Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de reactie op verzoek commissie over de brief van het Comité Schone Lucht NL (CSL), FERN EU en ClientEarth aan de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, van Infrastructuur en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over “'Verstandiger met Hout'; handleiding voor verdergaande implementatie herziene EU Richtlijn hernieuwbare energie (RED III) bij onderdeel biomassaverbranding” (Kamerstuk 32813-1423)
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D06291, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-10 13:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.C. Kröger, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: C.M. Teske, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 32813 -1555 Kabinetsaanpak Klimaatbeleid.
Onderdeel van zaak 2026Z02798:
- Indiener: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zendt het kabinet u de antwoorden op het Schriftelijk Overleg Klimaat en energie (algemeen) van 28 januari jl.
Daarnaast is tijdens het Commissiedebat over de uitkomsten van COP30 op 15 januari jl. toegezegd de Kamer nader te informeren over de uitkomsten van de bijeenkomst van de Global Initiative for Information Integrity on Climate Change dat op 20 januari jl. plaatsvond1. Nederland heeft zich tijdens COP30 aangesloten bij dit initiatief dat desinformatie over klimaatverandering probeert aan te pakken.
De bijeenkomst van 20 januari stond in het teken van het verwelkomen van nieuw deelnemende landen, waaronder Nederland; er is vooruitgekeken naar 2026 en er zijn mogelijke activiteiten voorgesteld om als coalitie op te focussen, bijvoorbeeld het mondiaal in kaart brengen van onderzoeken naar desinformatie over klimaatverandering of het gezamenlijk werken aan principes voor advertenties over klimaat. Er is vooralsnog geen definitief besluit genomen welke activiteiten dit jaar door de coalitie worden opgepakt, wel is duidelijk dat inzet door deelnemende landen op deze activiteiten vrijwillig is en er is geen financiële bijdrage vanuit Nederland. Een volgend overleg staat gepland voor april.
Samen met het KNMI wordt ondertussen gekeken op welke manier Nederland concreet gaat bijdragen. Wanneer hier meer duidelijkheid over is, uiterlijk voor het zomerreces, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Sophie Hermans
Minister van Klimaat en Groene Groei
Beantwoording Schriftelijk Overleg Klimaat en Energie
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1.
De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van het
onderzoek van Ecorys, waaruit blijkt dat Nederland de Europese
verplichtingen voor hernieuwbare energie en energiebesparing dreigt te
missen. Deze leden constateren dat het niet behalen van deze doelen kan
leiden tot een miljardenstrop die kan oplopen tot 2,6 miljard euro aan
'statistische overdrachten' aan andere EU-lidstaten. Zij vinden het
onacceptabel dat belastinggeld wordt uitgegeven aan boetes en
afkoopregelingen, terwijl het kabinet dit geld ook direct zou kunnen
investeren in bijvoorbeeld het isoleren van woningen en het verduurzamen
van de Nederlandse industrie. Elke euro die naar een buitenlandse boete
gaat, is in de ogen van deze leden een gemiste kans voor onze eigen
groene groei en energie-onafhankelijkheid. Kan de minister uitsluiten
dat ertussen nu en 2030 opnieuw 'statistische overdrachten'
plaatsvinden, zoals de 200 miljoen euro in 2020? Zo nee, welke stappen
zet de minister om dit te voorkomen?
Antwoord
Op Europees niveau zijn voor 2030 ambitieuze doelen afgesproken voor
hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, waar Nederland net zoals
andere lidstaten een nationale bijdrage aan levert. De commissie
monitort periodiek de voortgang die de lidstaten en de Unie boeken met
het oog op de doelen voor energie en klimaat, waaronder de doelen voor
2030 voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.
Voor de doelstellingen onder de Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bestaat geen instrument voor statistische overdracht. Voor hernieuwbare energie is in tegenstelling tot in 2020, niet een bindend nationaal doel vastgesteld voor Nederland. Daarom kan niet op voorhand gesteld worden dat Nederland een eventueel tekort op haar nationale bijdrage aan het Europese doel financieel zou moeten compenseren, zoals in 2020.
Nederland vraagt in Europees verband aandacht voor de uitdagingen om de gestelde energiedoelen te halen. Om deze doelen binnen bereik te houden, blijft Nederland zich inzetten voor een snelle uitrol voor hernieuwbare energie op Europees niveau en het belang van energiebesparing. Op nationaal niveau stimuleert Nederland de groei van hernieuwbare energie met de SDE++, SCE en het recent door het kabinet aangekondigde Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme voor Windenergie op Zee (TOWOZ). Ook bestaan er verschillende maatregelen om energiebesparing te bevorderen, zoals bijvoorbeeld de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen, de pseudo-eindheffing zakelijke leaseauto's en subsidies zoals bijvoorbeeld de ISDE, EIA en de DUMAVA. Ook vraagt Nederland in Europees verband aandacht voor problemen rondom de uitvoering van hernieuwbare energieprojecten, zoals belemmeringen op het terrein van netcongestie, vergunningverlening en hoge netwerktarieven. Daarom verwelkomt Nederland de publicatie van het Grids Package, dat kan helpen om barrières op het terrein van infrastructuur weg te nemen.
2.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat de kabinetsreactie op het
Jongerenakkoord niet langer controversieel is verklaard en we dit
akkoord nu kunnen bespreken. Ten eerste constateren dat het kabinet de
motie-Rooderkerk2 gaat invullen met een ’Jonge
Klimaattafel’. Deze leden steunen dit voornemen en vinden het een goede
uitwerking van de motie Rooderkerk. Zij hechten grote waarde aan de
betrokkenheid van jonge generaties bij het klimaatbeleid, aangezien zij
de gevolgen van de huidige besluitvorming het langst zullen dragen. Deze
leden waarderen de invulling van de motie, maar benadrukken daarbij dat
dit geen vrijblijvend karakter mag hebben. Ten eerste vragen zij op
welke wijze de minister gaat borgen dat de adviezen van de Jonge
Klimaattafel een formele en zwaarwegende plek krijgen in de
besluitvorming rondom de Klimaat- en Energieverkenning. Daarnaast vragen
zij of de minister kan garanderen dat de ondersteuning van deze tafel
voor lange termijn beschikbaar blijft.
Antwoord
Er is tijdens de voorjaarsbesluitvorming een dialoogsessie georganiseerd
met de jongeren en de ambtenaren op de thema’s die de jongeren hebben
benoemd in het Akkoord3. Het is de bedoeling dat deze
overlegvorm een permanent karakter krijgt, waarmee het jaarlijks een
vaste plek krijgt in de klimaatcyclus, waarbij de jongeren zullen
participeren als “Jonge Klimaattafel”. Om de geschetste overlegvorm voor
de jongeren in praktische zin mogelijk te maken wordt een financiële
bijdrage beschikbaar gesteld in de vorm van een meerjarige subsidie.
3.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet een netto
broeikasgasreductie van circa 90% in 2040 als een logische tussenstap
ziet op weg naar klimaatneutraliteit in 2050. Zij complimenteren het
kabinet met deze ambitie. Het behalen van 90% reductie in 2040 is een
opgave die vraagt om ongekende inspanning, maar het is de enige weg om
de doelen van het akkoord van Parijs binnen bereik te houden en de
Nederlandse economie toekomstbestendig te maken. Deze leden zijn van
mening dat deze ambitie omgezet moet worden in juridische zekerheid voor
burgers en bedrijven. Daarom vragen zij de minister welke mogelijkheden
zij ziet om het doel van 90% broeikasgasreductie in 2040 steviger te
borgen in haar beleid.
Antwoord
Een belangrijk onderdeel van de borging van het beleid zijn de
verplichtingen die volgen uit Europees beleid. Naar verwachting
presenteert de Commissie eind dit jaar een voorstel voor een
beleidspakket om invulling te geven aan de in Europees verband
vastgestelde klimaatdoelen voor 2040. Daaruit zullen ook voor Nederland
de nodige verplichtingen volgen die bijdragen aan de borging van het
beleid. De nationale borging van de klimaatdoelen vindt verder plaats
binnen de reguliere klimaatbesluitvormingscyclus.
4.
De leden van de D66-fractie constateren dat de woningbouwopgave en de
uitrol van laadinfrastructuur onder grote druk staan door de toenemende
netcongestie. Zij zien echter grote kansen in 'netbewuste nieuwbouw',
waarbij door slim ontwerp en gespreid verbruik meer woningen op dezelfde
kabel kunnen worden aangesloten. Deze leden zijn van mening dat
netbewuste nieuwbouw de standaard moet worden in Nederland. Het kan niet
zo zijn dat de woningbouw stagneert terwijl er door slimme technische
oplossingen en gebiedsgerichte vermogensnormen nog ruimte op het net te
vinden is. Welke mogelijkheden ziet de minister om netbewuste nieuwbouw
als standaard op te nemen in ruimtelijke plannen en aanbestedingen? Hoe
beoordeelt de minister het voorstel van Aedes om een subsidieregeling in
te richten voor netbewust renoveren?
Antwoord
Netbewuste nieuwbouw is een belangrijke maatregel om de schaarse
netcapaciteit zo goed mogelijk te benutten. Op de Woontop van 2024 heeft
de minister van VRO afspraken gemaakt om netbewust bouwen te stimuleren.
Er zijn samen met de betrokken Woontop-partners meerdere onderzoeken
gepubliceerd die inzicht geven in wat er technisch en met slim ontwerpen
mogelijk is om netbewust te bouwen. Dit is een belangrijke stap om de
bouwsector te helpen in deze transitie. De komende periode worden de
(juridische) mogelijkheden voor brede toepassing van netbewust bouwen
onderzocht, waarbij ook gekeken wordt naar de effecten op de kosten van
nieuwbouw.
Wat betreft het voorstel van Aedes om een subsidieregeling in te richten voor netbewust renoveren: afgelopen periode is er door het ministerie van VRO samen met Aedes en de netbeheerders gewerkt aan het in beeld brengen van technische maatregelen die woningcorporaties kunnen treffen om netbewust te renoveren. Er is nog niet geconcretiseerd of en zo ja welke meerkosten hierbij komen kijken. Over vervolgstappen wordt op bestuurlijk niveau het gesprek gevoerd met de netbeheerders en Aedes. Het inrichten van een subsidieregeling is daarom vooralsnog niet voorzien.
5.
De leden van de D66-fractie constateren dat er na 2030 een reëel risico
ontstaat op tijdelijke elektriciteitstekorten, waardoor het tijdelijk
openhouden van bestaande gascentrales noodzakelijk lijkt voor de
leveringszekerheid. Hoewel deze leden de noodzaak van leveringszekerheid
erkennen, maken zij zich zorgen over het risico op een 'lock-in' van
fossiele infrastructuur. Zij zijn van mening dat een mogelijk instrument
voor regelbaar vermogen óók ruimte moet geven voor regelbaar vermogen
anders dan de reguliere gascentrales. Hoe gaat de minister stimuleren
dat marktpartijen nu al investeren in duurzaam regelbaar vermogen? Kan
de minister concreet schetsen hoe en wanneer zij een instrument voor
regelbaar vermogen zoals batterijen of grootschalige langdurige opslag
gaat realiseren?
Antwoord
Het kabinet zal de Kamer in de eerste helft van 2026 informeren over de
specifieke wijze waarop na 2030 de leveringszekerheid geborgd zal
worden4. Een maatregel in de vorm van een
capaciteitsmechanisme moet volgens de Elektriciteitsverordening (EU
2019/943) ook open staan voor opslag en flexibiliteit in de vraag. Het
Europese emissiehandelssysteem zorgt middels het jaarlijks dalende
emissieplafond voor een prikkel tot emissiereductie in de
elektriciteitssector en voor investeringen in duurzame
elektriciteitsopwek.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
6.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de minister wat de reden
is dat een nationaal fossiel verbod wel moeilijk ligt in het kader van
verdragen, terwijl gemeenten als Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Delft,
Nijmegen, Leiden, Bloemendaal en Zwolle het gewoon al doen. Wat maakt
volgens de minister dat de aangehaalde onzekerheid over de juridische
houdbaarheid op nationaal niveau wel een probleem zou zijn, terwijl
gemeenten dat probleem niet lijken te hebben?
Antwoord
Het instellen van een lokaal verbod is om meerdere redenen niet goed
vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod 5. Het belangrijkste
verschil is dat aan een verbod op nationaal niveau hogere eisen gesteld
zullen worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief
toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan. Een eventueel
nationaal verbod zou bijvoorbeeld nauwkeurig afgebakend moeten zijn wat
betreft de vormen van reclame (zoals online uitingen of reclame via
gedrukte media) en de producten en/of diensten. Dat vereist een
duidelijke maatstaf of grenswaarde van wat wel of niet als fossiel
beschouwd moet worden. Ook zal op juridisch robuuste wijze aannemelijk
gemaakt moeten worden dat het verbod daadwerkelijk zal leiden tot minder
consumptie van de eronder vallende producten of diensten, waardoor de
uitstoot van broeikasgasemissies vermindert en zo een bijdrage kan
worden geleverd aan het beschermen van de gezondheid van de mens en het
milieu en het tegengaan van klimaatverandering.
Daarnaast speelt mee dat een nationaal verbod, afhankelijk van de reikwijdte, aan meer juridische randvoorwaarden moet voldoen dan bij de genoemde lokale verboden het geval is. Zo zal ook gekeken moeten worden naar het vrij verrichten van diensten en de dienstenrichtlijn, een element dat in de uitspraak in kort geding in de zaak van de gemeente Den Haag niet aan bod is gekomen.
7.
Verder vragen deze leden de minister waarom ze niet gewoon één door de
gemeenten gehanteerde definities overneemt. Kan de minister de Kamer een
overzicht bezorgen van de definities die de Nederlandse gemeenten voor
fossiele reclame hanteren en in een helder overzicht aanduiden waar
precies de verschillen liggen?
Antwoord
De in vraag 6 genoemde gemeentes hanteren niet exact dezelfde
definities, maar een gemeenschappelijk element is dat alle gemeentes
reclame in de openbare ruimte voor de categorieën fossiele brandstoffen,
vervuilende reizen en vervuilende auto’s verbieden. De gemeente Den Haag
rekent echter behalve olie, gas en kolen ook gascontracten tot de
fossiele brandstoffen. Verder rekenen alle gemeentes vliegreizen en
cruises tot de categorie vervuilende reizen, alleen de gemeente Den Haag
neemt daarin ook vliegtickets mee. Alle gemeentes rekenen auto’s met een
verbrandingsmotor tot een product waarvoor geen reclame mag worden
gemaakt, de gemeente Leiden verbiedt echter ook reclame voor hybride
auto’s. Ten slotte valt op dat een aantal gemeentes nadrukkelijk
uitzonderingen op het verbod definiëren. Zo geven de gemeentes Amsterdam
en Leiden in hun definities aan dat het verbod niet geldt voor reclame
van bedrijven die minder dan 30% van hun omzet behalen uit de genoemde
categorieën (Amsterdam) c.q. uit fossiele producten (Leiden).
