worden CCS-beschikkingen onderworpen aan de MSK-toets waarmee eventuele overstimulering achteraf, rekening houdend met eventuele stijgende kosten voor de aanvrager, kan worden vastgesteld. Op dit moment is er geen concrete uitwerking van contracts for difference als alternatief voor de SDE++. Tegelijkertijd wordt gedurende de energie- en klimaattransitie het instrumentarium voortdurend tegen het licht gehouden, zodat steeds kan worden bezien welke vormen van ondersteuning het best aansluiten bij de opgaven en ontwikkelingen.
5
Wat betekenen de resultaten van de verkenning naar de toekomst van de SDE++ voor de herziening van de SDE++-regeling?
Antwoord
In het kader van de toekomst van de SDE++ wordt naar verschillende aanpassingen gekeken. Geen van deze aanpassing heeft naar verwachting nu al invloed op de SDE++-regeling in 2026. Een concrete actie is dat de mogelijkheid om binnen de subsidiebeschikking te corrigeren voor veranderingen in nettarieven nader wordt verkend. Ook het PBL is inmiddels gevraagd om in 2026 te adviseren over hoe het stimuleren van geavanceerde hernieuwbare brandstoffen voor internationale lucht- en zeevaart in de SDE++-systematiek kan worden ingepast. Op basis van dit advies kan worden besloten of het wenselijk, mogelijk, kosteneffectief en efficiënt is om deze technieken op deze wijze in de SDE++ op te nemen en of er aanpassingen in de wet- en regelgeving nodig zijn. De resultaten van het traject toekomst-SDE++ hebben op dit moment naar verwachting geen significant effect op de kasuitgaven voor de SDE++-regeling.
Beantwoording vragen over middelen voor het elektriciteitsnet
6
Huishoudens worden in verhouding harder worden geraakt door stijgende nettarieven dan industriële bedrijven. Kan de minister aangeven hoe dit aspect is meegewogen in de keuzes die in de ontwerpbegroting 2026 zijn gemaakt?
Antwoord
Netbeheerders investeren fors in het versterken van de elektriciteitsnetten en maken meer kosten voor congestiemaatregelen. Deze hogere kosten vertalen zich door in hogere nettarieven voor huishoudens en bedrijven. In de afgelopen jaren zijn de nettarieven voor beide groepen gestegen. Voor de komende jaren wordt een verdere stijging verwacht. Het kabinet houdt daarom contact met de ACM en de netbeheerders om de tarieven tijdig in beeld te brengen.
Dit jaar is het nettarief elektriciteit voor een huishouden beperkt gestegen met gemiddeld 10 euro (incl. btw) per jaar. Dit is een stijging van 2 procent. Wanneer een oplopende energierekening voor consumenten in den brede leidt tot verminderde koopkracht, wordt dit gewogen in de augustusbesluitvorming.
7
Waar is de verwachting dat het beter benutten van het net een besparing van € 10 tot € 20 miljard kan opleveren tussen 2025 en 2040 op gebaseerd?
Antwoord
In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar de bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur is berekend dat de noodzakelijke investeringen in deze infrastructuur tot en met 2040 cumulatief op € 195 miljard uitkomen.4 Daarnaast becijfert het IBO dat nadere keuzes om het net op land beter te benutten de cumulatieve investeringsopgave kunnen dempen met € 3,5 - 22,5 miljard (op een totaal van € 107 miljard voor het net op land) tot 2040.
In reactie op het IBO heeft het kabinet meerdere maatregelen geïntroduceerd die zijn opgenomen en doorgerekend in het rapport.5 De verwachting van een potentiële besparing op de netkosten van € 10 – 20 miljard tussen 2025 en 2040 volgt het middenscenario voor netto reductie van de investeringsopgave in het elektriciteitsnet uit het IBO.
8
Hoeveel middelen zijn naar verwachting de komende jaren nog nodig om de problemen met het elektriciteitsnet (netcongestie, stijgende kosten) aan te pakken?
Antwoord
De netbeheerders investeren de komende jaren fors in uitbreiding van het elektriciteitsnet, zo’n € 195 mld. tot 2040. Deze uitgaven dekken de netbeheerders uit de nettarieven die bij gebruikers in rekening worden gebracht, en zijn dus geen onderdeel van de Rijksbegroting. Zie de antwoorden op de vragen 6, 9 en 10 voor meer informatie over de financiering en mogelijke verdeling van de stijgende kosten die netbeheerders moeten maken.
