Begroting Klimaat en Groene Groei (36800-XXIII) (antwoord 1e termijn + rest) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D07178, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-13 09:44, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-12 10:25: Begroting Klimaat en Groene Groei (36800-XXIII) (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begrotingen Klimaat en Groene Groei 2026 en Klimaatfonds 2026
Begrotingen Klimaat en Groene Groei 2026 en Klimaatfonds 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026 (36800-XXIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds voor het jaar 2026 (36800-M).
(Zie vergadering van 10 februari 2026.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting Klimaat en Groene
Groei. Het betreft het antwoord in de eerste termijn van de zijde van
het kabinet en de voortzetting.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Klimaat en Groene Groei, viceminister-president op vragen, gesteld in
eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik geef haar het woord
voor de beantwoording. Wellicht kan zij ons meenemen in de wijze waarop
zij haar beantwoording heeft gestructureerd.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan zal ik daarmee beginnen in het kader van de orde. Dat ga
ik doen langs vijf lijnen, blokjes of mapjes, of niet echt mapjes, want
ik heb hier één mapje liggen. Het zijn in ieder geval vijf lijnen. Ik
begin met de betaalbaarheid, gevolgd door de verduurzaming van de
industrie, netcongestie, kernenergie en tot slot een aantal overige
vragen.
De voorzitter:
Ik stel de leden voor om interrupties te doen na ieder afgerond blokje.
Ik zie dat daar volmondig mee wordt ingestemd. Het woord is aan de
minister voor haar beantwoording. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Ik zal het aangeven wanneer ik bij het einde van een blokje aanbeland
ben.
De voorzitter:
Hogelijk gewaardeerd, nu al.
Minister Hermans:
Dank, voorzitter. Eind vorige maand was ik in de Eemsdelta. Daar opende
de koning een nieuwe fabriek van CIRCTEC, een mooie toekomstgerichte
onderneming. De fabriek gaat jaarlijks een enorme hoeveelheid oude
autobanden omzetten in nieuwe grondstoffen. Dat levert banen op en een
enorme CO2-besparing. Het zijn dit soort projecten — daar
zijn er echt nog veel meer van — en regio's, zoals de Eemsdelta, die
cruciaal zijn voor onze ambities voor klimaat en groene groei. Bij dit
soort projecten is de afstand tussen Den Haag en Groningen of tussen
Groningen en Den Haag niet relevant — zeg ik via u, voorzitter, tegen
mevrouw Van Oosterhout, die nog niet binnen is. Zij refereerde daaraan
in haar maidenspeech, waarmee ik haar wil feliciteren. Dat waren
prachtige woorden. Want die afstand is niet relevant, zeker als je kijkt
naar de opgave waar we voor staan in de klimaat- en energietransitie. In
het hele land vraagt dat inzet, energie en betrokkenheid. En dat gebeurt
ook: je ziet in het hele land prachtige voorbeelden van innovatie van
ondernemers die een stap vooruitzetten.
Voorzitter. Ik ben het ook eens met mevrouw Van Oosterhout dat die
afstand niet relevant is. Ik ken het zelf van vroeger. Ik heb zelf in
Friesland gewoond. Dan ervaarde ik ook dat vrienden dachten dat het naar
Friesland langer rijden was dan van mij naar hen. Maar het is even ver,
van welke kant je het ook bekijkt. Of beter nog: het is even dichtbij.
Dat moet het ook zijn, als je het aan mij vraagt. Beleid moet dichtbij
zijn. Daarmee bedoel ik: het moet werken. Daarvoor moet je elkaar
spreken en naar elkaar luisteren. Dat geldt altijd, maar zeker voor
activiteiten die we in de ondergrond doen, gaswinning in het bijzonder.
Daarop kom ik later nog uitgebreider terug.
Eerst nog even naar Groningen, naar CIRCTEC. Want bij CIRCTEC zien we
dat de omstandigheden om te kunnen verduurzamen gunstig zijn. Er is op
termijn voldoende toegang tot windenenergie en waterstof, waardoor
belangrijke verduurzamingsstappen nu ook mogelijk zijn. Dat is niet
overal zo, dus we moeten hier vanuit de overheid werk van blijven maken
en die randvoorwaarden op orde blijven brengen, om Nederland sterker,
onafhankelijker en duurzamer te maken.
Daarvoor zijn de komende jaren drie zaken cruciaal. Ten eerste is er
stevig en voorspelbaar beleid voor de lange termijn nodig. Ik kan het
dan ook niet meer eens zijn met wat de heer Jumelet daarover zei in zijn
eerste termijn. Stevig en voorspelbaar beleid is vereist, niet tot 2030
maar tot 2040, zodat investeerders en regio's zekerheid hebben en
plannen kunnen maken. En we moeten uitvoeren wat we met elkaar hebben
afgesproken. Ten tweede moeten we de uitvoering op orde brengen en de
randvoorwaarden verbeteren, zodat we resultaten gaan zien: nieuwe
energie-infrastructuur, voldoende duurzame energie en nieuwe banen. Dit
kan ook niet zonder in regio's op een goede en effectieve manier samen
te werken, zodat we doelen omzetten in concrete projecten. Ten derde is
er blijvende aandacht nodig voor de betaalbaarheid en het
concurrentievermogen, zodat huishoudens en ondernemingen vooruit kunnen
en weten waar ze aan toe zijn.
Voorzitter. Daarmee kom ik bij de vragen die gesteld zijn over
betaalbaarheid. Ik begin met een vraag van de heer Kops. Ik weet niet of
dit een teken is van de dag, maar die liep net even de zaal uit. Ah,
daar is de heer Kops weer! Die vroeg mij wat ik nou ga doen voor
huishoudens en hun energierekening. Ik begrijp goed dat mensen zich
blijvend zorgen maken over de hoogte van de energierekening. Als je de
stijgende gasprijzen ziet op de groothandelsmarkt en de koude periodes
die eraan komen, begrijp ik dat je je afvraagt: wat doet dit en wat
betekent dit voor mijn energierekening? Dit is voor het kabinet dus ook
een blijvend aandachtspunt. Energie moet niet alleen beschikbaar zijn;
ze moet ook betaalbaar zijn en blijven voor iedereen. Niet om dit
vraagstuk te bagatelliseren, maar wel om even de cijfers en de situatie
feitelijk neer te zetten, zeg ik: op dit moment liggen de gastarieven
voor een eenjarig vast contract 11% lager ten opzichte van vorig jaar
januari en 3% lager ten opzichte van afgelopen december.
Maar nogmaals, dat ontslaat ons niet van de plicht hier continu aandacht
voor te hebben en de inzet die dit kabinet op meerdere fronten pleegt
door te blijven zetten, door huishoudens te steunen voor wie de
energierekening een probleem is. Daarvoor heeft dit kabinet de
energiebelasting structureel verlaagd met 100 miljoen euro per jaar
vanaf 2026. Er is hulp en er zijn financiële middelen beschikbaar om
woningen beter te isoleren en het energiegebruik daardoor te
verminderen. Dat is natuurlijk uiteindelijk, op de lange termijn,
structureel de beste manier om de energierekening naar beneden te
brengen. Specifiek voor mensen die hun rekening niet kunnen betalen,
wordt er dit jaar 30 miljoen euro extra uitgekeerd aan gemeenten, die
hiermee huishoudens in energiearmoede aanvullend kunnen ondersteunen.
Tot slot wordt er door de collega's op het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid keihard gewerkt aan de realisatie van het publieke
energiefonds, met als inzet om dat deze winter gereed te hebben.
Voorzitter. We hebben ook een aantal subsidieregelingen waarmee we
mensen helpen en waarmee we de drempel verlagen om een
verduurzamingsmaatregel te nemen. Een daarvan is de Stimuleringsregeling
aardgasvrije huurwoningen. De heer Flach en de heer Klos hebben daar
vragen over gesteld.
De heer Klos vroeg het volgende. Er staat nu geld gereserveerd op de
begroting voor de ISDE-regeling — die is gericht op het subsidiëren van
onder andere warmtepompen — maar zouden we dat geld eigenlijk niet
moeten gebruiken om de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen
nog een impuls te geven? De heer Flach merkte namelijk terecht op dat
het aanvullende budget van 20 miljoen euro dat het kabinet in december
beschikbaar heeft gesteld, heel snel op was; sterker nog, dat was
overtekend. Dit is een hele begrijpelijke vraag, want ik onderschrijf
met de heer Klos en de heer Flach het belang van de opschaling van
collectieve warmte en de essentiële rol die woningcorporaties en andere
verhuurders spelen om dit te ondersteunen. Ik zei al: we zagen de enorme
belangstelling voor die regeling eind vorig jaar. Wellicht hing die
samen met de behandeling van de Wet collectieve warmte in de Eerste
Kamer. Het is goed dat die wet nu eindelijk door beide Kamers behandeld
en aangenomen is. Daarmee staat het fundament voor hoe we dit gaan
organiseren. Nu moeten we het ook voor elkaar krijgen. Daar kan die
regeling aan bijdragen. Ik snap dus heel erg de vraag en het verzoek.
Tegelijk zeg ik: ik zou dit heel graag aan mijn opvolger, of aan een
volgend kabinet over willen laten, omdat dat dan mee kan lopen in de
reguliere besluitvorming die plaatsvindt over de manier waarop je de
middelen uit het Klimaatfonds besteedt, zodat we ook het advies kunnen
afwachten dat TNO en PBL altijd geven op de voorstellen die vanuit de
ministeries worden gedaan voor het besteden van de Klimaatfondsmiddelen
en zodat we dat ook op een zo efficiënt en doelmatig mogelijke manier
doen. Maar nogmaals, ik onderschrijf het belang en ik zie ook dat het
nodig is om die duurzame warmte te blijven aanjagen en stimuleren.
Voorzitter. Nu we het hebben over de gebouwde omgeving, kom ik even bij
een vraag van de heer Jumelet over koeling en de relevantie daarvan.
Daarover deel ik dat het vraagstuk van koeling steeds belangrijker wordt
en dat de koelbehoefte ook toeneemt, bijvoorbeeld omdat we steeds meer
en beter isoleren. Goed inzicht in de precieze koelbehoefte is dus
belangrijk. Halverwege 2025, dus vorig jaar, is door het kabinet de
zogenaamde Hitte aanpak gepresenteerd. In de bouwregelgeving worden op
dit moment ook al eisen en normeringen voor het voorkomen van
oververhitting meegenomen bij nieuwbouw en renovaties. Bij de
energieprestatieberekeningen wordt al expliciet gekeken naar de
koelbehoefte en het risico op oververhitting bij nieuwbouwwoningen. Maar
we zien ook dat we mogelijk nog niet alle antwoorden op dit vraagstuk
hebben. Er loopt op dit moment dus ook een interdepartementaal
beleidsonderzoek, een ibo-onderzoek, naar de energietransitie van de
woningvoorraad richting 2050. Ook daarin wordt de koelbehoefte
betrokken. De relevantie van het onderwerp voor ons energiesysteem en
specifiek voor de gebouwde omgeving deel ik dus. Die zit volgens mij ook
in een aantal stappen die al gezet zijn en in dat onderzoek. Ik zou nu
dus geen aparte visie willen ontwikkelen, zoals de heer Jumelet mij
vroeg. Daarvoor zou ik eerst echt even de resultaten van het onderzoek
willen afwachten. Maar nogmaals, het belang onderschrijf ik.
Voorzitter. In het kader van de betaalbaarheid vroeg de heer Grinwis
specifiek naar de nettarieven. De heer Grinwis, zeg ik via u,
voorzitter, noemde de amortisatie. Hij vroeg ook of er niet gekeken moet
worden naar een kapitaalstorting bij TenneT. Even over de amortisatie en
de langere afschrijvingsperiode als een manier voor TenneT om de grote
investeringen die het gaat doen en die het mag doorberekenen in de
nettarieven, over een langere periode uit te kunnen smeren. Dat is door
het kabinet onderzocht. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook hoge
verwachtingen van had. We hadden met elkaar natuurlijk wel een aantal
voorwaarden gesteld. Een daarvan was als volgt. Je wil niet dat als je
dat instrument zou gaan inzetten, dat er alsnog toe zou leiden dat je
rekeningen doorschuift naar volgende generaties. Aan die voorwaarde kon
helaas niet worden voldaan, zo bleek uit ons onderzoek. Dat is op
Prinsjesdag met de Kamer gedeeld. Vandaar dat deze optie van tafel is
gegaan.
Dan suggereerde de heer Grinwis om te kijken naar een kapitaalstorting
als middel om de nettarieven te verlagen. De vraag daarbij is als volgt.
Als je dat doet, leidt dat niet tot een verlaging van nettarieven. Je
verandert namelijk verder niets aan de financieringsstructuur. De
investeringen die TenneT doet, mag het dus nog steeds doorrekenen in de
nettarieven. Dan kom je bij de variant van een subsidie. Dan zou dat
namelijk wél kunnen. Dat gaat om hoge bedragen; dat hebben we volgens
mij ook in eerdere debatten al wel gewisseld. Het kabinet doet dat
natuurlijk ook, bijvoorbeeld via de IKC, in de richting van bedrijven.
Maar de heer Grinwis vroeg specifiek naar huishoudens, want ook daarvoor
gaan de nettarieven natuurlijk omhoog. Daar zoekt de kabinet het in de
route van de korting op de energiebelasting.
Voorzitter. Ik zei al dat de betaalbaarheid van ongelofelijk groot
belang is. Het zorgt ervoor dat huishoudens, maar natuurlijk ook
ondernemers, kunnen blijven meekomen in deze hele transitie en dat ze de
stappen blijven zetten om te investeren. Want als je de
investeringsruimte ziet, dan ga je kansen en ruimte zien. Dat hebben we
samen nodig om stappen vooruit te blijven zetten.
Voorzitter. Via die route kom ik eigenlijk bij de vragen over de
verduurzaming van de industrie. Dat betekent dus dat ik bij een volgend
blokje ben beland.
De voorzitter:
Maar niet zomaar.
Minister Hermans:
Zeker niet.
De voorzitter:
Eerst hebben we namelijk nog de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, het nadeel van wachten tot het blokje is afgelopen, is dat
ik op twee punten vragen heb. Staat u mij dat toe?
De voorzitter:
Ik sta u dat toe, meneer Flach.
De heer Flach (SGP):
Dank u. Ik begin even bij de aardgasvrije huurwoningen. Die zijn
inderdaad heel cruciaal voor het van de grond krijgen van warmtenetten.
In mijn eigen regio heb ik gezien dat zij echt de drager zijn van
überhaupt de uitrol van zo'n systeem. Dat is dus helder. Ik zou,
luisterend naar het antwoord van de minister, toch willen vragen of ze
met iets warmere aanbeveling zou willen overdragen aan haar opvolger dat
die het schamele beetje geld dat er was, ophoogt. Dat zeg ik zeker ook
omdat we gezien hebben dat er 118 miljoen gewoon naar de algemene
middelen terugging. Met andere woorden, het geld is er. Zet het daarvoor
in, zou mijn oproep zijn.
Minister Hermans:
Als ik heb uitgestraald dat ik de duurzame warmte, of de verdere
ontwikkeling van ons warmtesysteem in Nederland, niet belangrijk vind,
dan wil ik dat bij dezen rechtzetten. Het is namelijk een hele
belangrijke pijler onder ons klimaat- en energiebeleid. Voor die
woningen waarvoor elektrificatie geen optie is, is dit de duurzame
oplossing. Dat vraagt de komende jaren nog een heleboel, maar zeker waar
je nu stappen kan zetten en waar die regeling een duwtje in de rug kan
zijn, vind ik dat belangrijk. Mijn terughoudendheid had betrekking op
het nu, op dit moment in het debat, even herverdelen van die middelen
als demissionair minister op de allerlaatste dag waarop dit kabinet
debat voert. Dit is dus ook mijn laatste debat als minister van Klimaat
en Groene Groei. Maar je moet kijken naar hoe die middelen op dit moment
in het fonds zitten en hoe je ervoor zorgt dat middelen die we overmaken
naar departementen ook besteed worden en niet, zoals de heer Flach
terecht opmerkte, aan het eind van het jaar teruggaan naar de generieke
middelen, dus dat ze echt besteed worden aan waarvoor ze bedoeld zijn.
Dan moet je ook kijken welke regelingen goed werken en naar welke
regelingen veel vraag is. Daar is dit er absoluut een van.
De heer Flach (SGP):
Dat is voldoende op dit punt. Ik ga ervan uit dat de minister dit in
haar overdrachtsgesprek aan de opvolger meegeeft. De andere vraag gaat
over de amortisatie. Ik hoorde iets wat me verbaasde. De minister zei
dat ze dit niet wil doorschuiven naar volgende generaties, maar ik mag
aannemen dat we de nieuwe aanleg die we nu doen, doen voor decennia,
voor 50 jaar, 60 jaar of misschien nog langer. Dat zijn verschillende
generaties. Juist vanuit die redenering is het logisch om de kosten uit
te smeren over de generaties die daar in de toekomst van profiteren. Wat
we nu aan het doen zijn, is louter deze generatie belasten voor iets wat
ook in de toekomst nog gebruikt zal worden.
Minister Hermans:
Dat zijn natuurlijk investeringen die in de komende jaren gedaan worden;
het omvat dus niet allemaal alleen het volgende jaar of het jaar daarna.
Specifiek over die amortisatie: er moet in die variant de komende jaren
ruimte zijn. Zit daar, kijkend naar de ontwikkeling van de
energietarieven, voldoende ruimte in om wat je nu minder in rekening
brengt, straks wat meer in rekening te kunnen brengen? Het moet zich
uiteindelijk immers natuurlijk wel terugbetalen. Toen wij een nadere
analyse maakten van de ontwikkeling van die tarieven in het bestuderen
van die amortisatievariant bleek dat verschil gewoon onvoldoende om te
kunnen zeggen dat de kosten daarmee op een eerlijke manier over een
langere periode worden uitgesmeerd. Daarmee schuif je dus eigenlijk een
onevenredig groot deel door naar de volgende generatie.
De heer Flach (SGP):
Ik denk dat dit vooral een financiële discussie blijft over hoe je
kosten verdeelt over generaties. Misschien is dit ook niet het moment om
dit hier helemaal uit te diepen. Wat de SGP betreft blijft dit echt een
mogelijkheid die we meer zouden moeten benutten. Het is een dermate
grote ingreep in de basisinfrastructuur dat we misschien echt af moeten
van het principe van kostendekkendheid. Er zijn andere mogelijkheden
genoemd om het via algemene middelen te doen. Misschien moeten we daar
dan naar kijken, maar het punt is dat je te veel kapotmaakt als je nu
doorgaat met belasten op basis van kostendekkendheid.
Minister Hermans:
Ik denk dat we allemaal, ook dit kabinet en het volgend kabinet, het
probleem van de oplopende nettarieven zien. Heel specifiek zien we dat
natuurlijk in de concurrentiepositie van onze industrie, omdat de
energiekosten in Europa in vergelijking met de rest van de wereld al
hoger zijn en in Nederland hoger dan binnen Europa. Daar zijn dus al een
aantal stappen op gezet via de IKC, de verlenging en ook de uitbreiding
van de IKC. Die staan in het coalitieakkoord. Daarin staat ook een
envelop klaar om nog aanvullend iets te doen op het punt van die
nettarieven. Dan blijft er de vraag wat dit bij huishoudens betekent
voor de betaalbaarheid. Nu richten we ons specifiek op de route via de
energiebelasting, maar deze discussie is niet klaar; dat ben ik met de
heer Flach eens. Het gaat overigens echt over grote bedragen; daar kom
ik zo bij de netcongestie op terug. We moeten dus alle maatregelen nemen
die mogelijk zijn om die grote investering … Die 195 miljard kan je naar
beneden brengen door een aantal maatregelen te nemen.
De heer Kops (PVV):
De minister zei: de betaalbaarheid van de energierekening is van belang.
Daar sla ik op aan. Ten eerste is dat een beetje een dooddoener en ten
tweede gaat het juist daar mis, want meer dan een half miljoen
huishoudens leven inmiddels in energiearmoede en dat aantal stijgt. De
minister zegt: ja, maar de gasprijzen zijn nu relatief laag. Ja,
"relatief". En als er een bepaald voordeel in die relatief lage
gasprijzen zit, wordt dat door de overheid rigoureus weggenomen, want
het is een feit dat de energierekening dit jaar, in 2026, weer verder
stijgt.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Kops (PVV):
De energiebelasting op gas gaat omhoog. De vermindering van de
energiebelasting, een soort korting, gaat juist omlaag.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Kops (PVV):
De nettarieven gaan omhoog. Dan is de vraag wat de minister doet voor al
die mensen die nu letterlijk in de kou zitten, want het wordt alleen
maar erger.
Minister Hermans:
De heer Kops schetst een aantal ontwikkelingen in de energieprijzen en
de gasprijzen. Ik plaatste de prijzen van een vast contract op dit
moment ten opzichte van vorig jaar even in perspectief. Ik vind het ook
onze taak om die feiten wel af en toe te schetsen om de discussie in
evenwicht te brengen. Nogmaals, de heer Kops schetst een aantal
ontwikkelingen die prijsopdrijvend zijn, zou je kunnen zeggen, maar ik
noemde net ook een aantal dingen die dit kabinet gedaan heeft. Ik denk
dan aan het structureel beschikbaar maken van 100 miljoen om de
energiebelasting te verlagen. 30 miljoen is beschikbaar voor gemeenten
om mensen die echt in directe nood zitten met hun energierekening extra
te ondersteunen. Ik geloof dat dat naar aanleiding van een motie of een
amendement van de heer Grinwis was. En er wordt met man en macht gewerkt
om dat noodfonds, dat energiefonds, op te richten. Dus het is niet zo
dat er niks gebeurt. Er is absoluut aandacht voor.
De heer Kops (PVV):
Dat Noodfonds Energie klinkt misschien heel leuk, maar laten we wel
wezen, het is natuurlijk wel een uiterst middel. Het is natuurlijk een
lapmiddel. Als mensen daar gebruik van moeten maken, zitten ze namelijk
al diep in die energiearmoede. Daar gaat dus iets mis. We moeten
voorkómen dat steeds meer mensen in de energiearmoede zitten. Als we de
begroting lezen, want daar gaat het nu om, zien we gewoon concreet dat
de CO2-heffing voor bedrijven naar nul gaat en dat de
indirecte kostencompensatie omhooggaat. Dat wordt allemaal gedaan voor
bedrijven. Prima, helemaal goed, maar we zien dat er voor die
huishoudens helemaal niks gebeurt. De energiebelasting op gas gaat
omhoog. De netkosten gaan omhoog. Onderaan de streep gaan de mensen dit
jaar, in 2026, meer voor hun energie betalen.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Kops (PVV):
Dat kan toch niet! Wat doet de minister nu concreet om dat tegen te
gaan?
Minister Hermans:
Ik zal de financiële maatregelen die ik net noemde niet herhalen. Ik
vind dat de heer Kops echt geen recht doet aan het belang en de werking
van het energiefonds, het publieke energiefonds. Ik ga er wel één
benadrukken. Dat is de ongelooflijke inzet die er wordt gepleegd door
woningcorporaties en door verhuurders, op heel veel plekken in het land,
om te isoleren, om maatregelen te nemen om woningen energiezuiniger te
maken. Want wat je niet verbruikt, hoef je uiteindelijk ook niet te
betalen. Dat is uiteindelijk op de lange termijn dé maatregel om de
energierekening omlaag te brengen. Daar wordt fors in geïnvesteerd, ook
de komende jaren nog.
