Schriftelijke antwoorden op vragen gesteld tijdens de eerste termijn van de begrotingsbehandeling van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) op 11 februari 2026
Brief regering
Nummer: 2026D06813, datum: 2026-02-11, bijgewerkt: 2026-02-11 22:21, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Mede ondertekenaar: K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderdeel van zaak 2026Z03054:
- Indiener: G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Medeindiener: K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- 2026-02-12 15:00: Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2026-03-05 10:15: Procedurevergadering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Procedurevergadering), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG |
|---|
| Datum | 11 februari 2026 |
|---|---|
| Betreft | Schriftelijke beantwoording vragen begrotingsbehandeling OCW 2026 |
Bestuursondersteuning en Advies Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl Contactpersoon |
Onze referentie 62163933 |
| Bijlagen |
Hierbij doen wij u de antwoorden toekomen op de vragen die zijn gesteld tijdens de behandeling van hoofdstuk VIII (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) van de Rijksbegroting 2026 in de eerste termijn van de Kamer op woensdag 11 februari 2026.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gouke Moes
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Koen Becking
Vragen van het lid Biekman (D66)
Vraagnummer: 1
Vraag:
Nu sta ik hier, niet ondanks het mbo, maar mede dankzij het mbo. En ik
weet dat dit voor veel meer mensen geldt. En toch spreken we te vaak
over het mbo alsof het een tweede keuze is. Alsof praktisch opgeleid
minder ambitieus is, minder slim, minder toekomst. Hoe ziet de minister
dat? Wat zijn de baankansen van mbo'ers ten opzichte van theoretisch
opgeleide mensen? Hoe ziet de toekomst van mbo'ers eruit? Voorzitter,
als ik deze OCW-begroting een cijfer zou moeten geven, dan geef ik het
een onvoldoende. Het onderwijs en de studenten worden onvoldoende op
waarde geschat. Welk signaal geeft de minister af aan mbo-studenten met
deze begroting?
Antwoord:
De verschillende vormen van vervolgonderwijs (mbo, hbo en wo) zijn
gelijkwaardig aan elkaar. Het is geen kwestie van lager of hoger, elke
opleidingsvorm is van grote waarde voor de samenleving. Het mbo heeft
hierin een eigen unieke kracht. Mbo’ers zijn de vakmensen van de
toekomst en het mbo is een plek waar iedere student zich kan
ontplooien.
Over de baankansen van mbo’ers ten opzichte van theoretisch opgeleide
mensen is geen eenduidig antwoord te geven. Dat varieert naar
opleidingsniveau en sector, zo laat onderzoek van ROA uit november 2025
zien. Zo is het perspectief van mbo4 afgestudeerden over het algemeen
beter dan dat van opleidingen op bachelorniveau. Voor studenten op
niveau 2 zijn de baankansen over het algemeen minder goed.
Met betrekking tot waardering van mbo’ers zien we gelukkig goede
voorbeelden in de praktijk. Zo zien we dat mbo-studenten in steeds meer
gemeenten kunnen deelnemen aan het studentenleven. Het verder vergroten
van de waardering voor het mbo is geen opdracht voor mijn ministerie of
het onderwijs alleen, dat vraagt iets van de gehele samenleving en
bijvoorbeeld ook van werkgevers.
Vragen van het lid Rooderkerk (D66)
Vraagnummer: 2
Vraag:
Hoe staat het met het wetsvoorstel om gericht te kunnen bekostigen zodat
middelen terechtkomen waar het nodig is?
Antwoord:
Op dit moment wordt het advies van de Raad van State bestudeerd en is
het streven om het wetsvoorstel voor het zomerreces aan te bieden aan de
Tweede Kamer.
We streven ernaar om per 2028 het wetsvoorstel gerichte bekostiging in
werking te laten treden en dan direct toe te passen voor de verbetering
van basisvaardigheden. Momenteel worden de middelen voor
basisvaardigheden nog per subsidie verstrekt, in 2027 worden deze via
aanvullende bekostiging verstrekt aan scholen. In de Kamerbrief van 4
december jl. is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Vraagnummer: 3
Vraag:
Zijn de bewindspersonen bereid nu alles in gang te zetten om samen met
de beroepsgroep meer professionele ontwikkeling van leraren mogelijk te
maken?
Antwoord:
Wij zetten ons zeker in om beroepsgroepsvorming te stimuleren, omdat dit
kansen biedt voor de professionele ontwikkeling van leraren, maar ook
omdat een stevige beroepsgroep cruciaal is om ons stelsel goed te laten
werken. Het is idealiter aan het veld zelf om tot een beroepsgroep te
komen, maar we zien ook dat dit lastig gaat. Wij zorgen voor de
randvoorwaarden.
Vraagnummer: 4
Vraag:
De gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen zijn voor 2026 door het
vorige kabinet met 10% gekort, dat hebben gemeenten al in hun
begrotingen verwerkt. Heeft de staatssecretaris signalen ontvangen dat
gemeenten dat gat zelf niet kunnen opvangen en gaat hij hierover in
gesprek met medeoverheden?
Antwoord:
Wij begrijpen de zorgen en zijn ons bewust van de mogelijke ongewenste
gevolgen. Het kabinet heeft financiële keuzes moeten maken.
Op 28 januari hebben wij een brief ontvangen van de G4, G40, K80 en R8
met hun oproep naar aanleiding van de bezuiniging op het gemeentelijk
onderwijsachterstandenbeleid. Hierin beschrijven zij dat de gemeente
Amsterdam overweegt om de leeftijd waarop kinderen starten met
voorschoolse educatie weer te verhogen van 2 naar 2,5 jaar en dat de
gemeente ’s Hertogenbosch overweegt om in 2026 de uitrol van de
gezinsgerichte taalaanpak te vertragen of stop te zetten.
Er zijn doorlopend gesprekken met gemeenten. Onder andere via het
ondersteuningstraject van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid,
maar ook via reguliere ambtelijke gesprekken met ons ministerie.
Vraagnummer: 5
Vraag:
Is de minister bereid om bestaande ongelijkheden in de
studiefinanciering van het mbo, hbo en wo, waaronder die van
hbo-bachelorstudenten die niet vergoed een master wo kunnen volgen, in
kaart te brengen en aan te pakken?
Antwoord:
Een deel is al in kaart gebracht. In november 2025 heeft uw Kamer een
brief ontvangen over de verschillen in de normbedragen van
studiefinanciering tussen mbo- en hbo/wo-studenten. In die brief is
ingegaan op de mogelijkheden om deze verschillen weg te nemen en wat
hiervoor nodig is, ook in termen van financiële dekking.
Het lid Straatman (CDA) heeft over het verschil in het aantal
prestatiebeursrechten tussen hbo-bachelor en wo-bachelor studenten die
doorstromen naar de wo-master schriftelijke vragen over gesteld. Deze
worden zo spoedig mogelijk beantwoord. Desgewenst kan aanvullend op deze
antwoorden een nadere analyse op dit verschil worden gemaakt.
Voor het aanpakken van deze verschillen zijn verschillende beleidsmatige
en budgettaire keuzes nodig. Het is aan het volgende kabinet om hierover
het gesprek met de Kamer aan te gaan.
Vragen van het lid Kisteman (VVD)
Vraagnummer: 6
Vraag:
Het onderwijsresultatenmodel leidt nu tot perverse prikkels die het
onderwijs ondermijnen. In 2027 wordt het toezichtkader
onderwijsresultatenmodel opnieuw vastgesteld, maar er wordt weinig
verandering verwacht. In een recent gesprek van deze commissie met de
Inspectie van het Onderwijs blijkt dat de Inspectie tal van
uitzonderingen geeft en dat 'het wel meevalt'. Maar als je een systeem
overeind moet houden met uitzonderingen, klopt het systeem gewoon niet.
Graag een reactie van de staatssecretaris. Hoe kijkt hij naar al deze
signalen?
Antwoord:
De signalen over het onderwijsresultatenmodel zijn bekend. De inspectie
is juist ook vanwege die signalen bezig met een herziening van het model
op basis van input uit het veld en de wetenschap.
Het is wel van belang dat de inspectie onderwijsresultaten mee blijft
wegen bij de beoordeling van scholen, dit past ook bij de oproepen van
uw Kamer om deze resultaten te verbeteren.
Conform de moties Kwint en Soepboer zullen de onderwijsresultaten minder
zwaar meewegen in het oordeel van de inspectie, zodat het rendement
minder belangrijk wordt. Dat geeft scholen meer ruimte om keuzes te
maken in het belang van de leerling, ook als dat doorstroom of uitstroom
is.
De voorgestelde aanpassingen worden de komende tijd uitgebreid
voorgelegd aan het onderwijsveld. In 2027 wordt het definitieve
onderwijsresultatenmodel op voordracht van de inspectie door ons
vastgesteld.
Vraagnummer: 7
Vraag:
Het risicomodel van de Inspectie geeft aparte prikkels. Scholen zouden
toch allemaal dezelfde kans op een bezoek moeten hebben en de ene niet
veel vaker dan de andere. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?
Antwoord:
Het is belangrijk dat iedere school periodiek wordt bezocht door de
Inspectie. Daarom heeft uw Kamer ook in een aangenomen motie Rooderkerk
de regering verzocht de frequentie van de bezoeken verder aan te
scherpen.
Op basis van wetenschappelijke inzichten is het daarnaast logisch om
risicogericht te werken en scholen met hogere risico’s sneller te
bezoeken. Het is belangrijk dat deze risico’s breed bezien worden. Het
kan daarbij inderdaad gaan over onderwijsresultaten, maar ook over
sociale veiligheid of andere zaken.
De Inspectie kiest daarom voor een combinatie van periodiek en
risicogericht toezicht, juist zodat de Inspectie daar is waar zij het
meest nodig is.
Vraagnummer: 8
Vraag:
Jaarlijks geven we ruim € 4 miljoen euro uit aan instellingssubsidies
voor belangenorganisaties, zoals het LAKS, Ouders in Onderwijs en stem
van de vso-leerling. Waarom deze organisaties wel en andere ouder of
belangenverenigingen niet? Zij vragen een contributie van hun leden om
het hoofd boven water te houden. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?
Waarom gaat het geld niet naar het onderwijs zelf, zodat kinderen
bijvoorbeeld beter leren lezen, rekenen in plaats van naar partijen die
ons op dinsdag een petitie komen overhandigen? Kan de staatsecretaris
toelichten hoe dit systeem is ontstaan? Waarom is er juist voor deze
partijen gekozen en vindt hij het zelf niet ook ietwat merkwaardig dat
wij dit zo organiseren?
Antwoord:
Leerlingen en ouders zijn cruciaal in het stelsel van onderwijs, dus
enige vorm van ondersteuning aan hen is dat ook. Een (beperkte) bijdrage
van rijkswege is daarvan een logisch gevolg. Deze organisaties zijn meer
dan alleen een belangenorganisatie. Ze hebben tal van activiteiten om
hun achterban te informeren en te ondersteunen. Voor leerlingen zijn er
meerdere partijen die subsidie krijgen (LAKS, LBVSO en Stem van de
vso-leerling). Vanwege deze wezenlijke taken is er dus een aantal
partijen dat subsidies krijgt. Soms ook op basis van een motie of
verzoek vanuit uw Kamer.
Vraagnummer: 9
Vraag:
Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe techniekonderwijs een vaste
plek kan krijgen in het primair en voortgezet onderwijs? Hoe
enthousiasmeren we leerlingen zonder hun keuzevrijheid te beperken? En
zijn er kansen om techniekonderwijs minder subsidiegedreven en meer
structureel te organiseren?
Antwoord:
Techniek heeft deze belangrijke vaste plek al en deze wordt verder
versterkt in de vernieuwde kerndoelen voor het primair onderwijs en de
onderbouw van het voortgezet onderwijs, en in de nieuwe
examenprogramma’s van het voortgezet onderwijs. In het funderend
onderwijs leren leerlingen zichzelf kennen en oriënteren zij zich op
vervolgopleidingen. Hierin beperken we de keuzevrijheid niet. Daarbij
geven we techniek een modern en aantrekkelijk imago, om leerlingen in
het gehele funderend onderwijs te enthousiasmeren. Dit doen we mede door
het structurele programma Sterk Techniekonderwijs waarin het onderwijs
en bedrijfsleven in regio’s samenwerken, waarvoor binnenkort een
verkenning start naar een passende vorm van vervolgfinanciering. We
hebben uw Kamer hierover op 10 februari jl. een brief gestuurd. Verder
wordt de structurele financiële verankering van de praktijkgerichte
vakken in het vmbo en de havo nader uitgewerkt. Voor het Nationaal
groeifonds-programma Techkwadraat geldt dat dit tijdelijk geld is dat
onder voorwaarden beschikbaar is tot 2032.
