Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bio-industrie
Voorstel van wet van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bio-industrie
Brief commissie
Nummer: 2026D07158, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-13 09:32, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: Y.C. Kling, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36562 -11 Voorstel van wet van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bio-industrie.
Onderdeel van zaak 2026Z03221:
- Indiener: T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- Medeindiener: Y.C. Kling, griffier
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- 2026-02-12 09:30: Procedurevergadering tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (Procedurevergadering), tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
- 2026-03-04 11:15: Procedurevergadering Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (Procedurevergadering), vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
36 562 Voorstel van wet van het lid Ouwehand tot wijziging van de Wet dieren en de Wet op de economische delicten in verband met de afschaffing van de bio-industrie
Nr. 11 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 12 februari 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing
(hierna: de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar
procedurevergadering van 4 december 2025 besloten, gelet op het dictum
en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een
adviestraject te starten voor het wetsvoorstel van het lid Ouwehand tot
wijziging van de Wet dieren in verband met de afschaffing van de
bio-industrie (36562). De vaste commissie voor Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur is hierover geïnformeerd met een brief van 4
december 2025 (2025Z21169).
Inhoud wetsvoorstel
Het initiatiefwetsvoorstel beoogt te waarborgen dat een dierwaardige
veehouderij in 2040 gerealiseerd wordt en regelt daarvoor twee dingen.
Allereerst wordt in de Wet dieren per diersoort of diercategorie
vastgelegd welke gedragsbehoeften dieren in elk geval niet meer mogen
worden onthouden. Het tweede onderdeel houdt een aanscherping in:
lichamelijke ingrepen bij dieren mogen niet meer worden verricht om hen
te kunnen houden binnen een bepaald systeem of huisvesting, indien
daarvoor geen diergeneeskundige noodzaak bestaat. Als deze ingrepen niet
meer zijn toegestaan, zullen veehouders de leefomgeving van dieren
moeten aanpassen door bijvoorbeeld minder dieren te gaan houden, de
stallen te verbouwen of deze anders in te richten.
De initiatiefnemer merkt op dat de recente wijziging van de Wet dieren
geen garantie biedt dat dieren in 2040 op een dierwaardige wijze binnen
de veehouderij gehouden worden. Zij verwacht dat bij het vaststellen van
de amvb’s op basis van die wetswijziging, waarbij stapsgewijs nieuwe
regels in werking treden om te komen tot een dierwaardige veehouderij,
de belangen van veehouders zwaarder zullen wegen dan de belangen van
dieren. De initiatiefnemer wil een betere wettelijke borging dat de
dierwaardige veehouderij in 2040 gerealiseerd wordt en heeft daarom dit
initiatiefvoorstel ingediend.
De initiatiefnemer wil het initiatiefvoorstel in werking laten treden op
1 juli 2026.1 Met deze korte termijn wil de
initiatiefnemer voorkomen dat er nog investeringen worden gedaan in
stalsystemen die niet toekomstbestendig zijn. Voor het eerste onderdeel
van het initiatiefvoorstel - welke gedragsbehoeften dieren niet meer
mogen worden onthouden - wordt een uitzondering gemaakt. Voor bestaande
stallen en dierenverblijven kan in een amvb een redelijke
overgangstermijn worden bepaald, die uiterlijk tot 1 januari 2040 loopt.
In het wetsvoorstel zoals voorgelegd aan de Raad van State zou het
tweede onderdeel van het initiatiefvoorstel – het aangescherpte verbod
op lichamelijke ingrepen - zonder overgangstermijn in werking
treden.
Inmenging in het recht op eigendom en de vrijheid van
ondernemerschap
Met het initiatiefvoorstel wordt het eigendom van bedrijven gereguleerd.
Het recht op eigendom wordt onder meer beschermd in artikel 1
van het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 van de Grondwet.
Regulering van eigendom is toegestaan als daarmee het algemeen belang,
waaronder de bescherming van dieren, is gediend. Wel moet er een
belangenafweging plaatsvinden, waaruit blijkt dat de maatregelen
proportioneel zijn aan dat doel en lichtere middelen niet volstaan.
Wanneer een onevenredig zware last wordt neergelegd bij het individu (of
in dit geval, bedrijf), kan de overheid verplicht zijn om hierin
tegemoet te komen. Hierbij kan worden betrokken hoeveel tijd iemand
heeft om zich aan de nieuwe regels aan te passen. De mate waarin het
initiatiefvoorstel in een redelijke overgangstermijn voorziet, is dus
een belangrijk element bij de toetsing aan het recht op eigendom.