De uitgaven vanuit de Rijksbegroting zijn van een andere orde. Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) beschikt voor de generieke aanpak van netcongestie tot 2030 jaarlijks ca. € 1,7 mln uit het begrotingshoofdstuk KGG. Deze middelen worden besteed aan onderzoeken en verkenningen naar oplossingen om het net sneller uit te breiden en beter te benutten, die vervolgens in samenwerking met de LAN-partners worden geïmplementeerd. Daarnaast wordt een aantal acties en regelingen gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds:
normeren en stimuleren van energie-intensieve apparaten (ca. € 12,5 mln.)
gebiedsinvesteringen voor ruimtelijke inpassingen (ca. € 197 mln.)
de vliegende brigade of MIEK-PEH expertpool (ca. € 22,5 mln.)
pakket noodmaatregelen netcongestie (ca. € 13 mln.)
De Flex-e subsidieregeling (circa € 65 mln.) wordt deels gefinancierd uit reguliere middelen en deels uit het Klimaat- en Energiefonds. Met deze regeling worden bedrijven ondersteund bij het flexibel maken van hun netgebruik. In het formatierapport Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie6 wordt geadviseerd de Flex-e regeling ook na 2026 te verlengen en verbreden. Verder verwijs ik u voor een totaalbeeld van ambtelijk geïnventariseerde beleidsopties voor de aanpak van netcongestie naar de fiches nrs. 8 en 11 in Annex 1 bij dit rapport.
9
Waarom is er niet voor gekozen een kapitaalstorting te doen ten behoeve van investeringen in het elektriciteitsnet?
Antwoord
Een kapitaalstorting helpt om het eigen vermogen van de netbeheerder te ondersteunen, maar is niet nodig voor het financieren van de investeringen in het elektriciteitsnet. De investeringen verdienen zich immers terug via de nettarieven van de aangeslotenen. TenneT heeft sinds 2025 een staatsgarantie op de uitstaande en nieuwe leningen, een kapitaalstorting ten behoeve van het eigen vermogen is daarom niet meer nodig. Met deze garantie leent TenneT geld zodat het de investeringen kan voorfinancieren en is de financiering van de investeringen in de netten geborgd.
10
Welke alternatieven voor amortisatie worden overwogen door het kabinet?
Antwoord
Omdat het vraagstuk van nettarieven urgent blijft, zijn in het onafhankelijke ambtelijke rapport Routes naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie alternatieve opties om de nettarieven te verlagen en de kosten anders te verdelen (tussen burgers, bedrijven en generaties) verder uitgewerkt en toegelicht.7 Een voorbeeld hiervan is het verstrekken van een subsidie aan TenneT. Het rapport geeft ook inzicht in manieren om de investeringszekerheid van elektrificerende bedrijven te vergroten, bijvoorbeeld via verschillende mogelijkheden om de hoogte van elektriciteitskosten te adresseren. Voorbeelden hiervan zijn stimulering via de SDE++, het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit, het verbreden van IKC-ETS, het tijdelijk steunen van de elektriciteitsprijs voor bedrijven onder het Clean Industrial Deal State Aid Framework (CISAF) en het introduceren van Contracts for Difference (CfD’s) aan de vraagzijde. Het is aan het volgende kabinet om hier verdere besluiten over te nemen.
Beantwoording vragen over EU-fondsen
11
De overlegtafel CO2-heffing heeft een aantal pakketten ter vervanging van de CO2- heffing uitgewerkt. Gaat u een van deze pakketten kiezen als alternatief voor de CO2-heffing, om daarmee het risico op een korting van de middelen uit de Herstel-en Veerkrachtfaciliteit te minimaliseren?
Antwoord
In de uitvoering van de motie van lid van Dijk heeft het kabinet nauwkeurig gekeken hoe het risico op een korting van de middelen uit het Herstel- en Veerkrachtfaciliteit voorkomen kan worden. De gekozen wijzigingen aan de CO2-heffing vallen binnen de geldende kaders waardoor er geen risico is op een korting van de middelen. Dit is met uw Kamer gedeeld in de Kamerbrief Uitvoering Pakket Groene Groei.8 De overlegtafel CO2-heffing, en het daaruit volgende rapport, had daarom ook niet te maken met de Nederlandse afspraken in het Herstel en Veerkrachtplan. Dat neemt niet weg dat het rapport van de overlegtafel CO2-heffing waardevolle inzichten en maatregelen bevat voor de verduurzaming van de industrie en het dichterbij brengen van de klimaatafspraken. Het is echter aan het volgende kabinet om eventueel opvolging te geven aan dit rapport.9
12
Hoeveel middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit kan Nederland in totaliteit mislopen door vertragingen en beleidswijzigingen? Wat zijn de consequenties in dat geval voor de middelen die waren bedoeld voor de klimaat- en energietransitie (pagina 33/34)?