Vragen van het lid Rajkowski (VVD)
Vraagnummer: 10
Vraag:
Er komt volgens het nieuwe coalitie akkoord ook een talentstrategie
waarbij er meer gestuurd gaat worden op studiekeuze. Afgelopen maandag
sprak ik tijdens een mbo-docent event met docenten, studenten,
bestuurders en het bedrijfsleven over het doorbreken van taboes. Ik hoor
ook een reactie van de minister hoe hij tegen dit soort prikkels
aankijkt.
Antwoord:
Het kabinet deelt dat er meer waardering moet zijn voor mbo-studenten.
De verschillende vormen van (tertiair) vervolgonderwijs (mbo, hbo en wo)
zijn gelijkwaardig aan elkaar. Het kabinet begrijpt ook de wens om
studenten meer te stimuleren om te kiezen voor opleidingen in
tekortsectoren. In de praktijk zien we dat financiële prikkels door
sommige bedrijven of sectoren al succesvol worden toegepast, zoals in de
metaalsector. Daarbij maken dergelijke maatregelen vaak deel uit van een
breder pakket aan maatregelen om studenten te stimuleren voor een
bepaalde sector te kiezen, zoals innovatieve manieren van begeleiding en
baangaranties. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat het de vraag is of
het landelijk inzetten van deze instrumenten effectief en doelmatig is.
Het is aan een volgend kabinet om een strategie te maken met een
effectief en efficiënt pakket aan maatregelen.
Vraagnummer: 11
Vraag:
Wat gebeurt er bij uit de hand gelopen protesten, zoals huisvredebreuk?
Worden dan de namen van studenten die strafbare feiten plegen, ook door
de politie gedeeld met onderwijsinstellingen? Zo nee, waarom niet? Is
daar een wettelijke belemmering voor? En zo ja, in hoeveel gevallen is
er door onderwijsinstellingen daarna ook geacteerd op deze studenten,
zoals het schorsen of royeren?
Antwoord:
De beoordeling of sprake is van strafbare feiten is aan het Openbaar
Ministerie.
De Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG) biedt onder
voorwaarden een grondslag voor het Openbaar Ministerie om
strafvorderlijke gegevens te verstrekken aan derden buiten de
strafrechtspleging. Zo is verstrekking mogelijk als het noodzakelijk is
voor het opsporen van strafbare feiten, handhaving van de openbare orde
en veiligheid, of het beoordelen van de noodzaak tot het nemen van
bestuursrechtelijke maatregelen. Of informatie over gepleegde strafbare
feiten kan worden verstrekt aan het slachtoffer of de verzekeraar ten
behoeve van een civielrechtelijk verhaal van de schade, is een afweging
die het OM moet maken op grond van artikel 39f WJSG. Steeds wordt de
verstrekking getoetst aan noodzakelijkheid en proportionaliteit.
Volledigheidshalve verwijs ik in dit verband naar de Aanwijzing WJSG
(Stcrt. 2018, 36059) van het Openbaar Ministerie.
Vraagnummer: 12
Vraag:
Is deze minister het met de VVD eens dat het belangrijk is voor het
welzijn van de studenten en het behoud van de studentencultuur dat het
mogelijk moet blijven om te kiezen met wie je in één huis woont?
Antwoord:
Het beleid van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
(VRO) bepaalt hiervoor de kaders en daarin is opgenomen dat de
verhuurder bepaalt of en, zo ja, onder welke voorwaarden hospiteren aan
de orde is.
Vraagnummer: 13
Vraag:
Er zijn zorgen bij instellingen dat de instroom van Oekraïense studenten
drukt op de begroting van OCW, op een manier dat dit uiteindelijk ook
een indirecte korting is, een bezuiniging op die instelling zelf. Deelt
de minister deze zorgen?
Antwoord:
Zoals met uw kamer gedeeld in de Verzamelbrief opvang Oekraïne van 28
november jl. is het kabinet voornemens om per 1 september 2027
ontheemden uit Oekraïne (onder meer) het recht op wettelijk collegegeld
te geven. Bij de uitvoering hiervan zit een aantal onzekerheden, met
name met betrekking tot de kosten en de uitvoerbaarheid. De financiële
besluitvorming hiervoor loopt mee in het reguliere proces van de
voorjaarsbesluitvorming. Het is aan het volgend kabinet om hier in het
kader van de voorjaarsnota besluiten over te nemen.
Vragen van het lid Moorman (GroenLinks-PvdA)
Vraagnummer: 14
Vraag:
Hoe beoordeelt de staatssecretaris het jojo-beleid van de afgelopen
jaren? Dan weer investeringen, dan weer bezuinigingen. Ziet de
staatssecretaris ook dat dit een verlammend effect heeft op de
onderwijssector? Op al die leraren, schoolleiders, schoolbestuurders,
terwijl juist doorbraken nodig zijn om grote problemen in het onderwijs
op te lossen zoals het lerarentekort en de dalende kwaliteit?
Antwoord:
Het is uiteraard belangrijk dat de overheid duidelijk en consistent
beleid voert. De realiteit is echter ook dat er soms scherpe keuzes
gemaakt moeten worden. Het is belangrijk dat de overheid de regie neemt
in het onderwijs en dat scholen weten wat er van hen verwacht wordt met
heldere doelen en een langetermijnaanpak op de prioritaire thema’s zoals
het lerarentekort. Hierbij hoort ook dat scholen zekerheid hebben over
de bekostiging die zij krijgen. Dit geeft scholen de rust en stabiliteit
om aan de doelen in het funderend onderwijs te werken. We werken er
daarom aan dat scholen structurele bekostiging ontvangen voor
structurele taken. Deze problematiek en denkrichtingen voor de toekomst
zijn benoemd in de Kamerbrief herijking van de sturing in het funderend
onderwijs van 5 april 2024.
Vraagnummer: 15
Vraag:
Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat steeds meer kinderen worden
uitgesloten om toch maar de gewenste resultaten te behalen? Zou het
onderwijsresultatenmodel niet moeten worden aangepast zodat scholen
worden beloond voor inclusie in plaats van daarvoor worden
afgestraft?
Antwoord:
De Inspectie werkt momenteel aan een herziening van het
onderwijsresultatenmodel om mogelijke perverse prikkels weg te nemen.
Ook krijgt het onderwijsresultatenmodel een minder zware weging in het
oordeel van de Inspectie, zoals aangekondigd in de Kamerbrief over
toezicht van 18 december 2025.
Bovendien onderzoekt de Inspectie hoe zij inclusie kan belonen in de
nieuwe Onderzoekskaders, die vanaf 2027 in werking treden.
Vraagnummer: 16
Vraag:
Ziet de staatssecretaris met ons het risico dat als onderwijs niet doet
wat het moet doen, dat er dan steeds meer commercialisering plaatsvindt
in het onderwijs en de verschillen tussen scholen en kinderen steeds
groter wordt? We zien nu al dat 450 miljoen euro gaat naar commerciële
inhuur. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit bedrag? En zou dit niet
moeten worden beperkt, want het is toch gek dat onderwijsgeld nu de
winst vormt van uitzendbureaus die profiteren van de schaarste?
Antwoord:
Werken aan kwaliteit vindt idealiter plaats binnen de school, en kan
onderwijsverbetering alleen duurzaam worden geborgd wanneer ook de
expertiseopbouw binnen de school is versterkt. Dit is ook nader
toegelicht in de brief over de uitkomsten van de verkenning naar de
ondersteuningsstructuur. Het kan echter ook behulpzaam zijn tijdelijk
expertise van buiten in te vliegen. Daarbij is het van belang dat het
aanbod en de kwaliteit daarvan beter inzichtelijk wordt voor scholen.
Daarom gaan we samen met de sociale partners en vertegenwoordigers van
de adviesmarkt aan de slag met een kwaliteitsalliantie en
kwaliteitskader voor onderwijsadvies.
Wat betreft de commerciële inhuur van leerkrachten vinden wij het
onwenselijk dat daar onnodig veel onderwijsgeld wordt besteed. De
afgelopen tien jaar zien we dat de besteding aan externe inhuur van
leraren in het funderend onderwijs is toegenomen. Het bedraagt nu
grofweg 2% van de personele kosten. Daarom is een wetsvoorstel over
strategisch personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen opgesteld,
waarmee de externe inhuur van leraren wordt beperkt. Inmiddels hebben we
een advies van de Raad van State ontvangen dat we nu bestuderen. Het is
aan het volgende kabinet om dit verder te wegen.
Vragen van het lid Tseggai (GroenLinks-PvdA)
Vraagnummer: 17
Vraag:
Kan de minister reflecteren op de begroting van dit jaar en de gevolgen
daarvoor voor het mbo?
Antwoord:
Rijksbreed is besloten dat een deel van de prijsbijstelling 2025 niet
volledig is uitgekeerd. Dit geldt dus ook voor het mbo. Het gaat voor
mbo om een korting van structureel circa € 35 miljoen. Dit neemt niet
weg dat het kabinet wel heeft geïnvesteerd in het mbo. Bijvoorbeeld in
de basisvaardigheden (€ 50 miljoen voor de studiejaren 2025/2026 en
2026/2027).
Vraagnummer: 18
Vraag:
De minister heeft te kennen gegeven met de contouren van een
wetsvoorstel voor stagevergoeding te komen. In het nieuwe
coalitieakkoord staat dat de stagevergoeding wettelijk verplicht wordt.
Kunnen we dit proces niet versnellen en de contouren van het
wetsvoorstel een volledig wetsvoorstel laten worden?
Antwoord:
Het is niet mogelijk om te versnellen en al voor de zomer een
wetsvoorstel gereed te hebben. In de brief bij de verkenning wettelijke
verplichte stagevergoedingen die uw Kamer vorige maand heeft ontvangen,
is aangegeven dat er nog een aantal wezenlijke dilemma’s zijn.
Voor de zomer komen we met de contouren van een wetsvoorstel, waarin de
richting op deze dilemma’s wordt bepaald. Dit zijn de bouwstenen voor
een wetsvoorstel en dat is daarmee een stap die we sowieso moeten nemen.
Dit vormt geen vertraging van het proces.
Vraagnummer: 19
Vraag:
Zou de minister bereid zijn om het vrijstellingsbeleid voor volwassen
zij-instromers te verruimen?
Antwoord:
We hebben zij-instromers hard nodig in het onderwijs. Elke zij-instromer
is uniek en het beoordelen van wat een zij-instromer nog moet (bij)leren
vraagt maatwerk. Dat gebeurt door de lerarenopleidingen via het
geschiktheidsonderzoek. Hierin wordt bepaald op welke onderdelen de
zij-instromer scholing en begeleiding nodig heeft en waar, op basis van
eerder verworven competenties, geen aanvullende scholing nodig is. Er
gelden geen generieke vrijstellingen.
Vraagnummer: 20
Vraag:
Ik ben niet heel gelukkig met de voortgang van het stagepact. Met name
als het gaat over stagemisbruik, begeleiding en discriminatie. Kan de
minister hierop reflecteren en hoe kijkt hij zelf naar de voortgang van
dat stagepact?
Antwoord:
Zoals aangegeven in de Kamerbrief over de tussentijdse evaluatie over de
werkagenda en het stagepact, maken we ons zorgen over de beperkte
voortgang op de doelen van het Stagepact. Het lukt nog onvoldoende om op
de geformuleerde doelstellingen, zoals het tegengaan van
stagediscriminatie en het verbeteren van de begeleiding, de gewenste
vooruitgang te realiseren. Ook de partners van het Stagepact delen deze
zorg. Daarom ontwikkelen we de komende maanden gezamenlijk een
aangescherpt actieplan met maatregelen vanuit alle partners voor de
resterende looptijd van het Stagepact. Zo intensiveren we de inzet zodat
we aan het einde van het stagepact alle mbo-studenten betere stages
ervaren.
Om bijvoorbeeld de kwaliteit van stagebegeleiding te versterken, brengen
de MBO Raad en JOBmbo in beeld wat studenten belangrijk vinden bij
begeleiding en wat daarbij succesvolle aanpakken van scholen zijn. Met
als doel om deze aanpakken ook bij andere scholen toe te passen. Een
ander voorbeeld is dat we in de aanpak van stagediscriminatie werken aan
een betere vindbaarheid en toegankelijkheid van meldpunten, dat moet
namelijk echt beter. De MBO Raad en JOBmbo maken afspraken om de
meldpunten actief onder de aandacht te brengen van studenten en om de
bestuurders van instellingen te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor
vindbare en toegankelijke meldpunten. Van belang is dat bestuurders hun
verantwoordelijkheid nemen als het gaat om de kwaliteit van stages.
