[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling) (Kamerstuk 35386-34)

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D06734, datum: 2026-02-11, bijgewerkt: 2026-02-11 15:54, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2026Z00714:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2025-2026
35 386 Voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling)
Nr. VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld op ……. 2026

Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35386, nr. 34) en over zijn brief met een toelichting op het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35386, nr. 33).

De vragen en opmerkingen zijn op 11 februari 2026 aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van ... zijn deze door hem beantwoord.

Voorzitter van de commissie,
Peter de Groot

Adjunct-griffier van de commissie,

Koerselman

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Inhoudsopgave

Inleiding

D66-fractie

VVD-fractie

GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie

CDA-fractie

BBB-fractie

SGP-fractie

ChristenUnie-fractie

2

3

4

5

10

14

17

18

Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (hierna: het ontwerpbesluit). De invoering van een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten is een cruciale stap naar een jaarwisseling die voor mens, dier en milieu veiliger en rustiger verloopt. Deze leden steunen de ambitie om dit verbod voor de jaarwisseling 2026-2027 te realiseren. Juist met het oog op de beoogde effectiviteit van de wet hebben deze leden echter nog vragen bij de huidige uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters.

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit en de bijbehorende toelichting. Zij onderschrijven het belang van veiligheid tijdens de jaarwisseling. Zij hechten tegelijkertijd groot belang aan uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid, en proportionaliteit van nieuwe regelgeving. Zij vinden bovendien dat het ontwerpbesluit voldoende duidelijkheid en rechtszekerheid biedt voor burgers, verenigingen en gemeenten. Zij stellen in dat licht nog enkele vragen over het voorliggende ontwerpbesluit.

De leden van de GroenLinks-PvdA- en de Partij voor de Dieren-fractie vinden het in het belang van de veiligheid van mens, dier en milieu belangrijk dat het algehele vuurwerkverbod komende jaarwisseling kan ingaan en willen daarom een spoedige voortzetting van de behandeling van dit ontwerpbesluit. Dit is ook de nadrukkelijke wens van onder andere de politie. Deze leden zijn blij om te lezen dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de Wet veilige jaarwisseling handhaafbaar, uitvoerbaar en fraudebestendig vindt en dat uit de handhaafbaarheids-, uitvoerbaarheids- en fraudebestendigheidstoets (HUF-toets) van de politie blijkt dat de politie op de middellange termijn minder capaciteit hoeft in te zetten. Deze leden zijn ook blij om te zien dat ook buurlanden een landelijk vuurwerkverbod overwegen en dat Nederland een voorbeeldrol speelt. Deze leden hebben nog enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen het ontwerpbesluit. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende vragen te stellen over de gekozen uitwerking, de gemaakte beleidsmatige en juridische keuzes en de gevolgen daarvan voor de veiligheid, de uitvoering en de handhaafbaarheid.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit. Hier zijn nog een aantal vragen over.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende ontwerpbesluit. Zij hebben nog enkele vragen.

De leden van ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het ontwerpbesluit.

D66-fractie

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de beslissing om minimale veiligheidsafstanden niet langer dwingend in het ontwerpbesluit voor te schrijven. Eerdere concepten bevatten heldere afstanden van 15 tot 90 meter, gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek en gelijk aan de eisen voor professionele ontbranders. Het loslaten van deze landelijke normen en het overlaten van deze afweging aan burgemeesters, die vaak niet over de specifieke technische expertise beschikken, riskeert een lappendeken aan regels en tast de rechtszekerheid en veiligheid aan. Deze leden vragen de staatssecretaris waarom is afgeweken van de adviezen van de Verenging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de politie, die juist pleitten voor het handhaven van deze nationale veiligheidswaarborgen.

De leden van de D66-fractie vragen tevens aandacht voor handhaving. De politie heeft gewaarschuwd dat een te ruime ontheffingsmogelijkheid de doelstelling van de wet teniet kan doen en tot onbeheersbare situaties op aangewezen afsteeklocaties kan leiden. Deze leden willen voorkomen dat de ontheffing een achterdeur wordt waardoor het consumentenvuurwerk alsnog op grote schaal terugkeert in de publieke ruimte. Zij vragen de staatssecretaris hoe hij borgt dat de ontheffingspraktijk beperkt blijft tot kleinschalige, georganiseerde buurtinitiatieven en hoe de veiligheid van omstanders en de omgeving, waaronder natuurgebieden, structureel gewaarborgd wordt in de uiteindelijke algemene maatregel van bestuur (AMvB).

De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de leeftijdsgrens voor ontbranders. Waar de politie adviseert deze grens te verhogen naar achttien jaar vanwege de grote verantwoordelijkheid bij publieke evenementen, houdt het ontwerpbesluit vast aan zestien jaar. Deze leden verzoeken de staatssecretaris nader toe te lichten waarom hij hier afwijkt van het deskundig advies van de handhavingspartners, temeer daar in omringende landen vaak al een hogere leeftijdsgrens geldt. De inzet van deze leden blijft een effectief verbod dat daadwerkelijk bijdraagt aan een veilige transitie van de jaarwisseling.

