Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) (1e TK) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D06829, datum: 2026-02-11, bijgewerkt: 2026-02-12 09:33, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-11 11:10: Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) (1e TK) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Aan de orde is de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026 (36800-VIII).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de
begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ik wil de leden van de
Kamer van harte welkom heten en ook de bewindspersonen in vak K. Ik wil
de leden van de Kamer eraan herinneren dat we al WGO's hebben gehad over
emancipatie, cultuur en media, en dat we het vandaag dus hebben over
onderwijs en wetenschap.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
We hebben een lange lijst met sprekers, maar we beginnen met iets heel
heugelijks. Dat is namelijk de maidenspeech van mevrouw Biekman, die
spreekt namens de fractie van D66. Het is gebruikelijk dat we haar dan
niet interrumperen, dus dat sta ik ook niet toe. Ik wens haar heel veel
plezier en nodig haar uit om naar het spreekgestoelte te komen. Gaat uw
gang.
Mevrouw Biekman (D66):
Voorzitter. Vandaag sta ik hier met grote trots, maar ook met een enorme
verantwoordelijkheid; een gevoel dat u misschien herkent. Trots, omdat
ik hier als gekozen volksvertegenwoordiger mag spreken. Trots, omdat ik
op de schouders van mijn voorouders sta. Verantwoordelijk, omdat ik weet
dat dit podium een gedeeld podium is. Het is niet alleen mijn podium.
Het is een podium voor mensen die zich gehoord en gezien willen voelen.
Het is een podium voor mensen die jarenlang onderschat zijn of niet op
de juiste waarde zijn geschat. Verantwoordelijk, omdat ik als geen ander
weet dat woorden kracht hebben.
Mijn weg hiernaartoe was er een van onderschatting, niet één keer, niet
toevallig, maar structureel en overal. Te beginnen bij mijn lage
Cito-score, die ik als 11-jarige kreeg. Het eerste label werd geplakt.
Het plafond werd voor mij bepaald. Ik werd in een hokje geplaatst. Dat
deed me vanaf dat moment diep vanbinnen aan mezelf twijfelen. Alsof
talent zich laat vangen in hokjes en een Cito-score de waarde van een
kind bepaalt.
Maar ik ben opgevoed door sterke, liefdevolle en Surinaamse ouders.
Helaas zijn mijn ouders er niet meer, maar zij hebben mij één ding
geleerd: laat niemand je toekomst bepalen. Mijn vader, Kenneth Joseph
Gregorius Biekman, was een trotse en behulpzame man. Hij werkte als
manager bij de IND. Hij zei altijd: no mik nowansma sdong tap yu ede;
laat je niet onderdrukken. Mijn moeder, Cornellie Hèlen Seedorf, was een
zorgzame en positieve vrouw. Zij werkte als lerares in het primair
onderwijs. Mijn moeder onderwees generaties kinderen richting hun
toekomst. Dit deed ze met veel liefde en passie. Ze zei ook altijd dat
al haar kinderen talent hadden. Nou, u wilde mij niet horen blokfluiten,
maar goed. "Vragen stellen is niet dom" en "kan niet, bestaat niet"
waren uitspraken die vaak over haar tong rolden. Mijn moeder leerde mij:
haal het beste uit jezelf, ook als anderen het nog niet zien. Zij wist
dat onderwijs geen ladder omhoog of omlaag is, maar een tuin waarin je
zaait en alle plantjes ziet, ook de plantjes die in de schaduw staan. Je
geeft ze water, om ze te laten groeien en bloeien.
Met de lage Cito-score op zak, inmiddels gescheiden ouders en twijfels
over of ik de mavo aankon, begon ik aan de opleiding. Daar kwam er al
snel een tweede label bij: dochter van een alleenstaande, Surinaamse
moeder; vader niet in beeld. U kunt zich de verbazing van mensen
voorstellen toen zij erachter kwamen dat mijn vader zeer betrokken was
in mijn leven en mijn schoolcarrière. Ondanks de lage verwachtingen en
de labels ben ik geslaagd en haalde ik mijn mavodiploma. Dit was voor
mij niet zomaar een papiertje; het was een overwinning. Ik ging naar het
mbo, ik slaagde met vlag en wimpel en ik leerde dat ik meer dan een
cijfertje ben van een Cito-score. Dit was het moment dat ik mij
realiseerde dat geen plafond bepaald door een ander mij zou tegenhouden.
Onderschatting kan je tegenhouden, maar ik heb er mijn kracht van
gemaakt, mijn eigen superpower van veerkracht, groei, geloof en
verandering. Want terwijl een ander zich blindstaart op zijn eigen
grootsheid, bouw jij in stilte. Terwijl de ander zich bezighoudt met
zijn eigen gelijk, analyseer je. Terwijl de ander op zoek is naar
validatie van de buitenwereld, weet jij dat eigenwaarde van binnenuit
komt. Ik ging naar het hbo, ik trouwde, ik werd moeder en behaalde mijn
universitaire graad. Ik werd wethouder in Schiedam. En nu? Nu sta ik
hier. Niet ondanks het mbo, maar mede dankzij het mbo. En ik weet dat
dit voor veel meer mensen geldt. Toch spreken we te vaak over het mbo
alsof het een tweede keus is, alsof praktisch opgeleid minder ambitieus
is, minder slim, met minder toekomst. Hoe ziet de minister dat? Wat zijn
de baankansen van mbo'ers ten opzichte van theoretisch opgeleide mensen?
Hoe ziet de toekomst van de mbo'ers eruit?
Voorzitter. Het zijn juist de mensen met een mbo-diploma die veel
levenservaring hebben. Zij weten dat het leven of het onderwijs niet één
rechte lijn is, maar dat er verschillende routes zijn die je kunt
bewandelen. We zien het elke dag om ons heen: zíj helpen de mensen
vooruit, in de zorg, in de techniek, in de publieke dienstverlening, in
de bouw, in het onderwijs. Kortom, het mbo is het fundament van onze
samenleving. En daarom wil ik iets anders voor Nederland. Ik zie een
Nederland voor me waarin mbo-studenten als waardevol en belangrijk
gezien worden; waar mbo'ers, hbo'ers en wo'ers samen aan tafel zitten om
te bouwen aan de toekomst van ons land. Het feit dat JOBmbo voor het
eerst in de geschiedenis aan de formatietafel zat om zijn wensen
duidelijk te maken, bevestigde iets wat ik allang wist: mbo'ers zijn
volwaardige gesprekspartners.
Voorzitter. Als ik deze OCW-begroting een cijfer zou moeten geven, dan
geef ik het een onvoldoende. Het onderwijs en de studenten worden
onvoldoende op waarde geschat. Welk signaal geeft de minister af aan
mbo-studenten met deze begroting? Daarom ben ik trots dat D66 met het
coalitieakkoord weer investeert in het onderwijs. D66 kiest voor de
waarde van mensen, voor kansengelijkheid en voor de toekomst van ons
land. Het is een morele keuze, een keuze van wie we zien en wie we niet
zien. Wij geloven in het mbo. Daarom zorgen we ervoor dat mbo'ers
gelijke toegang krijgen tot sport, cultuur en huisvesting, en dat zij
een bestuursjaar bij een vereniging kunnen doen om zichzelf te
ontwikkelen. We versterken de samenwerking tussen mbo-instellingen,
hogescholen en universiteiten, en we investeren weer in het Regionaal
Investeringsfonds. Dat betekent dat 21.000 organisaties zo'n 70.000
mbo-studenten gaan begeleiden. We investeren in talent. Want als we dat
doen, helpen we jongeren weer te dromen. We helpen jongeren weer om ze
te laten denken in mogelijkheden en niet in beperkingen. Dat is de
toekomst die ik wil bouwen; een toekomst waarin ieder kind de kans
krijgt om het beste uit zichzelf te halen. En ik wil daar samen met deze
Tweede Kamer aan gaan werken.
Tot slot wil ik mijn dankbaarheid uitspreken aan mijn vrienden en
familie, die mij altijd hebben gesteund. Voor de lessen die ik van mijn
ouders heb meegekregen. Deze lessen geef ik door aan mijn lieve dochter.
Zij weet dat onderschatting mij nooit heeft tegengehouden. Dat ik mijn
waarde niet heb laten bepalen door het perspectief van een ander. En dat
ik mijzelf nooit kleiner heb gemaakt voor andermans comfort. Die
superkracht en die vrijheid gun ik iedere mbo-student. Als we werkelijk
geloven dat iedereen mee mag doen, dan begint dat hier, in onze woorden,
in onze keuzes en in wie wij een stem geven aan tafel.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Biekman, voor uw hele persoonlijke maidenspeech. Het
was heel stil in de zaal. Ik mag u als eerste feliciteren. Ik mag u ook
vragen om voor het rostrum te gaan staan om alle felicitaties van
iedereen in ontvangst te nemen. Daarvoor schors ik enkele
ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de eerste termijn
van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ik kreeg al een
aantal vragen over het aantal interrupties. We beginnen met zes. Als het
hele korte en ter zake doende zijn, ben ik wellicht heel flexibel aan
het eind van de zes, maar laten we beginnen met zes interrupties.
Ik nodig mevrouw Rooderkerk van de fractie van D66 uit voor haar
bijdrage.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb een boek mee. Het is Koning van Katoren van Jan
Terlouw. Velen van u lazen het waarschijnlijk als kind. De eerste regels
luiden: "Deze geschiedenis gaat over het land Katoren. Hij begint op een
nacht, zeventien jaar geleden." Hoewel ik het als kind las, leert het
ons nog steeds iets. Het verhaal gaat namelijk over Stach, een jongen
die koning wil worden in een land dat muurvast zit, met ministers die
weigeren de juiste keuzes te maken. Stach mag het alleen proberen als
hij het land ingaat en opgaven gaat uitvoeren waarmee hij de mensen
dient. Hij doet het niet voor de macht; hij doet het met
verantwoordelijkheid. Vrijwel elke onmogelijke opdracht die hij krijgt,
gaat over de toekomst van Katoren, over luisteren, over rechtvaardigheid
en over kennis. Misschien is dat wel de kern van het boek: het gaat niet
om het einddoel, maar om wat je onderweg leert. Die toekomst begint op
school.
Ook ons onderwijs staat voor grote opgaven. We hebben als het ware drie
missies: kwaliteit, kansen en kenniseconomie. Daarover wil ik het
vandaag in mijn bijdrage hebben. Van Finland tot Singapore: overal ter
wereld kijkt men naar elkaar voor hoe je het beste onderwijs kunt geven.
Maar wat zien we in Nederland? Te veel kinderen hebben moeite met lezen
en schrijven: een op de drie. Daarmee bungelen wij in Europa onderaan.
Te veel leraren kampen met werkdruk en veel te veel administratie. In
het mbo, het hbo, het hoger onderwijs en de wetenschap staat de
kwaliteit onder druk door onzekerheid en bezuinigingen. Dat raakt ons
allemaal.
Voorzitter. Juist daarom markeert dit coalitieakkoord een breuk met het
vorige kabinet. We stoppen met afbraak. We investeren 1,5 miljard euro
in wetenschap en onderzoek, met heldere, langjarige keuzes. Zoals een
schoolleider uit Etten-Leur mij vorige week zei: het voelt alsof we weer
gezien en gehoord worden; het onderwijs mag er weer zijn. Het is tijd
dat Nederland zelf weer het voorbeeld wordt, met onderwijs van
wereldkwaliteit.
Voorzitter. Ik begin met de kwaliteit. Een van Stachs eerste opdrachten
gaat over de vogels van Decibel. Wellicht herinnert u het zich nog: het
gaat over vogels die zo hard krijsen dat niemand elkaar kan verstaan en
iedereen binnenblijft met oorkleppen op, omdat ze niet meer naar elkaar
kunnen luisteren. Stach ontdekt dat het probleem niet is dat mensen niet
naar elkaar willen luisteren, maar dat het systeem en de omstandigheden
het hun onmogelijk maken. Dat raakt de kern van kwaliteit in het
onderwijs, onze eerste opgave. Als klassen te vol zijn, als leraren
verdrinken in administratie, als de basisvaardigheden onder druk staan
en als achterstanden zich opbouwen, dan ontstaat namelijk hetzelfde
effect: veel geluid, weinig aandacht en te weinig ruimte om echt te
leren. Maar het kan wél.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik zag in het nieuwe coalitieakkoord dat er een staatscommissie komt
voor de kwaliteit, maar nou zag ik ook dat een ander woord helemaal niet
voorkomt in het coalitieakkoord. Het is een woord waar mevrouw Biekman
net ook heel mooi naar verwees in haar prachtige maidenspeech, waarvoor
complimenten. Het gaat om "kansengelijkheid". Vindt mevrouw Rooderkerk
niet dat je, als je gaat kijken naar kwaliteit, ook oog moet hebben voor
de verschillen tussen kinderen en hun achtergronden? Zou in deze
staatscommissie dus ook rekening gehouden moeten worden met deze
verschillen, met het effect van vroegselectie en met het effect van
voorschoolse educatie?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Een mooie vraag van mevrouw Moorman. Ik had eigenlijk ook niet anders
verwacht dan dat zij hiervoor meteen naar voren komt. Zij zet zich
namelijk heel hard in voor die kansengelijkheid en, zoals u mijn
voorganger ook hoorde zeggen en zoals ik zelf straks ook zal betogen,
wij dus ook. We kunnen hier een semantische discussie van maken — het
woord "kansen" staat bijvoorbeeld wél 66 keer in dit akkoord; dat aantal
kan natuurlijk geen toeval zijn — maar het gaat wat mij betreft vooral
om de maatregelen. In dit akkoord staat wat we op dat vlak gaan doen. We
gaan bijvoorbeeld die bredebrugklasbezuiniging helemaal terugdraaien. We
gaan zorgen voor een rijke schooldag met brede ontwikkeling voor
kinderen. We gaan zorgen voor het terugdraaien van de bezuinigingen op
het geld voor de achterstanden. Ik kan niet anders dan denken dat
mevrouw Moorman daar toch zeker blij mee moet zijn.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik tel maar dertien keer het woord "kansen" en dan vooral in combinatie
met "economie", maar ik krijg geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg aan
mevrouw Rooderkerk of zij het niet ook een goed idee vindt om de
opdracht aan die staatscommissie te verrijken door ze ook te laten
kijken naar de verschillen tussen de achtergronden van kinderen en het
effect van voorschoolse educatie en vroegselectie.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ten aanzien van die staatscommissie vind ik het goed om te horen dat
mevrouw Moorman dat ook een goed idee vindt. Als we weer echt flink gaan
investeren in het onderwijs, is het volgens mij heel belangrijk dat we
dat ook op de juiste manier doen. Vandaar ook die staatscommissie, die
echt moet kijken hoe we er nou voor zorgen dat dat op de juiste manier
gebeurt. Het moet echt zorgen voor verbetering van de kwaliteit, voor
kansen, voor de kenniseconomie. Ik vind de vragen die mevrouw Moorman
hier nu aan toevoegt, daar heel goed bij passen. Wat D66 betreft begint
onderwijs namelijk niet wanneer je aan de basisschool begint, maar al
veel eerder. We weten bijvoorbeeld dat als je met een achterstand op
taal begint aan de basisschool, dat eigenlijk de gehele basisschooltijd
moet worden ingehaald. Daarom is die vroegschoolse educatie dus heel erg
van belang voor heel veel zaken, waaronder de kansen. Aan de andere kant
denk ik overigens dat het ook interessant is om de vraag erbij te
betrekken of de vroegselectie die wij hebben in het onderwijssysteem
niet iets is waarin we een andere keuze zouden moeten maken. Daar is die
brede brugklas natuurlijk ook een stap voor. We zetten kinderen namelijk
heel vroeg vast. Dus zowel aan de voorkant als aan de achterkant van het
onderwijs is dat wat mij betreft een vraag die daarbij past.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij met wat mevrouw Rooderkerk hier zegt en ik ga er dan
van uit dat zij de motie hierover zal steunen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank. Ik zie die motie graag tegemoet.
Wij geloven dat elk kind, waar je ook vandaan komt, het recht heeft om
goed te leren lezen en schrijven. Daarom maken we, zoals gezegd,
duidelijke keuzes. We gaan leraren beter opleiden. We zorgen dat ze zich
kunnen blijven ontwikkelen. We zorgen ook voor meer academisch
geschoolde leraren, zodat wetenschappelijke kennis over wat werkt de
klas goed bereikt. We weten namelijk dat het nodig is om aandacht te
hebben voor lezen en schrijven in alle vakken, met boeken en rijke
literatuur, maar willen we dat mogelijk maken, dan is er nog iets nodig,
namelijk het wegnemen van de enorme regeldruk. Leraren besteden volgens
de Rekenkamer zeven uur per week aan administratie. Tja, laat dat eens
op je inwerken: dat is dus één dag per week aan administratie. Dat kan
niet. We moeten zorgen voor minder bureaucratie en meer boeken. We
hebben ook hoge verwachtingen van iedereen, zowel van leerlingen en
leraren als schoolleiders, adviseurs en besturen. Onze kinderen kunnen
niet wachten, dus het is tijd voor actie: aan de slag! Dan mijn eerste
vragen daarover aan de bewindspersonen. Hoe staat het met het
wetsvoorstel om gericht te kunnen bekostigen, zodat middelen
terechtkomen waar ze nodig zijn? Zijn de bewindspersonen daarnaast
bereid om nu alles in gang te zetten om samen met de beroepsgroep meer
professionele ontwikkeling van leraren mogelijk te maken?
Voorzitter. Ten tweede, de kansen. Stach leert ook iets anders: als je
problemen laat liggen, worden ze groter en komt de rekening vaak bij
dezelfde mensen terecht. Ik bezocht een scholengroep in Den Haag. Wat ik
daar hoorde, was schrijnend: leerlingen verloren extra lessen in lezen
en schrijven, het muzieklokaal dreigde te sluiten en kinderen die juist
extra begeleiding nodig hadden, zagen die verdwijnen. Voor ons is dat
onacceptabel. We moeten vol inzetten op kansen. Dat is niet alleen
eerlijk, maar verbetert ook de kwaliteit in het onderwijs. Een land als
Ierland laat zien dat dit kan. Door extra ondersteuning voor leerlingen
met achterstanden kunnen zij beter meekomen, stijgen de leerprestaties
en verbetert het onderwijsniveau. Daarom investeren in wij brede
brugklassen, rijke schooldagen en extra ondersteuning.
Dat brengt mij bij mijn vraag. De gemeentelijke
onderwijsachterstandsmiddelen zijn door het vorige kabinet voor 2026 met
10% gekort. Dat hebben gemeenten al in de begroting verwerkt. Heeft de
staatssecretaris signalen ontvangen dat gemeenten dat gat zelf niet
kunnen opvangen, en gaat hij hierover in gesprek met medeoverheden?
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Gaat uw gang, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik zou even terug willen komen op die brede brugklas. In dezelfde lijn
wordt namelijk ook gezegd dat er aan de administratielast moet worden
gewerkt. Daar zit natuurlijk wel een enorm risico aan als het gaat om de
brede brugklas. Zowel de onderwijsinspectie als de PO-Raad zegt dat de
grootste valkuil is dat je meer regeldruk en werkdruk gaat krijgen. Het
advies is dat je kleinere klassen nodig hebt. Dat betekent meer
docenten, maar die zijn er niet. Ik zie dus nogal wat tegenstrijdigheden
in het verhaal. Aan de ene kant: de brede brugklas, top! Maar aan de
andere kant: we hebben de mensen niet, en de administratiedruk zal gaan
toenemen. Hoe gaat D66 dat met deze coalitie oplossen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De brede brugklassen zijn er natuurlijk voor bedoeld dat je als kind
niet meteen op 11-jarige leeftijd in een hokje wordt gestopt en een
niveau moet kiezen, maar dat je daar langer de tijd voor krijgt en je
met kinderen van verschillende richtingen onderwijs volgt. Dat doen we
al op de basisschool, maar we hebben besloten dat wanneer kinderen naar
de middelbare school gaan, dat opeens niet meer kan. Veel scholen werken
al met de brede brugklas via de subsidie die we hier in Rutte IV
beschikbaar voor hebben gesteld. In de onderzoeken naar hoe de brede
brugklas in de praktijk werkt, zien we dat het van belang is dat leraren
goed differentiëren. Het is dus nodig dat zij beter worden opgeleid om
hiermee om te gaan, maar het is ook nodig dat we extra geld geven aan
scholen om dit goed in te kunnen richten. Daar is die subsidie juist
voor bedoeld. Het kan dus, maar het moet op de goede manier gebeuren.
Dat is precies de reden waarom wij het zo onverstandig vonden dat die
door het vorige kabinet werd wegbezuinigd. Die subsidie helpt namelijk
juist om te zorgen dat die brede brugklassen een succes worden.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat doen ze op de basisscholen wel, alleen niet op de manier zoals ze
het in het voortgezet onderwijs doen. Heel veel basisscholen hebben
kindjes met een sterretje, een maantje, een extra dit en een extra dat.
Daar wordt ook in gedifferentieerd op basis van wat een kind aankan. Het
gebeurt dus ook in het basisonderwijs, met alle nadelige gevolgen van
dien. Maar dat is nog geen antwoord op de vraag. Je hebt namelijk de
docenten niet om dat te gaan doen. Een belangrijke eis van die
differentiatie is die kleinere klassen. Ik zie dat nog steeds niet
gebeuren. Ik zie dus ook niet dat daar voldoende docenten voor zijn. Ik
noemde ook de administratielast. Daar heeft u nog geen antwoord op
gegeven, dus daar zou ik nog graag een korte reactie op krijgen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ten aanzien van het eerste punt. Er werd gezegd dat het niet zou kunnen.
Basisschoolleraren laten zien dat het kan. Zij laten zien dat het ook op
een goede manier kan, door heel goed aandacht te hebben voor de
leerlingen.
Dan over de randvoorwaarden, dus het aantal leraren en de administratie.
Ten aanzien van de leraren is het vaak een vicieuze cirkel. Ik werk
samen met mevrouw Beckerman van de SP aan een wetsvoorstel voor kleinere
klassen. In het akkoord is ook een start gemaakt met de inzet daarop. We
zien namelijk dat wanneer je grotere klassen hebt van 30 leerlingen, je
als leraar meer administratie en meer nakijkwerk hebt. Die werkdruk
zorgt ervoor dat leraren de school verlaten. Een op de vijf startende
leraren verlaat binnen vier jaar weer de school. Dat komt vooral door
dit soort zaken. Als we de werkdruk willen verlagen, is het van belang
om ook in te zetten op het verkleinen van de klassen. Ik noem de
bredebrugklassubsidie. Scholen kunnen zelf invullen wat zij daarvoor
nodig achten. Die subsidie helpt om dat te verbeteren. Daarom is het van
belang dat we die weer invoeren. Natuurlijk moet dat goed gebeuren. Ik
ga ervan uit dat dat goed gebeurt door leraren beter op te leiden en
door de werkdruk te verlagen met de voorstellen uit het akkoord.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
"Wij zullen nooit instemmen met begrotingen waarin op onderwijs wordt
bezuinigd, want daarmee wordt op de toekomst van ons land en onze
kinderen bezuinigd, en dat gaan wij niet meemaken." Dit zei senator Van
Meenen nog in oktober 2025. Dat ging dus over de onderwijsbezuinigingen
van 800 miljoen voor dit jaar. Ik heb er alle waardering voor dat D66
die bezuinigingen terugdraait, maar we hebben het nu over de begroting
voor 2026. Mevrouw Biekman zei net al dat deze begroting een onvoldoende
krijgt. U vroeg net aan de staatssecretaris wat de effecten van de
bezuiniging op het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid zijn. We
hebben een brief gekregen van de gemeentes waarin staat dat die effecten
groot zijn.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag is dus: gaat D66, net als senator Van Meenen, tegen de
huidige begroting stemmen, omdat er 800 miljoen wordt bezuinigd?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik begrijp de vraag, want dit debat komt op een beetje een raar moment.
Er ligt een coalitieakkoord waarin staat dat we flink gaan investeren.
Tegelijkertijd hebben we een begroting waar nog de erfenis van het
vorige kabinet in zit. Het probleem is dat we, als we de begroting niet
aannemen, weer nieuwe problemen krijgen. Dan kunnen de lerarensalarissen
niet geïndexeerd worden en dan kunnen de prijsstijgingen niet worden
berekend. Er is inflatie geweest, dus dan krijgen instellingen er
opnieuw problemen bovenop. Dat lijkt mij niet verstandig. Wat ik
voorsta, is dat we wel voor deze begroting stemmen, maar met de afspraak
dat wij, met het nieuwe akkoord, de bezuinigingen in het geheel
terugdraaien en die 1,5 miljard weer investeren.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Er is een uitweg. We kunnen namelijk ook gewoon de begroting aanpassen.
Daarvoor staan wij hier. We praten nu over de begroting voor 2026. Er
zijn verschillende voorstellen ingediend om deze bezuinigingen terug te
draaien. D66 deed daar altijd aan mee. Ik hoop toch op de steun van D66,
ook dit jaar. Anders is dat in contrast met wat de heer Van Meenen in de
Eerste Kamer heeft gezegd, namelijk: wij zullen nooit instemmen met een
begroting waar bezuinigingen op onderwijs in staan.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, ik zie alle voorstellen daarvoor graag tegemoet. Tegelijkertijd wil
ik wel ergens voor waken. Ik voel helemaal de urgentie van mevrouw
Moorman en het onderwijsveld om zo snel mogelijk weer te investeren,
maar dat wil ik dan wel doen op een manier die het juiste effect heeft,
aan de hand van de duidelijke keuzes die wij in het akkoord hebben
gemaakt. Ik ben er dus niet voor om nu op stel en sprong allemaal geld
naar het onderwijs te gooien, zoals we in het verleden hebben gezien,
wat ook niet altijd prettig was, maar ik wil juist structureel geld gaan
investeren. We willen nu niet weer voor één jaar pleisters plakken, maar
we willen dat er langjarig, structureel en op basis van de duidelijke
keuzes die in dit akkoord gemaakt zijn, geïnvesteerd wordt. Daarom vind
ik het vooral van belang dat we dat met de nieuwe begroting netjes gaan
doen.
De voorzitter:
Dit wordt uw vijfde interruptie, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik dacht dat het gewoon in blokjes van drie ging, dus ik
telde het als de tweede.
De voorzitter:
Zeker niet. We gaan geen achttien interrupties doen in de begroting. Ik
heb gezegd dat we beginnen met zes interrupties per persoon; daarna kijk
ik verder. Ik zou ze dus opsparen, als ik u was.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik wil D66 eigenlijk complimenteren, want ik vind het echt heel gaaf dat
die onderwijsbezuinigingen worden teruggedraaid. Daar hebben heel veel
mensen actie voor gevoerd en ik denk dat het ook heel hard nodig is.
Tegelijkertijd is het wrang als die onderwijsbezuinigingen nu dan nog
wel doorgaan. Er worden nu reorganisaties doorgevoerd, er verdwijnen nu
banen, er wordt nu gekort op onderwijsachterstandenbeleid. Wat zou D66
willen doen om dat te voorkomen? Dit is toch heel wrang? Straks moet je
van een nog grotere achterstand terugvechten. Zo doen we leerlingen,
studenten en medewerkers tekort.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Allereerst dank aan mevrouw Beckerman. We hebben daarvoor gestreden, dus
ik ben blij dat het gelukt is. Tegelijkertijd zijn we er nog niet. We
hebben daar natuurlijk een meerderheid voor nodig. Ik hoop echt op steun
vanuit de Kamer om te zorgen dat we weer kunnen gaan investeren in het
onderwijs.
In antwoord op de vraag over de huidige bezuinigingen: ik heb die ook
liever niet, zeg ik in alle eerlijkheid. Ik had liever ook niet deze
begroting gehad, waar we het nu over hebben. Tegelijkertijd vind ik dat
we het goed moeten doen. Als we nu weer gaan investeren in het
onderwijs, moeten we echt zorgen dat we daarmee de kwaliteit vergroten.
Dat moet niet incidenteel zijn, maar structureel en langjarig. Het lijkt
mij dus echt verstandiger om het op die manier aan te pakken. Dat gaf de
Rekenkamer ons afgelopen week in de technische briefing ook mee. Zo kijk
ik daar dus naar.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, mevrouw Rooderkerk heeft gelijk: incidenteel geld is juist een heel
groot probleem. Maar dat is niet de vraag. De vraag die hier voorligt,
is de volgende. Laat ik hem heel concreet maken. Mevrouw Moorman begon
er ook over. Er wordt nú gekort op onderwijsachterstandenbeleid. Er zijn
nú gemeenten die de deuren daarvoor sluiten en die niet doorgaan met dat
onderwijs. We weten dat leerlingen die dat onderwijs nu niet krijgen,
met een achterstand op de basisschool beginnen of met een achterstand
verdergaan. Je kunt dat nu goedmaken of je kunt dat laten. De vraag is:
wat is dan de keuze van D66? Want het zit in deze begroting. Als we die
aannemen, is het een feit en krijgen deze kinderen niet het benodigde
onderwijs.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat klopt en ik ben het er helemaal mee eens dat dit een hele
onverstandige bezuiniging is, die zo snel mogelijk moet worden
teruggedraaid. Dat is ook de reden dat ik daar net een vraag over stelde
aan de staatssecretaris. We zitten nu zo halverwege het begrotingsjaar.