Stages zijn immers een wezenlijk onderdeel van een beroepsopleiding en
niet een periode waarin de student tijdelijk is ondergebracht bij een
werkgever. Onlangs is deze boodschap ook uitgedragen door de MBO Raad en
het ministerie van OCW gezamenlijk bij een bijeenkomst van alle
bestuurders van de mbo-instellingen.
Vraagnummer: 21
Vraag:
Gaat het staande beleid tegen vroegtijdig schoolverlaters wel
door?
Antwoord:
Ja, het staande beleid gaat door. De inwerkingtreding van de Wet van
school naar duurzaam werk is daar onderdeel van. De ambitie van maximaal
18.000 voortijdig schoolverlaters in 2026 blijft dus overeind.
Vragen van het lid Abdi (GroenLinks-PvdA)
Vraagnummer: 22
Vraag:
Mijn eerste vraag aan de minister gaat over het Rapport Wennink. Want
hoewel mijn fractie dat natuurlijk enorm verwelkomt, heb ik moeite met
de eenzijdige focus alleen maar op de beta- en gammawetenschappen. En ik
ben benieuwd of u de analyse deelt dat volledige investering in kennis
en ook in onderzoek noodzakelijk is. Niet alleen voor onze economie,
maar ook voor onze samenleving.
Antwoord:
Het rapport Wennink is specifiek gericht op economische groei. Het
onderzoek- en wetenschapsbeleid is breder: het investeert in alle
wetenschapsdomeinen én in alle soorten onderzoek, van fundamenteel tot
praktijkgericht en toegepast. Daarmee dragen deze investeringen bij aan
de samenleving, van maatschappelijke transities tot economisch
verdienvermogen. Het is aan een volgend kabinet hoe zij om willen gaan
met de aanbevelingen uit het rapport Wennink.
Vraagnummer: 23
Vraag:
Heeft de minister zicht op mate waarin externe financiering invloed
heeft op de inhoudelijke keuze van universiteiten, als het gaat om
academische vrijheid en ruimte voor ongebonden onderzoek? Welke concrete
waarborgen zijn er om te voorkomen dat financiële afhankelijkheid, de
onafhankelijk en integriteit van onderzoek onder druk zet?
Antwoord:
Universiteiten en wetenschappers worden gestimuleerd om onderzoek te
doen dat goed aansluit bij maatschappelijke uitdagingen en zoeken
hiervoor ook externe financiering. Universiteiten beschikken over
procedures, richtlijnen en waarborgen om te voorkomen dat gezonde
samenwerking onder druk staat en de academische vrijheid en
wetenschappelijke integriteit in het geding komt. De Nederlandse
Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) maakt hier onderdeel
van uit en wordt op dit moment geactualiseerd. De nieuwste versie
verwachten wij na de zomer.
Vraagnummer: 24
Vraag:
Mijn fractie ziet ook andere bedreigingen die we niet mogen negeren. Het
gaat dan om intimidatie en druk richting onderzoekers en docenten. Heeft
de minister zicht op de aard en de omvang van intimidatie en/of
juridische of maatschappelijke druk richting onderzoekers en
docenten?
Antwoord:
Wetenschappers die zich mengen in het publieke debat krijgen steeds
vaker te maken met bedreigingen en intimidatie. Dit is ontoelaatbaar. Op
de website WetenschapVeilig is informatie beschikbaar voor
wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe hiermee om te
gaan. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en
bedreiging gepubliceerd; deze zal in 2026 worden herhaald.
Vragen van het lid Van der Plas (BBB)
Vraagnummer: 25
Vraag:
Wanneer komt er een structurele koers voor instroom, waardering én
behoud van opleidingen? En hoe borgt de minister, zelf een mbo'er, dat
het nieuwe bekostigingsmodel het regionale mbo niet verder uitholt,
zeker in krimpregio’s waar één opleiding het verschil maakt tussen groei
en leegloop?
Antwoord:
Het kabinet vindt het van groot belang dat studenten in alle regio’s van
Nederland goed mbo onderwijs kunnen volgen. Daarom is voor de jaren 2025
tot en met 2027 € 90 miljoen beschikbaar gesteld om op de korte termijn
cruciale opleidingen in de regio te behouden. Hiervoor is meer
samenwerking tussen instellingen noodzakelijk. Anticiperend op de lange
termijn, is dit daarom als norm gesteld bij de besteding van deze
middelen. Voor de langere termijn maakt het kabinet de bekostiging
stabieler, waardoor kwalitatief goed en toegankelijk onderwijs in het
hele land bereikbaar blijft en waarmee samenwerking wordt gestimuleerd.
Een volgend kabinet zal voor de zomer een voorstel voor de herziene
bekostiging aan uw Kamer versturen.
Ook werken we aan een pact tussen OCW, mbo-instellingen en bedrijfsleven
waarin we afspraken willen maken over een regionaal opleidingsaanbod dat
meer gericht is op de arbeidsmarkt van de toekomst. Het vergroten van de
maatschappelijke waardering voor het mbo is geen opdracht voor het
onderwijs alleen, dat vraagt iets van de gehele samenleving. We zien
gelukkig goede voorbeelden in de praktijk. Zo zetten steeds meer
gemeenten zich samen met mbo-instellingen in voor een stevige positie
van het mbo en mbo-studenten in hun regio.
Vraagnummer 26
Vraag:
En hoe kijkt de minister aan tegen een beperkt aantal plaatsen voor de opleidingen waar eigenlijk weinig vraag naar is op de arbeidsmarkt, zoals business services, commercie en andere economiegerichte mbo-studies? Hoe kijkt de minister naar meer plaatsen bij opleidingen met meer aansluiting bij de arbeidsmarkt?
Antwoord:
Het is van belang dat alle studenten kunnen kiezen uit een
regionaal opleidingsaanbod dat gericht is op de arbeidsmarkt van de
toekomst. Waar meer wordt opgeleid voor maatschappelijke opgaven als
zorg en techniek en minder voor opleidingen met minder duurzaam
arbeidsmarktperspectief en maatschappelijke bijdrage. Hiervoor kunnen
verschillende instrumenten worden ingezet, maar het is aan een nieuw
kabinet om hierover een besluit te nemen. Gedacht kan worden aan een
beperking van het aantal opleidingsplaatsen of betere voorlichting over
arbeidsmarktkansen. Het is van belang dat onderwijs, bedrijfsleven en
overheid hier goede afspraken over maken.
Vraagnummer: 27
Vraag:
Hoe staat het met motie Oostenbrink die vraagt om een handreiking voor
lokale initiatieven die hun school willen behouden? Komt er eindelijk
een vaste krimpcheck zodat Haagse logica niet langer leiden tot
regionale kaalslag?
Antwoord:
Er wordt naar aanleiding van de motie Oostenbrink gewerkt aan
verschillende handreikingen voor onder andere gemeenten en
schoolbesturen, zoals over samenwerking tussen basisscholen, en over
lokale initiatieven, die voor het einde van het jaar gepubliceerd
wordt.
Er is al een aangenomen motie om bij nieuwe wet- en regelgeving een
krimpcheck uit te voeren. Deze is in 2018 door het lid Westerveld en
voormalig lid Van der Hul ingediend. In 2024 is door de leden Van
Zanten, Stoffer, Ceder, Krul en De Kort een vergelijkbare motie
ingediend, waarmee het belang van de krimpcheck is bevestigd. Bij
wijziging van bekostigingswetgeving kijken we altijd naar de effecten op
scholen, waaronder ook scholen in krimpregio’s. Dit doen we bijvoorbeeld
bij de omvorming van de kleinescholentoeslag naar een
dunbevolktheidstoeslag en de herziening van het primair onderwijsstelsel
voor instandhouding van scholen. Onderdeel van de herziening, is het in
stand houden van de laatste school in de omgeving, wat bijdraagt aan de
leefbaarheid.
Sinds 2022 is er bovendien in het voortgezet onderwijs een geïsoleerde
scholentoeslag. Dit draagt bij aan bereikbaarheid van het voortgezet
onderwijs, ook in dunbevolkte gebieden.
Vraagnummer: 28
Vraag:
Hoe wordt het leerlingenbelang voortgezet speciaal onderwijs (LBVSO),
die de juiste stem van ouders en leerlingen in het speciaal onderwijs
vertegenwoordigt, structureel betrokken bij het beleid rondom passend
onderwijs?
Antwoord:
LBVSO heeft een belangrijke rol in het behartigen van de belangen van
leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Daarvoor ontvangt LBVSO
ook subsidie van OCW.
LBVSO is intensief betrokken bij de gesprekken over veel verschillende
thema’s die deze leerlingen aangaat. Bijvoorbeeld bij gesprekken over de
beweging naar inclusief onderwijs, maatregelen uit de verbeteraanpak
passend onderwijs zoals de landelijke norm basisondersteuning,
examinering, het mobieltjesverbod etc.
LBVSO pakt daarnaast op basis van subsidie van OCW bepaalde zaken ook
zelf op. Bijvoorbeeld waar het gaat om de aanpak voor neurodivergente
leerlingen. Ook andere partijen zoals LAKS en Stem van de vso-leerling
spelen een belangrijke rol in de belangenbehartiging van leerlingen in
het voortgezet speciaal onderwijs.
Vraagnummer: 29
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid samenwerkingsverbanden actief te bewegen
hun onbenutte reserves eindelijk in te zetten voor concrete
ondersteuning van leerlingen met autisme in plaats van geld op de plank
te laten liggen?
Antwoord:
Wij vinden het van belang dat middelen van de samenwerkingsverbanden
worden ingezet voor extra ondersteuning van de kinderen die dat nodig
hebben. Naar aanleiding van de eerdere motie hierover van het lid Van
Zanten, hebben wij de samenwerkingsverbanden zowel schriftelijk als
mondeling verzocht om hun mogelijk bovenmatige eigen reserves in te
zetten voor autismeprogramma’s in het onderwijs. Op dit moment werken
onder regie van LBVSO meerdere partijen aan een aanpak voor
ondersteuning van leerlingen met neurodivergentie, die
samenwerkingsverbanden daarin kan helpen.
Vraagnummer: 30
Vraag:
Waarom stimuleert de staatssecretaris lesgevende schooldirecteuren nog
steeds niet actief?
Antwoord:
Schoolleiders hebben na leraren de grootste invloed op de
onderwijskwaliteit en zijn bovendien essentieel voor het behoud van
leraren. Lesgevende schooldirecteuren zijn echter niet
noodzakelijkerwijs beter voor de kwaliteit van het onderwijs.
Schooldirecteuren hebben een complexe baan. Leraren en schoolleiders
vullen elkaar aan vanuit hun verschillende rollen. Daarom gaan we
lesgevende schooldirecteuren niet actief stimuleren. Het is aan de
school zelf of de rol van schooldirecteur zich laat combineren met
lesgeven.
Vraagnummer: 31
Vraag:
Hoe staat het met de uitvoering van de aangekondigde verbeteringen in
voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs?
Antwoord:
Aan deze uitvoering wordt op dit moment gewerkt. Eerder deze maand is
een regeling gepubliceerd die het mogelijk maakt dat alle scholen voor
praktijkonderwijs samenwerken met een vmbo-school voor een gezamenlijke
onderbouwklas. Die mogelijkheid gaan we ook wettelijk vastleggen, samen
met het formaliseren van de mogelijkheid voor het samenwerken tussen het
praktijkonderwijs en de entreeopleiding.
Verder wordt nu samen met het veld gekeken naar hoe de bevoegdheden voor
het voortgezet speciaal onderwijs en praktijkonderwijs op een passende
manier kunnen worden geregeld.
Ook wordt op dit moment gekeken naar de mogelijkheden van een
enkelvoudig advies praktijkonderwijs op de doorstroomtoets en is een
verkenning bezig naar het afschaffen van de toelaatbaarheidsverklaring
voor het praktijkonderwijs. Voor het debat over het praktijkonderwijs en
het vmbo in april wordt uw Kamer hier nader over geïnformeerd.
Vraagnummer: 32
Vraag:
Is de minister bekend met signalen van mbo-opleidingen waar eigenlijk in
het werkveld überhaupt geen vraag naar is op dat niveau?
Antwoord:
De baanperspectieven van mbo-studenten verschillen per opleiding. Er
zijn mij geen signalen bekend van opleidingen waar überhaupt geen vraag
naar is. In het systeem zijn er ook verschillende waarborgen ingericht
om dit te voorkomen. Door onderwijs en bedrijfsleven binnen de
Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) wordt
gezamenlijk bepaald welke opleidingen er nodig zijn en wat de inhoud van
die opleidingen is. Ook hebben scholen een zorgplicht om alleen
opleidingen aan te bieden als er voldoende arbeidsmarktperspectief voor
is. Als zij dit niet naleven kan de commissie macrodoelmatigheid mbo, op
basis van signalen, onderzoek doen en de minister van OCW adviseren over
eventueel ingrijpen.