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie vragen of de staatssecretaris het realistisch acht dat het volledige wetgevings- en implementatietraject zorgvuldig kan worden afgerond vóór de jaarwisseling 2026–2027. Zij hebben daarbij specifieke aandacht voor het verdere proces, inclusief welke termijnen de staatssecretaris heeft om tijdig tot inwerkingtreding over te kunnen gaan, in lijn met de kaders gesteld in diverse moties. Deze leden ontvangen graag een gespecificeerde tijdlijn. Daarbij wijzen zij op de benodigde voorbereidingen bij gemeenten, handhavingsinstanties en andere betrokken partijen, en vragen zij hoe wordt gewaarborgd dat deze partijen voldoende tijd hebben om zich op de nieuwe systematiek voor te bereiden.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts hoe wordt voorkomen dat de ruime beleidsvrijheid voor burgemeesters leidt tot onaanvaardbare grote verschillen tussen gemeenten, waardoor te grote rechtsongelijkheid kan ontstaan voor verenigingen en inwoners. In dat kader vragen zij tevens hoe de rechtsbescherming wordt gewaarborgd voor groepen burgers en dorps- en buurtverenigingen die – ondanks dat ze voldoen aan de eisen die een gemeente stelt voor een ontheffing – te maken krijgen met een afwijzing van een ontheffingsaanvraag.

De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan een handhaafbaar en uitvoerbaar stelsel. Zij verzoeken de staatssecretaris daarom nader toe te lichten hoe de uitkomsten van de HUF-toetsen van politie, Openbaar Ministerie (OM) en de ILT concreet zijn verwerkt in het ontwerpbesluit. Tevens vragen zij of de staatssecretaris in overleg met de minister van Justitie en Veiligheid een inschatting kan geven van de effecten van het ontwerpbesluit op de werkdruk van de politie en handhavers tijdens de jaarwisseling.

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het uitgangspunt van vertrouwen in verenigingen en maatschappelijke initiatieven. Zij vragen de staatssecretaris toe te lichten hoe wordt voorkomen dat de administratieve lasten voor verenigingen te hoog worden als gevolg van (aanvullende) eisen die lokaal worden gesteld aan een ontheffing. In dat verband vragen zij wat de verwachting is ten aanzien van het aantal burgerinitiatieven, verenigingen en stichtingen dat daadwerkelijk gebruik zal maken van de ontheffingsregeling, en hoe dit verwachte gebruik zich verhoudt tot de uitvoerings- en toezichtslasten voor gemeenten en de administratieve lasten voor burgers en vrijwilligers.

De leden van de VVD-fractie vragen verder in hoeverre het proportioneel is dat voor kleinschalige, niet-commerciƫle initiatieven grotendeels dezelfde voorschriften worden gesteld als voor professionele evenementen. Zij vragen of is bezien of een lichtere of vereenvoudigde variant mogelijk is voor dergelijke initiatieven en, zo nee, waarom daarvoor niet is gekozen.

De leden van de VVD-fractie vragen ook welk exact deel van de handhavings- en toezichtslast bij ontheffingshouders wordt neergelegd, en welk deel bij de (lokale) overheid. Ook vragen deze leden of de staatssecretaris nader kan ingaan op de vraag waarom is gekozen een zekere verantwoordelijkheid bij ontheffingshouders te beleggen en daarnaast een deel bij de (lokale) overheid.

De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de voortgang van het ontwerpbesluit zich verhoudt tot de andere twee randvoorwaarden uit het amendement-Michon-Derkzen (Kamerstuk 35386, nr. 16), te weten het handhavingsplan en de compensatieregeling voor de vuurwerkbranche. Zij vragen wanneer de Kamer nader wordt geĆÆnformeerd over de uitwerking van deze twee overige randvoorwaarden.

GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie

Dieren en natuur

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat honden, katten, konijnen, vogels en vele andere dieren doodsbang zijn voor vuurwerk. Vele vogels overlijden elke jaarwisseling door de harde knallen. Er zijn nu, een maand na nieuwjaar nog honden die niet meer naar buiten durven sinds de jaarwisseling, omdat ze getraumatiseerd zijn door alle knallen. Deze leden lezen dat het kabinet met allerlei partijen heeft gesproken om de ontheffingsregeling vorm te geven, waaronder sport- en wijkverenigingen, de brandweer, vuurwerkliefhebbers en de vuurwerkbranche. Dit is natuurlijk positief, maar deze leden zien dat veel vertegenwoordigers van belanghebbenden niet aan tafel hebben gezeten, en dat daardoor hun wensen minder goed vertegenwoordigd zijn in dit ontwerpbesluit. Waarom is er niet gesproken met bijvoorbeeld de Hondenbescherming, Vogelbescherming, Dierenbescherming, het Longfonds en natuur- en milieuorganisaties?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat sommige Nederlanders met huisdieren met nieuwjaarsnacht het land ontvluchten, omdat hun huisdieren te gestrest raken van alle knallen. Deze leden lezen in het ontwerpbesluit dat er bij het afgeven van een ontheffing rekening gehouden moet worden met de nabijheid van bedrijfsmatig gehouden dieren. Waarom is ervoor gekozen om alleen met bedrijfsmatig gehouden dieren rekening te houden, terwijl ook veel huisdieren enorme angst hebben voor vuurwerk? En op welke manier worden eigenaren van huisdieren, maar ook andere buurtbewoners op de hoogte gesteld van de vuurwerkontheffingsplannen in hun buurt en hoe ver van tevoren moet dit minimaal gebeuren? Kan er nog bezwaar gemaakt worden als het dichtbij hun woning is en ze een bang huisdier hebben of een longaandoening?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het aan de gemeentes wordt overgelaten om te bepalen of het wenselijk is om nabij natuurgebieden of vanaf het water vuurwerk af te steken. Het is, zeker gezien de huidige staat van de biodiversiteit, stikstofcrisis en aankomende waterkwaliteitscrisis, toch landelijk te stellen dat het altijd onwenselijk is om vuurwerk nabij een natuurgebied af te steken? Waarom is er dan toch besloten om dit niet landelijk vast te leggen, terwijl (onder andere) de VNG juist vraagt om zoveel mogelijk eenduidige landelijke regelgeving?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vinden het goed dat er verplicht handblusapparatuur aanwezig moet zijn op de locatie. Er zijn verschillende soorten PFAS verboden in brandblusschuim, maar een deel is momenteel nog toegestaan. De EU werkt aan een totaalverbod voor PFAS in brandblussers. Omdat PFAS enorm schadelijk is voor onze gezondheid en onze leefomgeving, is het onwenselijk wanneer PFAS door middel van brandblussers in de leefomgeving komt. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat het zou getuigen van verantwoord overheidshandelen als in het ontwerpbesluit wordt opgenomen dat het om PFAS-vrije handblusapparatuur moet gaan?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen wat er precies mee wordt bedoeld dat ā€œdirect na afloopā€ de veiligheidszone opgeruimd en schoon moet worden opgeleverd. Hoe is hierop te handhaven als het zo vaag is omschreven? En waarom is negatief geadviseerd over het idee van Zero Waste Nederland van een schoonmaakplan, terwijl zelfs een summier schoonmaakplan kan helpen in het schoonkrijgen van de locatie, omdat er dan alvast van tevoren over is nagedacht, en de ontheffingshouders de middelen in de buurt hebben om de buurt schoon te maken (denk aan afvalprikkers, vuilniszakken en een bezem)? En kan, zoals Zero Waste Nederland ook vroeg, het vuurwerkafval worden ingeleverd bij de verkopende partij samen met het niet afgestoken vuurwerk, zodat het op de juiste manier kan worden weggegooid in plaats van afvalstromen te vervuilen met giftige materialen?

Supervisors en ontbranders

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben ook specifiek nog wat vragen over de supervisors en ontbranders. Er staat dat er niet wordt vereist om de supervisors en ontbranders al bij de aanvraag aan te geven. Op welk moment moet dit wel aangeleverd worden, en waar? En moeten de supervisors en ontbranders een verklaring omtrent het gedrag (VOG) meesturen? Zo nee, waarom niet? Wordt gecheckt of de e-learning is doorlopen? Zo ja, door wie? Is dat onderdeel van de ontheffingsaanvraag? Moeten de supervisors en ontbranders ook makkelijk herkenbaar zijn voor het publiek, bijvoorbeeld door een hesje? Is het mogelijk om landelijk vast te leggen dat wanneer de ontheffingshouder een grote overtreding maakt, de overtreder en de vereniging een vastgesteld aantal jaar niet opnieuw betrokken mogen zijn bij een toekomstige vuurwerkontheffing?

Waarom is het advies van het NGB en de politie om de leeftijdsgrens voor ontbranders te verhogen van 16 naar 21 of 18, in verband met de enorme verantwoordelijkheid die erop rust, niet overgenomen, terwijl de politie aangeeft het niet logisch te vinden dat wordt vastgehouden aan de leeftijdsgrens zoals opgenomen in de Pyrorichtlijn? Waarom is er specifiek voor maximaal acht ontbranders gekozen? De Landelijke Werkgroep Vuurwerk Coƶrdinatoren (LWVC) geeft aan dat het erg veel is voor ƩƩn of twee supervisors om acht ontbranders in de gaten te houden. Kan het aantal ontbranders dan niet beter naar beneden worden bijgesteld?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie hebben een specifieke vraag over de veiligheidsafstanden. Deze zijn wel landelijk vastgelegd voor professionele ontbranders bij vuurwerkshows. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat het onlogisch is om dat nu niet te doen, terwijl het juist onveiliger is, omdat de afstekers onder deze AMvB geen professionals hoeven te zijn?