Gemeenten hebben hier hun begroting ook al op ingericht. Als er echt
signalen zijn dat dit tot hele zorgelijke situaties leidt, wil ik dat
graag van de staatssecretaris horen. Ook hoor ik dan graag of daar iets
aan te doen is. Ik ben dus ook benieuwd naar zijn appreciatie van het
amendement dat hier specifiek over gaat. Wat mij betreft zouden we dit
zo snel mogelijk oplossen. Ik ben dus benieuwd naar het antwoord
daarop.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, dat is natuurlijk altijd een makkelijke. We weten dat die signalen
er zijn; we hebben een hele brief gekregen van gemeenten die ons gewoon
laten zien wat het voor hen betekent. Gemeenten zeggen: we stoppen met
extra voorschoolse maatregelen en met extra begeleiding op basisscholen.
Gemeenten hebben ons gewoon laten zien wat dit voor hen betekent. Iets
doorschuiven naar het kabinet is altijd mooi. We zien dat heel vaak in
debatten, maar de vraag is natuurlijk als volgt. De Kamer kan in
meerderheid beslissen over deze begroting. De hele simpele vraag is dus:
nu we zien dat dit tot problemen leidt, problemen die we niet willen,
gaan we het dan repareren; ja of nee?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zoals gezegd ben ik het er helemaal mee eens dat we dit zo snel mogelijk
moeten repareren. We hebben het wel over de begroting van een vorig
kabinet. Ik vind het daarom wel netjes om de vraag neer te leggen waar
die hoort. Wij zien het amendement wel degelijk welwillend tegemoet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Voorzitter. We kiezen ook voor de kansen van studenten. Velen in de zaal
hebben waarschijnlijk warme herinneringen aan hun studententijd, maar
als ik die van mij vergelijk met die van de huidige studenten, dan
hebben ze het zwaar: hogere prijzen en kamerschaarste, met dezelfde
beurs. Daarom is het zo belangrijk dat studenten weer lucht krijgen. Dat
kan met een hogere uitwonende beurs, een rente van maximaal 2,5% en een
wettelijke stagevergoeding. Ik hoop ook dat het ministerie hier zo snel
mogelijk mee aan de slag gaat. Ik heb daar een vraag bij. Is de minister
bereid om bestaande ongelijkheden in de studiefinanciering van het mbo,
hbo en wo, waaronder die van hbo-bachelorstudenten — zij kunnen niet met
een vergoeding een master wo volgen — in kaart te brengen en aan te
pakken?
De voorzitter:
Meneer Russcher, gaat uw gang.
De heer Russcher (FVD):
Ik heb een vraag aan mevrouw Rooderkerk over de pechgeneratie. Wij lazen
in het verkiezingsprogramma van D66 dat ze vinden dat er geen rente op
hun studieschuld moet worden opgelegd. Daarvan zien we niets terug in
het coalitieakkoord. Ik vraag me af of D66 daar geen voorstander meer
van is of dat dit een punt is dat ze hebben verloren tijdens de
onderhandelingen. Wat is er hier gebeurd?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik maak me dus net als u zorgen over die pechgeneratie. De studenten
zijn ook de groep die al die jaren het minst is gecompenseerd. Daarom
vinden we het zo belangrijk dat we in dit akkoord specifieke maatregelen
nemen voor studenten. Dat doen we wel degelijk. Het maximeren van de
rente staat erin. Het gaat niet zover als de 0% die wij als D66 graag
hadden gezien; daar kan ik ook eerlijk over zijn. Die wens lees je in
ons verkiezingsprogramma. Maar ik ben heel blij dat we dat maximeren wel
kunnen doen, en daarnaast doen we nog meer. We zorgen voor een hogere
uitwonendenbeurs. Die zorgt ervoor dat studenten meer lucht krijgen en
is te gebruiken voor de kamerhuur, maar ook gewoon voor de dagelijkse
boodschappen en andere zaken om in het levensonderhoud te voorzien. We
zorgen ook voor een wettelijke stagevergoeding. Die is heel erg van
belang, ook voor studenten in het mbo. We gaan meer kamers bijbouwen en
we gaan het makkelijker maken om kamers te creëren, zodat je op dat vlak
ook qua regelgeving meer voor elkaar krijgt. Zo zijn wij heel specifiek
juist voor die studenten allerlei zaken aan het doen. Ik denk dat we
daarmee echt een mooi pakket voor studenten hebben.
De heer Russcher (FVD):
Mooi. Ik hoor daar een aantal heel goede maatregelen tussen zitten.
Alleen vraag ik mij wel af wat die honderdduizenden studenten hier
precies aan hebben, die een torenhoge studieschuld hebben opgelopen en
daar straks 2,5% rente op moeten gaan betalen. Op een studieschuld van
bijvoorbeeld €30.000 kan dat neerkomen op €15.000. Ik ben benieuwd of
D66 dan een voorstel van Forum voor Democratie zal steunen om voor die
mensen gewoon de 0%-rente te realiseren.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Hoe sympathiek ook: dat gaat niet, want wij hebben deze afspraken met
elkaar gemaakt. We hebben nu dit percentage afgesproken, maar wat daar
goed aan is, is dat we het ook maximeren. Dat betekent dat studenten
niet meer aanlopen tegen onverwachte rentestijgingen, dat ze zich ook
geen zorgen meer hoeven te maken dat die rente in de toekomst ineens
hoger gaat worden, zonder dat ze daar van tevoren rekening mee konden
houden. Met aan de andere kant die flinke maatregel om de
uitwonendenbeurs te verhogen, waardoor studenten er nu juist geld bij
krijgen, vind ik de afspraak die er nu staat zeker te verantwoorden en
sta ik daar ook voor.
De heer Boomsma (JA21):
D66 is enthousiast over de aangekondigde investeringen of extra uitgaven
aan onderwijs, van 1 miljard oplopend tot 1,5 miljard. Mij is niet
helemaal duidelijk welk deel van die 1 tot 1,5 miljard nu het
rechtzetten van de eerdere bezuinigen is en welk deel een nieuwe
investering is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, goede vraag, want we zien in het akkoord dat het bedrag oploopt.
Daarmee proberen we zo snel mogelijk zaken terug te draaien. Maar wij
willen ook duidelijk de keuzes maken die in het akkoord staan. We gaan
dus niet een-op-een alles terugdraaien van het vorige PVV-kabinet. We
gaan ook duidelijk kiezen waar we op inzetten. Ik probeer dat toe te
lichten in mijn bijdrage, waarin ik halverwege ben, maar het gaat dus
echt over veel meer geld voor leraren, lagere regeldruk, geld voor
studenten en ook inzetten op innovatie in de kenniseconomie. Het kabinet
gaat straks, na zijn aantreden binnenkort, aan de slag om dat te
vertalen in een nieuwe begroting, een startnota. Dan zult u zien hoe dat
precies zijn weerslag heeft, maar dat gaat dus aan de hand van de keuzes
die wij maken in het coalitieakkoord.
De heer Boomsma (JA21):
De keuzes die wij als Kamer moeten maken, natuurlijk, want de coalitie
heeft geen meerderheid. Maar wat is voor D66 dan de inzet voor ... Ik
hoor D66 bijvoorbeeld niet over de grote bezuinigingen die er zijn
geweest op de universiteiten en op wetenschappelijk onderzoek. Dat was
toch ook zeker 200 miljoen. Is de inzet van D66 ook om dat te
herstellen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Helemaal eens dat we dit natuurlijk samen met elkaar moeten doen. Daarom
is het ook goed dat we nu al het debat voeren. Dat gaan we denk ik veel
vaker doen wanneer we daadwerkelijk de vertaling van het akkoord zien,
die de bewindspersonen van het nieuwe kabinet gaan maken. Zoals ook in
het akkoord te lezen valt, willen wij dat het geld dat voor de
wetenschap bestemd is, gewoon weer voor de wetenschap bestemd gaat
worden. Wij vinden namelijk de bezuinigingen die daarop zijn gedaan — ik
kom daar zo op — echt uiterst onverstandig. En niet alleen dat. We
hebben ook in het akkoord staan dat we toewerken naar de 3%-investering
in innovatie van de Lissabonnorm. En we hebben ook nog eens heel veel
geld staan vanuit Defensie voor onderzoek en innovatie, tot en met 10%
daarvan, om te zorgen dat we de wetenschap en het onderzoek aan alle
kanten stimuleren. Daar komt dus zeker heel veel geld bij.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Even vervolgend op de vraag van het lid Boomsma. U geeft nu aan: hoe we
dat invullen, laten wij aan het volgende kabinet. Maar die bezuinigingen
zijn nu al van kracht. In 2025 was het iets van 251 miljard. In 2026 is
het 278 miljard, alleen al de bezuiniging op onderzoek. Ik ben benieuwd
of D66 die 0,5 miljard gaat terugdraaien, ja of nee.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Deze bedragen gingen, neem ik aan, over miljoenen en niet over
miljarden, maar ik begrijp de wens om in ieder geval de bezuinigingen op
wetenschap en onderzoek die in de boeken staan, terug te draaien. Dat
zijn wij zeker ook voornemens.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Dan, ten derde, de kenniseconomie. Onder het vorige
kabinet met de PVV is er veel kapotgemaakt in ons onderwijs; daar hadden
we het al over. Dat zie je terug in deze begroting van stilstand en
achteruitgang maar ook in de praktijk. Bij de Rijksuniversiteit
Groningen verdwenen 300 banen. De Universiteit Utrecht moest zes
opleidingen schrappen, waaronder Frans en Duits. En
onderzoeksinstituten, zoals het Oncode Institute voor kankeronderzoek,
zagen hun financiering dalen. Dat betekent: studenten die zich afvragen
of hun studie doorgaat, docenten die ervaren dat de kwaliteit onder druk
staat en wetenschappers die baanbrekend onderzoek moeten
uitstellen.
In een wereld vol geopolitieke spanning, technologische verandering en
grote maatschappelijke vraagstukken hebben wij een wetenschap nodig die
vrij, sterk en toonaangevend is. Bovendien laat de situatie in de
Verenigde Staten zien hoe kwetsbaar onze kennisinfrastructuur kan zijn,
want veel data liggen in het buitenland opgeslagen en we zijn
afhankelijk als die ineens wegvallen. Tegelijkertijd hebben de
maatregelen van het vorige kabinet op internationalisering en de daaraan
gekoppelde bezuinigingen een duidelijke impact gehad op ons kennis- en
innovatieklimaat en op regionale economieën, want juist het aantrekken
van talent staat onder druk, terwijl we dat talent harder nodig hebben
dan ooit.
Maar er zijn ook lichtpunten. Onlangs bezocht ik het AMS Institute van
TU Delft, op het Marineterrein. Daar lieten ze mij zien hoe ze werken
aan biobased bouwmaterialen van hout en stro en hoe dat, nu al, wordt
opgeschaald in woningen. Het zijn dit soort voorbeelden en dit soort
kennis die Nederland vooruithelpen: innovatief, duurzaam, internationaal
en competitief. Daarom kiezen wij ervoor om te werken naar die
Lissabondoelstelling van 3%. Bedrijven, zoals een ASML, hebben dat nodig
om te kunnen blijven innoveren. Ook willen we onze internationale
koploperspositie behouden, omdat Nederland een kenniseconomie van
wereldklasse verdient.
Tot slot, voorzitter. Stach slaagt niet omdat hij alles al weet; hij
slaagt omdat hij leert, omdat hij luistert en omdat hij
verantwoordelijkheid neemt. Dat is precies wat wij nu moeten doen. Deze
begroting laat zien waar we vandaan komen, maar dit debat moet vooral
gaan over waar we naartoe willen. Ik hoop daarbij veel partijen aan onze
zijde te vinden. Ik zie ernaar uit dat wij ons samen inzetten voor goed
onderwijs en sterke wetenschap. De afgelopen jaren hebben wij veel
verbonden gehad; zo hadden we het monsterverbond en het miniverbond. Ik
hoop eigenlijk met zo veel mogelijk partijen in deze Kamer te werken aan
een nieuw, gezamenlijk verbond, een reuzenverbond voor het onderwijs,
waarmee we het onderwijs weer vooruithelpen met kwaliteit in de klas,
met echte kansen voor kinderen en studenten en met een kenniseconomie
van wereldniveau. Want de toekomst begint op school, en die toekomst
vraagt om duidelijke langjarige keuzes. Aan de slag.
Ik zie al iemand uit het monsterverbond opstaan.
De voorzitter:
Wilt u de collega ook het woord geven?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat laat ik zeker aan u, voorzitter.
De voorzitter:
Volgens mij was de heer Ergin er als eerste, maar dat zag ik niet
helemaal goed.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, ik maak geen onderdeel uit van het monsterverbond.
De voorzitter:
Wie weet wat er nog gaat komen!
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Misschien gaat u wel onderdeel uitmaken van het reuzenverbond!
De heer Ergin (DENK):
Ik wil dat wel graag in het stenogram hebben opgenomen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Ik liep eigenlijk naar voren om D66 complimenten te geven. We hebben er
in de afgelopen twee jaar echt bij ieder commissiedebat keihard op
ingezet om die bezuinigingen van tafel te krijgen. We zien dat ook
gewoon in het akkoord staan. Dat is eigenlijk het enige hoofdstuk waar
ik echt een positieve indruk aan heb overgehouden. Maar er is één
passage waar ik gewoon heel veel vraagtekens bij heb. Misschien wil de
heer Stoffer daar ook een vraag over stellen. In het akkoord staat dat
de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen leidt tot onvoorziene problemen
en daarom zo snel mogelijk moet worden herzien. Ik ben benieuwd wat voor
onvoorziene problemen er zijn met die wet.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De Wet meer ruimte voor nieuwe scholen maakt het makkelijker om een
school te stichten. Waar wij vanuit D66 vaker problemen mee hebben, is
dat de gemeenten daar geen rol in krijgen, waardoor die te maken krijgen
met de situatie dat er een nieuwe school moet komen, maar dat die zelf
maar moet zien waar die moet komen. Daar is dan geen gebouw voor
beschikbaar. Het is ook de vraag of die school echt nodig is als je
kijkt naar het aantal kinderen. Wij hebben er dus ook altijd voor
gepleit dat je daar bijvoorbeeld een gemeentelijk toets voor inzet. Dat
is een van de voorbeelden waardoor wij denken dat die wet zou moeten
worden aangepast, dus om ervoor te zorgen dat je nieuwe scholen echt de
kans geeft om te beginnen en dat je de ruimte biedt die nodig is om een
school goed te laten draaien.
De heer Ergin (DENK):
Er is iets wat ik dan niet begrijp. Die wet wordt op dit moment
geëvalueerd. We horen begin 2026 iets meer over de evaluatie, dus
hopelijk binnen een of twee maanden. In de tussenrapportage zegt de
staatssecretaris ook heel duidelijk: het is nog te vroeg om conclusies
te trekken; we zijn bezig met een onderzoek. Ik begrijp dan niet op
basis waarvan D66 nu al met de conclusie komt dat het tot onvoorziene
problemen leidt. Op basis waarvan gebeurt dat dan? Bij hoeveel gemeenten
gebeurt dat? Bij hoeveel gemeenten is er sprake van extra
huisvestingsproblematiek en waar blijkt dat dan uit? Kan mevrouw
Rooderkerk dat toelichten?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Jazeker. Ik baseer mij niet alleen op de evaluatie die vanuit het
ministerie komt. Die vinden wij van belang en die gaan we goed
bestuderen, en we gaan het debat er uiteraard nog over voeren
binnenkort. Ik baseer me echter ook gewoon op mijn eigen ervaringen als
voormalig fractievoorzitter, voor lange tijd, in de Amsterdamse politiek
en op de ervaringen van veel wethouders die ik spreek in het hele land.
Je merkt gewoon dat daar echt zorgen zijn over de uitwerking van de wet.
Ik vind het belangrijk dat we die zorgen vertalen naar actie en dat we
dit laten horen in de Kamer. We hebben er ook in de onderhandelingen
over gesproken dat we hier echt aanpassingen op willen doen.
De heer Ergin (DENK):
Tot slot. Als we het over de zorgen gaan hebben, dan kan ik een hele
concrete casus in het Westland aandragen. Daar heeft een gemeente
destijds, juist vanwege de wet, tien jaar lang het oprichten van een
islamitische basisschool tegengehouden op louter procedurele gronden,
terwijl de vraag enorm was. Kan mevrouw Rooderkerk de garantie geven dat
er bij de herziening niet weer allemaal tools gaan komen voor gemeenten,
waarmee om louter politieke redenen bijvoorbeeld het oprichten van een
islamitische basisschool tegengehouden kan worden?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nou, we gaan hierover met elkaar gewoon een debat hebben en dan zullen
we kijken of daar meerderheden voor zijn, dus ik vind het een beetje
lastig om garanties te geven. Wat ik van belang vind, is dat we wel
ruimte hebben voor nieuwe scholen, maar dat we ook echt rekening houden
met wat gemeenten ons daarover zeggen. Een gemeente kan dan, als we dus
inspraak zouden kunnen regelen voor gemeenten in die wet, op basis van
de democratische uitkomst daar inspraak op leveren. In die zin is alles
politiek. We moeten natuurlijk ook niet voorbijgaan aan onze
democratische werking. In die zin verwacht ik dat, wanneer je zoiets zou
opnemen in de wet, dit toch niet iets is wat de heer Ergin zou kunnen
tegenstaan.
De heer Stoffer (SGP):
Ik sloeg eigenlijk aan op de term "monsterverbond". Ik heb daar namelijk
ook wel wat monsterlijke gevoelens bij. Mevrouw Rooderkerk kent dat
proces net zo goed als ik. Uiteindelijk hebben we daarin best een aantal
goede dingen voor elkaar gekregen, maar om daartoe te komen … D66 heeft
de eindstreep niet eens gehaald. Ik heb ook vaak gedacht "ik geef het
op", want het was wel 30 of 40 keer overleggen en dan elke keer een paar
minuten. Eigenlijk heb ik de volgende vraag. Mevrouw Rooderkerk heeft
het over nieuwe verbonden. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Rooderkerk het
voor zich ziet om dadelijk vanuit een minderheidscoalitie tot
meerderheden te komen voor de nieuwe Onderwijsbegroting. Ik bedoel dan
niet deze, maar de Onderwijsbegroting die deze zomer voorbereid gaat
worden en dan volgend jaar in de Kamer komt. Hoe gaan we dat met elkaar
doen? Daar ben ik eigenlijk wel benieuwd naar. Ik hoop dat het in ieder
geval iets anders gaat dan zoals we dat rond dat "monsterverbond" deden.
Ik ben benieuwd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Die naam is natuurlijk een beetje een geuzennaam; die hebben we ook niet
zelf uitgekozen. Daarom pleit ik voor een "reuzenverbond". Ik zie voor
me dat we er in de Kamer met elkaar op meerderheden uit moeten komen.
Het zou dus iets zijn dat inderdaad niet in de werkkamer van de heer
Wilders plaatsvindt, met allemaal overleggen, maar iets waar we het hier
in het debat met elkaar over hebben. Het zou iets zijn waarover we
elkaar weten we vinden als het gaat om maatregelen waarvan we allemaal
zien: hiermee willen we het onderwijs echt verbeteren. Dan hebben we het
natuurlijk over de zaken waar wij op inzetten in het akkoord. Ik weet
dat veel partijen goed onderwijs willen. Als je kijkt naar het onderzoek
naar het akkoord, zie je dat goed onderwijs zo'n beetje de allerhoogst
gescoorde maatregel is onder de achterbannen van alle partijen hier. Ik
heb dus goede hoop dat we ons daarvoor gaan inzetten. Ik heb ook goede
hoop dat we hier een scherp debat zullen hebben over de vraag: hoe doen
we dat dan? Hoe doen we dat op een goede manier, zodat het geld dat we
investeren in kwaliteit en kansen echt impact heeft en zodat we deze
discussie over twee jaar of over vier jaar niet weer hoeven te hebben?
Mijn wens is dat we langjarig de kwaliteit van het onderwijs willen
vergroten. Ik hoop daar zo veel mogelijk partijen in aan te spreken en
dat samen te kunnen doen.
De heer Stoffer (SGP):
Grosso modo klinkt dat best aardig. Ik zie er ook best veel
mogelijkheden in. Wat ik mee wil geven, is het volgende. Als hier na
Prinsjesdag een begroting wordt neergelegd, en die begroting wordt
gedragen door 66 Kamerleden, is het nog maar de vraag of die het gaat
halen. Mijn vraag is dus: denkt D66 er ook aan om voor die tijd met
elkaar te kijken waar de belangen liggen? Hele grote delen zijn, denk
ik, voor een groot deel van de Kamer te dragen, maar er zitten altijd
rafelranden aan een begroting waardoor je net denkt: moet ik dat ding nu
gaan steunen of niet? Dus: vooraf. Ik geef de tip — het is niet eens een
vraag — mee: zorg er vooral voor dat er vooraf al draagvlak is, voordat
dat ding al bijna in beton is gegoten en je dat hier nog met
amendementen moet verbouwen. Dat kan wellicht ook op een eerder
tijdstip. Het is niet zozeer een vraag, maar misschien een beetje een
zienswijze, hoe ik denk dat het zou kunnen in de toekomst.
De voorzitter:
Wellicht kan mevrouw Rooderkerk deze tip wel beantwoorden?
De heer Stoffer (SGP):
Ze zou er natuurlijk een beschouwing op kunnen geven, voorzitter. Daar
sta ik voor open.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Als u mij toestaat. Veel dank voor dit advies. Dat lijkt me ook heel
goed. Ik stel voor dat we binnenkort koffie gaan drinken om het erover
te hebben. Ik zie dit ook als een debat waarbij we al de eerste
gedachten uitwisselen over wat er in het akkoord staat, hoewel we nog
een oude begroting bespreken. Dat is onderdeel van het proces. Ik weet
zeker dat de nieuwe bewindspersonen die gaan aantreden dit met die
instelling gaan doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mevrouw Rooderkerk is trots op het terugdraaien van
onderwijsbezuinigingen, maar dat is niet het geval in de zorgparagraaf.
Daarin worden juist bezuinigingen toegevoegd. Het gaat onder meer om een
besparing van 110 miljoen op de opleiding voor medisch specialisten en
om de korting op de beschikbaarheidsbijdrage van de academische zorg.
Het gaat in totaal om 220 miljoen. Dit zijn juist ook opleidingen voor
medisch specialisten die voor heel veel mensen in Nederland keihard
nodig zijn, zeker in de regio's. Denk aan de longarts, de oogarts, de
reumatoloog en de hartchirurg. Hoe kan mevrouw Rooderkerk dan rijmen dat
ze blij is met het terugdraaien van onderwijsbezuinigingen, terwijl in
dit kopje zorg opleidingen juist worden gekort?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit gaat inderdaad over een ander deel van de begroting. In de
zorgbegroting maken we duidelijke keuzes. Die zijn erop gericht dat we
zien dat dit systeem zoals het nu is niet houdbaar is, dat er een grote
vergrijzing aan komt en dat het niet mogelijk is om iedereen van de
juiste zorg te voorzien als we zo doorgaan. Dan moeten we ook keuzes
maken die gericht zijn op de toekomst, waarbij we ervoor zorgen dat de
meest kwetsbaren nog steeds de zorg krijgen die ze nodig hebben. Maar we
moeten er ook voor zorgen dat de kinderen of studenten waar we het in
dit debat over hebben, in de toekomst goede zorg kunnen krijgen.
Maar goed, de echte zorgwoordvoerder zit hier naast mij voor te zitten.
We hebben het nu over de Onderwijsbegroting. Als ik daarnaar kijk, zie
ik wel degelijk dat wij veel doen om te investeren in de opleiding van
heel veel mensen, van heel veel leraren. We willen echt investeren in
innovatie, ook op het gebied van de zorg. Daarnaast doen we veel voor de
kansengelijkheid en de mbo-student, waarvan ik weet dat mevrouw Van der
Plas zich daar altijd hard voor maakt. Dat is dus hoe ik naar deze
begroting kijk.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De umc's, waar nu op gekort wordt, zijn juist verantwoordelijk voor
onderzoek, voor het opleiden van artsen en voor innovatie. Ik snap dat
mevrouw Rooderkerk niet de D66-zorgwoordvoerder is. Ik wil er ook geen
zorgdebat van maken. Maar ik vind dit gewoon niet met elkaar stroken. Ik
vraag me af welke invloed D66 daarop heeft uitgeoefend. Ook dat is
namelijk onderwijs. Ook dat zijn opleidingen. Die zijn heel belangrijk.
We krijgen namelijk signalen dat er een tekort is aan medisch
specialisten. Dat klinkt altijd een beetje als een containerbegrip, maar
daarom noemde ik voorbeelden als de kinderarts, de oogarts, de
reumatoloog en de hartchirurg.
De voorzitter:
Wat is uw vraag, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb het over alle specialistische opleidingen, die we gewoon keihard
nodig hebben. Mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk is hoe hard D66 heeft
gevochten om deze kortingen niet toe te passen.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u gaf het zelf al aan: dit is de OCW-begroting en
niet de VWS-begroting. Ik laat deze vraag nog toe. Mevrouw Rooderkerk
kan daar antwoord op geven. Ik stel voor dat u daarna óf een ander
onderwerp kiest óf uw interrupties opspaart.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb dus niet aan de tafel gezeten toen het deel over zorg in het
akkoord besproken werd. Dat was wederom mijn collega die nu naast mij
aan het voorzitten is. Wellicht is het goed om die vraag in een volgend
debat te stellen. Waar ik mij voor heb ingezet binnen het onderwijs, is
om ervoor te zorgen dat wij alle bezuinigingen op onderzoek en
wetenschap die er zijn gedaan, echt terugdraaien en dat wij daar ook nog
eens extra in investeren richting de Lissabonnorm. Op die manier willen
we ervoor zorgen dat we een heel goed opgeleide kenniseconomie hebben,
zowel voor de zorg alsook daarbuiten voor andere banen.
De voorzitter:
Voor alle mensen die thuis meekijken: ik ben vandaag uw neutrale
voorzitter. Heeft u nog een vraag, mevrouw Van der Plas? Ja? Gaat uw
gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja, ik heb nog een vraag over het praktijkonderwijs. Mevrouw Rooderkerk
had het over de brede brugklassen, waar je met alle soorten leerlingen
in de klas zit en pas op latere leeftijd een keuze maakt. Maar het
praktijkonderwijs heeft niet echt een specifieke verwijzing. Bij de
basisschool wordt het meestal vmbo/praktijkonderwijs genoemd. Heel veel
ouders kiezen niet voor het praktijkonderwijs, omdat ze dan denken: ja,
dan maar liever naar het vmbo. Maar op het vmbo blijkt heel vaak dat een
aantal leerlingen eigenlijk gewoon veel meer geschikt zouden zijn voor
het praktijkonderwijs. Die raken in zo'n brede brugklas, in mijn
beleving, ondergesneeuwd.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ben benieuwd hoe mevrouw Rooderkerk daartegen aankijkt.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit vind ik een heel goed punt, dat ik ook veel hoor. Wat mevrouw Van
der Plas beschrijft, is inderdaad een grote zorg. Tegelijkertijd denk ik
dat de brede brugklas daar juist in kan helpen. Nu krijgen kinderen op
11-jarige leeftijd een advies, wat vaak heel vroeg is, waarna ze al
meteen de keuze moet maken naar wat voor soort school zij gaan. We
hebben ook nog eens de opdracht gekregen om dat kansrijk te doen en dus
per se naar boven bij te stellen, alsof een hoger niveau altijd beter
zou zijn. Dat willen we dus terugdraaien. Wat ons betreft moet je gewoon
naar het niveau gaan dat bij je past en waar je je talenten kan
ontwikkelen. Daar moeten we naartoe. Ik ben het er dus helemaal mee eens
dat dit een zorg is, dus mocht mevrouw Van der Plas hierover een motie
overwegen in te dienen, dan zie ik die ook graag tegemoet. Ook in het
eerdere debat hebben we hier aandacht voor gevraagd.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, voordat u gaat zeggen dat dit mijn vijfde interruptie is: ik
realiseer mij dat dit mijn vijfde interruptie is, maar het is natuurlijk
vooral interessant om vragen te stellen aan de zogenoemde
onderwijspartij. Daarom beloof ik u dat ik later in het debat wat minder
vaak bij de interruptiemicrofoon zal staan. Ik hoop dat u mij nu nog wat
ruimte geeft. Ik wil namelijk een vraag stellen aan mevrouw Rooderkerk
over onderwijshuisvesting. D66 had daar een groot punt van gemaakt in
zijn verkiezingsprogramma. Dat was terecht, want er is een enorme
achterstalligheid op onderwijshuisvesting; inmiddels 930 miljoen, zo is
berekend. Helaas zie ik dit in de berekeningen en tabellen helemaal niet
meer terug. Betekent dat dat onderwijshuisvesting niet meer de aandacht
heeft die het wel zou moeten krijgen van D66?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het klopt dat wij het heel erg van belang vinden dat we ook wat doen aan
de onderwijshuisvesting. We hebben daar ook eerder het debat over
gevoerd. Toen gaf mevrouw Moorman aan dat ook van belang te vinden, maar
dat zag ik tot mijn verbazing niet terug in de tabellen van het
verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA. Wij waren eigenlijk de enige
partij die er in haar verkiezingsprogramma geld voor had opgenomen. Dat
zegt misschien ook wat over de manier waarop wij aan tafel hebben
gezeten bij het akkoord. Wij vinden dit een belangrijk punt. Ik ben er
blij mee dat er in het akkoord echt plannen zijn opgenomen hiervoor. Wij
willen dus daadwerkelijk aan de slag gaan met het verbeteren en
verduurzamen van schoolgebouwen, die soms 50 jaar oud zijn. Wij willen
dit gezamenlijk doen, met meer regie vanuit het kabinet, zodat niet elke
gemeente en elke school dit zelf moet gaan regelen. Als zij dit zelf
moeten regelen, gebeurt het niet, want in de begroting zijn er ook
allemaal andere vraagstukken. We moeten het centraal doen en er een plan
voor maken. Daarnaast hebben we het geld van het Groeifonds dat over is.