Antwoord
Nederland kan in totaal aanspraak maken op € 5,4 mld aan Europees geld uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Betaalverzoeken 1 en 2, samen t.w.v. ongeveer €2,5 mld, zijn reeds uitbetaald. Deze week heeft de Europese Commissie ook het derde betaalverzoek t.w.v. ongeveer € 0,5 mld voorlopig goedgekeurd. Het nog openstaande bedrag is na uitkering van dat betaalverzoek ongeveer € 2,4 mld. De Kamer is per brief van 26 januari 2026 door de minister van Financiën geïnformeerd10 over de resterende mijlpalen en doelstellingen, waarbij ook is ingegaan op de risico’s dat enkele mijlpalen en doelstellingen niet tijdig worden behaald.
De middelen die vanuit het Herstel- en Veerkrachtplan voor de klimaat-en energietransitie zijn uitgegeven zijn bestaand beleid, en daarmee reeds begroot. Wanneer mijlpalen uit betaalverzoeken 1 en 2 niet worden gehaald, zal gekort worden op nog openstaande betaalverzoeken. Een mogelijke korting kan per mijlpaal of doelstelling oplopen tot ongeveer € 600 mln. Dit zal echter niet ten koste gaan van de betaalverzoeken die al zijn overgeboekt. Hoe een dergelijk budgettaire probleem nationaal opgelost dient te worden, zal dan – als het zich voordoet – t.z.t. moeten worden bekeken.
13
Wat is de stand van zaken van het Sociaal Klimaatplan en het proces van indiening? Waarom is het plan nog niet ingediend bij de Europese Commissie?
Antwoord
De Nederlandse inzet voor de besteding van het Social Climate Fund is op 19 januari jl. formeel ingediend bij de Europese Commissie. De Kamer ishierover geïnformeerd door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid .11
14
Wat betekent latere indiening van het plan voor de beschikbaarheid van middelen uit het Sociaal Klimaatfonds?
Antwoord
Het plan is reeds ingediend bij de Europese Commissie. Er zijn daarmee geen consequenties voorzien voor de beschikbaarheid van middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
15
Nederland gaat uit van toekenning van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds. Kunt u aangeven wat de consequenties zijn als die middelen niet, gedeeltelijk of later toegekend worden? Welke maatregelen lopen hierdoor vertraging op?
Antwoord
Het Sociaal Klimaatplan wordt integraal beoordeeld door de Europese Commissie. Om middelen uit het SCF te ontvangen, dienen mijlpalen en doelstellingen voor de betreffende maatregel te zijn behaald. Deze mijlpalen en doelstellingen zijn opgenomen in de Nederlandse inzet voor de besteding van het Social Climate Fund. Na het behalen van deze mijlpalen en doelen kan een betaalverzoek worden ingediend bij de Europese Commissie. Indien een mijlpaal of doelstelling van een specifieke maatregel niet of niet tijdig behaald wordt, heeft dit geen gevolgen voor de overige maatregelen. Voor het SCF geldt dat lidstaten zelf 25% moeten cofinancieren uit nationale middelen. Voor de afzonderlijke maatregelen hebben de betrokken departementen hier middelen voor gereserveerd, waaronder uit het Klimaat- en Energiefonds, die reeds benut kunnen worden voor de implementatie. Daarvoor moet worden voldaan aan de gestelde voorwaarden in het Klimaat- en energiefonds.
Beantwoording vragen over Klimaatfonds
16
Kunt u aangeven hoeveel middelen uit het fonds zijn toegekend aan maatregelen ten behoeve van de verschillende sectoren: industrie, elektriciteit, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw (uitgesplitst per sector)?
Antwoord
Een overzicht van de toegekende (al dan niet onder voorwaarden) en gereserveerde middelen uit het Klimaat- en Energiefonds (KEF) zijn in de afgelopen Meerjarenprogramma's (MJP) weergegeven. Specifiek in hoofdstuk 9 van het MJP worden per maatregel de betreffende sector en specifieke doelgroepen gespecificeerd12. Het gaat hierbij om de sectoren: industrie, elektriciteit, circulaire economie, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw (waaronder glastuinbouw). Aangezien het effect van maatregelen soms op meerdere sectoren kan neerslaan of randvoorwaardelijk kan zijn (bijvoorbeeld maatregelen gericht op het tegengaan van netcongestie of ter bevordering van waterstof- en CCS-infrastructuur) is het niet mogelijk een sluitende specifieke toerekening per sector te maken.
17
Wat betekent de stand van het Klimaatfonds voor de inspanningen die deze sectoren nog moeten leveren om de sectorale emissiedoelen te halen?