Algemeen inhoud

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er een brede vraag is van zowel VNG, het NGB, hulpdiensten als gedragswetenschappers om zoveel mogelijk vereisten nationaal vast te leggen, zodat onder andere de nieuwe norm van een algemeen vuurwerkverbod zo duidelijk mogelijk is en daardoor ook sneller geaccepteerd zal worden. De politie geeft ook aan dat de capaciteitsdruk sneller zal afnemen als de maatschappelijke adaptatie sneller verloopt. Het is dus enorm belangrijk dat de staatssecretaris zich maximaal inzet om de norm goed en snel te laten landen. Gemeentes geven onder andere aan dat ze wel liever een landelijke veiligheidsafstand hebben, vestigingsplaatsvereiste en landelijke regels rondom aansprakelijkheid in plaats van dat dit per gemeente apart bedacht moet worden, ook in verband met het mogelijke gebrek aan expertise bij de verschillende gemeentes. Begrijpelijk, aangezien de staatssecretaris zelf al schat dat landelijk 500 tot 1.500 aanvragen per jaar binnen zullen komen, en het wenselijk is als die zo veel mogelijk gestroomlijnd worden. Gaat de staatssecretaris gehoor geven aan deze oproep en dit nog op tijd aanpassen in het ontwerpbesluit? Zo nee, waarom niet? En gaat hij dan wel de VNG ondersteuning geven om lokale modelverordeningen op te stellen die gemeentes kunnen overnemen?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen ook of er altijd iemand van de gemeente aanwezig moet zijn tijdens het afsteken om toezicht te houden, omdat het anders negatieve gevolgen voor de gemeente kan hebben voor de aansprakelijkheid. Zo ja, wie van de gemeente zou dat toezicht moeten houden, aangezien boa’s niet aanwezig zijn tijdens de jaarwisseling gezien de gevaarsituatie?

Als de weersomstandigheden het niet toelaten, moeten de vuurwerkontheffingen worden ingetrokken. Het is voor een vereniging lastig om in te schatten wanneer het bij een grensgeval wel of niet door kan gaan. Wie is verantwoordelijk voor de communicatie naar de verenigingen met een ontheffing over extreme weeromstandigheden?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie vragen waarom het aan de gemeentes wordt gelaten om gezondheidseffecten ook te betrekken bij het verlenen van een ontheffing. Waarom wordt dit niet landelijk geregeld? En mag een gemeente ook besluiten om bij een code rood van de Stookwijzer de vergunning in te trekken?

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie merken op dat ontheffingen ook aangevraagd mogen worden door organisaties die niet in de desbetreffende gemeente gevestigd zijn. Krijgt de burgemeester bij de aanvraag inzicht of de aanvraag uit de eigen gemeente komt of uit een andere? Het lijkt deze leden nuttig om dit te weten voor de afweging.

Nieuwe norm

De leden van de GroenLinks-PvdA- en Partij voor de Dieren-fractie delen de zorgen van burgemeesters dat de uitzonderingspositie die met deze AMvB gecreĆ«erd wordt ervoor zorgt dat het moeilijk is om de norm goed in te voeren. Dit wordt ook bevestigd door gedragswetenschappers. Zoals bekend, hadden deze leden liever een algeheel vuurwerkbesluit gezien zonder ontheffing, omdat de nieuwe norm dan makkelijker en sneller omarmd kan worden in de samenleving. Ook geeft de ILT aan dat een duidelijke taakstelling nodig is voor gemeentes om effectief toezicht te houden. Uit de HUF-toets blijkt dat voordat de politiecapaciteit zal dalen, de capaciteit de komende 2 tot 3 jaar juist aanzienlijk zal toenemen en zal afnemen zodra de norm beter geland is in de samenleving. Om het voor de politie en andere hulpdiensten de komende jaren zo veilig mogelijk te maken, moeten we ons flink gaan inzetten om de norm zo snel mogelijk te laten landen. Goede communicatie is daarmee onmisbaar. Gemeentes vragen expliciet om duidelijke landelijke communicatie over het verbod en willen dat dit vroegtijdig zal plaatsvinden in plaats van pas de laatste weken van het jaar. Deze leden vinden het belangrijk voor de handhaafbaarheid van het algemeen vuurwerkverbod en dus voor de veiligheid van hulpdiensten dat er duidelijke landelijke regels komen en zo min mogelijk uitzonderingen op de nieuwe norm van het algemeen vuurwerkverbod. Heeft de staatssecretaris hierover gesproken met gedragswetenschappers? Wat waren de lessen die ze meegaven? Zo nee, is hij alsnog bereid om dat op tijd te doen, ook volgens de aangenomen motie-Kostić c.s. (Kamerstuk 28684, nr. 841)? Wanneer wordt uitwerking gegeven aan die motie?