We willen ook inzetten op meer publiek-private samenwerking, omdat we
zien dat dat bijvoorbeeld in België goed werkt. Voor dit soort grote
renovaties of investeringen in schoolgebouwen moet geld uit de private
sector of van investeringsmaatschappijen vrijgemaakt worden zodat het op
die manier aangepakt kan worden. Wat ons betreft is er dus niks wat ons
tegenhoudt om hier nu mee aan de slag te gaan.
De voorzitter:
Dank u wel. U wilt uw laatste interruptie besteden, mevrouw Moorman? Ga
uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Bedankt voor deze jij-bak. Dit vind ik nou niet helemaal de uitgestoken
hand die ik van D66 had gehoopt te krijgen. Het lost in ieder geval het
probleem niet op. Het Groeifonds hadden we al. Ook dat heeft tot nu toe
niet tot een oplossing geleid. Ik zou dus toch een iets diepere analyse
van D66 willen over hoe we dan de problemen in de onderwijshuisvesting
gaan oplossen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zo was het niet bedoeld. Het is gewoon een feitelijke constatering, net
zoals mevrouw Moorman die deed ten aanzien van onze begroting. Ik hoop
vooral dat we de energie die bij onze partijen zit, en hopelijk bij meer
partijen in deze Kamer, om echt aan de slag te gaan voor de
schoolgebouwen, gaan bundelen en we ons er samen voor gaan inzetten. Ik
weet namelijk dat er heel veel wethouders, gemeentes en vooral
schoolleiders zijn die hier echt om zitten te smachten. Dat weet mevrouw
Moorman ook. Ik had vorige week nog een scholier die een dagje meeliep.
Zij vertelde dat zij nu met 17 à 18 graden op school zit. Dat is toch
wel heel ernstig en ook heel slecht voor de leerprestaties van kinderen.
Volgens mij hebben we in het akkoord nu een duidelijke richting staan.
Laten we samen kijken wat we daar nog meer voor kunnen doen. Ik zie
daarnaar uit.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Boomsma heeft nog een vraag. Ga uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Ik ben toch ook wel benieuwd naar de visie van D66 op de positie van het
Nederlands als academische taal. Ik hoor mevrouw Rooderkerk namelijk
veel over kenniseconomie, maar onderwijs gaat natuurlijk ook over
cultuuroverdracht. Met name onze taal is daarin belangrijk. Wat dat
betreft zie ik in het coalitieakkoord heel weinig. Er staat alleen maar
dat de taaltoets helemaal uit de Wet internationalisering in balans moet
worden gehaald. Hoe ziet D66 dat nou voor zich? Delen zij überhaupt de
zorgen over de positie van het Nederlands als academische taal, of is
het voor D66 überhaupt niet belangrijk?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wat wij vinden en ook altijd hebben gezegd, is dit. Het vorige kabinet
zette zich er sterk voor in om maar alle Engelstalige opleidingen te
stoppen. Die wens delen wij niet. Wij zien dat wij in dit land
internationale studenten nodig hebben die hiernaartoe komen om te werken
in sectoren waar wij tekorten hebben, bijvoorbeeld. Denk aan techniek of
aan AI en de enorme vlucht die dat neemt. Daar hebben we gewoon mensen
voor nodig. De heer Wennink zegt dat ook. Zo kijken wij daarnaar. Wij
vinden het van belang dat we ook die studenten een kans geven. De
balans, waar de heer Boomsma naar vraagt, zie ik ook. Wij vinden het van
belang dat wij de — het is een Engels woord — stayrate, de
verblijfsratio van studenten vergroten, dus dat wij bevorderen dat ze
daadwerkelijk hier een baan vinden. Ook vinden wij het van belang dat
studies daar zelf meer regie op kunnen voeren.
Daarover staat in het akkoord dat het mogelijk is om hierover
bestuurlijke afspraken te maken met instellingen. Dat willen we ook gaan
doen. Ook denken we aan de mogelijkheid tot numerus fixus als studies
zelf zeggen dat ze willen dat er een andere balans tussen studenten
ontstaat. Ook is een noodfixus mogelijk, mocht er heel veel toestroom
zijn. Ik vind dat we daarmee een uitgebalanceerd pakket hebben. Aan de
ene kant kijken wij van D66 anders naar internationaal talent. Wij
vinden dat wij dat wel degelijk nodig hebben. Wij vinden echter ook dat
als instellingen het gevoel hebben geen controle te hebben, wij de regie
moeten teruggeven.
De heer Boomsma (JA21):
Als het gaat om die zogenaamde stayrate, denk ik dat het belangrijk is
dat mensen gewoon Nederlands leren. Dan zijn ze ook eerder geneigd om
langer te blijven. Maar mevrouw Rooderkerk legt het nu helemaal bij de
instellingen zelf. In het coalitieakkoord lees ik zoiets als "waar nodig
kunnen we kijken naar een numerus fixus", maar wanneer is dat dan nodig?
Vindt D66 dat we helemaal geen barrières hoeven op te werpen, dat we dit
volledig aan de instellingen kunnen overlaten, dat als het aantal
opleidingen dat nu volledig of grotendeels in het Engels is steeds
verder toeneemt, we dat allemaal maar moeten laten gebeuren?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nee, dat vind ik niet. In het akkoord staat dat het een oproep is om er
uiteindelijk afspraken over te maken. Het punt is alleen dat het heel
erg verschilt per regio wat je daar wenselijk kan vinden. Als je met je
opleiding net aan de grens met België zit, is het wellicht logischer dat
er ook meer studenten vanuit dat land naar jouw opleiding toe komen. Zo
kan het heel anders liggen op een hele andere plek in het land. Het
lijkt ons belangrijk om daar wel afspraken over te maken; zo hebben we
het ook opgenomen. Wij vragen de nieuwe bewindspersonen om dat te gaan
doen. Dat is eigenlijk het antwoord dat ik daarop kan geven.
De voorzitter:
Dank u wel. Dank u voor uw bijdrage. Dan gaan wij nu naar de heer
Kisteman luisteren, die spreekt namens de fractie van de VVD. Na de
bijdrage van de VVD gaan wij lunchen, dus het is aan u allen hoe snel
wij daaraan beginnen. Dat betekent ook dat wij met de afterlunchdip
beginnen als mijn gewaardeerde collega mevrouw Moorman spreekt, dus ik
zou ook nog even een frisse neus halen tijdens de lunch. Dat helpt ons
allen in de aanwezigheid. Meneer Kisteman, gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Voorzitter. Ik wil beginnen met een dankwoord aan de bewindspersonen van
het huidige kabinet. Jullie zijn later begonnen, hebben zich volledig
ingezet en veel gedaan voor het onderwijs en hebben veel werkbezoeken
afgelegd. In het geval van mijzelf heb ik met de heer Becking veel goede
en leuke debatten gehad. Nogmaals dank. Dit is jullie laatste debat,
hoewel donderdag nog de tweede termijn is. Fijn dat jullie je hebben
ingezet voor het onderwijs. Dank daarvoor.
In mijn eigen bijdrage richt ik mij op het primair en voortgezet
onderwijs. Mijn collega Rajkowski zal straks ingaan op het mbo, hbo en
wo. Mochten daar vragen over zijn, adviseer ik de Kamerleden, de
collega's, om die aan haar te stellen en niet aan mij. Dat scheelt je
weer een interruptie, zal ik maar zeggen, mevrouw Moorman.
Goed leren lezen, rekenen en schrijven, burgerschap en digitale
vaardigheden: het is de basis die we elk kind gunnen. Het maakt daarbij
niet uit of je later praktisch of theoretisch wordt opgeleid. Ook als je
met je handen werkt, moet je goed kunnen lezen en heb je digitale
vaardigheden nodig. Het is daarom belangrijk dat onderwijs kwalitatief
goed is en aansluit bij de talenten en vaardigheden van kinderen. Maar
niet ieder kind ontwikkelt zich langs hetzelfde pad. Soms wordt een
leerling, zo hebben we net ook in de maidenspeech gehoord, … Daarmee
trouwens gefeliciteerd! Dat vergeet ik helemaal: gefeliciteerd met uw
maidenspeech. Soms wordt een leerling of onvoldoende uitgedaagd of soms
juist overvraagd. Soms is een leerling in groep 8 toe aan een volgende
stap, soms blijkt na de havo dat het mbo beter past dan het hbo. Dat
gebeurt en dat moet ook kunnen, maar daar wringt het. Ons
onderwijssysteem is hier onvoldoende op ingericht.
Scholen worden zelfs gestraft als leerlingen een niveau lager instromen.
Dat is precies de verkeerde prikkel. Wat mijn fractie betreft krijgt
ieder kind zo veel mogelijk op zijn eigen niveau les, met ruimte om
zichzelf optimaal te ontwikkelen. Daarbij pushen we niet automatisch
hoger, maar waarderen we ieder kind en iedere student op zijn eigen
niveau en mogelijkheden. Het Onderwijsresultatenmodel staat dit echter
in de weg. Dat model registreert afstroom en uitstroom naar het mbo in
plaats van het hbo als negatief. Zodra het maximum is bereikt, ontstaat
de prikkel voor scholen om afstroom te voorkomen, terwijl opstromen
juist wordt beloond. Scholen met veel vmbo-instroom scoren daarom
makkelijker hoger dan het gymnasium; daar is opstroom niet mogelijk. Ook
gymnasia met een tussenjaar voor hoogbegaafde leerlingen lopen tegen
problemen aan omdat deze leerlingen formeel langer over hun schooltijd
in het vo doen.
Daarbovenop komt het risicomodel van de inspectie. Scholen met veel
leerlingen van lageropgeleide ouders krijgen vaker bezoek, terwijl
scholen met mogelijk slechtere prestaties minder vaak worden
gecontroleerd. Dat voelt soms op z'n minst vreemd. In 2027 wordt het
toezichtkader Onderwijsresultatenmodel opnieuw vastgesteld. Diverse
brieven wijzen er echter op dat er weinig gaat veranderen. Scholen
overwegen nu te stoppen met overbruggingsklassen voor hoogbegaafde
kinderen, leerlingen krijgen het advies toch naar het hbo te gaan in
plaats van het mbo en scholen worden terughoudend in het opnemen van
later ingestroomde gevluchte leerlingen omdat trage doorstroom direct
wordt afgestraft. Dit zijn perverse prikkels. Die moeten uit het
onderwijs. Ieder kind moet het onderwijs krijgen dat hij of zij verdient
en niet het slachtoffer worden van dit soort systeemprikkels.
Uit een recent gesprek dat deze commissie voerde met de
onderwijsinspectie, blijkt dat de inspectie tal van uitzonderingen maakt
en dat het wel meevalt. Maar als je een systeem overeind moet houden met
uitzonderingen, dan klopt het systeem gewoon niet. Graag een reactie van
deze staatssecretaris. Hoe kijkt hij naar al deze signalen? Mijn fractie
vindt het belangrijk dat leerlingen makkelijker moeten kunnen bewegen
tussen diverse niveaus. Het risicomodel geeft aparte prikkels. Scholen
zouden toch allemaal dezelfde kans op een bezoek moeten hebben? Het moet
toch niet zo zijn dat de ene school meer kans op heeft dan de andere?
Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?
Voorzitter. Dan over de subsidies die het ministerie verstrekt.
Jaarlijks geven we ruim 4 miljoen euro uit aan instellingssubsidies voor
belangenorganisaties zoals het LAKS, Ouders & Onderwijs en Stem van
de vso-leerling. We financieren daarmee feitelijk onze eigen lobby.
Waarom krijgen deze organisaties wel subsidie en andere ouder- of
belangenverenigingen niet? Zij vragen contributie van hun leden om hun
hoofd boven water te houden en te kunnen lobbyen. Hoe kijkt de
staatssecretaris hiernaar? Waarom gaat dit geld niet naar het onderwijs
zelf, zodat kinderen bijvoorbeeld beter leren lezen en rekenen, in
plaats van naar partijen die ons op dinsdag een petitie komen
overhandigen? Kan de staatssecretaris toelichten hoe dit systeem is
ontstaan? Waarom is er juist voor deze partijen gekozen? En vindt hij
het zelf ook niet ietwat merkwaardig dat wij dit zo organiseren?
Voorzitter, afrondend. Het techniekonderwijs. In het primair en
voortgezet onderwijs moet ieder kind de kans krijgen om interesse in en
talent voor techniek te ontdekken. De arbeidsmarkt van nu en morgen
vraagt daar simpelweg om. Wat mijn fractie betreft vraagt dat om
structurele aandacht voor techniek. Dat moet niet afhankelijk zijn van
tijdelijke projecten of subsidies, maar moet een volwaardig onderdeel
van het onderwijsaanbod worden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is
dan ook hoe techniekonderwijs een vaste plek kan krijgen in het primair
en voortgezet onderwijs. Hoe enthousiasmeren we leerlingen zonder hun
keuzevrijheid te beperken? Zijn er kansen om techniekonderwijs minder
subsidiegedreven en meer structureel te organiseren?
Voorzitter. Ik noemde het al even: wat mijn fractie betreft moeten we
echt keuzes maken in hoe we onze toekomstige generaties gaan opleiden.
Ik geef daarvoor graag het woord aan mijn collega Rajkowski.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Rajkowski, die ook
spreekt namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank. Ook ik wil beide bewindspersonen danken. Ik heb vooral met de heer
Moes te maken gehad. Zeker over het mbo hebben wij veel mooie debatten
met elkaar kunnen voeren. Dus dank daarvoor.
Voorzitter. Ons mbo, hbo en wetenschappelijk onderwijs bruisen van de
gouden handen en knappe koppen. Het is geen slogan, maar zij zijn de
motor van Nederland: van de vakmensen die onze huizen bouwen en ons
stroomnet versterken tot de denkers en doeners die ervoor zorgen dat we
blijven innoveren. Laat ik daar namens de VVD heel helder over zijn: wij
geloven in de kracht en kunde van ons mbo, niet als tweede keuze, maar
als een trots en volwaardig eindstation. Het is een route naar
vakmanschap, vrijheid en een sterke economie. Tegelijkertijd geldt:
vertrouwen in instellingen en studenten hoort bij een liberale
samenleving. Wij willen geen overheid die elk curriculum dichttimmert of
elke studie dicteert, maar vertrouwen is ook niet hetzelfde als
wegkijken.
Als de tekorten oplopen in het mbo en de demografie kantelt, dan is het
ook de plicht van de politiek om richting te geven, niet met
symboolpolitiek, maar met keuzes die werken. Dus ja, wat ons betreft
moeten we opleidingen in tekortsectoren als de bouw, de techniek en de
zorg aantrekkelijker maken met betere loopbaanperspectieven, stevige
stage- en leerplekgaranties en echte waardering voor het vakmanschap.
Het onderwijs is natuurlijk allereerst een plek voor zelfontwikkeling en
emancipatie. Tegelijkertijd vragen schaarse middelen ook om scherpe
keuzes. Voor ons is macrodoelmatigheid dan ook geen vies woord. Het is
de vraag hoe we ons onderwijsaanbod zodanig inrichten dat studenten en
de samenleving verder worden gebracht. Daarom willen wij dit debat
volwassen met elkaar voeren: niet verzanden in randzaken, maar zorgen
dat het mbo daadwerkelijk hoogwaardig, wendbaar en toekomstgericht
blijft.
Er komt volgens het nieuwe coalitieakkoord een talentstrategie waarbij
er meer gestuurd gaat worden op studiekeuze. Daar zullen we in volgende
debatten verder over doorgaan. Afgelopen maandag sprak ik tijdens een
mbo-event met docenten, studenten, bestuurders en het bedrijfsleven over
het doorbreken van taboes. Ik noem bijvoorbeeld dat hoger beter zou
zijn, terwijl onze samenleving drijft op het mbo, en ook het taboe op
financiële prikkels, zoals een lager collegegeld voor tekortsectoren of
een bonus zodra er een diploma wordt behaald in tekortsectoren. Ik hoor
graag van de minister hoe hij tegen dit soort prikkels aankijkt. Zouden
die kunnen helpen om tekortsectoren aantrekkelijker te maken?
Voorzitter. Ik ben ook trots dat we in het coalitieakkoord een aantal
concrete stappen zetten om de waardering voor en stabiliteit van het mbo
waar te maken. We zorgen voor een stabiele en voorspelbare financiering
voor mbo en hbo, we versterken de samenwerking tussen onderwijs en
bedrijfsleven et cetera et cetera. We gaan ook inzetten op bevoegde
leraren voor de klas. Ik noem ook een persoonlijk wapenfeit van mijzelf:
de mogelijkheid voor mbo'ers om een bestuursjaar te kunnen doen, net als
hbo'ers en wo'ers. Daar ben ik erg trots op.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Een vraag over de prikkels voor tekortsectoren. Ik begrijp dat dat
budgetneutraal moet. Wanneer je de collegegelden verlaagt voor de bouw
en de zorg, zou dat betekenen dat je het collegegeld op andere plekken
in het onderwijs moet verhogen. Voor welke sectoren, welke banen, wil
mevrouw Rajkowski dan de collegegelden verhogen?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dat kan, maar het hoeft niet. Ik heb het mbo-event dat ik afgelopen
maandag organiseerde expres georganiseerd bij het MAKE Center. Dat hoort
bij de Tech Campus van het roc in Nieuwegein. Daar zie je dat
bedrijfsleven en onderwijs samenwerken via fondsen waarin ook het
bedrijfsleven geld investeert, om ervoor te kunnen zorgen dat het
onderwijs veel beter aansluit op de arbeidsmarkt. Ik denk dat als we
iets verder durven te kijken dan hoe we misschien gewend zijn om
onderwijs te geven en te financieren, dat ook tot de mogelijkheden
behoort. Ook het bedrijfsleven heeft hier natuurlijk voordeel van. Als
ik dan toch nog even dat MAKE Center in het zonnetje mag zetten: het is
extra mooi om te zien dat doordat het bedrijfsleven en onderwijs daar zo
intensief samenwerken, bedrijven de nieuwste machines aan de
onderwijsinstellingen geven, zodat leerlingen op het moment dat ze daar
les krijgen ook met die nieuwste machines kunnen gaan werken. Ik zie dus
alleen maar win-win. Ik ben benieuwd of dit, als je kijkt naar
wetenschappelijk onderzoek naar wat wel en wat niet werkt, een van de
taboes is die we moeten doorbreken om daadwerkelijk wat te gaan
veranderen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoorde mevrouw Rajkowski zeggen dat we daar geen extra geld bij doen.
Dat is er ook niet. Zij verwijst naar voorbeelden van bedrijven — die
kennen we al; die bestaan al — die bijvoorbeeld een opleiding een
3D-printer geven, zodat studenten die kennis hebben, daarmee kunnen
werken en vervolgens bij een bedrijf aan de slag kunnen. Maar dat is er
al, dus wat voor nieuws stelt mevrouw Rajkowski voor?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dat is er, maar als ze een machine geven die bijvoorbeeld vijf jaar oud
is ... In sommige sectoren gaat de ontwikkeling zo hard dat je dan wel
een machine hebt om mee te werken, maar dan is dat niet de machine waar
op dit moment op de werkvloer mee gewerkt wordt. Ik weet dat er
verschillende vormen van samenwerkingen zijn. Ik constateer in mijn
spreektekst dat we al heel veel met elkaar hebben gedaan. We zijn al
meer gaan inzetten op voorlichting over tekortsectoren, want met heel
veel mbo-diploma's kan je tegenwoordig een hoger salaris verdienen dan
met een hbo-diploma. Toch lukt het nog niet. Nog niet alle studenten
weten wat het betekent om voor een techniekopleiding te kiezen in plaats
van voor een andere. Ik denk dat we op heel veel vlakken al heel veel
met elkaar doen. We constateren al jaren dat het mbo niet als volwaardig
eindstation wordt gezien. We constateren al jaren dat de demografie
kantelt en dat we echt een probleem hebben als we te weinig mbo'ers
hebben met een diploma voor een tekortsector. Toch gebeurt er niks. Waar
ik naar op zoek ben, is welke heilige huisjes wij met elkaar
bespreekbaar moeten maken, zodat wij daarna als Kamer geïnformeerd
kunnen besluiten of wij die heilige huisjes daadwerkelijk willen gaan
doorbreken en gaan invoeren. Het gaat bijvoorbeeld om een lager
collegegeld voor opleidingen voor tekortsectoren of misschien een bonus
op het moment dat je het diploma haalt. Dat zijn een paar van die
heilige huisjes die ik graag bij dezen omtrap. Ik hoop dat de andere
partijen … Het mogen ook andere voorbeelden zijn. Daag mij ook maar uit.
Er zijn misschien ook heilige huisjes die wij niet durven te doorbreken.
Ik denk dat we alles op tafel moeten leggen als we daadwerkelijk wat
willen gaan doen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik ben altijd voor het omverwerpen van heilige huisjes. Alleen, dit
voelt toch een beetje als een wild plan van de VVD. Er is geen geld om
het collegegeld te verlagen, dus wat blijft daar dan van over? Op de
andere maatregelen die worden genoemd, zetten we al in. Ik concludeer
toch dat dit meer een wild plan is dan dat we hier daadwerkelijk iets
mee kunnen doen.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Of daar geen geld voor is, dat is geen conclusie die ik trek, want het
is nog niet uitgezocht wie dat gaat betalen, hoeveel het kost, of het
vanuit de overheid budgetneutraal kan of niet. Hier is nog helemaal geen
uitgebreid onderzoek naar gedaan, dus ik wacht dat onderzoek eerst af
zodat ik op basis van feiten uit dat onderzoek een besluit kan
nemen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Even over die heilige huisjes. Ik zou er even twee willen noemen en ga
beginnen met het eerste. Mevrouw Rajkowski concludeert terecht dat we
het er al jaren over hebben dat het mbo niet voldoende gewaardeerd
wordt. Maar als overheid geven wijzelf ook niet het goede voorbeeld. In
alle regelingen die wij voor studenten hebben, zitten er heel veel
ongelijkheden tussen mbo-, hbo- en wo-studenten. Ik zal daar straks in
mijn inbreng ook nog even op terugkomen. Daar zie ik niks over in het
nieuwe coalitieakkoord. Vindt mevrouw Rajkowski dat geen gemiste
kans?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik zou het inderdaad een gemiste kans vinden als het er niet in zou
staan, maar ik lees in het nieuwe coalitieakkoord: "Mbo-studenten
krijgen gelijke toegang tot voorzieningen zoals huisvesting, sport en
cultuur en tot mogelijkheden zoals een bestuursjaar bij een vereniging.
Stagediscriminatie wordt actief bestreden." We gaan naast het
wetenschappelijk onderzoek en onderzoek op hbo en wo ook inzetten op
praktijkgericht onderzoek. En: "We gaan door met het pact Opleiden voor
de arbeidsmarkt van de toekomst." En we willen ook bevoegde leraren in
het mbo. Nou, ik kan zo nog een heel rijtje opnoemen. Ik ben eigenlijk
best wel trots op wat er over het mbo in het coalitieakkoord staat.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, die paragraaf heb ik natuurlijk ook gelezen, maar waar ik op doel
zijn de financiële regelingen die de minister recent nog eens op een
rijtje heeft gezet in een brief richting de Kamer. Het zou dan ongeveer
een paar honderd miljoen kosten om het recht te trekken tussen mbo-,
hbo- en wo-studenten. Die keiharde knaak, zou ik even willen zeggen, zie
ik niet in het coalitieakkoord staan voor de mbo-studenten. Dus
nogmaals, wat voor voorbeeld geven we dan zelf als overheid?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik denk dat het goed is dat we volgens mij als Kamer hebben
geconstateerd dat de financiering niet meer voldoet aan deze tijd en
dat, als het gaat om mbo maar ook hbo en wo, onderwijsinstellingen daar
ook onder lijden. Daar moet de Kamer nog een keuze over maken. Maar wij
zullen in het debat richting de zomer — volgens hebben we dan namelijk
weer een mbo-debat — de laatste informatie krijgen over wat er dan nog
verder is uitgezocht. U vindt mij aan uw zijde over dat wij daar iets in
moeten gaan veranderen. Op dit moment krijgen onderwijsinstellingen geld
voor het aantal studenten, en het aantal studenten daalt. Tja, dan
hebben onderwijsinstellingen — plat gezegd — gewoon een probleem. Dat
kunnen we ons mbo niet aandoen. Juist in de regio hebben we deze
vakscholen nodig.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Nogmaals, het gaat mij om de financiële regelingen waar studenten
aanspraak op kunnen maken, niet die waar onderwijsinstellingen aanspraak
op kunnen maken. En ik ben ook enthousiast over de veranderende
financiering en bekostiging van het mbo, maar het gaat mij om regelingen
als studiefinanciering, studiebeurzen et cetera. Daarvan heeft de
minister gezegd dat het zo veel geld kost om dat recht te trekken, en
dat geld zie ik niet in het coalitieakkoord.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dan wacht ik even af waar de volgende minister mee komt. Maar volgens
mij hebben we ook in het coalitieakkoord een aantal van dit soort dingen
staan, waaronder volgens mij bijvoorbeeld dat er nu al, door deze
minister, wordt gewerkt aan een voorstel voor het wettelijk verplicht
maken van stagevergoedingen. Ik zie de toekomst dus eigenlijk wat
hoopvoller tegemoet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ja, dank u wel, voorzitter. Dan ben ik bij het onderdeel fysieke en
sociale veiligheid. Ik wil het daarbij hebben over hospiteren en over
antisemitisme. Studeren is voor veel jongeren een periode van vrijheid,
vriendschappen maken, vorming, jezelf ontdekken. Je ontdekt jezelf, je
wereld wordt groter, je legt de basis voor de toekomst. Maar het is ook
een hele kwetsbare periode. Het aantal studenten dat worstelt met
stress, prestatiedruk of eenzaamheid, of middelen gebruikt, is zeer
zorgelijk. Een van de positieve invloedfactoren kan zijn het hebben van
fijne, veilige en gezellige studentenwoningen. Maar steeds meer
gemeenten bouwen helaas studio's in plaats van studentenwoningen, en
zelfs het kunnen kiezen met wie je gaat samenwonen, bijvoorbeeld middels
hospiteren, staat onder druk in steeds meer steden, terwijl juist een
fijn en veilig thuis directe invloed heeft op je veiligheidsgevoel.
Woningcorporaties schermen met nationale wetgeving die hen zal
verplichten om de mogelijkheid tot hospiteren af te schaffen,
bijvoorbeeld in Leiden. Maar uit de beantwoording op mijn schriftelijke
vragen aan het kabinet blijkt daar niets van te kloppen. Is deze
minister het met de VVD eens dat het belangrijk is voor het welzijn van
studenten en het behoud van de studentencultuur dat het mogelijk moet
blijven om te kiezen met wie je in één huis woont?
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
In het kader van het debatje dat we net hadden, wringt hier voor mij
toch een beetje de laars. Mevrouw Rajkowski las net heel trots een
passage uit het coalitieakkoord voor waaruit blijkt dat mbo-studenten
gelijke toegang krijgen tot huisvesting. Dit is nou een maatregel die
daarbij helpt. We zien dat heel veel studentenhuizen die aan hospiteren
doen, adverteren met een advertentie met "alleen hbo'ers en wo'ers". Ik
vind dit toch een beetje een tegenstrijdigheid in het betoog van mevrouw
Rajkowski.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
We moeten ervan af dat studentenhuizen op dit moment alleen beschikbaar
zijn voor hbo'ers en wo'ers, maar hospiteren betekent niet dat mbo'ers
nooit gekozen zullen worden in een huis. Ik vind het ook helemaal niet
erg als een woningcorporatie of een studentenstad besluit: hospiteren
werkt misschien voor een aantal huizen, maar niet voor allemaal. Dat
vind ik prima, zolang het maar blijft bestaan. Stel dat je in een huis
met alleen maar meiden woont. Dan wil je graag kunnen kiezen wie erbij
komt, ook voor je eigen veiligheidsgevoel. Misschien wil je er dan juist
nog een meid bij hebben, en niet een jongen. Daar sta ik honderd procent
achter. In zo'n huis ga je naar de wc, ga je naar de badkamer, slaap je
en woon je samen. Dat heeft gewoon impact. Ik vind het niet meer dan
logisch dat de mogelijkheid er moet blijven dat sommige huizen,
misschien niet allemaal, hospiteren in stand houden, zodat ze iemand
kunnen kiezen.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Maar voor het kiezen van bijvoorbeeld een vrouwelijke medehuurder heb je
niet per se het hospiteren nodig, toch? Dat kan ook de huisbaas gewoon
doen. Hospiteren gebeurt heel vaak op basis van verenigingsstructuren,
maar bij die verenigingen zijn mbo-studenten niet welkom. Ik zie hier
dus nog steeds een tegenstrijdigheid. Ik ken, eerlijk gezegd, weinig
studentenhuizen die werken met hospiteren en waar heel veel mbo'ers
wonen.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik heb in een studentenhuis gewoond dat werkte met hospiteren, maar niet
op basis van een vereniging. Wij zaten met tien verschillende mensen in
een huis. De een was lid van een vereniging, de ander van een andere
vereniging en weer een ander van geen vereniging. We hadden ook
verschillende opleidingen en achtergronden. Volgens mij zijn er dus
legio voorbeelden dat het echt niet zo hoeft te zijn. Het is mijn
bedoeling dat dát hospiteren in stand kan blijven. Op basis van
hospiteren kozen wij namelijk. Anders kiest de woningcorporatie wie er
bij jou in huis komt wonen. Dat zou ik echt heel raar vinden.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Tseggai. Het wordt ook uw laatste interruptie.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Afrondend. Stel dus dat ik zou pleiten voor bijvoorbeeld een verbod op
discriminatie op basis van opleiding bij huisvesting, vind ik mevrouw
Rajkowski dan aan mijn zijde?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Zeker.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Oké.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Mijn laatste kopje gaat over antisemitisme. Onderwijsinstellingen
krijgen op verschillende manieren te maken met onveiligheid. Dat kan
gaan om kennisveiligheid, maar ook om fysieke en sociale veiligheid. Als
mensen op onderwijsinstellingen niet vrij zijn, kunnen zij niet leren of
vrij onderzoek doen. Recent kwam de Taskforce Antisemitismebestrijding
met een zorgwekkend rapport over antisemitisme op onze
onderwijsinstellingen. Ik heb al vaker moties ingediend waarin staat dat
er meer aandacht moet zijn voor de fysieke en sociale zekerheid in brede
zin.