Laatstgenoemde gemeente definieert als enige nog verdere uitzonderingen:
niet onder het Leidse verbod vallen reclames voor fossiel openbaar
vervoer, voor vervoer op elektriciteit opgewekt door fossiele brandstof
en voor plastic en chemicaliën.
8.
Kan de minister verder een uitputtende lijst aanleveren van de
flankerende maatregelen om klimaatvriendelijke keuzes voor de consument
aantrekkelijker te maken, die op basis van het wetenschappelijke advies
nodig zouden zijn? Kan de minister daarbij voor ieder van die
maatregelen vermelden wat de stand van het beleid vandaag is, welke de
concrete plannen al in uitwerking zijn en wat precies nog nodig is om
die maatregelen effectief in te voeren?
Antwoord
Het beleid dat nodig is om duurzame keuzes voor consumenten
aantrekkelijker te maken verschilt per duurzame keuze, omdat bij elke
keuze een specifieke set aan positieve of negatieve prikkels een rol
speelt. Zoals aangekondigd in het Klimaatplan 2025-20356
werkt het kabinet daarom aan een aanpak duurzaam leven. In deze aanpak
wordt aan de hand van gedragsinzichten toegewerkt naar een samenhangend
overzicht van effectieve (combinaties van) maatregelen die,
gefaciliteerd door de overheid en het bedrijfsleven, de tien duurzaamste
keuzes voor de consument inzichtelijk gemaakt en ondersteund worden. Op
sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds maatregelen genomen,
zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief
waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt7.
Deze zullen in het overzicht worden geïntegreerd. Het is aan het nieuwe kabinet om de uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
9.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de minister, of zij bij
het oormerken van middelen voor koolstofverwijdering een
minimumpercentage aan middelen voor natuur-gebaseerde oplossingen zal
vastleggen, gezien de routekaart Koolstofverwijdering die aangeeft dat
koolstofverwijdering zoveel mogelijk moet aansluiten bij andere
beleidsdoelen zoals voor natuur.
Antwoord
In het voorgestelde beleid genoemd in de Routekaart Koolstofverwijdering
is zowel aandacht voor industriële als natuur-gebaseerde
koolstofvastlegging. Naast de bijdrage aan klimaatbeleid, draagt
natuurlijke koolstofverwijdering ook bij aan de beleidsdoelen op het
gebied van natuur. Door het huidige demissionaire kabinet wordt dit
daarom in samenhang bekeken. Nadere keuzes rond de verdeling van
middelen zijn op dit moment niet aan de orde en besluitvorming daarover
is aan een nieuw kabinet.
10.
Zal de minister ook in gesprek gaan met het Nederlandse bedrijfsleven
over hun wereldwijde impact die de natuurlijke capaciteit tot
koolstofverwijdering vermindert, zoals bijvoorbeeld door de vernietiging
van bossen in de toeleverketen of de aanvaringen van walvissen door
schepen van Nederlandse rederijen wat volgens het Internationaal
Monetair Fonds (IMF) ook tot een verminderde
koolstofverwijderingscapaciteit leidt?
Antwoord
Het kabinet heeft aandacht voor de bredere milieu-impact van het
bedrijfsleven en blijft in gesprek met hen over hoe zij hun
bedrijfsvoering kunnen verduurzamen. Het kabinet werkt tevens samen met
het bedrijfsleven aan ontbossingsvrije ketens via een combinatie van
wetgeving, internationale samenwerking en initiatieven.
11.
Deze leden vragen de minister tot slot of zij zal garanderen
dat Nederland het maximaal voorkomen van uitstoot nog steeds als eerste
prioriteit blijft beschouwen.
Antwoord
De Routekaart Koolstofverwijdering8 ligt toe dat het
uitgangspunt van dit kabinet is dat emissiereductie prioritair blijft
binnen de ontwikkeling van klimaatbeleid. Hiermee wordt bedoeld dat de
inzet op koolstofverwijdering geen afbreuk mag doen aan het houden van
druk op het verminderen van uitstoot van broeikasgassen. Tegelijkertijd
weten we dat er in 2050 nog niet te vermijden restemissies zullen
zijn.9,10
Om klimaatneutraliteit te behalen en aan de klimaatwet te voldoen zullen
deze restemissies gecompenseerd moeten worden, en daarvoor zijn
significante volumes koolstofverwijdering nodig. Het is daarom
noodzakelijk om tegelijkertijd emissiereductie voort te zetten en
koolstofverwijderingstechnieken te ontwikkelen en op te schalen.
12.
Kan de minister garanderen dat koolstofverwijdering niet als excuus
gebruikt wordt om langer broeikasgassen uit te stoten, o.a. door de
verbranding van fossiele brandstoffen? Met andere woorden, zal de
minister garanderen dat de finaliteit van koolstofverwijdering niet is
om gelijktijdige uitstoot te compenseren, maar wel in de eerste plaats
dient om de historische uitstoot van Nederland uit de atmosfeer op te
ruimen?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 11.
13.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de minister met de
Kamer een doorrekening kan delen of het definitief ontwerp Klimaatplan
voldoende is om de nationale en Europese klimaatdoelen te halen.
Antwoord
Er is geen doorrekening gedaan van de beleidsagenda uit het
ontwerp-Klimaatplan 2025-2035. De beleidsagenda, die in de Klimaatnota
2025 geïntegreerd is met de beleidsagenda uit het Nationaal Plan
Energiesysteem, geeft een overzicht van de acties die de komende tien
jaar in gang moeten worden gezet richting klimaatneutraliteit. Een groot
deel van de beleidsagenda betreft instrumentarium dat al bestaat en is
doorgerekend. Daarnaast bevat de beleidsagenda suggesties voor
toekomstig beleid. Dit betreft ontwikkelingen die cruciaal zijn voor het
pad richting klimaatneutraliteit en een klimaatneutraal energiesysteem
in 2050 waar nog nieuw beleid nodig is om dit in goede banen te leiden.
Uitwerking van deze suggesties voor toekomstig beleid moet nog
plaatsvinden via de reguliere besluitvormingscyclus. Op dat moment is
ook een inschatting van het CO2-effect mogelijk. Wel is er
bij het Klimaatplan een impact assessment opgenomen die in gaat op de
mogelijke gevolgen voor Nederland van de Europese klimaatdoelen. Tot
slot laat de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van het PBL jaarlijks
zien hoe de broeikasgasemissies en het energiesysteem in Nederland zich
ontwikkelen op basis van het beleid.
14.
Hoeveel ton CO2-equivalent wijkt de uitwerking van het plan
af van de doelen? Wat zullen de verwachte kosten voor de Rijksbegroting
zijn op basis van die afwijking doordat we koolstofkredieten bij andere
landen moeten inkopen ter compensatie van ons eigen tekort?
Antwoord
Zie het vorige antwoord. Er is op dit moment geen sprake van inkoop van
koolstofkredieten bij andere landen. Op EU-niveau is wel afgesproken dat
voor het behalen van het 2040 doel mogelijk gebruik kan worden gemaakt
van internationale koolstofkredieten. Eind dit jaar volgt hiervoor een
effectbeoordeling vanuit de Europese Commissie die naar verwachting ook
zal uitweiden over de eventuele kosten die hiermee gemoeid zijn. Pas
daarna wordt in EU-verband besloten hoe er met internationale kredieten
zal worden omgegaan.
15.
Verder vragen deze leden wat de huidige stand is van de ontwikkeling van
de generatietoets?
Antwoord
Zoals vorig jaar per brief aangekondigd door de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties11
zal de generatietoets worden opgenomen in het Beleidskompas. Dit in het
kader van een reeds eerder door de staatssecretaris Rechtsbescherming
aangekondigde verbetering van de toepassing en het gebruik van het
Beleidskompas12. Een belangrijk element van deze
verbeterslag is het toegankelijker maken van de kwaliteitseisen uit het
Kompas voor beleidsmakers. Als nieuw instrument hierbij is door het
ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de “Leidraad
Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid”
opgesteld. Deze leidraad ondersteunt beleidsmakers bij het meewegen van
de lange-termijn- en intergenerationele impact van nieuw te ontwikkelen
maatregelen. De Leidraad bevat drie methoden hiervoor: de Generatiescan;
een snelle check op mogelijke effecten voor toekomstige generaties, de
Generatietoets; een verdiepende analyse bij beleid met substantiële of
onomkeerbare gevolgen, en “De Toekomst aan Tafel”; een participatieve
methodiek om de stem van toekomstige generaties actief te betrekken.
Afgelopen december 2025 is de Leidraad Toekomstgericht Beleid definitief
toegevoegd aan het Beleidskompas13.
16.
Is de minister het voorts met deze leden eens dat het advies van de Raad
van State om een tussendoel voor 2040 in de Klimaatwet vast te leggen,
geenszins in strijd is met een Europees tussendoel en dat het kabinet er
wel voor zou kunnen kiezen aan die aanbeveling gevolg te geven?
Antwoord
Het klopt dat het eventueel vastleggen van een tussendoel voor 2040
iniet in strijd is met een Europees tussendoel. Verdere besluitvorming
hierover is aan een volgend kabinet.
17.
Zal de minister op basis van het rapport "Eerlijk Verduurzamen,
randvoorwaarden voor rechtvaardig beleid" van de Raad voor Leefomgeving
en Infrastructuur uit december 2025 het Klimaatplan wijzigen om het
sociaal rechtvaardiger te maken? Wat is de reactie van de minister op
dat rapport?
Antwoord
Rechtvaardigheid is al één van de vier uitgangspunten van het
Klimaatplan. Het kabinet werkt momenteel aan het concretiseren van dit
uitgangspunt. Dit gaat over het versterken van rechtvaardigheid in het
klimaatbeleid door verdelingsprincipes inzichtelijk te maken, beleid te
evalueren met oog op rechtvaardigheid en procedurele rechtvaardigheid
beter te borgen. De uitgebreidere kabinetsreactie op het Rli-advies is
aan het
komende kabinet.
18.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen op basis van de
appreciatie van de minister van het Jongerenakkoord over klimaatdoelen.
Wat precies bedoelt de minister met "realistisch beleid"? Welke
voorstellen beschouwt de minister als niet realistisch en waarom? Is dat
realisme gebaseerd op fysieke wetmatigheden of juridische beperkingen,
dan wel op politieke onwil? Neemt de minister daarbij ook de realiteit
van de klimaatregeling en de daaruit volgende schade voor Nederland en
de Nederlanders mee in beschouwing? Zo ja, op welke manier?
Antwoord
De jongeren benadrukken in de tekst van het akkoord dat het van groot
belang is om ambitieus te blijven en tempo te blijven maken als het gaat
om de uitvoering van het klimaatbeleid. Het kabinet deelt deze ambitie
en heeft daarom met het Pakket voor Groene Groei maatregelen genomen om
randvoorwaarden op orde te brengen zodat de uitvoering van het
klimaatbeleid door kan. Het kabinet wil beleid voeren dat uitvoerbaar is
voor zowel de beoogde doelgroep als voor uitvoerende partijen en oog
houdt voor andere maatschappelijke doelen, zoals onze
concurrentiepositie of een betaalbare energierekening. De uitrol van de
klimaat- en energietransitie is flink gevorderd, maar we zien ook dat
deze tegen grenzen aanloopt: beperkingen in netcapaciteit, beperkingen
door stikstofuitstoot en beperkingen in beschikbaar personeel. Voor
realistisch klimaatbeleid is het daarom belangrijk dat de beoogde
doelgroep ook daadwerkelijk handelingsperspectief heeft om te
verduurzamen. Daarbij verstaat het kabinet onder realistisch beleid ook
dat er voldoende middelen zijn om de maatregel te bekostigen en is het
van belang rekening te houden met de recente geopolitieke
ontwikkelingen. Het werken aan een schoon, klimaatneutraal Nederland
moet daarom hand in hand gaan met maatregelen om ons land ook veilig en
weerbaar te houden.
19.
Kan de minister per niet-aangenomen voorstel van het Jongerenakkoord
aangeven wat precies de reden is van het niet aan te nemen? Kan de
minister per aangenomen voorstel aangeven of dat voorstel reeds deel
uitmaakte van voorziene beleidsplannen dan wel juist op basis van het
Jongerenakkoord in het beleid is opgenomen?
Antwoord
Het Jongerenakkoord bevat 42 voorstellen met suggesties om het
maatregelenpakket voor de voorjaarsbesluitvorming aan te vullen of aan
te scherpen. Met de jongeren is afgesproken om henzelf een selectie
hieruit te laten maken die in de hierboven genoemde dialoogsessie
besproken zou kunnen worden. Dit omdat het aantal van 42 voorstellen te
groot was om in een sessie van een aantal uur door te kunnen spreken. Op
voorspraak van de jongeren zijn de volgende voorstellen in de
dialoogsessie besproken:
Energiearmoede tegengaan (isolatieoffensief kwetsbare wijken + progressieve energiebelasting).
Verbeteren OV (uitbreiding buurtbusnetwerk + herbestemmen budget weginfra voor OV).
Groene energie & circulaire innovatie (instellen Landelijk Innovatiefonds + subsidiëren onrendabele top circulaire innovaties).
Duurzame landbouw (heffing vleesconsumptie + extensivering & vernatting melkveehouderij/subsidies waterinfiltratie).
In het algemeen worden tijdens het voorjaarsbesluitvormingsproces vele varianten en oplossingsrichtingen bekeken en doorgerekend. Het kabinet krijgt van diverse partijen uit de samenleving, waaronder de jongeren, advies over klimaat- en energiemaatregelen en doet zelf regelmatig onderzoek naar welke klimaat- en energiemaatregelen mogelijk zijn (zoals met IBO Scherpe Doelen Scherpe Keuzes). De maatregelen in het Jongerenakkoord waren over het algemeen niet nieuw, maar zorgen ervoor dat deze maatregelen weer onder de aandacht gebracht worden en helpen zo de beleidsplannen te vormen. Op basis van alle inbreng van diverse partijen en rapporten maakt het kabinet een beoordeling van de haalbaarheid en wenselijkheid van verschillende maatregelen binnen de gegeven context. Zo vragen veel maatregelen in het Jongerenakkoord om aanzienlijke investeringen vanuit de rijksfinanciën, waartoe het demissionaire kabinet op dat moment niet altijd ruimte voor zag. Daarnaast speelt mee dat sommige maatregelen juist hoge kosten voor de maatschappij met zich meebrengen, en daardoor bijvoorbeeld de concurrentiepositie van onze industrie kunnen schaden. De finale afweging tussen deze verschillende belangen is een politieke verantwoordelijkheid.