Kan de staatssecretaris een tijdlijn geven wanneer de eerste communicatie over de nieuwe situatie komend jaar gepland staat? Kan aangegeven worden hoe geschakeld wordt met gemeentes over de basisboodschap en campagne en of er ook campagnemateriaal en informatie beschikbaar wordt gesteld aan gemeentes, zodat een eenduidige boodschap kan worden verspreid, aan te passen aan de lokale situatie? Hoeveel budget wordt hiervoor landelijk ter beschikking gesteld?

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG wijst op de complexiteit van de beleidsafweging die iedere gemeente afzonderlijk moet maken bij het verlenen van ontheffingen, met het risico op een lappendeken aan regels en verschillen tussen gemeenten. Is de staatssecretaris bereid om in overleg met de VNG en gemeenten te bezien of nadere landelijke kaders of een modelbeleidslijn wenselijk is om onduidelijkheid en handhavingsproblemen te voorkomen?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de VNG en het NGB vragen om een expliciete heroverweging van de keuze om de ontheffingsbevoegdheid bij de burgemeester te beleggen, mede in het licht van het Kader voor nieuwe burgemeestersbevoegdheden en de benodigde specialistische kennis. Is de staatssecretaris bereid om hierover in overleg te treden met de VNG, het NGB en de veiligheidsregio’s?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de VNG zorgen uit over de uitvoerbaarheid en handhaving in de nachtelijke uren en de aansprakelijkheid bij het verbinden van voorschriften aan ontheffingen. Welke concrete afspraken zijn of worden in overleg met de VNG en gemeenten gemaakt over handhavingscapaciteit, aansprakelijkheidsvraagstukken en ondersteuning van gemeenten, zodat de ontheffingsregeling in de praktijk uitvoerbaar en handhaafbaar is?

De leden van de CDA-fractie zijn benieuwd hoe de staatssecretaris een vereniging die een aanvraag kan doen voor een ontheffing om vuurwerk af te steken in georganiseerd verband feitelijk definieert. In de toelichting lezen deze leden namelijk dat met dit ontwerpbesluit is getracht het voor georganiseerde groepen burgers, zoals dorps- of buurtverenigingen, mogelijk te maken om tijdens de jaarwisseling vuurwerk af te steken. Welke eisen worden precies gesteld aan de vorm van de vereniging of stichting, los van de eis dat die ingeschreven staat in het handelsregister? Heeft het bijvoorbeeld ook betrekking op informele verenigingen, of verenigingen die alleen worden opgericht met als doel een ontheffing te krijgen om vuurwerk af te steken? Moet de vereniging ook een minimaal aantal leden hebben?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de staatssecretaris aangeeft sterk in te zetten op lokale beleidsruimte en terughoudendheid met landelijke normering. Hoe weegt hij deze keuze tegen de noodzaak om een minimaal landelijk veiligheidsniveau te waarborgen? Deze leden constateren daarnaast dat de staatssecretaris aangeeft slechts daar landelijke eisen te stellen waar dit strikt noodzakelijk is voor de veiligheid. Welke veiligheidswaarborgen acht hij absoluut noodzakelijk, en waarom zijn deze niet explicieter vastgelegd?

De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat de ontheffingsbevoegdheid expliciet bij de burgemeester is belegd en dat burgemeesters zelfstandig afwegingen moeten maken over veiligheid, aansprakelijkheid en handhaving. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat deze systematiek leidt tot grote verschillen tussen gemeenten?

De leden van de CDA-fractie vragen aan de staatssecretaris of het klopt dat er geen eisen worden gesteld aan de vestigingsplaats van de vereniging of stichting, waardoor verenigingen ook in andere plekken een ontheffing kunnen aanvragen. Zo ja, wat is hiervoor de reden geweest, nu met het amendement-Bikker c.s. (Kamerstuk 35386, nr. 14) is bepaald dat vooral dorps- of buurtverenigingen voor hun lokale gemeenschap vuurwerk kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek? Is de staatssecretaris van mening dat de mogelijkheid om op elke plek een ontheffing aan te vragen voldoende strookt met de geest van dat amendement?

De leden van de CDA-fractie constateren dat er geen landelijke veiligheidsafstanden zijn opgenomen. Waarom heeft de staatssecretaris ervoor gekozen deze afstanden niet landelijk te normeren, terwijl dit bij professionele vuurwerkshows wel het geval is? Hoe ziet hij deze discrepantie?

De leden van de CDA-fractie lezen dat de staatssecretaris inzet op ondersteuning van gemeenten via onder meer handreikingen. Welke concrete ondersteunende instrumenten stelt hij beschikbaar, en kunnen de gemeenten deze ruim voor de jaarwisseling verwachten?

