Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Brief commissie
Nummer: 2026D07025, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-13 09:33, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: Y.C. Kling, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36836 -9 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen .
Onderdeel van zaak 2025Z18975:
- Indiener: E. van Marum, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Medeindiener: S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei
- Medeindiener: F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
- Volgcommissie: vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Onderdeel van zaak 2026Z03153:
- Indiener: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- Medeindiener: Y.C. Kling, griffier
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- : Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (36836) (Plenair debat (wetgeving)), TK
- 2025-11-12 13:50: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2025-11-27 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2025-12-04 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2025-12-11 14:00: Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (TK 36836) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-12 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-02-12 11:00: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
- 2026-02-12 14:20: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-05 11:30: Procedurevergadering Binnenlandse Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Binnenlandse Zaken
Preview document (🔗 origineel)
36 836 Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen
Nr. 9 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 12 februari 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
(hierna: de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar
procedurevergadering van 4 december 2025 besloten, gelet op het dictum
en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een
adviestraject te starten voor het wetsvoorstel Wijziging van de
Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering
van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de
parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (36836). De
vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is
hierover geïnformeerd met een brief van 4 december 2025
(2025D50031).
Inhoud wetsvoorstel
In 2023 concludeerde de parlementaire enquêtecommissie Groningen in het
rapport Groningers boven gas dat de belangen van de inwoners
onvoldoende zijn meegenomen bij de aardgaswinning en dat Nederland een
ereschuld heeft opgebouwd aan de mensen in Groningen en Noord-Drenthe.
In de kabinetsreactie op de enquête (Nij Begun) zijn daarom
verschillende maatregelen aangekondigd. Het wetsvoorstel bevat een
uitwerking van een aantal van deze maatregelen. Een belangrijk
achterliggend doel is dat de regering hiermee het vertrouwen van de
inwoners van Groningen en Noord-Drenthe in de overheid wil
herstellen.
In dit advies staat de tijdelijke commissie stil bij drie
grondrechtelijke en constitutionele aspecten van het wetsvoorstel. Ten
eerste gaat het om het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de
voorgestelde regeling voor “daadwerkelijk schadeherstel”. Ten tweede
gaat het om de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens bij de
uitvoering van het wetsvoorstel. Ten derde gaat het om het
grondwettelijke budgetrecht van de Kamer en het voorstel voor het
toekennen van financiële middelen.
Daadwerkelijk schadeherstel en het gelijkheidsbeginsel
Het wetsvoorstel codificeert de optie voor gedupeerden van
mijnbouwschade om te kiezen voor “daadwerkelijk schadeherstel”.1 Daadwerkelijk schadeherstel betekent
dat er bij schade die naar haar aard redelijkerwijs veroorzaakt zou
kunnen zijn door gaswinning of opslag (“veronderstelde schade”2), geen verder deskundigenonderzoek
wordt gedaan naar de oorzaak van deze schade
(“causaliteitsonderzoek”).3 Gedupeerden kunnen de
vastgestelde schade tot een maximumbedrag van € 60.000 in natura laten
herstellen. De regering heeft voor dit maximumbedrag gekozen nadat de
Kamer hierom per motie heeft verzocht.4 De
Raad van State merkt op dat de nieuwe regeling kan leiden tot ongelijke
uitkomsten, waarbij er verschillen kunnen ontstaan die vanuit het
perspectief van de burger moeilijk te accepteren zijn. Mede vanwege dit
risico adviseert de Raad van State om te kiezen voor een ander
instrument, zoals een subsidieregeling.5
De Raad van State noemt een aantal voorbeelden van het risico op
ongelijke uitkomsten. Zo kan er een verschil ontstaan tussen gedupeerden
in het zogeheten kerngebied waar zich mijnbouwschade voordoet en
gedupeerden in het gebied in een ring van zes kilometer daarbuiten. In
de nieuwe regeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen beide gebieden,
maar gedupeerden in het kerngebied lopen volgens de Raad van State een
grotere kans op schade die hoger is dan het voorgestelde maximumbedrag.