De heer Kops (PVV):
Zo'n energiefonds of noodfonds is leuk. Verduurzaming om het
energieverbruik omlaag te krijgen klinkt ook leuk. Het klinkt allemaal
leuk, maar daar hebben de mensen die nu in de energiearmoede zitten
natuurlijk helemaal niks aan. En laten we eerlijk zijn: dat die
energierekening steeds maar weer omhooggaat, is gewoon bewust
overheidsbeleid. Ongeveer de helft van de gasrekening bestaat namelijk
uit belastingen. We zien ook dat Nederlanders op Zweden na het meeste
voor hun gasrekening betalen van heel Europa.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Kops (PVV):
Dat kan toch niet? We zijn als Nederland nota bene een gasland. Althans,
dat waren we. We exporteerden heel veel gas. Nu doen we dat niet meer,
maar we waren altijd een gasland. Dan kan het toch niet zo zijn dat de
mensen in dat gasland bijna het meeste voor hun gas betalen van heel
Europa? Dat kan niet! Het is overheidsbeleid.
Minister Hermans:
Dit kabinet zet langs verschillende lijnen in op betaalbaarheid van de
energierekening. Betekent dat dat daarmee niemand meer een probleem
heeft en dat voor niemand die energierekening meer hoog is? Nee,
absoluut niet. Is dit dus iets wat klaar is? Nee, dat ook niet. Wat
betreft gas hebben we de afgelopen jaren om hele goede en hele terechte
redenen keuzes gemaakt. We importeren inderdaad op dit moment meer. Ik
zal zo meteen nog wat zeggen over wat dat betekent voor onze
onafhankelijkheid. Maar laten we dat alsjeblieft niet vermengen met de
aandacht die er is en moet blijven voor de betaalbaarheid van de
energierekening.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik hoop dat het publieke noodfonds op 1 januari aanstaande echt van
start gaat, met terugwerkende kracht, zoals is beloofd. Hopelijk kan de
minister dat bevestigen. Ik had eigenlijk een andere vraag, namelijk
over de vulgraad. Die gaat over de gasopslagen. De minister zei net een
beetje relativerend: de gasprijs is nu lager dan een jaar geleden. Het
was een beetje van: gaat u maar rustig slapen. Ze zegt dit terwijl de
gasopslagen nog maar voor 17,6% gevuld zijn. Wat vindt de minister van
dat niveau? Is dat niet gewoon veel te laag?
Minister Hermans:
Als ik feiten in een discussie breng om ook even de andere kant te
benoemen, doe ik dat niet om sussend te doen over een vraagstuk waarvan
ik bij herhaling heb gezegd dat ik dat van groot belang vind, namelijk
de betaalbaarheid van de energierekening. Ik ben nota bene mijn antwoord
begonnen met te zeggen dat ik snap dat mensen, als je ziet dat er koude
dagen aankomen en er berichten zijn over fluctuaties in de gasprijs,
denken: zit er nog voldoende in de opslagen en kan ik het nog betalen?
Dus daar doe ik op geen enkele manier lichtzinnig over.
Dan de vulgraad, waar we de afgelopen weken op verschillende momenten,
en terecht ook, debatten over hebben gevoerd. We zien die vulgraad
inderdaad dalen en zien ook dat die op een lager niveau is dan vorig
jaar rond deze tijd. Tegelijkertijd is het ook zo dat de opslagen niet
de enige bron zijn waar wij deze dagen, deze weken, ons gas vandaan
halen. Het zijn opslagen die wij in het winterseizoen gebruiken om te
kunnen voldoen aan de extra vraag als het koud is, maar we hebben ook
nog steeds de import en natuurlijk onze eigen productie. De import van
lng gaat gewoon door. Die schepen blijven komen. Daar is die relatief
lage prijs wel een belangrijke factor in. Die markt blijft zijn werk
gewoon doen.
Tot slot is het volgende nog wel belangrijk om te noemen als het over
het percentage gaat. Dat houd ik natuurlijk dagelijks in de gaten. Mijn
collega's op het ministerie kennen inmiddels mijn eerste vraag in de
ochtend: hoe staat het ervoor? Maar per 1 april van dit jaar houdt het
contract, of de samenwerking, met GasTerra op. Dan past het ook in de
ontwikkeling dat de gasopslagen tot april leeggeproduceerd worden. Dat
neemt niet weg dat we dit in de gaten houden, omdat we het gas wel
gewoon nodig hebben voor de leveringszekerheid. Er moet voldoende gas
beschikbaar zijn om huizen te kunnen verwarmen maar ook om de industrie
te kunnen laten draaien.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Er liggen aangenomen moties om dan wel met een minimale reserve te gaan
werken, dan wel de vulgraaddoelstelling weer op te hogen naar 90%. Ik
hoop dat die dit jaar worden uitgevoerd, zodat we komend jaar toch met
hogere vulgraden zullen zitten in deze fase van de winter dan op dit
moment.
Ik wil een heel ander punt aansnijden, namelijk netcongestie en het
gerucht dat mij bereikte dat TenneT vanmiddag, aansluitend op deze
begrotingsbehandeling, met een bericht naar buiten zal komen dat er
vanaf juni geen kleinverbruikers meer zullen worden aangesloten in de
provincies Gelderland, Utrecht en Flevoland. Dat betekent echt heel veel
voor nieuwbouw en voor verbouw. Het is echt huge.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn vraag aan de minister is: op welke manier staat zij de gemeenten en
de provincies die het betreft terzijde?
Minister Hermans:
Mag ik nog één reactie op het eerste punt van de heer Grinwis geven? Dat
ging over de vulgraad voor komend jaar en de strategische voorraad. Aan
beide kom ik tegemoet. De vulgraad is weer iets opgehoogd voor 1
november. Via wetgeving is geregeld dat we in 2026 voor het eerst een
strategische voorraad kunnen aanleggen. Dat gaan we ook doen. In het
kader van het strategische gasbeleid, waar ik toe ben opgeroepen via de
motie-Grinwis, kijken wij ook wat de omvang van die voorraad moet zijn
naar de toekomst toe. Maar dit jaar doen wij een eerste vulling.
Dan de tweede vraag van de heer Grinwis, over het aanstaande bericht van
TenneT. Ik ben daarover geïnformeerd. Ik ben daar … Ik weet even niet zo
goed welk woord ik daarop moet plakken, maar ik ben er ontstemd over. We
werken al jaren, ook de netbeheerders, ook TenneT, met man en macht om
de drukte op het stroomnet af te vlakken. Ik zou niet willen zeggen
"oplossen", want dat gaat echt nog wel even duren. Het gaat om
afvlakken. Een paar maanden geleden leek het nog voorzichtig de goede
kant op te gaan. Ik zeg echt met nadruk: voorzichtig. Nu komen er
cijfers die echt een veel minder rooskleurig beeld laten zien, met
potentieel grote consequenties voor Flevoland, Gelderland en in
bijzondere mate voor Utrecht. Dus ik heb regelmatig contact met de
provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht, met TenneT en met de
regionale netbeheerders om te kijken wat we in het algemeen doen aan de
netcongestie in deze drie provincies, maar in het bijzonder aan dit
specifieke onderwerp. Als je moet overgaan tot zo'n ingrijpende
maatregel, waar de heer Grinwis ook op doelde, kan dat niet zomaar
zonder hele zorgvuldige afwegingen, berekeningen en een second opinion.
Ik wil precies weten welke maatregelen we nog kunnen nemen voordat we
tot zo'n ingrijpende maatregel komen. Dat kan en mag alleen in goed
overleg met de provincies, TenneT en de netbeheerders. Ik ben hier echt
meer dan ontstemd over.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat delen wij helemaal, want ik vind het echt ongehoord wat daar
gebeurt, temeer als ik hoor dat lokale en regionale bestuurders voor hun
gevoel tegen een muur oplopen bij TenneT. Het is zo formalistisch en
protocollair; het moet via allerlei procedures, maar tegelijkertijd
gebeurt er voor hun gevoel zo weinig. Dat geldt niet alleen voor de
bebouwde omgeving, maar ook voor bedrijven: anderhalve man en een
paardenkop bij TenneT moeten de grootste energie-intensieve bedrijven
zien te bedienen om de druk op het net te verlichten. Ik vind dat best
wel ongehoord. Is er niet heel snel een aanvulling nodig op het
Landelijk Actieprogramma Netcongestie dat de minister heeft gemaakt? Dat
voorziet namelijk niet in deze acute situatie. Hoe ziet de minister dat?
Ik overweeg een motie op dit punt.
Minister Hermans:
Ik herken niet alle beelden die de heer Grinwis schetst, en
tegelijkertijd ook weer wel. TenneT, de regionale netbeheerders en wij
misschien ook wel, hoefden nooit na te denken over de netwerkcapaciteit.
Die was er gewoon. Als je een nieuwe of een grotere aansluiting wilde,
was die er. Ineens is het een van de grootste vraagstukken — misschien
is het wel het grootste — in onze energievoorziening op dit moment. Dat
vraagt een hele andere manier van werken en benaderen. Daar kunnen we
allemaal nog stappen in zetten, denk ik, ook wij vanuit de
Rijksoverheid. Al pratende probeer ik me te herinneren … O ja, de heer
Grinwis overweegt een motie voor extra actie. We hebben natuurlijk het
Landelijk Actieprogramma Netcongestie. Dat programma moet gewoon
doorgaan, maar het is volstrekt onvoldoende om dit vraagstuk aan te
pakken. Daarom is er nog een aparte FGU-aanpak voor Flevoland,
Gelderland en Utrecht, heb ik versnellingsmaatregelen genomen en is
onlangs het Aansluitoffensief gelanceerd. Al die dingen moeten samen
doorgaan. Ik denk dat het ook nodig is om een goed beeld te krijgen van
het exacte probleem in de cijfers, berekeningen en prognoses. Op dat
gebied zijn aanvullende stappen nodig, zodat we een goede weging kunnen
maken van bijvoorbeeld de betrouwbaarheid en het nemen van meer risico
op het net. Ik denk dat er op dat gebied aanvullende stappen nodig zijn.
Het ging net over een warme overdracht aan mijn opvolger. Dit zou ik ook
aan mijn opvolger overdragen, die met het onderwerp netcongestie aan de
slag gaat.
De heer Jumelet (CDA):
Van warme overdracht gaan we naar koeling, om het maar even zo te
introduceren. Dank voor het antwoord. Ik hoor de minister spreken over
geen visie op dit punt. Maar in mijn bijdrage constateerde ik dat
koeling of koudevraag niet in de scenario's van het CBS, het NPE, TNO en
de KEV zitten. Mijn vraag is dan om dit een plek te geven in de
integrale aanpak van ons energiesysteem van de toekomst. Als we samen
constateren dat het in ieder geval van belang is, dan zou er ook een
maatregel moeten komen om daar werk van te maken, vraag ik de
minister.
Minister Hermans:
De reden dat ik "nu geen visie op ontwikkelingen" zei, is dat er al zo
veel loopt en er nu aan het ibo wordt gewerkt. Ik zou de uitkomsten
daarvan willen gebruiken. Ik geloof niet dat het in die zin onderdeel is
van het Nationaal Plan Energiesysteem. Het zit echt in het ibo over de
gebouwde omgeving. Ik zit even te denken, want we hebben zo veel
documenten en strategieën. Wat daaruit komt, is natuurlijk wel relevant
voor hoe we verdergaan met dit onderwerp. Ik zou het daar dus graag aan
willen koppelen. We hebben de hitteaanpak en de normen die bij renovatie
en nieuwbouw gelden. Het is dus niet zo dat er geen aandacht voor
is.
De heer Jumelet (CDA):
Net ging een vraag over netcongestie. Ik denk dat het heel belangrijk is
om juist dit onderwerp daarin mee te nemen. Mensen maken keuzes. Dit kan
ook van betekenis zijn voor welke investeringen bedrijven en mensen
thuis doen. Ik denk dat het heel belangrijk is om hier volop aandacht
voor te hebben.
Minister Hermans:
Dat deel ik.
De heer Vermeer (BBB):
Het was mij niet helemaal duidelijk wanneer ik iets moest vragen over
die gasvoorraad, maar omdat het onderwerp al door een van mijn collega's
opgeworpen werd, doe ik het maar bij dit blokje. In de schriftelijke
reactie van de minister geeft ze aan dat er over de beëindiging van de
operationele activiteiten van GasTerra in september een brief is
gestuurd. Die hebben wij gehad en die heb ik doorgenomen, maar het is
mij niet duidelijk wat er nu eigenlijk afgesproken is in de periode na
september vorig jaar. Is er met de NAM overeenstemming bereikt over die
gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, of gaat EBN dat doen? Wat is
eigenlijk de status van al die gesprekken?
Minister Hermans:
Dat is een goede vraag. Op dit moment lopen er gesprekken over hoe we
die overgang straks, als de activiteiten van GasTerra aflopen, op een
goede manier doen, over de rol van de NAM vanaf dat moment en over de
rol van EBN. Die gesprekken lopen. Daar wil ik nu in het openbaar verder
niet al te veel op ingaan, want dat zou die gesprekken niet ten goede
komen, maar het is voor mij van het grootste belang dat we daar op een
goede manier en in goed overleg met elkaar uit komen. Dat constructieve
gesprek loopt ook.
De heer Vermeer (BBB):
Ik vraag dat omdat er een datum van 1 april staat; dan moeten ze leeg
zijn. Dat is al over een week of zes. Staat EBN dus klaar om te zorgen
dat er vanaf dat moment hoe dan ook bijgevuld gaat worden?
Minister Hermans:
Dat leegraken, waar we al menigmaal over hebben gediscussieerd, is niet
het grootste vraagstuk op dit moment. Het gaat er vooral om hoe we
ervoor zorgen dat ze weer gevuld worden vanaf 1 april. Dat zegt de heer
Vermeer ook terecht. Daarop is alle inzet nu gericht. Daar is EBN
uiteraard ook bij betrokken.
De heer Van den Berg (JA21):
In het verlengde hiervan de volgende vraag. We hadden het al over de
leegrakende gasopslagen. Dit hebben we natuurlijk al eerder besproken,
zeg ik tegen de minister. Is het niet juist zo dat de markt anticipeert
op lagere prijzen die nog gaan komen? Dat is natuurlijk ongewoon, want
we zitten nu in de winter. Nu zouden de prijzen over het algemeen wat
hoger moeten zijn en dan in de zomer weer wat lager. Mijn punt is dat
doordat we die vulgraden zo hebben ingericht, de markt steeds
afwachtender is geworden is met het vullen van de gasopslagen.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Van den Berg (JA21):
Kunnen we dat niet gewoon weer loslaten, zoals eerder aangegeven, zodat
de markt weer eerder gaat vullen, net zoals vroeger?
Minister Hermans:
Hier heb ik inderdaad eerder met de heer Van den Berg en collega's van
de heer Van den Berg over gedebatteerd. Het feit dat de gasopslagen
leger zijn of dat er eerder begonnen is met het onttrekken van gas uit
die voorraden, heeft onder andere met de prijs te maken. Die gasopslagen
en de inhoud van die gasopslagen zijn natuurlijk wel eigendom van
marktpartijen. Die hebben contracten met afnemers, klanten. Die moeten
zij beleveren op het moment dat die vraag hebben naar gas. Dat kunnen ze
uit opslagen halen. Er wordt natuurlijk ook naar de prijs gekeken om te
zien of het aantrekkelijker is om het uit de opslag of uit de import te
halen, maar uiteindelijk moet aan de vraag worden voldaan. In algemene
zin geldt dat je de leveringszekerheid en betaalbaarheid met elkaar in
evenwicht moet brengen. Daarom is het steeds zo zoeken naar de balans
tussen welke taak en rol je als overheid op je neemt en wat je aan de
markt laat als het aankomt op het vullen van gasopslagen.
De heer Van den Berg (JA21):
Het gaat inderdaad vooral om betaalbaarheid, want ik denk niet dat het
snel tot lege opslagen zal komen. Voor die tijd is de prijs namelijk zo
erg gestegen dat de meeste bedrijven al failliet zijn gegaan. Dat drukt
dan helaas ook weer de vraag. Kortom, moeten we niet gewoon stoppen met
die vuldoelstellingen in de zomer? Daar pleitte ik de vorige keer ook
voor. Dan zal de prijs in de zomer over het algemeen weer gaan zakken en
dan vult de markt de gasopslagen, omdat die het perspectief heeft dat
die in de winter voor een betere prijs kan verkopen. Hoe kijkt de
minister daarnaar?
Minister Hermans:
Maar de gasprijs wordt natuurlijk ook bepaald door het aanbod op de
markt en door wat er geproduceerd wordt in bijvoorbeeld de VS en Qatar.
Dat ligt dus niet alleen maar aan wat er in de opslagen zit of niet. Dat
is dus een veel groter vraagstuk, met veel meer factoren die op elkaar
inspelen. Dan de vraag of we daarin een stapje terug moeten doen als
overheid. Het lastige is dat de gasmarkt een markt is, waarin
marktpartijen actief zijn en vraag en aanbod niet alleen de prijs, maar
ook de vulling van de gasopslagen bepalen, en dat we tegelijkertijd in
de afgelopen jaren hebben gezien dat energie een instrument is in de
geopolitiek, conflicten en discussies. Daar past niet bij dat een
overheid zich helemaal terugtrekt, zich er niet meer tegenaan bemoeit en
er zelf geen rol in vervult. Daar hoort die balans tussen betaalbaarheid
en leveringszekerheid en overigens ook onafhankelijkheid bij. Dat is
steeds zoeken naar een juist evenwicht.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik ga het gewoon nog een keer proberen, want ik merk dat dit een vrij
technisch verhaal is. Hoe leg je dat nou kort en bondig uit? Mijn punt
is als volgt. De gasopslagen waren in november voor 74% gevuld. Ik denk
dat die gasopslagen gewoon voor 100% gevuld waren geweest als de
bedrijven in de markt het perspectief hadden gehad om het aardgas in de
winter voor een hogere prijs te kunnen verkopen dan waarvoor ze het in
de zomer hadden kunnen aankopen. Kortom: moeten we dat niet juist weer
aanjagen?
Minister Hermans:
We hebben op nationaal niveau een vulambitie en op Europees niveau een
vulverplichting. Aan die vulverplichting moeten we voldoen en die is
publiekelijk bekend. Juist omdat we ook zien dat die markt door onder
andere prijsontwikkelingen aan veranderingen onderhevig is, hebben wij
er in Europa voor gepleit om die vuldoelstellingen minder rigide en wat
flexibeler in de tijd te maken. Dat is een van de maatregelen die we
hebben genomen, maar we hebben een Europese vulverplichting en daar
moeten we aan voldoen.
De heer Kops (PVV):
De betaalbaarheid van energie staat onder druk en dat is een kwestie van
overheidsbeleid, maar ook de leveringszekerheid van energie staat zwaar
onder druk. Op dat punt ontbreekt nou juist overheidsbeleid. Ik vond wat
de heer Grinwis zei namelijk eigenlijk nogal schokkend: we hebben
uitgerekend nu de begrotingsbehandeling, maar later vandaag schijnt
TenneT met het bericht te komen dat kleinverbruikers in Flevoland,
Gelderland en Utrecht niet meer zullen worden aangesloten. Ik vind het
nogal wat. De minister zegt dan dat ze bezig is met de landelijke aanpak
van netcongestie en dat ze een aansluitoffensief voert, maar ik mis wat
de minister nu, eigenlijk gewoon echt ter plekke en vandaag, kan en gaat
doen om wat TenneT aankondigt te voorkomen.
Minister Hermans:
Nu moeten we even precies zijn. Het is niet zo dat er vanaf vandaag
niemand meer aangesloten gaat worden. TenneT concludeert weliswaar op
basis van de laatste berekeningen dat er mogelijk grote problemen
aankomen en dat het beeld somberder is dan het bedrijf een paar maanden
geleden dacht, maar de vraag is nu wat we in de komende maanden met
elkaar kunnen doen om zo'n aansluitstop te voorkomen. Dat heb ik net
geschetst in de richting van de heer Grinwis. Eén. Ik wil een validatie
van die cijfers. Ik wil gewoon precies weten hoe het zit, omdat het
beeld van hoe het er nu voorstaat te vaak wisselt. Twee. Welke
verschillende maatregelen kan je nog nemen om zo'n aansluitstop te
voorkomen? Die is namelijk volstrekt onwenselijk; laat daar geen spoor
van twijfel over bestaan. En drie. Wat kunnen we in de provincies
specifiek doen? Flevoland is geen Gelderland en Gelderland is geen
Utrecht en andersom. Wat kunnen we daar nog specifiek doen om dit te
voorkomen? Zijn er nog maatwerkoplossingen mogelijk? Daar vindt op dit
moment het gesprek met de provincies over plaats.
De heer Dassen (Volt):
De minister noemde net terecht de geopolitieke situatie en de
afhankelijkheden die we hebben. We hebben gisteren het debat gehad over
Solvinity en digitale afhankelijkheid. Nu zien we dat we op het gebied
van lng, gas, steeds afhankelijker worden van de Verenigde Staten. Ik
ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt en welke plannen er zijn om
ervoor te zorgen dat we de diversificatie op orde houden.
Minister Hermans:
Daar zou ik later uitgebreid op ingaan, ook naar aanleiding van een
vraag van mevrouw Teunissen, maar ik kan dat natuurlijk ook nu doen. In
het algemeen doen we het volgende om die afhankelijkheid af te bouwen;
het gaat eigenlijk langs een aantal sporen. In eerste plaats versnellen
we de eigen productie op de Noordzee en zorgen we ervoor dat we die op
peil houden. We zetten natuurlijk blijvend in op energiebesparing, want
wat je niet gebruikt, hoef je ook niet te importeren of op te wekken. We
blijven doorgaan met het opschalen van eigen hernieuwbare energie. Wind
op zee is daar een belangrijk onderdeel van. Het vierde is
diversificatie van de import, precies wat de heer Dassen zei.
De heer Dassen (Volt):
Ik kijk naar de voorspellingen en ook naar wat experts aangeven. We zien
dat de afhankelijkheid van de VS alleen maar groter aan het worden is.
Ik ben dus wel benieuwd hoe die diversificatie er precies uitziet, want
ik begrijp dat we over een aantal jaren 80% uit de VS gaan halen. Het
lijkt me zeer onwenselijk om dadelijk weer zo afhankelijk te zijn van de
Verenigde Staten, van één land.
Minister Hermans:
Ik heb dat bericht ook gelezen. Volgens mij was dat vanochtend of
gisteravond, op de NOS. Dat zijn natuurlijk cijfers die we naar beneden
willen brengen. Tegelijkertijd hebben we nog even gas nodig. Het is dus
zoeken hoe je het op een goeie manier doet. Je wilt het inderdaad uit
verschillende bronnen halen en daarvoor moet je contracten afsluiten.
Daar zijn we mee bezig.
De heer Dassen (Volt):
Maar kan de minister dan iets meer helderheid geven over wanneer zij van
plan is om ervoor te zorgen dat die afhankelijkheid afgebouwd is? We
hebben ons gisteren als hele Kamer — het gold ook voor het kabinet —
volledig staan opwinden over onze digitale afhankelijkheid. Nu zie ik
dat we op het gebied van gas weer volledig afhankelijk aan het worden
zijn, nu van de Verenigde Staten. Ik denk toch dat we dan met elkaar
continu de verkeerde discussie aan het voeren zijn. Ik wil graag van de
minister horen hoe we ervoor gaan zorgen dat we hier niet over een
tijdje staan in een positie van volledige afhankelijkheid waarbij Trump
misbruik maakt van de gasleveranties richting Europa.
Minister Hermans:
We doen een heleboel. Dat schetste ik net. We gaan onverminderd door met
het produceren van onze eigen duurzame energie. We zetten in op
energiebesparing. We hebben natuurlijk onze eigen productie en we hebben
de diversificatie. Daarvoor kijken we bijvoorbeeld ook naar Qatar.