De leden van de CDA-fractie lezen dat toezicht op de naleving van ontheffingsvoorwaarden een gemeentelijke verantwoordelijkheid is. Kan de staatssecretaris nader ingaan op de aansprakelijkheidspositie van de gemeente, indien zich bij een verleende ontheffing een incident voordoet? En wat wordt precies verstaan onder de ā€˜uitzonderlijke gevallen’ waarin de gemeente aansprakelijk gesteld kan worden?

De leden van de CDA-fractie constateren dat geen landelijke verzekeringseis is opgenomen in het ontwerpbesluit. Hoe waarborgt de staatssecretaris dat slachtoffers van vuurwerkincidenten hun schade kunnen verhalen, indien ontheffinghouders niet verplicht verzekerd zijn? Geldt voor verenigingen of stichtingen die geen aansprakelijkheidsverzekering hebben dat een tijdelijke evenementenverzekering verplicht wordt en, zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie hebben gelezen dat toezicht en handhaving een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en politie vormt. Deze leden vragen hoe de staatssecretaris de rol van de politie bij de handhaving van verleende ontheffingen ziet.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de staatssecretaris bewust kiest voor een sobere uitwerking van het ontwerpbesluit. Hoe borgt hij dat deze keuze niet leidt tot onbedoelde veiligheidsrisico’s, waarbij verantwoordelijkheden in de praktijk onevenredig bij lokale bestuurders en vrijwilligers terechtkomen?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de handhaving rond de jaarwisseling plaatsvindt in nachtelijke uren, waarin boa’s beperkt inzetbaar zijn. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de handhaafbaarheid van het ontwerpbesluit in deze omstandigheden?

De leden van de CDA-fractie constateren dat het vaststellen van veiligheidsafstanden grotendeels wordt overgelaten aan het lokaal gezag. Hoe is de staatssecretaris tot dit besluit gekomen en wat is de reactie van de gemeenten daarop? Daarnaast vragen deze leden aan de staatssecretaris hoe wordt geborgd dat lokaal vastgestelde veiligheidsafstanden minimaal gelijkwaardig zijn aan de normen die gelden voor professionele vuurwerkontbrandingen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het advies van de politie om de leeftijdsgrens voor ontbranders te verhogen naar achttien jaar niet is overgenomen. Waarom heeft de staatssecretaris ervoor gekozen vast te houden aan een leeftijdsgrens van zestien jaar? Daarnaast hebben deze leden kennisgenomen van de zorgen van de politie over de verantwoordelijkheden die rusten op ontbranders. Hoe verhoudt deze leeftijdsgrens zich tot de zware verantwoordelijkheid die ontbranders dragen bij vuurwerkactiviteiten waarbij publiek aanwezig is?

De leden van de CDA-fractie lezen dat adviezen van onder meer de politie en veiligheidsregio’s om landelijke veiligheidsafstanden vast te leggen niet zijn overgenomen. Waarom heeft de staatssecretaris ervoor gekozen deze adviezen niet te volgen?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de staatssecretaris voornemens is om de Wet veilige jaarwisseling in werking te laten treden vanaf de jaarwisseling 2026–2027. Is hij van mening dat gemeenten zich inderdaad tijdig hierop kunnen voorbereiden?

BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie vinden dat dit landelijke vuurwerkverbod een traditie onderuithaalt zonder dat er een realistisch plan voor veilige en uitvoerbare alternatieven klaarligt. Hoe rechtvaardigt de staatssecretaris dit verlies van immaterieel cultureel erfgoed voor miljoenen Nederlanders die elk jaar verantwoord van vuurwerk genieten?

De leden van de BBB-fractie lezen dat centrale vuurwerkshows door de staatssecretaris als alternatief worden gepresenteerd, maar dat er een groot tekort is aan gecertificeerde pyrotechnici en dat vergunningstrajecten onnodig lang duren. Is de staatssecretaris bereid de inwerkingtreding uit te stellen, totdat er een goed en realistisch alternatief, waar vuurwerk deel van uitmaakt, beschikbaar is?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de VNG expliciet aangeeft dat boa’s tijdens de nachtelijke uren niet zullen handhaven vanwege de gevaarzetting. Hoe rijmt de staatssecretaris de ambitie van een ā€˜veilige jaarwisseling’ met het feit dat de belangrijkste lokale handhavers op het cruciale moment niet op straat aanwezig zijn?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de politie in de eerste jaren na invoering een forse toename in de werklast en capaciteitsdruk verwacht. Kan de staatssecretaris garanderen dat er voldoende politiecapaciteit beschikbaar is, wetende dat de inzet tijdens de jaarwisseling nu al maximaal is en de werkdruk door strafbaarstelling van consumentenvuurwerk alleen maar zal toenemen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat het verbod op elektronische ontstekers gehandhaafd blijft, waardoor ontheffinghouders verplicht worden de gevaarlijkere handmatige aansteeklont te gebruiken. Waarom kiest de staatssecretaris voor deze beperking, terwijl elektronische ontsteking de veiligheidsafstand tussen mens en vuurwerk juist vergroot?