20.
Welke plannen liggen er voorts al voor de besteding van het Social
Climate Fund? Wil de minister op het Social Climate Fund wachten om
bijkomende middelen voor onder andere openbaar vervoer vrij te maken of
zal de minister dat al eerder doen?
Antwoord
De Nederlandse inzet voor de besteding van het Social Climate Fund is
ingediend bij de Europese Commissie. De aanvraag is ingediend voor
middelen om de effecten van het emissiehandelssysteem (ETS2) voor
kwetsbare huishoudens en micro-ondernemingen te verzachten. Deze
middelen wil Nederland inzetten voor 4 maatregelen: 1) Verlenging van
het Nationaal Warmtefonds, waarmee huishoudens met een verzamelinkomen
onder 60k tegen gunstige voorwaarden kunnen lenen voor energiebesparende
maatregelen, 2) Advies, hulp en ondersteuning voor huishoudens bij
verduurzaming van hun woning via één loket (‘Energiehuizen’), 3) Directe
inkomenssteun voor kwetsbare huishoudens via een publiek Energiefonds,
gekoppeld aan de tweede maatregel zodat de doelgroep die de hulp het
meest nodig heeft ook gericht wordt geholpen met structurele
verduurzamingsmaatregelen, 4) Fixteams ter ondersteuning van de
verduurzaming van micro-ondernemingen. De Kamer is door de
staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïnformeerd over
het plan dat bij de Europese Commissie is ingediend14.
Het kabinet kan deels al starten met de uitvoering van de maatregelen.
Voor het SCF geldt dat lidstaten zelf 25% moeten co-financieren uit
nationale middelen. Voor de afzonderlijk maatregelen hebben de betrokken
departementen hier middelen voor gereserveerd, waaronder uit het
Klimaatfonds, die reeds benut kunnen worden voor de implementatie.
Daarvoor moet worden voldaan aan de gestelde voorwaarden in het
Klimaatfonds15.
Er zijn voor de besteding van het Social Climate Fund geen plannen meer ingediend voor het openbaar vervoer omdat er met uitvoerende partijen geen overeenstemming is bereikt voor de ontwikkeling van een landelijk geldig reisabonnement voor minima omdat de risico’s van de overstap naar zo’n pas te groot werden geacht. De Kamer is hierover in het najaar geïnformeerd door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat16.
21.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de minister of ze op
basis van de haalbaarheidsanalyse Nederland Klimaatneutraal in 2040
bijkomend beleid plant. Kan de minister een uitputtende lijst bezorgen
van de belemmeringen qua juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid die
zij ziet en wat er nodig is om die belemmeringen op te lossen? Wat
precies is ervoor nodig om de kabinetsinzet van 90% reductie in 2040
toch te verhogen naar 100%? Wat leert de minister voorts uit de studie
van TNO naar de macro-economische effecten? Welk bijkomend beleid zal
zij op basis van die studie voorstellen?
Antwoord
Bij besluitvorming over beleid worden alle relevante inzichten betrokken waaronder ook die uit de genoemde studies. De rapporten op zichzelf zijn geen aanleiding om het beleid bij te stellen. Er is geen specifieke analyse gemaakt van de belemmeringen qua juridische haalbaarheid en uitvoerbaarheid om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Het rapport zelf17 noemt dat het substantieel versnellen van de transitie een formidabele opgave is die vraagt om zeer stringent overheidsbeleid en een ongekende inspanning van de hele samenleving. Andere beleidsdoelen zouden bijvoorbeeld vertraging oplopen als gevolg van prioritering op de arbeidsmarkt, zoals het oplossen van de woningcrisis of het uitbreiden van defensie. Ook zouden harde keuzes gemaakt moeten worden rondom de Rijksbegroting om de benodigde meer investeringen te dekken. Tot slot zou de gevraagde inspanning van de hele samenleving mogelijk op weerstand/vermindering van draagvlak stuiten. Het kabinet constateert daarnaast dat de verduurzaming van de energievoorziening in de praktijk tegen grenzen aanloopt. Dat komt onder andere door tekort aan netcapaciteit, beperkte stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt. Ook is bijvoorbeeld de infrastructuur voor CCS nog onvoldoende ontwikkeld om koolstofopslag beter van de grond te krijgen, en blijft de ontwikkeling van de waterstofmarkt achter op eerdere prognoses. Knelpunten en beperkingen zijn in deze fase van de transitie onvermijdelijk. Zoals beschreven in de Kamerbrief “Pakket voor Groene Groei” treft het kabinet in alle sectoren maatregelen die erop gericht zijn de uitvoering vlot te trekken18.
De studie van TNO naar de macro-economische effecten leert ons dat een snellere reductie dan in het Klimaatplan is verondersteld resulteert in een afname van het bruto binnenlands product (bbp) en dat de kosten sterk variëren bij verschillende uitrolsnelheid van technologie en energiesysteemkosten. De studie bevestigt de noodzaak van de huidige inzet gericht op het vergroten van de uitrolsnelheid van vergunningen, het net en de uitvoering en het belang van EU-coördinatie.
22.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de minister, gezien
het toejuichen van het aanbod van de Grootouders voor het Klimaat om hun
eigen elektrische energie zelf op te wekken, ook zal ingaan op hun
daarbij aansluitende vraag om dan te kunnen rekenen op minimaal gelijke
behandeling als de fossiele industrie qua belastingen, toeslagen,
kortingen, vrijstellingen etc.? Zo ja, hoe zal ze dit tot uitvoering
brengen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Het is van cruciaal belang dat de klimaat- en energietransitie door de
samenleving zelf gedragen wordt, en waar waar mogelijke maatschappelijke
initiatieven worden omarmd en ondersteund. Hierom heeft de (eigen) opwek
van hernieuwbare energie gedurende de afgelopen jaren gestimuleerd, of
dit nu om grote energieprojecten gaat, of kleinere initiatieven van
mensen thuis, gemeenschappen en bedrijven. Voor grootschalig zon-PV en
windenergie op land is de SDE++ beschikbaar, voor coöperatieve opwek is
dat de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE). Voor wat
betreft kleinschalige duurzame opwek bij afnemers met een kleine
aansluiting, bijvoorbeeld via zonnepanelen op daken of met zeer
kleinschalige windmolens, geldt dat voor het gebruik van de opgewekte
elektriciteit achter de meter geen energiebelasting of btw verschuldigd
is, los van de kosten die niet hoeven te worden gemaakt om elektriciteit
in te kopen van de leverancier. Daarmee blijft er een voordeel bestaan
bij het verbruik van zelf opgewekte duurzame energie. Tot slot is het
btw-tarief op zonnepanelen 0%, als deze geleverd en geïnstalleerd worden
op of bij een woning.
23.
Zal de minister voorts naar aanleiding van de Factsheet Brede Welvaart
van Building Change een reflectie opstarten over hoe de Rijksoverheid
net als o.a. Bhutan en Nieuw-Zeeland brede welvaart centraal kan stellen
in al het regeringsbeleid en dus verder zal kijken dan slechts het bruto
binnenlands product (bbp) als leidraad? Zal de minister in een
dergelijke reflectie ook overwegen hoe de principes van de Donuteconomie
een leidraad kunnen vormen voor al het kabinetsbeleid?
Antwoord
Het kabinet erkent de noodzaak van bredewelvaartsdenken en hecht veel
waarde aan de Monitor Brede Welvaart van het CBS en de
bredewelvaartsreflectie van de planbureaus op de miljoenennota.
Nieuw-Zeeland en Bhutan hebben beiden een nuttig raamwerk om regeringsbeleid te maken op basis van een breed beeld van hoe het met de maatschappij gaat. Ook Nederland heeft zo’n raamwerk. Het CBS is internationaal al jaren toonaangevend met de monitor brede welvaart. Dit kabinet heeft zijn besluitvorming gebaseerd op een breed beeld van indicatoren, waaronder de MEV en de CEP van het CPB, de KEV van het PBL, de Sociaal Culturele Verkenningen van het SCP, en de Monitor Brede Welvaart van het CBS. Het kabinet weegt verschillende doelstellingen zorgvuldig tegen elkaar af. Gegeven de schaarste aan financiële middelen en arbeidskrachten is het onvermijdelijk dat het verbeteren van bepaalde dimensies van brede welvaart ten koste zal gaan van andere dimensies. Dat heeft het kabinet uiteengezet in de kabinetsreactie op de Monitor Brede Welvaart 202519. De suggestie dat slechts het bbp centraal staat in het Nederlands regeringsbeleid deelt het kabinet dus niet.
Tegelijkertijd is economische groei belangrijk om onze welvaart op peil te houden. Dit niet alleen omdat koopkrachtgroei bijdraagt aan welvaartsgroei, maar ook om uitgaven te financieren die bijdragen aan welvaart in brede zin, zoals zorg, klimaat en veiligheid. Volgens het rapport van de heer Wennink is 1,5% economische groei per jaar nodig voor koopkrachtbehoud, als we tegelijkertijd ook de defensie-uitgaven willen verhogen, klimaatuitgaven willen blijven doen, en willen voorkomen dat we moeten bezuinigen of dat we schulden doorschuiven aan toekomstige generaties. Dit illustreert hoe economische groei niet losgezien kan worden van andere onderdelen van maatschappelijke welvaart.
24.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie hebben kennisgenomen van de
Hamburg Declaration, die maandag mede door dit kabinet is ondertekend en
hebben daarover enkele vragen. In deze verklaring wordt een gezamenlijke
ambitie uitgesproken van 300 gigawatt (GW) aan windenergie op zee in
2050, waarvan 100 GW gerealiseerd zou moeten worden via
samenwerkingsprojecten tussen landen. Kan de minister aangeven welk deel
van de 300 GW Nederland voor zijn rekening neemt? Hoe groot is specifiek
de Nederlandse bijdrage aan de genoemde 100 GW aan
samenwerkingsprojecten? Kan de minister een nadere toelichting geven van
het begrip ‘samenwerkingsproject’? Kan de minister voorbeelden geven van
reeds gerealiseerde of geplande Nederlandse samenwerkingsprojecten op
het gebied van wind op zee? Hoe gaat de minister borgen dat deze
planning, met name het Nederlandse deel, daadwerkelijk zal worden
gerealiseerd? Is aanpassing van de Routekaart Wind op Zee naar
aanleiding van de verklaring in Hamburg? En zo ja, op welke punten?
Antwoord
De gezamenlijke ambitie van 300 GW is een bundeling van nationale
ambities van alle aan de Noordzee gelegen landen, vastgesteld bij de
North Sea Summit in 2022 in Oostende. De nationale Nederlandse bijdrage
daarbij was 70 GW in 2050, zoals het opgenomen streefdoel voor
windenergie op zee (2050) in het Nationaal Plan Energiesysteem. Nieuw is
de invulling van mogelijk tot 100 GW aan samenwerkingsprojecten. Een
samenwerkingsproject is een project waar minimaal twee landen aan
werken, waarbij elektriciteits-infrastructuur (kabels)
grensoverschrijdend wordt aangelegd. Op dit moment valt nog niet te
zeggen hoeveel projecten elk land zal ontwikkelen. Daarvoor loopt een
iteratief planningsproces waarbij constant gekeken wordt naar de
ontwikkelingen van het energiesysteem. Een concreet samenwerkingsverband
waar Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk aan werkt is LionLink,
een hybride interconnector. Middels het Windenergie Infrastructuurplan
Noordzee heeft het kabinet een beleidskader ontwikkeld voor het
prioriteren van dit soort projecten en via het Ontwikkelkader
windenergie op zee is TenneT in staat gesteld om samenwerkingsprojecten
te onderzoeken en te realiseren20. De verklaring in
Hamburg leidt niet tot een aanpassing van de Routekaart windenergie op
zee. Wel bereidt het kabinet een actualisatie van de Routekaart voor
naar aanleiding van de recente ontwikkelingen rondom de tenders voor
windenergie op zee.
25.
In de Hamburg Declaration wordt tevens gesproken over het mobiliseren
van financiële middelen voor samenwerkingsprojecten en bijbehorende
infrastructuur, onder meer via een zogenoemd Offshore Financing
Framework (OFF). Kan de minister toelichten hoe dit raamwerk bij gaat
dragen aan het mobiliseren van de benodigde honderden miljarden euro’s?
Wordt hierbij gerekend op nationale, dus ook Nederlandse middelen, of op
aanvullende financiering vanuit de Europese meerjarenbegroting (MFK)?
Hoe verhoudt deze inzet zich tot de voorgenomen Nederlandse
bezuinigingen op het MFK? En ziet de minister de in de verklaring
genoemde Europese Contracts for Difference (CfD’s) uitsluitend als
instrument voor samenwerkingsprojecten, of als een breder Europees
instrument voor de energietransitie? Ook wordt in de verklaring
gesproken over kostenverdeling van grensoverschrijdende infrastructuur,
waarbij wordt verwezen naar nieuwe EU-‘guidance’. Betekent ondertekening
van de verklaring dat Nederland en andere lidstaten deze ‘guidance’
ondersteunen? Betekent dit tevens dat deze ‘guidance’ de basis zal
vormen voor de verdeling van netkosten met Duitsland, waarover momenteel
knelpunten bestaan?
Antwoord
Dit raamwerk is geen afzonderlijk fonds, maar een coördinerend kader dat
nog verder moet worden uitgewerkt. Het is gericht op het beter benutten
en op elkaar afstemmen van bestaande nationale en Europese
financieringsinstrumenten, met als doel het vergroten van
investeringszekerheid en het faciliteren van private investeringen.
Het raamwerk moet bijdragen aan het mobiliseren van de benodigde investeringen door risico’s voor marktpartijen te beperken, onder meer via gezamenlijke planning, afstemming van tenderprocedures en transparantie over kosten- en batenverdeling tussen betrokken landen. Private financiering blijft daarbij de belangrijkste bron voor de realisatie van offshore windparken en infrastructuur.