Vraagnummer: 33
Vraag:
Hoe kijkt de staatssecretaris naar de invoering van een uniform advies
praktijkonderwijs naast het dubbele advies pro/vmbo?
Antwoord:
Stichting Cito onderzoekt of het mogelijk is om uit de doorstroomtoets
een enkelvoudig toetsadvies voor praktijkonderwijs te laten komen, naast
het dubbele advies pro/vmbo. En wat daar de effecten van zijn. Over de
conclusies en de gevolgen hiervan, voeren we op dit moment gesprekken
met partijen uit het veld waaronder de Sectorraad Praktijkonderwijs. Uw
Kamer wordt dit voorjaar geïnformeerd zodat we vervolgens op basis van
het onderzoek en de gesprekken hierover met het veld kunnen doorpraten
in het debat over pro en vmbo dat nu gepland staat op 22 april
aanstaande.
Vraagnummer: 34
Vraag:
Zou de staatssecretaris bereid zijn om de toetsing in het basisonderwijs
breder te trekken? Nu worden alleen cognitieve vaardigheden zoals
taalvaardigheid getoetst, waardoor praktische talenten buiten beeld
blijven.
Antwoord:
Het toetsen van praktijkgerichte vaardigheden is ingewikkeld. Niet alles
wat van waarde is, moet en kán ook met een gestandaardiseerde toets
gemeten worden. Er kan bijvoorbeeld ook ingezet worden op andere vormen
van waardering, zoals in een leerlingportfolio. Stichting Cito
onderzoekt hoe een praktijkgerichte vaardigheid meetbaar en toetsbaar
gemaakt kan worden op een manier die haalbaar is voor een school. Vóór
de zomer van 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Vragen van het lid Raijer (Partij voor de Vrijheid)
Vraagnummer: 35
Vraag:
Op 13 februari 2024 sprak een meerderheid zich uit voor het opnieuw
invoeren van schoolzwemmen. Waar zien we dat terug in deze begroting?
Kunnen de bewindspersonen bevestigen dat hiervoor geen structurele
middelen zijn opgenomen? Als schoolzwemmen wordt overgelaten aan
gemeenten en ouders, dan weten we wat er gebeurt, dan komt het er niet.
Dit raakt direct aan de veiligheid van kinderen, zeker in een land als
Nederland waar overal water is. Graag een reactie van de
bewindspersonen.
Antwoord:
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft samen met het
ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport onderzoek gedaan naar
mogelijke herinvoering van verplicht schoolzwemmen voor een diploma. Uit
die onderzoeken bleek dat een grote meerderheid van schoolleiders tegen
herinvoering van schoolzwemmen is omdat herinvoering van schoolzwemmen
een forse extra belasting is. Die kunnen zij er niet bij hebben gezien
het belang van aandacht voor de basisvaardigheden. Uw Kamer is in april
vorig jaar geïnformeerd per brief dat er geen ruimte is voor
herinvoering van schoolzwemmen, zowel qua draagvlak onder scholen als
ruimte op de rijksbegroting.
Vraagnummer: 36
Vraag:
Ideologische thema's krijgen wel structureel geld: klimaat, gender,
diversiteit, identiteit. Waar ligt de grens, vraag ik aan de minister
via de voorzitter en wanneer zegt het kabinet; het onderwijs is geen
ideologisch experiment? En wanneer erkent de overheid dat opvoeding bij
ouders hoort en niet bij de staat? Waarom is er structureel geld voor
ideologisch gekleurde programma's, maar geen structurele investering in
rust, veiligheid en basisvaardigheden?
Antwoord:
Scholen geven onderwijs op basis van het door uw Kamer vastgestelde
curriculum.
Vraagnummer: 37
Vraag:
De Taskforce antisemitismebestrijding heeft een glashelder rapport
uitgebracht (gevangen in vrijheden). De harde conclusie is dat Joodse
studenten zich onveilig en in de steek gelaten voelen op universiteiten.
Hoe kan het dat intimidatie op scholen wordt getolereerd zolang het
juridisch net kan. Kan de minister uitleggen hij dit zo heeft kunnen
laten gebeuren? Hoe kan het dat grenzen niet worden gesteld terwijl de
gevolgen overduidelijk zijn? Graag een antwoord van de minister. Het
rapport zegt duidelijk dat er ruimte is om bestuurlijk en juridisch in
te grijpen. Dat betekent normen stellen, handhaven en bestuurders
rugdekking geven als zij ingrijpen. Waarom zien we dat niet terug in de
begroting en waarom blijft het bij zorgplichten zonder consequenties?
Kan de minister uitleggen waarom de financiering niet wordt gekoppeld
aan aantoonbare veiligheid?
Antwoord:
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak
om zowel de academische vrijheid, het demonstratierecht als ook de
veiligheid op de campus te waarborgen. Het rapport schetst goed de
lastige afwegingen die de besturen moeten maken. Dat verdient
waardering. Voorts is de weerbaarheid van instellingen afgelopen jaar
verhoogd en verloopt de samenwerking met de driehoek steeds beter.
Het rapport van de Taskforce laat tegelijkertijd zien waar het beter
kan. De aanbevelingen van de Taskforce zijn van grote waarde voor de
veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. We verwachten dat ook
onze opvolgers die waarde zien en voortvarend aan de slag gaan met een
kabinetsreactie. We zullen onze opvolgers dit ook op het hart drukken te
doen.
De verwachting is dat in april een uitgebreide beleidsreactie op het
rapport samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie
Bestrijding Antisemitisme 2024-2030, naar de Kamer wordt gezonden.
Daarin zal het volgend kabinet ingaan op de aanbevelingen en eventuele
vervolgstappen.
Hogescholen en universiteiten ontvangen lumpsumbekostiging. De hoogte
van de bekostiging wordt vastgesteld op basis van onder andere
studentenaantallen en een vaste voet. Vanuit dat budget kunnen zij
invulling geven aan hun verantwoordelijkheid door maatregelen ten
aanzien van veiligheid te nemen.
Vraagnummer: 38
Vraag:
Waarom wordt het mbo opnieuw belast met het oplossen van problemen en
basisvoorzieningen die een oorsprong hebben in het primair en voortgezet
onderwijs, in plaats van dat die problemen structureel worden
aangepakt?
Antwoord:
Het is een gezamenlijk opgave van het primair onderwijs, het voortgezet
onderwijs en het mbo om te zorgen dat leerlingen en studenten de
Nederlandse taal en het rekenen tijdens hun schoolloopbaan voldoende
beheersen. In het primair en voortgezet onderwijs wordt hier structureel
en stevig op ingezet met de maatregelen uit het masterplan
basisvaardigheden. De aanpak basisvaardigheden voor het mbo sluit hier
naadloos op aan. Totdat het taal- en rekenniveau van middelbare
scholieren die willen starten met een mbo-opleiding op orde is, heeft
het mbo de opgave om deze vaardigheden op niveau te brengen. Dat
voorkomt studievertraging en uitval. Mbo-scholen ontvangen voor de
studiejaren 2025/2026 en 2026/2027 in totaal € 47,2 miljoen euro om
taal- en rekenachterstanden van startende mbo-studenten aan te
pakken.
Vraagnummer: 39
Vraag:
Het mbo leidt vakmensen op. Toch zien we dat structurele investeringen
worden uitgesteld. Kan de minister helder aangeven wie verantwoordelijk
is voor de toekomst van het mbo? De overheid die duidelijke landelijke
keuzes maakt of mbo-instellingen die nu zelf moeten omgaan met krimp,
tijdelijke subsidies en steeds wisselend beleid. Erkent de minister dat
het mbo de motor is van onze arbeidsmarkt? En zo ja, waarom krijgt het
mbo dan geen structurele rust en zekerheid in bekostiging, maar moeten
ze blijven draaien op tijdelijke regelingen en pilots?
Antwoord:
De overheid, instellingen en het bedrijfsleven zijn samen
verantwoordelijk voor de toekomst van het mbo. Het mbo is gebaat bij
stabiliteit en heldere keuzes voor de lange termijn. Om de
toegankelijkheid van cruciale mbo-opleidingen in heel Nederland te
waarborgen is een stabiele bekostiging inderdaad van belang. Daarom
wordt de bekostiging van het mbo herzien, zodat studenten in alle
regio’s van Nederland goed mbo-onderwijs kunnen blijven volgen. Daarvoor
is het noodzakelijk dat samenwerking tussen instellingen centraal staat
in plaats van concurrentie. Dit vraagt een wetswijziging, die per 2029
is beoogd in te gaan. Om ook de aankomende jaren goed en toegankelijk
onderwijs aan te kunnen bieden, is er € 90 miljoen beschikbaar gesteld
in regio’s met fors dalende studentenaantallen voor de jaren 2025 tot en
met 2027. Om in die regio’s een breed, kwalitatief goed en toegankelijk
opleidingsaanbod in stand te houden is meer samenwerking tussen
instellingen noodzakelijk. Anticiperend op de lange termijn, is dit
daarom als norm gesteld bij de besteding van deze middelen. Mijn
opvolger zal naar verwachting voor de zomer een besluit voor de
structurele herziene bekostiging aan uw Kamer versturen.
Vraagnummer: 40
Vraag:
Als het kabinet erkent dat de instroom van internationale studenten uit
balans is geraakt, en dat dit druk zet op de kwaliteit en
toegankelijkheid, waarom kiest het er dan voor om de regie grotendeels
bij instellingen zelf te laten? En waarom worden universiteiten en
hogescholen die financieel afhankelijk zijn van internationale studenten
geacht zichzelf te begrenzen? En waarom worden er geen landelijk
bindende grenzen gesteld zodat deze disbalans en de bijbehorende
verengelsing voortduren? Waarom blijft het Nederlands in het hoger
onderwijs een vrijblijvende ambitie? En hoe verhoudt dit zich tot de
verantwoordelijkheid van de overheid om het hoger onderwijs in de eerste
plaats toegankelijk en beschikbaar te houden voor onze Nederlandse
studenten?
Antwoord:
Wij herkennen de zorg dat de instroom van internationale studenten op
onderdelen uit balans is geraakt en druk kan zetten op de kwaliteit en
toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Daarom heeft het kabinet uw
Kamer het wetsvoorstel internationalisering in balans voorgelegd, met
daarin het Nederlands als norm in de bachelor en een toets anderstalig
onderwijs als sluitstuk. De Tweede Kamer heeft met de motie-Krul c.s.
echter duidelijk laten blijken dat de zelfregieplannen van instellingen
leidend moeten zijn en dat de toets anderstalig onderwijs voor het
bestaande opleidingsaanbod moet komen te vervallen. Deze motie is met
ruime meerderheid aangenomen, en het zittende kabinet werkt daarom aan
een nota van wijziging om die aanpassing door te voeren in de
voorliggende wet. Eventuele andere stappen zijn aan een toekomstig
kabinet.
Vraagnummer: 41
Vraag:
Wat in deze begroting volledig ontbreekt is iedere vorm van reflectie op
het islamitisch onderwijs, geen paragraaf, geen analyse, geen enkel
woord. En dat is geen detail, maar een fundamenteel gemis. Want in de
memorie van toelichting lezen we pagina's vol over diversiteit, inclusie
en sociale veiligheid, maar zodra het gaat over de spanning tussen
islamitisch onderwijs en onze Nederlandse waarden en normen blijft het
stil. Dat onderwerp wordt bewust vermeden. En dan vraag ik de minister:
waarom?
Antwoord:
Op grond van artikel 23 Grondwet kennen we in Nederland een pluriform
onderwijsbestel, waardoor er zowel openbare als bijzondere scholen
bestaan. Het maakt niet uit welke identiteit een school uitdraagt; alle
scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school en een
schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de
democratische rechtsstaat. De inspectie houdt hier toezicht op. Daarbij
wordt geen onderscheid gemaakt naar de denominatie van de school.
Vraagnummer: 42
Vraag:
Er is een toenemende vraag naar gebedsruimtes voor moslims op openbare
scholen en door de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens
wordt het inmiddels al als discriminatie gezien als er geen gebeds- of
stilteruimte is. Dit hoort wat de PVV betreft niet thuis op een openbare
school. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de neutraliteit van deze scholen
wordt bewaakt?