De leden van de BBB-fractie lezen dat een inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) een harde eis is voor het verkrijgen van een ontheffing. Erkent de staatssecretaris dat dit voor informele vriendengroepen of eenmalige buurtinitiatieven een onnodige en drempelverhogende bureaucratische barriĆØre vormt die haaks staat op de beloofde laagdrempeligheid?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de staatssecretaris de verzekeringseis niet nationaal heeft vastgelegd, maar bij de burgemeester heeft belegd, terwijl dit voor kleine verenigingen tot ā€œtorenhoge kostenā€ kan leiden. Hoe gaat de staatssecretaris voorkomen dat buurtinitiatieven onmogelijk worden, doordat verzekeraars weigeren dekking te bieden of onbetaalbare premies vragen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) zeer kritisch is over de werkbaarheid van het besluit en waarschuwt voor aanzienlijke administratieve lasten voor vrijwilligers, zoals het opstellen van veiligheidsplannen en situatietekeningen op schaal. Waarom negeert de staatssecretaris dit advies en zadelt hij buurtverenigingen op met taken die eigenlijk professionele expertise vereisen?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de ILT waarschuwt voor een toename van vuurwerktoerisme naar Belgiƫ en Duitsland. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat dit verbod de legale handel in Nederland vernietigt, maar tegelijkertijd de illegale handel en de import van gevaarlijk spul uit de buurlanden stimuleert?

De leden van de BBB-fractie lezen dat per kernbepaling van de AMvB een grondslag bestaat in de Wet veilige jaarwisseling. Kan de staatssecretaris per kernbepaling van de AMvB aangeven op welke concrete delegatiebepaling in de Wet veilige jaarwisseling deze berust, en toelichten waarom hierbij geen sprake is van zelfstandige beleidsvorming?

De leden van de BBB-fractie lezen dat is gekozen voor een landelijk verbod met lokale ontheffingsmogelijkheden. Waaruit blijkt dat deze keuze expliciet door de wetgever is voorzien, en waarom is deze keuze niet in de wet zelf vastgelegd?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB noodzakelijk zou zijn ter verwezenlijking van het wettelijke veiligheidsdoel. Hoe is per norm aangetoond dat deze noodzakelijk is voor dat doel, en geen beleidskeuze betreft die losstaat van het wettelijk kader?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB verschillende normen bevat die ruimte laten voor interpretatie. Welke bepalingen bevatten open normen, en hoe wordt voorkomen dat deze leiden tot uiteenlopende uitleg en rechtsongelijkheid tussen gemeenten?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB ingrijpende verplichtingen oplegt aan burgers en decentrale overheden. Welke minder belastende alternatieven zijn per verplichting overwogen, en waarom zijn deze ontoereikend geacht in het licht van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht?

De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten verantwoordelijk worden voor het verlenen van ontheffingen en het waarborgen van veiligheid. Waarom ontbreken daarbij landelijke minimumnormen voor veiligheid, zoals locatiecriteria, crowd control en stopregels, terwijl de gevolgen voor burgers en organisaties ingrijpend zijn?

De leden van de BBB-fractie lezen dat bij incidenten op ontheffingslocaties meerdere bestuurslagen betrokken zijn. Wie is juridisch eindverantwoordelijk, indien zich op een ontheffingslocatie een incident voordoet, en hoe is deze verantwoordelijkheid juridisch vastgelegd?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitvoerbaarheid van de AMvB wordt verondersteld. Hoe is deze uitvoerbaarheid onderbouwd, gegeven structurele tekorten bij politie, OM en gemeenten, en welke kengetallen en aannames liggen hieraan ten grondslag?

De leden van de BBB-fractie lezen dat extra handhavingsinspanningen nodig zijn om het nieuwe regime te effectueren. Welke bestaande handhavingstaken worden afgeschaald om hiervoor capaciteit vrij te maken, en acht de staatssecretaris deze verdringing aanvaardbaar?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB onvoorwaardelijk in werking treedt. Waarom is niet gekozen voor een voorwaardelijke of gefaseerde inwerkingtreding, terwijl voorzienbaar is dat uitvoering en handhaving mogelijk tekortschieten?

De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten nieuwe taken krijgen opgelegd in het kader van het ontheffingsregime. Welke nieuwe taken betreft dit, wat is de integrale kostprijs per taak, en waarom is hiervoor geen structurele financiƫle compensatie geregeld?

De leden van de BBB-fractie lezen dat het ontheffingsregime kan leiden tot juridische procedures. Hoeveel bezwaar- en beroepszaken verwacht de staatssecretaris, en op welke wijze wordt uniforme rechtsbescherming geborgd?

De leden van de BBB-fractie lezen dat gemeenten aansprakelijk kunnen worden gesteld bij incidenten. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat gemeenten aansprakelijk worden gehouden, terwijl landelijke veiligheidsnormen ontbreken?