Er zijn natuurlijk andere vormen van discriminatie en andere vormen van
onveiligheid waar we ons tegen moeten weren, maar ik heb toch de
volgende vragen. Daar laat ik nog even van afhangen wat ik morgen
eventueel wel of niet met een motie doe. Wat gebeurt er bij uit de hand
gelopen protesten, bijvoorbeeld bij huisvredebreuk? Worden dan de namen
van studenten die strafbare feiten plegen door de politie gedeeld met
onderwijsinstellingen? Zo nee, waarom niet? Is daar een wettelijke
belemmering voor? Zo ja, in hoeveel gevallen is er door
onderwijsinstellingen daarna geacteerd op deze studenten, bijvoorbeeld
door ze te schorsen of te royeren?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Er is aanleiding tot nog één interruptie,
dus wilt u teruglopen naar het spreekgestoelte? Bewegen is gezond.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Rajkowski ging iets te snel voor mij. Ik had een vraag over een
heel ander thema, namelijk de Oekraïense studenten. Ik ken mevrouw
Rajkowski als iemand die heel erg staat voor de vrijheid. Het werd
laatst ook door uw collega Yeşilgöz benadrukt in de Kerdijklezing:
iedereen moet de vrijheid hebben om zijn of haar leven vorm te geven.
Dat is ontzettend moeilijk voor heel veel Oekraïense studenten. Ik ben
blij dat de aanstaande coalitie dit wil gaan regelen vanaf september,
maar het dreigt nu wel een verloren generatie te worden. Ik ben benieuwd
wat mevrouw Rajkowski tegen hen wil zeggen. Hoe gaan we dit voor hen
regelen?
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Ik heb het amendement — het was volgens mij een amendement — van uw hand
gezien hierover en daar heb ik nog geen oordeel over. Ik ben het er dus
inhoudelijk mee eens, maar er zit wel een budgetschuif in, dus dat
moeten we gewoon nog even afstemmen, is het eerlijke antwoord.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Nee, dat klopt; dank. Misschien nog iets breder. Ik zag namelijk het
voornemen om het vanaf 2027 te regelen, maar die groep is veel groter,
zeker als de status gaat veranderen. Dat weet mevrouw Rajkowski, ook
woordvoerder Asiel, natuurlijk heel goed. Instellingen hebben de zorg
dat als dit uiteindelijk drukt op de begroting van OCW, dit dan
uiteindelijk ook een korting, een indirecte bezuiniging, op die
instellingen zelf is.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben benieuwd hoe u dat ziet.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Die zorg heb ik niet, maar laten we deze vraag dan ook meteen aan de
bewindspersoon stellen. Als die zorg er is, dan hoor ik dat graag snel,
want dan kunnen we nadenken over wat we daarmee willen doen.
De voorzitter:
Dan ga ik u nogmaals bedanken, mevrouw Rajkowski.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank u wel.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Dan ga ik nu schorsen voor de lunch. Dat doe ik voor drie kwartier. Haal
vooral ook, zeg ik voor mevrouw Moorman, een frisse neus!
De vergadering wordt van 12.40 uur tot 13.26 uur geschorst.
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Voorzitter: Paulusma
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026 (36800-VIII).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de
begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wij zijn toegekomen aan
de volgende spreker. Ik heet nog steeds de leden van de Kamer welkom;
laat ik daarmee beginnen. Ook welkom aan de bewindspersonen in vak
K.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef mevrouw Moorman, die spreekt namens de fractie van
GroenLinks-Partij van de Arbeid, graag het woord voor haar bijdrage.
Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik hoop dat inderdaad iedereen, inclusief uzelf,
een frisse neus heeft kunnen halen.
Voorzitter. Het is 11 februari en we behandelen de begroting van
Onderwijs voor 2026. Dat is natuurlijk een beetje raar. Het jaar is
namelijk allang begonnen en de forse bezuinigingen zijn inmiddels al
ingeboekt. Bovendien hebben we het gesprek met twee bewindspersonen — ik
zie er nog maar één, maar het zijn er twee — die hier, denk ik, in hun
laatste week zitten. Ik wil hun vooral even dankzeggen. Dank, meneer
Moes. Dank, meneer Becking, die er zo is. Ik heb vooral met meneer
Becking samengewerkt de afgelopen maanden. Dat was zeer prettig. Dank
daarvoor.
Helaas heeft de termijn van deze bewindspersonen kort geduurd.
Binnenkort treden er opnieuw twee bewindspersonen aan op Funderend
Onderwijs. Dan komt er ook weer een nieuwe staatssecretaris. Dat is de
vijfde in vijf jaar tijd. Dat wil ik toch onderstrepen: de vijfde in
vijf jaar tijd. Dat roept de vraag op wat wij nog te vragen hebben aan
deze bewindspersonen. Misschien moet ik het maar even houden bij een
beschouwende vraag. Dat is wel een beetje lastig, want de
staatssecretaris is er nog niet.
De voorzitter:
Maar gaat u vooral verder met uw betoog.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Hoe beoordeelt de staatssecretaris het jojobeleid van de afgelopen
jaren? Dan weer fors bezuinigen, dan weer geld erbij en dan allemaal
gaten ertussendoor. Ziet de vertrekkend staatssecretaris … Ik had u net
dankgezegd en complimenten gemaakt, maar die moet u dan maar even uit de
Handelingen halen. Ziet de vertrekkend staatssecretaris ook dat dit een
verlammend effect heeft op de onderwijssector, op al die leraren,
schoolleiders en schoolbestuurders, terwijl er juist doorbraken nodig
zijn om de grote problemen in het onderwijs, zoals het lerarentekort en
de dalende kwaliteit, op te lossen? Ziet de staatssecretaris ook het
risico dat, als het onderwijs niet doet wat het moet doen, er steeds
meer commercialisering plaatsvindt in het onderwijs en de verschillen
tussen scholen en kinderen steeds groter worden? We zien nu al dat er
450 miljoen euro gaat naar commerciële inhuur — 450 miljoen! Hoe
beoordeelt de staatssecretaris dit bedrag? Zou dit niet moeten worden
beperkt? Het is toch gek dat onderwijsgeld nu de winst vormt van
uitzendbureaus die profiteren van de schaarste? Hoe beoordeelt hij het
feit dat steeds meer kinderen worden uitgesloten om toch maar de
gewenste resultaten te behalen? We zien een steeds grotere uitstroom
naar het speciaal onderwijs en naar de kinderdagcentra, en ook het
aantal thuiszitters neemt toe. Dat is slecht voor de kinderen, maar het
kost ons ook als samenleving veel. Zou het Onderwijsresultatenmodel niet
moeten worden aangepast, zodat scholen worden beloond voor inclusie in
plaats van dat ze daarvoor worden afgestraft?
Voorzitter. Laat ik doorschakelen naar het coalitieakkoord. Daar heeft
iedereen in deze zaal het over, en terecht. Dat akkoord is natuurlijk de
richtingaanwijzer voor hoe het de komende jaren zal gaan. Ten eerste
iets over de aantredende bewindspersonen. Ik wil Rianne Letschert en
Judith Tielen beiden feliciteren met hun voorgenomen benoeming op de
belangrijkste post die er is, want onderwijs is het fundament van de
samenleving. Beiden hebben zich goede bestuurders getoond. Ik kijk uit
naar de samenwerking.
Wel moet mij van het hart dat ik het toch betreur dat er opnieuw voor
wordt gekozen om op hoger onderwijs een minister plaats te laten nemen
en op funderend onderwijs een staatssecretaris. Dat geeft opnieuw de
indruk dat hoger onderwijs belangrijker wordt gevonden dan funderend
onderwijs, terwijl de grootste problemen, en trouwens ook de grootste
investeringen, toch plaatsvinden in het funderend onderwijs. Dat zou
toch de grootste prioriteit moeten zijn? Dat zeg ik maar even richting
de coalitiepartijen.
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag.
De heer Stoffer (SGP):
Ik meen, maar ik kan me vergissen, dat de portefeuilleverdeling nog niet
helder is. Die hebben we nog niet gezien. Doet mevrouw Moorman hier
eigenlijk de aanbeveling om het funderend onderwijs wellicht in de
portefeuille van de minister te brengen en zo een bepaalde verdeling
neer te zetten?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nou, inderdaad, meneer Stoffer. Bent u dat met mij eens?
De heer Stoffer (SGP):
We mogen geen vragen terug stellen, maar …
De voorzitter:
Nee, daar gaan we niet aan beginnen.
De heer Stoffer (SGP):
Als de vraag terug niet was gekomen, had ik toch gezegd: ja, ik zou die
aanbeveling graag samen met mevrouw Moorman doen.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel. Dan ga ik over op het geld. Het is goed nieuws dat de
bezuiniging van Schoof I op onderwijs wordt teruggedraaid. Anderhalf
miljard bezuinigen op onderwijs terwijl dat toch al onder druk staat, is
natuurlijk heel onverstandig. Ik wil D66 echt een compliment geven omdat
zij dit hebben weten terug te draaien, want volgens mij stonden ze
hierin best wel alleen tijdens de onderhandelingen. Goed gedaan
dus.
Maar toch ook een paar kanttekeningen. Ten eerste over 2026. We zeiden
het net al in het interruptiedebatje: de bezuiniging van bijna 800
miljoen voor dit jaar blijft gewoon staan en dat treft belangrijke
zaken, zoals het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Denk
bijvoorbeeld aan geld voor voorschoolse educatie, voor extra
talentontwikkeling, voor taalonderwijs. Dat kan niet, zoals D66-senator
Van Meenen ook al zei; dat zei ik net ook in het interruptiedebat. Ik
verwacht van de partijen die het onderwijs liefhebben dan ook echt steun
voor onze amendementen om deze bezuiniging terug te draaien.
Voor de komende jaren is het fijn dat de bezuinigingen worden
teruggedraaid, maar het gaat helaas niet om nieuwe investeringen. Er
wordt niks extra's geïnvesteerd. We zijn eigenlijk terug bij af, bij het
einde van Rutte IV, toen de VVD zo onverstandig de stekker uit het
kabinet trok. De problemen in het onderwijs — ik noem het lerarentekort,
de slechte prestaties op lees- en schrijfvaardigheid, de slechte staat
van onze schoolgebouwen, het groeiende aantal thuiszitters — waren er
toen ook al, aan het einde van Rutte IV. Met alleen het terugdraaien van
deze bezuinigingen los je deze problemen dus niet op. Dat doe je ook
niet met het negeren van de problemen. Los van het geld leest het
coalitieakkoord namelijk helaas toch vooral weer als het
VVD-verkiezingsprogramma.
Een brievenschrijver in het AD beschreef deze visie op het onderwijs
gisteren treffend als een motor waar je benzine in kunt gooien met
gegarandeerd rendement; ja, economisch rendement, welteverstaan. Nu is
er niets mis met nadenken over hoe onderwijs de economie kan versterken,
maar door het daartoe te beperken en te versmallen doe je het onderwijs,
de docenten, de leerlingen en de studenten echt geen recht. Mensen zijn
geen productiemiddelen. Onderwijs heeft niet alleen tot doel om mensen
voor te bereiden op de arbeidsmarkt, maar dient ook om mensen zichzelf
te laten ontplooien en samen een beschaafde samenleving te laten vormen.
Begin deze maand kwam de Onderwijsraad nog met een advies waarin staat
dat welzijn niet alleen een voorwaarde voor onderwijs is, maar ook de
uitkomst zou moeten zijn van onderwijs. Dat advies is duidelijk nog niet
doorgedrongen tot de aankomende coalitiepartners, want het akkoord ademt
vooral prestatiedruk en lijkt weinig oog te hebben voor mentaal
welzijn.
Voorzitter. Goed onderwijs is meer dan alleen lezen en schrijven, zoals
het nu lijkt in het coalitieakkoord. Graag zou ik de Onderwijsraad dan
ook vragen om een verkenning te doen naar wat wij moeten verstaan onder
"goed onderwijs". Wat is goed onderwijs? Dat is echt meer dan
basisvaardigheden. Daarover zou ik ook graag in gesprek willen en
wellicht kom ik met een motie erover. Bovendien is er geen enkele notie
van verschillen tussen scholen. Ik zei dat net ook al tegen mevrouw
Rooderkerk en ik was er heel erg blij mee dat zij mijn uitgestoken hand
aannam. Want de wijken en de achtergronden van kinderen en studenten
doen er natuurlijk gewoon toe.
Het woord "kansengelijkheid" komt niet één keer voor in het
coalitieakkoord, en dat betreur ik echt. Niet één keer, terwijl we weten
dat honderdduizenden kinderen opgroeien in armoede in ons land, dat
kinderen heel erg verschillen in wat ze meekrijgen van thuis voordat ze
op school aankomen, en dat het ene kind thuis veel meer steun krijgt dan
het andere kind. We weten ook dat er heel grote kwaliteitsverschillen
zijn tussen scholen. En we weten dat de kinderen die vanuit thuis het
minste meekrijgen, vaak juist op de slechtste scholen zitten. Als je dus
echt iets wilt doen aan talentontwikkeling van kinderen — van alle
kinderen, zeg ik met nadruk — dan moet je bereid zijn om juist daar te
investeren waar het het allerhardst nodig is.
Helaas lijkt in dit coalitieakkoord juist het tegenovergestelde te
gebeuren. Ik ben blij dat de bredebrugklassubsidie terugkomt, want die
is bedoeld om kinderen meer tijd te geven. Maar het lijkt erop dat die
nu wordt hervormd en ook naar categorale brugklassen gaat, onder het mom
van keuzevrijheid. Alsof het schooladvies dat je op je twaalfde krijgt,
echt een keuze is. Er komt een staatscommissie om de crisis in de
leerprestaties op taal, lezen, schrijven en rekenen te onderzoeken,
zonder dat daarbij wordt gekeken naar de invloed van de
sociaaleconomische situatie van de leerling, de invloed van voorschoolse
educatie en vroege selectie.
Ik zal daarover inderdaad met een motie komen en nogmaals, ik ben blij
dat D66 aangaf dat te willen steunen. Er wordt enorm bezuinigd op de
sociale zekerheid en op de zorg, en dat zal de ongelijkheid in onze
samenleving en de daarmee gepaard gaande stress nog meer verhogen. Ook
dat zal gevolgen hebben voor de kansengelijkheid in ons land.
Voorzitter. In de wetenschap dat het akkoord leunt op een minderheid in
de Kamer kan ik constateren dat er nog veel te doen is voor de
meerderheidsoppositie om het akkoord eerlijker en kansrijker te maken en
om de echte doorbraken te creëren die nodig zijn om ons onderwijs
vooruit te helpen. Aan de slag dus maar, want het kan wel, maar dan moet
je het ook echt wel willen doen. Mijn collega's en ik kijken ernaar uit
om de komende jaren het beleid zo bij te sturen dat het eerlijker en
beter wordt voor de toekomst van ons allemaal.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Tseggai, die ook
spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Zomaar een artikel uit De Telegraaf van
afgelopen week: 91% van De Telegraaflezers vindt dat het mbo meer
waardering zou moeten krijgen. Ik denk en hoop dat minimaal 91% van deze
Kamer zich in die uitspraak kan vinden. Ik heb het al een aantal keren
gehoord vandaag en denk dat ik het nog vaker zal horen: in de afgelopen
kabinetsperiode zijn toch legio moties om die mooie woorden in daden om
te zetten door de vorige Kamer verworpen. Ik spreek dan ook de hoop uit
dat deze nieuwe Kamer dat anders gaat doen.
Voorzitter. De lijst aan ongelijkheden tussen mbo, hbo en wo-studenten
is ellenlang. Schrijf vooral even mee, zou ik tegen mijn collega's
willen zeggen. Mbo-studenten krijgen veel minder vaak een
stagevergoeding; minderjarige mbo-studenten krijgen geen
studiefinanciering, een lagere thuiswonendenbasisbeurs, een lagere
aanvullende beurs en er geldt een andere inkomensgrens voor de
aanvullende beurs. Er is geen studentenreisproduct voor bbl-studenten,
geen restitutie van lesgeld, waar wij nu een amendement over hebben, en
geen lesgeldkrediet beschikbaar. Dan geldt ook nog eens een lager
leenbedrag per maand en er mag nog steeds gediscrimineerd worden, wat
gevolgen heeft voor huisvesting, toegang tot verzekeringen of een
studentenkroeg.
Nou, een ellenlange lijst, maar er gloort voor de mbo-studenten in
Nederland hoop aan de horizon. In het nieuwe coalitieakkoord staat
namelijk: "Studeren in het mbo staat gelijk aan studeren in het hbo of
wo. Mbo-studenten krijgen gelijke toegang tot voorzieningen zoals
huisvesting, sport en cultuur, en tot mogelijkheden zoals een
bestuursjaar bij een vereniging." Heel mooi, maar wij hopen dat deze
coalitie wat meer de daad bij het woord gaat voegen dan het vorige
kabinet deed. Dat neemt echter niet weg dat de onderwijsbezuinigingen
dit jaar gewoon blijven staan. Het mbo wordt dit jaar het meest gekort
op de loon- en prijsbijstelling, vooral op de prijsbijstelling, terwijl
deze sector vooral om rust vraagt in de financiering en vooralsnog de
enige onderwijssector is zonder vaste financiering. Gelukkig wordt daar
nu wel aan gewerkt, maar kan de minister reflecteren op de begroting van
dit jaar en de gevolgen daarvan voor het mbo?
Voorzitter. De kranten staan ook hier vol mee: meer mensen zouden voor
het mbo moeten kiezen. Op zich ben ik het daar roerend mee eens, maar we
maken het volwassen zijinstromers vaak nog te moeilijk. Zij moeten
opnieuw examen doen in vakken als Nederlands en burgerschap, ook als
iemand bijvoorbeeld al een hele lange carrière als schrijver achter de
rug heeft. Hetzelfde geldt voor mensen die al een jarenlange loopbaan
hebben en die dan alsnog verplichte sollicitatielessen moeten volgen.
Dit werkt natuurlijk demotiverend, terwijl we juist deze mensen zo hard
nodig hebben. Zou de minister bereid zijn om het vrijstellingenbeleid te
verruimen? Ik overweeg hierop namelijk een motie.
Over mensen die we hard nodig hebben gesproken: te veel jongeren gaan
zonder diploma van school. In de aanpak voortijdig schoolverlaten is
afgesproken dat er in 2026 maximaal 18.000 jongeren zonder diploma van
school zouden gaan, maar uit de werkagenda van het afgelopen schooljaar
blijkt dat 22.308 jongeren van school af gingen zonder diploma. In het
nieuwe coalitieakkoord staat hierover niks. Ik vraag me dus af of het
staande beleid tegen vroegtijdig schoolverlaters dan wel doorgaat.
Voorzitter. Dan stages. Ongeveer een derde van de schoolverlaters
verlaat de school vroegtijdig vanwege financiën, bijvoorbeeld door
gebrek aan een stagevergoeding. Zij kiezen er dan voor om hetzelfde werk
te doen voor een volwaardig salaris en om te stoppen met hun opleiding.
Ook kopen jongeren soms hun stage af, zoals recent aan het licht kwam in
de zorg. Dat is heel zorgwekkend. De minister heeft te kennen gegeven
met de contouren van een wetsvoorstel te komen over die stagevergoeding,
maar in het nieuwe coalitieakkoord staat dat de stagevergoeding
wettelijk verplicht wordt. Kunnen we dit proces dus niet een beetje
versnellen en gewoon de contouren van dat wetsvoorstel een wetsvoorstel
laten worden?
Voorzitter, afrondend. Daarnaast ben ik niet heel gelukkig met de
voortgang van het Stagepact, met name als het gaat over stagemisbruik,
begeleiding en discriminatie. Ik noem bijvoorbeeld de stagefraude in de
zorg. In veel gevallen bleek dat de onderwijsinstelling niet genoeg
vinger aan de pols hield om deze fraude op te sporen. Stagediscriminatie
is nog steeds aan de orde van de dag. We hebben het er al heel lang
over, maar we nemen wat mij betreft te weinig harde maatregelen tegen
bedrijven die discrimineren. Kan de minister hierop reflecteren? Hoe
kijkt hij zelf naar de voortgang van dat Stagepact?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu tot slot luisteren naar mevrouw Abdi. Ik zei
"tot slot", maar het is niet het slot van het hele debat. Zij spreekt
namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Inderdaad niet "tot slot", maar misschien
afrondend, over het belang van kennis van onze samenleving. Er zijn
grofweg twee scenario's voor de toekomst van onze democratie. Het eerste
is dat zij zichzelf blijft vernieuwen, weerbaar, pluriform en gebaseerd
op het vrije debat. Het tweede is dat zij langzaam afglijdt, eerst
illiberaal, dan onvrij en uiteindelijk ondemocratisch. De ontwikkelingen
in landen zoals Hongarije, Polen en de Verenigde Staten laten zien hoe
dat tweede scenario eruitziet. "Zelf denken was al voldoende om als
vijandig element te worden beschouwd." Zo beschreef de Poolse filosoof
Barbara Skarga de collectieve gedachteloosheid in de Sovjet-Unie. Niet
alleen het geweld maar ook het conformisme hield het systeem in stand:
denken wat je verteld wordt te denken.
Voorzitter. U denkt misschien: waarom leg ik dit uit bij de begroting
van Onderwijs? Dat is omdat ik denk dat kennis de fundamenten van ons
gaat beschermen in onzekere tijden. Daar staat namelijk een ander
gekoesterd ideaal tegenover: durf te weten. Vandaag zou ik willen
zeggen: durf te denken, een vrije samenleving waarin niet religie,
ideologie of geld de hoogste autoriteit is. De kritische vraag is
ondenkbaar zonder een goede kwaliteit van onderwijs en wetenschap. De
grote vraagstukken waar wij nu mee te maken hebben, laten zich niet
alleen oplossen vanuit één discipline. Het vergt een samenwerking tussen
alfa-, bèta- en gammawetenschappen.
Mijn eerste vraag aan de minister gaat over het rapport-Wennink. Hoewel
mijn fractie dat rapport natuurlijk enorm verwelkomt, heb ik wel moeite
met de eenzijdige focus op de bèta- en gammawetenschappen. Ik ben
benieuwd of de minister de analyse deelt dat een volledige investering
in kennis en ook in onderzoek noodzakelijk is, niet alleen voor onze
economie maar ook voor onze samenleving. Juist in een polariserende
maatschappij moet de wetenschap kunnen bijdragen aan gedeelde feiten en
gedeelde objectiviteit. Concrete vrijheden, de vrijheid om te studeren,
om onderwijs te geven, om onderzoek te doen en om kennis te delen,
vragen om een sociaal besef. Niet iedere student of onderzoeker begint
vanuit dezelfde positie. Daarom heb ik een amendement ingediend om het
collegegeld te verlagen voor Oekraïense studenten. Niet alleen uit
solidariteit, maar ook omdat ik vind dat toegang tot kennis en
investeringen niet alleen van waarde is hier in Nederland, maar hopelijk
in de toekomst ook daar.
Tot slot, voorzitter. Academische vrijheid is geen abstract begrip. Die
staat of valt met ruimte voor ongebonden onderzoek. Heeft de minister
zicht op de mate waarin externe financiering invloed heeft op de
inhoudelijke keuzes van universiteiten? Welke concrete waarborgen zijn
er om te voorkomen dat financiële afhankelijkheid de onafhankelijkheid
en integriteit van onderzoek onder druk zet?
Naast geld ziet mijn fractie ook een andere bedreiging die we niet mogen
negeren: intimidatie en druk richting onderzoekers en docenten. Ik heb
daarom een vervolgvraag aan de minister. Heeft hij zicht op de aard en
de omvang van intimidatie en op juridische of maatschappelijke druk
richting onderzoekers en docenten? Welke vormen zijn er?
Tot slot, voorzitter, als u mij toestaat. De borging van academische
vrijheid is geen luxe en geen partijpolitiek. Zij is een randvoorwaarde
voor een democratische rechtsstaat. Wie durft te denken, moet ruimte
krijgen. Wie kennis zoekt, moet beschermd worden. Wie studeert of
onderzoekt, moet de vrijheid hebben om dat werk te kunnen uitoefenen.
Dat is geen bijzaak; dat is democratische noodzaak.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u, voorzitter, en dank aan mevrouw Abdi. Het is altijd goed als
iemand Kant citeert in deze Kamer, of eigenlijk Horatius al eerder:
sapere aude. Dat lijkt me een heel goed advies. Ik steun ook haar
woorden over het belang van academische vrijheid en wat zij zegt over
het belang van ongebonden onderzoek. Ik wil daar eigenlijk op
doorvragen, want ik denk dat het heel belangrijk is dat, als er meer
middelen worden uitgetrokken voor wetenschappelijk onderzoek, wat wij
steunen, een groot deel daarvan echt wordt besteed aan vrij onderzoek,
ongebonden onderzoek. Deelt zij die opvatting dus?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het met de heer Boomsma eens dat er meer geld moet naar
ongebonden onderzoek; dat klopt.
De heer Boomsma (JA21):
Oké. Is mevrouw Abdi ook bereid om dat samen met mij om te zetten naar
een motie?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik ga zeker kijken naar een motie. Om dat samen met u te doen vind ik
een hele leuke uitnodiging. Daar ga ik ook over nadenken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn wij toegekomen aan de bijdrage van mevrouw Van der
Plas, die spreekt namens de fractie van BBB. Ga uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst opnieuw mijn felicitaties aan mevrouw
Biekman, die hier vanochtend een hele mooie maidenspeech heeft gehouden.
Dat deed ze vol trots en passie en dat zien we hier graag. Dus
gefeliciteerd nog daarmee.
Voorzitter. Wie eerlijk naar het onderwijs durft te kijken, ziet geen
losse problemen, maar een fundament dat kraakt. Wanneer het fundament
kraakt, kraakt uiteindelijk alles wat daarop gebouwd is. Dat raakt niet
alleen het onderwijs, maar heel Nederland. Onderwijs is namelijk geen
los beleidsveld; het is de basis van onze economie, onze regio's, onze
zorg en onze toekomst. Toch zien we al jaren hetzelfde patroon: dalende
mbo-instroom, verdwijnende dorpsscholen — en juist de dorpsscholen zijn
de ziel van de plaatselijke samenleving — passend onderwijs dat
vastloopt in systemen en praktijkonderwijs dat in stilte moet doen wat
andere laten liggen. En dat terwijl iedereen, ouders, kinderen en
leraren, om één ding vraagt: onderwijs dat werkt. Instroom, verdwijnende
dorpsscholen, passend onderwijs dat vastloopt in systemen en
praktijkonderwijs dat in stilte moet doen wat anderen laten liggen … Dat
zei ik net al. Leraren, ouders en kinderen vragen om één ding: onderwijs
dat werkt.
Voorzitter. De mbo-instroom daalt, terwijl Nederland juist snakt naar
vakmensen. Zonder mbo'ers liggen bijvoorbeeld techniek, zorg, bouw,
logistiek en openbaar vervoer stil. Dat is geen toekomstbeeld, maar een
feit. De aanpak bestaat tot nu toe uit losse initiatieven, tijdelijke
programma's en imagocampagnes die onvoldoende grond raken. De instroom
daalt, terwijl Nederland juist snakt naar vakmensen, zoals ik al
zei.
Voorzitter, volgens mij heb ik een dubbele tekst. Het is nooit erg om
het extra te benadrukken, maar ...
De voorzitter:
Kan u ergens mee geholpen worden?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Of ik zie dubbel of ik heb een dubbele tekst. Dat kan allebei.
Voorzitter, ik ga verder met mijn vragen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Ik heb wat vragen aan de bewindspersonen. Wanneer komt er
een structurele koers voor instroom, waardering en behoud van
opleidingen? Hoe borgt de minister, zelf een mbo'er, dat het nieuwe
bekostigingsmodel het regionale mbo niet verder uitholt, zeker in
krimpregio's waar één opleiding het verschil maakt tussen groei en
leegloop? Kan de minister, die ook zelf voor de klas heeft gestaan in
het mbo, aangeven waar de mbo-scholen en de mbo'ers buiten de Haagse
werkelijkheid tegenaan lopen in de praktijk? Hoe kijkt de minister aan
tegen een beperkt aantal plaatsen voor de opleidingen waar eigenlijk
weinig vraag naar is op de arbeidsmarkt, zoals business services,
commercie en andere economiegerichte mbo-studies? Hoe kijkt de minister
naar meer plaatsen bij opleidingen die meer aansluiten bij de
arbeidsmarkt? Is de minister bekend met signalen van mbo-opleidingen
waar in het werkveld eigenlijk überhaupt geen vraag naar is op dat
niveau?