Bij gedupeerden in het gebied daaromheen is die kans kleiner of afwezig.
Voor deze laatste groep geldt hierdoor dat de kans op volledig herstel
van schade op basis van de nieuwe regeling groter is dan het geval is
voor gedupeerden in het kerngebied. Daarnaast wijst de Raad van State op
de groep gedupeerden van wie een verzoek om schadevergoeding eerder is
afgewezen door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG), op basis
van de toen geldende regelgeving. Deze groep kan zich benadeeld voelen
als blijkt dat de nieuwe manier van werken wel zou hebben geleid tot een
vergoeding of herstel.
De tijdelijke commissie merkt op dat het advies van de Raad van State
over ongelijke uitkomsten kan worden gelezen in het licht van het
gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel ligt onder meer besloten in
artikel 1 van de Grondwet en betekent in de kern dat gelijke gevallen
gelijk moeten worden behandeld.6 Andersom geldt dat
ongelijke gevallen – afhankelijk van de mate van hun ongelijkheid –
juist verschillend moeten worden behandeld. In de praktijk kan er
discussie bestaan over de vraag of gevallen daadwerkelijk gelijk zijn.
Zo kunnen opvattingen hierover met de tijd veranderen, bijvoorbeeld door
maatschappelijke ontwikkelingen.7 Ook kunnen er objectieve
en redelijke rechtvaardigingsgronden zijn om gelijke gevallen tóch
anders te behandelen. Dit moet dan zorgvuldig worden gemotiveerd. De
wetgever heeft een belangrijke rol om ervoor te zorgen dat het
gelijkheidsbeginsel in acht wordt genomen bij de totstandkoming van
wetgeving.8 De tijdelijke commissie merkt op dat
uit het gelijkheidsbeginsel niet volgt dat er nooit verschillen mogen
zijn. Het bestaan van verschillende belastingschijven is hiervan een
bekend voorbeeld. In dit verband is de tijdelijke commissie zich ervan
bewust dat het inherent is aan de invoering van nieuwe regelgeving dat
er nieuwe afbakeningsvraagstukken en verschillen ontstaan.
In reactie op het advies van de Raad van State legt de regering uit dat
zij ervoor kiest om vast te houden aan het voornemen om de regeling voor
daadwerkelijk herstel in te voeren. De regering benadrukt dat de nieuwe
regeling juist is bedoeld om onderlinge verschillen terug te dringen en
daarmee te zorgen voor minder sociale ongelijkheid. Bij daadwerkelijk
herstel is het resultaat volgens de regering juist voor iedereen
hetzelfde: een herstelde woning.9 Hiermee beoogt de
regering aan te sluiten bij het advies van de commissie Van Geel, die is
gevraagd een advies uit te brengen over het oplossen van onaanvaardbare
verschillen in het aardbevingsgebied.10
De regering merkt daarbij op dat het helaas onoverkomelijk is dat nieuwe
maatregelen tot nieuwe verschillen leiden. Wel heeft de regering ernaar
gestreefd (de kans op) deze verschillen te beperken.
Zo is het een bewuste keuze van de regering om dezelfde regels toe te
passen in zowel het kerngebied als het gebied daaromheen. Op die manier
wil de regering nieuwe afbakeningsvraagstukken en verschillen voorkomen.