Het raamwerk gaat uit van een combinatie van nationale middelen en bestaande Europese instrumenten. Lidstaten blijven primair verantwoordelijk voor hun nationale ondersteuningsmechanismen. Daarnaast kan waar passend gebruik worden gemaakt van bestaande Europese financieringsinstrumenten, zoals via de Europese Investeringsbank of programma’s binnen de Europese begroting. Het OFF creëert geen nieuwe aanspraken op middelen uit de Europese meerjarenbegroting (MFK) en loopt niet vooruit op besluitvorming over het volgende MFK.
Het kabinet ziet CfD’s als een breder instrument voor de energietransitie. Daarom bereidt het kabinet een wetsvoorstel voor de implementatie van CfD’s voor, zodat deze onder andere kunnen worden toegepast op windenergie op zee en hernieuwbare energie op land. Er zijn nog geen concrete plannen voor gezamenlijke CfD’s of prijszekerheidsmechanismen met andere landen, waarover in de verklaring voor energieministers wordt gesproken. De Europese Commissie is hiervoor momenteel verschillende opties aan het onderzoeken.
Kostenverdeling van grensoverschrijdende infrastructuur is voor het kabinet van belang. De Europese Commissie heeft in 2024 een 'guidance' voor collaborative investment frameworks for offshore energy projects opgesteld. Dit geeft handvatten aan lidstaten, toezichthouders en transmissiesysteembeheerders (TSB) voor de verdeling van deze kosten. In de Hamburg declaration hebben Noordzeelanden afgesproken om met toezichthouders en TSB's (verder) te werken aan een kostenverdeelsleutel die eerlijk en transparant is.
26.
In de verklaring worden ook afspraken gemaakt over de
wind-op-zee-toevoerketen. Kan de minister toelichten welke
niet-prijscriteria of weerbaarheidscriteria Nederland wil hanteren bij
de uitrol van wind op zee, en hoe Nederland hierin samen optrekt met
andere EU-lidstaten? Hoe wil de minister de planning van wind op zee
beter gezamenlijk gaan sturen? Hoe wordt geborgd dat tijdlijnen tussen
landen op elkaar aansluiten en dat specificaties, bijvoorbeeld via
standaardisatie, bijdragen aan een betrouwbare en langetermijnopschaling
van wind op zee?
Antwoord
Nederland trekt samen op met andere EU-lidstaten voor de implementatie
van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA). De NZIA schrijft
voor dat er vanaf 2026 bij minimaal 30% van de
vergunningverleningsprocedures voor hernieuwbare energie
niet-prijscriteria worden meegenomen. Doel hiervan is om
niet-prijscriteria, waaronder maatschappelijk verantwoord ondernemen,
weerbaarheid en veiligheid, EU-breed en geharmoniseerd toe te passen.
Dit draagt bij aan een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en aan
beter op elkaar afgestemde tenders voor onder andere windenergie op
zee.
Het kabinet heeft afgelopen maand de conceptregeling voor de tender in 2026 gepubliceerd21. In deze conceptregeling zijn niet-prijscriteria opgenomen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, cyber- en databeveiliging, weerbaarheid en circulariteit. Het weerbaarheidscriterium is gericht op het verminderen van strategische afhankelijkheden van derde landen in de waardeketen van windenergie op zee.
Het kabinet is zich ervan bewust dat de Europese uitrol van windenergie op zee de afgelopen jaren sterk fluctueerde. Deze volatiliteit heeft een negatieve weerslag gehad op de toeleveringsketen. Binnen North Seas Energy Cooperation (NSEC) werkt Nederland daarom samen met andere landen aan een gecoördineerde uitrol van tenders, de implementatie van NZIA en instrumenten als CfD’s.
Nederland zet daarbij in op een stabiele en voorspelbare jaarlijkse uitrol van windenergie op zee. Dit bevordert de continuïteit en weerbaarheid van de Nederlandse en Europese toeleveringsketen en biedt tegelijkertijd duidelijkheid aan landen onderling over de benodigde toeleveringscapaciteit.
27.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn bezorgd over het stijgende aantal mensen in energiearmoede. Deze leden zien in het signalenrapport van het Nationaal Klimaat Platform (NKP) signalenrapport “Bestaanszekerheid in de buurt” een duidelijke bevestiging dat klimaatbeleid en sociale rechtvaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Tegelijkertijd constateren zij dat de minister veel signalen wel herkent, maar de vertaling naar structurele en langjarige beleidskeuzes onvoldoende concreet maakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het NKP expliciet oproept tot langjarige zekerheid voor programma’s die energiearmoede in kwetsbare wijken aanpakken, terwijl de minister aangeeft dat rijksmiddelen voor verduurzaming na 2027 aflopen. Dat leidt tot onzekerheid bij o.a. gemeenten, woningcorporaties, lokale partners en initiatieven en bewoners. Zonder langjarige zekerheid kunnen gemeenten, woningcorporaties en maatschappelijke organisaties niet werken aan structurele vermindering van energiearmoede. Erkent de minister dat tijdelijke financiering leidt tot minder zekerheid bij uitvoerende partijen? Erkent de minister dat het aflopen van middelen in 2027 kan leiden tot een terugval in de aanpak van energiearmoede?
Antwoord
Het kabinet dankt het NKP voor hun rapport en benadrukt het belang van
een betaalbare energierekening voor iedereen. Het kabinet zet zich op
verschillende manieren in om energiearmoede te verminderen, zoals ook
toegelicht in de Kamerbrief waarin wordt gereageerd op het door de
vragenstellers genoemde rapport22. Het aantal
huishoudens dat in energiearmoede leeft, is volgens de laatste
rapportage van TNO23 gedaald van 8,6% in 2019 naar 6,1%
in 2024. In 2022 en 2023 lag het aantal huishoudens met energiearmoede
tijdelijk lager door het geven van gerichte financiële steun ten tijde
van de energiecrisis, zoals de energietoeslag.
In de daling van energiearmoede in de afgelopen jaren spelen maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen een belangrijke rol. Het kabinet blijft hier stevig in op inzetten. Huishoudens worden bijvoorbeeld ondersteund bij energiebesparing en verduurzaming via het Nationaal Isolatieprogramma (NIP), het Warmtefonds en de regelingen voor de Stimulering van Aardgasvrije Huur (SAH) en voor verenigingen van eigenaars (SVVE). Verder zet het kabinet de uitfasering van huurwoningen met energielabels E, F en G door.
In antwoord op de vraag over middelen die na 2027 aflopen wordt aangenomen dat gedoeld wordt op de SPUK Aanpak Energiearmoede die in het licht van de energiecrisis in drie tranches sinds 2022 is verstrekt aan gemeenten om energiearmoede aan te pakken bij kwetsbare huishoudens. Het gaat hier om 550 miljoen euro die in circa 6 jaar wordt uitgegeven. Gemeenten kunnen deze middelen uiterlijk tot en met 2027 inzetten. In het Social Climate Fund is een aanvraag gedaan om via een Energiehuis financiële ondersteuning en hulp te bieden bij verduurzaming voor kwetsbare huishoudens. In de conceptindiening is 180 miljoen euro opgenomen voor energiecoaches en -fixers, voor een looptijd van vijf jaar. De beoordeling en definitieve vaststelling volgen nog. Voor de winter 2025/2026 stelt het kabinet via het Gemeentefonds 30 miljoen euro extra beschikbaar aan gemeenten om energiearmoede te bestrijden. Dit geld is bedoeld voor kwetsbare huishoudens met lage inkomens en hoge energierekeningen, specifiek voor ondersteuning bij verduurzaming en het verlagen van de energielasten.
Ook heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangegeven graag met het NKP in gesprek te gaan over de besteding van de extra middelen voor kwetsbare wijken die zijn gereserveerd onder het zorg en welzijnsakkoord24.
Het is uiteindelijk aan het volgende kabinet om het langjarig
perspectief voor deze sector te schetsen en eventuele budgetten
beschikbaar te maken.
28.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat de minister
inzet op minimale energieprestatie-eisen voor huurwoningen per 2029,
maar dat de voortgang bij particuliere verhuur achterblijft. Deelt de
minister de analyse van het NKP dat het huidige tempo waarin E-, F- en
G-labels worden uitgefaseerd in de particuliere huursector onvoldoende
is om het 2029 doel te halen, en energiearmoede tijdig terug te dringen?
Acht de minister aanvullende instrumenten noodzakelijk, zoals strengere
handhaving, hogere minimumnormen of gerichtere financiële ondersteuning
voor kleine particuliere verhuurders? Welke concrete mogelijkheden ziet
de minister hiertoe? Wat zijn de consequenties voor huurders en
verhuurders als verhuurders niet voldoen aan de labelverplichting? Wat
wordt het handelingsperspectief voor huurders in een dergelijke
situatie? Is er een stok achter de deur die naleving afdwingt? Hoe wordt
geborgd dat de kosten van verduurzaming niet alsnog worden afgewenteld
op huurders met lage inkomens?
Antwoord
Circa 90% van de huurders die moeite hebben met het betalen van de
energierekening huren in de sociale sector. In de Nationale
prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties huurwoningen met
E-, F- en G-label uiterlijk in 2028 uitfaseren. Woningcorporaties zijn
hiermee een eind op weg. Om ervoor te zorgen dat álle verhuurders, dus
ook de private verhuurders, huurwoningen met E, F en G-labels
verduurzamen, is regelgeving in voorbereiding. De huidige inzet is per 1
januari 2029 minimum energieprestatie-eisen te introduceren in het
Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die ertoe leiden dat huurwoningen
met energielabel E, F en G van alle verhuurders worden verduurzaamd naar
ten minste label D. Vroegtijdige aankondiging van de EFG-normering in
het Bbl zal ertoe leiden dat EFG-huurwoningen richting 2029 worden
uitgefaseerd.
De handhavingsbevoegdheid van eisen in het Bbl rust bij de gemeenten. Indien een verhuurder niet aan de eis voldoet, kan een huurder ook bij de gemeente een verzoek indienen tot handhaving. Over de handhaving van de normering vindt op dit moment afstemming plaats met de VNG. Voor de handhaving zijn middelen gereserveerd in het Klimaatfonds.
In de tussentijd worden verhuurders op verschillende manieren ondersteund in de verduurzaming. Hiervoor is vorig jaar het Ondersteuningspakket verduurzaming particuliere verhuur naar de Kamer gestuurd. In het kader daarvan zijn bijvoorbeeld op www.volkshuisvestingnederland.nl en Verbeterjehuis.nl pagina’s toegevoegd, speciaal voor particuliere verhuurders. Op deze pagina’s wordt toegelicht dat verduurzaming niet alleen kan leiden tot lagere energielasten voor huurders, maar voor verhuurders ook tot waardestijging van de woning kan leiden en de investering kan worden doorberekend via een huurverhoging. En via het woningwaarderingsstelsel worden verhuurders nu al gestimuleerd tot verduurzaming door aftrekpunten voor energielabels EFG.
Financieel worden particuliere verhuurders ondersteund door de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Deze regeling is in afstemming met de doelgroep per 2025 vereenvoudigd en verruimd, waardoor verhuurders onder andere hogere subsidiebedragen kunnen aanvragen. Er is een flinke stijging in het aantal aanvragen van de SVOH in 2025 ten opzichte van voorgaande jaren. Op basis van bovenstaande acht het kabinet aanvullende instrumenten op dit moment niet noodzakelijk.
Bij het verder uitwerken van de regelgeving worden ook de
huurrechtelijke kaders tegen het licht gehouden. De vraag wat een
redelijke huurverhoging is bij woningverbetering, is hier onderdeel van.
Daarbij zullen de belangen van zowel huurders als verhuurders in
ogenschouw worden genomen.
29.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het NKP-signaal
dat een collectieve aanpak essentieel is, juist voor huishoudens die
niet in staat zijn om individueel te verduurzamen. Kan de minister
concreet aangeven hoe zij collectieve verduurzamingsinitiatieven in
kwetsbare wijken structureel wil ondersteunen, ook financieel, en niet
slechts via tijdelijke of versnipperde regelingen? Hoe kunnen aanvragen
vanuit buurten, energiegemeenschappen of verenigingen van eigenaren
(vve’s) worden ondersteund en gestroomlijnd, met minimale
administratieve lasten voor bewoners, en welke concrete stappen zijn
daar al toe gezet?
Antwoord
Voor eigenaar-bewoners en bewoners van Verenigingen van Eigenaars
(VvE’s) die niet in staat zijn individueel te verduurzamen is er de
lokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma (NIP). Hiervoor is
ruim 1,6 mld. euro beschikbaar gesteld aan gemeenten. Met de middelen
kunnen meerjarige programma’s worden opgezet tot en met 2030, waarbij in
totaal 750.000 woningen worden geïsoleerd25.
Gemeenten worden gestimuleerd deze aanpakken wijk voor wijk in te
zetten, waarbij ook aansluiting wordt gezocht met de wijkaanpakken die
gericht zijn op het aardgasvrij maken en het aanleggen van warmtenetten
daar waar passend. Veel gemeenten zetten de isolatie-acties ook wijk
voor wijk op, waarbij zichtbaarheid in de wijk van belang is om effect
te bereiken. De middelen uit de SPUK Aanpak Energiearmoede worden vaak
ingezet om mensen te bereiken en te beginnen met kleine en middelgrote
maatregelen om daarna tot grotere maatregelen over te kunnen gaan (zie
hiervoor ook antwoord op vraag 32).
Met de middelen van de lokale aanpak van het NIP kunnen huishoudens die dat het hardste nodig hebben extra financiële en praktische ondersteuning krijgen bij de grotere isolatiemaatregelen. In de lokale aanpak is ondersteuning ook mogelijk voor het aanvragen en voorschieten van subsidies, maar ook procesbegeleiding en ondersteuning bij VvE’s en van wijkinitiatieven zijn mogelijk binnen de lokale aanpak. Afhankelijk van specifieke situatie in de wijk, kunnen gemeenten inzetten op collectieve verduurzamingsacties en samenwerking met buurtinitiatieven en maatschappelijke organisaties aangaan. Het samenwerken en ook proactief inzetten van netwerken en gemeenschappen in de wijk helpt om mensen te bereiken en verduurzamingsprogramma’s uit te kunnen voeren. Het kabinet werkt ook aan de verdere uitwerking van de Wet collectieve warmte, waarin ruimte wordt geboden voor publieke en coöperatieve warmtebedrijven, om initiatieven van onderop ruimte te geven.
30.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de zorg van het NKP over
het grote wantrouwen richting overheid en uitvoerende instanties in
kwetsbare wijken, en zien ontzorging bij verduurzaming als een kans om
te werken aan herstel van dit vertrouwen. Ziet de minister mogelijkheden
om opbouwwerk expliciet te verbinden aan klimaat- en energieprogramma’s
in kwetsbare wijken, en zo ja, op welke termijn? Hoe wordt gestimuleerd
dat lokale isolatie- en verduurzamingsinitiatieven samenwerken met
andere onderdelen van opbouwwerk?