Antwoord
Op dit moment resteert er € 13,6 mld aan vrije ruimte in het Klimaat- en Energiefonds. Deze middelen vallen nagenoeg volledig onder het perceel kernenergie. In de overige percelen bestaan diverse toekenningen onder voorwaarden en reserveringen. De inspanningen die sectoren moeten leveren, hangen niet af van de stand van het fonds. De jaarlijkse reflectie van het Planbureau voor de Leefomgeving geeft inzicht in de CO2-inschattingen van Klimaat- en energiefondsmaatregelen.13 Het CO2-effect van subsidiemaatregelen wordt geborgd door normerende en/of beprijzende maatregelen. De CO2-effecten moeten daarom in gezamenlijkheid worden bezien.
18
Geeft de stand van het Klimaatfonds aanleiding tot een nieuwe verdeling van de middelen in het fonds of andere keuzes? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Op dit moment geeft de stand van het Klimaat- en Energiefonds geen aanleiding tot een nieuwe verdeling van de middelen in het fonds. De huidige verdeling is tot stand gekomen door zorgvuldige beoordeling van ingediende voorstellen door het huidige demissionaire en voorgaande kabinet. Daarbij heeft het kabinet ook oog gehad voor de totale balans van het pakket, inclusief normerende en beprijzende maatregelen. Besluitvorming over een volgende ronde maatregelen in het MJP 2027 is aan het nieuwe kabinet.
Beantwoording vragen over Strategische evaluatieagenda
19
De Algemene Rekenkamer stelt dat niet inzichtelijk is hoe de evaluaties in de strategische evaluatieagenda de uitgaven afdekken. Kunt u dit inzicht in antwoord op deze brief wel aan de Kamer verstrekken?
Antwoord
Om inzicht te geven in de dekking van de strategische evaluatieagenda (SEA) is in afstemming met het Ministerie van Financiën en de Algemene Rekenkamer in de Ontwerpbegroting 2026 van KGG een aparte tabel opgenomen waaruit blijkt dat voor elk begrotingsartikel een Periodieke Rapportage staat ingepland. Deze tabel vindt u in de begroting KGG terug onder het kopje Strategische Evaluatie Agenda. De begroting van KGG omvat één begrotingsartikel en hiervoor staan twee Periodieke Rapportages op de planning (in 2029 over energietransitie en industrie en in 2031 over de herziening van het regelgevend kader (o.a. Energiewet en Warmtewet)). Daarnaast geldt voor alle subsidieregelingen en significante uitgaven de wettelijke verplichting om deze periodiek te evalueren. Een planning van deze evaluaties is opgenomen in de evaluatiebijlage bij de begroting (zie bijlage 4: Uitwerking SEA). Deze evaluaties vormen de basis voor de later geplande Periodieke Rapportages. Conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE 2022) wordt de onderzoeksopzet van een Periodieke Rapportage tenminste één jaar voor het rapporteren aan de Kamer voorgelegd. De onderzoeksopzet bevat dan een meerjarig overzicht van de relevante uitgaven op de begroting waar desbetreffende Periodieke Rapportage over gaat.
20
Bent u voornemens om de beleidsevaluatie van de verduurzaming van de industrie naar voren te halen, zoals de Algemene Rekenkamer adviseert?
Antwoord
In de strategische evaluatieagenda (SEA) is aangegeven dat het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) en de evaluatie van dit coördinatieorgaan deel zal uitmaken van de periodieke rapportage ‘Energietransitie en industrie’ in 2029. Dit betreft niet een algehele beleidsdoorlichting van de verduurzaming van de industrie. Een dergelijke doorlichting is niet voorzien. De beleidsinstrumenten die bijdragen aan de verduurzaming van de industrie worden conform de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE) periodiek geëvalueerd. In de SEA zijn deze evaluaties opgenomen. Hierbij gaat het onder andere om de evaluatie van de Maatwerkafspraken (2027), de Indirecte kostencompensatie ETS (2028) en de NIKI (2029), evenals de afgeronde evaluaties van de VEKI (2024) en de Nationale CO2-heffing (2026).
Kamerstuk 33 668, nr. 52↩︎
Kamerstuk 33 668, nr. 53↩︎
Kamerstuk 31 239, nr. 439↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29023, nr. 553.↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29023, nr. 567.↩︎
Kamerstukken II, 2025/26, 32813, nr. 1543↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 32813, nr. 1543.↩︎
Kamerstukken II 2025 – 2026, 33043 nr. 119↩︎
Kamerstukken II 2025-2026, 2025D49699↩︎
Kamerstuk 26.1.2026 Nog te behalen M&D Herstel-en Veerkrachtplan.↩︎
Kamerstuk 2026Z02643↩︎
Zie voor het meest recente MJP: Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
Reflectie op voorstellen voor de inzet van middelen uit het Klimaatfonds in het MJP 2026 | Planbureau voor de Leefomgeving↩︎