Daarmee hebben wij nu nog geen afspraken, maar dat is work in progress,
zou je kunnen zeggen. Ik deel met de heer Dassen dat we hier heel alert
op moeten zijn en dat je de ene afhankelijkheid niet voor de andere wil
inruilen, maar ik wil ook de suggestie wegnemen dat je dit van vandaag
op morgen kan hebben aangepast. Ik zie de non-verbale communicatie van
de heer Dassen, maar dat zat wel een beetje in de eerste zin van zijn
interruptie.
De voorzitter:
Dat is uitlokking. Tot slot kort, meneer Dassen.
De heer Dassen (Volt):
Ja, voorzitter. Ik wek helemaal niet die suggestie. Ik geef aan dat de
afhankelijkheid op dit moment groter aan het worden is. Dat is volgens
mij een weg die we niet met elkaar moeten bewandelen. Is de minister dat
in ieder geval met mij eens en wat gaat zij daar dan aan doen?
Minister Hermans:
Ik ben het met de heer Dassen eens; dat heb ik geschetst. Daarom is er
beleid langs vier sporen: hernieuwbare energie, energiebesparing, eigen
productie en de diversificatie van de import. Daar wordt elke dag
keihard aan gewekt door collega's op mijn ministerie en bij het
ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik werk daar in Europees verband aan,
want Nederland is natuurlijk niet het enige land dat hiermee te maken
heeft. Maar dit is wel een inzet van lange adem.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De Kamer heeft een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen om de
mogelijkheden in kaart te brengen om de afhankelijkheid van de VS voor
olie en gas af te bouwen, en om de opbouw van schone energie in kaart te
brengen en daarbij energiebesparing mee te nemen. Het probleem in het
antwoord van de minister is natuurlijk dat we horen dat eraan wordt
gewerkt, maar dat tegelijkertijd het antwoord op de vraag wat dan de
oplossing is, gaswinning op de Noordzee en gas halen uit Qatar is. We
horen verder op geen enkele manier of de minister nu bezig is met een
plan dat er echt voor zorgt dat we de hoeveelheid gas en olie die we nu
uit de VS halen, in zijn totaliteit kunnen compenseren met het opwekken
van schone energie en energiebesparing. Dat is dus de vraag.
Minister Hermans:
Ook deze discussie heb ik veelvuldig met mevrouw Teunissen gevoerd. Wij
zijn het gewoon fundamenteel oneens over het feit dat we gas echt nog
even nodig hebben in deze transitie. Ik vind dat je dat juist om de
importafhankelijkheid te verkleinen ook van eigen bodem moet halen. Er
zit veel potentie op de Noordzee. Wij hebben afspraken gemaakt met de
operators om de potentie die daar zit, versneld te kunnen boren. Dat is
gewoon een stap die we zullen moeten zetten. Tegelijkertijd hebben we
nog een aantal kleine velden op land waar we dat als het veilig en
verantwoord kan, ook blijven doen. Dat is één.
Dan het tweede punt. Ik ben het ook met mevrouw Teunissen eens. Ja, we
gaan door met het verhogen van onze eigen duurzame energieproductie. Dat
doen we vooral via wind op zee, maar de aanleg van die parken kost tijd
en geld. Dat geld is nu gelukkig gereserveerd, maar er gaat ook tijd
overheen. In die tijd hebben we dat gas nog nodig. Ja, dan halen we het
ook uit het buitenland. En ja, dan moeten we dat ook diversifiëren.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het klopt dat de minister en ik het al enige tijd met elkaar oneens
zijn, maar dat was niet mijn vraag. Mijn vraag gaat over het uitvoeren
van de aangenomen motie die er nu ligt. Ik hoor in het antwoord van de
minister dat de oplossing ligt in gaswinning op de Noordzee en de kleine
velden, waar terecht ontzettend veel protest tegen is vanuit Groningen
en Friesland, en in gas halen uit Qatar. Sorry, maar dat is niet de
motie uitvoeren; dat is geen oplossing. Ik vraag de minister dus: wordt
er gewerkt aan een plan in lijn met de aangenomen motie?
Minister Hermans:
Dit kabinet en het volgende kabinet werken verder aan de klimaat- en
energiedoelstellingen die we hebben afgesproken. Het vorige kabinet deed
dat ook. Daar hoort bij dat we het gasgebruik afbouwen. Dat hoort ook
bij een klimaatneutraal Nederland in 2050. Daar werken we dus
onverminderd aan door. Terwijl je het gebruik van die fossiele
brandstoffen afbouwt, moet je de productie en het gebruik van
hernieuwbare energie en kernenergie, zeg ik er dan toch bij, opbouwen in
de komende jaren. Dat hoort erbij. Maar het is niet zo dat je van het
ene op het andere moment het een uitzet, het ander aanzet en het dan is
opgelost.
Ik noemde de versnelling van de productie op de Noordzee en daar waar
het veilig en verantwoord kan op land. Tegelijk hebben natuurlijk onze
lng-terminals in de Eemshaven, in Rotterdam. We kijken nu naar
uitbreiding van die terminals en of er een optie is om in Zeeland meer
import naar Nederland toe te laten gaan. Nogmaals, die komt uit
verschillende landen. Dat loopt natuurlijk vooral via de Europese lijn
en de contracten die marktpartijen uiteindelijk afsluiten met
leveranciers.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot, voorzitter. Ik hoor geen oplossing. Ik hoor alleen maar: gas,
gas en nog meer gas. Lng importeren maakt ons nog afhankelijker van
andere landen voor de import van onze energie. De minister zegt: er is
een afbouwpad. Ik vraag de minister dan: waar blijkt nu uit dat er een
afbouwpad is? Kan de minister dat delen met de Kamer? Er wordt namelijk
verwezen naar het sectorakkoord, maar daar staat in ieder geval geen
afbouwpad of einddatum in. Kan de minister dan delen met de Kamer wat
het afbouwpad is, wat het plan is voor wanneer de contracten met de VS
aflopen en of dat allemaal in lijn is met het halen van de
klimaatdoelen? Daarom staan we hier namelijk ook.
Minister Hermans:
Ik heb gesproken over afbouw. We bewegen weg van het gebruik van
fossiele brandstoffen, van gas en olie. We zijn op weg naar het doel van
2050. Terwijl we afbouwen, bouwen we iets anders op, namelijk de
productie van duurzame energie in Nederland en Europa. Dat zal gewoon
nog een tijd naast elkaar bestaan.
De voorzitter:
Mevrouw Van Oosterhout heeft een interruptie en daarna continueert de
minister haar beantwoording.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het al eerder met de minister gehad over de nieuwe gaswinning op
land. Er komen steeds duidelijkere signalen vanuit onder andere
Friesland, namelijk: wij willen dit niet. Ik ben toch benieuwd hoe de
minister naar al deze geluiden luistert en of ze die wel echt serieus
neemt.
Minister Hermans:
Die geluiden ken ik, uit brieven, maar ook uit gesprekken die ik gevoerd
heb in Friesland, Groningen en Drenthe, aan de mijnbouwtafels die ook in
Friesland en Drenthe bestaan en met inwoners op verschillende plekken.
Ik snap het ook. Ik snap dat er zorgen over zijn, zeker na alles wat er
gebeurd is en de eindeloze discussies die we gehad hebben over
Groningen. Die zijn nog niet klaar, dat realiseer ik me. Ik snap dus die
bezorgdheid. Aan de andere kant hebben wij gas nog even nodig in ons
land, voor het verwarmen van huizen, voor het kunnen koken, voor onze
industrie en ons bedrijfsleven, die producten maken die we allemaal elke
dag nodig hebben. We kunnen dat niet nu, van het ene op het andere
moment, stoppen. Als we dat doen, valt er een heleboel stil in dit land.
Het komt er nu dus op aan hoe we dat gebruik van gas op een goede manier
afbouwen, die ook past bij onze klimaat- en energiedoelstellingen.
Daarbij gaat het ook om de vraag: waar halen we het gas dat we nog nodig
hebben, vandaan? Ik had net een hele discussie over
importonafhankelijkheid. Een deel van die onafhankelijkheid kunnen we
afbouwen door ook op eigen bodem te produceren. Zo zoek je continu naar
een balans en een weging van belangen. Daarbij ben ik mij ongelofelijk
bewust van de kritische geluiden en de zorgen die er zijn in de
provincies Friesland, Groningen en Drenthe. Ik hou daar zo veel mogelijk
rekening mee, zeker in de afspraken die we maken. De vraag is
bijvoorbeeld of je ook kunt meedelen in de baten, in de lusten, en niet
alleen in de lasten van zo'n project.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Bewoners voelen zich gewoon niet gehoord; ik zei het dinsdag ook al. Ze
voeren zelf metingen uit, huren zelf advocaten in en starten allerlei
bezwaarprocedures. Ik begrijp dat deze minister daar niet meer zoveel
aan kan doen, maar ik ben toch heel erg benieuwd naar wat deze minister
haar opvolger nog zou willen meegeven als het gaat om het echt serieus
nemen van de geluiden en zorgen van al die bewoners.
Minister Hermans:
Mevrouw Van Oosterhout was net niet binnen toen ik begon aan mijn
bijdrage. Daarin refereerde ik aan haar maidenspeech. Nu mevrouw Van
Oosterhout tegenover mij staat, zeg ik: mijn complimenten voor uw
inspirerende persoonlijke verhaal! Ik ging in op de afstand tussen Den
Haag en Groningen of Den Haag en Friesland. Die mag niet relevant zijn.
We zijn met z'n allen Nederland en leveren allemaal onze bijdrage,
bijvoorbeeld aan de klimaat- en energietransitie, of je nu woont in
Groningen, in Den Haag of op een andere plek in Nederland. Die afstand
mag ook niet relevant zijn omdat we dicht bij elkaar moeten zijn. We
moeten met elkaar in gesprek zijn en naar elkaar luisteren, zodat we
weten waar de zorgen precies in zitten. Dan kunnen we daar gehoor aan
geven of kunnen we misschien zorgen wegnemen. Ik weet niet of we eruit
gaan komen als je zegt: we komen er alleen maar uit en het is alleen
maar goed als je luistert en doet wat ik zeg. Zo werkt het niet in
Nederland. Dat is ook niet mijn ervaring met dit soort ingewikkelde
gesprekken. Mensen willen in elk geval hun zorgen kwijt kunnen. Dat wij
daar op een serieuze manier mee omgaan, vind ik onze plicht en
verantwoordelijkheid. Dat zal ik dus ook aan mijn opvolger meegeven.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Er was dinsdag ook nogal wat verwarring over wat een afbouwpad
nou precies betekent. Kan de minister bevestigen dat in een afbouwpad
ook zit dat je op dit moment nog wel nieuwe velden aanboort?
Minister Hermans:
Ja, dat kan. In het sectorakkoord gaswinning, waarin gaswinning op land
een hoofdstuk is, staat ook het stabiliseren van gaswinning op land in
een langer lopend traject naar een verantwoorde afbouw. Dat doen we in
die context — ik zal het niet allemaal herhalen — van de hele discussie
over de afbouw van fossiel, de opbouw van hernieuwbaar en over hoe we in
die afbouw van fossiel zorgen dat we niet te afhankelijk worden van
import uit andere landen.
De voorzitter:
U continueert met de verduurzaming van de industrie.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. En het goede nieuws voor u — ik zag u naar de klok
kijken — dat ik natuurlijk en passant al een aantal vragen beantwoord
heb.
De voorzitter:
Ik had eigenlijk al gezegd dat de minister doorging, meneer Grinwis.
Heeft u één kleine vraag? Nou, gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Naar aanleiding van het antwoord net over het beginnen van nieuwe
bronnen, nieuwe gasboringen. De afgelopen weken is er veel te doen
geweest over Friesland. Er is misschien in een commissiedebat waar ik
niet bij aanwezig was over gesproken. Wat is nou uiteindelijk de inzet
van de minister als het gaat om welk aandeel de Friezen tegemoet mogen
zien, mocht daar een nieuwe gaswinning beginnen?
Minister Hermans:
Daarover zijn afspraken gemaakt in het sectorakkoord. Het is voor het
eerst dat er ook afspraken zijn met de gasbedrijven, de operators, om de
gemeenschappen en regio's mee te laten delen in de baten. Er is 5%
afgesproken tot een maximum van 2 miljard kuub. Ik heb gezien dat de
provincie Friesland bij monde van de gedeputeerden dat percentage graag
wat hoger zou zien, ik geloof 33%, uit mijn hoofd. Heel eerlijk, dat
ligt natuurlijk wel heel ver weg van 5%. Als je kijkt naar de afdracht
die partijen moeten doen via EBN en belastingen aan de Staat, dan vraag
ik me ook wel af of dat nou helemaal realistisch is. Ik vind die 5% echt
een goede afspraak. Ik denk dat we echt moeten koesteren dat die
afspraak nu gemaakt is en dat we die tafel hebben waar we met de
partijen aan zitten. Dat gesprek zullen we in de komende jaren blijven
voeren. Daar ga ik zo meteen, in reactie op wat vragen van de heer Köse,
nog verder op in.
De voorzitter:
U continueert.
Minister Hermans:
Voorzitter. De verduurzaming van de industrie. Dat is belangrijk voor
onze klimaatdoelstellingen, maar ook voor onze economie, strategische
autonomie en weerbaarheid. De heer Köse stelde mij een vraag over de
CO2-infrastructuur en hoe het daar nu mee gaat. Hij vroeg
naar de regie daarop vanuit de overheid en naar het afdekken van
risico's in dat vraagstuk. Ik deel helemaal het belang van CCS. Dat is
heel hard nodig om de klimaatdoelen die we voor de industrie gesteld
hebben, te kunnen halen. Dat vraagt natuurlijk ook dat de aanleg van
CO2-infrastructuur, niet alleen de opslag, maar ook het
vervoer naar die opslag toe, tijdig gerealiseerd wordt. Voor die opslag
is het weer belangrijk dat de CO2-volumes vanuit bedrijven
gecontracteerd worden, zodat er ook voldoende investeringszekerheid is
voor een project als Aramis om tot een daadwerkelijk investeringsbesluit
te komen. Dat is ook de reden dat het kabinet in 2025 besloten heeft om
een deel van het vollooprisico bij Aramis af te dekken. We hebben een
kapitaalstorting aan EBN toegezegd zodat EBN ook de benodigde
investeringen kan doen. Hier zit dus ook de commitment en de
betrokkenheid van het kabinet.
Daarnaast is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de openstelling
van SDE++ voor de komende jaren. Dat is natuurlijk belangrijk voor de
bedrijven of de afvalverbrandingsinstallaties die contracten gaan
afsluiten om CO2 op te kunnen slaan. In die SDE++, dat
vollooprisico en die kapitaalstorting zit dus de betrokkenheid. We
kijken dus ook naar het afdekken van risico's.
De heer De Groot vroeg mij het volgende. In het kader van die
verduurzaming van de industrie, kan er nou niet een structurele
overlegtafel komen waar knopen worden doorgehakt op het gebied van
randvoorwaarden en energiekosten? Net zoals het overleg met provincies
en inwoners van provincies waar gaswinning plaatsvindt, vind ik ook het
overleg met de industrie van groot belang. Op dit moment hebben we
daarvoor het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Dat is een
plek waar de rijksoverheid met de provincie, de gemeenten, de
netbeheerders en de bedrijven — die zijn vertegenwoordigd via de
verschillende clusters — aan tafel zit. Dat is juist een tafel waaraan
we niet praten over doelen of over beleid, maar echt over de uitvoering:
"Waar loop je tegenaan? Hoe kunnen we dat oplossen?" Als je het mandaat
van die tafel zou willen uitbreiden of veranderen, dan zou ik dat iets
voor aan een volgend kabinet en een nieuwe minister vinden.
Ik hoorde wel iets heel belangrijks en wezenlijks in de bijdrage van de
heer De Groot, namelijk die wederkerigheid: het maken van afspraken
waarin je allebei je verantwoordelijkheid neemt. Ja, de rijksoverheid
heeft een grote verantwoordelijkheid om de randvoorwaarden op orde te
brengen — netcongestie is al genoemd, maar denk ook aan energiekosten,
CCS, waterstof en de raffinageroute; daar hebben we al eindeloos veel
debatten met elkaar over gevoerd — maar dit vraagt dus ook van de
industrie om daadwerkelijk investeringen te doen.
Naast dat Nationaal Programma Verduurzaming Industrie, hebben we onlangs
ook een sectortafel Chemie & Materialen in het leven geroepen. Dat
is onderdeel van het industriebeleid van de minister van EZ. Daarvoor
praat het kabinet met bestuurders en bedrijven uit die industrie, met
als doel om innovatie en duurzame groei in de sector te
stimuleren.
Voorzitter. Dan vroeg de heer De Groot mij ook naar de papier- en
kartonindustrie en de keramiekindustie. Hij vroeg of daar nog aparte
afspraken en stappenplannen voor worden gemaakt. Hij vroeg ook of we
knelpunten, zaken waar die industrieën tegenaan lopen, terug gaan zien
in het nieuwe NPE. De papier-, karton-, keramiek- en steenindustrie
maken deel uit van de cluster 6-aanpak. Die zitten overigens ook weer
aan de tafel van het NPVI. In september 2025 is er een actieplan 2.0
voor cluster 6 naar de Kamer gestuurd. Daarin hebben we ook een
regioaanpak aangekondigd. De bedoeling daarvan is om clusters van
bedrijven in een bepaalde regio concreet te kunnen ondersteunen bij de
transitie. Een voorbeeld daarvan is Brick Valley. Dat is een aantal
baksteenfabrikanten in Gelderland die tegen soortgelijke problemen in de
verduurzaming aanlopen.
Verder zijn we bezig om inzicht te krijgen in de aanleg van de benodigde
infrastructuur om ook voor deze bedrijven de transitie goed te kunnen
laten verlopen. Ook bekijken we wat nou de meest kosteneffectieve
transitiepaden voor die sectoren zijn. Daarvoor hebben we bijvoorbeeld
met de keramiekbranche, die ook onderdeel is van cluster 6, vorig jaar
een uitgebreide analyse uitgevoerd.
Dan over het Nationaal Plan Energiesysteem. In het NPE gaan we niet
specifiek in op de knelpunten voor deze sectoren of voor cluster 6, want
dat is te specifiek voor het NPE. Het NPE zit er eigenlijk een niveau
boven en kijkt naar: hoe moet dat energiesysteem er nou uitzien? Maar we
zijn dus wel met die sectoren, zeg ik tegen de heer De Groot, doorlopend
in gesprek om knelpunten boven tafel te krijgen.
Voorzitter. De heer Dassen vroeg mij naar de maatwerkaanpak, hoe ik
reflecteer op die aanpak en ook wat ik hierover zou willen adviseren aan
mijn opvolger. Ik denk dat dat de meest gestelde vraag is in deze
begrotingsbehandeling en terecht. Ondanks alle hobbels die we tegenkomen
in de maatwerk denk ik dat het in de kern nog steeds een goede manier is
om met overheid en bedrijfsleven om de tafel samen te kijken: wat is er
nou nodig om de verduurzaming van de grond te krijgen? We zien dat het
realiseren van de randvoorwaarden die nodig zijn om te kunnen
verduurzamen echt taaie materie is. Over netcongestie is natuurlijk al
veel gezegd. Hoge netwerkkosten of elektriciteitskosten zijn ook een
goed voorbeeld. Je ziet nu dat de maatwerkafspraken bij Nobian zijn
vertraagd; de heer Dassen ging daar ook specifiek op in. Er gebeuren ook
nog weleens dingen in de bredere context die een effect hebben. Daar heb
ik in een debat vorige week met de heer Jumelet en de heer De Groot
uitgebreid bij stilgestaan. Er is nu beroep aangetekend door de
provincie tegen een zoutwinningbesluit. Laat ik volstrekt helder zijn:
dat staat de provincie volledig vrij, maar dat soort keuzes hebben
consequenties. Dat zien we hier in de investeringen die Nobian eigenlijk
van plan was op korte termijn te gaan doen, maar die nu voorlopig zijn
uitgesteld. Ik zie dat de context waarin de maatwerkafspraken moeten
worden gemaakt niet eenvoudig is. Maar ik vind het instrument dat je aan
tafel zit en met elkaar op zoek gaat naar een maatwerkoplossing nog
steeds een goede aanpak. Ik zal dat principe zeker overdragen aan mijn
opvolger om daarmee verder te gaan. Maar de wederkerigheid waar ik net
in de richting van de heer De Groot iets over zei, moet ook in die
maatwerkaanpak stevig verankerd zijn.
Voorzitter. Dit was de verduurzaming van de industrie en ik kom nu bij
netcongestie.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik heb een tweetal vragen. De eerste gaat over de beantwoording van de
minister over de overlegtafel en de bestaande structuur. Mijn vraag gaat
eigenlijk over: wat doe je voordat je met elkaar in dat programma zit?
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat de industrie, bedrijven
kunnen wisselen aan een tafel, zodat ze vooraf kunnen aangeven wat ze
eigenlijk nodig hebben in plaats van dat ze ergens in zitten en dan ja
of nee moeten zeggen. Ik zoek dus heel erg naar: hoe kom je op een meer
ontspannen manier met elkaar aan tafel om deze verduurzaming te laten
slagen? Daar gaat het eigenlijk over: minder formeel.
Minister Hermans:
Die tafel heet zo … We hebben een paar jaar geleden dat Nationaal
Programma Verduurzaming Industrie gemaakt en van daaruit is die
NPVI-tafel, die stuurgroep gekomen. Het is dus niet zo dat we daar nu
aan tafel zitten en alleen maar zeggen: dit is het programma, dit moet
uitgevoerd worden en zeg maar waar u staat. Mijn ervaring in de
afgelopen anderhalf jaar met de discussies aan die tafel is dat ze heel
precies gericht zijn op: waar loopt een cluster als Chemelot tegenaan,
wat gebeurt er in het Noordzeekanaalgebied, wat gebeurt er in Eemshaven?
Het is heel erg op de uitvoering gericht en daar zijn ook steeds ideeën
uit voortgekomen: laten we dit verder uitwerken met elkaar, laten we
hier specifiek een oplossing voor zoeken. Dat is juist aan de voorkant
van nieuwe beleidsvorming of specifieke oplossingen. Kijk, je moet niet
vasthouden aan een model omdat je het ooit zo bedacht hebt. Als de
clusterregisseurs samen met de nieuwe minister zeggen "het zou helpen om
het meer hierover te hebben of minder daarover", alsjeblieft, doe dat.
Want de tafel is er niet voor de tafel en om de tafel in ere te houden,
maar om voor elkaar te krijgen wat ze voor elkaar willen krijgen,
namelijk verduurzaming van de industrie.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik ga nog even nadenken over het antwoord, omdat ik toch wel veel
geluiden uit de industrie hoor: we zouden meer en anders willen
overleggen met het ministerie. Ik denk dat er wat licht tussen zit als
het gaat om welke partijen aan tafel zitten en hoe dat gesprek gevoerd
wordt, maar daar ga ik nog even over nadenken.
Mijn tweede vraag gaat over de maatwerkafspraken. De minister geeft
antwoorden als het gaat over Nobian. Ik heb daar dinsdag in het
tweeminutendebat een motie over ingediend en heb uiteengezet hoe ik
daarnaar kijk. Ik denk dat de maatwerkafspraken een heel belangrijk
instrument zijn, ook die van Tata, om ervoor te zorgen dat we de
industrie verduurzamen. Maar wat zou de minister de nieuwe minister
willen meegeven in het licht van de maatwerkafspraak die gesloten is met
Nobian en de maatwerkafspraakaanpak van Tata, die doorgezet moet worden?