Antwoord
De noodzaak voor verbinding en vertrouwen in kwetsbare wijken wordt door
het kabinet gedeeld. Het actieplan van NKP gaat breed over klimaat,
wonen, zorg, welzijn en onderwijs. Met isolatieprogramma’s van deur tot
deur, achter de voordeur en aan de keukentafel, wordt niet alleen
praktische ondersteuning geboden waar dat nodig is, maar wordt ook
vertrouwen gewonnen bij groepen waar dat vertrouwen is afgebrokkeld.
Zeker wanneer de ondersteuning via gemeenten leidt tot een lagere
energierekening en meer comfort in huis. In de lokale aanpak van het
Nationaal Isolatieprogramma hebben veel gemeenten samenwerkingen
vormgegeven tussen het sociale en fysieke domein om de meest kwetsbare
huishoudens te bereiken. Opbouwwerk is vaak ook nodig, wanneer andere
problematiek eerst aangepakt moet worden, voordat huishoudens toe zijn
aan verduurzaming. De samenwerking tussen het sociaal en fysiek domein
in een gemeente wordt op verschillende manieren gestimuleerd. Op de
website van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) staan
bijvoorbeeld handreikingen met tips en goede voorbeelden voor gemeenten
die nog op zoek zijn naar hoe ze deze samenwerkingen het beste aan
kunnen gaan en vormgeven. Op de Impulsdag Isoleren van het NPLW is daar
afgelopen jaar aandacht voor geweest en ook komend jaar zal daar
aandacht voor zijn.
Daarnaast worden energiehulpen ingezet. Energiehulpen maken directe impact in kwetsbare wijken door energiebesparende maatregelen te treffen en omdat zij achter de voordeur komen en tekenen van bredere problematiek kunnen signaleren. Daarnaast is er voor energiehulpen een Ontwikkelpad Energiehulp gerealiseerd dat inzichtelijk maakt hoe mensen kunnen instromen als energiefixer of energiecoach, welke ontwikkelmogelijkheden er zijn en welke doorstroommogelijkheden er bestaan naar functies binnen de sectoren van de techniek, bouw en energie. Dit draagt bij aan de duurzame inzetbaarheid van energiehulpen.
Ook de ontwikkeling van energiehuizen raakt aan opbouwwerk. In de Kamerbrief over het Sociaal Klimaatplan26 is toegelicht hoe energiehuizen eruit komen te zien. Bij een energiehuis kunnen bewoners en organisaties (mkb, maatschappelijk vastgoed) straks terecht voor eenduidige informatie en ondersteuning bij het verduurzamen van hun woning of gebouw. Energiehuizen zullen proactief huishoudens en ondernemers die hulp nodig hebben benaderen en hen begeleiden om te starten met energiebesparende maatregelen.
31.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen dat
initiatieven waarbij mensen ‘achter de voordeur’ komen en bewoners
begeleiden en adviseren over verduurzaming regelmatig kampen met
tijdelijke financiering. Acht de minister het verstandig dat deze
financiering een meer structurele vorm krijgt? Kan de minister concreet
aangeven hoe wordt gestimuleerd dat initiatieven en wijken en gemeenten
van elkaar leren? Hoe wordt er concreet voor zorg gedragen dat, in lijn
met het NKP-advies, succesvolle onderdelen van het Nationaal Programma
Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) worden uitgebreid naar andere
kwetsbare wijken?
Antwoord
Initiatieven ‘achter de voordeur’ betekent vaak ondersteuning van
energiehulp, ofwel energiecoaches en -fixers. In de vraag wordt
gesproken over tijdelijke financiering, waarbij waarschijnlijk wordt
gedoeld op de SPUK Aanpak Energiearmoede en daaraan voorafgaand de RRE
en RREW-regeling. De SPUK Aanpak Energiearmoede is in het licht van de
energiecrisis in drie tranches sinds 2022 verstrekt aan gemeenten om
energiearmoede aan te pakken bij kwetsbare huishoudens. Het gaat hier om
550 miljoen euro die in circa 6 jaar wordt uitgegeven met als laatste
jaar 2027. In de afgelopen jaren zijn er veel lokale
energiehulporganisaties zoals energiecoach- en fix-organisaties
opgebouwd en die willen weten of en hoe hun werk voortgezet kan gaan
worden.
Het kabinet vindt het aanpakken van energiearmoede verstandig en de baten op verduurzaming en gezondheid blijken uit studies van TNO27. Om die reden maakt dit deel uit van de aanvraag voor het Europese Social Climate Fund waar het onderwerp Energiehuis is opgenomen, waar energiecoaches en -fixers deel van uitmaken. In de conceptindiening is 180 miljoen euro opgenomen voor het inrichten van het energiehuis om als eerste kwetsbare huishoudens te kunnen ondersteunen met energiecoaches en -fixers, voor een looptijd van vijf jaar. De beoordeling en definitieve vaststelling volgen nog. Daarbij is het aan het volgende kabinet om het langjarig perspectief voor deze sector te schetsen en eventuele budgetten beschikbaar te maken voor het volledig en structureel in te richten van het energiehuis t/m 2050 volgens de richtlijnen van de EPBD IV.
Het leren van elkaar wordt op een aantal manieren gestimuleerd. Gemeenten worden ondersteund door het NPLW. Vanaf 1 januari is het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgericht, door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met ondersteuning van TNO, om kennis en kunde op te doen en te verspreiden. Lokale organisaties worden ondersteund door het Actienetwerk Energiehulp, dat door de Energiebank en Fixbrigade is opgericht. Milieu Centraal heeft het Energiehulpnetwerk dat kennis en kunde verspreid naar organisaties en gemeenten over hoe energiehulp goed kan landen bij diverse doelgroepen. En als de Social Climate Fund aanvraag wordt goedgekeurd zit daar ook een nationale structuur in om kennis en kunde meer gestroomlijnd te verspreiden. Binnen het NPLV zijn diverse wijken actief op dit thema, vaak gebruikmakend van de middelen uit de SPUK Aanpak Energiearmoede. Zij delen kennis met elkaar hierover, via bijvoorbeeld een Community of Practice, hoe in deze wijken met multiproblematiek ondersteuning kan worden geboden. Uit de afgeronde City Deal energieke wijken is eveneens gebleken dat extra ondersteuning en ontzorging van bewoners in kwetsbare wijken nodig is en goede resultaten kan opleveren. Momenteel wordt verkend of een City Deal energiearmoede, gezondheid en verduurzaming hieraan een vervolg kan geven.
32.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het NKP adviseert om
rechtvaardigheid stevig te verankeren in het lokale energiesysteem. Deze
leden zien nog een uitdaging om juist mensen met beperkte middelen te
ondersteunen om hier aan deel te nemen en van te profiteren. Welke
concrete maatregelen worden genomen om energiedelen te stimuleren? Hoe
wordt concreet gestimuleerd dat ook huurders en kwetsbare huishoudens
daarbij worden betrokken? Welke rol kunnen buurtbatterijen daarbij
spelen, en kan de minister aangeven wat de voortgang is van de uitrol
van buurtbatterijen en hun rol in energiedelen? Door de beëindiging van
de salderingsregeling bieden zonnepanelen voor veel huurders geen
voordeel meer, en voor sommigen juist een kostenpost. Hoe worden
zonnepanelen voor (sociale) huurders aantrekkelijk gehouden?
Antwoord
Energie delen voor afnemers met dezelfde energieleverancier is mogelijk
op basis van de Energiewet. Met het wetsvoorstel voor de implementatie
van het EU Electricity Market Design (EMD)-pakket wordt ook energie
delen met vrije leverancierskeuze mogelijk gemaakt. Hiermee zal het
delen van energie in beginsel eenvoudiger en voor meer mensen bereikbaar
worden.
De Kamer is over de voortgang van de aanpak rond batterijen in december geïnformeerd door de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat28.
Zoals in de Kamerbrief over de rol van energiegemeenschappen in het energiesysteem29 is benoemd, verkent het kabinet momenteel de voortzetting van het Local4Local-programma met ondersteuning voor het verder ontwikkelen van pilots naar volwassen multicommodity-energiehubs of -energiegemeenschappen. Collectieve energieopslag in combinatie met zonne-energie kan onderdeel zijn van het vervolg van dit Local4Local-programma.
Voor zonnepalen op huurwoningen is op verzoek van de Tweede Kamer, na de behandeling van het wetsvoorstel rond de beëindiging van de salderingsregeling aanvullend onderzoek gedaan in samenwerking met de sector, waaruit blijkt dat zonnepanelen voor huurders net als voor mensen met koopwoningen na 2027 minder rendabel zijn. Het onderzoek benoemt de mogelijkheid om de doorberekende servicekosten voor de zonnepanelen te beperken. Een dergelijke maatregel vereist echter financiële compensatie voor de verhuurders. Het kabinet heeft niet voor deze route gekozen. Specifiek voor servicekosten wordt nu een wijziging van de regelgeving voorbereid. Na kritiek vanuit diverse maatschappelijke partijen over de gevolgen is het aanvankelijke voorstel om hierbij een wettelijk maximum te stellen voor de servicekosten die met zonnepanelen samenhangen geschrapt. Tot slot kunnen zonnepanelen weer rendabeler worden indien huurders het eigen verbruik verhogen. Hier wordt voor zowel huurders als andere huishoudens met zonnepanelen op ingezet. Zo is in 2025 een landelijke informatiecampagne door Milieu Centraal opgezet, waarbij onder andere via diverse media en online mensen informatie en praktische tips krijgen om zelf opgewekte zonnestroom zo efficiënt mogelijk te gebruiken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
33.
De leden van de CDA-fractie merken op dat waterstof, zowel groen als
blauw, een belangrijke rol speelt in het verduurzamen van de industrie.
De kosten voor groene waterstof zijn momenteel echter nog hoog.
Koolstofarme (blauwe) waterstof uit restgassen of aardgas in combinatie
met CO2-afvang (CCS) biedt een meer betaalbare route voor
CO2-reductie en kan dienen als overbrugging tot de markt voor
groene waterstof verder is ontwikkeld. Er bestaan nog wel de nodige
belemmeringen voor de inzet van blauwe waterstof. Momenteel stimuleert
het beleid de overstap naar blauwe waterstof nog niet voldoende, en in
sommige gevallen wordt deze juist ontmoedigd. Zo is de Stimulering
Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) nu zo ingericht
dat alleen het kostprijsverschil tussen grijze en blauwe waterstof wordt
vergoed, en niet tussen blauwe waterstof en aardgas. Een aanpassing
hiervan zou het makkelijker maken voor aardgasgebruikers om over te
stappen op blauwe waterstof.
De leden van de CDA-fractie vragen de minister op welke manier de SDE++ regeling volgens haar het overstappen van aardgas naar blauwe waterstof meer zou kunnen stimuleren en welke aanpassingen van de SDE++ zij daarvoor noodzakelijk en haalbaar acht.
Antwoord
Het PBL adviseert jaarlijks over de categorieën in de SDE++. Onderdeel
van dit advies is een berekening van de onrendabele top en de
CO₂-reductie, waarbij bijvoorbeeld ook wordt gekeken naar welke inzet
van fossiele brandstof wordt voorkomen door een project. Het is in
beginsel aan het PBL om te adviseren over wat hierbij het meest passend
is, op basis van de jaarlijkse marktconsultatie: oftewel wat bedrijven
zelf aanleveren aan informatie over wat voor CO2-reductie hun
project zal realiseren door de vervanging van welke fossiele brandstof.
Het PBL kijkt in het advies over de SDE++ 2026 naar nieuwe
categorieën voor CCS met de omzetting van restgassen in koolstofarme
waterstof. De Tweede Kamer wordt hierover naar verwachting op korte
termijn geïnformeerd. In de nieuwe marktconsultatieronde, die komend
voorjaar van start gaat, kunnen marktpartijen met concrete
projectvoornemens zich melden bij het PBL voor de relevante
CCS-categorieën, waar ook koolstofarme waterstofprojecten onder
vallen.
34.
De leden van de CDA-fractie constateren dat met de Routekaart
Koolstofverwijdering een belangrijke eerste stap wordt gezet richting de
grootschalige toepassing van koolstofverwijderingstechnieken. Om de
doelen en tijdslijnen uit deze routekaart binnen bereik te houden, is
het wel nodig om ook op korte termijn de vertaling te maken naar een
uitvoeringsagenda. Deze leden vragen de minister hoe en op welke termijn
de Routekaart Koolstofverwijdering zal worden uitgewerkt tot een
concrete uitvoeringsagenda met duidelijke mijlpalen, zodat de routekaart
ook houvast biedt voor de uitvoering en voor
investeringsbeslissingen.
Antwoord
Met de uitvoering van enkele onderdelen in de Routekaart
Koolstofverwijdering is reeds een aanvang gemaakt. Zo is er binnen het
klimaatwetenschappelijk panel van de Verenigde Naties (IPCC)
onderhandeld over het opstellen van een methodologisch rapport voor het
rapporteren van koolstofverwijdering via verschillende technieken. Op
Europees niveau werkt het kabinet aan de vormgeving van het
klimaatbeleid richting 2040 waaronder de rol van koolstofverwijdering.
Daarnaast is, na toewijzing van middelen uit het Klimaatfonds, de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) recent gestart met het
Innovatieprogramma voor koolstofverwijdering. Het eventueel verder
opstellen van een uitvoeringsagenda is aan een volgend kabinet.
35.
De leden van de CDA-fractie merken op dat er vanuit de sector wordt
gepleit om in aanvulling op de Routekaart Koolstofverwijdering ook een
aparte routekaart voor Carbon Capture and Utilisation (CCU) op te
stellen. Zij vragen de minister hoe zijn aankijkt tegen dat pleidooi en
welke mogelijkheden zij daarvoor ziet.
Antwoord
Carbon Capture and Utilisation (CCU) omvat diverse vormen van “nuttig
gebruik” van CO2 voor diverse sectoren. Het omvat
bijvoorbeeld gebruik voor de productie van brandstoffen en materialen,
gebruik als meststof voor de glastuinbouw alsook de vastlegging van
CO2 in bouwmaterialen als beton of in gesteenten
(mineralisatie).