De regering benadrukt dat de schade van de meeste gedupeerden – in zowel
het kerngebied als in de ring daaromheen – minder bedraagt dan het
maximumbedrag van € 60.000. Dat betekent dat de meeste gedupeerden
kunnen worden geholpen op basis van de nieuwe regeling, waarbij een
inschatting wordt gegeven van 98%.11 Gedupeerden met een
hoger schadebedrag kunnen een beroep doen op een andere (bestaande)
regeling: de maatwerkbeoordeling. Hierbij wordt er – in tegenstelling
tot bij de nieuwe regeling – wel een causaliteitsonderzoek uitgevoerd
naar de oorzaak van de schade. Dit verschil acht de regering bij hogere
schadebedragen gerechtvaardigd.12
Wat betreft de gedupeerden waarvan de schade op basis van eerdere
regelgeving is afgehandeld, geeft de regering aan dat het niet mogelijk
is om de nieuwe regeling met terugwerkende kracht toe te passen.13 In eerdere brieven aan de Kamer
heeft de regering uiteengezet dat dit feitelijk onuitvoerbaar wordt
geacht.14 Wel kunnen gedupeerden die eerder
een schadevergoeding van minder dan € 10.000 ontvingen, dit bedrag
aanvullen tot een vaste vergoeding van € 10.000. Ook heeft het IMG vanaf
2023 alle gedupeerden met een lopende aanvraag de mogelijkheid geboden
om hun aanvraag te pauzeren in afwachting van de nieuwe
schade-afhandelingsmaatregelen.15 Hierdoor kunnen deze
gedupeerden er straks voor kiezen hun aanvraag op basis van de nieuwe
regels te laten afhandelen. De regering merkt op dat deze maatregelen
helaas niet voor alle gedupeerden een passende oplossing bieden en
erkent dat dit tot gevoelens van onrechtvaardigheid kan leiden. Hoewel
het volgens de regering niet mogelijk is om alle verschillen weg te
nemen, heeft de regering (eerder) aangegeven er in ieder geval voor te
willen zorgen dat schrijnende situaties via maatwerk worden opgelost.16
De tijdelijke commissie constateert dat de regering in het nader rapport
en de memorie van toelichting inzicht geeft in de verschillende
maatregelen – en achterliggende overwegingen - om ongelijke uitkomsten
te beperken of voorkomen. Ook in verschillende Kamerbrieven en debatten
is hieraan aandacht besteed.17 Wat betreft het risico
op ongelijke uitkomsten tussen gedupeerden in het kerngebied – die een
grotere kans lopen op schade die het maximumbedrag overstijgt – en
gedupeerden in het gebied daaromheen, merkt de tijdelijke commissie op
dat de regering hierop beknopt reflecteert. De regering merkt op dat de
Kamer via een motie heeft verzocht om het maximumbedrag van € 60.000 en
wijst erop dat dit bedrag voor het overgrote deel van de gedupeerden -
in beide gebieden - waarschijnlijk toereikend is om alle schade te
herstellen.
De tijdelijke commissie is zich ervan bewust dat het inherent is aan het
opstellen van nieuwe regelgeving dat er nieuwe afbakeningsvraagstukken
en verschillen ontstaan. Het is de verantwoordelijkheid van de wetgever
om in dergelijke situaties inzicht te geven in de manier waarop de
verschillende belangen zijn afgewogen en zorgvuldig te motiveren welke
keuzes er zijn gemaakt. In dit kader zou de regering meer inzicht kunnen
geven in de redenen waarom dit specifieke18
maximumbedrag concreet gerechtvaardigd wordt geacht voor gedupeerden
zowel binnen als buiten het kerngebied. Ook zou de
regering, in het licht van het gelijkheidsbeginsel, meer inzicht kunnen
geven in de wijze waarop de belangen van gedupeerden met meer schade dan
het gekozen maximumbedrag - een groep van naar schatting ongeveer 2% van
het totaal aantal gedupeerden, veelal woonachtig in het kerngebied – in
deze afweging zijn meegewogen.
De tijdelijke commissie geeft de leden in overweging de regering
te vragen om – in het licht van het gelijkheidsbeginsel - nader te
motiveren op welke wijze de belangen van gedupeerden die een grotere
kans lopen op schade boven het voorgestelde maximumbedrag zijn
meegewogen in de keuze voor dat specifieke maximumbedrag.