Wat is dus het belangrijkste kernpunt van het laten slagen van nieuwe
maatwerkafspraken?
Minister Hermans:
Nog even over dat overleg. De overlegtafel die we hebben in het kader
van de verduurzaming van de industrie is één vorm van overleg. Op heel
veel manieren vindt er natuurlijk overleg en interactie plaats tussen
het ministerie en verschillende bedrijven, juist ook om bedrijven te
attenderen op alle subsidieregelingen die we hebben. We willen ervoor
zorgen dat al die innovatieve ideeën en opschaling van verduurzaming
voor elkaar komen. Maar als daar verbeteringen mogelijk zijn, sta ik
daar altijd voor open.
Voorzitter. Dan maatwerk. Ik zei net tegen mevrouw Van Oosterhout … Nee,
wie stelde mij nou net die vraag over maatwerk? De heer Dassen? Het was
een vraag in mijn beantwoording, ja, excuus. Ik vind die wederkerigheid,
die wederzijdse verantwoordelijkheid, van ongelofelijk groot belang. Ja,
de overheid heeft een verantwoordelijkheid in het op orde brengen van de
randvoorwaarden. Die moet ervoor zorgen dat je überhaupt kunt
verduurzamen. We hebben uitgebreid met elkaar gedebatteerd over de
CO2-heffing. Die is ooit ingevoerd met de gedachte: daarmee
ga je prikkelen om te verduurzamen. Maar in de praktijk zagen we dat het
zo niet werkt. Daarin hebben we dus stappen ondernomen. Er is een aantal
stappen gezet in het verlagen van de energiekosten. We hebben een
eindeloze discussie rondom de raffinageroute opgelost. We zijn bezig met
de aanpak van netcongestie. Daar zijn we nog niet mee klaar en we gaan
er absoluut mee door. Dat vraagt ook iets van bedrijven. Die moeten
zeggen: "Ik zie en erken dat de toekomst een verduurzaamde toekomst is,
voor onze concurrentiepositie, klimaat, veiligheid, weerbaarheid en
autonomie. Dus ik ga ook investeren." Ik zou tegen mijn opvolger willen
zeggen: heb er oog voor dat die wisselwerking op een goede manier een
plek krijgt, of dat nou in een overleg is of in een
maatwerkafspraak.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Peter de Groot (VVD):
De VVD is het er helemaal mee eens dat die wederkerigheid er moet zijn.
Fijn dat de minister dit antwoord geeft. Ik zou de minister nog een
andere vraag willen voorleggen, over de acceptatie van
maatwerkafspraken. Wat betreft Nobian is de provincie Groningen een
procedure gestart. Hoe kijkt de minister aan tegen de acceptatie van
maatwerkafspraken en tegen wat ervoor nodig is om die wederkerigheid te
kunnen geven vanuit die overheid? Hoe zorgt ze ervoor dat decentrale
overheden gemaakte maatwerkafspraken accepteren? Want dat is een
voorwaarde voor het slagen van die maatwerkafspraken.
Minister Hermans:
De decentrale overheden zijn ook betrokken bij het maken van die
maatwerkafspraken. In het geval van Tata gaat het om de provincie
Noord-Holland, en in het geval van Nobian is onder andere de provincie
Groningen erbij betrokkenheid bij. Dat laat onverlet – dat hebben we ook
afgesproken – dat je als provincie de mogelijkheid en vrijheid hebt om
beroep aan te tekenen tegen andere besluiten die vanuit de Rijksoverheid
worden genomen. Ik vind wel – dat heb ik volgens mij vorige week in het
commissiedebat gezegd – dat we daarover altijd in gesprek moeten
blijven, en daarom zijn we er ook over in gesprek. Elke keuze die je
maakt hebben namelijk consequenties. Dat geldt ook voor de keuzes die ik
maak als minister van Klimaat. Je moet wegen wat die consequenties zijn.
Ben je bereid om die consequentie te accepteren? Maar deze consequentie
vind ik fors. Dan zegt Nobian namelijk: "Wij stellen de
investeringsbeslissing, die onderdeel is van de maatwerkafspraken, in
elk geval even uit. Die komt later in de tijd." Dat heeft effect op de
werkgelegenheid in de regio, op überhaupt de verduurzaming van het
chemiecluster. Zoutwinning is belangrijk, ook voor het chemiecluster in
Botlek. Als je zo'n besluit neemt, gaat er een heel treintje aan
consequenties rijden. Maar nogmaals, de provincie heeft die vrijheid,
dat recht. Wij blijven in gesprek. Ik heb begrepen dat de provincie het
nu in beraad heeft en dat er begin maart ook weer een overleg is tussen
het ministerie en de provincie. Ik hoop echt van ganser harte dat we
daar samen op een goede manier uit komen en dat wij de provincie ook het
comfort kunnen geven bij haar betrokkenheid en de zorg die ze heeft ten
aanzien van de afsluitstrategie van die zoutcavernes.
De heer Flach (SGP):
Als dit debat is afgelopen, gaat de minister de kamer op haar
departement zo zachtjesaan opruimen. Fotolijstjes en theemokken: alles
gaat in een doos. Dan komt zij ook nog een motie over de ammoniaksector
tegen die nog niet is uitgevoerd. Daarin heeft de Kamer gevraagd de
ammoniaksector uit te zonderen van de verplichtingen vanuit de RED
III-richtlijn. Als ik goed geïnformeerd ben, kunnen we zo ongeveer rond
deze tijd een wetsvoorstel verwachten. Volgens mijn informatie houdt de
minister vast aan de 60% voor die sector. Zou het niet een goed idee
zijn om toch echt met een schone lei het bureau over te dragen aan haar
opvolger?
Minister Hermans:
Deze motie ligt inderdaad nog op mijn bureau. Ik ken het verzoek van de
heer Flach over deze uitzondering. Volgens mij was dat zelfs een motie
samen met de heer Erkens. Ik heb daar eerder ook al een brief over
gestuurd. We hebben daar ook al weleens over gewisseld dat we de grenzen
van wat er kan hebben opgezocht en ook de ruimte die er naar onze
interpretatie is in de RED III-richtlijn om die uitzondering te maken,
maar dat we juridisch niet verder kunnen gaan dan we nu gegaan zijn. Dit
is dus geen onwil of het in een laatje laten liggen van een motie, maar
dit is oprecht de juridische inschatting die aan onze kant gemaakt
is.
De heer Flach (SGP):
Dit gaat wel verder. Dit is niet alleen mijn wens. Een meerderheid van
de Kamer heeft dit gevraagd aan het kabinet. Het gaat ook niet om onze
interpretatie aan de kant van het departement; er is gewoon ruimte in de
Europese richtlijn om de ammoniaksector uit te zonderen van die, ook
niet effectieve, waterstofverplichting. Uit allerlei onderzoek is
gebleken dat het gewoon niet bijdraagt aan de doelen. Met andere
woorden: ik verbaas me toch een klein beetje over de halsstarrigheid en
de eigen interpretatie die de minister aan de Europese richtlijn blijft
geven op dit punt.
Minister Hermans:
Dit is de interpretatie vanuit het ministerie. Er zijn veelvuldig
gesprekken over gevoerd in Europa. Het wetsvoorstel moet natuurlijk nog
naar de Kamer, dus er is nog heel veel ruimte om dit debat verder te
voeren. Ik realiseer me dat er een motie ligt. Dat is ook de reden dat
ik dit uitermate serieus neem. Ik ga niet zomaar een motie niet
uitvoeren of naast me neerleggen; ik heb ook de verantwoordelijkheid om
richtlijnen te interpreteren en dat op een nette en rechtmatige manier
te doen. Dit doe ik bij mijn beste weten naar eer en geweten bij deze
richtlijn.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Flach (SGP):
Ik refereerde niet voor niks aan de ruimte die er ís in de Europese
richtlijn en aan het feit dat buurlanden niet overgaan tot die
verplichting van 60% voor de ammoniaksector en die daarvan uitzonderen.
Volgens mij is dit echt een nationale interpretatie en dus een nationale
kop. Daar moeten we echt vanaf. Ik heb mijn hoop dan maar gesteld op het
CDA en de VVD, die beide deze motie hebben mede-ingediend. Ik hoop dat
we in het nieuwe kabinet wel komen tot het uitwerken van die motie.
De voorzitter:
Minister, niet alleen de interrupties mogen korter, maar ook de
beantwoording.
Minister Hermans:
Voorzitter, ik zie dit als een aansporing. Volgens mij is dit altijd
interpretatie. Je hebt de richtlijn en de daaronder hangende … Hoe heet
dat precies? Recital? Nou ja, ik denk dat hier het laatste woord nog
niet over gezegd is, maar dat heeft de heer Flach ook benoemd. Punt.
Daar houd ik het bij.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mijn vraag gaat over nationale koppen versus Europese koppen. Het
ETS-systeem en het CBAM-systeem zijn hele belangrijke Europese
instrumenten om die uitstoot naar beneden te krijgen. De Partij voor de
Dieren vindt het ETS niet ver genoeg gaan, maar het is nu eigenlijk de
laatste strohalm die we hebben — zo zien wij dat althans — om die
verduurzaming ook echt mogelijk te maken. Nu is er de hele zorgelijke
ontwikkeling dat ETS en CBAM worden afgezwakt in Europa.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Mijn vraag is als volgt. Er is vandaag een Europese Raad. Dit raakt
indirect ook aan de begroting, omdat heel veel partijen hier geen
nationale kop willen. Is de minister het ermee eens dat we ons in Europa
moeten inzetten voor een sterk ETS en een sterk CBAM?
Minister Hermans:
Kortheidshalve: ja.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dan baart het mij wel zorgen dat Nederland in de Europese Raad geen
duidelijk standpunt inneemt in dezen. Tenminste, niet als we kijken naar
de agenda en de inzet van het kabinet. Misschien kan de minister in de
tweede termijn terugkomen op wat precies de inzet van Nederland is in
dezen.
Minister Hermans:
Dat kan ook nu. Mevrouw Teunissen vroeg naar het belang. Dat belang deel
ik. Vandaag is er nog een aparte industrietop of -bijeenkomst. Misschien
was dat gisteren al en zit het een beetje verkeerd in mijn hoofd. We
hebben het eerder al gehad over investeringszekerheid. Het ETS en CBAM
zijn daar belangrijk voor. Je wilt weten wat het langetermijnperspectief
is, zodat je op basis daarvan kunt investeren. Een van de grote
Nederlandse bedrijven zei daar vandaag of gisteren ook wat over in het
FD. Onze inzet is dat het belangrijk is om deze maatregelen te behouden,
juist voor de investeringszekerheid, voor het langetermijnperspectief en
voor de voorspelbaarheid. Ze prikkelen natuurlijk ook de verduurzaming
en dwingen ons om duurzame keuzes te maken. Die inzet is er dus. Ik heb
dit bij herhaling ingebracht in de Energieraad en de Milieuraad. Ik weet
niet anders dan dat dit ook door mijn collega's in het kabinet
gebeurt.
De heer Dassen (Volt):
Ik zou graag nog even willen doorgaan op de overdracht van de
maatwerkafspraken aan de opvolger van de minister. We zijn hier nu
enkele jaren mee bezig. Het concept is heel mooi: samen verduurzamen
richting de toekomst. Tegelijkertijd moeten we ook constateren hoever we
nu zijn. Nobian zet het nu stil en bij Tata is er nog veel onduidelijk.
Verder zijn er nog geen maatwerkafspraken gemaakt. De vraag die ik aan
de minister heb, is: hoelang is zij van mening dat haar opvolgers
hiermee door moeten gaan om ervoor te zorgen dat de industrie ook
daadwerkelijk verduurzaamt?
Minister Hermans:
Zoals ik al zei: toen we begonnen met dit instrument ... Als je kijkt
naar de tijd en naar waar we nu staan, dan had ik hier liever gestaan
met een hele trits aan maatwerkafspraken. Het is ook geen geheim —- dat
is voor iedereen bekend — dat er een heleboel veranderd is sinds het
moment waarop we dit afspraken. Het is er geopolitiek gezien niet echt
rustiger op geworden. Denk aan de problemen met de energiekosten en de
netcongestie. Ten aanzien van de randvoorwaarden is de situatie minder
florissant dan toen we begonnen aan de maatwerkaanpak. Maar dat laat
onverlet wat de kern van de aanpak is, namelijk dat je met een bedrijf
om tafel zit en vraagt: hoe kan jij, boven op datgene wat je al moet
doen aan verduurzaming richting 2030 en 2040, nog een stapje extra
zetten en hoe kunnen wij je daarbij helpen? Door dat gesprek te voeren
leren we een heleboel over de knelpunten en de vraagstukken waar
bedrijven tegenaan lopen in de verduurzaming, wat we ook weer kunnen
gebruiken in ons generieke beleid. Ik zou dus nu niet willen zeggen: doe
het nog een jaar en stop er dan mee. Gebruik deze aanpak heel gericht om
met bedrijven tot afspraken te komen, maar dan wel met wederkerigheid,
zoals ik net noemde. Haal uit die gesprekken wat je generiek kunt doen
in het beleid of in je subsidieregelingen om het verduurzamingsbeleid
effectiever te maken, maar gebruik dit wel echt om het gesprek met de
industrie over verduurzaming aan de gang te houden.
De heer Dassen (Volt):
Het is natuurlijk heel mooi om daar knelpunten uit te halen en om het
gesprek te voeren, maar uiteindelijk moeten we ook resultaten hebben.
Vijf jaar geleden wilden we beginnen met de maatwerkafspraken. We zijn
nu vijf jaar verder en er is één maatwerkafspraak gemaakt, die nu
stilgezet is. Volgens mij is dat nog niet het tempo dat we willen
hebben. De vraag is: als je het hebt over wederkerigheid, hoelang gaan
we dan nog ruimte geven aan de industrie voordat we zeggen dat er nu
echt stappen genomen moet worden in de verduurzaming? Want anders blijft
het een gebed zonder eind.
Minister Hermans:
Ik wil een mogelijk misverstand voorkomen: het is natuurlijk niet zo dat
de maatwerkaanpak het enige instrument is om de verduurzaming van de
industrie voor elkaar te krijgen. Die maatwerkaanpak is de plus op de
doelstelling die de industrie heeft om te verduurzamen. We voeren het
gesprek met bedrijven. Ik heb in de afgelopen anderhalf jaar gezegd dat
ik mij focus op de bedrijven waar je de energie en motivatie ziet om
daadwerkelijk een extra stap te zetten en een extra ambitie te
realiseren. We zijn nog in gesprek met een aantal bedrijven. Het liefst
had ik natuurlijk meer gewild — daar zal ik echt niet voor weglopen —
maar ik zie nog voldoende potentie om dat voort te zetten en dus niet nu
te zeggen: nou, we doen dit nog een paar maanden en dan stoppen we
ermee.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Daar zullen we ook met de nieuwe minister over te spreken komen. Wat ik
namelijk ook zie — dat kwam ook ter sprake gisteren bij die
industrietafel — is dat de industrie in Europa inmiddels ook zegt: ETS
zit ons wel heel erg dwars. Die andere instrumenten worden inmiddels dus
ook ter discussie gesteld. Dat begint wel zorgwekkend te worden, want
dan gaan we dadelijk de Verenigde Staten achterna en zeggen we: we
schuiven alles maar op, anders kunnen we niet meer concurreren. Dus ik
neem aan dat de minister dat ook niet wil. Volgens mij was ze net
duidelijk in haar antwoord op mevrouw Teunissen dat de inzet van het
kabinet is dat we daaraan vast blijven houden. Dan heb ik nog één andere
vraag over de Wetenschappelijke Klimaatraad. Die heeft aangegeven: niet
alles kan; als je niet durft te kiezen dan raak je dadelijk alles
kwijt.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Dassen (Volt):
Ik ben benieuwd of de minister daarop kan reflecteren, want dat is wel
het probleem dat dit kabinet heeft en de volgende coalitie ook heeft,
namelijk dat we niet durven kiezen voor onze toekomstige industrie.
Minister Hermans:
Dat is het advies van de WKR van vorige week. Dat heb ik vorige week in
ontvangst genomen en daar heb ik met de auteurs van het rapport over
gesproken. Eigenlijk zijn er meerdere adviezen in de afgelopen
anderhalf, twee jaar die gaan over de vraag waar we ons op moeten
richten in onze industrie. Ik heb zelf de chemiebrief gestuurd en de
minister van Economische Zaken heeft een aantal sectoren benoemd die
prioritair zijn voor Nederland. Ik denk dat dat de aanpak is waar dit
kabinet voor staat: niet zozeer zeggen wat je niet wil, maar heel erg
focussen op wat je wel wil. De vraag is: wat zijn nou de industrieën van
de toekomst, die wij nodig hebben voor een krachtige en weerbare
economie? Zo kijk ik ook naar dat advies van vorige week: hoe kunnen we
die focus verder aanscherpen?
De voorzitter:
De heer Van den Berg. Daarna wil ik eigenlijk verder met het volgende
blokje, netcongestie.
De heer Van den Berg (JA21):
Even iets heel anders. Ik hoor continu over de plannen voor de
verduurzaming van de industrie, maar ik zie het als volgt. Vorig jaar is
20% van onze industrie verdwenen. Zoals het er nu naar uitziet,
verdwijnt er dit jaar nog eens 20%. Als dat zo doorgaat, dan hebben we
rond 2028 nog maar zo'n 30% van de industrie over die we twee jaar
geleden hadden. Er is dus echt een exodus gaande in die industriesector.
Kortom, ziet de minister nog mogelijkheden om gelijk nú die industrie
verder te helpen om de kosten naar beneden te brengen, bijvoorbeeld met
de energiebelastingen of de netwerktarieven, zodat we die industrieën
wél kunnen meenemen in dit hele verhaal?
Minister Hermans:
Ik deel met de heer Van den Berg dat we ongelofelijk voorzichtig moeten
zijn met onze industrie, want het zijn bedrijven die producten maken die
we allemaal elke dag nodig hebben en producten die we liever hier maken
dan dat we ze ergens anders vandaan moeten halen. Het zijn natuurlijk
ook bedrijven waar heel veel mensen werken. Kortom, die zijn van groot
belang voor onze economie en autonomie. Ik zie ook dat de industrie het
zwaar heeft. Dat is de reden geweest dat wij vorig jaar al een aantal
maatregelen hebben genomen om de moeilijke positie van de industrie te
verzachten. We hebben toen de IKC verlengd, we hebben iets in de
raffinageroute gedaan. Ik zal niet alle maatregelen herhalen die we
vorig jaar hebben genomen. We moeten ook niet de maatregelen rondom de
CO2-heffing vergeten. Het nieuwe coalitieakkoord neemt nog
een aantal maatregelen om aan die kostenkant nog wat extra's te doen,
maar ik zeg wel dat dit niet het enige is, want met name de chemie maar
ook de staalsector hebben te maken met een internationaal heel
ingewikkelde marktsituatie, waarin goedkope producten hier gedumpt
worden. Dat is niet op te lossen met nationaal beleid. Dat moeten wij in
Europees verband doen. Daar moeten we dus ook mee doorgaan.
De heer Van den Berg (JA21):
Die maatregelen zijn mij bekend. Ik heb zelf ook gewerkt met CBAM. Dus
dat is allemaal al in gang gezet. Het gaat erom dat die industrie nú
geholpen moet worden. De minister zei het zelf al: in het
coalitieakkoord is inderdaad extra geld gereserveerd voor die indirecte
kostencompensatie. Dat debat had ik ook met de heer De Groot. Dit jaar
staat zo'n 300 miljoen euro ingeboekt op de begroting, voor volgend jaar
400 miljoen euro en pas in 2028 gaat het om 500 miljoen euro. Waarom
beginnen we daar niet nu al gelijk mee, in plaats van dat we wachten tot
2028? Dan is de industrie al weg.
Minister Hermans:
Het antwoord is heel simpel: omdat het huidige kabinet bij de afgelopen
Voorjaarsnota de IKC al verlengd had voor '26, '27 en '28. Het is dus
een ophoging. De bedragen die de heer Van den Berg in het
coalitieakkoord ziet staan, zijn een ophoging.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Kortom, ziet u mogelijkheden om die gelden alsnog naar voren te halen,
zodat we de industrieën nú kunnen helpen in plaats van in 2028?
Minister Hermans:
De IKC-regeling kent een duidelijke afbakening voor sectoren die daar
aanspraak op kunnen maken en onder welke voorwaarden. De Commissie heeft
die voorwaarden net opnieuw gepresenteerd en geeft iets meer ruimte om
ook nog wat andere bedrijven te helpen. Dat doen we, maar binnen de
ruimte die de regeling geeft, kan iedereen aanspraak maken op die
regeling.
De voorzitter:
Netcongestie.
Minister Hermans:
Voorzitter. Netcongestie. Daar heb ik al wel veel over gezegd, dus ik
hoop dat ik u kan helpen door er wat sneller doorheen te gaan.
Ik begin bij de vraag van de heer Grinwis over datacenters of
"datadozen", zoals de heer Grinwis die noemde, en de impact daarvan op
het net. Het ministerie van VRO heeft sinds 2024 twee plekken aangewezen
waar grootschalige datacenters mogen komen. Dat gaat om de Eemshaven in
Groningen en Middenmeer in de Wieringermeer in Noord-Holland. Dat
betreft dan grootschalige datacenters van meer dan 70 megawatt en groter
dan 10 hectare; die beide voorwaarden moeten van kracht zijn. Gezien de
grote elektriciteitsvraag van datacenters, waar de heer Grinwis op
doelde, en de impact die zij hebben op het net, vind ik het begrijpelijk
dat er vragen ontstaan rondom het vestigingsbeleid en dat de vraag
ontstaat of we dat niet moeten aanscherpen om daarmee ook de impact op
het net te verminderen. Het vraagstuk van datacenters is wel breder dan
alleen energie. Het gaat over digitalisering, strategische autonomie,
verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheden en de impact op het
energiesysteem. Het vraagt dus een afweging van al die belangen en dus
ook een ruimtelijke strategie. Dat vind ik, nogmaals, logisch en
begrijpelijk, maar wel een vraag voor een volgend kabinet.
Voorzitter. De heer De Groot vroeg mij naar de flexcontracten: wat gaat
daar nou precies aan veranderen en wanneer? Het net beter benutten door
het flexibel te gebruiken is van ongelofelijk groot belang om de ruimte
die we hebben zo goed mogelijk te gebruiken en te bekijken of we het
aantal van 14.000 partijen die in de wachtrij staan naar beneden kunnen
brengen. De zogenaamde capaciteitssturingscontracten zijn daar heel
belangrijk voor. We zien echter ook dat die nog onvoldoende worden
afgesloten. Dat zit 'm op de voorwaarden; dat was de specifieke vraag
van de heer De Groot. Dat betreft onder andere de voorwaarden rondom
aansprakelijkheid en de looptijd van het contract. Er vindt nu overleg
plaats tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, KGG en de ACM om
op een aantal van die punten tot aanpassing of verbetering te komen. Het
probleem bij de looptijd is dat die nu gekoppeld is aan het einde van de
congestiesituatie, maar we weten allemaal niet precies wanneer dat is,
dus dat geeft een heel onhelder eindbeeld. We zoeken nu dus naar meer
werkbare looptijden van dat contract. De verwachting is dat dat
verbeterde contract uiterlijk in april beschikbaar is.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer Kops over de inzet van
gasgeneratoren: is het niet tegenstrijdig dat netcongestie wordt
veroorzaakt door duurzame-energieopwekking, terwijl netbeheerders
gasgeneratoren inzetten om pieken op te vangen? Ik begrijp op zich de
tegenstrijdigheid die de heer Kops noemt. Ik denk wel dat ons
tegenstrijdige gevoel ergens anders vandaan komt. Voor mij zit de
tegenstrijdigheid erin dat we het gebruik van gas aan het afbouwen en
hernieuwbaar aan het opbouwen zijn, en we nu af en toe gas nodig hebben
om balans in dat net te brengen. Natuurlijk moet je het zorgvuldig doen
en moet je een goeie afweging maken. Toch denk ik dat het goed is dat we
dat doen. Dat is het realisme waar deze tijd van de energietransitie om
vraagt. Als de inzet van gasgeneratoren als overbrugging kan dienen en
kan voorkomen dat een investering in verduurzaming helemaal niet
doorgaat en we dus stil komen te liggen, dan vind ik dat een te
verantwoorden en te verdedigen tussenoplossing. Natuurlijk hebben we
batterijen en opslag nodig als een langdurigere oplossing, maar dat is
gewoon nog niet ver genoeg om dit hele vraagstuk zonder gasgeneratoren
te kunnen oplossen.