In de Visie Duurzame Koolstof voor de Chemische industrie is toegelicht dat er een rol is voor CCU als duurzame koolstofbron, in aanvulling op secundaire en biogrondstoffen, om het gebruik van fossiele koolstof te minimaliseren. Voor de ontwikkeling van die route werkt het ingestelde sectorbestuur Chemie en Materialen samen met ChemistryNL aan een innovatieagenda die het opschalen van CCU-technologie in Nederland en Europa moet ondersteunen. In de aangekondigde Visie brandstoffen en chemiegrondstoffenproductie wordt uitgeweid over de potentie van CCU voor brandstoffenproductie in Nederland. Daarnaast gaat het kabinet in het Actieplan verbeteren externe randvoorwaarden Energietransitie Glastuinbouw in op de rol van CCU voor de glastuinbouw en is één van de acties een overleg op te zetten tussen sectoren die een CO2-behoefte hebben om de vraagkant van niet-fossiele CO2 te bundelen en af te stemmen. In de Routekaart Koolstofverwijdering is tot slot ook aandacht voor de koolstofverwijderingsroutes waarbij CCU wordt toegepast om CO2 (semi-)permanent vast te leggen, zoals mineralisatie. Omdat CCU voor verschillende toepassingen niet in isolement moet worden bezien, bekijkt het kabinet de vele reeds lopende trajecten in samenhang en is er op dit moment geen noodzaak om een aparte routekaart voor CCU op te stellen. Het kabinet onderschrijft de Nederlandse kansen op het gebied van CCU-technologie en blijft met de sector in gesprek hoe deze te benutten.
36.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Wetenschappelijke
Klimaatraad al in juli 2024 adviseerde om een door de Nederlandse
overheid geleid inkoopprogramma voor permanente
CO2-verwijdering te starten, waarmee voor 2035 ervaring kan
worden opgedaan met diverse methoden van CO2-verwijdering in
Nederland. Deze leden vragen de minister hoe zij invulling heeft gegeven
en/of zal geven aan deze aanbeveling.
Antwoord
In de Routekaart Koolstofverwijdering wordt het belang van een
inkoopprogramma voor de vroege opschaling van het aanbod van
koolstofverwijdering onderkend. Daarbij wordt echter aangegeven dat het
effectiever is om een dergelijk inkoopprogramma op Europese schaal op te
zetten, omdat dit meer slagkracht heeft en een opstap kan vormen voor
een latere koppeling van koolstofverwijdering aan het
emissiehandelssysteem. Het is aan een volgend kabinet om te bezien of
het wenselijk is om ook nationaal een vorm van een inkoopprogramma op te
zetten.
37.
De leden van de CDA-fractie constateren dat CCU momenteel voor
afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) en de glastuinbouw de enige
realistische manier is om CO₂ op een betaalbare wijze beschikbaar te
houden voor verdere verduurzaming. De inzet van CCU in de glastuinbouw
staat echter onder druk vanwege het feit dat de Nederlandse
Emissieautoriteit (NEa) de Europese regels op dit gebied zodanig
interpreteert dat een zogenaamde bioswap – waarmee seizoenswisselende
CO₂-vraag van telers kan worden opgevangen – niet is toegestaan. Deze
leden vragen de minister toe te lichten hoe kan worden voorkomen dat
deze strikte uitleg van de regels ertoe leidt dat de verduurzaming van
AVI’s en glastuinbouw wordt belemmerd. Zij vragen de minister tevens toe
te lichten wat de mogelijke gevolgen zijn voor het behalen van de
klimaatdoelen voor 2030 als deze toepassing van CCU onmogelijk of
onhaalbaar wordt.
Antwoord
Een juridische analyse van de toepasbaarheid van de
CO2-toedeling (ook wel “bioswap”) geeft aan dat een
administratieve verrekening over seizoenen of soorten stromen (biogene
of fossiele CO2) vanwege Europese regelgeving op dit moment
niet mogelijk is. Levering van CO2 aan de glastuinbouw kan
wel, maar indien in een transportmiddel CO2 van gemengde
fossiele en biogene oorsprong aanwezig is, wordt diezelfde verhouding
afgeleverd bij de tuinder en moet over het fossiele aandeel worden
betaald via de CO2-heffing of inkoop van ETS-rechten. In het
verslag Milieuraad 16 december jl. en het schriftelijk overleg
Milieuraad daaraan voorafgaand, is de Kamer geïnformeerd dat de
staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en
de minister van Klimaat en Groene Groei de Kamer in het eerste kwartaal
van 2026 nader zullen informeren 30. Het wegnemen van
onzekerheid is voor de investeringskeuzes van onder andere
afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) relevant om vertraging in
verduurzaming te voorkomen. Het is nog onduidelijk of en hoe snel ruimte
kan worden gevonden. Momenteel ligt de juridische analyse voor bij de
Europese Commissie. Daarnaast wordt er beleidsmatig door LVVN en KGG
navraag gedaan bij de Europese Commissie of en hoe ruimte kan worden
gevonden voor een administratief sluitende oplossing ten behoeve van de
toepassing van gemengde stromen zoals die van AVIs en verrekening over
de seizoenen.
De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de mogelijke gevolgen voor het behalen van de klimaatdoelen voor 2030. Verminderde beschikbaarheid van externe CO2 voor de glastuinbouw zal schaarste en waarschijnlijk een hogere marktprijs voor CO2 tot gevolg hebben. Tuinders zullen hun afwegingen maken of zij de beperkt beschikbare externe CO2 willen afnemen, andere bronnen van CO2 aanboren en/of CO2 besparen door zuinige doseerstrategieën (zie onderzoek van de WUR). Een hogere prijs voor externe CO2 maakt tuinders mogelijk terughoudend in investeringen in duurzame warmtebronnen zoals geothermie. Tegelijkertijd zullen ze hun CO2-uitstoot moeten verminderen om te voldoen aan de klimaatdoelen van de sector en maakt het CO2-tarief voor de glastuinbouw CO2 uitstoten ook duurder. AVI’s lijken er, in het geval administratieve verrekening van CO2 van fossiele en biogene oorsprong niet is toegestaan, de voorkeur aan te geven om hun volledige biogene en fossiele emissie op te slaan in CCS. Daarmee kunnen ze de kosten van de nationale CO2 heffingen en op termijn ETS volledig voorkomen (gecombineerd gebruik van de OCAP CO2 leiding voor gemengde stromen moet dan wel mogelijk zijn). Daarom is Nederland in overleg met de Europese Commissie.
38.
De leden van de CDA-fractie vragen de minister tevens of zij bereid is
om met de NEa en eventueel met de Europese Commissie in gesprek te gaan
over de interpretatie van de regels rond gemengde CO₂-stromen, zodat
afname van deze mengstroom door de glastuinbouw mogelijk blijft.
Antwoord
De staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
en de minister van Klimaat en Groene Groei zijn reeds in contact met de
NEa en de Europese Commissie over de regels rond gemengde
CO2-stromen. Zie antwoord vraag 37.
39.
De leden van de CDA-fractie zien dat het Aramis-project van groot belang
is voor de Nederlandse CCS-infrastructuur en afhankelijk is tijdige
instroom van CO₂-leveranciers en afnemers. De AVI’s behoren tot de
weinige partijen met een concreet perspectief op CO₂-afvang op korte
termijn en hebben in 2025 SDE++-subsidie aangevraagd. Deze leden vragen
de minister hoe zij de voortgang en planning van Aramis beoordeelt,
gezien het uitstel van de investeringsbeslissing tot 2027 en hoe de
minister aankijkt tegen de rol van AVI’s als potentiële leveranciers van
CO₂ binnen het project. Zij vragen de minister met name te reageren op
het belang van nog dit jaar door de AVI’s te nemen
investeringsbeslissingen. Welke stappen worden er gezet om dat mogelijk
te maken? Hoe beoordeelt de minister het risico dat onzekerheid het
CO₂-aanbod en de businesscase van Aramis zullen schaden? Hoe wordt
omgegaan met mogelijke kostenstijgingen voor CO₂-leveranciers?
Antwoord
Aramis ligt vooralsnog op schema om in 2027 een investeringsbeslissing
te nemen, mits tijdig voldoende CO₂-volumes worden gecontracteerd. AVI’s
spelen hierbij een belangrijke rol, maar zijn niet de enige
leveranciers. Het is essentieel dat AVI’s tijdig investeren in
CO₂-afvang, in goede afstemming met Aramis, zodat de gehele keten op
tijd kan worden gerealiseerd.
Omdat de onzekerheid over het CO₂-aanbod van AVI’s onwenselijk is wordt er gezocht naar oplossingen die AVI’s voldoende investeringszekerheid bieden en investeringen in CCS mogelijk maken, zodat de sector kan verduurzamen. Dit is onder meer vastgelegd in de intentieverklaring investeringszekerheid, die op 22 oktober jl. aan de Kamer is gestuurd na overleg met de AVI-sector in de werkgroep afvalsector.
Omdat het kabinet de realisatie van CO₂-infrastructuur op de Noordzee
cruciaal acht, is afgelopen jaar toegezegd een deel van het
vollooprisico van Aramis af te dekken, waarmee een belangrijk
ketenrisico is weggenomen. Daarnaast zijn passende SDE++-subsidies van
groot belang. Het PBL adviseert het ministerie ieder jaar over de
actuele onrendabele top van CO2-reducerende technieken, zoals
CCS. Het advies van het PBL over de 2026-ronde van de SDE++ wordt nog in
dit kwartaal verwacht en met de Kamer gedeeld.
40.
De leden van de CDA-fractie merken op dat Bioenergy with Carbon Capture
and Storage (BECCS) een substantiële bijdrage kan leveren aan
koolstofverwijdering en daarnaast van belang zal zijn voor de
beschikbaarheid van flexibele elektriciteit en de verdere ontwikkeling
van de Nederlandse CCS-infrastructuur. Zij vragen de minister hoe zij de
rol van BECCS ziet binnen het Nederlandse klimaat- en energiebeleid en
in hoeverre zij in de huidige cap van 100 MW voor het stimuleren van
BECCS een belemmering ziet voor de bijdrage van BECCS aan
koolstofverwijdering, flexibiliteit in het elektriciteitssysteem en het
behalen van de klimaatdoelen.
Antwoord
BECCS kan, mits goed ingepast en met strikte duurzaamheidscriteria, een
bijdrage leveren aan het Nederlandse energiesysteem en aan
koolstofverwijdering. Op dit moment wordt alleen BECCS tot 100 MW
gesubsidieerd via de SDE++. Door deze cap komen grote
biomassa-energiecentrales boven dit volume, zoals de (voormalig)
kolencentrales, niet in aanmerking voor SDE++-subsidie. Dergelijke grote
centrales kunnen meer energie en koolstofverwijdering leveren. Ze vragen
ten opzichte van kleinere centrales meer subsidiebudget en vraag naar
duurzame biogrondstoffen. Besluitvorming over BECCS en de volumes
daarvan is aan het nieuwe kabinet.
41.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er na 2030 naar verwachting
een reëel en toenemend risico ontstaat op tijdelijke
elektriciteitstekorten. Zij vragen de minister hoe zij in dat kader
aankijkt tegen het langer openhouden van bestaande gascentrales en onder
welke voorwaarden en voor welke periode dat eventueel mogelijk zou
kunnen zijn. Deze leden wijzen erop dat er in het Actieplan Toekomst
Kolencentrales uit 2023 door de CDA-fractie een aantal suggesties is
gedaan met betrekking tot de rol die bestaande kolencentrales en/of de
locaties en aansluitingen van deze centrales kunnen spelen in het
elektriciteitssysteem van de toekomst. Deze zouden na 2030 als er geen
kolen meer in mogen worden verbrand kunnen worden benut voor
CO2-neutrale energieproductie via bijvoorbeeld BECCS, Small
modular reactors (SMR’s) of waterstofgascentrales.
Antwoord
Het kabinet zal de Kamer in de eerste helft van 2026 informeren over de
specifieke wijze waarop na 2030 de leveringszekerheid geborgd zal
worden31. Besluitvorming hierover is aan het
nieuwe kabinet. Een maatregel in de vorm van een capaciteitsmechanisme
kan ook gascentrales stimuleren langer open te blijven. Omdat een
capaciteitsmechanisme techniekneutraal moet worden ingericht, kunnen ook
CO2-neutrale energieproductietechnieken meedingen, die in de
toekomst mogelijk de plek van kolen innemen.
42.
De leden van de CDA-fractie vragen de minister welke concrete stappen er
tot nu toe zijn gezet om de vier kolencentrales of hun locaties
beschikbaar te houden voor CO2-neutrale
elektriciteitsproductie na 2030. Hoe kijkt de minister naar de
mogelijkheden voor de toepassing van BECCS op één of meerdere van deze
centrales?
Antwoord
Het is aan de eigenaren van de locaties om te kijken naar toekomstige
ontwikkelingen van die locatie inclusief de opties voor verduurzaming.
Het staat de eigenaren vrij om op basis van biomassa verder te gaan,
zoals de Amercentrale nu ook doet. Er is geen verbod op BECCS en wanneer
de productie van energie en opslag van (biogene) CO2
voldoende winstgevend zijn, kan een BECCS-centrale privaat tot stand
komen. BECCS kan, mits goed ingepast en met strikte
duurzaamheidscriteria, een bijdrage leveren aan het Nederlandse
energiesysteem en aan koolstofverwijdering. Op dit moment wordt BECCS
tot een grens van 100 MW gestimuleerd in de SDE++. In 2026 wordt het
Nationaal Plan Energiesysteem geactualiseerd. Besluitvorming over BECCS
en de volumes daarvan is aan het nieuwe kabinet.
43.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de SDE++ momenteel vooral
selecteert op de laagste korte-termijn kostprijs. Technieken zoals CCU
en Direct Air Carbon Capture and Storage (DACS) komen daardoor vaak
onvoldoende aan bod, ondanks dat deze op de lange termijn
kosteneffectief zijn, grote systeembaten hebben en kansen bieden voor de
Nederlandse (maak)industrie en op het gebied van strategische autonomie.
Vanuit de sector wordt daarom geopperd om net als bij groene waterstof
een apart budget (hekje) binnen SDE++ in te stellen om DACS
kosteneffectief op te schalen. Deze leden vragen de minister in hoeverre
zij deze mogelijkheid overweegt en/of welke andere mogelijkheden zij
ziet om innovatieve technieken zoals DACS meer te stimuleren.