Voorzitter. Ik had het al over de dorpsscholen. Dorpsscholen zijn geen
kleine voorzieningen, maar het sociale hart van de gemeenschap. Als een
school verdwijnt, verdwijnen ook de gezinnen, de verenigingen en de
voorzieningen. Dat staat niet alleen in beleidsnota's, maar dat zien we
in dorpen in heel het land. De motie-Oostenbrink, van ons voormalige
Kamerlid van de BBB, vroeg terecht om een handreiking naar lokale
initiatieven die hun school willen behouden. Dit is ook precies waar het
misgaat. Haagse logica kijkt namelijk naar efficiëntie per leerling,
gemiddelde schoolgrootte, bekostiging per hoofd, koepels van
schoolbesturen en optimale spreiding. Maar een dorp werkt zo niet. In
Den Haag is een sluiting een handtekening onder een beslissingsbrief. In
het dorp betekent het dat ouders kilometers moeten rijden, dat
verenigingen omvallen, de leefbaarheid weglekt en de ziel van een
samenleving verdwijnt. Hoe staat het met de handreiking, vraag ik de
minister. Komt er eindelijk een vaste krimpcheck zodat Haagse
gemiddelden niet langer leiden tot regionale kaalslag?
Voorzitter. Passend onderwijs hoort om kinderen te draaien, maar te vaak
draait het om spreadsheets, modellen en loketten. Ondertussen stijgt het
aantal thuiszitters, raken leraren overbelast en stapelen
samenwerkingsverbanden nog altijd grote reserves op, terwijl kinderen
met autisme vastlopen. Hoe wordt Leerlingenbelang Voortgezet Speciaal
Onderwijs, LBVSO, dat juist de stem van ouders en leerlingen in het
gespecialiseerd onderwijs vertegenwoordigt, structureel betrokken bij
het beleid rond passend onderwijs? Is de staatssecretaris bereid
samenwerkingsverbanden actief te bewegen hun onbenutte reserves
éíndelijk in te zetten voor concrete ondersteuning van leerlingen met
autisme, in plaats van deze op de plank te laten liggen? "Onbenutte
reserves" is eigenlijk een heel mooi Haags woord voor geld dat op de
plank ligt.
Voorzitter. Het praktijkonderwijs verdient dezelfde waardering als het
mbo. Het voorkomt uitval, biedt perspectief en levert maatwerk dat
nergens anders lukt. Maar daarvoor moeten leiders het onderwijs van
binnenuit kennen. Waarom stimuleert de staatssecretaris lesgevende
schooldirecteuren nog steeds niet actief? Hoe staat het met de
uitvoering van de aangekondigde verbeteringen in voortgezet onderwijs,
speciaal onderwijs en praktijkonderwijs?
Voorzitter. Een ander belangrijk punt is het ontbreken van een uniform
advies voor praktijkonderwijs, naast het bestaande dubbele advies. Dat
is het dubbele advies praktijkonderwijs/vmbo. Doordat er wel een uniform
vwo-advies bestaat maar geen uniform praktijkonderwijsadvies ontstaat er
een ongelijk speelveld. Het gevolg is dat leerlingen, zelfs als zij geen
enkele vraag op de toets goed hebben, alsnog een vmbo-advies kunnen
krijgen. Dit bevordert te hoog adviseren en zet zowel leerlingen als
scholen onder druk. Daarnaast richt de toetsing in het basisonderwijs
zich uitsluitend op cognitieve vaardigheden, zoals taal en rekenen.
Praktische talenten blijven volledig buiten beeld, terwijl juist deze
vaardigheden voor heel veel leerlingen bepalend zijn voor hun
ontwikkeling en perspectief. Dat gebrek aan brede waardering zorgt
ervoor dat praktisch ingestelde leerlingen onder de radar blijven en dat
hun talenten simpelweg niet meetellen in het adviesproces. Hoe kijkt de
staatssecretaris naar de invoering van een uniform advies
praktijkonderwijs naast het dubbele advies praktijkonderwijs/vmbo? Zou
de staatssecretaris bereid zijn om de toetsing op het basisonderwijs
breder te trekken? Nu worden alleen cognitieve vaardigheden, zoals
taalvaardigheid, getoetst.
Voorzitter, tot slot. In Nederland is, zoals ik al zei in mijn
inleiding, alles met elkaar verbonden: leefbaarheid, zorg, onderwijs en
regio's. Precies daarom moeten we eerlijk zijn over het nieuwe
coalitieakkoord. Het schrapt de bezuinigingen op onderzoek, maar raakt
tegelijk de universitair medische centra, de instellingen die onderzoek
dragen, artsen opleiden en de meest complexe zorg leveren. Dat is wat
BBB betreft branden blussen op de eerste verdieping, maar vervolgens de
fundering in brand steken. BBB kiest voor die fundering, voor onderwijs
dat staat voor elke leerling, in elke regio, op elke route.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Raijer, die spreekt
namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Vanaf deze plek wil ik ook nog mevrouw Biekman
feliciteren met haar maidenspeech. Ze heeft mooi gesproken.
Een begroting is geen stapel papier. Een begroting is een keuze. Deze
begroting laat zien waar dit kabinet voor kiest en vooral waar het niet
voor kiest. Met ruim 57 miljard euro voor onderwijs zou je mogen
verwachten dat de basis op orde is. Je zou mogen verwachten dat kinderen
goed kunnen leren lezen, schrijven en rekenen, dat leraren hun werk
kunnen doen zonder voortdurende druk van bovenaf en dat scholen veilige
plekken zijn. Dat is echter niet wat wij zien. De PVV ziet namelijk een
onderwijsstelsel dat steeds verder wordt dichtgeregeld, terwijl de kern
aantoonbaar verslechtert. We zien leerlingen in het funderend onderwijs
die moeite hebben met leren lezen, schrijven en rekenen. Volgens het
PISA-onderzoek haalt ongeveer 35% van de 15-jarigen niet het minimale
leesniveau dat nodig is om te functioneren op school en in de
maatschappij.
Tegelijkertijd zien we een explosie aan beleid, plannen, programma's en
verantwoordingsverplichtingen. Leraren besteden ook steeds meer tijd aan
formulieren, evaluaties en rapportages, en steeds minder aan lesgeven.
Klassen worden groter en de werkdruk neemt toe, maar de papierstapel
groeit vrolijk door. Dat is geen toeval, maar het directe gevolg van
beleidskeuzes, die in deze begroting worden voortgezet. Geld gaat naar
systemen, trajecten en controle, terwijl het niet zichtbaar landt in de
klas. De vraag is dan ook niet hoeveel nieuw beleid het onderwijs nog
nodig heeft, maar hoeveel beleid een klas kan verdragen voordat het
onderwijs zelf verder onder druk komt te staan en hoeveel veranderingen
een leraar aankan voordat het simpelweg onhoudbaar wordt.
Het valt op dat deze begroting moeilijke keuzes uit de weg gaat. Er
wordt gesproken over doelmatigheid en transparantie, maar nergens wordt
gezegd: tot hier en niet verder. Woorden als curriculumvernieuwing,
evidence-informed interventies, kwaliteitsallianties, digitalisering en
groeifondsen klinken indrukwekkend, maar in de praktijk betekenen ze
vooral meer administratie en overleg en steeds wisselende richtlijnen.
Is dit nou echt wat het onderwijs nodig heeft? De bureaucratie groeit
door en het geld verdwijnt steeds verder van het klaslokaal.
Onderwijsgeld hoort in de klas, niet in een steeds dikker
beleidsapparaat.
De afstand tussen beleid en praktijk zien we ook terug bij iets heel
basaals, namelijk veiligheid. Op 13 februari 2024 sprak een meerderheid
zich uit voor het opnieuw invoeren van schoolzwemmen. Waar zien we dat
terug in deze begroting? Kunnen de bewindspersonen bevestigen dat
hiervoor geen structurele middelen zijn opgenomen? Als schoolzwemmen
wordt overgelaten aan gemeenten en ouders, dan weten we wat er gebeurt:
dan komt het er niet. Dit raakt direct de veiligheid van kinderen, zeker
in een land als Nederland, waar overal water is. Graag een reactie van
de bewindspersonen.
Hetzelfde gebrek in prioriteit zien we bij de inhoud van het onderwijs.
Ideologische thema's krijgen wel structureel geld. Klimaat, gender,
diversiteit, identiteit: het zit er vol van. Waar ligt de grens, vraag
ik aan de minister, via de voorzitter. Wanneer zegt het kabinet dat
onderwijs geen ideologisch experiment is? Wanneer erkent de overheid dat
opvoeding bij ouders hoort, en niet bij de Staat? Onderwijs moet kennis
overdragen, zoals over de Nederlandse geschiedenis, aardrijkskunde,
biologie et cetera. Onderwijs moet kinderen ook vaardigheden aanleren en
leren denken, en niet voorschrijven wat zij moeten denken. Waarom is er
structureel geld voor ideologisch gekleurde programma's, maar geen
structurele investering in rust, veiligheid en basisvaardigheden?
Die vragen worden alleen maar dringender als we kijken naar het hoger
onderwijs. In de begroting lezen we veel over zorgplichten, dialogen en
monitoring, maar woorden maken niemand veilig. De Taskforce
Antisemitismebestrijding heeft een glashelder rapport uitgebracht:
Gevangen in vrijheden. Uit meer dan 1.200 gesprekken is een harde
conclusie getrokken: Joodse studenten op onze universiteiten voelen zich
onveilig, niet beschermd en in de steek gelaten. Hoe kan het dat
intimidatie op scholen wordt getolereerd zolang het juridisch net kan?
Kan de minister uitleggen hoe hij dit zo heeft kunnen laten gebeuren?
Hoe kan het dat er grenzen worden gesteld, terwijl de gevolgen
overduidelijk zijn? Graag een antwoord van de minister. Het rapport zegt
duidelijk dat er ruimte is om in te grijpen, niet alleen juridisch maar
ook bestuurlijk. Dat betekent: normen stellen, handhaven en bestuurders
rugdekking geven als zij ingrijpen. Waarom zien wij dat niet terug in de
begroting en blijft het bij zorgplicht zonder consequenties? Kan de
minister uitleggen waarom de financiering niet wordt gekoppeld aan
aantoonbare veiligheid?
Datzelfde wegkijken zien we bij de internationalisering van het hoger
onderwijs. Het kabinet erkent zelf in de memorie van toelichting dat de
instroom van internationale studenten uit balans is geraakt. Deze
disbalans leidt tot druk op de kwaliteit van het onderwijs, op de
beschikbare huisvesting en op de toegankelijkheid voor Nederlandse
studenten. Die internationalisering gaat bovendien hand in hand met een
vergaande verengelsing van het hoger onderwijs. Steeds vaker wordt
onderwijs aangeboden in het Engels. Daarmee raakt het Nederlands verder
op de achtergrond en wordt het hoger onderwijs minder toegankelijk voor
Nederlandse studenten. Maar wat doet het kabinet vervolgens? De regie
wordt grotendeels neergelegd bij universiteiten en hogescholen zelf.
Instellingen die financieel profiteren van buitenlandse instroom, worden
geacht zichzelf te begrenzen. Dit wringt des te meer omdat dit debat al
eerder is gevoerd. Voormalig Kamerlid en minister Slob waarschuwde in
2005 al voor de opmars van het Engels. Destijds stelde hij: "Het Engels
rukt steeds meer op, zowel in het bedrijfsleven als in het onderwijs.
Het is daarom van groot belang dat we onze eigen taal overeind houden.
Het Nederlands is een taal en daar moeten we trots op zijn."
Voorzitter. Ik heb de volgende vragen aan de minister. Als het kabinet
erkent dat de instroom uit balans is geraakt en dat dit de kwaliteit en
de toegankelijkheid onder druk zet, waarom kiest het er dan voor om de
regie grotendeels bij instellingen zelf te laten? Waarom worden
universiteiten en hogescholen die financieel afhankelijk zijn van
internationale studenten geacht zichzelf te begrenzen? Waarom worden er
geen landelijke bindende grenzen gesteld, terwijl de disbalans en de
bijbehorende verengelsing voortduren? Waarom blijft het Nederlands in
het hoger onderwijs een vrijblijvende ambitie? Hoe verhoudt dit alles
zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om het hoger onderwijs
in de eerste plaats toegankelijk en beschikbaar te houden voor onze
Nederlandse studenten?
Dan het mbo, voorzitter. In de memorie van toelichting wordt het mbo
meerdere keren genoemd. Dat is terecht, want het mbo is de motor van
onze arbeidsmarkt. Maar wie goed leest, ziet vooral veel erkenning van
problemen en weinig echte oplossingen. Het kabinet erkent dat het mbo te
maken heeft met dalende studentenaantallen, vooral in krimpregio's. Dat
zet opleidingen onder druk. Het antwoord daarop is tijdelijk geld,
tijdelijke regelingen en uitstel van structurele keuzes. Daarmee geef je
instellingen geen zekerheid, maar houd je ze in onzekerheid. Erkent de
minister dat het mbo de motor is van onze arbeidsmarkt? Zo ja, waarom
krijgt het mbo geen structurele rust en zekerheid in bekostiging, maar
moet het blijven draaien op tijdelijke regelingen en pilots?
Ook lezen we dat veel mbo-studenten moeite hebben met basisvaardigheden
als taal en rekenen. Dat vinden wij zorgelijk, maar het is niet nieuw.
Jarenlang is het mbo ondervraagd, ondergewaardeerd en gebruikt als
opvangplek voor problemen die elders in het onderwijs zijn ontstaan.
Waarom wordt het mbo opnieuw belast met het oplossen van problemen in
basisvaardigheden die hun oorsprong hebben in het primair en voortgezet
onderwijs in plaats van dat deze problemen structureel worden aangepakt?
Het kabinet wil het aantal voortijdig schoolverlaters terugdringen van
29.000 naar 18.000. Die ambitie delen wij, maar ambitie zonder degelijke
structuur, zonder rust en zonder duidelijke keuzes blijft een papieren
belofte.
Voorzitter. Het mbo leidt onze vakmensen op: de mensen die onze zorg
draaiend houden, onze huizen bouwen en onze economie dragen. Toch zien
we dat structurele investeringen worden uitgesteld, terwijl tijdelijke
lapmiddelen de norm zijn geworden. Kan de minister helder aangeven wie
verantwoordelijk is voor de toekomst van het mbo? Is dat de overheid,
die dergelijke landelijke keuzes maakt, of zijn dat de mbo-instellingen,
die nu zelf moeten omgaan met krimp, tijdelijke subsidies en steeds
wisselend beleid? De PVV wil geen mbo dat afhankelijk is van incidentele
subsidies en tijdelijke regelingen. Wij willen een mbo dat stevig staat,
dat jongeren perspectief biedt en dat weer trots mag zijn op
vakmanschap.
Tot slot, voorzitter. Wat in deze begroting volledig ontbreekt, is
iedere vorm van reflectie op het islamitisch onderwijs. Geen paragraaf,
geen analyse, geen enkel woord. Dat is geen detail, maar een
fundamenteel gemis. In de memorie van toelichting lezen we pagina's vol
over diversiteit, inclusie en sociale veiligheid, maar zodra het gaat
over de spanning tussen islamitisch onderwijs en onze Nederlandse
waarden en normen, blijft het stil. Dat onderwerp wordt bewust vermeden.
Dan vraag ik de minister: waarom?
Voorzitter. Er gaat te veel mis binnen het islamitisch onderwijs. Dat
men daaromheen blijft lopen, is geen theorie, maar is een feit. We
hebben het recent nog kunnen zien bij het Haga Lyceum in Amsterdam, waar
jarenlang sprake was van bestuurlijke chaos, gebrek aan transparantie en
ernstige zorgen over burgerschap en aansturing. Pas na zware druk is
daar ingegrepen. Maar dit staat niet op zichzelf, want eerder zagen we
hetzelfde bij het Islamitisch College Amsterdam, dat uiteindelijk de
deuren moest sluiten nadat structurele problemen zich bleven opstapelen.
Dat laat een patroon zien: problemen worden te laat onderkend, toezicht
faalt en de overheid grijpt pas in als het eigenlijk al te laat is. Onze
openbare scholen worden eveneens geraakt door dit wegkijken. Er is een
toenemende vraag naar gebedsruimtes voor moslims op openbare scholen.
Door een uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens wordt het
inmiddels al als discriminatie gezien als er geen stilte- of
gebedsruimte beschikbaar is. Wat de PVV betreft hoort dit niet thuis op
een openbare school. Hoe gaat u ervoor zorgen dat de neutraliteit van
deze scholen wordt bewaakt?
De voorzitter:
Ik was in de veronderstelling dat u een korte afsluiting had. Ik had
daarom aan collega Claassen gevraagd om te even wachten met zijn
interruptie. Bent u bijna aan het einde?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ja, ik ben bijna aan het einde.
Voorzitter. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht. Onderwijs vormt,
onderwijs draagt normen en waarden over en onderwijs bepaalt of kinderen
opgroeien als onderdeel van één samenleving of in een parallelle wereld.
Juist daar wringt het, want islamitisch onderwijs is niet neutraal. Het
is gebaseerd op een ideologische en culturele leer, die op fundamentele
punten botst met onze normen en waarden.
Voorzitter. Hoe kan het dat dit kabinet wel snel en stevig ingrijpt bij
alles wat afwijkt van het gewenste beleidsnarratief, maar wegkijkt zodra
het gaat om onderwijs dat segregatie, afzondering en parallelle
samenlevingen bevordert? Graag een reflectie van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Claassen voor een interruptie namens de Groep
Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ga even terug naar het begin van het betoog. Als ik het goed begrepen
heb, gaf de PVV toen namelijk aan eigenlijk tegen
curriculumveranderingen te zijn. Mijn eerste vraag is of dat klopt.
Mevrouw Raijer (PVV):
Nee, dat klopt niet.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Volgens mij zei mevrouw Raijer dat wel. Mevrouw Raijer zei dat er te
veel of genoeg veranderingen in het curriculum worden doorgevoerd en dat
dat zou moeten stoppen. Dat is best raar. De wereld om ons heen
verandert, beroepen veranderen en de manier waarop jeugdigen leren en
willen leren, verandert. Je kunt iemand niet meer met een vast
curriculum opleiden tot een vast beroep. Dat is onmogelijk. Je moet
curricula dus juist veranderen. Mijn voorstel zou zijn om dat responsief
te doen, waardoor curricula voortdurend veranderen. Daarmee kun je de
toekomst tegemoet. Hoe ziet de PVV dat, als ze zegt dat we niet te veel
moeten veranderen aan curricula?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ten eerste heb ik niet gezegd dat dat moet veranderen. Ik heb gezegd dat
er meer gesproken moet worden over doelmatigheid en transparantie. Er
wordt nu alleen maar gesproken over woorden zoals
"curriculumvernieuwing". Maar ik heb dus niet gezegd dat we dat niet
moeten gaan veranderen.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben toch op zoek naar het standpunt van de PVV als het gaat over
veranderingen in het curriculum. Is dat iets waar de overheid zich mee
moet bemoeien? Of moeten we het aan het veld en de professionals zelf
overlaten om samen invulling te geven aan het curriculum en moeten wij
daar als overheid eigenlijk ver van wegblijven?
Mevrouw Raijer (PVV):
Natuurlijk zou je dit aan het veld moeten overlaten. Maar nogmaals, ik
heb gesproken over doelmatigheid en transparantie. Ik heb niet gezegd
dat je het curriculum helemaal moet veranderen. Wij vinden wel dat je
erop moet inzetten dat de basis eerst op orde is. Als de basis op orde
is, dan kun je pas verder spreken over hoe je de inhoud gaat
veranderen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar mevrouw Armut, die spreekt
namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Ook ik wil mevrouw Biekman feliciteren met haar
maidenspeech. Vandaag spreken we over de onderwijsbegroting. Als CDA'er
zeg ik zonder aarzeling: onderwijs is het fundament van onze
samenleving. Hier leren leerlingen lezen, rekenen en schrijven. Hier
worden ook talenten ontdekt en waarden meegegeven. En we leren er om
samen te leven. Ik zal vandaag bij vier punten stilstaan: het funderend
onderwijs, de positie van leraren, de maatschappelijke diensttijd en het
mbo. Mijn collega Straatman zal bij het hoger onderwijs stilstaan.
Ik begin bij de basis. Dagelijks gaan ruim 2,4 miljoen leerlingen naar
de basisschool of naar de middelbare school. De kansen die zij daar
krijgen, bepalen hun toekomst. Daarom moet de kwaliteit hoog zijn en
moeten leerlingen de school verlaten met stevige basisvaardigheden, niet
voor de hoogste functie, maar om volwaardig mee te kunnen doen in de
samenleving. Tegelijkertijd zien we meer prestatiedruk, stress en
onzekerheid. Dat schaadt de concentratie en het leervermogen. Wie niet
goed in zijn vel zit, leert minder goed. Scholen krijgen bovendien
steeds meer maatschappelijke taken. Dat is begrijpelijk, maar het
onderwijs kan niet alle problemen oplossen. Preventie en welzijn zijn
nodig, maar leraren moeten daarbij niet overvraagd worden. De
Onderwijsraad pleit daarom voor een brede, structurele aanpak rondom
welzijn in plaats van voor losse oplossingen. Daarom vraag ik de
staatssecretaris: hoe kijkt hij naar deze analyse? Deelt hij de
opvatting dat welzijn structureel onderdeel moet zijn van beleid? Welke
handvatten krijgen scholen die overvraging ervaren? Hoe versterkt hij de
samenwerking met ouders om prestatiedruk te verminderen?
Dan zou ik willen stilstaan bij de positie van leraren. Geen onderwijs
zonder de mensen die elke dag voor de klas staan, hun kennis willen
delen en jongeren willen begeleiden in hun ontwikkeling. Zij vormen het
hart van de schoolgemeenschap. Toch zien we dat het leraarschap onder
druk staat. We hebben grote tekorten. De werkdruk is hoog. Steeds vaker
krijgen leraren te maken met agressie en intimidatie van leerlingen en
ouders. Dat is onacceptabel; wie voor de klas staat, moet zich veilig
voelen. De verhalen die ik hierover hoor, zijn ronduit zorgelijk:
uitgescholden worden, dreigende mails, gesprekken waarin leraren zich
onveilig voelen en vrezen voor fysiek geweld. En daarna zijn ze uren
kwijt aan klachtenprocedures, administratie, dossieropbouw; tijd die
niet naar lesgeven gaat. Uit de gesprekken komt ook een wens voor
duidelijke ondersteuning naar voren. Als wij het beroep van de leraar
aantrekkelijker willen maken en willen staan voor onderwijskwaliteit,
dan hoort daar ook een veilige werkomgeving bij, en rugdekking. Kan de
staatssecretaris hierop ingaan en stilstaan bij de concrete
ondersteuning die er nu is, bij hoe we die kunnen uitbreiden? En waar
denkt hij aan om de sociale veiligheid van leraren te verbeteren?
Voorzitter. In een tijd waarin individualisering toeneemt en we steeds
vaker op zoek zijn naar zingeving, is er iets waardevols ontstaan: de
maatschappelijke diensttijd. Jongeren zetten zich in voor hun omgeving
en ontwikkelen zichzelf. Het versterkt sociale samenhang en burgerschap.
In de afgelopen maand was ik bij de maatschappelijkediensttijd-impactdag
in Ede, waar jongeren, jongerenwerkers, bestuurders en beleidsmakers
samenkwamen en met elkaar in gesprek gingen over hun ervaringen. En
hoewel de samenleving vaak verhard lijkt, zijn er gelukkig talloze
mensen die elke dag laten zien dat dit niet zo is. Zo ook een 19-jarige
vrijwilliger die ik daar ontmoette. Hij zet zich na school in voor
basisschoolkinderen in zijn gemeenschap door naschoolse lessen te
organiseren, van gezond eten tot sportwedstrijden. Een vrouw vertelde me
dat haar groep die middag op pad was, bij senioren, om ze uit te leggen
hoe ze moeten omgaan met phishingmails. Het is prachtig om te horen en
te zien hoe mensen vertellen over hun eigen ontwikkeling, of juist hoe
ze die van een ander hebben meegemaakt en daarbij hebben geholpen. En
veel jongeren weten wat ze willen doen en blijven betrokken bij de
organisatie na de maatschappelijke diensttijd.
Toch is er een probleem. Veel initiatieven met een anbistatus en weinig
eigen vermogen komen niet meer in aanmerking voor een subsidie en het
kwaliteitskeurmerk, het MDT-prooflabel, is afgeschaft, terwijl dat juist
het aanvraagproces vereenvoudigde en kwaliteit aantoonde. Waarom is dat
label verdwenen? Uit de antwoorden van de staatssecretaris na het
schriftelijk overleg blijkt dat door de vele afwijzingen 25 miljoen euro
op de plank blijft liggen; geld dat dus niet naar jongeren gaat.
Tegelijk komt er een nieuw ingewikkeld beoordelingssysteem en moeten
bestaande organisaties meer eigen cofinanciering regelen: 30% in plaats
van 25%. Dat lijkt ons geen verduurzaming van het netwerk. Dat zijn
steeds nieuwe drempels, en het netwerk moet elke keer weer door hoepels
springen. Waarom kiest hij opnieuw voor extra eisen en nieuwe systemen,
in plaats van drempels te verlagen voor organisaties die hun kwaliteit
al hebben bewezen? En is de staatssecretaris bereid om bestaande
mdt-partners juist structureel zekerheid en continuïteit te
bieden?
Dan zou ik willen stilstaan bij het mbo — na een slokje water. Terecht
spreken we hier vaak lovend over het mbo. Het is de plek waar jongeren
de weg naar volwassenheid afleggen, waar ze ontdekken dat ze goed in
iets zijn en waar ze verantwoordelijkheid leren dragen. Daarbij speelt
het mbo ook een essentiële maatschappelijke rol. Hier worden vakmensen
gevormd die hun plek vinden op de regionale arbeidsmarkt. Het CDA is
echt blij dat we hier in het coalitieakkoord concrete afspraak over
hebben gemaakt, zodat we mooie woorden omzetten in daden. Om de
samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven te verbeteren, gaan we
het Regionaal investeringsfonds mbo doorzetten en uitbouwen. We gaan
zorgen voor een wettelijke stagevergoeding en de positie van
mbo-studenten verbeteren, en we gaan eindelijk werk maken van Leven Lang
Ontwikkelen door hier structureel geld voor uit te trekken. We zijn
benieuwd naar de uitwerking hiervan in de komende periode door de
ministers van SZW en OCW, in samenwerking met sociale partners en
onderwijsinstellingen. We zijn benieuwd of de minister deelt dat hier
een rol ligt voor zowel private als publieke opleiders om dit van de
grond te krijgen.
Voorzitter. Ik heb nog een klein stukje en ik zie de tijd wegtikken, dus
ik ga wat sneller praten. Voor het CDA is het van belang dat het mbo
wordt gezien als een volwaardige route. Jongeren moeten voelen dat hun
opleiding ertoe doet en dat hun keuze goed is. Dat vraagt ook om
onderwijs van hoge kwaliteit. In krimpgebieden staan mbo-locaties onder
druk door dalende studentenaantallen en tekorten aan docenten en
praktijkplaatsen. Ook daar is het mbo van groot belang voor de
leefbaarheid van de regio en voor jongeren die hun opleiding dicht bij
huis willen volgen. Herkent de minister dit beeld en kan hij erop ingaan
hoe er wordt gezorgd dat ook in krimpregio's het opleidingsaanbod breed
en kwalitatief sterk blijft?
Tot slot. Waardering voor alle niveaus betekent ook eerlijk beoordelen.
Nu kan een bewuste keuze voor het vwo of het mbo, bijvoorbeeld na een
havoadvies, negatief uitpakken in het resultatenmodel. Dat geeft een
verkeerde prikkel. Niet het "hoogste" niveau, maar het niveau dat bij de
leerling past, moet tellen. Kan de staatssecretaris toelichten hoe hij
hiernaar kijkt? Wij dienen hier met meerdere partijen een motie voor
in.
Voorzitter. Goed onderwijs begint bij sterke basisvaardigheden,
waardering voor vakmanschap en leraren die veilig hun werk kunnen doen.
Wie daarin investeert, investeert in de toekomst van onze
samenleving.
De heer Ergin (DENK):
Met die laatste woorden ben ik het zeker eens. Ik heb een vraag over het
coalitieakkoord. In het coalitieakkoord staat namelijk dat het mogelijk
moet zijn om toezicht en handhaving op informeel onderwijs te
organiseren en dat daarvoor wetgeving wordt ontwikkeld. Ik kan me goed
herinneren dat het CDA er in eerdere debatten heel duidelijk over was
dat het huidige voorstel voor toezicht op informeel onderwijs een heel
slecht wetsvoorstel was, dus ik ben benieuwd wat we hier nu in het
akkoord lezen. Gaan we door met dit wetsvoorstel? Komt er een ander
wetsvoorstel? Wat gaat er nou precies gebeuren?
Mevrouw Armut (CDA):
Even ter verduidelijking: doelt de heer Ergin nu op het wetsvoorstel
Vrij en veilig onderwijs?
De heer Ergin (DENK):
Dat is weer een ander wetsvoorstel. Dit gaat over het wetsvoorstel
Toezicht informeel onderwijs.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik denk dat het belangrijk is dat dit in het coalitieakkoord staat,
omdat we gewoon zien dat er plekken zijn waar de dingen die verkondigd
worden, niet stroken met hoe wij in Nederland naar de democratische
rechtsstaat kijken en met de normen en waarden die in Nederland gelden.
Als dat echt een gevaar gaat vormen, vind ik en vindt het CDA dat we
daarop moeten kunnen ingrijpen, ja.