Antwoord:
In het openbaar onderwijs worden de godsdienstige, levensbeschouwelijke
en maatschappelijke waarden onderkend en ieders godsdienst of
levensovertuiging geëerbiedigd. Daar hoort uiteraard bij dat leerlingen
hun godsdienst mogen belijden. Het is de vaste lijn van het College voor
de Rechten van de Mens (hierna: het College) dat er geen verplichting
bestaat om een gebedsruimte in te richten op een openbare school.
Vraagnummer: 43
Vraag:
Islamitisch onderwijs is niet neutraal. Hoe kan het dat dit kabinet wel
snel en stevig ingrijpt bij alles wat wegkijkt van het gewenste
beleidsnarratief, maar wegkijkt zodra het gaat om onderwijs dat
segregatie, afzondering en parallelle samenlevingen bevordert? Graag een
reflectie van de minister.
Antwoord:
Het bijzonder onderwijs heeft op basis van artikel 23 van de Grondwet de
ruimte om het onderwijs in te richten vanuit een eigen
pedagogisch-didactische visie en daarbinnen een eigen levensovertuiging
of religie over te dragen. Maar deze vrijheid is niet onbegrensd en
wordt bewaakt door de wettelijke kaders, waaronder de
burgerschapsopdracht.
De inspectie houdt hier toezicht op en grijpt in wanneer nodig. Dat doet
zij onafhankelijk van de achtergrond van de school.
Vragen van het lid Armut (CDA)
Vraagnummer: 44
Vraag:
Hoe kijkt de staatssecretaris naar de analyse van de onderwijsraad over
welzijn? Deelt hij dat welzijn structureel onderdeel moet zijn van
beleid? En welke handvatten krijgen scholen die overvraging ervaren? En
hoe versterkt hij de samenwerking met ouders om prestatiedruk te
verminderen?
Antwoord:
De Onderwijsraad wijst terecht op de bijdrage die goed onderwijs
intrinsiek kan leveren aan betekenis en welbevinden van leerlingen. Ook
kan de school hier, via bijvoorbeeld multidisciplinaire teams op school,
een belangrijke bijdrage leveren. Uw Kamer krijgt in het voorjaar een
beleidsreactie over het advies van de Onderwijsraad.
Vraagnummer: 45
Vraag:
Er bestaat een wens voor duidelijke ondersteuning. Als we het beroep van
leraar aantrekkelijker willen maken, hoort daar een veilige werkomgeving
bij en rugdekking. Kan de staatssecretaris hier op ingaan en stilstaan
bij de concrete ondersteuning die er nu is? Hoe we dat kunnen
uitbreiden? En waar hij dan aan denkt om de sociale veiligheid van
leraren te verbeteren?
Antwoord:
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat in uw Kamer ligt,
zetten we in op een veilige school voor leerlingen én personeel. Met het
voorstel zorgen we dat scholen beter zicht hebben op de veiligheid op
school, onder andere door het registreren van veiligheidsincidenten,
zodat ze eerder en beter kunnen ingrijpen. Ook wordt het verplicht om
een interne en externe vertrouwenspersoon te hebben zodat personeel
altijd weet bij wie zij terecht kunnen bij onveiligheid. Ten slotte moet
de veiligheidsbeleving van het personeel betrokken worden bij de
jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid.
Vraagnummer: 46
Vraag:
En het kwaliteitskeurmerk, het MDT-prooflabel, is afgeschaft. Terwijl
dat juist het aanvraagproces vereenvoudigde en kwaliteit aantoonde.
Waarom is dat label verdwenen? Waarom kiest hij opnieuw voor extra eisen
(onder andere verhogen cofinanciering) en nieuwe systemen in plaats van
drempels verlagen voor organisaties die hun kwaliteit al hebben bewezen?
En is de staatssecretaris bereid om bestaande MDT-partners juist
structureel zekerheid en continuïteit te bieden?
Antwoord:
Kwaliteit van de trajecten maakt een belangrijk onderdeel uit van dit
plan en daarom is het voornemen om een nieuwe beoordelingssystematiek in
te zetten om projecten van hoge kwaliteit voorrang te geven. Daarnaast
is het voornemen om de cofinanciering licht te verhogen om zo het
eigenaarschap voor MDT breder te beleggen en de betrokkenheid van
partners in financiële zin te vergroten.
Om ook gedurende de looptijd van een project goed zicht te houden op de
kwaliteit is in het verleden het MDT-prooflabel ontwikkeld. Dit
instrument bleek helaas niet opschaalbaar naar het toenemend aantal
lopende projecten vanuit de verschillende regelingen. Om die reden is
besloten dit instrument niet langer in te zetten en zoeken we samen met
het netwerk en jongeren naar een schaalbaar alternatief.
Vraagnummer: 47
Vraag:
We gaan het regionaal investeringsfonds mbo doorzetten en uitbouwen. We
gaan zorgen voor een wettelijke stagevergoeding, en de positie van
mbo-studenten verbeteren, en we gaan eindelijk werk maken van hun leven
lang ontwikkelen door hier structureel geld voor uit te trekken. We zijn
benieuwd naar de uitwerking hiervan in de komende periode door de
ministers van SZW en OCW in samenwerking met sociale partners en
onderwijsinstellingen. We zijn benieuwd of de minister deelt dat hier
een rol ligt voor zowel publieke en private opleiders om dit van de
grond te krijgen?
Antwoord:
Om de om- en bijscholing van werkenden en werkzoekenden te versterken
hebben we alle partijen in de keten nodig. Aan de aanbodkant zijn dit
zowel publieke als private opleiders. Zij brengen elk hun eigen
expertise in om werkenden en werkzoekenden zo goed mogelijk te scholen
voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt. De komende periode werken we
dit verder uit. Hierbij zullen zowel publieke als private opleiders
betrokken worden.
Vraagnummer: 48
Vraag:
Door dalende studentenaantallen staat de kwaliteit onder druk in
krimpgebieden. Herkent de minister dit beeld en kan hij erop ingaan hoe
wordt gezorgd dat ook in krimpregio's het opleidingsaanbod kwalitatief
sterk en breed blijft?
Antwoord:
Het kabinet vindt het van groot belang dat studenten in alle regio’s van
Nederland goed mbo-onderwijs kunnen volgen. Hiervoor is meer
samenwerking tussen instellingen noodzakelijk. Anticiperend op de lange
termijn, is dit daarom als norm gesteld bij de besteding van middelen.
Voor de langere termijn maakt het kabinet de bekostiging stabieler,
waardoor kwalitatief goed en toegankelijk onderwijs in het hele land
bereikbaar blijft en waarmee samenwerking wordt gestimuleerd. Een
volgend kabinet zal voor de zomer een voorstel voor de herziene
bekostiging aan uw Kamer versturen.
Vraagnummer: 49
Vraag:
Waardering voor alle niveaus betekent ook eerlijk beoordelen. Nu kan een
bewuste keuze voor het vmbo of mbo na bijvoorbeeld een havo-advies
negatief uitpakken in het resultatenmodel. Dat geeft een verkeerde
prikkel. Niet het ‘hoogste niveau’, maar wat past bij de leerling, dat
moet tellen. Kan de staatssecretaris toelichten hoe hij hiernaar
kijkt?
Antwoord:
Het is inderdaad van belang dat de school en de leerling keuzes kunnen
maken die bij hem of haar passen. Hier moet vanuit het
onderwijsresultatenmodel geen perverse prikkel vanuit gaan. Met dat
uitgangspunt doet de Inspectie van het Onderwijs momenteel in het kader
van de lopende herziening van het onderwijsresultatenmodel verdiepend
onderzoek naar deze vormen van doorstroom. Vanaf 2027 zal het
onderwijsresultatenmodel bovendien minder zwaar meewegen in het oordeel
van de inspectie om mogelijk verkeerde prikkels te voorkomen.
Vragen van het lid Straatman (CDA)
Vraagnummer: 50
Vraag:
Wetenschapper Izaak Dekker riep een paar weken geleden in Trouw een
studeercrisis uit. Studenten zijn veel minder aanwezig bij colleges, ze
lezen zich minder goed in en ze maken volop gebruik van kunstmatige
intelligentie en dat raakt aan het plezier van docenten, het welzijn van
studenten en raakt aan de betekenis van studeren. Tegelijkertijd is de
opkomst van AI ook een gegeven dat kansen biedt voor verbetering van
onderwijs, wetenschap en een robuuste economie van de toekomst. Maar in
dit nieuwe digitale onderwijstijdperk staat voor mij daarom één vraag
centraal. Hoe zorgen we ervoor dat we onderwijs als gemeenschap kunnen
behouden? Wat wordt ons antwoord op die studeercrisis. Hoe kunnen we
studenten blijven stimuleren elkaar op collegecampussen en in
collegezalen te blijven ontmoeten?
Antwoord:
Het is evident dat de opkomst van AI voor nieuwe uitdagingen zorgt, ook
in het onderwijs. Er ligt een belangrijke opgave voor het onderwijs om
zich aan te passen aan een wereld waarin AI vanzelfsprekend is. Zoals
met blijvende aandacht voor de publieke waarden, de toegankelijkheid en
kwaliteit van het onderwijs en het welzijn van studenten. AI kan een
goed en nuttig hulpmiddel zijn in en voor het onderwijs, mits dit
doordacht en verantwoord wordt toegepast. Het is daarom van belang dat
zowel studenten als docenten zich goed bewust zijn van wat AI wel en
niet kan en de kansen en risico’s die het met zich meebrengt, en dat zij
dit gesprek juist ook als onderwijsgemeenschap met elkaar blijven
voeren.
Via het Nationaal Groeifonds (NGF) ondersteunt OCW de instellingen bij
een verantwoorde toepassing van AI in het onderwijs. Zo werken, vanuit
het NGF-programma Npuls en vanuit SURF, de mbo-, hbo-en wo-instellingen
en docenten nauw samen aan gedeelde visie, handreikingen en
kennisontwikkeling over de verantwoorde toepassing van AI. Ook zet Npuls
in op versterking van de digitale geletterdheid van studenten en
docenten, zoals via Centers for Teaching and Learning. Deze sectorale
samenwerking via Npuls en SURF is van groot belang om de inzet van AI in
het onderwijs verantwoord vorm te geven. Het ministerie van OCW is
hierbij vanuit haar stelselverantwoordelijkheid nauw betrokken.
Vraagnummer: 51
Vraag:
Speciale aandacht vraagt de groep van promovendi, die ook door
bezuinigingen op starters- en stimuleringsbeurzen vaak door de mentale
pijngrens heen gaan. Wat kan de minister voor deze groep doen om hun
welzijn te verbeteren?
Antwoord:
Het teruggedraaide deel van de bezuinigingen op de startersbeurzen door
het amendement Bontenbal c.s. (€ 41 miljoen) wordt door universiteiten
ingezet om de positie, ondersteuning en onderzoekstijd van jonge
onderzoekers te verbeteren.
Vraagnummer: 52
Vraag:
De minister heeft aangegeven om voor de zomer met een reactie op het
eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding te komen. Kan dit
niet eerder? Welke stappen onderneemt de minister nu om de
veiligheidsgevoel van joodse studenten en medewerkers te
verbeteren?
Antwoord:
De minister van Justitie en Veiligheid draagt namens het kabinet zorg
voor een uitgebreide beleidsreactie op dit belangrijke rapport. De
verwachting is dat deze in april met de Kamer wordt gedeeld. Het nieuwe
kabinet zal de aanbevelingen moeten wegen en eventuele vervolgstappen
bepalen. Het is niet mogelijk eerder dan april een beleidsreactie met de
Kamer te delen.
Ondertussen wordt onverminderd doorgewerkt aan de veiligheid van de
Joodse studenten en medewerkers. Op de korte termijn worden
handreikingen ontwikkeld voor vertrouwenspersonen, docenten en
leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme.
Voorts wordt gewerkt aan de ontwikkeling van de wettelijke zorgplicht
veiligheid, die voorziet in versterking van het toezicht op
veiligheidsbeleid van instellingen. Ook zijn en blijven we in gesprek
met de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding (NCAB) en Joodse
studenten en medewerkers.
Vraagnummer: 53
Vraag:
In de brief van de minister van afgelopen zomer onderschrijft hij dat er
onder studenten ook grote behoefte is aan flexstuderen. Is de minister
het met het CDA eens dat deze behoefte erop duidt dat de bestaande
maatwerkvoorzieningen nog niet toereikend zijn en zo ja, welke stappen
gaat hij daarin ondernemen?