Voorzitter. De heer Jumelet vroeg me hoeveel bedrijven door het
Aansluitoffensief aangesloten kunnen worden. Het eerlijke antwoord is
dat we nog geen onderbouwde inschatting kunnen geven van het aantal
bedrijven. We kunnen wel het effect in gigawatt geven. De schatting is
dat we in 2030 5 tot 10 gigawatt en in 2035 10 tot 20 gigawatt kunnen
vrijmaken. Maar dit is, nogmaals, een inschatting van het landelijk
effect. We hadden het al over de FGU-regio. Het netcongestieprobleem
doet zich in het land natuurlijk op verschillende manieren en in
verschillende gradaties voor. De impact zal dus per regio
verschillen.
Voorzitter. Wat betekent het Aansluitoffensief voor andere projecten,
zoals woningbouw, vroeg de heer Jumelet mij ook. Het doel van het
Aansluitoffensief is om zo veel mogelijk ruimte op het net te creëren,
zodat je bedrijven en instellingen op de wachtlijst zo snel mogelijk kan
aansluiten. Op plekken waar sprake is van tekorten zal dit natuurlijk
ook bijdragen aan het eerder ontstaan van ruimte voor prioritaire
partijen, zoals de woningbouw.
Voorzitter. De heer Jumelet bevroeg mij over het project
Veenoord-Boerdijk. Hij deed dat ook al eerder, in een commissiedebat.
Wat hier gebeurt is gewoon superwrang. Eigenlijk is alles in orde —
alles ligt klaar — maar omdat de Raad van State sneller met een
uitspraak kwam, waren de aannemers bij TenneT nog niet klaar om aan de
werkzaamheden te beginnen. Nogmaals, dat is heel wrang in een tijd
waarin snelheid geboden is en we elke vorm van vertraging moeten
voorkomen. Ik weet dat de grond inmiddels bouwrijp gemaakt wordt. Met de
aanleg wordt zo spoedig mogelijk gestart. Ook is er overleg met TenneT,
ambtenaren van KGG en mensen in de regio om te kijken waar in de bouw
versneld kan worden. Ook evalueert TenneT de gemaakte
inschattingsfout.
De heer Flach vroeg me hoe gemeentes kunnen helpen bij het
Aansluitoffensief. Gemeentes spelen een hele belangrijke rol bij het tot
een succes maken van het Aansluitoffensief. Voor een doorbraak is het
opzetten van regionale tenders voor flexibiliteit namelijk van groot
belang. We hebben regionale overheden, en dus ook gemeentes, hard nodig
om locaties te zoeken, bijvoorbeeld voor regelbaar vermogen of
batterijen. Daarnaast zijn gemeentes natuurlijk verantwoordelijk voor
het verlenen van de benodigde vergunningen. Kortom, we hebben de hulp
van en de samenwerking met gemeentes hard nodig.
Voorzitter. De vraag van mevrouw Teunissen over energiebesparing, in
lijn met haar motie om onafhankelijk te worden van olie en gas uit de
VS, is in alle interrupties inmiddels beantwoord, denk ik.
Voorzitter. Ik heb nog een vraag van de heer Dassen over het belang van
interconnectiviteit. Hoe kunnen we dat nog verbeteren en versnellen? De
integratie van de Europese energie-infrastructuur is natuurlijk van
groot belang. Het mooie, zou je kunnen zeggen, is dat Nederland al enorm
verbonden is. Maar het gaat er ook om dat de rest van Europa verder met
elkaar verbonden wordt. Ik was twee weken geleden in Hamburg, op de
Noordzeetop. Daar hebben we met een aantal landen rondom de Noordzee
afspraken gemaakt voor de verdere ontwikkeling van windenergie en de
energie-infrastructuur op zee. Het gaat over het versnellen, maar ook
het beter coördineren van de aanleg. Daar speelt interconnectiviteit een
belangrijke rol in.
Voorzitter. Ik ben de heer Köse nog een antwoord schuldig, maar ik heb
al wel het een en ander gezegd over het overleg met mensen in de regio.
De heer Köse stelde mij vragen over de gaswinning in kleine velden en de
verantwoorde afbouw. Het is goed om een paar algemene opmerkingen te
maken. De afgelopen jaren werd in Nederland ongeveer 30 miljard kuub
aardgas per jaar gebruikt. Ongeveer een derde daarvan wordt in Nederland
geproduceerd. De rest importeren we. Van die Nederlandse gasproductie
komt twee derde uit kleine velden op zee en een derde uit kleine velden
op land. Ook al bouwen we af, ook in de komende 25 jaar is de verwachte
vraag naar gas in Nederland nog steeds groter dan de verwachte
productie. We willen dat verschil natuurlijk zo klein mogelijk maken,
want hoe kleiner dat verschil is, hoe kleiner de importafhankelijkheid
is. Dat is de reden waarom we inzetten op opschaling van gaswinning op
de gasvelden op de Noordzee. Op land winnen we alleen waar dat veilig en
verantwoord kan. We zetten op die verantwoorde afbouw in via het
sectorakkoord. Met de uitvoeringsagenda van het sectorakkoord — daarmee
kom ik specifiek op de vraag van de heer Köse — blijven we eigenlijk dus
continu in gesprek met de sector en de gaswinningsbedrijven over een
verantwoord afbouwpad. We hebben natuurlijk ook de Mijnbouwtafels in
Friesland en in Drenthe en alle aparte overleggen in Groningen, zodat
ook dat gesprek met de regio gevoerd blijft worden. Dit in de richting
van de heer Köse.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw blokje netcongestie?
Minister Hermans:
Ja, voorzitter, dat denk ik wel. Ja.
De heer Van den Berg (JA21):
Nog even over netcongestie. Het ging er net al even over in het debat,
maar ons netwerk zit al sinds 2022 in een noodsituatie. Nu komt het
bericht van TenneT dat in de provincies Gelderland, Flevoland en in het
bijzonder Utrecht het stroomnetwerk op de rand staat van stroomuitval.
Dat is een bijzonder kritieke situatie. Ik vraag de minister hoe we dit
gaan voorkomen naast alle maatregelen die al zijn genomen, want op deze
manier komt ook de woningbouw verder stil te liggen. Dat is
onacceptabel.
Minister Hermans:
Ik gebruikte eerder het woord "ontstemd", maar ik ben hier eigenlijk
gewoon pissig over. Eerder in het debat stelde de heer Grinwis mij hier
al terecht een vraag over. We werken met z'n allen al jarenlang met man
en macht. We weten ook dat het in de FGU-regio al langere tijd kritiek
is en daar is een aanpak voor, maar nu komen we in een situatie die nog
somberder is dan we gedacht hadden, met als potentieel gevolg de
ongelofelijk ingrijpende maatregel van een aansluitstop. Maar daar zijn
we nog niet. Ik zal ook in de laatste anderhalve week dat ik nog
minister van Klimaat en Groene Groei ben, waar ook energie en de
netcongestie onder vallen, alles op alles zetten en alles doen wat in
mijn vermogen ligt om in kaart te brengen wat we kunnen en moeten doen
om dit te voorkomen. Ik zei al tegen de heer Grinwis dat dit zit in de
cijfers, in het in kaart brengen van de maatregelen en in voortdurend
overleg met die provincies over wat je specifiek in die provincies kan
doen.
De heer Van den Berg (JA21):
Als ik het goed lees, staat hier dat er zo snel mogelijk een
hoogspanningsstation bij Utrecht-Noord moet komen en dat we, als die er
niet komt, echt een — sorry — vet probleem hebben. Gaat de minister
daarvoor zorgen? Is dat ook iets wat zij in haar pakket wil verwerken of
hoe gaan we dat dan doen?
Minister Hermans:
Dat station bij Utrecht-Noord is van cruciaal belang. Daar spreken we al
langer over, ook over wat je kunt doen om daar te versnellen. Dat is al
onderdeel van gesprekken, maar je zou kunnen zeggen dat dit nu ook hoog
op de agenda staat. Ik zou niet willen zeggen dat dit met stip op één
staat, want je moet al die dingen tegelijkertijd en naast elkaar doen,
maar dit hoort daar zeker bij.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, tot slot. Ik heb er op deze manier — dat ligt niet per se gelijk aan
de minister of aan haar beantwoording — onvoldoende vertrouwen in dat we
dit voor de zomer gaan oplossen. We leven al in februari; over een paar
maanden is het zover. Dan hebben we een aansluitstop te pakken, ook voor
de kleingebruikers, dus de woningbouw. Dat is onacceptabel. Ik zou de
minister willen vragen om er alles, echt alles, aan te doen om dit te
gaan voorkomen. Die woningbouw is namelijk zo belangrijk. Dit kunnen we
niet laten liggen.
Minister Hermans:
Ja, ik doe er alles aan wat in mijn macht ligt. Laten we alsjeblieft wel
voorzichtig formuleren. Er is nu geen aansluitstop. Die dreigt wel. Het
scenario is somber. Maar ik zal er alles aan doen. Ik zal ook overdragen
aan mijn opvolger dat er alles aan gedaan moet worden om dat te
voorkomen. Ik denk dat ook TenneT en de regionale netbeheerders er alles
aan gelegen is om dit te voorkomen.
De heer Flach (SGP):
Ik ben, net als de minister, ontstemd over deze berichtgeving.
Netcongestie houdt ons namelijk al een aantal jaren bezig, maar we
worden toch weer verrast door dit bericht. Met andere woorden, wat zit
er nog meer in de verrassingspijplijn? Wat komt er nog meer aan? Wat
zijn de volgende verrassingen? De vraag die ik daarbij heb is: hoe
kunnen we nu een landelijk beeld krijgen van de situatie over een aantal
jaar, zodat we niet acuut nu dit soort noodscenario's over ons
uitgestort krijgen?
Minister Hermans:
Ik denk dat de heer Flach raakt aan wat eigenlijk mijn grootste
frustratie is op dit moment: hoe krijgen we nou goed zicht op die
cijfers en prognoses? Dat beeld wisselt nu te vaak. Ik zei het al tegen
de heer Grinwis. In oktober dachten we voorzichtig — dat is allemaal
relatief — te zien dat het een beetje de goede kant op ging. En nu, drie
maanden later, is er dit bericht en blijkt het veel somberder. Dus ik
wil dat er veel meer stabiliteit komt in die prognoses en in die
cijfers. Dat vraagt een hele intensieve samenwerking tussen TenneT,
netbeheerders en het ministerie. Ik zal nu in kaart brengen — dat wordt
as we speak ook gedaan door mijn collega's op het ministerie — wat wij
kunnen doen om dat te verbeteren, samen met TenneT. Hierbij neem ik heel
specifiek voor deze situatie ook mee hoe we deze cijfers op zo kort
mogelijke termijn van een second opinion kunnen voorzien, zodat ik heel
zeker weet, althans, zo zeker als mogelijk, wat de exacte situatie is en
waar de ingrepen nodig zijn.
De heer Flach (SGP):
Een van de dingen die de minister dan wel haar opvolger kan doen, is een
van de aanbevelingen uit het rapport van de gezant Netcongestie, Gerard
Schouw, oppakken. Dat is namelijk het zwaarder belasten van het net, de
vluchtstroken in gebruik nemen enzovoorts. Die discussie wil TenneT nu
ook gaan opstarten. Daar zit iets tegenstrijdigs in. Aan de ene kant
wordt er gewaarschuwd voor stroomuitval, terwijl we nog 20% capaciteit
hebben. Dat is gewoon lastig uit te leggen. Ik denk dat dat in de
communicatie beter moet worden uitgedragen en dat we daar snel ook op
een oplossing in moeten zetten. Laten we eerlijk zijn: liever een iets
lagere betrouwbaarheid dan straks een nullevering bij heel veel mensen
thuis.
Minister Hermans:
Dit is een van de sporen. Dit zat ook al in het aansluitoffensief dat we
onlangs gepresenteerd hebben voor heel Nederland. Ik deel dit heel erg
met de heer Flach. Daar komt wel iets bij. Als je dit gaat doen, dan zal
dat ook een discussie van kabinet en Kamer vragen. Hoe wegen we nou de
publieke belangen van beschikbaarheid en betrouwbaarheid en zorgen we
ervoor dat we door kunnen met woningbouwprojecten, om dat even als
voorbeeld te noemen? Gaan we met elkaar weloverwogen aan dat we meer
risico lopen, dus het risico van potentieel minder betrouwbaarheid, ten
behoeve van het door kunnen investeren om mensen, bedrijven en projecten
aan te kunnen blijven sluiten? Maar ik ben het honderd procent met de
heer Flach eens dat we deze discussie aan moeten met elkaar.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Flach (SGP):
Tot slot. Ik denk dat veel bestuurders en ontwikkelaars uit de regio
Flevoland, Gelderland en Utrecht kijken naar dit debat en ook luisteren
naar wat de minister hierover zegt. Wat kan de minister concreet op
korte termijn voor die drie provincies doen om deze problematiek af te
wenden?
Minister Hermans:
Ik denk hierbij aan het volgende. Eén: een second opinion op die
cijfers. Dat moet ook met de provincies samen, want zij moeten
natuurlijk ook precies weten wat hier exact het probleem is. Twee: de
maatregelen in kaart brengen. Wat kun je nog allemaal doen voordat je
tot die totaal onwenselijke maatregel van die aansluitstop overgaat?
Drie: met Flevoland, Gelderland en Utrecht kijken wat je hier nou
specifiek aan maatwerk zou kunnen doen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan
regelbare opwek.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben er toch echt wel van geschrokken. Wij laten de inwoners, de
bedrijven en zeker de woningzoekenden in Flevoland, Gelderland en
Utrecht niet zakken. Wat mij toch frappeert, is het volgende. Pakken we
dit wel voldoende als een crisis aan? Toen corona uitbrak, hadden we
binnen de kortste keren een crisisaanpak. Toen de energieprijzencrisis
uitbrak, met name naar aanleiding van de inval in Oekraïne in 2022,
hadden we binnen de kortste keren een crisisaanpak.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Hebben wij hiervoor wel voldoende een crisisaanpak? Als ik hoor dat de
bouw van het station in Utrecht-Noord vertraagd wordt door
bezwaarmakers, denk ik echt: wat zijn we in dit land aan het doen?
Minister Hermans:
Twee dingen hierover. Eén. Zeker deze specifieke situatie in FGU vraagt
alle aandacht en alle inzet. Het krijgt nog mijn inzet in de komende
anderhalve week, en ik geloof dat dit onderwerp daarna bij de
staatssecretaris van KGG belegd is. Dat zeg ik even uit mijn hoofd dus
pin mij hier niet op vast, maar dit moet met de grootste urgentie worden
aangepakt. Ik zie hoe hierover bij mij op het ministerie echt veelvuldig
overlegd wordt met TenneT en de netbeheerders, maar ik sta altijd open
voor wat daarin verbeterd kan worden. Je moet nooit blijven vasthouden
aan hoe het ooit bedacht is. Dat is één.
Het tweede is die vertraging, of vertragingen, moet ik eigenlijk zeggen,
die je op veel plekken in het land ziet door bezwaar- en
beroepsprocedures. Utrecht-Noord is nu een hele pregnante. Dat vraagt
ook iets van ons, hier in Den Haag, in de politiek. Het vraagt iets van
de bestuurlijke kant, dus van het kabinet, en van de Kamer. Ik snap echt
dat niemand zit te wachten op een hoogspanningsstation in zijn
achtertuin, als ik het even huiselijk mag zeggen. Maar als we dat
allemaal zeggen, in al die twaalf provincies, komt er geen
hoogspanningsstation bij en dan lossen we dit probleem niet op. Dus we
zullen dit soort lastige projecten in de achtertuin of op een plek waar
je het liever niet wilt, toch moeten overwegen en toch moeten doorzetten
voor het grotere belang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn zegen heeft de minister om dit te overrulen. Maar ik wil ook nog
even het punt in herinnering brengen dat de minister eerder in dit
blokje maakte over datacenters, naar aanleiding van mijn vraag. Dit
bericht over de dreigende aansluitstop voor kleinverbruikers in
Flevoland, Utrecht en Gelderland slaat in als een bom in de Kamer. We
schrikken daar enorm van, maar tegelijkertijd zitten we een soort van
met de handen in het haar, omdat er nog oude aanvragen zijn voor
datacenters, waar ooit vergunningen voor zijn verleend en waarvoor de
regelgeving die voormalig minister voor VRO Hugo de Jonge heeft
afgekondigd, eigenlijk onvoldoende is.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ondertussen voegen we dus die grote datadozen toe op ons net, terwijl
woningzoekenden schreeuwen om een huis, dat we straks niet meer kunnen
aansluiten. Ik vind dat echt ongelofelijk. Kunnen we dat niet nog beter
bij elkaar brengen?
Minister Hermans:
Uw punt is volstrekt helder. Ik deel dit ook, zeker met het nieuws dat
nu naar buiten is gekomen. In ons huidige beleid zijn er twee
voorwaarden waaraan je moet voldoen. Bij dat ene datacenter waar de heer
Grinwis onlangs volgens mij ook een mondelinge vraag over stelde, gaat
het om een constructie waardoor je net niet aan die twee voorwaarden
voldoet. Dan kun je er dus niet op sturen. Ik vind echt dat we hiernaar
moeten kijken in die bredere afweging die ik net schetste, waar
ruimtelijke afwegingen in spelen maar zeker ook de impact op het net,
indachtig het nieuws van zojuist.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Maar die en-enregel, dus én meer dan 10 hectare én meer dan 70 megawatt,
kan eenvoudig worden aangescherpt door het of-of te maken, dus dat
alleen 70 megawatt al voldoende is om het te kwalificeren als een
hyperscale. Dat even als suggestie. Maar het kan ook dat er ooit in het
verleden misschien een omgevingsvergunning is verstrekt. Is dat dan echt
dominant? Moet de netbeheerder zo'n partij, zo'n datacenter, dan
aansluiten? Kan het prioriteringskader niet zo veel tanden krijgen dat
we dat soort maatschappelijk wat minder nuttige toepassingen op korte
termijn even wat meer achter in de rij zetten ten opzichte van
woningbouwprojecten?
Minister Hermans:
Ik weet dat er natuurlijk ook naar dit soort oplossingen wordt gekeken
in het grotere vraagstuk van netcongestie en ruimte op het net. Ik zal
het even nagaan, want ik weet de precieze stand van zaken niet. Dan kan
ik daar in tweede termijn nog even op terugkomen bij de heer Grinwis.
Maar ik snap het ongemak. Tegelijkertijd gaat het ook om
rechtszekerheid. Daar kan ik niet zomaar doorheen fietsen. Maar ik
begrijp het punt en nogmaals, ik zal hier in tweede termijn nog even op
terugkomen.
De heer Vermeer (BBB):
Dit probleem in Flevoland, Gelderland en Utrecht speelt al een paar
jaar. Er wordt voor gewaarschuwd. De provinciebesturen lobbyen ervoor
dat er nu echt iets moet gebeuren. Al anderhalf jaar zeggen wij dat de
rode lampjes op het dashboard felrood branden. Dan kan de gezant wel
zeggen dat we de vluchtstrook benutten, maar nee, daar moet die auto op
neergezet worden, want als je lampjes branden, heb je storing. Nu komt
de provincie Flevoland met de oplossing om de overcapaciteit van
windturbines tijdelijk te benutten om de netcongestieproblemen op te
lossen, oftewel: zet die krengen uit!
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Vermeer (BBB):
Want dan kunnen wij gewoon gaan bouwen. Is de minister bereid om nu eens
gewoon in te grijpen en die pauzeknop op wind- en zonne-energie in te
drukken? Dat is namelijk een groot deel van de oorzaak van dit
probleem.
Minister Hermans:
Als het zo simpel was … Dat weet de heer Vermeer ook. Nu maken we een
ingewikkeld vraagstuk wel heel simplistisch. Dat neemt niet weg dat ik
vind dat we alle opties in kaart moeten brengen. Wat kan je doen in deze
provincies om die dreigende aansluitstop te voorkomen? Dat zal ik
doen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik bestrijd dat dit een simplistische oplossing is. Het is gewoon een
oplossing die de provincie Flevoland zelf voorstelt. Bij een file doen
we precies hetzelfde. Als er al een file staat, gaan we er niet nog meer
auto's naartoe leiden. Nee, dan halen we ze daar weg of blokkeren we de
weg met een rood kruis, als er een ongeluk is. Dit is dus helemaal niet
simpel. Ja, feitelijk is het wel simpel, maar het kan niet afgedaan
worden als iets te simplistisch om een oplossing te zijn.
Minister Hermans:
Ik heb toegezegd — dat blijf ik ook toezeggen — dat ik met de provincies
alles op een rij zet: wat we kunnen doen en welke maatregelen mogelijk
zijn, oplopend tot de maatregel die ik dus wil voorkomen. Dat zal ik ook
met de provincie Flevoland doen. In de richting van de heer Grinwis zeg
ik dat ik dat zal doen met een crisisteam binnen KGG. Op die manier gaan
we werken.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik heb een paar maanden geleden een motie ingediend die opriep om de
verdere flexibilisering, waar ik het in het debat ook over heb gehad,
vooral toe te passen in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht
en de wettelijke ruimte hiervoor te zoeken. Dat is hard nodig, is
vandaag maar weer gebleken. Ik hoor de minister iets zeggen over een
crisisteam. Mijn vraag gaat over het volgende. De minister gaf aan het
te willen bezien in de innovatieve aanpak die ze in heel Nederland gaat
toepassen. Is de minister inmiddels overtuigd dat het specifiek voor
Flevoland, Gelderland en Utrecht nodig is om daarnaar te kijken?
Minister Hermans:
Ik begrijp niet helemaal wat de heer De Groot daarmee bedoelt. Ik ging
net even in op die flexibele contracten. Als die worden aangepast,
gelden die voor het hele land. In FGU waren we al bezig met een
specifieke aanpak. Die wordt nu geïntensiveerd, omdat het probleem daar
op dit moment nijpend is.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dat stelt mij gerust. Het probleem is niet morgen opgelost, want er moet
heel veel gebeuren, maar ik ben blij dat de minister specifiek kijkt
naar de provincies die die aandacht hard nodig hebben. Dank.
De heer Dassen (Volt):
Bij netcongestie had ik gevraagd naar de betere interconnectiviteit met
andere Europese landen. De minister heeft mijn vraag beantwoord, maar in
het antwoord gaf zij aan dat Nederland daar al heel goed in is. Maar het
Europese doel is 15%; Nederland blijft op 8% haken. Kan zij mij dan
uitleggen waarom wij niet in staat zijn te voldoen aan die 15%?