Om die reden adviseert de Raad van State een redelijke overgangstermijn
voor het verbod op lichamelijke ingrepen. Ook adviseert de Raad van
State om in de toelichting in te gaan op de evenredigheid van de
aanscherping van dit verbod. Zo wordt in de toelichting volgens de Raad
van State niet voldoende stilgestaan bij de (financiële) gevolgen voor
de bedrijfsvoering van veehouders, bijvoorbeeld als het gaat om
afschrijftermijnen en investeringsritmes. Het ontbreken van een
redelijke overgangstermijn leidt ertoe dat een onevenredig zware last
bij veehouders en andere bedrijven wordt neergelegd, aldus de Raad van
State. Het is daarom nodig dat er alsnog een overgangstermijn wordt
ingevoerd, ook met het oog op eventuele aansprakelijkheid van de
overheid.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van State heeft de
initiatiefnemer, op basis van ingewonnen advies, een latere
inwerkingtredingsdatum voor het verbod op lichamelijke ingrepen in het
initiatiefvoorstel opgenomen van 1 januari 2030. De initiatiefnemer
volstaat daarbij met de constatering dat het volgens de Raad van State
nodig is om een overgangstermijn in te voeren voor het verbod op
lichamelijke ingrepen in de veehouderij, ook om te voorkomen dat de
overheid aansprakelijk wordt gesteld.
Het wetsvoorstel raakt, gezien de gevolgen voor de bedrijfsvoering van
veehouders mogelijk ook aan de vrijheid van ondernemerschap,
zoals gewaarborgd in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van
de Europese Unie. Om die reden adviseert de Raad van State in de
toelichting de toetsing aan het Handvest overtuigend te motiveren. Een
beperking van de vrijheid van ondernemerschap kan worden gerechtvaardigd
als sprake is van: een legitiem doel, de maatregel evenredig is met (en
ook noodzakelijk is gezien) het beoogde belang, en de wezenlijke inhoud
van het grondrecht wordt eerbiedigd. Ook dit onderstreept volgens de
Raad van State het belang van een redelijke overgangstermijn.
In reactie op het advies van de Raad van State over de vrijheid van
ondernemerschap, geeft de initiatiefnemer aan in paragraaf 5.2 van de
memorie van toelichting te hebben voorzien in een nadere toetsing aan
het Handvest. De initiatiefnemer schrijft in de memorie van toelichting
dat de inperking van de vrijheid van ondernemerschap is te
rechtvaardigen vanuit een legitiem doel, namelijk het bevorderen van
dierenwelzijn. Voor een onderbouwing van de noodzaak wordt verwezen naar
vorige hoofdstukken van de toelichting. De initiatiefnemer stelt, zonder
nadere motivering, dat de gekozen overgangstermijnen voortkomen uit het
doel van de Wet dieren om in 2040 een dierwaardige veehouderij te hebben
bereikt en dat deze proportioneel en evenredig zijn, gezien de impact
voor de betrokkenen en het algemeen belang.
De tijdelijke commissie merkt op dat in reactie op het advies van de
Raad van State niet is onderbouwd waarom is gekozen voor
inwerkingtreding van het aangescherpte verbod op lichamelijke ingrepen
bij dieren per 1 januari 2030 en waarom deze datum zorgt voor een
eerlijke balans tussen de belangen van bijvoorbeeld veehouders en het
belang van het bevorderen van het dierenwelzijn. Dit geldt zowel voor de
beperking van het eigendomsrecht als de vrijheid van ondernemerschap.
Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor een inwerkingtredingstermijn
van twee jaar eerder of vijftien jaar later? Ook ontbreekt een
inschatting van de financiële gevolgen van het verbod voor dierenartsen
of veehouderijen, bijvoorbeeld wat betreft de impact op investeringen en
afschrijvingen. Verder is het onduidelijk of de initiatiefnemer heeft
overwogen om – naast of in plaats van de mogelijkheid van overgangsrecht
of een latere inwerkingtredingsdatum – te voorzien in compensatie voor
de betrokkenen. Ook de verhouding tot het andere onderdeel van het
initiatiefvoorstel over de gedragsbehoeften van dieren, waarvoor wel in
overgangsrecht is voorzien tot uiterlijk 1 januari 2040, is niet
toegelicht. De tijdelijke commissie merkt tot slot op dat de
initiatiefnemer op basis van ingewonnen advies tot inwerkingtreding per
2030 heeft besloten. Wat het advies inhield en welke overwegingen
daarbij zijn gegeven, is niet terug te lezen in de toelichting of het
nader rapport.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om aan de
initiatiefnemer - ten behoeve van de weging van de proportionaliteit van
het aangescherpte verbod op lichamelijke ingrepen bij dieren - te vragen
om een nadere motivering en daarbij in het bijzonder aandacht te vragen
voor de (financiële) gevolgen voor bedrijven.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere
behandeling van het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en
Constitutionele toetsing,
Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele
toetsing,
Kling
In het wetsvoorstel zoals dat is ingediend bij de Raad van State was dit 1 januari 2025. Na advisering door de Raad van State is dit aangepast naar 1 juli 2026.↩︎