Antwoord:
Onder de aanname dat verwezen wordt naar de brief van de minister van
OCW van 4 juni 2025 waarin uitgebreid is ingegaan op de behoefte aan
flexstuderen en het gebruik van maatwerkvoorzieningen. In deze brief
wordt verwezen naar de evaluatie van het Experiment Flexstuderen waaruit
een behoefte blijkt aan flexstuderen bij een beperkte, diverse groep
studenten. Om in die behoefte te voorzien bleek flexstuderen geen
doelmatig en doeltreffend instrument, vanwege de hoge kosten en
complexiteit in de uitvoering. De maatwerkvoorzieningen die er nu al
zijn, zijn daartoe een beter instrument. Er zijn echter signalen dat
instellingen hier verschillend mee omgaan. Naar aanleiding van de motie
Tseggai, die heeft verzocht te onderzoeken welke verbeteringen in het
geven van maatwerk nog mogelijk zijn, is vorig jaar een onderzoek
uitgezet. De resultaten hiervan zullen voor de zomer naar de kamer
worden gestuurd.
Vraagnummer: 54
Vraag:
De minister van Justitie en Veiligheid doet onderzoek naar de
mogelijkheden om makkelijker schade te verhalen op relschoppende
demonstranten. Dat kan ook voor universiteiten heel interessant zijn. In
hoeverre is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hierbij
betrokken? Welke initiatieven lopen er om universiteitsbesturen te
ondersteunen in het civielrechtelijk verhalen van schade?
Antwoord:
In het veelvuldig contact dat OCW met de instellingen heeft over
veiligheid is door de instellingen geen behoefte geuit voor
ondersteuning bij het civielrechtelijk verhalen van schade. Het
ministerie van OCW is niet direct betrokken bij dit onderzoek dat onder
de verantwoordelijkheid van het ministerie van JenV wordt uitgevoerd.
OCW heeft in het kader van protesten gesprekken gefaciliteerd tussen
instellingen, OM, politie en NCTV, waarbij ook zorgen en vragen van de
instellingen op het gebied van schadeverhaal zijn doorgeleid naar het
beleidsverantwoordelijke departement.
Vraagnummer: 55
Vraag:
Dan de toekomst van het hoger onderwijs: het aantal Nederlandse
studenten daalt, en de groei van het aantal buitenlandse studenten
stagneert. En dat is een demografisch gegeven, maar daarmee niet minder
uitdagend. Zeker voor hogescholen en universiteiten in de regio's. Want
vitale regio's vragen om een compleet onderwijsaanbod nabij. Hoe borgt
de minister dat de instellingen in de regio deze transitie ook kunnen
meemaken? En dat de kosten van krimp gezamenlijk worden gedragen?
Antwoord:
OCW heeft als doel om in (arbeidsmarkt)regio’s, waar de impact van de
dalende studentenaantallen het grootst is, een kwalitatief goed en
divers mbo-, hbo- en wo-aanbod beschikbaar te houden. Voor het mbo en
hbo zijn daarom krimpmiddelen ter beschikking gesteld. De middelen zijn
bedoeld voor activiteiten gericht op de transitie en activiteiten
gericht op het in stand houden van opleidingen en
onderwijsvoorzieningen, regionaal samen te werken en het aanbod beter te
laten aansluiten op de arbeidsmarkt. Voor de lange termijn is het doel
een stelsel dat beter omgaat met krimp en groei, maar dat ook
stabiliteit en rust biedt en uitnodigt tot samenwerking tussen
instellingen. Daartoe wordt gewerkt aan een stabielere bekostiging, een
beleidskader om meer richting te geven aan een landelijk dekkend
opleidingsaanbod en het sterker borgen van een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen voor het
opleidingsaanbod.
Vraagnummer: 56
Vraag:
Welke gesprekken heeft de minister met het onderwijsveld over
internationalisering gevoerd naar aanleiding van het rapport
Wennink?
Antwoord:
Een volgend kabinet zal het gesprek met het onderwijsveld moeten voeren
over de rol van internationalisering en de verwachte aanpassingen van de
WIB.
Vraagnummer: 57
Vraag:
Hoe legt u het volgende uit: een wo-bachelorstudent die een wo-master
gaat doen heeft recht op een basisbeurs, een wo-bachelorstudent die een
hbo-master gaat doen krijgt die financiering ook, maar waarom krijgt
alleen een hbo-bachelorstudent die studiefinanciering als hij voor een
hbo-master kiest en niet voor een universitaire master. Dat is een
ongelijkheid in het systeem. De rechtbank erkent dat er sprake is van
een onvolmaakt systeem, maar die concludeert ook dat het niet aan de
rechter is om dit wettelijk te herstellen. Hoe lang mag deze
ongelijkheid nog voortduren die helemaal niemand kan uitleggen? Wat is
nodig om ook hbo-studenten onafhankelijk van hun keuze om een hbo- of
wo-master te doen gelijk te behandelen?
Antwoord:
We hechten in algemene zin aan de toegankelijkheid van het
vervolgonderwijs, voor alle studenten. Het klopt dat hbo-bachelor
studenten die een wo-master gaan doen geen studiefinancieringsrechten
krijgen voor de nominale duur van de studie, maar voor de duur van de
studie minus één jaar.
Deze kwestie heeft ook bij de rechter voorgelegen. De rechter heeft in
hoger beroep geoordeeld dat er geen sprake is van ongelijke behandeling
ten opzichte van studenten met een wo-bachelor als vooropleiding, maar
dat het aan de wetgever is om te bepalen of hier een beleidswijziging
nodig is. Het lid Straatman heeft hier onlangs ook schriftelijke vragen
over gesteld. Dat vraagt om een zorgvuldige beleidsmatige afweging,
waarbij ook de financiële gevolgen moeten worden meegenomen. Daarom
kunnen we nu nog geen uitspraken doen over de wenselijkheid om dit
beleid aan te passen.
Vragen van het lid Boomsma (JA21)
Vraagnummer: 58
Vraag:
De resultaten over de brede linie zijn afgenomen. Het niveau daalt, dat
is ook bevestigd in het McKinsey-rapport over rekenen en wiskunde van
2023. Vraag aan het kabinet: welke andere onderzoeken van dit type zijn
er gedaan sindsdien?
Antwoord:
In het kader van het Masterplan basisvaardigheden is er structureel
geïnvesteerd in periodiek onderzoek naar de prestaties van leerlingen,
zodat we goed zicht hebben op de ontwikkeling van de prestaties van
leerlingen. We hebben daardoor beschikking over diverse onderzoeken, die
ons vertellen hoe leerlingen presteren. Zo doet Nederland mee aan de
volgende internationale peilingsonderzoeken op het terrein van
basisvaardigheden: PISA, PIRLS, TIMSS, IELS, ICCS en ICILS. Verder zijn
tijdens het Masterplan basisvaardigheden de nationale
peilingsonderzoeken van de inspectie uitgebreid.
Naast de uitkomsten van nationale en internationale peilingsonderzoeken
benutten we ook gegevens uit jaarlijkse toetsen. Het gaat dan om de
leerlingvolgsysteemtoetsen in het po en vo, de doorstroomtoets en de
eindexamens. Sinds 2023 brengen wij de uitkomsten van deze onderzoeken
jaarlijks samen in de Monitor basisvaardigheden. De meest recente
Monitor basisvaardigheden is op 4 december 2025 met uw Kamer gedeeld. De
volgende Monitor basisvaardigheden verschijnt eind 2026.
Vraagnummer: 59
Vraag:
Ik begrijp vanuit bijvoorbeeld het mbo dat er allerlei numerus fixussen zitten op studies waar heel veel behoefte aan is, bijvoorbeeld op de opleiding tot doktersassistente. Waarom is dat?
Antwoord:
|
|---|
Vraagnummer: 60
Vraag:
De fractie van JA21 zou ook graag duidelijkheid willen over het aantal
scholen in het voortgezet onderwijs dat nu nog steeds inzet op
zelfstandig werken en zogenaamde Leerpleinen? Hoeveel scholen zijn er
die overschakelen op flexroosters en daarmee feitelijk minder les geven?
Houdt de regering dat eigenlijk bij?
Antwoord:
Het kabinet houdt niet bij hoeveel scholen gebruik maken van leerpleinen
en flexroosters. Op verschillende manieren, zoals het Nationaal
Kennisinstituut Onderwijs, het masterplan Basisvaardigheden en het
Groeifondstraject Ontwikkelkracht, worden scholen sterk gestimuleerd om
gebruik te maken van evidence informed onderwijs. Oftewel, onderwijs dat
gebaseerd is op inzichten uit de wetenschap, de onderwijspraktijk en
rekening houdend met hun eigen context. De Inspectie van het Onderwijs
houdt vervolgens toezicht op de geleverde onderwijskwaliteit, regels
voor onderwijstijd en de andere wettelijke vereisten. Daarbinnen zijn
scholen in de regel vrij om hun onderwijs en lesuren vorm te geven.
Vraagnummer: 61
Vraag:
Graag eerder een reactie op het rapport van de Taskforce antisemitisme,
kan dat?
Antwoord:
De minister van Justitie en Veiligheid draagt namens het kabinet zorg
voor een uitgebreide beleidsreactie op dit belangrijke rapport. De
verwachting is dat deze in april met de Kamer wordt gedeeld. Het nieuwe
kabinet zal de aanbevelingen moeten wegen en eventuele vervolgstappen
bepalen. Het is daarom aan het nieuwe kabinet om een beleidsreactie met
de Kamer te delen.
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde (FvD)
Vraagnummer: 62
Vraag:
Ziet de minister het risico dat onderwijs, cultuur en wetenschap steeds
zwaarder worden belast met het oplossen van maatschappelijke en morele
vraagstukken die zij niet kunnen dragen? En waar ligt voor hem de grens
van wat wij redelijkerwijs van deze domeinen kunnen verwachten? Kan de
minister uiteenzetten hoe hij bewaakt dat beleidsdoelen en
subsidiëringscriteria richtinggevend worden zonder dat zij de
inhoudelijke vrijheid van cultuur en wetenschap feitelijk
vervangen?
Antwoord:
Onderwijs, cultuur en wetenschap staan midden in de maatschappij. Het is
dan ook niet verwonderlijk dat voor het oplossen van vraagstukken vaak
naar ons departement wordt gekeken. Dat betekent echter niet dat alles
ook door ons kan worden opgelost, daar moeten we in gezamenlijkheid, met
de Kamer en de sectoren, steeds een afweging in maken. We maken elke
keer de afweging op welke manier we deze middelen zo goed mogelijk
kunnen overdragen aan het veld.
Vragen van het lid Van Houwelingen (FvD)
Vraagnummer: 63
Vraag:
De begroting is de afgelopen jaren behoorlijk gestegen. Tegelijkertijd
is het aantal leerlingen in het funderend onderwijs gedaald, net zoals
het niveau van de basisvaardigheden. Maar waarom? Wordt het
onderwijsgeld wel goed besteed? Ik denk dat het belangrijk is te
achterhalen welk percentage van het geld dat onderwijsbesturen jaarlijks
te besteden hebben wordt besteed aan het primaire proces. Ik zou dat
percentage graag willen weten. Het liefst voor alle schoolbesturen, maar
als dat onhaalbaar is in ieder geval voor een aantal schoolbesturen,
waarbij het mooi zou zijn als dit percentage ook uitgesplitst kan worden
naar omvang van het schoolbestuur. Want is het wellicht bijvoorbeeld zo
dat grote schoolbesturen meer geld kwijt zijn aan indirecte kosten? Zou
ik de staatssecretaris kunnen vragen om deze cijfers zo goed mogelijk te
achterhalen?
Antwoord:
We vinden het belangrijk dat er meer inzicht komt in de hoeveelheid
middelen die in de klas landen. Daarom hebben we uw Kamer laten weten te
werken aan normen voor overhead en onderwijspersoneel in het funderend
onderwijs. Daar vallen salariskosten van docenten ook onder. Daarmee
werken we aan transparantie voor zowel de school als de maatschappij.
Het is op dit moment al wel bekend dat schoolbesturen het overgrote deel
van hun middelen besteden aan personele lasten, namelijk ongeveer
81%.
Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de stand van zaken van
het traject om tot normen te komen in het funderend onderwijs.
Vraagnummer: 64
Vraag:
Kan de minister reflecteren op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer
dat er € 57 miljard wordt uitgegeven aan onderwijs en dat er niet
duidelijk gemaakt wordt wat er met dat geld gebeurt?
Antwoord:
Wij kennen de exacte inhoud van de technische briefing niet, maar we
zijn wel bekend met de brede boodschap van de Algemene Rekenkamer over
sturing en verantwoording op resultaten. We leggen in het jaarverslag
uiteraard altijd financiële verantwoording af over de besteding van onze
middelen, maar ook inhoudelijk zetten we steeds meer stappen. Zo hebben
we de afgelopen jaren de systematiek met beleidsindicatoren verder
ontwikkeld vanuit het belang om de koppeling tussen doelen, maatregelen,
financiële middelen en resultaten van beleid te monitoren. Op
www.ocwincijfers.nl staat heel veel informatie over de voortgang op de
meerjarige doelstellingen waaraan wij ons gezamenlijk committeren.