De leden van de BBB-fractie lezen dat de AMvB geen expliciete evaluatiebepalingen bevat. Waarom zijn geen vooraf vastgelegde evaluatiecriteria en bindende beleidsconsequenties opgenomen, zoals opschorting of heroverweging bij negatieve uitkomsten?

De leden van de BBB-fractie lezen dat objectieve onderbouwing van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid essentieel is. Op welke grond acht de staatssecretaris deze AMvB verantwoord, indien niet met objectieve criteria en kengetallen kan worden aangetoond dat hij uitvoerbaar, handhaafbaar en financieel gedekt is?

De leden van de BBB-fractie hebben ook nog enkele vragen over de compensatieregeling. Kan de staatssecretaris zeggen hoeveel vervoerders geraakt worden, doordat zij niet mee worden genomen in de compensatieregelingen? Kan de staatssecretaris ervoor zorgen dat deze vervoerders alsnog worden meegenomen in de compensatieregelingen? Zij hebben immers last hebben van inkomstenderving in de vorm van speciaal materieel, vergunningen en opleidingen voor het veilig vervoeren van vuurwerk.

SGP-fractie

De leden van de SGP-fractie constateren dat gemeenten aangeven dat handhaving op de naleving van de voorwaarden voor eventuele ontheffingen lastig is, omdat bijvoorbeeld boa’s vanwege de gevaarzetting niet ingezet kunnen worden. Deze leden horen graag hoe door controles vooraf en door aanvullende voorwaarden de naleving bevorderd kan worden. Op welke wijze zou wel gebruikt gemaakt kunnen worden van de inzet van boa’s?

De leden van de SGP-fractie constateren dat onduidelijkheid over de aansprakelijkheidsverdeling een risico is voor goede uitvoering van de ontheffingsbepaling. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris voor afspraken met gemeenten en verzekeraars hierover, zodat er meer duidelijkheid komt over de aansprakelijkheidsverdeling?

De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de leeftijdsgrens van zestien jaar voor het afsteken van vuurwerk bij een ontheffing. Waarom is gekozen voor zestien jaar en niet voor bijvoorbeeld achttien jaar, zoals voorgesteld door de VNG?

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de staatssecretaris heeft afgezien van een vestigingseis, terwijl deze vestigingseis de besluitvorming voor gemeenten eenvoudiger maakt.

De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de staatssecretaris er niet voor heeft gekozen een eis op te nemen voor de maximale hoeveelheid vuurwerk die iemand in bezit mag hebben. Dat maakt besluitvorming voor gemeenten eenvoudiger en is een controleerbare waarborg die bijdraagt aan een veilige uitvoering van de ontheffingsbepaling.

ChristenUnie-fractie

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn de mening toegedaan dat, gelet op de omvangrijke ongeregeldheden tijdens de afgelopen jaarwisselingen die samenhangen met vuurwerk Ć©n het expliciete verzoek van de politie om consumentenvuurwerk te verbieden, het verstandig is een dergelijk vuurwerkverbod in te voeren. Wel zien deze leden dat de omvang en intensiteit van de vuurwerkproblematiek tussen gemeenten verschilt, en wijzen zij erop dat in kleinere gemeenschappen in ā€˜de regio’ de jaarwisseling zelfs zonder noemenswaardige incidenten plaatsvindt. Mede om die reden zijn deze leden er voorstander van dat, onder voorwaarden, het voor georganiseerde groepen burgers mogelijk moet zijn om een ontheffing aan te vragen om alsnog in georganiseerd verband vuurwerk af te steken. Deze leden danken de staatssecretaris voor de invulling die met het onderhavige ontwerpbesluit is gegeven aan het desbetreffende amendement. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog een aantal vragen. Deze leden wijzen erop dat is gekozen voor veiligheidseisen die deels overeenkomen met de eisen die gelden voor professioneel vuurwerk, bijvoorbeeld ten aanzien van de indeling van afsteekplaats, -terrein en veiligheidszones, en vragen de staatssecretaris om deze keuze nader toe te lichten. Is dit, bijvoorbeeld gelet op verschillen in risico’s tussen F2-vuurwerk en professioneel vuurwerk proportioneel?

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de staatssecretaris tevens om in te gaan op de zorgpunten die de VNG kenbaar heeft gemaakt in de brief van 6 februari 2026. In het bijzonder vragen deze leden de staatssecretaris inhoudelijk in te gaan op het verzoek van de VNG om aanvullende financiƫle middelen voor gemeenten: is hij van plan om hier wel of niet middelen voor te reserveren, en waarom?

De leden van de ChristenUnie-fractie zijn van mening dat een passende compensatieregeling voor de sector op zijn plaats is. Deze leden vragen of de staatssecretaris deze mening deelt. Kan hij toelichten hoe het overleg met de sector (zowel importeurs als winkeliers) over compensatie en overgangsmaatregelen verloopt? Kan de staatssecretaris daarbij tevens aangeven welk bedrag momenteel gereserveerd is voor deze compensatieregeling?

II Reactie van de bewindspersoon