Wat betreft het risico op ongelijke uitkomsten voor gedupeerden van wie
de schade in het verleden op basis van andere voorwaarden is
afgehandeld, constateert de tijdelijke commissie dat de regering dit
risico met een aantal maatregelen (alleen) gedeeltelijk ondervangt. De
regering erkent dat de voorgestelde maatregelen niet voor alle
gedupeerden een oplossing bieden, maar geeft aan het feitelijk
onuitvoerbaar te achten om de nieuwe regeling voor daadwerkelijk herstel
in algemene zin met terugwerkende kracht toe te passen. De regering
geeft aan er in ieder geval voor te willen zorgen dat schrijnende
situaties via maatwerk worden opgelost.19
De tijdelijke commissie wijst erop dat ook de commissie Van Geel
aandacht heeft besteed aan de vraag of er terugwerkende kracht zou
moeten worden verleend aan nieuwe schade-afhandelingsregelingen. Volgens
de commissie zou het voor bewoners niet moeten uitmaken wanneer, door
welke instantie of door welke deskundige hun schadeclaim in behandeling
is genomen.20 Dit betekent volgens de commissie
“dat met betrekking tot oude, nieuwe en toekomstige schades de
mogelijkheid moet bestaan dat de schade op dezelfde wijze behandeld
wordt en wel onder de nieuwe voorwaarden”.21
De tijdelijke commissie attendeert de leden erop dat het
invoeren van de nieuwe regeling voor daadwerkelijk herstel – naast het
helpen van gedupeerden – kan leiden tot ongelijke uitkomsten ten aanzien
van (andere) gedupeerden van wie de schade eerder is afgehandeld op
basis van andere voorwaarden. De tijdelijke commissie adviseert om dit
mee te wegen bij de behandeling van het wetsvoorstel.
De verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens
Om in de praktijk uitvoering te geven aan het wetsvoorstel, zullen er
persoonsgegevens worden verwerkt. In sommige gevallen gaat het daarbij
om de bijzondere persoonsgegevens, zoals gegevens over de gezondheid. De
bescherming van persoonsgegevens is een fundamenteel recht dat is
opgenomen in onder meer artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Uit de Grondwet volgt
dat er voor de verwerking van persoonsgegevens een grondslag moet zijn
in een formele wet. Ook mogen persoonsgegevens alleen worden verwerkt
voor een legitiem doel en wanneer dit noodzakelijk en evenredig is. Voor
bijzondere persoonsgegevens geldt aanvullende bescherming: deze gegevens
mogen in beginsel niet worden verwerkt, tenzij hiervoor bijvoorbeeld
zwaarwegende redenen bestaan en er wordt voorzien in (aanvullende)
passende waarborgen.22
De Raad van State maakt een drietal opmerkingen over de verwerking van
persoonsgegevens op basis van het wetsvoorstel. Ten eerste merkt de Raad
van State op dat er bij de uitvoering van de zogenaamde
knelpuntenregeling wel voorwaarden worden gesteld aan de verwerking van
persoonsgegevens door het IMG, de minister en de betrokken colleges van
burgemeester en wethouders, maar niet aan de verwerking van
persoonsgegevens door gedeputeerde staten. De Raad van State adviseert
om hierop in de toelichting in te gaan en het wetsvoorstel zo nodig aan
te passen. De tijdelijke commissie merkt op dat de regering in reactie
op dit advies heeft verduidelijkt dat gedeputeerde staten op basis van
dit wetsartikel geen persoonsgegevens kunnen verwerken.
Ten tweede merkt de Raad van State op dat het wetsvoorstel een
delegatiebepaling bevat op basis waarvan de minister regels moet
vaststellen over de verstrekking van persoonsgegevens – waaronder ook
gegevens over de gezondheid – door verschillende partijen aan het IMG.