Vragen van het lid Ergin (DENK)
Vraagnummer: 65
Vraag:
We hebben nu € 23 miljoen op de begroting staan voor hoogbegaafdheid
maar we zien dat het niet altijd terecht komt waar het moet. Ik ben
benieuwd hoe de staatssecretaris dat dit jaar anders wil doen.
Antwoord:
De afgelopen jaren zijn er aanzienlijke extra middelen beschikbaar
gesteld ten behoeve van hoogbegaafdheid, onder andere na inzet en het
amendement van de leden Ergin en Kisteman.
Sinds begin van dit jaar is € 23,3 miljoen structureel toegevoegd aan de
bekostiging aan samenwerkingsverbanden, zoals in juli 2025 gedeeld met
uw Kamer.
Deze investeringen zijn mede naar aanleiding van de aangehaalde
onderzoeken dat hoogbegaafde leerlingen nog te vaak niet of te laat
worden herkend en de behoefte van het veld en ook uw Kamer om middelen
structureel te maken in plaats van toekenning via ‘losse’
subsidieregelingen.
Het is prematuur om deze middelen nu alweer te herprioriteren of de
inzet te heroverwegen. Hier is bovendien ook geen aanleiding voor. Het
Kenniscentrum Hoogbegaafdheid draagt er, in opdracht van OCW, ook de
komende jaren met hun activiteiten aan bij dat de kennis over
hoogbegaafdheid naar de praktijk wordt gebracht.
Vraagnummer: 66
Vraag:
Wanneer stoppen we met de toelaatbaarheidsverklaringen in het
praktijkonderwijs?
Antwoord:
Het afschaffen van de toelaatbaarheidsverklaring heeft veel impact, ook
budgettair. Het is belangrijk dat we eerst de gevolgen voor leerlingen,
scholen en samenwerkingsverbanden goed in kaart hebben gebracht voordat
we hierover besluiten.
Daarom is KBA Nijmegen op verzoek van uw Kamer gevraagd de gevolgen van
het mogelijke afschaffen van de TLV te onderzoeken. Dit onderzoek sturen
we dit voorjaar naar uw Kamer.
Vraagnummer: 67
Vraag:
Wordt het niet eens tijd om een landelijk expertisecentrum in te richten
voor thuiszitters?
Antwoord:
De afgelopen jaren zien we dat het schoolverzuim stijgt. Dat is
zorgelijk, omdat het de ontwikkeling en het leren van kinderen
belemmert.
Daarom werken we hard aan de verzuimaanpak. Deze aanpak bevat onder meer
het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim, de behandeling hiervan
staat gepland in de week van 17 maart.
Voor dit wetsvoorstel start dit jaar een implementatietraject. Met dit
traject worden scholen en betrokken organisaties ondersteund in het
inrichten van goed en effectief verzuimbeleid. Onderdeel van dit
implementatietraject is ook een meerjarige subsidie voor partijen met
kennis en expertise op het gebied van schoolverzuim en schooluitval,
zodat scholen – en andere betrokkenen – goed worden ondersteund. Dat is
hard nodig omdat scholen de problematiek op hun school onderschatten,
zien we uit onderzoek. Dit traject zien wij als een expertisecentrum,
namelijk het bundelen, delen en verspreiden kennis en kunde.
Vraagnummer: 68
Vraag:
We zagen een statement van de gemeente regio Midden-Gelderland die
aangeeft dat ze honderden inwoners niet meer kunnen helpen met
bijvoorbeeld taalonderwijs en werk. Wat is de reactie van de minister op
dit statement?
Antwoord:
Het klopt dat het kabinet heeft besloten om het aantal Specifieke
Uitkeringen terug te dringen vanwege de administratieve lasten voor
gemeenten en daarbij een korting van 10 procent door te voeren op
bestaande budgetten. De uitkering voor volwasseneneducatie, waar
gemeenten onder andere taalcursussen mee kunnen aanbieden, valt hier ook
onder. Het is goed dat de regio Midden-Gelderland signaleert wat voor
gevolgen dit heeft voor hun uitvoering. Hierover ben ik ook veel in
gesprek met de koepelorganisaties en gemeenten zelf. Een nieuw kabinet
moet bezien welke mogelijkheden er zijn voor volwasseneneducatie.
Vraagnummer: 69
Vraag:
Wat gaat de minister doen met de schrijnende verbeterpunten die in het
Stagepact mbo staan?
Antwoord:
Zoals aangegeven in de Kamerbrief over de tussentijdse evaluatie over de
werkagenda en het stagepact, maken we ons zorgen over de beperkte
voortgang op de doelen van het Stagepact. Het lukt nog onvoldoende om op
de geformuleerde doelstellingen, zoals het tegengaan van
stagediscriminatie en het verbeteren van de begeleiding, de gewenste
vooruitgang te realiseren. Ook de partners van het Stagepact delen deze
zorg. Daarom ontwikkelen we de komende maanden gezamenlijk een
aangescherpt actieplan met maatregelen vanuit alle partners voor de
resterende looptijd van het Stagepact. Zo intensiveren we de inzet zodat
we aan het einde van het stagepact alle mbo-studenten betere stages
ervaren.
Om bijvoorbeeld de kwaliteit van stagebegeleiding te versterken, brengen
de MBO Raad en JOBmbo in beeld wat studenten belangrijk vinden bij
begeleiding en wat daarbij succesvolle aanpakken van scholen zijn, met
als doel om deze aanpakken ook bij andere scholen toe te passen. Een
ander voorbeeld is dat we in de aanpak van stagediscriminatie werken aan
een betere vindbaarheid en toegankelijkheid van meldpunten, dat moet
namelijk echt beter. De MBO Raad en JOBmbo maken afspraken om de
meldpunten actief onder de aandacht te brengen van studenten en om de
bestuurders van instellingen te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor
vindbare en toegankelijke meldpunten. Van belang is dat bestuurders hun
verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van stages. Stages zijn
immers een wezenlijk onderdeel van een beroepsopleiding en niet een
periode waarin de student tijdelijk is ondergebracht bij een
werkgever.
Vraagnummer: 70
Vraag:
Ik vraag me af waarom de minister en staatssecretaris niet met hun vuist
op tafel slaan en zeggen 'de wet moet worden nageleefd' en 'we gaan
ervoor zorgen dat openbare scholen dat gewoon gaan doen' en dat er in
Nederland geen gebedsverboden meer zijn. Kunnen zij hierop
reageren?
Antwoord:
Natuurlijk moet de wet worden nageleefd. Op openbare scholen mag je niet
verbieden dat een kind bidt.
Vragen van het lid Stoffer (SGP)
Vraagnummer: 71
Vraag:
Het recente advies van de Onderwijsraad over Welzijn en Onderwijs stelt
ook vast dat zingeving en welzijn in de afgelopen jaren heel vaak een
individualistisch mentaal karakter droegen. 'Hoe wil ik mijn leven
vormgeven? En wat voel ik erbij?' Het collectieve blijft onderbenut.
Voor bezieling en zingeving heb je ook de gemeenschap van de school voor
nodig, met een eigen cultuur, overtuiging en waarden. Neemt de
staatssecretaris dit perspectief mee in de brief over artikel 1 en
artikel 23 van de grondwet?
Antwoord:
Uw Kamer heeft om een aparte reactie gevraagd op het advies van de
Onderwijsraad. Uw suggestie neem ik in deze kabinetsreactie mee.
Vraagnummer: 72
Vraag:
38% van de leraren in het vo heeft te maken met
holocaustbagatellisering- of verdraaiing. Vindt de staatssecretaris ook
dat dit aanleiding moet zijn voor de Inspectie om hieraan zelf extra
aandacht te besteden bij het themaonderzoek 'Veiligheid' in het
jaarwerkplan 2026? En kan hij bevestigen dat er geen sprake is van een
schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van onze
democratische rechtsstaat als in de schoolklassen een sfeer van
holocaustverdraaiing- en bagatellisering hangt?
Antwoord:
Het themaonderzoek van de inspectie richt zich op het sociaal welzijn
van leerlingen gekoppeld aan de mogelijke botsing van waarden in de
klas, en is niet bedoeld om ervaringen van docenten met
Holocausteducatie te onderzoeken. Dat neemt niet weg dat de inspectie,
als zij tijdens dit onderzoek signalen aantreft van
Holocaustbagatellisering of -verdraaiing, dit meeneemt in het onderzoek.
Een klassenklimaat waarin ruimte is voor Holocaustbagatellisering- of
verdraaiing, is inderdaad in strijd met de wettelijke
burgerschapsopdracht. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor een
schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de
democratische rechtsstaat.
Vraagnummer: 73
Vraag:
De taskforce antisemitismebestrijding schrijft dat vele Joden zich op de
campussen niet meer veilig voelen en roepen bestuurders op om duidelijk
en zichtbaar naast de Joodse minderheid te gaan staan, want dat is tot
op heden te weinig gebeurd. Kan de minister al wel bevestigen dat er
echt een andere wind moet gaan waaien als we dit probleem bij de wortel
willen aanpakken?
Antwoord:
De aanbevelingen van de Taskforce zijn van grote waarde voor de
veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. We verwachten dat ook
onze opvolgers die waarde zien en voortvarend aan de slag gaan met een
kabinetsreactie. We zullen onze opvolgers dit ook op het hart drukken te
doen.
De verwachting is dat in april een uitgebreide beleidsreactie op het
rapport samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie
Bestrijding Antisemitisme 2024-2030, naar de Kamer wordt gezonden.
Daarin zal het volgend kabinet ingaan op de aanbevelingen en eventuele
vervolgstappen.
Vraagnummer: 74
Vraag:
Vanuit de wettelijke verplichting van scholen om aandacht te besteden
aan cultuur en de geschiedenis van de eigen leefomgeving, burgerschap en
levensbeschouwing is de verbinding tussen school en kerk eigenlijk heel
voor de hand liggend. En wat is er voor deze minister mooier om als
laatste bestuursdaad in deze laatste anderhalve week een gesprek aan te
gaan met de onderwijsorganisaties over het versterken van de relatie
tussen scholen en kerken. En mijn laatste vraag is dan ook: pakt hij
deze handschoen op?
Antwoord:
Het wettelijk verplicht curriculum, dat nu in opdracht van OCW is
herzien, biedt veel kansen om integraal aandacht te besteden aan thema’s
als (religieus) erfgoed en burgerschap. Indien scholen in hun omgeving
religieuze organisaties en/of kerken hebben, staat het hen vrij om
daarin een betekenisvolle samenwerking op te zoeken.
Vraagnummer: 75
Vraag:
De SGP vindt dat het Rijk vanuit de stelselverantwoordelijkheid een
structurele bijdrage moet leveren aan het Nationaal Onderwijsmuseum.
Samen met lid Rooderkerk (D66) heb ik een vraag. Kunt u niet een
toereikende structurele subsidie beschikbaar stellen voor het
voortbestaan van het museum?
Antwoord:
De stelselverantwoordelijkheid voor cultuur betekent niet dat alle musea
door het Rijk worden gesubsidieerd. OCW is verantwoordelijk voor de
rijkscollectie en de Rijksmusea. Het onderwijsmuseum is geen
Rijksmuseum.
Het museum is financieel kwetsbaar, heeft een registratieachterstand van
de collectie en achterstand in het onderhoud van systemen. De vaste
lasten van het museum zijn hoog, en voor de grootte van de locatie
ontvangt het museum een gering aantal bezoekers. Omdat het geen
Rijkscollectie is, ligt de verantwoordelijkheid voor de omgang met de
collectie bij het museum zelf. Eerder hebben we aangegeven dat we bereid
zijn tot een projectsubsidie voor het in kaart brengen van de
collectie.
Vragen van het lid Ceder (CU)
Vraagnummer: 76
Vraag:
Waar is het oog voor de school als gemeenschap? Welzijn kan ook een
opbrengst zijn van onderwijs, dit wordt bijvoorbeeld in het recente
Advies van de Onderwijsraad gesteld. Kan de minister toezeggen om bij
het opstellen van de kabinetsreactie op dit advies het net op te halen
bij geestelijke verzorgers en andere experts, bijvoorbeeld via de
beroepsvereniging, over hoe zij naar die advies kijken en welke kansen
zij zien voor het onderwijsveld?
Antwoord:
Bij het opstellen van de kabinetsreactie spreken wij met allerlei
organisaties. Daarbij zal ook de beroepsvereniging van geestelijk
verzorgers gevraagd worden naar hun visie.