De heer Ergin (DENK):
Daarover is dus een wetsvoorstel in consultatie gegaan. Dat wetsvoorstel
is gewoon onderuitgehaald door de onderwijsinspectie, door de
Onderwijsraad en zelfs door ambtenaren op het ministerie. Zij hebben
heel duidelijk aangegeven: dit botst met de grondrechten die we hebben.
Mijn vraag is dus of het CDA dit punt, dit wetsvoorstel, heeft
overgeleverd aan de VVD. Of komt er nou een ander wetsvoorstel, waar we
dan later met elkaar een debat over gaan voeren? Wat is het nou
precies?
Mevrouw Armut (CDA):
Dat overleveren is sowieso niet het geval. De heer Ergin weet: in een
coalitie kom je samen tot een mooi pakket, waar je uiteindelijk ook alle
drie je handtekening onder kan zetten. Dit wetsvoorstel is inderdaad in
consultatie gegaan. U kent het CDA: wij hebben daar onze kritiek op als
wij vinden dat het anders moet. Specifiek in dit geval zal ik daar even
op moeten terugkomen. Ik hoop dat de heer Ergin begrijpt dat ik dat niet
meteen paraat heb. Als hij dat wil, kan ik daarop terugkomen in de
tweede termijn.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De ChristenUnie is een grote tegenstander van die wet, maar niet zozeer
omdat we het doel niet begrijpen, want natuurlijk wil je
antidemocratisch onderwijs tegengaan. De onderwijsinspectie heeft een
notitie geschreven die de staatssecretaris weigerde te delen met de
Kamer. Die notitie is na een Woo-verzoek op tafel gekomen. Het bleek dat
de onderwijsinspectie gewoon een vernietigende notitie had over dat
wetsvoorstel. In het regeerakkoord staat dat er gekeken wordt naar een
instrumentarium om "onderwijs uit onvrije landen", om het zo maar even
te noemen, steviger aan te pakken. Op zich denk ik: ja, waar onderwijs
wordt gegeven dat tegen de wet ingaat, moet er ingegrepen worden. Ons
betoog is echter telkens geweest: daar heb je deze wet niet voor nodig;
daar heb je een ander instrumentarium voor nodig. Dat heeft veel meer
een JenV-karakter dan een Onderwijskarakter. Mijn vraag is: klopt het
dat de wet die in consultatie lag, waar niemand die er verstand van
heeft een goed woord voor overhad, ingetrokken wordt en niet onder
leiding van het kabinet-Jetten en het CDA alsnog aan de Kamer wordt
voorgelegd? Kan ik het zo lezen en klopt het dat er andere wegen worden
verkend?
Mevrouw Armut (CDA):
Met goedvinden van de heer Ceder zal ik ook op deze vraag even
terugkomen in de tweede termijn.
De voorzitter:
Dan zou ik nu een andere vraag stellen, meneer Ceder, want anders gaat u
hetzelfde antwoord krijgen, denk ik. Dank u wel, mevrouw Armut. Dan gaan
we nu luisteren naar mevrouw Straatman, die ook spreekt namens de
fractie van het CDA. Gaat uw gang.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij complimenten aan mevrouw Biekman
voor de hele mooie maidenspeech.
Voorzitter. Vijf jaar geleden zat ik voor het laatst in de
collegebanken. De Tilburgse collegezalen kan ik nog dromen, van het
Montesquieugebouw tot het Cobbenhagengebouw. In de collegezalen aan het
Roeterseiland in Amsterdam was ik helaas minder aanwezig: tja, vijf jaar
geleden was er corona. Die coronaperiode maakte pijnlijk duidelijk dat
onderwijsinstellingen meer zijn dan alleen diplomafabrieken. Als de
collegezaal verplaatst naar de eettafel bij je ouders of de te kleine
slaapkamer van je studentenwoning, mis je ook de onderwijsgemeenschap:
het samenwerken, het samen discussiëren, het samenzijn.
Het baart me dan ook zorgen dat ik dezelfde geluiden nu weer hoor door
de opkomst van AI en wat deze digitalisering met zich mee brengt in het
hoger onderwijs. Wetenschapper Izaak Dekker riep een paar weken geleden
in Trouw zelfs "een studeercrisis" uit. Studenten zijn veel minder
aanwezig bij colleges, lezen zich minder goed in en maken volop gebruik
van kunstmatige intelligentie. Dat raakt aan het plezier van docenten,
aan het welzijn van studenten en aan de betekenis van studeren.
Tegelijkertijd is de opkomst van AI ook een gegeven dat ook kansen biedt
voor verbetering van onderwijs, wetenschap en een robuuste economie van
de toekomst.
Maar in dit nieuwe digitale onderwijstijdperk staat voor mij daarom één
vraag centraal: hoe zorgen we ervoor dat we onderwijs als gemeenschap
kunnen behouden? Wat wordt ons antwoord op die studeercrisis? Ik vraag
de minister dan ook: hoe kunnen we studenten blijven stimuleren om
elkaar op collegecampussen en in collegezalen te blijven
ontmoeten?
Voorzitter. De uitdagingen in het onderwijs zijn groter dan alleen de
opkomst van AI. Het nieuwe kabinet gaat daarom structureel investeren in
ons onderwijs, omdat het CDA, de VVD en D66 elkaar vinden in de
overtuiging dat wetenschap en onderzoek het fundament vormen van
vooruitgang en innovatie.
Allereerst wil ik nu graag stilstaan bij het studentenwelzijn. De druk
op studenten blijft namelijk onverminderd hoog en de cijfers over het
mentale welzijn van studenten blijven zorgwekkend. Speciale aandacht
vraagt de groep van promovendi, die, ook door bezuinigingen op starters-
en stimuleringsbeurzen, nog vaak door de mentale pijngrens heengaan. Wat
kan de minister voor deze groep doen om hun welzijn te verbeteren?
Wat het CDA betreft mag welzijn in dezen niet te beperkt worden
uitgelegd, want de huidige generatie voelt zich duidelijk betrokken bij
maatschappelijke vraagstukken en onrecht. Ze hebben een intrinsieke
motivatie om zich maatschappelijk in te zetten. Daarvoor moet op
hogescholen en universiteiten ook plaats zijn, want deze
maatschappelijke verbondenheid prikkelt en verbetert het mentale
welzijn.
Wij pleiten daarom al jaren voor de mogelijkheid van flexstuderen, het
flexibel volgen van vakken in plaats van volledige studies, om tijd en
mentale ruimte te creëren voor studenten om maatschappelijk het verschil
te kunnen maken, bijvoorbeeld voor mantelzorg, vrijwilligerswerk,
topsport of een bestuursjaar. In de brief van de minister van afgelopen
zomer onderschrijft hij dat er onder deze groepen ook grote behoefte is
aan flexstuderen. Is de minister het met het CDA eens dat deze behoefte
erop duidt dat de bestaande maatwerkvoorzieningen nog niet toereikend
zijn? Zo ja, welke stappen gaat hij daarin dan ondernemen?
In het kader van studentenwelzijn wil ik ook graag nog stilstaan bij het
eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Laat duidelijk
zijn: het CDA staat pal achter Joodse studenten en medewerkers. Het is
dan ook schokkend om te lezen dat velen van hen zich op Nederlandse
universiteiten niet veilig voelen, ondanks — dat wil ik er ook bij
zeggen — de inspanningen die universiteiten leveren om die veiligheid te
borgen.
Daarbij nog het volgende. Ik mag ook woordvoerder Justitie en Veiligheid
zijn. In die commissie spreken wij veel over het civielrechtelijk
aanpakken van relschoppende demonstranten. De minister van JenV doet
onderzoek naar de mogelijkheden om makkelijker schade te verhalen. Ik
denk dat dat ook voor universiteiten heel interessant kan zijn. In
hoeverre is de minister van OCW hierbij betrokken? Welke initiatieven
lopen er om universiteitsbesturen te ondersteunen in het
civielrechtelijk verhalen van schade?
Voorzitter. Dan de toekomst van het hoger onderwijs. Het aantal
Nederlandse studenten daalt en de groei van het aantal buitenlandse
studenten stagneert. Dat is een demografisch gegeven, maar het is
daarmee niet minder uitdagend. Dat geldt zeker voor hogescholen en
universiteiten in de regio's. Vitale regio's vragen namelijk om een
compleet onderwijsaanbod nabij. Hoe borgt de minister dat de
instellingen in de regio deze transitie ook kunnen meemaken en dat de
kosten van krimp gezamenlijk worden gedragen?
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de financiële positie van studenten. Mijn
studiegeneratie leeft nog steeds met het onrecht van het leenstelsel.
Gelukkig behoort dat leenstelsel tot het verleden, maar daarmee is er
geen einde gekomen aan de onrechtvaardigheid in de
bekostigingssystematiek. Hoe legt u bijvoorbeeld het volgende uit? Een
wo-bachelorstudent die een wo-master gaat doen, heeft recht op een
basisbeurs. Een wo-bachelorstudent die een hbo-master gaat doen, krijgt
die financiering ook. Maar waarom krijgt een hbo-bachelorstudent die
studiefinanciering alleen als hij voor een hbo-master kiest, en niet
voor een universitaire master? Dat is een ongelijkheid in het systeem
die ik in ieder geval niet kan uitleggen. De voorgangers van de minister
en de rechtbank kunnen dat overigens ook niet. Die laatste erkent dat er
sprake is van een onvolmaakt systeem, maar concludeert ook dat het niet
aan de rechter is om dit wettelijk hiaat te herstellen. Mijn vraag is
hoelang deze ongelijkheid, die eigenlijk helemaal niemand kan uitleggen,
nog mag voortduren. Wat is er nodig om ook hbo-studenten, onafhankelijk
van hun keuze om een hbo- of wo-master te gaan doen, gelijk te
behandelen? Het CDA zal hierover een motie indienen.
Voorzitter. Ik mag bij deze begrotingsbehandeling de wetenschap niet
vergeten. Dat is namelijk een onmisbare schakel in het versterken van
het verdienvermogen van Nederland. In het coalitieakkoord wordt de daad
bij het woord gevoegd met structurele investeringen in wetenschap en
onderzoek, waarmee we bewegen richting de Lissabondoelstelling van 10%.
Die investeringen zijn ook nodig om de basiscondities te creëren waarin
het wetenschappelijk onderwijs en de wetenschap kunnen floreren. Wat
betreft internationalisering van studenten vraagt dat ook om hernieuwd
realisme, zonder blind te zijn voor de noodzaak van het gericht
terugdringen van het aantal studenten. Die noodzaak ziet het CDA ook en
die zien de universiteiten zelf ook. Het CDA zoekt daarom naar een
nieuwe balans. We willen controle op de instroom van internationale
studenten zonder dat we het kind met het badwater weggooien. Welke
gesprekken heeft de minister naar aanleiding van het rapport-Wennink met
het onderwijsveld gevoerd over internationalisering?
Voorzitter, ik rond af. Ik begon mijn inbreng met een verwijzing naar de
Tilburgse collegezalen uit mijn tijd. Inmiddels is dat
universiteitscomplex verder uitgebreid, onder meer met de Marga
Klompézaal. Dat is meer dan een aardige toevoeging. Marga Klompé staat
voor mij symbool voor een samenleving die weerbaarder is dan we soms
denken. Als een van de architecten van de verzorgingsstaat belichaamde
zij de kracht van solidariteit en gemeenschap. Dat zijn waarden die ook
in een post-AI-samenleving niets aan actualiteit verliezen. Als docent
natuur- en scheikunde uit 1932 doorbrak Marga Klompé het idee dat
techniek alleen iets voor mannen zou zijn. Als eerste vrouwelijke
minister liet zij zien dat leiderschap geen kwestie is van geslacht,
maar van overtuiging en verantwoordelijkheid. Laat dat een boodschap
zijn voor alle studenten die vandaag in de Marga Klompézaal zitten. Het
onderwijs staat voor grote uitdagingen, maar met een rotsvast geloof in
solidariteit, gemeenschapszin, innovatiekracht en frisse tegendraadsheid
komen we die uitdagingen te boven.
Dank u wel.
De heer Boomsma (JA21):
Dank voor deze mooie slotwoorden. Volgens mij leven we alleen niet in
een post-AI-samenleving, maar in een "opkomende AI"-samenleving. Het CDA
legde de minister net de vraag voor hoe hij aankijkt tegen
internationalisering, ook in het licht van het rapport-Wennink, maar
mijn vraag is: hoe kijkt het CDA nu naar internationalisering? Dat vroeg
ik eerder al aan mevrouw Rooderkerk. Het coalitieakkoord stelt ons wat
dat betreft in ieder geval erg teleur, omdat er geen enkele indicatie in
zit van het belang van het Nederlands als academische taal. Moeten we
dat niet beter verankeren?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik ben blij dat de heer Boomsma deze vraag stelt, want ik was door mijn
tijd heen, dus ik had wat alinea's overgeslagen. Het CDA hecht heel erg
aan het belang van de Nederlandse taal, ook binnen de academie. Daar
moeten wij voor staan. Tegelijkertijd, zeg ik erbij, is dat niet het
enige waar we op willen sturen. We zien de druk van internationale
studenten; die druk neemt op dit moment overigens af. Het CDA wil daar
grip op krijgen, maar wel op een verstandige manier. De Wib, die nu nog
in consultatie is, stuurt alleen op grip op internationale studenten via
de knop van de taal. Met het rapport van Wennink in ons achterhoofd
denken wij dat dat een onverstandige manier is en dat we daarmee het
kind met het badwater weggooien, omdat daarmee te veel studies bij
universiteiten verdwijnen. Er is een economisch belang en we willen dat
de economie van de toekomst wordt gestimuleerd. Wij willen dus niet
alleen draaien aan de knop van de taal, maar ook kijken hoe we op een
slimmere manier grip kunnen krijgen op internationale studenten,
bijvoorbeeld door te werken met separate numeri fixi, zoals in het
coalitieakkoord staat.
De voorzitter:
Heel kort, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Slimmer is natuurlijk prima, maar zegt het CDA dan … In de afgelopen
jaren is het aantal opleidingen dat volledig of steeds meer in het
Engels is, ook in de bachelor, enorm toegenomen. Vindt het CDA dat
problematisch en vindt het dat we daar iets aan moeten doen? Of zegt het
CDA nu: nee, hoor, dat vinden we prima; laat al die internationale
studenten maar komen, dan gaan we alles in het Engels doen?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik snap dat de heer Boomsma het zo plat wil slaan, maar ik denk dat het
in deze wereld heel genuanceerd ligt. Ik denk dat we gewoon moeten
kijken ... Er zijn inderdaad een aantal studies waarvan je je kunt
afvragen of die wel in het Engels moeten. De universiteiten hebben
zelfregieafspraken gemaakt en daar ben ik heel trots op. Ze hebben
elkaar ook aan die afspraken gehouden. Ze hebben bijvoorbeeld een aantal
psychologiestudies van het Engels naar het Nederlands omgezet. Maar wij
zien ook de boodschap van het rapport-Wennink en de uitdaging die we
hebben om ons verdienvermogen van de toekomst op peil te houden. Dat
moet niet alleen met de binnenlandse slimme koppen in Nederland, maar
ook met de buitenlandse slimme koppen. Dat kunnen we natuurlijk niet
alleen met Nederlandse studies; daar hebben we ook, heel verstandig,
Engelse studies voor nodig. Ik kom zelf uit de buurt van Eindhoven.
Brainport Eindhoven draait op slimme internationale studenten. Laten we
dat dus verstandig inregelen. Laten we niet alleen draaien aan
taalknoppen, maar laten we veel gerichter kijken hoe we separate numeri
fixi kunnen regelen voor die studies waarvoor we inderdaad de vraag
kunnen stellen: moeten daarvoor zo veel internationale studenten naar
Nederland komen?
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Boomsma zijn spreektekst pakt, maar ik
zie ook dat de heer Russcher nog aan komt lopen.
De heer Russcher (FVD):
Ik heb een korte vraag aan mevrouw Straatman van het CDA over de
pechgeneratie. In het coalitieakkoord lezen wij dat er een maximum van
2,5% komt aan de rente op studieschulden, maar daar valt ook de
pechgeneratie onder. U had het kort over het leenstelsel.
Honderdduizenden studenten zijn daar het slachtoffer van geworden. Zou
het niet beter zijn om alsnog over te gaan tot 0% rente voor in ieder
geval die generatie?
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp de vraag van de heer Russcher heel goed. Laat duidelijk zijn
dat het CDA nooit voor de invoering van het leenstelsel is geweest. Wij
zullen er alles aan doen om de pijnpunten van het leenstelsel zo veel
mogelijk te verzachten. Tegelijkertijd hebben we natuurlijk ook te maken
met financiële keuzes die we moeten maken. Daarom ben ik er heel trots
op dat er in dit coalitieakkoord heel veel mooie financiële maatregelen
zijn voorgesteld voor studenten, zoals de maximering van de rente en
hogere studiebeurzen. Zojuist deed ik het voorstel om te kijken of ook
hbo-studenten studiefinanciering kunnen krijgen.
Ik begrijp wat u zegt over de leenstelselgeneratie: die heeft niets aan
die nieuwe voorstellen. We kunnen kijken of we werkgevers kunnen helpen
om op een makkelijkere manier fiscaal studieschulden te kunnen aflossen.
Dat is een voorstel waar het CDA al langer mee bezig is. Op die fiscaal
slimme manier zouden we ook kleine werkgevers daarbij kunnen helpen. Wij
zullen dus aan alle mogelijke knoppen draaien, maar het geld is
natuurlijk niet oneindig. Dat zal de heer Russcher ook begrijpen.
De voorzitter:
Kort.
De heer Russcher (FVD):
Dat begrijp ik. Goed dat ernaar gekeken wordt hoe werkgevers daarbij
eventueel zouden kunnen helpen. Alleen, het zou toch veel beter zijn
voor die generatie als de rente in ieder geval op 0% komt te staan? Ik
zei het net in een interruptiedebat ook al kort tegen D66. Bij het
afbetalen van een studieschuld van €30.000 over 35 jaar, kan het gaan om
€15.000 aan extra schulden, naast de extra schulden die ze natuurlijk al
hebben opgebouwd omdat ze geen studiebeurs meer kregen. Ik wil dus graag
steun vragen aan het CDA voor het voorstel dat ik zal indienen om die
rente op 0% te stellen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Helaas kan ik dat voorstel niet steunen, hoewel ik het heel erg
sympathiek vind — laat dat duidelijk zijn. Ik ben blij dat we er in het
coalitieakkoord voor kiezen om de rente te maximeren. Laat ik dan een
tegenvoorstel doen aan de heer Russcher. Als wij met voorstellen komen
die fiscale aantrekkelijkheid voor het aftrekken van je studieschuld bij
kleine werkgevers regelen, hoop ik dat we daarin samen kunnen
optrekken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Boomsma. Hij spreekt
namens de fractie van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.
Beschaving vergt onderhoud en daarom hebben we onderwijs. Met andere
woorden: doorgeven wat van waarde is. Het is een inwijding in het goede,
het schone en het ware. Het is je thuis maken in onze cultuur. Het is
een voorbereiding op de vrijheid. Op de drempel van het nieuwe kabinet
bespreken we nu de laatste begroting van het oude. Inmiddels weten we
dat de coalitie de ingezette bezuinigingen ongedaan wil maken en 1,5
miljoen extra wil uitgeven en daarvoor meerderheden zoekt. Nou, dat
roept natuurlijk de vraag op hoe nu om te gaan met de rest van dit jaar,
en in bredere zin natuurlijk ook hoe we die voorgenomen middelen
überhaupt zo goed en effectief mogelijk kunnen besteden. Minder geld kan
namelijk schaden, maar meer geld is niet voor alles een oplossing. De
uitgaven aan onderwijs stegen van 2020 tot 2025 van 38 miljard naar 52
miljard. Dat is dus 14 miljard euro in vijf jaar, terwijl het aantal
leerlingen sterk is gedaald. Tegelijkertijd zien we dat de kwaliteit, of
in ieder geval de resultaten, over de brede linie gewoon zijn
afgenomen.
Inmiddels is er veel gesproken over de desastreuze PISA-scores.
Nederland kachelt achteruit en bungelt onderaan. Er blijkt dat een derde
van de 15-jarigen functioneel analfabeet is, terwijl 98% wel voor het
examen slaagt. Er wordt gezegd dat PISA andere zaken meet, maar ergens
kan dat zo niet kloppen. Als je kijkt naar proefwerken of examens uit de
vorige eeuw, uit 1923, uit 1950 of uit 1970, dan kun je je niet aan de
indruk onttrekken dat het niveau op allerlei manieren daalt. Dat is
bijvoorbeeld ook bevestigd in het rapport van McKinsey uit 2023 over
rekenen en wiskunde. Daarin staat dat de examencijfers de afgelopen
twintig jaar zijn gestegen, maar dat kinderen uiteindelijk minder
konden. Mijn vraag aan het kabinet is welke andere onderzoeken van dit
type sindsdien zijn gedaan. Wij moeten er in ieder geval voor gaan
zorgen dat die daling stopt en dat we over twee of drie jaar kunnen
zeggen: het gaat nu echt beter; we hebben die trend met z'n allen kunnen
keren. Dat is in de eerste plaats natuurlijk aan de leraren, maar wij
moeten daar wel de voorwaarden voor scheppen.
Succes en verval hebben allebei vele vaders, maar die daling van het
niveau heeft volgens JA21 ook te maken met het scala aan progressieve
onderwijshervormingen en -vernieuwingen, de terrible esprit de
nouveautés en allerhande pedagogische sociaal-constructivistische
theorieën die de afgelopen decennia met heel veel managementjargon over
het onderwijs zijn uitgestort en die steeds weer in nieuwe gedaantes
blijven opduiken. Die berusten wat ons betreft op ideologische
misvattingen. Kinderen zijn geen kleine nobele wilden die spelenderwijs
vanzelf leren. Volgens de OESO heeft Nederland ook de meest drukke,
lawaaiige en onrustige klassen ter wereld, terwijl twee van de
belangrijkste factoren van goed onderwijs discipline en
concentratievermogen van de leerlingen zijn.
Voorzitter. Hierom denkt JA21 dat we het oude idee, namelijk dat scholen
gaan over het "hoe" en de overheid over het "wat", wat moeten loslaten.
Als de overheid dat dertig jaar geleden had gedaan; prima. Nu kan dat
echter niet meer. Ik hoop ook dat die perspectieven worden meegenomen in
de nieuw voorgenomen staatscommissie.
De fractie van JA21 zou ook graag duidelijkheid willen over het aantal
scholen in het voortgezet onderwijs dat nu nog steeds sterk inzet op
zelfstandig werken en zogenaamde "leerpleinen". Hoeveel scholen doen dat
nou en schakelen daartoe over, met flexroosters en dergelijke, waardoor
er feitelijk gewoon minder les wordt gegeven? Houdt de regering dat nou
eigenlijk bij?
Voorzitter. Dan over het mbo. Velen in deze zaal — complimenten ook voor
de maidenspeech — hebben al prachtige woorden gesproken over het belang
voor het mbo en de waardering daarvan. Daar sluit ik me graag bij aan.
Nederland heeft deze mensen nodig. Overigens wil je natuurlijk dat
studenten van alle typen onderwijs kiezen voor studies waar de
samenleving en de economie om schreeuwen, bijvoorbeeld in de techniek en
de zorg. Maar ik begrijp vanuit het mbo en de sector zelf dat er
allerlei numeri fixi zitten op juist studies waar heel veel behoefte aan
is, bijvoorbeeld opleidingen tot doktersassistent. Waarom is dat dan
zo?
Voor het hbo is het natuurlijk heel zorgelijk dat voor bepaalde vakken
de instroom in de lerarenopleiding blijft dalen, bijvoorbeeld voor
natuurkunde, maar ook voor Duits en Frans. Specifiek voor die vakken zou
het kunnen helpen als studenten die al een andere studie hebben gedaan
en misschien willen overstappen, niet nog een keer de volle mep aan
collegegeld moeten betalen als ze alsnog zo'n opleiding willen doen,
alleen omdat ze al een andere titel hebben. We moeten er ook voor zorgen
dat de kleine studies onder druk van de demografische veranderingen niet
worden wegbezuinigd.
Dan over de universiteiten. Mevrouw Rajkowski stelde terecht vragen over
de aanpak van antisemitisme en het optreden tegen wie zich daar heeft
misdragen. Daar sluiten wij ons graag bij aan. Ook zou het CDA graag
eerder een rapport van die taskforce willen. Het is natuurlijk ongekend
dat men juist op plekken waar men jarenlang de mond vol had van safe
spaces, trigger warnings en sociale veiligheid nu zo heeft gefaald in
het optreden tegen het werkelijk intimideren van een echt kwetsbare
minderheid.
Verder wil JA21 inzetten op de aanleg van digitale infrastructuur, ook
in het kader van onze Europese autonomie op dat vlak. De kenniseconomie
heeft een fundament nodig voor rekenen en data, en dat vergt de komende
jaren gewoon investeringen. Maar bij universiteiten draait het niet
alleen om de kenniseconomie, maar natuurlijk ook om cultuuroverdracht.
Zoals ik net al zei, is daarbij de rol van de Nederlandse taal en
cultuur cruciaal. JA21 vindt het erg jammer dat dit coalitieakkoord daar
weinig oog voor lijkt te hebben. Natuurlijk moeten we ruimte hebben voor
toptalent en draaien aan knoppen en dergelijke, maar dat hoeft niet ten
koste te gaan van de Nederlandse bachelors.
JA21 wil wel meer geld voor wetenschappelijk onderzoek. De bezuinigingen
daarop moeten worden teruggedraaid. We hebben daar ook een zorg. Mevrouw
Abdi had het daar ook al over. De academische vrijheid in Nederland
staat onder druk. Een zekere groepsdwang om je te conformeren aan
dominante ideologieën ligt altijd en overal op de loer in menselijke
gemeenschappen, maar zeker ook op universiteiten en met name in de
geesteswetenschappen, waar andere perspectieven naar de marge worden
verdreven. Dat schaadt ook de belangrijkste taak, namelijk
waarheidsvinding.
Wij vinden overigens ook dat waarheidsvinding terug moet komen in de
integriteitscode, waaruit die recent is geschrapt. JA21 vindt bovendien
dat het cruciaal is om te blijven aandringen op pluriformiteit van
perspectieven en dat er ook voldoende ruimte en middelen moeten zijn
voor ongebonden en vrij onderzoek.
Voorzitter, ik wacht even, want ik zie allemaal mensen die popelen om
mij wat te vragen.
De voorzitter:
Ja, ik vroeg me af of u al bijna aan een afronding was toegekomen, maar
anders ga ik eerst even de ruimte geven voor twee vragen.
De heer Boomsma (JA21):
Ik was bijna klaar. Nog drie zinnen.
De voorzitter:
Maak die drie zinnen maar af.
De heer Boomsma (JA21):
Het is een nieuw punt. Daarnaast willen wij meer ruimte voor ongebonden
onderzoek en academische vrijheid, maar het is ook belangrijk dat er
meer aandacht en waardering komt voor zogenaamd replicatieonderzoek.
Tien jaar geleden is er geconstateerd dat we in een replicatiecrisis
zitten. Heel veel onderzoek werd nooit gecontroleerd of herhaald,
terwijl dat ook ongelofelijk belangrijk is voor de wetenschap. Toch komt
dat tot nu toe veel te weinig van de grond.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Het ging allemaal heel erg snel. Een heleboel dingen kwamen voorbij en
ik meende in de bijdrage van de heer Boomsma een kritisch geluid te
horen over het sociaal-constructivistisch leren. Ik wil even verifiëren
of dat klopt, wat ik gehoord heb.
De heer Boomsma (JA21):
Het is correct dat dat is opgevangen. Dat was inderdaad een kritische
noot die ik daarover heb gekraakt, ja.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan vond ik die kritische noot nogal mager. Wat mij betreft voert
sociaal-constructivistisch leren nog steeds de boventoon. Daar zitten
heel goede leerwetenschappelijke theorieën achter, die nog steeds niet
weerlegd zijn. Mijn eigen ervaring is ook dat het heel goed werkt als
men er op de juiste manier het curriculum mee ontwerpt. Ik ben dan
benieuwd of de heer Boomsma iets dieper wil ingaan op wat zijn bezwaren
zijn tegen sociaal-constructivistisch leren en op wat dan de opvolger
zou zijn van het sociaal-constructivistisch leren.
De heer Boomsma (JA21):
Zeker. Daarmee doel ik op allerlei theorieën die er eigenlijk van
uitgaan dat kinderen het beste spelend moeten ontdekken en dat ze niet
te veel moeten worden lastiggevallen met hiërarchie, feitenkennis en
stampen. Ik denk dat het belang van kennis en dingen uit je hoofd leren,
zwaar wordt onderschat en zwaar is onderschat de afgelopen decennia. Dat
zien we eigenlijk in allerlei gedaantes terugkeren. Dat zagen we bij het
nieuwe leren in de jaren negentig, bij de tweede fase, aan het feit dat
leraren niet meer aan het hoofd van de klas konden staan, maar opeens
een soort coach moesten worden die naast de kinderen staat. Dat zien we
ook in het onderwaarderen van feitenkennis en het onderwaarderen van
kennisoverdracht als centrale opdracht van het onderwijs. Maar het gaat
om kennisoverdracht! Ik zie het bijvoorbeeld ook terug in de formulering
van de kerndoelen, waar we het onlangs over hebben gehad. Kinderen
moeten de hele tijd heel veel dingen gaan verkennen en ervaren, terwijl
ik denk dat het belangrijk is dat je gewoon dingen leert.