Minister Hermans:
Dat je ergens goed in bent, betekent niet dat je klaar bent. Dat is een
van de redenen dat we bijvoorbeeld met het VK hard werken aan de
interconnectie via de LionLink, zodat wij kernenergie uit het VK kunnen
gebruiken en het VK windenergie van Nederwiek, een van onze windparken,
kan gebruiken. We zijn dus zeker nog niet klaar. Daar werken we hard aan
door. Het type afspraken dat we in Hamburg hebben gemaakt, is daar heel
belangrijk voor. Die afspraken gaan bijvoorbeeld ook over de vraag hoe
je de kosten en de baten verdeelt bij het aanleggen van zo'n
gezamenlijke infrastructuur.
De heer Dassen (Volt):
Het is cruciaal om de netcongestie tegen te gaan, maar ook om in Europa
straks een stabieler netwerk met elkaar te hebben dat beter kan omgaan
met sabotage, black-outs en dat soort zaken. Ik ben nog heel erg
zoekende hoe wij als Nederland ervoor kunnen zorgen dat we die doelen
gaan halen. Hoe kunnen we versnellen? Wat zijn daarin de knelpunten?
Waar lopen we tegen aan?
Minister Hermans:
Het is goed dat we die verklaring in Hamburg hebben getekend, denk ik.
Op Europees niveau moeten we onze planning beter op elkaar afstemmen.
Het gaat ook over hoe je de kosten kunt delen in dit soort projecten.
Dat gaat over kosten en baten, moet ik zeggen, want het gaat niet alleen
over de kosten. Dit weerhoudt landen er vaak van om zoiets aan te
leggen. Het is grensoverschrijdend: je hebt er allebei iets aan en maakt
allebei kosten. We hebben nu voor eerst afgesproken dat we dat gaan
uitwerken. Daar zijn we nog niet. Toen ik anderhalf jaar geleden begon
en ik dit idee van cost sharing opperde, keek iedereen mij wazig aan. Nu
hebben we in ieder geval het uitgangspunt vastgelegd.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Het liefst zou je dit natuurlijk Europees doen, want dan heb je deze
discussies niet en loop je niet vast met elkaar; dat kun je financieren
met eurobonds, maar dat is een heel ander debat. Is de minister het met
mij eens dat er een actieplan moet komen om ervoor te zorgen dat we dit
gaan versnellen, zodat we als Europa stabiliteit krijgen en de kosten
flink naar beneden gaan voor de consumenten? Is de minister van plan om
hier een actieplan voor te maken zodat we de doelstelling van 2030
halen?
Minister Hermans:
Volgens mij wordt hier gewoon continu aan gewerkt. We hebben in Europees
verband niet voor niks de samenwerking met landen rondom de Noordzee via
het Pentaverband en NSEC. Door met deze landen samen te werken, kunnen
we versnellen. Ik zit dus oprecht even te zoeken naar wat er de
toegevoegde waarde van is als ik nu een nieuw plan ga maken dat anders
is dan: hier met toewijding en tempo aan doorwerken.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen, dan meneer Jumelet en dan gaat u verder naar het
onderwerp kernenergie.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb nog een vraag over de datacenters. Ik begrijp dat de minister er
ook in tweede termijn op terugkomt, maar ik sloeg toch aan op wat ze
zei, namelijk dat een plan aan een nieuw kabinet is. Ik wil even een
verduidelijking. Er had namelijk allang ingegrepen moeten worden. We
hebben in 2022 de afspraak gemaakt dat er maar twee grote, hyperscale
datacenters komen. Nu blijkt dat niet het geval te zijn. We hebben een
netcongestiecrisis en we laten de datacenters maar binnenkomen. Ik weet
dat het nieuwe kabinet er al bijna is, maar volgens mij moet er nu heel
snel een plan worden gemaakt voor hoe we gaan ingrijpen en hoe we die
criteria gaan aanscherpen. Kan de minister dat bevestigen?
Minister Hermans:
Ik heb al gezegd dat ik de vragen van de heer Grinwis, die mevrouw
Teunissen dus onderstreept, snap, maar we hebben er ook gewoon mee te
maken dat de verbodsbepaling op enig moment is ingegaan. Op vergunningen
die voor 16 februari 2022 zijn aangevraagd, is die verbodsbepaling niet
van toepassing. Zoals ik net ook tegen de heer Grinwis zei, kan ik niet
zomaar overal doorheen fietsen. Dat laat onverlet dat ik vind dat we
hiernaar moeten kijken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Gezegd hebbende dat we de discussie niet helemaal opnieuw moeten gaan
doen, was het in 2022 duidelijk dat er maar twee hyperscale datacenters
kwamen. Nu komt uit een hoge hoed dat er al eerdere vergunningsaanvragen
waren. Dan vraag ik me af waarom door het ministerie überhaupt nog niet
de mogelijkheden in kaart zijn gebracht om iets te doen aan die oude
aanvragen. Misschien is dat wel gedaan; dan hoor ik het graag. Dat de
minister dat nu nog niet weet, toont wat mij betreft een gebrek aan
urgentiebesef.
Minister Hermans:
Het ruimtelijk beleid ten aanzien van datacenters is de
verantwoordelijkheid van de minister van VRO. Deze vraag werd hier
gesteld in relatie tot de impact op de netcongestie. Ik heb in algemene
zin iets gezegd over waarom ik het belangrijk vind dat we daarnaar
kijken, maar de beleidsverantwoordelijkheid voor dit domein ligt bij
VRO.
De heer Jumelet (CDA):
Ik hoor de minister zeggen dat er een crisisteam komt voor Utrecht,
Gelderland en Flevoland. Ik denk dat het heel goed is om zo te acteren,
maar als ik debat zo debat hoor, komt bij mij toch de vraag op hoe dit
allemaal zo kan gebeuren. Enige tijd geleden heb ik bij het debat over
netcongestie een motie ingediend over de manier waarop we inzicht kunnen
krijgen in de data. Ik wil toch aan de minister vragen om daarop nog
eens te reflecteren. Ik zou bijna zeggen: zijn we wel in control over al
de maatregelen die we nemen? Als we al die inzet plegen met al die
subsidieregelingen, zijn we daarbij in control? Doen we de goede
dingen?
Minister Hermans:
Volgens mij zei ik net ook tegen de heer Grinwis, de heer Flach en de
heer Vermeer dat ik dat niet vind kunnen bij zo'n ingewikkeld vraagstuk,
dat zo raakt aan onze samenleving. Het raakt aan de aansluiting van
woningbouwprojecten en aan bedrijven die willen uitbreiden of
verduurzamen, maar die niet weten waar ze aan toe zijn. Dan is het van
belang dat de data op orde zijn, zodat je kan sturen en monitoren, en je
problemen aan ziet komen. In oktober hadden we een ander beeld dan
vandaag — de hoeveelste is het vandaag? — op 12 februari. Dat kan niet.
Ik snap dat er iets verandert en dat het iets fluctueert, maar dit soort
grote verschillen kunnen niet. Ook daar kun je geen crisisaanpak op
bouwen. Ik vind dus dat zorgen voor echt hele strakke sturing op die
cijfers onderdeel moet zijn van wat dat crisisteam gaat doen; dat hadden
we ook al afgesproken. Heel specifiek voor deze regio wil ik een second
opinion over die cijfers. In het algemeen is de vraag hoe we meer rust
in die prognoses en stabiliteit in de cijfers brengen.
De heer Jumelet (CDA):
Dank voor het antwoord. Ik zeg er toch bij dat het bij al de dingen die
we doen, ontzettend nodig is om het grotere plaatje te zien. Het zou
toch jammer zijn als we belastinggeld besteden aan zaken waarvan we
later moeten zeggen dat we die anders hadden moeten doen? In die zin
denk ik dus dat het goed is dat er een crisisteam komt. Toch wil ik nog
benadrukken dat de regie heel belangrijk zal zijn in de komende
tijd.
Minister Hermans:
Dat deel ik.
De voorzitter:
U vervolgt met kernenergie.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter, kernenergie. De heer Heutink, die volgens mij niet in de
zaal is, vroeg hoe we vaart gaan maken met het realiseren van die nieuwe
kerncentrales. In het verlengde daarvan vroeg de heer De Groot mij wat
de stand is wat betreft de eerste twee grote centrales en of ik
bijvoorbeeld al met de grondverwerving ben begonnen. Het kabinet zet
echt concrete stappen richting de realisatie van de eerste twee
kerncentrales. Een belangrijk moment is dat we op korte termijn de
oprichting van NEO NL zullen formaliseren. Die deelneming gaat de nieuwe
kerncentrales laten bouwen en zal de exploitatie op zich nemen. Dat is
dus een belangrijk moment. Het klinkt misschien organisatorisch, maar
dat hebben we echt nodig om dit te kunnen doen. Daarnaast worden door
KGG op dit moment al werkzaamheden verricht, zodat NEO NL als zij is
opgericht — dat gaat echt snel gebeuren — kan starten met de
inkoopprocedure van de technologieleverancier. Dat is een tweede
belangrijk spoor in de bouw van de kerncentrales. Het derde gaat over de
locatiekeuze. Begin februari hebben we de Notitie Reikwijdte en
Detailniveau gepubliceerd. Dat is een belangrijke stap richting de
voorkeursbeslissing voor de locatie. Die is nog steeds na de zomer
voorzien. Ik kan in het algemeen geen uitspraken doen over strategische
grondverwerving, vanwege de vertrouwelijkheid en de positie. Dat
antwoord kan ik dus niet geven aan de heer De Groot.
Ik kan nog wel iets tegen de heer Dassen zeggen over SMR's en wat ik
daarbij realistisch acht. Laat ik zeggen dat ik positief ben over de
ontwikkeling van SMR's en de bijdrage die SMR's kunnen leveren aan het
Nederlandse energiesysteem. De eerlijkheid gebiedt mij ook te zeggen dat
initiatieven in Nederland echt nog moeten concretiseren en op dit moment
nog niet met een tijdspad kunnen aantonen dat realisatie in 2035 reëel
lijkt. Wat het kabinet nu doet, is initiatieven gepast ondersteunen, dus
daar waar echt een duidelijke vraag en behoefte liggen. Zo hopen we bij
te dragen aan de versnelling.
Als je internationaal kijkt, zie je dat er ook in andere westerse landen
nog geen SMR gebouwd is. In Canada is wel gestart met de bouw van een
first-of-a-kind SMR. De verwacht is dat die rond 2030 operationeel kan
zijn. Ik verwacht niet dat er in een ander land eerder dan in 2030 een
SMR zal draaien. Ik volg die ontwikkelingen op de voet. Ik ben in de
zomer in het VK geweest om te horen hoe zij met hun SMR-programma en
-aanpak omgaan. Ik spreek er rondom de Energieraad ook vaak met
collega's uit Finland en Zweden over. Zo blijven we kennis en informatie
uitwisselen. Ik heb in het vorige debat Kernenergie een stappenplan aan
de Kamer toegezegd waarin we nog specifieker uiteenzetten hoe wij de
ontwikkeling en planning van SMR's in Nederland voor ons zien. Ik
verwacht dat dat voor de zomer aan de Kamer gestuurd kan worden.
Voorzitter. Dan ga ik langzaam over naar het blokje overig.
De heer Dassen (Volt):
Ik heb een vraag aan de minister, ook voor haar opvolger. In het
coalitieakkoord wordt wat ruimte opengelaten om te zeggen: de grote
kerncentrales gaan we niet meer bouwen; we gaan alleen nog maar focussen
op de SMR's. Wat zou haar advies hierin zijn?
Minister Hermans:
Ik ben in dit kabinet begonnen met de ambitie van vier kerncentrales en
het in beeld brengen van wat SMR's zouden kunnen bijdragen aan
kernenergie of het energiesysteem in Nederland. Daarvoor heb ik dus
alles in gang gezet. Ik heb voor de eerste twee kerncentrales de stappen
in kaart gebracht om tot de locatiekeuze en de start van de bouw over te
kunnen gaan. Voor kerncentrales 3 en 4 zitten we nog een paar stappen
daarvóór. Vooral ruimtelijk zijn we nu aan het kijken wat daarin de
mogelijkheden en opties zijn. Daar gaan we in het NPE, dat met
Prinsjesdag verschijnt, nader op in. We hebben nu in beeld gebracht wat
voor bijdrage de SMR's kunnen leveren en ik kom met een stappenplan. Dit
zou ik overdragen. Dit is ook hoe ik de passage interpreteer. We hebben
die vier kerncentrales — bij 1 en 2 zijn we waar we zijn en bij 3 en 4
zijn we bezig met die ruimtelijke inpassing — en we hebben de potentie
van SMR's.
De heer Dassen (Volt):
Dat is weer een andere interpretatie dan we eerder in het debat hebben
uitgewisseld. Bij de meeste partijen was die volgens mij dat er twee
SMR's zouden zijn; voor sommige partijen zouden er ook vier SMR's kunnen
zijn. Kan de minister aangeven wat de eventuele consequenties zijn als
de bouw van de twee voorgenomen kerncentrales, waar al stappen in zijn
genomen, niet doorgaan?
Minister Hermans:
Dat is een wat-alsvraag, die voor mij op dit moment totaal niet relevant
is. Ik heb net geschetst dat we aan de vooravond staan van het oprichten
van de deelneming NEO NL. We hebben de Notitie Reikwijdte gepubliceerd,
zodat we op weg kunnen naar de locatiebeslissing. Alles is daarop
gericht.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Dassen (Volt):
Dit is geen wat-alsvraag. In het coalitieakkoord staat het niet zo
duidelijk als in het regeerakkoord van deze minister. Dat roept bij mij
vragen op. Het is dan een terechte vraag, denk ik, of zij kan aangeven
wat de consequenties zijn als we die trajecten zouden stoppen.
Minister Hermans:
De heer Dassen vroeg mij wat ik zou overdragen aan mijn opvolger. Dat
heb ik duidelijk gemaakt: de stappen die we hebben gezet voor 1 en 2
doorzetten, voor 3 en 4 hetzelfde doen en de potentie voor SMR's verder
uitwerken in dat stappenplan. De consequentie van nu stoppen is dat er
ongelofelijk veel werk verloren gaat en je iets weggooit wat we keihard
nodig hebben in de toekomst, namelijk regelbare opwek. Mijn dringende
advies zou dus zijn om door te gaan met kernenergie, maar dat is ook
gewoon de afspraak in het coalitieakkoord.
De voorzitter:
De heer Van den Berg heeft een interruptie en dan rondt u uw
beantwoording af.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik hoor de minister net zeggen dat er voor Nederland nog geen concrete
plannen zijn voor wanneer wij een SMR gebouwd kunnen hebben. Ik spreek
veel met de kernenergie-industrie. Die zegt heel duidelijk dat het wel
kan voor 2035, mits wij aan de voorkant helpen met de vergunning en er
een locatiebesluit komt, zoals we bij windturbines doen. Kortom, waarom
doen we dat nog niet voor kernenergie?
Minister Hermans:
Wij zijn in gesprek met verschillende initiatiefnemers die werken aan
SMR's. We bekijken waar we kunnen ondersteunen om de SMR-ontwikkeling te
versnellen. Ik zie echt potentie, op verschillende manieren ingepast in
ons energiesysteem. Ik schetste het net ook al richting de heer Dassen.
Kijk internationaal. Er is in Canada gestart met de bouw van een
first-of-a-kind SMR, die rond 2030 operationeel zal zijn. Maar daar zijn
wij gewoon nog niet. Dit is mijn beste inschatting op dit moment. Maar u
krijgt het toegezegde stappenplan voor de zomer. Volgens mij heb ik dat
zelfs specifiek aan de heer Van den Berg toegezegd.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, klopt. Dank u wel daarvoor, minister. U hoort ook mijn roep om
versnelling. Stel dat we de regels gelijktrekken met de regels voor
windparken op zee. We geven vergunningen voor die windparken en geven
het op een presenteerblaadje aan de windindustrie. Waarom kunnen we dat
niet ook gewoon doen voor kernenergie? Kies een locatie en help met de
vergunningen. Dan kunnen de private investeerders instappen. Waarom doen
we dat niet?
Minister Hermans:
De heer Van den Berg doet nu alsof we met een bootje de zee op gaan en
een locatie aanwijzen en dat er vervolgens een windpark wordt gebouwd,
maar zo werkt het niet. Daar gaat echt wel wat meer werk in zitten, nog
los van de ingewikkeldheid waar de windsector op dit moment mee te maken
heeft. Het bouwen van kerncentrales is een ongelofelijk complexe,
technische operatie en vraagt om heel veel ruimtelijke inpassingen. Wij
hebben in Nederland afspraken gemaakt over hoe we dat op een zorgvuldige
manier doen, via projectprocedures. Daar hecht ik aan. Waar we snelheid
kunnen maken, zal ik dat natuurlijk niet nalaten.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van den Berg (JA21):
Tot slot. Inderdaad, windturbines zijn ook niet makkelijk om te bouwen.
Van Oord doet dat heel erg goed. Maar de overheid wijst de kavels aan,
zoals IJmuiden Ver Gamma. Dat doet we niet bij kernenergie. Sterker nog,
we helpen de windparken met de vergunningen. Wanneer windenergiebouwers
zich niet inschrijven, verhogen we zelfs de subsidie voor de windparken.
Nogmaals, waarom kunnen we dat niet ook bij kernenergie doen? Help die
industrie nou, minister.
Minister Hermans:
Er staat in het Klimaatfonds zo'n 13,5 miljard, geloof ik, gereserveerd
voor kernenergie. Bij wind op zee helpen we nu met een subsidie om te
voorkomen dat het stilvalt. Dit is wat we te doen hebben in die
energietransitie; het is en-en-en. Daar waar we kunnen helpen,
ondersteunen we. Iets bouwen op zee waar niet direct mensen omheen wonen
of op land waar je in een dorp, stad of regio terechtkomt, vraagt om
andere typen overleg. De manier waarop het impact heeft op de natuur is
anders. We houden overal rekening mee. Waar we sneller kunnen, zullen we
dat doen. Maar het is en-en-en. Om het in de woorden van de heer Van den
Berg in zijn maidenspeech te zeggen: het is doorzettingsvermogen en het
is niet opgeven. Dat geldt ook voor deze energietransitie. Voorzitter,
via u nog even mijn complimenten voor de maidenspeech van de heer Van
den Berg.
De voorzitter:
Komt u tot een soort van afronding van uw beantwoording?
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Dat ga ik echt proberen. Mevrouw Teunissen en ik hebben
het al vaker gehad over een verbod op fossiele reclames. Haar vraag aan
mij was nu hoeveel ik nog moet onderzoeken tot we tot een nationaal
verbod overgaan. Het is meer … Ik heb in verschillende brieven
gereageerd op gedane onderzoeken. Ik heb niet gezegd dat het per
definitie onmogelijk is, maar wel dat het heel veel vraagt. Het is ook
niet het beleid van dit kabinet om daartoe over te gaan. Ik zie dus op
dit moment geen aanleiding om die conclusie te herzien.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u eerst uw beantwoording afrondt. Dan doe ik daarna nog
een ronde interrupties, een hele korte schorsing en dan de tweede
termijn van de zijde van de Kamer.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Teunissen vroeg ook naar de uitspraak over Bonaire.
Dat oordeel hebben we gezien en dat kennen we. Dat wordt nu zorgvuldig
bestudeerd door het kabinet. Het volgende kabinet zal invulling geven
aan de verschillende aspecten van de uitspraak en de afweging maken of
er in hoger beroep wordt gegaan. De amendementen doe ik zo apart.
Dan de vraag van de heer Dassen, of wij eenzelfde soort onderzoek
overwegen als de Britse veiligheidsdiensten hebben gedaan naar
klimaatverandering en de impact daarvan op onze veiligheid, gezondheid
en stabiliteit. Ik ken het rapport waar de heer Dassen naar verwijst en
ik herken ook een aantal van de risico's en de impact die daarin
geschetst worden. Ik vind ook dat we die veiligheidsrisico's voor
Nederland goed in de gaten moeten houden. Ik kan tegen de heer Dassen
zeggen dat het Analistennetwerk Nationale Veiligheid in opdracht van de
NCTV de gevolgen van klimaatverandering voor de nationale veiligheid
heeft geanalyseerd. Dat is terug te lezen in een analyse uit 2022 en een
trendanalyse uit 2024. Of er een nieuwe dreigingsanalyse analoog aan de
Britse veiligheidsdiensten moet komen, is natuurlijk aan een volgend
kabinet. Maar de gedachte dat je deze opgave ook in relatie tot
veiligheid moet bezien, deel ik erg met de heer Dassen.
Voorzitter. Dan nog een vraag van de heer Kops over de zogenaamde
statistische overdracht als het 2030-doel niet wordt gehaald. In
tegenstelling tot hoe het was in 2020, is er nu niet een bindend
nationaal doel voor hernieuwbare energie vastgesteld. Daarom kunnen we
niet op voorhand stellen, wat onlangs in het nieuws was, dat Nederland
een eventueel tekort op haar nationale bijdrage aan het Europese doel
financieel zou moeten compenseren. Zo was dat dus in 2020. De focus is
er op dit moment op gericht om het beleid dat we hebben afgesproken, om
het 2030-doel te halen, ook voor elkaar te krijgen. Het heeft de
voorkeur om aanvullende acties te nemen in plaats van over te gaan op
die statistische overdracht.
Voorzitter. Dan denk ik dat ik alle vragen beantwoord heb. Nee.
Misschien nog een laatste, van de heer Klos, over de eindejaarsmarge. Ik
heb de systematiek daarvan al wel in de beantwoording toegelicht, maar
dan hier nu nog een enkel mondeling woord daarover. We hebben de
afspraak dat als departementen voor de Miljoenennota zien dat het geld
niet helemaal tot besteding komt, zij dat kunnen overmaken naar het
Klimaatfonds, zodat het beschikbaar blijft voor klimaat- en
energiebeleid. We hebben daar de afgelopen jaren ook echt op gestuurd,
zo van: doe dat nou, ministerie IenW en van VRO, als je daarvoor staat.
Daar zal ik mee doorgaan; ik zal dat overdragen aan mijn opvolger.
Overigens geldt dat ook voor mijzelf, voor industrie en elektriciteit:
doe dat nou, want dan blijft het geld beschikbaar. Ik denk dat mijn les
vooral is dat we daar strak op sturen.
Voorzitter, dat was dan echt de laatste vraag.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef één ronde ruimte voor interrupties. Ik zie drie
interrumpanten bij de microfoon staan.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Toch nog even over het landelijk verbod op fossiele reclames en
vleesreclames. De minister zegt dat het heel ingewikkeld is en dat er
heel veel bij komt kijken, maar ik maak het punt nu, omdat we zien dat
Amsterdam, Den Haag, Delft, Haarlem en Zwolle — misschien vergeet ik nog
een gemeente — nu allemaal dat verbod hebben ingesteld, in ieder geval
voor fossiele reclames en een aantal ook voor vleesreclames. Het is
natuurlijk volledig tegenstrijdig dat we het hier de hele tijd hebben
over de industrie die, terecht, moet verduurzamen, maar dat je
tegelijkertijd de behoefte aan, de vraag naar, vervuilende producten
creëert. Dat is volledig tegenstrijdig beleid. Als al die gemeentes dat
nu doen, snap ik niet waarom de minister zegt dat het heel ingewikkeld
is om tot een landelijk verbod te komen. Dat lijkt me helemaal niet zo
ingewikkeld.
Minister Hermans:
Waarschijnlijk wegen wij allebei hoe complex het is. Ik vind het complex
als ik kijk naar wat ik moet afbakenen voor zo'n landelijk verbod. Ik
heb, met dit kabinet, de afweging gemaakt en ga niet tot zo'n landelijk
verbod over. Het staat een nieuw kabinet natuurlijk vrij om die afweging
opnieuw te maken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Maar dan is het wel zaak dat je die weging maakt op basis van wat we
zien in de praktijk. De minister zegt dat het aan de afbakening ligt.