Vraagnummer: 77
Vraag:
Is de minister bereid om de aanbeveling uit het advies van de taskforce
antisemitisme om samen met koepels en experts, zoals de studentenrabijn,
goede geestelijke ondersteuning voor studenten en medewerkers
voortvarend op te pakken?
Antwoord:
De aanbevelingen van de Taskforce zijn van grote waarde voor de
veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. We verwachten dat ook
onze opvolgers die waarde zien en voortvarend aan de slag gaan met een
kabinetsreactie. We zullen onze opvolgers dit ook op het hart drukken te
doen. Maar het is echt aan onze opvolgers om uitspraken te doen over de
vervolgstappen.
De verwachting is dat in april een uitgebreide beleidsreactie op het
rapport samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie
Bestrijding Antisemitisme 2024-2030, naar de Kamer wordt gezonden.
Vraagnummer: 78
Vraag:
Bij de laatste aanvraag voor maatschappelijke diensttijd vielen
ontzettend veel organisaties buiten de boot. Er werd voor miljoenen meer
aangevraagd dan is uitgekeerd. En toch is € 50 miljoen niet uitgegeven
ten aanzien van het budget. Kan de staatssecretaris kijken hoe dit geld
toch aan MDT kan worden besteed en kan de staatssecretaris erkenning
geven dat de lat nu te hoog is gelegd in verhouding tot de dreiging van
misbruik?
Antwoord:
Voor de subsidieregeling MDT in 2025 was een budget van € 125 miljoen
beschikbaar. Er is een bedrag van ongeveer € 100 miljoen toegekend. De
middelen die in 2025 vrijvallen zijn niet meer in te zetten voor MDT en
vloeien terug naar de staatskas.
Op 4 december 2025 is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Vraagnummer: 79
Vraag:
Is de staatssecretaris bereid om samen met andere departementen en
maatschappelijke organisaties een ambitieuze MDT-agenda op te stellen om
op basis van gelijkwaardigheid te werken aan versterking van die sociale
structuur die zo essentieel is in deze tijd?
Antwoord:
Aan uw Kamer is eerder toegezegd om in co-creatie met maatschappelijke
organisaties, jongeren en andere departementen een meerjarig
programmaplan op te stellen voor MDT. De afgelopen maanden is aan dit
plan gewerkt, onder andere in nauw contact met de ministeries van
Defensie, VWS en SZW. Het is aan een volgend kabinet om over de
uitkomsten van deze gesprekken een definitieve weging te maken en het
met uw Kamer te delen.
Vraagnummer: 80
Vraag:
Er is een doelstelling voor een landelijk dekkend netwerk voor
kwalitatief goed maatschappelijke diensttijd-aanbod. Hoe wil de
staatssecretaris deze samenwerking beter borgen dan nu?
Antwoord:
De landelijke spreiding is in de afgelopen jaren tot 2024 substantieel
verbeterd. MDT-regiofacilitatoren spelen hierin een belangrijke rol door
organisaties te verbinden met partnerschappen waarin hun expertise van
toegevoegde waarde is. Helaas heeft deze verbetering zich in de 2025
ronde niet doorgezet.
Aan uw Kamer is eerder toegezegd om in co-creatie met maatschappelijke
organisaties, jongeren en andere departementen een meerjarig
programmaplan op te stellen voor MDT. De afgelopen periode is aan dit
plan gewerkt. Hierin is ook oog voor het behouden en versterken van een
goede samenwerking in de verschillende regio’s en is het voornemen te
onderzoeken hoe de regio’s meer zeggenschap kunnen krijgen bij het
toekennen van subsidies en behoeve van een goede spreiding van het
aanbod over de verschillende regio’s. Het is aan onze opvolgers om over
dit programmaplan een definitieve weging te maken en het met Uw Kamer te
delen.
Vraagnummer: 81
Vraag:
Hoe is het geld middels het amendement Bontenbal voor de techniekhavo
afgelopen jaar concreet ingezet en gaat dat dit jaar weer
gebeuren?
Antwoord:
Het geld middels het amendement Bontenbal voor de techniekhavo is het
afgelopen jaar ingezet voor pionierende praktijkgerichte havo-scholen
(scholen uit de eerste twee tranches). Omdat praktijkgerichte vakken
duurdere vakken zijn, zijn de pionierende scholen relatief meer geld en
tijd kwijt aan het vormgeven van het onderwijs, zo ook de voorlopers met
een ‘techniekhavo’. Als resultaat van dit amendement is er dan ook extra
geld toegevoegd aan de subsidieregeling praktijkgerichte havo voor de
jaren 2025, 2026 en 2027 voor deze 111 scholen. De pionierende scholen,
die in de eerste en tweede tranche zijn gestart met de grote variant,
krijgen een extra subsidie van ongeveer € 25.000 per jaar. Dat gaat dus
dit jaar weer gebeuren. Dit bedrag wordt via een zogenaamde ambtshalve
beschikking aan deze scholen toegekend.
Vraagnummer: 82
Vraag:
Kan de minister het tijdspad schetsen voor het wettelijk regelen van
digitale toegankelijkheid in de onderwijssector (bijvoorbeeld door het
opnemen van toegankelijkheidseisen in de inkoopvoorwaarden voor digitale
leermiddelen)?
Antwoord:
Momenteel wordt de nulmeting toegankelijkheid leermiddelen uitgevoerd
door KBA Nijmegen in samenwerking met Expertisecentrum Nederlands en
Stichting Accessibility. De nulmeting brengt in kaart hoe toegankelijk
leermiddelen zijn voor leerlingen met ondersteuningsbehoeften in het
funderend onderwijs en wat ervoor nodig is om eventuele knelpunten
structureel te verhelpen.
Op basis van de bevindingen zullen wij met de sector vervolgafspraken
maken om de toegankelijkheid van leermiddelen te verbeteren. Daar wordt
ook de mogelijkheid van het wettelijk regelen in meegenomen. Wij zijn in
gesprek met de deelnemers van de rondetafel Toegankelijk publiceren over
mogelijkheden om ook op korte termijn verbeteringen te realiseren,
bijvoorbeeld door het delen van goede voorbeelden onder uitgevers te
stimuleren.
Dit voorjaar worden de uitkomsten verwacht van de nulmeting naar de
toegankelijkheid van leermiddelen en uw Kamer wordt dit najaar
geïnformeerd over de vervolgstappen.
Vraagnummer: 83
Vraag:
Wanneer horen we meer over de uitvoering van de aangenomen motie over
landelijke richtlijnen voor scholen over Post Acuut Infectieus Syndroom
(PAIS) en long-covid?
Antwoord:
Deze motie voeren wij uit en hierover wordt uw Kamer voor de zomer
geïnformeerd.
Vraagnummer: 84
Vraag:
Kan de minister toezeggen het huidige wetstraject informeel onderwijs,
waarin de onderwijsinspectie wordt gevraagd om toezicht te houden op
plekken als zondagsscholen definitief in te trekken?
Antwoord:
Het conceptwetsvoorstel toezicht informeel onderwijs is samen met de
beleidsagenda informeel onderwijs controversieel verklaard. Het is aan
het nieuwe kabinet om vervolgstappen te bepalen.
Vragen van het lid Claassen (Groep
Markuszower)
Vraagnummer: 85
Vraag:
Extra waardering voor leraren en inspanningen tegen het lerarentekort
zijn stappen vooruit. We zien eindelijk een inhaalslag in salaris en
arbeidsvoorwaarden. Maar waardering moet ook blijken uit vertrouwen in
leraren. Vertrouwen in hun professionele kwaliteiten en daarom minder
regeldruk vanuit de overheid. Ziet de minister dat ook zo? Dat meer
autonomie voor docenten, ruimte om les te geven met collega's en
onderwijs te ontwikkelen met collega's binnen heldere kaders cruciaal is
om het vak weer aantrekkelijk te maken? Is de minister bereid om in de
komende periode, of door te geven aan zijn opvolgers, concrete stappen
te zetten om die regeldruk verder terug te dringen en het professionele
vertrouwen in leraren te versterken?
Antwoord:
Leraren moeten het vertrouwen en de ruimte krijgen om het werk uit te
voeren zonder dat er onnodige verantwoording of administratie gedaan
moet worden. Op die manier kunnen leraren zich richten op het primaire
proces. Uit onderzoek dat afgelopen jaar is gedaan blijkt dat er vrijwel
geen directe wettelijke voorschriften zijn over de administratie die
leraren moeten doen. De beperkte voorschriften die er zijn worden als
nuttig en belangrijk beschouwd. Waar het misgaat is dat er in de wet
veel open normen staan waaraan scholen moeten voldoen. Scholen mogen
hierbij zelf kiezen welke middelen ze daarvoor inzetten. Doordat er
onduidelijk is wat er van scholen verwacht wordt administreren scholen
vaak ‘voor het geval dat’. Van het ministerie en de Inspectie van het
Onderwijs vraagt het om meer duidelijkheid te bieden aan scholen van wat
strikt noodzakelijk is. Tegelijkertijd moet het gesprek op scholen
gevoerd worden over wat strikt noodzakelijk is.
Vraagnummer: 86
Vraag:
Het rapport van de taskforce antisemitismebestrijding is kristalhelder
over structurele onveiligheid voor Joodse studenten en medewerkers. De
voorgestelde aanpak, oproepen tot duidelijkheid, publiekelijk opkomen
voor deze groep, blijft vrijblijvend zonder harde maatregelen of
consequenties. Dat verandert dus niets. Welke concrete opdracht ziet de
minister voor zichzelf om universiteiten te dwingen tot effectieve
afrekenbare maatregelen voor campusveiligheid zodat geen enkele student
zich meer onveilig hoeft te voelen?
Antwoord:
Het is verschrikkelijk om in het rapport van de Taskforce te lezen dat
er Joodse studenten en medewerkers zijn die zich niet veilig voelen. Het
is van groot belang dat de instellingen, gezien hun verantwoordelijkheid
voor een (sociaal) veilige leer- en werkomgeving, evenals het ministerie
zich blijven inzetten om dit zoveel mogelijk te voorkomen. De adviezen
van de Taskforce zijn hierin van grote waarde. Het nieuwe kabinet zal de
aanbevelingen moeten wegen en eventuele vervolgstappen bepalen. We gaan
ervanuit dat zij het rapport en de aanbevelingen met passende urgentie
zullen bezien, en we zullen hen dit ook op het hart drukken te
doen.
Het aankomend kabinet zal een uitgebreide beleidsreactie samen met de
jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme
2024-2030 naar de Kamer sturen. De verwachting is dat dat in april zal
zijn.
Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan een wettelijke zorgplicht
veiligheid voor de instellingen in het vervolgonderwijs. Deze wet moet
de instellingen handvatten geven om invulling te geven aan de
belangrijke verantwoordelijkheid op het gebied van veiligheid, en de
Inspectie van het Onderwijs in stelling brengen om hierop toe te
zien.
Vraagnummer: 87
Vraag:
De dubbele kwaliteitsstructuur voor erkenning en toezicht op
zorgspecifieke opleidingseisen leidt al jaren tot overlappende
regelgeving. Is de minister het met mij eens dat harmonisatie van deze
trajecten en/of het integreren van de verantwoordelijkheden onder één
ministerie een oplossing kan zijn om het systeem efficiënter te maken en
beter aan te laten sluiten op de praktijk?
Antwoord:
OCW is verantwoordelijk voor de kwaliteit van hbo- en wo-opleidingen.
VWS is verantwoordelijk voor de medische vervolgopleidingen en
stelselverantwoordelijk voor de sector zorg en welzijn. Daar waar deze
verantwoordelijkheden elkaar raken, zoeken de ministeries elkaar op voor
afstemming. De samenwerking op het terrein van zorg en welzijn
opleidingen is goed. In een verdere integratie van deze samenwerking en
het beleggen van de verantwoordelijkheid voor erkenningen van
zorgopleidingen bij één ministerie ziet het kabinet geen
meerwaarde.
De CZO-erkenning en de NVAO-accreditatie kennen ook een ander doel. Met
de NVAO-accreditatie wordt bepaald of een opleiding aan de
basiskwaliteit voldoet die nodig is voor een hbo of wo diploma. Een
CZO-opleiding is erkend door het College Zorgopleidingen (CZO) en
daarmee voldoet de opleiding aan de landelijke kwaliteitseisen die
gelden in het beroepsveld van de zorg. Een dergelijke erkenning kan
gelden voor volledige opleidingen, maar ook voor delen van opleidingen
(niet leidend tot een hbo- of wo-graad). Beide erkenningen zijn derhalve
zelfstandig van belang.