Het IMG gebruikt deze persoonsgegevens voor de uitvoering van haar
wettelijke “knelpuntentaak” om mijnbouwschade af te handelen. De Raad
van State wijst erop dat er passende waarborgen moeten worden getroffen
om de rechten van de desbetreffende burgers om wiens
(gezondheids)gegevens het gaat, te beschermen. Het gaat dan bijvoorbeeld
om het beperken van de toegang tot deze gegevens en om het vaststellen
van bewaartermijnen. Dergelijke waarborgen ontbreken nog en de Raad van
State adviseert om hierin te voorzien. Met het oog op artikel 10 van de
Grondwet adviseert de Raad van State om deze waarborgen in ieder geval
op hoofdlijnen in de wet vast te leggen en de verdere uitwerking ervan
in lagere regelgeving te doen. De tijdelijke commissie merkt op dat de
regering het wetsvoorstel heeft aangepast naar aanleiding van het tweede
advies. Concreet is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat de minister
regels moet stellen over een bewaartermijn, het beperken van toegang tot
de persoonsgegevens en het loggen van de verkregen toegang. De verdere
uitwerking vindt plaats in lagere regelgeving.
Ten derde merkt de Raad van State op dat verschillende instanties –
zoals gemeenten, het CBS, het CPB, het SCP en maatschappelijke
organisaties – op basis van het wetsvoorstel desgevraagd of uit eigen
beweging persoonsgegevens kunnen verstrekken aan de minister voor het
opstellen van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe. De Staat van
Groningen en Noord-Drenthe is een openbare rapportage die (in opdracht)
wordt uitgevoerd door een externe onderzoekspartij. De Raad van State
wijst erop dat het onder meer om contactgegevens van burgers kan gaan.
Vanwege het belang van een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens
adviseert de Raad van State om in het wetsvoorstel een onderscheid te
maken tussen contactgegevens en overige (geaggregeerde) gegevens, en om
te bepalen dat persoonsgegevens niet herleidbaar in de Staat van
Groningen en Noord-Drenthe worden opgenomen. Ook adviseert te Raad van
State om te expliciteren aan welke regels de onderzoekspartij zich moet
houden – zoals een bewaartermijn en vertrouwelijke omgang - om een
zorgvuldige omgang met persoonsgegevens te waarborgen.
In reactie op dit derde advies heeft de regering de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel aangevuld. Wat betreft de zorgvuldige
omgang met persoonsgegevens door onderzoekspartijen die de Staat van
Groningen en Noord-Drenthe opstellen, heeft de regering verduidelijkt
dat hiervoor steeds een verwerkersovereenkomst zal worden afgesloten. In
deze overeenkomsten worden afspraken vastgelegd over de zorgvuldige
omgang met persoonsgegevens.23 Daarnaast heeft de
regering in de toelichting opgenomen dat er in het openbare rapport over
de Staat van Groningen geen herleidbare persoonsgegevens zichtbaar
zullen zijn. De tijdelijke commissie merkt op dat de regering hiermee
gedeeltelijk opvolging geeft aan het advies van de Raad van State. In de
toelichting is weliswaar verduidelijkt dat er in het openbare rapport
van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe geen herleidbare
persoonsgegevens zichtbaar zullen zijn, maar de regering kiest er niet
voor om dit ook in de wettekst op te nemen, zoals de Raad van State
adviseerde.
De tijdelijke commissie wijst de leden erop dat de wettekst
ruimte biedt voor het opnemen van tot personen herleidbare gegevens in
de openbare Staat van Groningen en Noord-Drenthe en geeft de leden in
overweging om dit in de wettekst aan te (laten) passen.
Het parlementaire budgetrecht en het toedelen van financiële
middelen
Uit artikel 105 van de Grondwet volgt dat de regering jaarlijks een
begroting aan het parlement dient voor te leggen. De mogelijkheid om de
begroting goed- dan wel af te keuren, is voor het parlement een
belangrijk instrument om invloed uit te oefenen op het regeringsbeleid.