De voorzitter:
Afrondend, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, afrondend. Ik denk dat het goed is als de heer Boomsma toch een keer
een les gaat volgen over wat sociaal constructivistisch leren is. Het
sociaal constructivistisch leren houdt niet alleen in dat ze met elkaar
gaan zitten spelen; het heeft ook te maken met instructie op het juiste
moment, wanneer daaraan behoefte is, in de context waarin het beoogd
wordt toegepast te worden. Het beeld dat de heer Boomsma heeft over het
sociaal constructivistisch leren, klopt dus niet. Mijn advies zou dus
zijn: duik nog heel even terug in de boeken.
De heer Boomsma (JA21):
Daar ben ik altijd graag toe bereid.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het was een mooi betoog. De heer Boomsma heeft het over het goede, het
schone en het ware, over waarheidsvinding en over onze beschaving. Ik
denk dat een hoeksteen van onze westerse beschaving toch is — dat is de
heer Boomsma hopelijk met mij eens — dat de vermeende consensus niet
altijd ook de waarheid is. Dat is eigenlijk mijn vraag. We hebben daar
moties over ingediend, zoals de heer Boomsma weet. JA21 heeft daar
tegengestemd. Is het dan zo dat JA21 van mening is dat de vermeende
consensus ook automatisch altijd de waarheid is? Dat was een wat vreemde
stemming.
De heer Boomsma (JA21):
Uiteraard is het vanzelfsprekend en evident dat de consensus niet altijd
de waarheid vertegenwoordigt. Heel veel gevallen in de geschiedenis
laten zien dat een consensus onjuist bleek, maar dat ligt zo voor de
hand. Ik weet even niet over welke motie dit ging, maar het lijkt me dat
dit zo voor de hand ligt dat het niet iets is wat de Kamer zou moeten
uitspreken. Tegelijkertijd is het ook zo dat er heel veel dingen zijn
waar consensus over bestaat waarbij we wel met redelijke zekerheid
kunnen zeggen dat die niet meer gaat veranderen. Harvey heeft op een
gegeven moment, in de zeventiende eeuw, de bloedsomloop ontdekt, dus dat
bloed omloopt in het lichaam. Er is in de wetenschap consensus over dat
er bloedsomloop bestaat. We gaan niet opeens ontdekken dat dat niet zo
is. Er zijn dus allerlei dingen waar we wel degelijk van kunnen zeggen
dat er consensus over is en waar we op mogen vertrouwen. Het is dus niet
zo dat je iedere consensus per definitie moet gaan zitten te
bevragen.
De voorzitter:
Ik begin dit een heel interessant debat te vinden, maar wellicht kunnen
we terug naar het onderwerp van het debat.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Nou ja, dit hoort bij dit debat. De OCW-begroting gaat ook over
wetenschap en waarheidsvinding. Volgens mij valt dit helemaal in dit
debat. Ik wil er toch even een vervolgvraag over stellen. Als ik het
goed begrijp, zei de heer Boomsma net: dit vind ik zo voor de hand
liggen dat we tegen de motie stemmen. Dat vind ik toch een wat vreemde
figuur. Is het zo dat er tegen moties wordt gestemd waar JA21 het heel
erg mee eens is, omdat ze te voor de hand liggen? Hoe werkt dat?
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan me even niet herinneren wat de precieze tekst van deze motie was,
maar dat kan inderdaad een overweging zijn. Als een motie zo is
geformuleerd dat het zo evident en voor de hand liggend is, dan kan het
een beetje raar zijn om dat als Kamer te gaan uitspreken. Als er een
spreekt-uitmotie wordt ingediend met "wat niet klopt, klopt niet", dan
willen we die misschien ook niet steunen. Er zijn dingen die niet
geschikt zijn voor een motie. Dat is overigens iets wat natuurlijk
breder speelt dan alleen in dit geval.
De voorzitter:
Dank u wel voor deze laatste overweging. Dan nodig ik nu de heer Van
Duijvenvoorde uit, die spreekt namens de fractie van Forum voor
Democratie. U kunt het spreekgestoelte zelf bedienen. Er zit een knopje
onder de microfoon. Is het oké zo?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ja, nu sta ik goed.
Voorzitter. Ik wil eerst mijn excuses aanbieden aan de staatssecretaris
en de voorzitter, want de vorige keer dat ik hier sprak, heb ik gezegd
dat ik eenmalig een filosofisch verhaal zou houden en daarna alleen nog
maar over percentages zou praten, maar de rare situatie is dat we een
kabinet hebben dat nog niet op het bordes staat en een coalitieakkoord
dat nog niet bevestigd is. We bevinden ons dus ook een beetje in een
hiaat. Dit leek me eigenlijk toch wel een goed moment om even uit te
zoomen op de vraag: wat willen we eigenlijk van onderwijs, cultuur en
wetenschap? Steeds meer spreken we over deze termen vanuit de benadering
van maatschappelijke opgaven, relevantie, emancipatie, weerbaarheid,
impact en verbinding. De samenleving roept zorgen op en die zorgen
willen we oplossen via onderwijs, cultuur en wetenschap. Nieuw is dit
idee niet. Lange tijd leefde in Europa het idee dat kunst, cultuur en
wetenschap de mens zouden verheffen. Toen secularisering toesloeg en
democratisering toenam, ontstond het idee in de negentiende eeuw dat
kunst en cultuur, nu de kerk het niet meer deed, de mens zouden
beschaven en tot een goed burger zouden maken. Kunst als beschaving,
onderwijs als morele vorming en emancipatie en wetenschap als
vooruitgang, bildung.
Toen kwam de twintigste eeuw. Blijkbaar waren samenlevingen met de
mooiste poëzie, literatuur, muziek, schilderkunst en briljante
wetenschappers niet per definitie ethischer dan samenlevingen waarin dat
minder ontwikkeld was. Het onderwerpen van kunst en cultuur aan
beschaving voor politieke doeleinden bleek dus geen morele garanties te
bieden. Esthetische verfijning is iets radicaal anders dan een moreel
mens zijn. De twintigste eeuw liet zien dat, kortom, cultuur, wetenschap
en kennis samen kunnen gaan met barbarij. Het negentiende-eeuwse mens-
en wereldbeeld bleek niet te kloppen. Cervantes lezen maakt je
zondagmiddag mooier, Rilke maakt liefdesverdriet hopelijk wat
draaglijker en Chopin maakt dat je wat makkelijker slaapt. Een beter
mens word je er echter niet van. Dat is niet de schuld van de kunst en
cultuur. We vroegen iets wat zij gewoonweg niet te geven hadden. De
tweede helft van de twintigste eeuw worstelt wél met deze
teleurstelling. Vanaf dat moment mocht kunst niet meer mooi zijn. Het
moest eerlijk zijn en de donkere kanten van de mens laten zien.
Esthetiek werd gewantrouwd en kunst zou wel even laten zien wie de mens
echt was onder dat dunne laagje beschaving.
Deze teleurstelling had twee kanten op kunnen gaan. We konden accepteren
dat kunst en cultuur geen beschavingsmechanismen zijn en gewoon middelen
om het leven wat interessanter te maken met de materialen die voorhanden
zijn, of we konden dit ontkennen en zouden het alleen nog maar meer
politiseren. Dat laatste is gebeurd. Omdat cultuur van zichzelf
blijkbaar de moraliteit niet wist te vergroten, is gaandeweg de neiging
ontstaan om cultuur steeds meer en steeds explicieter te laden met
maatschappelijke en politieke opdrachten. Als cultuur, onderwijs en
wetenschap het niet vanzelf doen, ontstaat de neiging om ze politiek te
sturen om alsnog bij te dragen aan een morelere wereld. Begrippen als
relevantie, verbinding, kansengelijkheid, impact en emancipatie komen
dan centraal te staan. In feite raakten we teleurgesteld in onderwijs,
cultuur en wetenschap omdat we iets van hen verwachtten wat zij niet
konden leveren, en besloten die teleurstelling te beantwoorden door hen
nog verder te gaan belasten.
Voorzitter. Deze reflex zie ik terug in deze begroting. In de
beleidsagenda, expliciet in artikel 14 over cultuur, wordt cultuur
steeds nadrukkelijker geplaatst in het teken van maatschappelijke
opgaven. Tegelijkertijd wordt steeds benadrukt dat cultuur vrij moet
zijn en dat makers ook wel autonomie verdienen, maar vervolgens worden
er via subsidies weer allerlei normen gesteld waar de vrije en autonome
cultuur dan aan moet voldoen. Hetzelfde patroon zien we eigenlijk bij
wetenschap en onderzoek. Autonomie wordt normatief erkend, maar wordt
programmatisch georganiseerd via maatschappelijke prioriteiten,
impactcriteria en thematische agenda's. Opnieuw met goede bedoelingen,
maar wel vanuit dezelfde veronderstelling dat betekenis expliciet moet
worden georganiseerd.
Natuurlijk zijn cultuur en wetenschap altijd normatief. Dat waren ze,
zij het in een radicaal andere vorm, ook al voor de negentiende eeuw.
Kunst heeft altijd iets disciplinerends in zich gedragen. Het verschil
is dat de disciplinering implicieter was, subtieler, dat die meer te
maken had met het schaven van de geest op z'n meest, een mooie huiskamer
op z'n minst, dan met het oplossen van alle morele vraagstukken. Tijd,
navolging, canon en traditie waren bepalend. Nu bouwen we programma's,
creëren we indicatoren en vragen we om verantwoording volgens politiek
opgelegde doelen. In de twintigste eeuw beseften we dat we, nogmaals,
kunst niet politiek konden vormen en als reactie hebben we onderwijs,
cultuur en wetenschap meer ondergeschikt gemaakt aan de politiek dan
toen. Was kunst voorheen beschaving, dan is het nu toch wel de drager
van ideologie geworden.
Niet alles wat waarde heeft kan verantwoord worden en niet alles wat
verantwoord wordt heeft waarde. Kunst mag leeg zijn en wetenschap mag
nutteloos lijken. Onderwijs mag vormen zonder directe opbrengst. Zodra
hun bestaansrecht uitsluitend wordt afgemeten aan wat zij opleveren,
verliezen zij precies datgene wat hen tot vrije praktijken maakt. Dit is
geen pleidooi tegen gearrangeerde kunst of maatschappelijk betrokken
wetenschap. Het is evenmin nostalgie naar een harmonisch verleden waarin
alles goed en mooi was. Het is een pleidooi voor terughoudendheid van de
politiek en voor het besef van begrenzing. Onderwijs, cultuur en
wetenschap zijn enorm belangrijk en verdienen onze aandacht, liefde en
investering, alleen niet altijd waarom we denken dat ze belangrijk zijn.
Cultuur in brede zin is gepolitiseerd geraakt, een vehikel van alle
verlangens van de politiek om ieder tragisch gevoel of probleem in de
samenleving maar op te kunnen lossen. Echter, daarmee verstikken we de
creativiteit, verstikken we de docenten en beknellen we de kunstenaars
en musea. We maken dezelfde fout als in de negentiende eeuw: iets van
cultuur verwachten wat ze misschien nooit te geven zal hebben.
Tot slot heb ik twee vragen, omdat het iets meer moest zijn dan alleen
een verhaal. Ziet de minister het risico dat onderwijs, cultuur en
wetenschap steeds zwaarder worden belast met het oplossen van
maatschappelijke en morele vraagstukken die zij niet kunnen dragen? Waar
ligt voor hem de grens van wat we redelijkerwijs van deze domeinen mogen
verwachten? En, tot slot, kan de minister uiteenzetten hoe hij bewaakt
dat beleidsdoelen en subsidiëringscriteria richtinggevend moeten worden,
zonder dat zij de inhoudelijke vrijheid van cultuur en wetenschap
feitelijk vervangen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een mooi betoog. Het cultuurdebat hebben we natuurlijk al gehad; dat
valt hier niet onder. Ik ben benieuwd wat Forum gaat doen om ervoor te
zorgen dat we meer mbo'ers krijgen, zodat we weer lassers, automonteurs
en schilders kunnen gaan opleiden.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dat is natuurlijk waar bijna iedereen het over heeft. Dat moet gewoon
aantrekkelijker worden. Tseggai van GroenLinks-PvdA heeft goede
voorstellen gedaan. Daar heeft Forum op dit moment nog geen concrete
plannen voor. We erkennen natuurlijk wel dat het belangrijk is dat de
mbo's populairder worden en dat er meer gelast gaat worden. Wij hebben
ook de verwachting dat de mbo's, naarmate de AI-revolutie doorzet en
steeds meer hoogopgeleiden zonder baan komen te zitten, wel weer vol
komen te zitten met lassers, schilders en stukadoors.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Bijzonder om te constateren dat Forum voor Democratie optrekt met
GroenLinks-PvdA hierin. Ik zal afwachten wat de moties van
GroenLinks-PvdA gaan brengen.
De voorzitter:
Komt u tot uw vraag, mevrouw Van der Plas?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik wil de heer Van Duijvenvoorde bedanken voor dit antwoord. Dat was
interessant.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik wil even zeggen dat het een inspirerend verhaal was. We nemen niet
alles over van GroenLinks-PvdA.
De voorzitter:
Ik zou koffie gaan drinken met elkaar. Ik nodig graag de heer Russcher
uit voor zijn bijdrage namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat
uw gang.
De heer Russcher (FVD):
Kan het spreekgestoelte iets omlaag? Ik ben niet zo lang als mijn
fractiegenoot.
De voorzitter:
Dat gebeurt automatisch. U kunt het zelf ook beïnvloeden.
De heer Russcher (FVD):
Zo is het goed, dank u wel.
Voorzitter. Stel je voor dat je jong bent en alles hebt gedaan volgens
de regels: je middelbare school, je eerste bijbaantje, het afronden van
een studie en beginnen aan een baan. Je doet je best om te sparen,
misschien wel voor je eerste huis, maar het wordt je wel heel erg
moeilijk gemaakt. Iedereen die tussen 2015 en 2023 heeft gestudeerd weet
precies waar ik op doel: de pechgeneratie. Dankzij PvdA, VVD, GroenLinks
én D66 begonnen honderdduizenden jongeren hun volwassen leven met een
enorme schuld. Plotseling was er geen basisbeurs meer. Nee, alles moest
bij elkaar geleend worden. Een hele generatie kreeg de rekening. Dan heb
je dus alles volgens de regels gedaan, maar zit je met torenhoge
schulden. Je wordt alsnog gekort op je hypotheek met nóg meer
achterstelling op de woningmarkt als gevolg. Het geld dat PvdA, VVD,
GroenLinks en D66 hiermee hoopten te besparen, zou worden geïnvesteerd
in de kwaliteit van het onderwijs. Hier is niets van terecht gekomen.
Het is voor iedereen te lezen, te horen en te zien dat de kwaliteit van
het onderwijs alleen maar achteruitgaat.
Voorzitter. Voor een student die vier jaar onder het leenstelsel viel,
komt de totale compensatie maximaal uit op €6.000. Ondertussen zijn de
studieschulden vooral voor uitwonenden die de uitwonende beurs hebben
misgelopen, gigantisch hoog. In 2025 zijn er ongeveer 350.000 jongeren
die minstens €30.000 schuld hebben. Vinden we die €6.000 nou echt een
goede compensatie? En wat te denken van het feit dat de belofte om de
rente op 0% te houden ook nog eens is gebroken? 2,5% aan rente, dat is
wat deze generatie gaat betalen. Stel je voor dat je een studieschuld
hebt van €30.000 en dat je er 35 jaar over doet om af te lossen. Dan
betaal je bij een rentepercentage van 2,5% zo ongeveer €15.000 aan
rente, bovenop de €30.000 die je dus óók al moet afbetalen.
Onacceptabel.
In het jaar 2026 gaat er, zo valt te lezen in de begroting, wél geld
naar internationale cultuursubsidies, Sustainable Development Goals en
andere projecten die niet in het belang zijn van de Nederlandse
student.
Voorzitter. Het geld is er. Het is een kwestie van keuzes maken. De
studenten die onder de pechgeneratie vielen, kúnnen namelijk
gecompenseerd worden. Dit gaat over honderdduizenden jongeren die
jarenlang hun toekomst op pauze hebben moeten zetten, die met een 10-0
achterstand aan hun volwassen leven moeten beginnen.
Voorzitter. D66 is bij de vorige verkiezingen de grootste partij
geworden. Forum voor Democratie had meer verwacht van de zogenaamde
"studentenpartij". In het coalitieakkoord staat geen extra compensatie
voor deze getroffen generatie. De rente voor de pechgeneratie wordt
2,5%. Dit terwijl in het verkiezingsprogramma van D66 stond dat wat hen
betreft de pechgeneratie geen rente over hun studieschuld betaalt. Wat
hebben die honderdduizenden jongeren hieraan? Helemaal niets! Op Forum
voor Democratie kunnen ze wél rekenen. Daarom zullen wij ook concrete
voorstellen indienen voor een volledige compensatie ter hoogte van de
basisbeurs voor alle studenten die onder het leenstelsel vielen. We gaan
voor structureel 0% rente op hun studieschuld en voor het niet laten
meewegen van de schuld bij een hypotheekaanvraag, zodat ook de
pechgeneratie een mooie toekomst tegemoetgaat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Houwelingen, die
namens de fractie van Forum voor Democratie spreekt. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Vandaag bespreken we de begroting van OCW, die de
afgelopen jaren behoorlijk is gestegen. Tegelijkertijd is het aantal
leerlingen in het funderend onderwijs gedaald, net zoals het niveau van
de basisvaardigheden, taal en rekenen. Er is meer geld voor minder
leerlingen. Er zijn ook nog eens slechtere leerprestaties. Hier gaat
iets dus serieus fout; dat is duidelijk. Maar waarom? Daar vallen
natuurlijk allerlei redenen voor aan te voeren, zoals de massamigratie,
die ook voor enorme druk op het onderwijs zorgt, en de schaalvergroting
in het onderwijs. Daarnaast moet echter ook de vraag gesteld worden of
het onderwijsgeld wel goed wordt besteed. Dat wil zeggen, aan het
primaire proces, aan de leraren en aan het onderwijsondersteunend
personeel voor de klas. Deskundigen wijzen erop dat er allerlei
adviseurs, onderwijsdeskundigen en onderwijsbureaus zijn die steeds
dominanter zijn geworden in het onderwijs. Dat geld wordt dus niet
besteed aan de leraren voor de klas.
Voorzitter. Ik denk dat het belangrijk is om te achterhalen welk
percentage van het geld dat onderwijsbesturen in Nederland jaarlijks te
besteden hebben, wordt besteed aan het primaire proces. Dat wil zeggen:
het salaris van leraren en ander onderwijsgevend personeel dat fysiek in
of voor de klas staat. Ik begrijp dat dat percentage op dit moment
onbekend is. Ik zou dat percentage graag willen weten. Het liefst wil ik
dat natuurlijk weten voor alle schoolbesturen, maar als dat onhaalbaar
is, wil ik het in ieder geval voor een aantal schoolbesturen weten.
Daarbij zou het mooi zijn als dit percentage uitgesplitst zou kunnen
worden naar de omvang van het schoolbestuur. Is het bijvoorbeeld
wellicht zo dat grote schoolbesturen meer geld kwijt zijn aan indirecte
kosten, aan overhead?
Het zou natuurlijk helemaal mooi zijn als we deze percentages, al was
het maar voor een paar schoolbesturen, zouden kunnen achterhalen op
basis van bijvoorbeeld forensische accountancy voor bijvoorbeeld de
afgelopen tien of misschien zelfs twintig jaar, zodat we kunnen
vaststellen of inderdaad een steeds groter deel van het geld dat
beschikbaar is voor het funderend onderwijs niet terechtkomt bij de
leraren die voor de klas staan, en de overheadkosten dus zijn
toegenomen. Zou ik de staatssecretaris kunnen vragen of hij bereid is
zijn best te doen om deze cijfers zo goed mogelijk te achterhalen?
Onze interesse gaat vooral uit naar het primair onderwijs, maar we
hebben dezelfde vraag en zorg wat betreft het voortgezet onderwijs, waar
de overheadkosten de afgelopen decennia ook zijn toegenomen, wellicht
onder invloed van de schaalvergroting die zich helaas ook in het
voortgezet onderwijs heeft voorgedaan.
Tot slot, voorzitter. We waren bij een hele mooie presentatie van de
Algemene Rekenkamer. De hoofdboodschap die de Algemene Rekenkamer ons in
die technische briefing meegaf, was dat er dus 57 miljard wordt
uitgegeven, maar, en ik citeer nu: "De minister maakt niet duidelijk wat
er met dit geld …
De voorzitter:
Ik ga u heel kort onderbreken, want volgens mij was dit een
vertrouwelijke bijeenkomst en is het niet de bedoeling dat u citeert uit
die bijeenkomst.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb dat dan misverstaan. Ik dacht dat we dat wel mochten doen.
De voorzitter:
Voordat we kleine ongelukken veroorzaken: ik zou niet citeren uit deze
bijeenkomst.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Dan stuur ik deze mededeling zo meteen misschien
per brief door aan de minister. We hebben in ieder geval de vraag of de
minister zou kunnen reflecteren op de bevindingen, die dus wellicht
vertrouwelijk zijn. Het zou mooi zijn als hij daar toch met een paar
woorden op kan reflecteren.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan het meemaken, zou ik zeggen. Meneer Ergin, ik wil u
heel graag uitnodigen voor uw bijdrage namens de fractie van DENK. Ga uw
gang.
De heer Ergin (DENK):
Dank u wel, voorzitter. Om te beginnen wil ik uiteraard mijn
complimenten uitspreken in de richting van mevrouw Biekman. Wat was dat
een persoonlijk en stevig verhaal!
Voorzitter. Op de valreep van het mislukte kabinet-Schoof I behandelen
wij vandaag de Onderwijsbegroting voor 2026. Ik moet heel eerlijk zeggen
dat bij mij de behoefte aan een lang debat met de minister en de
staatssecretaris vrij beperkt is. Uiteraard wens ik beide heren wel heel
veel succes in hun verdere loopbaan. Wat wel overblijft, is een
terugblik op een kille en nare periode. Dat is niet alleen omdat Schoof
I überhaupt weinig heeft bijgedragen aan Nederland, maar vooral vanwege
de snoeiharde bezuinigingen op het onderwijs. Nog nooit is het onderwijs
zo hard geraakt door de flipperkastbezuinigingen: eerst 1,5 miljard en
nu zien we een klein miljard in de begroting van dit jaar staan, dat
verder oploopt tot 1,5 miljard. We hopen bij de volgende begroting op
een herstelbegroting, waarin er geen bezuinigingen meer zijn.
We hebben in de afgelopen jaren gezien dat er geen sprake was van
gedegen beleid, maar meer van het zaaien van bestuurlijke onzekerheid
bij scholen. Aangezien dit een van de laatste debatten is van deze
bewindspersonen, ben ik eigenlijk wel benieuwd hoe ze terugkijken op de
afgelopen periode. Zijn zij nou trots op wat er is bereikt? Zijn zij
trots op het feit dat er nog steeds een monsterbezuiniging in de
begroting staat? Voor DENK is het helder: wij herstellen deze
bezuinigingen liever gisteren dan vandaag.
Ik wil het hebben over één specifieke bezuiniging. Dat is de bezuiniging
van 64 miljoen op de gemeentelijke achterstandsmiddelen. Dat geld komt
echt direct bij de kinderen terecht. Het is geld voor de eerste 1.000
levensdagen van een kind, extra uren bij de vve en ondersteuning die al
begint bij de zwangerschap van een moeder. Dat is geld waarmee scholen
een uur per week extra taalles kunnen bieden aan kinderen, zodat ze
letterlijk op niveau komen en hun talenten kunnen waarmaken en tot bloei
kunnen laten komen. Ik heb dat als wethouder in Schiedam van dichtbij
mogen meemaken.
Voorzitter. We weten dat die bezuiniging in ieder geval in 2027 van
tafel gaat, maar we zijn echt verplicht om er alles aan te doen om deze
bezuiniging, al is het deels — als het aan mij ligt, volledig — nog dit
jaar ongedaan te maken. We weten namelijk hoe het gaat in gemeenteland:
straks komen de gemeentes met hun begroting en zodra ze daarop 10%
tekortkomen, moeten ze bezuinigen. Ik hoor van sommige wethouders al dat
ze bezig zijn met pijnlijke bezuinigingen.
Voorzitter. Ik wil het verder hebben over hoogbegaafdheid, het mbo,
kwetsbare leerlingen, praktijkonderwijs, volwasseneneducatie en jezelf
kunnen zijn in het onderwijs. Uit onderzoek weten we dat hoogbegaafdheid
bij leerlingen met een migratieachtergrond en bij meisjes tot vier keer
minder vaak wordt herkend. Samen met collega Kisteman van de VVD hebben
we vorig jaar een amendement aangenomen gekregen waardoor er nu
eindelijk een basisboek is voor professionals. Dat is mooi, maar we
moeten echt veel meer doen op dit onderwerp. Ik vraag de
staatssecretaris het volgende. We hebben nu 23 miljoen in de begroting
staan, specifiek gericht op hoogbegaafdheid, maar we zien dat dit geld
niet altijd terechtkomt waar het terecht moet komen. Ik ben benieuwd hoe
de staatssecretaris dat dit jaar anders gaat doen. We kunnen weer met
een amendement komen over een los project, maar we willen het probleem
bij de kern aanpakken.
Voorzitter, dan het punt van het mbo. We zijn het aan de toekomst van
ons land verplicht om meer vakmensen op te leiden. Het mbo mag geen
ondergeschoven kindje meer zijn. Daarom is drie jaar geleden gestart met
de Werkagenda en het Stagepact voor het mbo. Ik schrok enorm van de
resultaten: 50.000 leerlingen in het mbo ervaren discriminatie en
ondanks de glasharde afspraken is er niet op alle scholen een meldpunt,
en als er al een meldpunt is, hebben heel veel leerlingen en studenten
daar geen kennis van. Neem de logische afspraak dat bij een stage er
minimaal drie contactmomenten moeten zijn. Die afspraak wordt ook niet
nageleefd. Als ik in een rapport lees — dat noem ik dan de kers op de
taart, maar dan in negatieve zin — dat scholen nog steeds een discussie
hebben over de definitie van "kansengelijkheid" ... We zijn drie jaar
verder en er gaat best veel geld naartoe, want het is belangrijk
onderwerp. Ik ben gewoon benieuwd wat de minister, nee, de
staatssecretaris, sorry, tóch de minister gaat doen met de schrijnende
verbeterpunten die in het Stagepact mbo staan.
Voorzitter. Dan het praktijkonderwijs. Als we zeggen dat we alle vormen
van onderwijs moeten gaan waarderen, moeten we dat uitgerekend in het
praktijkonderwijs laten zien. Ik ben trots op al die leerlingen, trots
op hun veerkracht, trots op hun doorzettingsvermogen. Zij laten elke dag
zien wat leren in de praktijk betekent. Telkens als ik op bezoek ga, zie
ik hoe het is om te vallen en om op te staan en om door te gaan. Die les
krijg ik van de leerlingen in het praktijkonderwijs. Toch geven wij als
samenleving een heel verkeerd signaal af. Dat is het signaal van de
toelaatbaarheidsverklaring. Volgens mij wil niemand in de Kamer dat de
toelaatbaarheidsverklaring nog wordt verstrekt, dat die nog nodig is.
Deze werkt namelijk stigmatiserend, is een bureaucratische belemmering
en is eigenlijk een stempel. Als die stempel eenmaal op een leerling is
gedrukt, raakt de leerling die eigenlijk niet meer kwijt.
Praktijkleerlingen verdienen het gewoon, net als iedere leerling, om
zich in te kunnen schrijven op welke school dan ook, zonder labels. Ik
heb een hele simpele vraag aan de staatssecretaris: wanneer stoppen die
toelaatbaarheidsverklaringen?
Voorzitter. Een tweede punt over het praktijkonderwijs is het ov. Onder
druk van de Kamer is er nu voor de studenten die een entreeopleiding
volgen een regeling voor ov-vergoeding. Maar die groep is veel breder,
omdat praktijkleerlingen vrij vaak stage moeten lopen. Het zijn heel
vaak regioscholen, waardoor er sprake is van heel veel reistijd. Ik ben
benieuwd hoe de bewindspersonen kijken naar het amendement dat reeds is
ingediend om ervoor te zorgen dat in ieder geval meer leerlingen in het
praktijkonderwijs een ov-vergoeding kunnen krijgen.
Voorzitter. Dan over volwasseneneducatie. Gemeenten krijgen meer
verantwoordelijkheid voor participatie en zelfredzaamheid, maar we zien
tegelijkertijd dat hun budgetten enorm dalen. Taalkennis verdwijnt,
terwijl de vraag groeit. We zagen een statement van de gemeenten van de
regio Midden-Nederland, die aangeven dat ze honderden inwoners niet meer
kunnen helpen. Dit betekent minder taalonderwijs, minder werk, minder
zelfstandigheid en meer afhankelijkheid. Ik ben benieuwd wat de reactie
van de minister is op dit statement.