Antwoord
De SDE++ is ontworpen om op een kosteneffectieve manier CO₂ te
reduceren. Een belangrijk uitgangspunt om dat te bereiken is dat er
voldoende concurrentie plaatsvindt. De hekjes binnen de SDE++ hebben als
doel om technieken beter aan bod te laten komen die een hogere
subsidie-intensiteit hebben, maar die van belang zijn voor een
kosteneffectieve energietransitie op de langere termijn. Het is echter
wel belangrijk dat er ook binnen de hekjes sprake is van voldoende
concurrentie. Om die reden zijn er voor de hekjes vijf domeinen
ingericht. Voor drie domeinen (lagetemperatuurwarmte,
hogetemperatuurwarmte en moleculen) wordt een hekje daadwerkelijk
toegepast. Voor de twee andere domeinen (hernieuwbare elektriciteit,
CCS/CCU) niet, omdat technieken uit deze domeinen ook zonder hekje
voldoende aan bod komen. Voor DAC geldt dat deze als techniek het beste
past bij het domein waar ook CCS en CCU in zit. Het creëren van een
hekje hiervoor zou, gezien de hoeveelheid aanvragen voor CCS, het
beperkt beschikbare budget binnen het hekje en de momenteel lagere
subsidie-intensiteit van CCS, betekenen dat DAC waarschijnlijk niet aan
bod zou komen binnen een dergelijk hekje. Het creëren van een nieuw
hekje vergt staatssteungoedkeuring door de Europese Commissie. Het
kabinet ziet daar momenteel geen mogelijkheden voor.
RVO is recent gestart met het Innovatieprogramma voor koolstofverwijdering32. Hierin wordt onder meer via subsidies ondersteuning gegeven aan het ontwikkelen en uittesten van diverse technieken voor koolstofverwijdering, waaronder het direct afvangen van CO2 uit de atmosfeer.
44.
De leden van de CDA-fractie constateren dat woningbouwprojecten vaak een
lange doorlooptijd kennen en pas laat in het proces een netaansluiting
aan kunnen vragen. Door de wijziging van het prioriteringskader van de
Autoriteit Consument & Markt (ACM) mogen netbeheerders geen
netruimte meer reserveren voor toekomstige woningbouw. Daardoor krijgen
projecten die nog niet ver genoeg zijn, geen voorrang meer: alle
beschikbare netruimte kan inmiddels al zijn toegekend, ook aan
niet-prioritaire sectoren. Deze projecten moeten dan wachten tot het
elektriciteitsnet is verzwaard.
Deze leden vragen de minister of zij erkent dat de lange doorlooptijd van woningbouw hierdoor een extra risico vormt voor toegang tot het net en daarmee kan bijdragen aan toenemende woningnood. Hoe kijkt de minister tegen de mogelijke oplossing die vanuit de woningbouwsector wordt geopperd om binnen het jaarlijks toe te wijzen transportvolume per maatschappelijke categorie vaste reserveringen aan te brengen, zodat woningbouw altijd een gegarandeerde kans houdt op netruimte? Welke voor- en nadelen ziet de minister bij het binnen de prioriteringscategorieën instellen van een minimale reserveringsruimte voor woningbouw?
Antwoord
Woningbouw kent inderdaad lange doorlooptijden. Het is daarom belangrijk
voor woningbouwprojecten dat zij vroegtijdig duidelijkheid krijgen over
de aanwezigheid van voldoende transportcapaciteit op het
elektriciteitsnet en hier ook zekerheid over krijgen. Het
prioriteringskader van de ACM, waarin onder andere woningbouw een
prioritaire status heeft, geeft daarom ruimte aan gemeente om voor
woningbouwprojecten vroegtijdig -en jaren eerder dan nu het geval is- in
het proces transportcapaciteit en prioriteit aan te vragen bij de
netbeheerders. Dit geeft woningbouwprojecten vroeg in het proces
duidelijkheid over of zij kunnen worden aangesloten op het net en houdt
dus rekening met het planproces van woningbouw. Deze nieuwe werkwijze
van eerder aanvragen zal ook inzet vragen van gemeente en de bouwsector.
Gezamenlijk met onder andere de VNG, IPO, VRO, NBNL en ACM wordt daarom
gewerkt aan de precieze uitwerking hiervan. Tot 1 juli zal de werkwijze
waarbij kleinverbruikers aanspraak kunnen maken op gereserveerde ruimte
blijven gelden. Na 1 juli wordt de gereserveerde ruimte afgebouwd. Tot 1
januari 2027 is de ruimte alleen beschikbaar voor prioritaire partijen,
waaronder woningbouw. Het uitgangspunt is dat na 1 januari 2027 de
nieuwe werkwijze, inclusief eerder aanvragen, volledig is
geïmplementeerd.
Wat betreft het voorstel voor vaste reserveringen: omdat reserveringen gebaseerd zijn op schattingen kan dit tot gevolg hebben dat er te veel of te weinig wordt gereserveerd. Als er te veel wordt gereserveerd heeft dit tot gevolg dat er capaciteit onnodig ongebruikt blijft terwijl mogelijk andere prioritaire partijen op in de wachtrij staan. Als er te weinig wordt gereserveerd komen projecten er pas in een laat stadium achter dat er niet voldoende capaciteit is op het net. Het kabinet geeft daarom de voorkeur aan de mogelijkheid die wordt geboden aan woningbouwprojecten om vroeg in het proces capaciteit en prioriteit aan te vragen. Dit is in feite een vorm van reserveren van transportcapaciteit, maar dan door gemeenten zelf en met meer zekerheid, met als voordeel dat transportcapaciteit niet onnodig wordt gereserveerd.
45.
De leden van de CDA-fractie merken op dat industriële bedrijven die hun
productieproces willen verduurzamen met procesgeïntegreerde warmtepompen
in de praktijk tegen beperkingen aanlopen binnen de SDE++. Deze
projecten zijn namelijk geen standaardinstallaties, maar ingrijpende
procesaanpassingen waarbij meerdere nieuwe onderdelen samenkomen. De
prestaties, kosten en het aantal draaiuren verschillen daardoor sterk
per bedrijf, omdat de SDE++ met vaste aannames en vooraf vastgestelde
categorieën voor het aantal draaiuren werkt sluiten de berekeningen vaak
niet aan bij de werkelijkheid. In veel gevallen zijn de werkelijke
prestaties en CO₂-besparingen hoger dan waar de regeling van uitgaat,
terwijl het subsidiebedrag juist lager uitvalt. Dit kan ertoe leiden dat
rendabele verduurzamingsprojecten alsnog financieel onhaalbaar worden.
Deze leden vragen de minister of zij bekend is met deze problematiek en
of zij bereid is te onderzoeken of en hoe de SDE++ kan worden aangepast,
zodat bij industriële warmtepompprojecten wordt uitgegaan van
projectspecifieke kenmerken, zoals de daadwerkelijk gerealiseerde
Coëfficiënt of Performance (COP) en het werkelijke aantal draaiuren, in
plaats van vaste referentiewaarden?
Antwoord
Het kabinet is bekend met de problematiek. De SDE++ is een generiek
instrument, waarbij het streven is dat techniekcategorieën passend zijn
voor het merendeel van de projecten. Voor nieuwe techniekcategorieën is
er vaak nog weinig informatie beschikbaar, waardoor er een groter risico
is op onder- of overstimulering.
De SDE++ leent zich niet voor project-specifieke stimulering. De tendersystematiek gaat uit van vooraf bepaalde waarden, zodat alle projecten op basis van subsidie-intensiteit met elkaar concurreren. Deze waarden kunnen niet achteraf worden aangepast. Bovendien is de administratieve last te groot om voor elke procesgeïntegreerde warmtepomp de project-specifieke warmtebesparingscoëfficient te meten en te controleren.
Procesgeïntegreerde warmtepompen zijn door de complexiteit en diversiteit van de processen lastiger in te passen in de generieke SDE++-regeling. In nauwe samenwerking met de sector, PBL en RVO is het toch gelukt om deze categorie in 2024 open te stellen. Nadat er in 2024 geen aanvragen in deze categorie zijn ingediend, is in overleg met marktpartijen gezocht naar mogelijke knelpunten. Dit heeft geleid tot concrete verbetermaatregelen. Voor de SDE++ 2025 is daarom een extra subcategorie toegevoegd (5.000 vollasturen). Daarnaast is voor deze ronde de minimaal benodigde COP-waarde verlaagd naar 2.5 (was 3.0), waardoor projecten eerder voor subsidie in aanmerking komen. In de openstellingsronde van 2025 zijn twee aanvragen ingediend, met een totaal vermogen van 52 MW. Met meer project-specifieke informatie uit de markt kan het kabinet deze categorie verder ontwikkelen en waar mogelijk verbreden en verdiepen, zoals zij ook met andere elektrificatiecategorieën heeft gedaan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
46.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
aangaande de publicaties van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en de
Universiteit van Amsterdam (UvA) over het verbieden van fossiele
reclames. Zij zijn faliekant tegen een verbod op fossiele reclame.
Volgens de artikelen is een nationaal verbod op fossiele reclame
juridisch mogelijk. Ook een Europees verbod kan onder voorwaarden ook
juridisch mogelijk zijn. De artikelen geven fossiele reclame de volgende
definitie: ‘reclame voor fossiele brandstoffen en andere koolstof
intensieve producten’. Wat is volgens de minister de definitie van
fossiele reclame en welke producten en/of diensten vallen hieronder?
Deelt de minister de mening van de auteurs van de publicaties dat een
verbod op fossiele reclame juridisch mogelijk is? Hoe gaat de minister
opvolging geven aan de kabinetsreactie op de artikelen?
Antwoord
Op verzoek van de Kamer heeft het kabinet reeds eerder een uitgebreide
appreciatie gegeven33 van de genoemde wetenschappelijke
artikelen. Conclusie van deze appreciatie is dat het eventueel instellen
van een verbod op fossiele reclame juridisch gezien niet per definitie
onmogelijk is, hetgeen ook de auteurs in de twee wetenschappelijke
artikelen betogen. De uitdaging voor het eventueel implementeren van een
verbod ligt in het feit dat dit in lijn met verdragsrechtelijke
verplichtingen op proportionele, robuuste en effectieve wijze moet
kunnen worden toegespitst, afgebakend en onderbouwd.
Het begrip fossiele reclame kent geen vastomlijnde definitie en dat maakt het debat, maar ook het onderzoek naar de juridische haalbaarheid van een verbod, ingewikkeld. In diverse publicaties en studies over fossiele reclame wordt een verbod op fossiele reclame zeer breed en ook verschillend gedefinieerd. Opvallend is dat de auteurs van de twee artikelen zelf ook verschillende definities van fossiele reclame hanteren. Een heldere afbakening van een verbod is essentieel voor het bepalen van de juridische randvoorwaarden. Een breed vormgegeven reclameverbod heeft bijvoorbeeld potentieel invloed op uiteenlopende producten en diensten waarvoor verschillende Europeesrechtelijke kaders kunnen gelden. Een breed reclameverbod maakt de hoeveelheid aan mogelijk te toetsen relevante EU-regels dus ook groot.
Behalve deze definitie- en afbakeningskwestie maakt het ontbreken van jurisprudentie op dit thema het ook lastig om nauwgezet aan te geven onder welke voorwaarden een nationaal verbod juridisch houdbaar is. Het EHRM en het EU-Hof hebben nog geen uitspraken gedaan over een fossiel reclameverbod.
47.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Klimaatplan
2025-2035. De leden staan er positief tegenover dat het klimaatplan
meerdere keren benoemt dat inzetten op kernenergie cruciaal is en dat
kernenergie een onmisbare schakel moet worden in de elektriciteitsmix.
In de SMR-strategie liet het kabinet weten dat grotere projecten en
centrales de komende jaren de focus hebben en dat SMR’s pas in
toekomstscenario’s betrokken worden. Blijft de inzet van het kabinet wat
SMR’s onveranderd, ondanks de inzet op kernenergie in het klimaatplan?
Hoe reageert de minister op het nieuws dat de gemeente Opmeer in Allseas
een ontwikkelaar heeft gevonden voor een SMR34?
Deelt de minister de mening dat de positie van centrale overheden voor
de ontwikkeling en ambitie met kernenergie en SMR’s zoveel mogelijk
versterkt en ondersteund moet worden?
Antwoord
Een toekomstbestendig energiesysteem is schoon, onafhankelijk,
betrouwbaar en betaalbaar. Kernenergie, als stabiele en schone
energiebron, is daarmee een noodzakelijke pijler in het Nederlandse
energiesysteem. Voor het vergroten van kernenergie in de energiemix
wordt in de eerste plaats gekeken naar de bouw van grootschalige
kerncentrales. Met een gezamenlijk vermogen van circa 2.300 tot 3.300 MW
kunnen twee nieuwe conventionele centrales volgens het rapport
“Systeemkostenanalyse kernenergie” van TNO circa 8 tot 10% bijdragen aan
de verwachte elektriciteitsmix in 204035.
Het kabinet ziet voor de conventionele kerncentrales een publieke
invulling, en neemt daarom een leidende rol in de financiering en de
bouw als initiatiefnemer.
SMR’s kunnen gericht worden ingezet voor private doeleinden tussen een aanbieder en afnemer, zoals bijvoorbeeld de koppeling van een SMR aan de warmtevraag binnen de procesindustrie. Door standaardisatie en leereffecten, bieden SMR’s volgens ontwikkelaars mogelijkheden voor private financiering. Hierdoor kunnen SMR initiatieven privaat ontplooid worden, waarbij het Rijk een faciliterende rol kan en wil innemen. Het kabinet wil de voordelen en mogelijkheden van beide benutten (grote en kleine kernreactoren). Het kabinet laat daarom ruimte voor private initiatieven voor SMR’s, om de private kansen optimaal te benutten. Het kabinet verwelkomt dan ook private initiatieven en verkenningen, zoals de gemeente Opmeer met Allseas voorneemt.
In de Kamerbrief van juni 2025 m.b.t Voortgang programma Small Modular Reactors is aangekondigd in samenspraak met het Interprovinciaal Overleg (IPO) te verkennen en afspraken vast te leggen hoe ondersteuning voor initiatieven vanuit medeoverheden eruit kan zien. Het kabinet ziet hier met name een rol voor provincies, gezien de gemeentegrensoverschrijdende effecten. Onder deze effecten vallen bijvoorbeeld mitigerende maatregelen (evacuatiegebieden), infrastructurele aanpassingen (waaronder netinpassing) of het maatschappelijk draagvlak in aangrenzende gebieden. Daarom wil het kabinet toewerken naar een verdeling die de kracht van de regio benut, maar tegelijkertijd ook regie houdt en die het bestuurlijk draagvlak voor de realisatie van SMR’s verstevigt vanuit de samenwerking tussen overheden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
48.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat de nationale CO₂-heffing,
ingevoerd in 2021 als prikkel voor industriële verduurzaming en
vastgelegd in het Herstel- en Veerkrachtplan, nu is afgeschaft. Deze
heffing, met oplopende tarieven tot 87,17 euro per ton in 2025, was
essentieel om emissies te beprijzen bovenop het EU ETS, en stimuleerde
investeringen in groene processen. Door deze afschaffing vervalt een
sleutelmaatregel uit het Klimaatplan 2025-2035 (Kamerstuk 32813, Nr.