Dat is nou precies wat we in de praktijk zien, een hele heldere
afbakening van wat nou fossiele reclame en vleesreclame in de openbare
ruimte is. Er is zelfs een rechtszaak over gevoerd in Den Haag, waarin
de gemeente Den Haag gewoon gelijk heeft gekregen. Welke weging heeft de
minister dan gemaakt waardoor zij nu denkt dat dit allemaal niet
kan?
Minister Hermans:
Als je tot een nationaal verbod overgaat — ik heb het even niet over het
lokale verbod — moet je een maatstaf ontwikkelen of een grenswaarde
vastleggen voor wat je nou wel of niet als fossiel kunt beschouwen. Zo'n
maatstaf bestaat op dit moment niet. Je moet duidelijk maken op welke
vormen het verbod betrekking zou hebben. Je moet natuurlijk juridisch
robuust onderbouwen dat zo'n verbod ook echt effectief beschermt tegen
klimaatschade, luchtverontreiniging en gezondheidsschade. Dat vraagt ook
weer maatstaven en grenswaarden. Ik heb de conclusie getrokken dat ik
dat niet ga doen. Ik richt de energie op andere maatregelen om tot
duurzaam gedrag te komen, en ik denk dat dat iets is wat mevrouw
Teunissen en ik delen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Die andere maatregelen zijn er niet. Dat is nou precies het probleem. Ik
zie geen andere maatregelen vanuit het kabinet om ervoor te zorgen dat
vervuilend gedrag niet langer wordt aangewakkerd. Als de minister mij
één maatregel kan noemen, is dat oké, maar ik zie die maatregelen niet
en dit is wel het laaghangend fruit. Een verbod op fossiele reclame is
het meest simpele wat we kunnen doen om vervuilend gedrag niet aan te
wakkeren.
Minister Hermans:
Je gaat naar verbodsmaatregelen kijken als je gelooft dat je alles wat
niet mag, moet bestraffen of stoppen. Ik geloof ook heel erg dat je het
goede gedrag moet stimuleren. We hebben een SDE++-regeling om
ondernemers en bedrijven te helpen bij innovaties in hernieuwbare
energie en schoner produceren. We hebben de ISDE-regeling om mensen die
hun huis willen isoleren te kunnen ondersteunen. Zo kan ik nog wel een
tijdje doorgaan. Die maatregelen zijn er dus in overvloed.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
De minister had het net al eventjes over Bonaire en de uitspraak. De
minister heeft het eerder een stevige uitspraak genoemd, en ze heeft een
brief gestuurd waarin ze zegt dat het aan het volgende kabinet is om
maatregelen te treffen. Maar wat er in die uitspraak staat, is nogal
wat. Er is gediscrimineerd. Het eiland is onvoldoende beschermd. Het is
eigenlijk opnieuw een aanmaning gericht aan de Staat om meer te doen in
de strijd tegen klimaatverandering. Ik doe dus toch de oproep aan de
minister om iets verder te gaan en om te reflecteren op die uitspraak.
Wat doet zo'n uitspraak met de klimaatminister?
Minister Hermans:
Ik neem uitspraken altijd serieus en ik respecteer die ook. Dit is een
vonnis van, ik dacht, 90 pagina's. Daar hoort bij dat je even de tijd
neemt om dat goed tot je te nemen. Er zitten verschillende elementen in
de uitspraak, die zien op mitigatie en adaptatie. Ik wil die goed tot
mij laten doordringen om daar op een passende manier op te kunnen
reageren. Wat vraagt het in termen van beleid en maatregelen om
invulling te geven aan die uitspraak? Zoals ik al zei, kijken we ook
naar de weging of we al dan niet in beroep gaan.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat het tijd kost. Het is een lange uitspraak, maar wij
zouden graag nu al meer willen doen om het eiland te beschermen en om
het signaal af te geven aan het eiland dat wij deze uitspraak serieus
nemen. Daarom komt mijn fractie met een amendement over duurzame
energie, al voor dit jaar. Ik vroeg me af hoe de minister daarop
reflecteert.
Minister Hermans:
Ik kom zo nog op de amendementen. Ik heb dat amendement gezien. Ik zal
daar zo op reflecteren, want ik denk dat het een goede stap is. Ik denk
wel dat we er voorzichtig in moeten zijn om dat nu te koppelen aan de
uitspraak, want daarmee zouden we geen recht doen aan diezelfde
uitspraak en overigens ook niet aan de goede intentie van het
amendement.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil het ook hebben over Bonaire. Allereerst de vraag aan de minister:
heeft u de uitspraak ondertussen wel kunnen lezen? Want we zijn nu
vijftien dagen verder. Ten tweede: kent u het IPCC-rapport, waarop het
gebaseerd is?
De voorzitter:
Ik ken het niet, maar u vraagt het aan de minister.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik vraag het inderdaad aan de minister, voorzitter.
Minister Hermans:
Ik heb net in de richting van mevrouw Van Oosterhout geschetst dat we
dat vonnis nu bestuderen. Ik heb in de afgelopen dagen niet alle 90
pagina's gelezen, maar ik heb wel een uitgebreide samenvatting gezien.
Ik ben daarover ook bijgepraat door mijn collega's op het ministerie. Ik
snap dat de heer Van den Berg mij nu allerlei uitspraken wil ontlokken
over dat vonnis, maar ik ga dat niet doen. Ik vind dat geen recht doen
aan deze uitspraak. Als ik reflecteer op de inhoud van de uitspraak,
moet ik ook het handelingsperspectief erbij schetsen voor wat we gaan
doen en dat vraagt echt om een afweging in het volgende kabinet.
De heer Van den Berg (JA21):
Daarom vraag ik ook aan de minister of zij het IPCC-rapport kent. Daarin
staan scenario's geprojecteerd, die ook door het KNMI worden onderbouwd.
Juist het hoogste scenario is compleet fictief. Dat is enkel bedoeld om
dit soort zaken te agenderen, maar dat niet is gebaseerd op de
realiteit. Kent de minister dat IPCC-rapport ook?
Minister Hermans:
Er zijn vele IPCC-rapporten en die zijn van onschatbare waarde. Ik denk
dat die wetenschappelijke kennis en data cruciaal zijn om goed
klimaatbeleid te kunnen voeren. Wat mij betreft hoort daarbij dat je
daarin scenario's schetst met een verschillende bandbreedte. De exacte
details van het scenario waar de heer Van den Berg nu naar verwijst, ken
ik niet, maar daar wil ik me uiteraard best in verdiepen. Maar dat laat
onverlet dat de rechter een uitspraak heeft gedaan en dat wij ons
daartoe te verhouden hebben. Daar hoort ook de weging bij of we in hoger
beroep gaan, mogelijk op grond van de scenario's waar de heer Van den
Berg nu naar verwijst.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik wil toch het volgende meegeven. Ik snap de overweging, maar ik heb
het wel allemaal doorgelezen. We zien dat het is gebaseerd op een
fictief scenario. Ik vind dat we in deze zaal debatten moeten voeren op
basis van de feiten. Ik zou graag aan de minister willen vragen of zij
dat kan meenemen in haar afweging over het hoger beroep. Wat ons betreft
moet dat er zeker komen, want op deze manier nemen we een hele verkeerde
afslag in dit debat en hebben we het niet meer over de feiten.
Minister Hermans:
Bij de weging of we in hoger beroep gaan, zullen we heel veel feiten en
informatie betrekken.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Van den Berg brengt hier een belangrijk punt naar voren,
waarover wij inmiddels ook Kamervragen hebben ingediend. Wat ons betreft
moeten we niet alleen in hoger beroep gaan, maar had de landsadvocaat
deze hele zaak supermakkelijk kunnen fileren, want die is inderdaad
gebaseerd op scenario's waarbij we alle zonnepanelen en alle windmolens
in de hele wereld gaan uitzetten et cetera. Dat gaat gewoon niet
gebeuren.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Vermeer (BBB):
Mijn vraag is of de minister een idee heeft wanneer de antwoorden op de
vragen die ik gesteld heb, naar de Kamer kunnen komen. Heeft zij daar op
dit moment een inschatting van?
Minister Hermans:
Ik heb geen idee. Ik weet ook niet wanneer die vragen gesteld zijn, maar
ik zal dat nagaan en ik zal er straks op reageren.
De heer Vermeer (BBB):
Oké.
Dan heb ik nog een andere vraag. In de schriftelijke beantwoording in de
eerste termijn op de vraag over een afstandsnorm van 10 kilometer staat
dat daarmee de toekomstige realisatie van windturbines op land niet meer
mogelijk is en dat dat grote gevolgen heeft voor de realisatie van de
woningbouw, voor de uitbreiding van bedrijventerreinen en voor de
economische groei. De gevolgen zijn toch dat dan méér mogelijk gemaakt
wordt? Als je geen windmolen hebt staan die overlast kan veroorzaken,
dan kun je toch meer bouwen?
Minister Hermans:
Windmolens op land kunnen juist helpen, bijvoorbeeld op
bedrijventerreinen of bij boeren. Die zeggen: laat ons een windmolen
hier neerzetten, met de opwek dicht bij waar wij het willen gebruiken,
dan hoef je het ook niet te transporteren. In het hele
netcongestievraagstuk kan dit dus een oplossing zijn. Als je met een
afstandsnorm van 10 kilometer gaat werken, zoals de heer Kops
suggereerde, dan is dat onmogelijk. Dat is wat u in die beantwoording
leest.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Vermeer (BBB):
In de alinea daarna staat nog: "Daarnaast zijn er milieunormen voor het
beschermen van de leefomgeving voor omwonenden, zoals geluids-,
veiligheids- en slagschaduwnormen. Een afstandsnorm biedt geen
aanvullende bescherming." Maar als het waar is dat er met die
afstandsnorm geen enkele windmolen gebouwd kan worden, dan heb je toch
ook helemaal geen milieunormen en andere normen meer nodig? Ze zijn er
immers niet meer. Deelt de minister dat?
Minister Hermans:
Het gaat over de vraag met wat voor norm je milieu- en
gezondheidsbelangen beschermt. Dat doe je via de milieunormen. Dat is
wat daar in het antwoord staat. Ik weet dat de heer Vermeer geen groot
fan — nu druk ik mij voorzichtig uit — is van wind op land, dus ik snap
de redenering die de heer Vermeer via de interruptiemicrofoon in mijn
richting gooit, maar daarop zeg ik het volgende terug. Ik zie echt dat
we hier goed naar moet kijken, ook in termen van draagvlak voor de hele
transitie. Tegelijkertijd moeten we er in het belang van
bedrijventerreinen en agrariërs die er behoefte aan hebben om in hun
eigen energie te voorzien, voor waken om dat allemaal onmogelijk te
maken.
De voorzitter:
De amendementen.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Die heb ik hier. Volgens mijn administratie heb ik er
vijf.
De voorzitter:
Klopt.
Minister Hermans:
Mooi! Voorzitter. Dan begin met het amendement op stuk nr. 11, van
mevrouw Van Oosterhout, over extra handhaving van de
energiebesparingsplicht. Wij onderzoeken op dit moment, naar aanleiding
van een motie van mevrouw Van Oosterhout, of er aanvullende middelen
voor toezicht en handhaving noodzakelijk zijn. Dus wat dat betreft is
het amendement wat te vroeg. Daar komt bij dat de dekking uit het
perceel kernenergie onwenselijk is, om redenen waar ik bij heb
stilgestaan in het blokje kernenergie. Om beide redenen ontraad ik dus
dit amendement.
De voorzitter:
Dan het amendement op stuk nr. 16.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan kom ik inderdaad bij het amendement op stuk nr. 16, van
mevrouw Van Oosterhout en mevrouw Kröger, over het inzetten van extra
middelen voor de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen, waar we
ook bij hebben stilgestaan in dit debat. Ik onderschrijf het belang van
de opschaling van collectieve warmte. Daar heb ik volgens mij voldoende
over gezegd. Maar ik wil het echt aan mijn opvolger overlaten om bij
Voorjaarsnota te bezien hoe we met de middelen in het Klimaatfonds, die
specifiek zijn gereserveerd voor de gebouwde omgeving, omgaan ten
aanzien van het stimuleren van duurzame warmtepompen et cetera.
Bovendien wordt ook dit gedekt uit het perceel kernenergie. Die
combinatie maakt dat ik dit amendement ontraad.
Voorzitter. Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 17 van mevrouw Van
Oosterhout, de heer Grinwis en de heer Ceder om geld vrij te maken voor
een structurele verlaging van de elektriciteitsprijzen door verhoging
van de groene productiecapaciteit op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.
Over dit amendement hebben we net al even van gedachten gewisseld. Ik
snap deze stap en waardeer ook de inzet om iets te doen. Met de dekking
die is vrijgemaakt via het flankerend beleid SDE++ zie ik hier dus echt
de toegevoegde waarde van in, en zou ik dit amendement dus "oordeel
Kamer" willen geven.
De voorzitter:
Dan het amendement op stuk nr. 18.
Minister Hermans:
Het amendement op stuk nr. 18 is een amendement van de heer Ceder, de
heer Grinwis en mevrouw Van Oosterhout. Dat gaat over het voortzetten
van de subsidie op de tarieven voor nutsvoorzieningen voor inwoners van
Caribisch Nederland. Daarvoor heb ik dezelfde woorden als net richting
mevrouw Van Oosterhout: ook dit amendement krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
Tot slot.
Minister Hermans:
Voorzitter. Tot slot het amendement op stuk nr. 19 van mevrouw
Teunissen. Dat gaat eigenlijk om een herschikking van budgetten.
Natuurlijk moeten we naast CCS ook inzetten op natuurlijke
CO2-opslag. Dat doen we ook, maar de aanvullende inzet, ook
financieel, is aan een volgend kabinet. Ik vind de dekking voor dit
amendement, die uit het perceel kernenergie komt, niet wenselijk. Daarom
ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Daarmee is de minister aan het eind gekomen van haar beantwoording. Daar
dank ik haar ook voor. Ik schors een heel kort ogenblik, waarna we
verdergaan met de tweede termijn van de Kamer. De vergadering is dus
heel kort geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde
van de Kamer van de behandeling van de begroting Klimaat en Groene
Groei. Ik geef het woord aan de heer Klos voor zijn inbreng in tweede
termijn namens D66. Gaat uw gang.
De heer Klos (D66):
Dank u wel, voorzitter. Nogmaals dank aan de minister voor haar inzet.
Heel veel succes bij een volgend ministerie. Ook felicitaties aan de
heer Van den Berg en mevrouw Van Oosterhout — dat heb ik nog niet kunnen
doen — voor hun prachtige maidenspeeches. Ik zie zeer uit naar de
samenwerking op dat vlak.
Namens mijn fractie heb ik twee moties. De eerste.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Klimaatfonds een eindejaarsmarge heeft van 100%,
maar dat in de toepassing van de begrotingsregels dit principe niet is
gehanteerd voor de Klimaatfondsmiddelen die zijn overgeheveld naar
andere begrotingen en niet zijn besteed;
constaterende dat in artikel 6 van de Tijdelijke wet Klimaat- en
energiefonds is bepaald dat bijdragen aan andere begrotingen uit het
Klimaatfonds die niet zijn besteed, ten bate moeten komen van het
fonds;
overwegende dat op dit punt spanning zit tussen de begrotingsregels en
de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds;
overwegende dat middelen in een begrotingsfonds zijn opgenomen omdat het
precieze moment van besteding onzeker is en het wenselijk is dat
middelen die voor het Klimaat- en energiefonds zijn bestemd hiervoor
behouden blijven;
verzoekt de regering opnieuw te bezien hoe met overgehevelde
niet-bestede middelen uit het Klimaatfonds wordt omgegaan, en de Kamer
hierover bij de Miljoenennota te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Jumelet, Grinwis, Flach,
Teunissen en Van Oosterhout.
Zij krijgt nr. 21 (36800-XXIII).
De heer Klos (D66):
Dan een motie over klimaatveiligheid, waar ik in mijn bijdrage ook
aandacht voor vroeg.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Britse inlichtingendiensten recent vaststelden dat
klimaatverandering de Britse nationale veiligheid raakt en ook in
Duitsland en de VS onderzoek is gedaan naar de effecten van
klimaatverandering op de veiligheid;
constaterende dat voor Nederland tot op heden geen integrale
veiligheidsanalyse heeft plaatsgevonden met het oog op de gevolgen van
klimaatverandering voor waterveiligheid, voedselveiligheid,
energievoorziening, infrastructuur en natuur, terwijl die integraal
onderdeel zijn van de veiligheidssituatie van Nederland;
van mening dat met het oog op de toenemende geopolitieke spanningen een
zo scherp mogelijk beeld van onze veiligheidsrisico's noodzakelijk is,
zodat we Nederland veilig en weerbaar kunnen houden voor dreigingen op
zowel de korte als lange termijn;
verzoekt de regering om in 2026 een eerste Nederlandse briefing klimaat,
natuur en veiligheid met de NCTV, veiligheidsexperts, wetenschappers en
Nederlandse stakeholders te organiseren, en de Kamer daar zo spoedig
mogelijk over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Jumelet, Dassen, Van
Oosterhout, Teunissen en Van den Berg.
Zij krijgt nr. 22 (36800-XXIII).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Köse voor zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Köse (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de goede beantwoording
en voor haar werk. Ook dank voor de mooie maidenspeeches,
nogmaals.
Eén motie van mijn kant. We hebben gesproken over de gaswinning en het
afbouwpad daarbij. Het verzoek is om dat volgens het sectorakkoord nog
wat concreter invulling te geven.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het belangrijk is om toe te werken naar een
verantwoorde afbouw van gaswinning op land, in het kader van de
energietransitie en de klimaatdoelen en met het oog op zekerheid voor
omwonenden;
constaterende dat er in het sectorakkoord is afgesproken dat gaswinning
zal worden afgebouwd;
verzoekt de regering om kwantitatieve scenario's uit te werken voor een
afbouwpad van gaswinning op land;
verzoekt de regering tevens om te schetsen hoe zij dit afbouwpad in
overleg met de sector en andere betrokkenen wil vormgeven, en de Kamer
hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Köse en Jumelet.
Zij krijgt nr. 23 (36800-XXIII).
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Twee dagen geleden was er nog een beetje onduidelijkheid over wat het
afbouwpad nou precies zou betekenen. Inmiddels heeft de minister
bevestigd dat het sectorakkoord daadwerkelijk betekent dat er ook nieuwe
velden kunnen worden aangeboord. Ik vroeg me dus af of de heer Köse zich
daar inmiddels ook bewust van is.
De heer Köse (D66):
Ja, daar zijn we ons altijd bewust van geweest. Mevrouw Van Oosterhout
en ikzelf zien dat misschien niet als ideaal. Maar wat we wél als iets
heel moois zien, is het afbouwpad dat erin zit. Dat kan betekenen dat er
kleine velden bij komen — wat ons betreft gebeurt dat het liefst op de
Noordzee — maar we zien wel een duidelijk afbouwpad. De gaswinning neemt
dus af. Dat is het belangrijkste om hier te constateren, denk ik.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
In de motie lees ik toch een aantal schokkende dingen. Er wordt
gesproken over het in kaart brengen van scenario's. Wat die scenario's
precies betekenen ... Het zou ook kunnen dat er in die scenario's nieuwe
gasvelden worden aangeboord. Er staat ook geen duidelijke datum in. Maar
het meest schokkende vind ik nog dat er in staat dat het met de fossiele
industrie zal worden opgesteld. Ik vind het toch wel heel jammer om te
zien dat D66 de fossiele industrie centraal stelt in plaats van mensen.
Ik vroeg me dus af waarom D66 voor fossiel kiest in plaats van voor de
mensen in het Noorden.
De heer Köse (D66):
Ik snap niet waar zo van geschrokken wordt. Of we het leuk vinden of
niet, we zullen moeten praten met degenen die gas winnen, om dat
uiteindelijk af te bouwen. We kunnen wel heel veel over mensen praten en
niet met ze, maar dat lijkt me niet bevorderlijk voor de discussie.
Daarnaast praten we wel degelijk over afbouw. We gaan dus afnemen van de
gaswinning. Dat moeten we, denk ik, vooropstellen. Ik zou de handreiking
dus toch accepteren en samen in ieder geval een mooie eerste stap
zetten.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Peter de Groot voor zijn inbreng in
tweede termijn namens de VVD. Gaat uw gang.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst hartelijk dank aan de minister voor
de beantwoording van de gestelde vragen. Vanaf deze plek wil ik ook de
heer Van den Berg en mevrouw Van Oosterhout nog even feliciteren met hun
prachtige maidenspeeches.
We hebben afgelopen dinsdag hier in de Kamer met elkaar een mooi debat
gevoerd. Namens de VVD heb ik daarin laten weten tevreden te zijn met de
afspraken uit het coalitieakkoord. Ik heb voor nu nog een tweetal moties
en een vraag meegenomen. Ik heb een motie over een overlegtafel met het
bedrijfsleven en een over kernenergie.
Ik wil graag met die laatste beginnen. Ik ben tevreden met de antwoorden
van de minister specifiek over kernenergie. Wat de VVD betreft gaan we
namelijk door op de ingezette lijn. Dat betekent dat we doorgaan met het
bouwen van vier grote kerncentrales. Zoals u de afgelopen maanden hier
in de Kamer heeft gehoord, zie ik veel potentieel voor SMR's als
aanvulling op dit programma.
Dan de motie.
De voorzitter:
Gaat uw gang; rondt u uw inbreng af. Dan krijgt de heer Flach de ruimte
voor interrupties.
De heer Peter de Groot (VVD):
De motie aangaande kerncentrales.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er wordt gewerkt aan de realisatie van de eerste
kerncentrales;
overwegende dat het wenselijk is om hierbij zo veel mogelijk snelheid te
maken en waar mogelijk in te zetten op versnellingsopties, uiteraard met
inachtneming van de risico's en kosten;
verzoekt het kabinet zo veel mogelijk van de omkeerbare werkzaamheden in
gang te zetten en van alle mogelijke versnellingsopties met aanvaardbare
risico's gebruik te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot en Jumelet.
Zij krijgt nr. 24 (36800-XXIII).
De heer Peter de Groot (VVD):
De tweede motie gaat over de verduurzamingstafel. Ik had een debatje met
de minister. Er bestaat al een overlegtafel met de industrie, maar ik
zie dat er in breder perspectief een structurele tafel moet zijn, los
van programma's, beleidsdiscussies en wat er in de praktijk dan al
voorligt. Dat gaat dus eigenlijk om een bredere discussietafel met de
industrie over hoe we dit met elkaar goed gaan regelen in Nederland.
Vandaar deze motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor de verduurzaming van de industrie stabiel
langetermijnbeleid en goede samenwerking tussen de overheid en het
bedrijfsleven noodzakelijk zijn;
overwegende dat er daarom structureel overleg nodig is met wederzijdse
verplichtingen om onder andere het tempo van verduurzaming,
investeringen, vergunningverlening en de aanleg van infrastructuur op
elkaar af te stemmen;
verzoekt de regering een structurele overlegtafel met het bedrijfsleven
in te richten om vanuit samenwerking, ondersteuning en wederzijdse
verplichtingen te komen tot een succesvolle aanpak van
verduurzaming,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot en Jumelet.
Zij krijgt nr. 25 (36800-XXIII).
De heer Peter de Groot (VVD):
Voorzitter. Dan afsluitend nog een vraag over de maatwerkafspraken,
specifiek over de maatwerkafspraken met Tata Steel, waar ik net met de
minister een interruptiedebatje over had. Ik zou nog willen vragen hoe
de Kamer verder betrokken wordt bij de uitwerking en wanneer de Kamer
daar inspraak op heeft. Ook in relatie tot debatten die wij met elkaar
gaan voeren over Tata, zou ik graag duidelijkheid over het tijdspad
willen hebben.