De Tweede Kamer heeft hierbij via het recht van amendement ook de
mogelijkheid om aanpassingen door te voeren in de voorgestelde
begroting.
In het wetsvoorstel is een artikel opgenomen waaruit volgt dat er tot
2055 een bedrag op de begroting zal worden opgenomen voor de bekostiging
van de generatielange betrokkenheid bij Groningen en Noord-Drenthe.
Volgens de Raad van State wil de regering hiermee bereiken dat de
wetgever - de regering en het parlement – zich vastlegt op een
budgettaire verplichting voor de komende 30 jaar. Dit staat volgens de
Raad van State op gespannen voet met het parlementaire budgetrecht. De
Raad van State adviseert om dit onderdeel van het wetsvoorstel te
schrappen en in plaats daarvan te kijken naar andere manieren om
meerjarig budget te reserveren. Dit zou kunnen door gebruik te maken van
meerjarenramingen, waarvoor geen wetsartikel in het wetsvoorstel nodig
is.
In reactie op het advies van de Raad van State zet de regering uiteen
dat uit het wetsvoorstel volgt dat de regering – en dus niet de
wetgever – op de voorgestelde begroting een bedrag dient op te
nemen. Het parlement kan vervolgens besluiten of zij hiermee instemt of
niet. Het budgetrecht is volgens de regering daarom onverkort van
toepassing en dit heeft de regering verduidelijkt in de wettekst.24
De tijdelijke commissie constateert dat de regering naar
aanleiding van het advies van de Raad van State in het wetsvoorstel en
de toelichting heeft verduidelijkt dat het grondwettelijke budgetrecht
van de Kamer onverkort van toepassing is.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere
behandeling van het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en
Constitutionele toetsing,
Bushoff25
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele
toetsing,
Kling
Vooruitlopend op het wetsvoorstel heeft de (toenmalige) staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat het IMG al de opdracht gegeven te werken met de optie van daadwerkelijk schadeherstel. Deze regeling is in het najaar van 2024 opengesteld. Uit het jaarverslag van het IMG van 2024 blijkt dat er op dat moment inmiddels 100 aanvragers voor daadwerkelijk schadeherstel waren.↩︎
De regering noemt in de toelichting een aantal voorbeelden van schade die niet gelden als veronderstelde schade, zoals rook- of brandschade, of schade buiten het effectgebied. Zie: Kamerstukken II 2025/25, 36836, nr. 3, p. 20.↩︎
Hierbij gaat het om gaswinning uit het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk.↩︎
Kamerstukken II, 2022/23, 35561, nr. 43 (Motie Vedder en Boulakjar). Eerder kondigde het kabinet een grensbedrag van € 40.000 aan.↩︎
De Raad van State wijst ook op een aantal andere aandachtspunten ten aanzien van de voorgestelde regeling voor daadwerkelijk herstel die niet van grondrechtelijke of constitutionele aard zijn. Zo vraagt de Raad van State zich af of het - op basis van de beschikbare (tevredenheid)cijfers - daadwerkelijk nodig is om een nieuwe regeling te introduceren. Daarmee in samenhang wordt opgemerkt dat het grootste deel van de gedupeerden inmiddels al geholpen is, wat de vraag oproept of een nieuwe regeling in dit stadium nog nodig is. Ook wijst de Raad van State erop dat de voorgestelde regeling fundamenteel afwijkt van het aansprakelijkheidsrecht. Daarnaast wordt gewezen op het risico dat de regeling zal leiden tot meer en hogere kosten en het risico dat deze kosten niet kunnen worden verhaald op de NAM. Tot slot wijst de Raad van State erop dat de regeling kan leiden tot langere doorlooptijden.↩︎
