Antwoord op vragen van de leden Teunissen, Kostic, en Van Oosterhout over het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame
Antwoord schriftelijke vragen
Nummer: 2026D06321, datum: 2026-02-10, bijgewerkt: 2026-02-10 12:43, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei (Ooit VVD kamerlid)
Onderdeel van zaak 2026Z01260:
- Gericht aan: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Gericht aan: R. Tieman, minister van Infrastructuur en Waterstaat
- Gericht aan: J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Indiener: C. Teunissen, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: I. Kostic, Tweede Kamerlid
- Medeindiener: A.S. van Oosterhout, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Hierbij zend het kabinet de antwoorden op de vragen van de leden Teunissen, Kostic (beiden PvdD) en Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) over het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame (kenmerk 2026Z01260, ingezonden 23 januari 2026). De beantwoording van de vragen is afgestemd met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Sophie Hermans
Minister van Klimaat en Groene Groei
2026Z01260
1
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad
van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare
ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening
(APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op
landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Antwoord
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
2
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Antwoord
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
3
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Antwoord
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
4
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheidsschade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Antwoord
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
5
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Antwoord
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
6
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Antwoord
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
7
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Antwoord
Ja.