Voorzitter. Tot slot iets wat mij in de afgelopen periode enorm heeft
geïrriteerd. Dat was een onderzoek van NOS op 3 waaruit bleek dat er op
180 scholen in Nederland een bidverbod is. We hebben het heel, heel vaak
over artikel 23. We hadden het net over ruimte voor nieuwe scholen en
over de motie van collega Kisteman, die laatst zorgde voor heel veel
ophef. We hebben daar heel vaak debatten over. Ik vind dat we het debat
niet uit de weg moeten gaan, maar volgens mij moeten we ook vaker in dit
huis een debat voeren over openbaar onderwijs, omdat openbaar onderwijs
heel vaak wordt uitgelegd, ook in dit huis en in ieder geval ook bij 180
middelbare scholen in Nederland, als antireligieus, terwijl dit nergens
in de wet staat. De wet zegt heel duidelijk dat er respect en ruimte
moet zijn, ook voor de levensbeschouwing van leerlingen. Als we dan zien
dat 180 scholen letterlijk een bidverbod hebben, terwijl dat gewoon niet
mag, wat we afgelopen week ook zagen bij een oordeel van het College
voor de Rechten van de Mens, vraag ik me echt af waarom de minister en
de staatssecretaris niet allebei met hun vuist op tafel slaan en zeggen:
de wet moet worden nageleefd en we gaan ervoor zorgen dat die scholen
dat gewoon gaan doen; we zorgen dat er in Nederland geen gebedsverboden
meer zijn.
Voorzitter, ik weet dat ik iets over mijn tijd heen ga, maar ik kort dan
mijn inbreng in tweede termijn in door minder moties in te dienen. Ik
heb wel één punt, of eigenlijk nog twee punten, over de financiering van
LBVSO. We weten dat daar echt heel veel werk wordt verricht als het gaat
om kwetsbare leerlingen, leerlingen die te maken hebben met uitdagingen
als het gaat om hun gezondheid, om hun neurodiversiteit. Wij vinden die
financiering gewoon te weinig. De uitdaging is veel groter. Als we
kijken naar de verhouding tussen het aantal studenten en leerlingen die
ze vertegenwoordigen en helpen en de financiering die ze krijgen, is dat
echt een klein bedrag. Dat willen we graag anders hebben. Daar hebben we
een amendement over voorbereid. Voorzitter. Over die 70.000
thuiszitters: er gebeurt veel, maar ik hoor heel vaak van ouders dat ze
van het kastje naar de muur worden gestuurd. Wordt het niet eens tijd om
een landelijk expertisecentrum op te richten voor thuiszitters?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Alle tijd die u hier langer gebruikt, gaat af van de
spreektijd bij de andere begrotingen. Dat realiseert u zich, denk ik. De
heer Boomsma, één korte vraag.
De heer Boomsma (JA21):
Ja, ik heb een verduidelijkende vraag. Het ging over een gebedsverbod,
maar ik wist niet dat er een gebedsverbod gold. Misschien wordt hier
gedoeld op het ontbreken van aan aparte ruimte om te bidden, maar dat is
toch wat anders dan een gebedsverbod?
De heer Ergin (DENK):
Dat zijn twee verschillende dingen. Het gaat over de vraag of een school
een stilteruimte moet faciliteren. In het onderzoek waar ik aan
refereerde, werden veel voorbeelden genoemd van scholen waar leerlingen
bijvoorbeeld straf kregen als ze, zonder iemand tot last te zijn, ergens
in een hoekje even een paar minuten de tijd namen om tot rust te komen
om te bidden. Daar krijgen ze straf voor. Ouders worden daarop
aangesproken. Ik weet dat er een school in Schiedam is waar de
gebedskleden letterlijk onder kinderen vandaan getrokken worden, en dat
er dus de facto sprake is van een gebedsverbod.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar de heer Stoffer. Hij spreekt
namens de fractie van de SGP. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Als eerste wil ik mevrouw Biekman feliciteren met haar mooie en
persoonlijke maidenspeech.
Voorzitter. Ons onderwijs hunkert naar bezinning; hoogleraar Erik
Borgman slaat met deze opmerking de spijker op z'n kop. Er is in de
afgelopen jaren hard gewerkt aan de basisvaardigheden rekenen en taal.
Dat was ook hard nodig, zeker voor de leerlingen die in hun eigen
omgeving minder steun en kansen krijgen dan anderen. Toch gaat onderwijs
dieper dan alleen goede scores en maatschappelijke kansen. Leerlingen
zijn meer dan hun lichaam, toekomstige status en portemonnee. Leerlingen
hebben een ziel van onschatbare waarde. Ik denk dat niemand dit besef
krachtiger heeft uitgedrukt dan Jezus Christus. Hij stelt ons in Marcus
8:36 de indringende vraag wat het de mens baat als hij heel de wereld
wint, maar zijn ziel schade lijdt. Mocht u dat in de context willen
plaatsen, dan kan ik u de twee verzen daarvoor en de twee verzen daarna
ook van harte aanbevelen.
Voorzitter. Omdat leerlingen een ziel hebben, heeft het onderwijs ook
een ziel. Bezieling vraagt om vrijheid van onderwijs, want het raakt aan
de diepste overtuiging van mensen. Het is daarom een terechte erkenning
in het regeerakkoord dat de vrijheid van onderwijs een fundament is in
onze Grondwet. Overigens benadrukt de inspectie dat die vrijheid ook
heel concreet van de politiek vraagt om te wieden in de overdaad aan
wetten en wensen vanuit Den Haag. Het recente advies van de
Onderwijsraad over welzijn en onderwijs sluit naadloos aan bij de
bevinding van Borgman. De Onderwijsraad stelt ook vast dat zingeving en
welzijn in de afgelopen jaren heel vaak een individualistisch, mentaal
karakter droegen. Hoe wil ík mijn leven vormgeven? Wat voel ík daarbij?
Het collectieve blijft onderbenut. Bezieling en zingeving doe je niet in
je uppie. Je hebt daar bijvoorbeeld ook de gemeenschap van de school
voor nodig, met een eigen cultuur, overtuiging en waarden. Die
individuele leerling kan dit niet zomaar op de helling zetten met een
beroep op de persoonlijke beleving. Mijn vraag is: neemt de
staatssecretaris dit perspectief ook mee in de brief over artikel 1 en
artikel 23 van onze Grondwet?
Voorzitter. Het is onrustbarend dat het antisemitisme als ongedierte uit
alle hoeken en gaten van de samenleving weer tevoorschijn komt. Ook in
het onderwijs merken we dat, juist op de plek waar leerlingen over de
ernst van dit kwaad moeten leren. Het is dus best schrikken als je leest
dat 38% van de leraren in het voortgezet onderwijs te maken heeft met
Holocaustbagatellisering of -verdraaiing. Het is in dat licht vreemd dat
de inspectie nauwelijks meldingen krijgt over antisemitisme. Vindt de
staatssecretaris ook dat dit aanleiding moet zijn voor de inspectie om
hieraan zelf extra aandacht te besteden bij het themaonderzoek
veiligheid in het jaarwerkplan 2026? Kan hij bevestigen dat er geen
sprake is van een schoolcultuur die in overeenstemming is met de
basiswaarden van onze democratische rechtsstaat als er in de
schoolklassen een sfeer van Holocaustverdraaiing en -bagatellisering
hangt?
De situatie in het hoger onderwijs is nog urgenter. De Taskforce
Antisemitismebestrijding schrijft dat vele joden zich met name op de
campus van de instellingen niet meer veilig en welkom voelen. De
taskforce roept bestuurders op om duidelijk en zichtbaar naast de joodse
minderheid te gaan staan, want dat is tot op heden te weinig gebeurd. Er
zijn uitingen zichtbaar geweest die we gewoon niet willen zien op straat
en ook niet op het terrein waarop de vrije wetenschap het hoogste woord
heeft. De SGP begrijpt dat het kabinet zorgvuldig over een reactie op
het rapport wilde nadenken, maar kan de minister al wel bevestigen dat
er echt een andere wind moet gaan waaien als we dit probleem bij de
wortel willen aanpakken? We kunnen als reactie op het signaal van de
taskforce niet meer volstaan met verwijzingen naar meldcodes, huisregels
en handelingsperspectieven.
Voorzitter. In mijn bijdrage richt de SGP de schijnwerpers ook op het
grensvlak van cultuur en onderwijs. Allereerst noem ik de toekomst van
het Nationaal Onderwijsmuseum. Dat museum heeft een enorme collectie.
Het werkt aan kennis die voor het ontwikkelen van onderwijsbeleid nuttig
is en het zorgt voor de verbinding van burgers met ons onderwijs. De SGP
vindt dat het Rijk hier vanuit de stelselverantwoordelijkheid ook een
structurele bijdrage aan moet leveren. Het schrappen van de subsidie na
dit begrotingsjaar staat daar haaks op en zou een eind maken aan een
geschiedenis van 150 jaar. Samen met collega Rooderkerk stel ik middels
het amendement op stuk nr. 77 voor om een toereikende, structurele
subsidie beschikbaar te stellen voor het voortbestaan van het museum.
Het museum moet die subsidie dan ook echt benutten om een stevige,
toekomstbestendige organisatie neer te zetten. Ik hoop dat de minister
dit voorstel voluit een kans wil geven.
Het tweede punt dat de SGP wil belichten, is de zorg voor grote
monumentale kerken. Wie zo af en toe een grote monumentale kerk
binnenstapt — en dat is zeer aan te raden — schrikt soms zelfs van de
staat van het gebouw. Het orgel van de Bovenkerk in Kampen moet
bijvoorbeeld beschermd worden tegen vallend gesteente. De minister heeft
daar onlangs aanschouwelijk onderwijs in gehad, heb ik uit goede bron
vernomen. Bij de onderhandelingen over de begroting voor Onderwijs van
2025 heeft de SGP gelukkig een budget van 5 miljoen voor grote kerken
kunnen reserveren. Het is een bescheiden budget, en het was dus vooral
een eerste stap. Uit de cijfers over het jaar 2025 blijkt inmiddels dat
bepaalde aanvragen achter het net vissen. Ook bij de eenmalige subsidie
voor alle grote monumenten in Nederland wordt een overvraag verwacht.
Daarom stel ik, samen met de heer Claassen — ik zou dit andersom moeten
zeggen, maar het is net een beetje ontwikkeld — middels het amendement
op stuk nr. 84 voor om het specifieke budget voor grote monumentale
kerken te verhogen. Dit is noodzakelijke cultuurzorg die alle
Nederlanders ten goede komt, en onze aannemers bovendien.
En voorzitter, ik zou dit amendement natuurlijk niet alsnog na de
behandeling van de Cultuurbegroting hebben ingediend als er niet ook een
verbinding lag met het onderwijs. Het is noodzakelijk dat de overheid
subsidies verstrekt, maar allereerst is de betrokkenheid van de
samenleving zelf bij kerken van groot belang. De kerk heeft een
belangrijke plaats in de publieke ruimte van heel veel gemeenschappen,
ook als de burgers die kerk niet bezoeken. We merkten dat bijvoorbeeld
na de brand in de Vondelkerk in Amsterdam. Dit jaar stond de Actie
Kerkbalans in het teken van de betrokkenheid van jongeren. Vanuit de
wettelijke verplichtingen van scholen om aandacht te besteden aan
cultuur en de geschiedenis van de eigen leefomgeving, burgerschap en
levensbeschouwing is de verbinding tussen school en kerk eigenlijk heel
voor de hand liggend. Wat is er voor deze minister mooier dan als
laatste bestuursdaad in deze laatste anderhalve week een gesprek aan te
gaan met de onderwijsorganisaties over het versterken van de relatie
tussen scholen en kerken? Mijn laatste vraag is dan ook: pakt hij die
handschoen op?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan gaan wij nu luisteren naar de heer
Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Ga uw
gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst felicitaties aan mevrouw Biekman voor
haar maidenspeech. Prachtig.
Voorzitter. Onderwijs is geen leerfabriek. Nee, scholen zijn plekken
waar jonge mensen worden gevormd in een cruciale fase van hun leven. Ze
leren zichzelf beter kennen, leren waar ze goed in zijn en hoe zij zich
willen inzetten voor de samenleving. Ik zal later uitgebreider spreken
over het coalitieakkoord, maar mij valt daarin vooral de nadruk op het
verbeteren van de schoolprestaties op. Dat is zeker belangrijk, maar
waar is het oog voor de school als gemeenschap, iets wat we juist
vandaag in de samenleving heel hard missen? En waar wordt erkend dat
welzijn ook de opbrengst van onderwijs kan zijn in plaats van enkel een
voorwaarde, zoals onderwijs nu vaak wordt benaderd? Dit wordt
bijvoorbeeld in het recente onderwijsadvies gesteld. Daar zie ik gewoon
niets van terug in het gepresenteerde akkoord. Kan de minister toezeggen
om bij het opstellen van de kabinetsreactie op dit advies het net op te
halen bij geestelijke verzorgers en andere experts, bijvoorbeeld via de
beroepsvereniging, en bij scholenkoepels, voor hoe zij naar het advies
kijken en welke kansen zij zien voor het onderwijsveld?
Dan dit. Vorige week verscheen het advies van de Taskforce
Antisemitismebestrijding, met duidelijke conclusies. Joodse studenten
kregen van medestudenten te horen dat zij niet welkom zijn, behalve als
zij met de juiste woorden Israël zouden veroordelen. Medewerkers die
worden geweigerd bij de lunchtafel, in Nederland! Voor dit soort
uitsluiting mag geen plaats zijn. Joodse studenten en medewerkers moeten
zich, net als ieder ander, veilig weten in ons hoger onderwijs. Dat is
het afgelopen jaar duidelijk niet het geval geweest. Ik ga ervan uit dat
die adviezen voortvarend worden opgepakt. Een van die aanbevelingen
licht ik er echter uit, namelijk die over goede geestelijke
ondersteuning voor studenten en medewerkers. Is de minister bereid om
samen met de koepels en experts als de studentenrabbijn dit punt
voortvarend op te pakken, om het welzijn van Joodse studenten en
medewerkers te vergroten? Ik overweeg ook een motie op dit punt.
Dan de maatschappelijke diensttijd. Het is een prachtig voorbeeld van
een initiatief waarmee jongeren beter leren wie zij zijn, wat zij goed
kunnen en hoe zij iets kunnen doen voor een ander; cruciaal in deze
tijd, waarbij bijvoorbeeld burgerschap en weerbaarheid hoog op de agenda
staan. Bij de laatste aanvraag vielen ontzettend veel organisaties
buiten de boot, ook die al langer betrokken waren bij de mdt. En dit na
een aantal signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik, terwijl — zo
lees ik in de stukken — er nog geen enkel geval van misbruik
daadwerkelijk is vastgesteld. Er werd voor miljoenen meer aangevraagd
dan er is uitgekeerd en toch is 25 miljoen euro uit het budget
uiteindelijk niet uitgegeven. Kan de staatssecretaris kijken hoe dit
geld toch aan mdt kan worden besteed? Kan de staatssecretaris erkennen
dat de lat nu te hoog is gelegd in verhouding tot de dreiging?
Maatschappelijke diensttijd werkt het beste als er wordt gewerkt vanuit
gelijkwaardige samenwerking met maatschappelijke partners die kwaliteit
leveren. Het gaat uit van een beginsel van vertrouwen. Sinds de start
van mdt zijn er tal van verschillende types subsidies gepasseerd, vaak
met weer andere, nieuwe en soms onmogelijke eisen, met de laatste eis
als voorlopig dieptepunt. Maatschappelijke organisaties worden er gek
van. Is dit nu goed bestuur? Is de staatssecretaris bereid om samen met
andere departementen en maatschappelijke organisaties een ambitieuze
mdt-agenda op te stellen, zodat er op basis van gelijkwaardigheid
gewerkt kan worden aan de versterking van de sociale structuur, die zo
essentieel is in onze tijd? Er is een doelstelling voor een landelijk
dekkend netwerk voor kwalitatief goed mdt-aanbod. Hoe wil de
staatssecretaris deze samenwerking beter borgen dan nu?
Voorzitter. Dan toegankelijkheid. Ik vind het zeer teleurstellend dat de
minister maar geen duidelijkheid geeft over hoe de toegankelijkheidsakte
wordt verwerkt in onderwijswetgeving. In november 2024 is daarover een
motie van mij aangenomen. Kan de minister een duidelijk tijdspad
schetsen voor het wettelijk regelen van digitale toegankelijkheid in de
onderwijssector en bijvoorbeeld toegankelijkheidsnormen opnemen in de
inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen? Graag een reactie.
Voorzitter. Tot slot heb ik drie vragen. Eén. Hoe is het geld van het
amendement-Bontenbal voor de techniekhavo in het afgelopen jaar concreet
ingezet? Gaat dat dit jaar weer gebeuren?
Twee. Wanneer horen we meer over de uitvoering van de aangenomen motie
over landelijke richtlijnen over PAIS en long covid voor scholen?
Tot slot. We hebben in het coalitieakkoord kunnen lezen over informeel
onderwijs. Kan de minister toezeggen dat hij het traject van het huidige
wetsvoorstel, waarbij de onderwijsinspectie toezicht zou moeten houden
op plekken als zondagsscholen en de scouting, definitief intrekt?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Beckerman, die spreekt
namens de fractie van de SP.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel. Goedemiddag. Ook mijn felicitaties aan mevrouw Biekman,
natuurlijk.
Voorzitter. Ik vind dit een van de raarste begrotingsdebatten die ik
ooit gevoerd heb, zo niet het raarste. We debatteren over een begroting
die gemaakt is door een kabinet dat snoeihard bezuinigde op onderwijs en
wetenschap, waarbij juist de armste leerlingen en studenten het hardst
geraakt werden. Tegelijkertijd is een nieuw kabinet bijna klaar om te
beginnen. Dat wil deze bezuinigingen grotendeels terugdraaien, en
terecht, maar ertussenin bespreken we deze begroting met harde
bezuinigingen. Het gaat wel ergens over, want als we deze begroting
ongewijzigd aannemen, dan zorgt dat voor een grote verslechtering van de
kwaliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs. De belangrijkste
vraag vandaag is dus niet voor het zittende, dubbeldemissionaire
kabinet, maar voor de aankomende coalitiepartijen: laten we deze
begroting bestaan of beginnen we nu al? Als we dat niet doen, dan
richten we opnieuw schade aan.
Voorzitter. Laat ik mijn woordvoering beginnen bij het mbo, want dat is
de ruggengraat van de samenleving. Ook daarvoor staan nog steeds
bezuinigingen ingeboekt, zoals op de Subsidieregeling praktijkleren. Wat
de SP betreft moet die worden teruggedraaid, want het resultaat van die
bezuiniging zal zijn dat bbl-studenten minder ervaring in de praktijk
kunnen opdoen. Dat is slecht voor studenten en slecht voor ons allemaal,
aangezien de samenleving staat te springen om goed opgeleide mbo'ers.
Het is ook slecht omdat iedereen altijd zegt dat hij het mbo zo'n warm
hart toedraagt.
Voorzitter. De verschillen in behandeling tussen mbo-studenten,
hbo-studenten en wo-studenten moeten direct worden aangepakt. Dat wordt
al lang gezegd, maar ondertussen zijn die verschillen nog steeds groot.
Wat de SP betreft beginnen we daarom direct met de voorbereiding voor
een wettelijk verplichte stagevergoeding. Uit nieuw onderzoek blijkt
opnieuw dat de meerderheid van de mbo-studenten geen stagevergoeding
krijgt en dat deze studenten zich ondergewaardeerd voelen en vaak ook
nog misstanden ervaren. Er is nu een politieke meerderheid voor een
wettelijke vergoeding. We weten, met dank aan het kabinet, wat de opties
zijn, maar we weten ook dat wetgeving tijd kost. Laten we daarom geen
tijd verliezen en vandaag beginnen.
Voorzitter. Dan het hoger onderwijs en de wetenschap. Heel veel
studenten en wetenschappers kwamen in actie tegen de bezuinigingen van
het kabinet-Schoof. Zij hebben gewonnen: de bezuinigingen worden
teruggedraaid. Maar als we deze begroting op deze manier aannemen,
verliezen ze alsnog. Overal in het land zijn namelijk al reorganisaties
gaande: opleidingen verdwijnen, medewerkers verliezen hun baan, de
werkdruk stijgt. De LSVb laat zien hoe diep de wonden voor studenten en
medewerkers nu al zijn. Geef universiteiten en hogescholen daarom zo
snel mogelijk duidelijkheid. Als je namelijk alleen maar roept dat je
het gaat terugdraaien voor volgend jaar, terwijl de bezuinigingen voor
dit jaar alsnog blijven staan, dan zijn studenten en medewerkers daar de
dupe van.
Voorzitter. Goed onderwijs begint bij voldoende goed opgeleide leraren.
Iedere leerling verdient een bevoegde leraar voor de klas. Op dit moment
lukt dat niet. Nederland kampt nog altijd met een tekort van meer dan
10.000 fulltimeleraren. Maar goed onderwijs begint dus bij voldoende
goed opgeleide leraren. Dat we zo'n groot tekort hebben, is gewoon
slecht voor leerlingen en leraren: grotere klassen, uitval, hogere
werkdruk. Tegelijkertijd staan er ook zijinstromers klaar die graag aan
de slag willen. Zij moeten goed voorbereid, begeleid en gewaardeerd
worden. Daarvoor ligt een actieplan klaar. Een meerderheid van de Tweede
Kamer heeft zich daarvoor uitgesproken middels een motie. Wij dienen een
amendement in om daar ook extra geld voor te regelen, om te voorkomen
dat deze mensen uitvallen, te zorgen dat ze goed begeleid worden en te
zorgen dat we dus meer bevoegde leraren voor de klas krijgen.
Dan het leerlingenvervoer. Jaar na jaar krijgen we schokkende verhalen
te horen over misstanden. Twee weken geleden kregen we van ouders en
leerlingen hun nare ervaringen te horen. Drie kwartier wachten op de
ophaalplek, maar gewoon vergeten worden. Of kinderen die rust nodig
hebben, maar die worden opgehaald met een touringcar omdat dat goedkoper
is dan een klein busje of een taxi. Of eindeloze reistijden, dus uren
per dag in een busje, zelfs voor kleuters. Die problemen zijn al heel
lang duidelijk, maar iedereen wijst naar elkaar: de ene minister naar de
andere en de volgende weer naar de gemeenten. Zet nu de belangen van
leerlingen voorop. Luister naar wat zij nodig hebben. Stop met
aanbesteden. Maak het publiek. Zorg voor voldoende financiering.
Tot slot, voorzitter. Dit dubbeldemissionaire kabinet is bijna
geschiedenis, maar deze begroting is dat niet. En als we deze begroting
zo aannemen, schaadt dat het onderwijs, leerlingen en studenten. Het
meest wrange is dat het leerlingen met achterstanden het hardst raakt.
60 miljoen wordt er gekort op gemeentelijk achterstandenbeleid. De
gevolgen zijn in heel veel gevallen nu al duidelijk: veel minder
voorzieningen, juist voor deze groep die onderwijs hard nodig heeft. Het
zou een hele valse start voor de nieuwe coalitie zijn als ze deze
begroting laten bestaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij nu wel tot slot luisteren naar de heer
Claassen. Hij spreekt namens de Groep Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dank je wel. Vandaag spreek ik voor het eerst in een debat over
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de op een na mooiste portefeuille hier
in de Kamer, na Volksgezondheid. De afgelopen twintig jaar heb ik als
docent, onderzoeker en manager in het hoger onderwijs gewerkt. Ooit,
maar hopelijk niet te snel, hoop ik daar weer met plezier naar terug te
keren. Onderwijs is naast gezondheid een van de belangrijkste factoren
voor welzijn. We hebben hier de taak om daaraan bij te dragen.
Voorzitter. Deze behandeling van de begroting van dit demissionaire
kabinet, die door de aankomende coalitie grotendeels wordt
teruggedraaid, voelt als een surplace. Maar het geeft ons de kans om te
zeggen waar het echt om gaat en waar het al veel te lang niet over
gaat.
Allereerst zien we dat in de toekomst de nadruk komt te liggen op
basisvaardigheden in het funderend onderwijs: taal, rekenen, digitale
geletterdheid en burgerschap. Daar is an sich niets op af te dingen. Ook
de extra waardering voor leraren en de inspanningen tegen het
lerarentekort zijn stappen vooruit. We zien eindelijk een inhaalslag qua
salaris en arbeidsvoorwaarden, maar wat ons betreft moet die waardering
ook blijken uit vertrouwen in leraren en hun professionele kwaliteiten.
Er moet daarom minder regeldruk vanuit de overheid zijn. Ziet de
minister dat ook zo? Ziet hij ook dat meer autonomie voor docenten, meer
ruimte om les te geven met collega's en onderwijs te ontwikkelen met
collega's binnen heldere kaders cruciaal zijn om het vak weer
aantrekkelijk te maken?
Maar de praktijk blijft kwetsbaar, want wat heb je aan extra geld en
mooie plannen als de basis van orde, rust en gezag in de klas ontbreekt?
Niet overal, maar in delen van de sector verdwijnt er lestijd door
onrust, agressie, intimidatie en ongepaste ouderdruk. Volgens signalen
uit de praktijk en recente rapportages is lesgeven in sommige klassen
ronduit moeilijk geworden. Groepsdynamiek en pedagogische
hanteerbaarheid staan onder druk door culturele en sociale
versnippering. Dat bemoeilijkt het werk van de docent ernstig, en staat
leerprestaties en leeruitkomsten in de weg. Daarom pleiten wij voor
realistische regie: duidelijke landelijke normen voor orde en
veiligheid, consequente handhaving, betere bescherming van docenten en
snelle, effectieve interventies om te voorkomen dat het primaire proces
in gevaar komt. Docenten moeten simpelweg weer les kunnen geven. Ze
moeten met elkaar, binnen heldere kaders, autonoom onderwijs ontwikkelen
dat niet wordt opgelegd door managers of de grote, groeiende groep
onderwijskundig adviseurs. Is de minister bereid om in de komende
periode concrete stappen te zetten om die regeldruk verder terug te
dringen en het professionele vertrouwen in leraren te versterken, of dit
door te geven aan zijn opvolgers?
Te lang hebben we het onderwijs gevraagd om elk maatschappelijk probleem
op te lossen. Daardoor staan kerntaken zoals kennisoverdracht, vorming,
veiligheid en kwaliteit enorm onder druk. Die focus zou hersteld moeten
worden. Dat geldt ook voor het hoger onderwijs. Universiteiten zijn in
toenemende mate minder neutrale kennisinstellingen en meer
moreel-politieke actoren geworden. Recente incidenten laten zien hoe dat
leidt tot onveiligheid op bijvoorbeeld campussen. Neem het rapport
Gevangen in Vrijheden van de Taskforce Antisemitismebestrijding, dat
begin februari gepubliceerd is. Dat rapport is kristalhelder over de
structurele onveiligheid voor Joodse studenten en Joodse medewerkers,
met pesterijen, intimidaties en een verslechterd klimaat door protesten
met antisemitische uitwassen. De voorgestelde aanpak van oproepen tot
duidelijkheid en publiekelijk opkomen voor deze groep blijft
vrijblijvend, zonder harde maatregelen of consequenties. Dat verandert
dus niets. Welke concrete opdracht ziet de minister voor zichzelf om
universiteiten te dwingen tot effectieve, afrekenbare maatregelen voor
campusveiligheid, zodat geen enkele student zich meer onveilig hoeft te
voelen?
Tegelijkertijd zien we de feiten in de Times Higher Education World
University Rankings 2026. Acht van de twaalf Nederlandse universiteiten
zijn opnieuw gedaald. TU Delft blijft nog netjes op plek 57, maar
Amsterdam zakt naar plek 62, Groningen naar plek 82 en de VU Amsterdam
zelfs naar plek 176. Dit is de derde achtereenvolgende daling. Onze
internationale concurrentiepositie verslechtert daardoor zichtbaar. We
pleiten daarom voor veel meer verticale sturing en afrekenbaarheid. We
pleiten voor heldere landelijke kaders voor veiligheid, integriteit en
bestuur, voor meetbare prestaties op onderwijs en onderzoek, en voor
financiële consequenties, inclusief overheadsanering, als instellingen
falen in deze transitie.
Voorzitter. Dezelfde behoefte aan vereenvoudiging en minder overlap zien
we in de zorgopleidingen. Er is een dubbele kwaliteitsstructuur. De
NVAO, voor accreditatie van initiële opleidingen, valt onder OCW en het
CZO, voor erkenning en toezicht op zorgspecifieke opleidingseisen, valt
onder VWS. Dit leidt al jaren tot overlappende regelgeving, dubbele
bureaucratie en vertragingen bij curriculumaanpassingen. Wijzigingen
moeten vaak dubbel goedgekeurd worden of zijn zelfs conflicterend, wat
innovatie en flexibilisering frustreert en niet meekomt met de snel
veranderende wereld. Is de minister het met mij eens dat harmonisatie
van deze trajecten en/of het integreren van de verantwoordelijkheden
onder één ministerie een oplossing kan zijn om het systeem efficiënter
te maken en beter aan te laten sluiten op de praktijk?
Tot slot, voorzitter. Stel je een toekomst voor waarin elke klas rustig
en gefocust is, met hoge kennisnormen, respect voor de docent en ruimte
om te leren, zonder afleiding of intimidatie. Een school waar leraren
gezag hebben en trots kunnen zijn op hun vak. Een campus waar iedereen,
ongeacht achtergrond of overtuiging, zich veilig en welkom voelt, waar
het debat scherp mag zijn maar nooit intimiderend wordt, en waar kennis
en wetenschap weer centraal staan. Zorgonderwijs dat soepel innoveert en
responsief is, zonder bureaucratische obstakels, zodat we mensen goed
kunnen opleiden en zij flexibel inzetbaar zijn. Zou dat niet de beste
voedingsbodem zijn voor goed onderwijs?
Hora est.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit eerste deel
van de behandeling van de begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Morgen gaan wij weer verder vanaf 14.30 uur. Ik bedank de leden en ook
de bewindspersonen in vak K voor hun aanwezigheid
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors tot 16.30 uur.
De vergadering wordt van 15.46 uur tot 16.35 uur geschorst.