1501), zonder overtuigende alternatieven. De Overlegtafel concludeert
dat er geen alternatief nationaal beleidsinstrument is dat de
klimaatdoelen binnen bereik brengt en tegelijk de concurrentiepositie
niet verslechtert, zonder een beroep te doen op extra subsidiemiddelen.
Herkent de minister dat de afschaffing van de CO₂-heffing de 2030-doelen
onbereikbaar maakt, en welke concrete vervangende prikkel introduceert
zij vóór 2027? Deze leden vragen de minister of zij bereid is om de
CO2-heffing weer in te voeren, aangezien er dus geen
geloofwaardig alternatief wordt opgeworpen.
Antwoord
De CO2-heffing industrie was, zoals de leden de PvdD-fractie
terecht opmerken, bedoeld om duurzame investeringen in Nederland te
stimuleren. De praktijk blijkt echter weerbarstiger en het kabinet
constateerde dat de CO2-heffing anders heeft uitgepakt dan
initieel beoogd. Het handelingsperspectief voor bedrijven om te
verduurzamen in Nederland is in veel gevallen ontoereikend, met als
mogelijk gevolg dat eventuele CO2-effecten in Nederland
vooral door weglek zouden worden gerealiseerd. Dat is nooit de bedoeling
geweest van de heffing, wat heeft geleid tot het besluit om de heffing,
naar aanleiding van de motie van lid Van Dijk, op te schorten 36.
Tegelijkertijd is de Overlegtafel CO2-heffing opgericht om alternatieve beleidsmaatregelen in kaart te brengen. Het klopt dat de Overlegtafel concludeert dat er geen alternatieve beleidsmaatregel bestaat dat in dezelfde beleidsmix als waar de CO2-heffing onderdeel van was, de klimaatdoelen voor 2030 binnen bereik brengt en tegelijk de concurrentiepositie niet verslechtert, zonder een beroep te doen op extra subsidiemiddelen37. Dit geeft aan dat er een fundamentele keuze gemaakt zal moeten worden hoe de klimaatdoelen binnen bereik zullen worden gebracht. Zo kan er worden gekozen om meer subsidiemiddelen beschikbaar te stellen. Dit vergt aanzienlijke budgetten en geeft geen garantie dat bedrijven gebruik maken van de subsidies. Anderzijds kan worden gekozen voor nationale beprijzing of normering met risico op weglek naar het buitenland, bijvoorbeeld wanneer bedrijven verduurzamingskosten niet kunnen doorberekenen. Deze fundamentele keuze past niet bij de demissionaire status van het huidige kabinet. Het is daarom aan het volgende kabinet om een besluit te nemen over de beleidsmix voor de verduurzaming van de industrie.
49.
De leden van de PvdD-fractie merken op dat tegelijkertijd het kabinet
een landelijk verbod op fossiele reclame blokkeert (Kamerstuk 32813, Nr.
1438), met het excuus dat flankerend beleid ontbreekt, ondanks bestaande
accijnzen op brandstof, de vliegtaks en ETS-mechanismen. Wat wel nodig
is, is duidelijke landelijke richtlijnen die juridisch houdbaar zijn en
daadwerkelijk bijdragen aan gedragsverandering. Ook de reclamesector
vraagt in reactie op de vele lokale fossiele reclameverboden om
landelijk beleid38. Gedragswetenschappers
benadrukken39 dat een verbod juist draagvlak
kweekt voor meer klimaatmaatregelen, zoals bij tabaksreclame gebeurde.
Gemeenten als Amsterdam, Den Haag, Delft en Amstelveen pleiten eveneens
voor nationale wetgeving. Is de minister bereid met een positieve
grondhouding te onderzoeken welke baten een landelijk verbod heeft, en
daarbij ook de positieve ervaringen van reclameverboden in andere
sectoren mee te nemen die dienden om schadelijke consumptie te
ontmoedigen en de nodige andere departementen te betrekken?
Antwoord
Er wordt op dit moment al gewerkt met betrokken departementen aan het in
kaart brengen van effectieve, doelmatige, op wetenschappelijke inzichten
gebaseerde maatregelpakketten die burgers helpen bij het maken van
duurzame keuzes. Dit gebeurt in het kader van de aanpak duurzaam leven,
zoals aangekondigd in het Klimaatplan 2025-203540.
Doel hiervan is om duurzame keuzes voor consumenten over een breed front
goedkoper, makkelijker en comfortabeler te maken ten opzichte van niet
duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te
bewerkstelligen. Hierbij zal ook worden bekeken of het zinvol en
doelmatig is om fossiele reclame verbod(en) op te nemen in de beoogde
maatregelpakketten. Het is aan het nieuwe kabinet om de uitkomsten van
de aanpak duurzaam leven met de Kamer te delen en een besluit te nemen
over eventuele vervolgstappen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag
8.
Wat betreft het als voorbeeld nemen van verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengt. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
50.
De leden van de PvdD-fractie zijn verontwaardigd over de appreciatie van
de minister op de aangenomen motie-Teunissen (Kamerstuk 31239, Nr. 430),
die met 100 zetels oproept om BECCS met hout als biomassa op geen enkele
wijze te stimuleren of faciliteren. De minister negeert deze motie door
te stellen dat huidig beleid voldoende waarborg biedt en dat uitvoering
de koolstofmarkt zou smoren. Dit is een onhoudbare redenering gezien de
praktijk en wetenschap: certificering faalt, en BECCS levert geen
netto-negatieve emissies door ketenlekken en biodiversiteitsverlies (EIA
202241, Comité Schone Lucht 202542). Wanneer volgt alsnog een
volledige uitvoering van de motie-Teunissen?
Antwoord
Wat het kabinet betreft draagt alleen duurzame biomassa bij aan de
transitie naar een klimaatneutrale en circulaire economie. De
Hernieuwbare Energierichtlijn van de Europese Unie staat uitsluitend het
stimuleren of faciliteren van biomassa voor de productie van energie toe
waarvan de duurzaamheid geborgd is, zodat er geen negatieve effecten
zijn op bossen en biodiversiteit en er geen twijfel bestaat over de
klimaatwinst. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat het systeem van
private certificering en publiek toezicht op de duurzaamheid van
biomassa structurele tekortkomingen kent.
Uit recent onderzoek van de Nederlandse Emissieautoriteit naar biomassa-import uit Maleisië blijkt bijvoorbeeld dat de certificering van deze biomassa correct en robuust is. Besluitvorming over de verdere ondersteuning van de inzet van biomassa voor BECCS is aan het volgende kabinet.
51.
In de Routekaart Koolstofverwijdering zou BECCS op basis van verbranding
van biogrondstoffen naar verwachting een beperkte toekomstige rol
spelen. Wat verstaat de minister onder een beperkte rol?
Biomassacentrales tot 100 MW zijn geen ‘relatief kleine
biomassacentrales’. Bij houtige biomassa gaat het bij 100 MW om een
input van jaarlijks ca 200.000 ton houtige biomassa, een jaarlijkse kap
equivalent aan 15 maal het Haagse bos. Hoeveel ‘relatief kleine
biomassacentrales’ hebben in 2024 SDE++ subsidie voor CCS aangevraagd en
ontvangen?
Antwoord
BECCS kan, mits goed ingepast en met strikte duurzaamheidscriteria, een
bijdrage leveren aan het Nederlandse energiesysteem en aan
koolstofverwijdering. Op dit moment wordt alleen BECCS tot 100 MW
gesubsidieerd via de SDE++. Door deze cap komen grote
biomassa-energiecentrales boven dit volume, zoals de (voormalig)
kolencentrales, niet in aanmerking voor SDE++-subsidie.
Uit de SDE++ 2024 ronde zijn acht CCS-beschikkingen in beheer en nog niet gerealiseerd. Eén van deze aanvragen betreft CCS bij een ketel voor houtige biomassa. De overige CCS-beschikkingen zijn voor CCS bij vergisters, biobrandstoffenproductie en afvalverbrandingsinstallaties. In 2026 wordt het Nationaal Plan Energiesysteem geactualiseerd. Besluitvorming over BECCS en de volumes daarvan is aan het nieuwe kabinet.
52.
De leden van PvdD-fractie verwelkomen tot slot de verwijzing naar de
Jonge Klimaattafel in de kabinetsreactie op het Jongerenakkoord
(Kamerstuk 32813, Nr. 1514) als mogelijke structurele vorm van
jongerenparticipatie. Zij zien de Jonge Klimaattafel als een belangrijke
stap om jongeren structureel te betrekken bij klimaatbeleid, juist omdat
zij de gevolgen van uitblijvende actie, zoals extreme
weersomstandigheden en een onbetaalbare energierekening, het sterkst
zullen voelen. Deze leden vragen de minister wat zij gaat doen met de
voorgestelde maatregelen uit het Jongerenakkoord.
Antwoord
Zie antwoord op vraag 19; het kabinet heeft de voorgestelde maatregelen
uit het Jongerenakkoord reeds meegewogen in de voorjaarsbesluitvorming
van 2025. In het Pakket voor Groene Groei zitten veel punten die
overlappen met de maatregelen die zijn opgenomen in het Jongerenakkoord.
Dit betreft bijvoorbeeld maatregelen die energiearmoede tegengaan – door
verlaging van de energierekening, een energiefonds voor kwetsbare
huishoudens, subsidies die beschikbaar worden gesteld voor verduurzaming
van huizen en het continueren van het Nationaal Warmtefonds voor mensen
met een laag inkomen. Het is aan een volgend kabinet hoe ze de
maatregelen in het Jongerenakkoord opnieuw willen meewegen in de
besluitvorming.
TZ202601-009↩︎
Kamerstuk 36600-XXIII, Nr. 25↩︎
Zie ook Kamerstuk 32813, Nr. 1514↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29023, Nr. 570.↩︎
Zie ook Kamerstuk 32813, Nr. 1548↩︎
Klimaatplan 2025-2035 – Op weg naar een klimaatneutraal Nederland↩︎
Kamerbrief 29023, nr. 597↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 32 813 Nr. 1500↩︎
Scheepers, M., Taminiau, F., Smekens, K., Giraldo Chavarriaga, J., Veum, K. (2025) Koolstofverwijdering in een duurzaam Nederlands energiesysteem - Nadere analyse van ADAPT en TRANSFORM scenario’s, R10245, TNO.↩︎
PBL (2024). Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050. Trajecten naar een klimaatneutrale samenleving voor Nederland in 2050. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.↩︎
Zie verslag schriftelijk overleg Kamerstuk 36740, Nr. 15, vastgesteld 23 juni 2025↩︎
Zie Kamerbrief 14 februari 2025 houdende de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het gebruik van het Beleidskompas binnen de rijksoverheid, Kamerstuk 29362, Nr. 372.↩︎
Zie https://www.kennisopenbaarbestuur.nl/themas/t/toekomstgericht-beleid/leidraad-toekomstgericht-beleid↩︎
Kamerstuk 2026Z02643,↩︎
Kamerstuk 33043, Nr. 114↩︎
Kamerstuk 23645, Nr. 874↩︎
Haalbaarheidsanalyse klimaatneutraal in 2040 van Kalavasta, CE Delft en Berenschot↩︎
Kamerstuk 33043, Nr. 114↩︎
Kamerstuk 34298, Nr. 41↩︎
Ontwikkelkader windenergie op zee | Rapport | Rijksoverheid.nl.↩︎
Overheid.nl | Consultatie Ontwerpregeling vergunningverlening kavel IJmuiden Ver Gamma-A.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 32 813, Nr. 1541; Reactie op het signalenrapport ‘bestaanszekerheid in de buurt’ en de evaluatie van het Nationaal Klimaat Platform.↩︎
https://www.tno.nl/nl/newsroom/2025/07/energiearmoede-2024-gestegen-6-1-procent/↩︎
Kamerstukken 2024/25, 31 765, Nr. 943↩︎
De verstrekte specifieke uitkeringen voor de lokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma loopt tot 31 december 2028, met twee keer een mogelijkheid tot een jaar verlenging.↩︎
Kamerstuk 32813, Nr. 1533↩︎
Effect energiehulp | TNO https://www.tno.nl/nl/newsroom/2025/07/energiehulp-goed-klimaat-portemonnee/↩︎
Kamerstuk 31209, Nr. 266, 2025.↩︎
Kamerstuk 30196, Nr. 854↩︎
Kamerstukken II 2025 -2026, 21501-08, Nr. 1021↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 29023, Nr. 570.↩︎
Innovatieprogramma voor koolstofverwijdering: subsidies en ondersteuning | RVO.nl↩︎
Kamerstuk 32813, Nr. 1438↩︎
NH Nieuws, 23 januari 2026: https://www.nhnieuws.nl/nieuws/355901/komt-er-dan-toch-een-kerncentrale-in-opmeer-nieuwe-ontwikkelaar-meldt-zich↩︎
Systeemkostenanalyse kernenergie | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
Kamerstukken II, 32813, Nr. 1521↩︎
Kamerstukken II, 32813, Nr. 1544↩︎
(NOS, 16 november 2023 (https://nos.nl/artikel/2497993-vlees-en-vliegreclames-taboe-in-steeds-meer-gemeentelijke-bushokjes)↩︎
Volkskrant, 22 januari 2026↩︎
Klimaatplan 2025-2035 – Op weg naar een klimaatneutraal Nederland↩︎
Het EU-beleid inzake hernieuwbare energie leidt tot houtkap en bosbranden in de beschermde bossen van Europa (2022). https://eia.org/report/the-eus-renewable-energy-policies-driving-the-logging-and-burning-of-europes-protected-forests/↩︎
Onderzoek certificering Green Gold Label:
https://comiteschonelucht.nl/persbericht-nieuw-rapport-legt-falend-overheidstoezicht-bloot-22-december-2025/
https://comiteschonelucht.nl/comite-schone-lucht-et-al-2025-rapport-green-gold-label-een-niet-transparant-certificeringssysteem-voor-biomassa-dat-het-mogelijk-maakt-dat-complete-bomen-als-restmateriaal-en-afval-word/↩︎