Het gelijkheidsbeginsel ligt o.a. ook besloten in artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde protocol bij het EVRM, alsmede in artikel 20, 21 en 23 van het Handvest van de Grondrechten van de EU.↩︎
D.E. Bunschoten, Tekst en commentaar Grondwet en Statuut, commentaar op artikel 1 van de Grondwet.↩︎
Idem.↩︎
Kamerstukken II 2025/25, 36836, nr. 3, p. 19.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 33529, nr. 1195, Rapport commissie verschillen (Commissie van Geel), “Veilig, schadevrij en verduurzaamd”, 13 oktober 2023.↩︎
Uit de cijfers van het IMG (jaarverslag 2024) blijkt dat de gemiddelde reeds uitgekeerde schadevergoeding bij de maatwerkbeoordeling € 15.907 bedraagt en dat 98% van de reeds uitgekeerde schadevergoedingen minder dan € 60.000 bedraagt. Zie tevens Kamerstukken II 2025/26, 36836, nr. 4 en Kamerstukken II, 2024/25, 35561, nr. 67.↩︎
In een eerdere brief aan de Kamer geeft de regering aan dat de kans groot is dat er bij schades boven de 60.000 ook andere zaken een rol spelen in de hoge herstelkosten. Volgens de regering komt hogere schade relatief vaker voor bij agrariërs, mkb’ers en bij erfgoed. Kamerstukken II 2024/25, 35561, nr. 67.↩︎
Zie in dit kader ook de reactie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen bij advies “Veilig, schadevrij en verduurzaamd”, d.d. 15 januari 2024, waarin het IMG aangeeft dat het in algemene zin toekennen van terugwerkende kracht aan nieuwe regelingen niet uitvoerbaar is. Zie: bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, 33529, nr. 1227.↩︎
Zo wijst de regering erop dat dit zou betekenen dat het IMG circa 200.000 besluiten zou moeten herzien. De regering geeft aan dat dit in letterlijke zin niet uitvoerbaar lijkt, omdat het IMG hierdoor overbelast zou raken. Ook geeft de regering aan dat voor veel van deze dossiers de benodigde informatie niet (meer) beschikbaar is, schade inmiddels (al dan niet op eigen kosten) is hersteld of panden van eigenaar zijn gewisseld. Kamerstukken II 2022/23, 35 561, nr. 49 en Kamerstukken II 2023/24, 33 529, nr. 1209.↩︎
Volgens de regering hebben 12.500 aanvragers van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 33529, nrs. 1338 en 1346.↩︎
In dit kader heeft de tijdelijke commissie ook kennisgenomen van de Nota van Wijziging van 30 januari 2026, waarin de regering aanvullende maatregelen voorstelt voor het aanpakken van onaanvaardbaar geachte verschillen die die als gevolg van de versterkingsoperatie zijn ontstaan. Zie: Kamerstukken II 2025/26, 36836, nr. 8.↩︎
Zie in dit kader ook de bijdragen in de internetconsultatie van de gemeente Groningen, de gemeente Het Hogeland, de gemeente Midden-Groningen, de Gemeente Pekela, de gemeente Tynaarlo en het Waterschap Noorderzijlvest.↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 33529, nrs. 1338 en 1346.↩︎
Kamerstukken II 2023/24, 33529, nr. 1195, Rapport commissie verschillen (Commissie van Geel), “Veilig, schadevrij en verduurzaamd”, 13 oktober 2023, p. 29.↩︎
Idem.↩︎
Dit volgt uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zie in dit kader o.a. artikel 9 AVG.↩︎
Zie in dit kader artikel 28 van de AVG.↩︎
Dit doet de regering door te verwijzen naar artikel 2.3 van de Comptabiliteitswet, waarin de goedkeuring van de begroting door het parlement nader is uitgewerkt.↩︎
Het lid Bushoff is niet inhoudelijk betrokken geweest bij de totstandkoming van dit advies maar fungeerde slechts als voorzitter.↩︎