De heer Flach (SGP):
Eerder deze week is er een discussie geweest over de uitleg van de
passage over vier kerncentrales. Toen zei de heer De Groot dat dat
conventionele centrales kunnen zijn of SMR's. Nu hoor ik de heer De
Groot toch duidelijk praten over vier grote kerncentrales. Is dat een
herziene versie van de uitleg van eerder deze week? Met andere woorden,
moeten we het coalitieakkoord zo lezen of is dit de VVD-inzet?
De heer Peter de Groot (VVD):
Volgens mij is de VVD altijd helder geweest. Ik heb dinsdag in het
tweeminutendebat onder andere gezegd dat we het staand beleid moeten
voortzetten. Dat houdt de bouw van die vier grote kerncentrales in.
Aanvullend daarop kunnen SMR's worden ingezet. Dat is eigenlijk wat het
is. In de passage in het coalitieakkoord staat natuurlijk dat we ten
minste vier kerncentrales gaan realiseren. Het kunnen er ook veel meer
zijn.
De heer Flach (SGP):
Dan beluister ik het zo dat het de komende vier jaar de inzet van de
heer De Groot is om daarvoor te gaan. Dat zullen we dan blijven
volgen.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Van Oosterhout voor haar inbreng namens
GroenLinks-Partij van de Arbeid in de tweede termijn.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de minister bedanken voor haar
inzet in de afgelopen tijd. Ook veel dank voor de woorden over de
afstand van Groningen naar Den Haag en haar inspanningen op dat
punt.
Zoals eerder gezegd komt mijn fractie vandaag met een aantal
constructieve klimaatvoorstellen. Wij willen er eigenlijk voor zorgen
dat de handrem van dit kabinet er op het punt van het klimaatbeleid af
gaat. We doen daarom een aantal reparatievoorstellen. We zien dat er
meer punten zijn waarop het coalitieakkoord de goede kant op moet worden
getrokken. Daar gaan we de komende tijd graag over in gesprek, maar voor
nu heb ik de volgende drie voorstellen.
Ten eerste een extra tender van 1 gigawatt op zee, dit jaar nog. We zijn
blij dat de coalitie hier meer in gaat investeren, maar we zijn bang dat
dit te laat gaat komen. Het is heel belangrijk dat de sector nu
duidelijkheid heeft. Ten tweede een amendement over groene warmte: 160
miljoen euro voor de subsidie Aardgasvrije huurwoningen, zodat geplande
projecten niet stilvallen. Ten derde kwamen wij eerder deze week al met
een voorstel voor energie-efficiëntie, omdat daar ook nog veel winst te
behalen is. We maken Nederland hiermee groener en socialer.
Daarmee moeten we ook dingen laten. Daarom dien ook een motie in over
het stoppen van gaswinning op land, want elk nieuw gasveld is er één te
veel voor het klimaat, voor de mensen in het Noorden en voor de
kwetsbare veenweidegebieden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het van belang is om, in lijn met het actieplan wind op
zee, in 2026 2 gigawatt wind op zee te tenderen voor een snelle
energietransitie, meer energieonafhankelijkheid en het behalen van de
klimaatdoelen;
overwegende dat het huidige kabinet onvoldoende middelen hiervoor heeft
vrijgemaakt;
overwegende dat het gezien de tendertijdlijn te lang duurt voordat er
nieuwe middelen beschikbaar zijn vanuit het nieuwe
coalitieakkoord;
verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat het budget in het
coalitieakkoord tijdig beschikbaar komt om in 2026 nog een extra
gigawatt wind op zee te tenderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout, Jumelet en
Klos.
Zij krijgt nr. 26 (36800-XXIII).
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gaswinning op land leidt tot risico's voor de
veiligheid en leefbaarheid van omwonenden, waaronder bodemdaling en
aardbevingen;
overwegende dat verdere gaswinning op land moeilijk te verenigen is met
de nationale en Europese klimaatdoelstellingen;
overwegende het gebrek aan draagvlak bij lokale en provinciale
bestuurders en omwonenden in de gaswinningsgebieden;
verzoekt de regering om gaswinning in de velden op land volledig af te
bouwen en niet uit te breiden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout en
Teunissen.
Zij krijgt nr. 27 (36800-XXIII).
Dank u wel. Het woord is aan de heer Vermeer voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de BBB. Gaat uw gang.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de gemeente Amsterdam een verbod invoert op "fossiele
reclame" en reclame voor vleesproducten;
constaterende dat een nationaal verbod juridische onzekerheden
bevat;
overwegende dat Nederlanders de overheid niet nodig hebben om keuzes te
maken in hun dagelijks leven;
verzoekt de regering geen verbod in te stellen op "fossiele reclame" en
reclame voor vleesproducten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 28 (36800-XXIII).
De heer Vermeer (BBB):
Dan heb ik twee moties over de visserij.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de ambitie voor wind op zee wordt uitgebreid naar 40
GW;
constaterende dat er steeds minder ruimte overblijft voor Nederlandse
vissers;
verzoekt de regering in kaart te brengen wat een verhoging van de
ambitie voor wind op zee concreet betekent voor de Nederlandse visserij
voordat volgende stappen worden gezet,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 29 (36800-XXIII).
De heer Vermeer (BBB):
Dan heb ik iets over passieve visserij binnen windmolenparken.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in diverse onderzoeken de mogelijkheden voor passieve
visserij binnen windmolenparken zijn onderzocht en dat de conclusies
hiervan door het ministerie van LVVN zijn overgenomen;
constaterende dat passieve visserij binnen windmolenparken desondanks
nog steeds niet mogelijk is, omdat de toegezegde wijziging van de
gebiedspaspoorten van de betreffende parken nog niet is
doorgevoerd;
verzoekt de regering de wijziging van de gebiedspaspoorten zo spoedig
mogelijk door te voeren, zodat passieve visserij binnen windmolenparken
mogelijk wordt gemaakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.
Zij krijgt nr. 30 (36800-XXIII).
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Dan wil ik het toch nog even hebben over die klimaatzaak
over Bonaire. Die uitspraak vraagt ook om bindende doelen, alsof wij
hier vanuit Nederland rechtstreeks het zeewaterpeil op Bonaire zouden
kunnen beïnvloeden. Maar zelfs al zou dat zo zijn, dan vraagt dat heel
veel. Wij willen heel graag dat een hoger beroep ingesteld wordt, zeker
na de bestudering van de stukken. Ik wil de minister ook vragen … Ik
weet niet precies wat hier de juiste procedure voor is. Dat vraag ik ook
aan de voorzitter. Ik wil eigenlijk weten wat de tijdslijn is richting
het nemen van een besluit over wel of geen hoger beroep en of daar ook
een impactanalyse met hieraan verbonden financiële kaders onderdeel van
is. Als dat niet zo is, hoe kunnen wij dan als Kamer — wij zijn hier
namelijk budgetverantwoordelijke en controleur van de regering — op tijd
de informatie krijgen over wat de impact daarvan zou zijn, bijvoorbeeld
als het kabinet niet in hoger beroep gaat? Ik weet niet helemaal wat de
beste weg is, voorzitter. Is dit een verzoek dat ik nu aan de voorzitter
doe of doe ik dat aan de minister? Het maakt mij eigenlijk ook niet uit
aan wie, als het maar gebeurt.
De voorzitter:
U doet een informatieverzoek. Dat recht heeft u. Dus ik stel voor dat de
minister dat betrekt bij haar beantwoording in de tweede termijn.
De heer Vermeer (BBB):
Prima. Als laatste wil ik de minister heel graag bedanken. Ik ga haar
missen in de debatten. Volgens mij waren we het niet altijd eens, maar
ik heb in ieder geval geprobeerd altijd respectvol met haar in debat te
gaan. Soms ging dat iets langs de randen van het akkoord, volgens
sommige mensen, maar ja, daar zijn randen voor. Daar gebeuren
interessante dingen. Dat zie je ook bij de natuurranden. Daar gebeuren
de spannendste dingen altijd. Dus dat was interessant. Ik wens de
minister veel succes in haar volgende betrekking.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Vermeer. Het woord is aan de heer Kops voor zijn
inbreng namens de Partij voor de Vrijheid in de tweede termijn.
De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de problemen rond netcongestie "vooral worden
veroorzaakt door de snelle toename van duurzaam opgewekte energie en het
groeiende duurzame-energieverbruik", aldus de minister van Klimaat en
Groene Groei;
constaterende dat de regering desondanks 4 miljard aan subsidie
beschikbaar stelt voor de bouw van een nieuw windpark op zee;
verzoekt de regering alle subsidies voor en de bouw van nieuwe
windturbineparken te stoppen;
verzoekt de regering tevens windturbines waar omwonenden last van hebben
en/of ziek van worden af te breken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 31 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat volgens TenneT het hoogspanningsnet in Flevoland,
Gelderland en Utrecht zijn maximum heeft bereikt en er een aansluitstop
voor huishoudens, midden- en kleinbedrijf en woningbouwprojecten
dreigt;
constaterende dat volgens TenneT "krachtige interventies en aanvullende
maatregelen noodzakelijk" zijn;
verzoekt de regering onmiddellijk krachtige interventies en aanvullende
maatregelen te presenteren teneinde een aansluitstop te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 32 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering sleutelt aan gedifferentieerde nettarieven
voor kleinverbruikers;
verzoekt de regering geen gedifferentieerde nettarieven in te voeren,
waarbij huishoudens die hun elektriciteitsverbruik niet naar dalmomenten
willen of kunnen verplaatsen, worden gestraft met een hoger
tarief,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 33 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland in 2020 voor 200 miljoen euro aan
"duurzame-energiepapieren" in Denemarken heeft opgekocht om daarmee, in
de klimaatstatistieken althans, het doel van 14% duurzame energie te
halen;
spreekt uit dat dit niets anders is dan een peperdure boekhoudkundige
klimaattruc;
overwegende dat dit opnieuw kan gebeuren;
verzoekt de regering geen cent meer uit te geven aan het opkopen van
"duurzame-energiepapieren" in het buitenland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 34 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat volgens TenneT de leveringszekerheid van elektriciteit
na 2030 onder druk komt te staan, mede door het sluiten van de
kolencentrales;
verzoekt de regering de kolencentrales open te houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 35 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende de lage vulgraad van de gasvoorraden;
spreekt uit dat óns gas van óns is;
verzoekt de regering de export van gas uit onze voorraden te
stoppen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.
Zij krijgt nr. 36 (36800-XXIII).
De heer Kops (PVV):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik sloeg even aan op de motie over de FGU-regio, dus Flevoland,
Gelderland en Utrecht. Het is natuurlijk niet mooi wat daar gebeurt,
maar de heer Kops verzoekt de regering in zijn motie om met "krachtige
interventies" te komen. Ik was eigenlijk benieuwd of de heer Kops zelf
ideeën heeft over krachtige interventies die aanvullend zijn op wat wij
hier in de Kamer al met elkaar gewisseld hebben.
De heer Kops (PVV):
Ik kan het de heer De Groot laten zien. Dit is het bericht van TenneT
zelf, waarin wordt gevraagd om die krachtige interventies en aanvullende
maatregelen. We hebben zojuist in het debat al aan de minister gevraagd
wat zij nog meer kan doen naast wat zij al doet. Ik kreeg daar eerlijk
gezegd niet echt een duidelijk antwoord op, maar in dit stuk van TenneT
zelf staan al enkele suggesties. Deze motie van de PVV is bedoeld als
aansporing voor de minister om hiermee aan de slag te gaan. Dat is
het.
De heer Peter de Groot (VVD):
Mag ik de motie dan als volgt interpreteren? U zegt eigenlijk: voer de
maatregelen in die TenneT zelf in het rapport noemt. Ik zou de motie
graag willen steunen, dus dit is een oprechte vraag. U wilt de in het
rapport benoemde maatregelen graag doorgevoerd zien.
De heer Kops (PVV):
Feitelijk maakt het mij helemaal niet uit welke maatregelen er worden
genomen. Ik denk dat de heer De Groot het toch wel met de PVV eens moet
zijn dat zo'n aansluitstop te idioot voor woorden is. Dat mag gewoon
niet gebeuren. Netcongestie is al jaren een probleem. Al jaren vraagt de
PVV — dat wordt ook Kamerbreed gevraagd — aan de regering: doe daar wat
aan en zorg ervoor dat bedrijven en woningen aangesloten kunnen worden.
Het is de afgelopen tijd niet voldoende gebeurd. En dan krijgen we dit;
dan dreigt er een aansluitstop. Dat kan en mag niet gebeuren. Daarom
dien ik deze motie in. Het maakt me niet uit, maar zorg ervoor dat de
aansluitstop er niet komt.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Kops.
De heer Kops (PVV):
Ik dank u.
De voorzitter:
Meneer Jumelet krijgt het woord voor zijn inbreng in tweede termijn
namens het CDA.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor het beantwoorden van
de vragen die in de eerste termijn en vandaag zijn gesteld. Ook nog
complimenten en felicitaties aan collega's Van Oosterhout en Van den
Berg voor hun maidenspeech. Het is goed om elkaar ook zo wat beter te
leren kennen. Dank daarvoor.
Voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat randvoorwaarden en knelpunten in de energietransitie,
zoals netcongestie, stijgende netkosten en trage vergunningverlening, in
de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) wel worden benoemd, maar niet
structureel worden geanalyseerd;
overwegende dat inzicht in de oorzaken van deze knelpunten en in
mogelijke handelingsperspectieven essentieel is voor de uitvoering en
versnelling van de klimaat- en energietransitie;
verzoekt de regering het Planbureau voor de Leefomgeving te verzoeken om
in toekomstige edities van de KEV en/of andere publicaties structureel
en expliciet aandacht te besteden aan de analyse van randvoorwaarden en
knelpunten in de energietransitie, inclusief een duiding van oorzaken en
gevolgen;
verzoekt de regering in de beleidsreactie op de KEV expliciet in te gaan
op het uit de PBL-analyse voortvloeiende handelingsperspectief,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jumelet, Klos, Peter de Groot,
Grinwis en Flach.
Zij krijgt nr. 37 (36800-XXIII).
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter. Een tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat invoering van een invoedingstarief de businesscase van
bestaande en nieuwe duurzame energieprojecten, zoals de verdere uitrol
van wind op zee, kan verslechteren, terwijl compensatie binnen bestaande
subsidieregelingen niet mogelijk is en aanvullend subsidiebudget
ontbreekt;
overwegende dat het risico op uitblijvende biedingen voor wind op zee en
onbenutte infrastructuur daarmee groot is, met negatieve gevolgen voor
het energie- en klimaatbeleid;
verzoekt de regering om de Autoriteit Consument & Markt vriendelijk
doch dringend te adviseren deze risico's nadrukkelijk te betrekken bij
haar besluitvorming over een invoedingstarief,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jumelet, Peter de Groot, Klos en
Grinwis.
Zij krijgt nr. 38 (36800-XXIII).
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van den Berg voor zijn inbreng
in tweede termijn namens JA21. Gaat uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter, dank. Via deze weg ook mijn felicitaties aan mevrouw Van
Oosterhout voor haar maidenspeech. Ik sluit me helemaal aan bij de
woorden van de heer Jumelet dat we elkaar op deze manier wat beter leren
kennen. Dank aan de minister voor de korte maar toch goede samenwerking.
We zien elkaar gauw weer.
Voorzitter. Ik heb een aantal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de gasprijzen voor Nederlandse huishoudens tot de
hoogste gasprijzen in de EU behoren en dat belastingen en heffingen een
substantieel deel van de energierekening uitmaken;
overwegende dat huishoudens en mkb door netcongestie en beperkte
beschikbaarheid van betaalbare alternatieven niet altijd kunnen
elektrificeren;
verzoekt de regering om af te zien van verdere verhoging van de
energiebelasting op aardgas voor kleinverbruikers totdat de Kamer is
geïnformeerd over een uitvoerbaar pad om netcongestie te verminderen en
betaalbare alternatieven te ontsluiten;
verzoekt de regering tevens de Kamer vóór verzending van de
Voorjaarsnota 2026 een overzicht te sturen van opties om de
belastingdruk op de energierekening te verlagen, waaronder
energiebelasting, btw en heffingskorting, inclusief budgettaire effecten
en doelgerichtheid voor huishoudens en mkb,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 39 (36800-XXIII).
De heer Van den Berg (JA21):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese Emissions Trading System (ETS) leidt tot
structureel hogere kosten voor energie-intensieve bedrijven;
overwegende dat de Europese energieprijzen aanzienlijk hoger liggen dan
die in concurrerende economieën en dat de combinatie met ETS-kosten de
Europese industrie competitief benadeelt;
verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor een
herbezinning op de werking en effecten van het ETS, en daarbij te
pleiten voor het voorkomen van verdere lastenverzwaring voor de Europese
industrie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Berg, Hoogeveen en
Vermeer.
Zij krijgt nr. 40 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat EU-vulgraadverplichtingen voor gasopslagen de
leveringszekerheid dienen maar bij krappe marktomstandigheden
prijsopdrijvend kunnen werken;
overwegende dat leveringszekerheid ook kan worden geborgd via
alternatieven zoals de kussengasreserve en lng-(import)capaciteit;
verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor aanpassing van
de EU-verordening over vulgraden, zodat lidstaten meer flexibiliteit
krijgen en aantoonbare alternatieven voor leveringszekerheid kunnen
meewegen;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe een kussengasreserve en
lng-capaciteit (gedeeltelijk) als alternatief kunnen fungeren voor
strikte vulgraadverplichtingen, inclusief kosten- en
leveringszekerheidseffecten;
verzoekt de regering de potentiële impact van een heffing op de
energierekening in kaart te brengen en dit element mee te nemen in de
uitwerking van de lagere regelgeving op grond van het voorstel voor de
Wet bestrijden energieleveringscrisis,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.
Zij krijgt nr. 41 (36800-XXIII).
De heer Van den Berg (JA21):
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Flach voor zijn inbreng namens de
Staatkundig Gereformeerde Partij in tweede termijn.
De heer Flach (SGP):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat aardwarmte de potentie heeft om in een kwart van de
totale verwachte warmtevraag te voorzien (Ontwikkelperspectief duurzame
warmtebronnen) en bijdraagt aan ontlasting van het
elektriciteitsnet;
overwegende dat TNO aangeeft dat het huidige investeringsklimaat voor
aardwarmteprojecten niet spoort met dit ontwikkelperspectief;
overwegende dat de garantieregeling aardwarmte niet opnieuw is
opengesteld, omdat de voorwaarden en opzet onvoldoende aansluiten op wat
marktpartijen nodig hebben;
overwegende dat een investeringssubsidie beter past bij het
kostenprofiel van aardwarmteprojecten en dan minder exploitatiesubsidie
(SDE++) nodig is;
verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het investeringsklimaat voor
aardwarmteprojecten verbetert en de combinatie van financiële
instrumenten beter gaat aansluiten op het kostenprofiel van
aardwarmteprojecten;
verzoekt de regering in aanloop naar de behandeling van de begroting
voor 2027 met een voorstel te komen voor stimulering van
aardwarmteprojecten, waarin integraal de verschillende instrumenten in
de aardwarmteketen worden gewogen, waaronder de garantieregeling
aardwarmte, de exploitatiesubsidie SDE++ en een eventuele
investeringssubsidie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Vermeer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 42 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat door een tekort aan door de EU erkende verificateurs
voor de CBAM-regelgeving verschillende bedrijven gedwongen worden
gebruik te maken van standaardwaarden voor de CO2-emissie in
de keten in plaats van de werkelijke waarden, waardoor zij met onnodig
hoge heffingen geconfronteerd worden;
verzoekt de regering in overleg met betrokken sectoren op korte termijn
met een tijdelijke oplossing te komen voor het tekort aan door de EU
erkende verificateurs voor de CBAM-regelgeving om onnodig hoge heffingen
te voorkomen;
verzoekt de regering om binnen vier maanden te komen met een routekaart
voor verificatie van werkelijke emissiewaarden, zodat Nederlandse
importeurs duidelijkheid hebben over de kosten bij het schrijven van
orders voor 2027,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Van den Berg en
Grinwis.
Zij krijgt nr. 43 (36800-XXIII).
Dank u wel. Mevrouw Teunissen krijgt het woord voor haar inbreng in de tweede termijn namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Gedragswetenschappers en adviesorganen zoals TNO
en PBL beschouwen een verbod op fossiele reclames als een essentiële
maatregel voor het beschermen van het klimaat en de volksgezondheid.
Deze reclames normaliseren namelijk vervuilend gedrag en ondermijnen het
klimaatbeleid. Daarom heb ik de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat fossiele reclames de consumptie van
CO2-intensieve producten aanwakkeren;
overwegende dat de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Delft, Zwolle en
Haarlem onlangs succesvol een verbod op fossiele reclames in de
buitenruimte hebben ingevoerd;
verzoekt de regering een wetsvoorstel voor te bereiden voor een
landelijk verbod op fossiele reclames in de openbare ruimte,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Van Oosterhout en
Dassen.
Zij krijgt nr. 44 (36800-XXIII).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Dan de tweede motie. Die gaat over natuurlijke
CO2-opslag. Ik vond de beantwoording daarover vrij
teleurstellend, want we hebben in Nederland gewoon veel te weinig bos
aangeplant voor de doelen die we hebben gesteld. Daarom de volgende
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het Klimaatakkoord 0,4-0,8 megaton CO2-opslag
voorschrijft via bos en natuur tot 2030, inclusief 37.000 hectare
bosuitbreiding onder de Bossenstrategie, waarvoor tot en met 2030 51
miljoen euro is uitgetrokken;
constaterende dat volgens de laatste Voortgangsrapportage Natuur (2023)
slechts zo'n 1.400 hectare bosuitbreiding is gerealiseerd;
constaterende dat in 2023 alleen al 2 miljard euro subsidie is
uitgekeerd aan CCS-projecten met een gemiddelde subsidie-intensiteit van
€220 per ton CO2-reductie;
constaterende dat veenvernatting en bosaanleg CO2 vastleggen
voor €5-€100 per ton CO2-equivalent, en daarmee vele malen
kosteneffectiever zijn;
overwegende dat SDE++ momenteel technologische oplossingen subsidieert,
maar natuurlijke CO2-opslag uitsluit;
verzoekt de regering SDE++ per 2027 te openen voor natuurlijke
CO2-opslag via bosaanplant en veenherstel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.
Zij krijgt nr. 45 (36800-XXIII).
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn inbreng in tweede
termijn namens de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ook dank aan de minister.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in Amsterdam en Lelystad de facto hyperscale
datacenters gebouwd gaan worden, maar dat deze niet vallen onder het
huidige verbod c.q. de juridische criteria voor een hyperscale, van én
10 hectare én 70 megawatt;
verzoekt de regering om de huidige juridische criteria voor hyperscale
datacenters aan te scherpen en tevens te verkennen welke nieuwe
effectieve (wettelijke) voorwaarden gesteld kunnen worden aan
datacenters om de groei te beteugelen dan wel te zorgen dat deze actief
bijdragen aan het ontsluiten van meer flexibiliteit, teneinde de impact
op het net zo veel mogelijk te mitigeren, en de Kamer hierover voor het
zomerreces te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Flach, Jumelet, Vermeer
en Teunissen.
Zij krijgt nr. 46 (36800-XXIII).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Motie twee.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de invoering van ETS2 zorgt voor een lastenverzwaring
voor burgers en bedrijven in Nederland tot wel ruim 4 miljard euro per
jaar;
overwegende dat voor huishoudens en het mkb milieugerelateerde
belastingen in ons land relatief reeds hoog zijn ten opzichte van de ons
omringende landen, dat de voorziene compensatie voor ETS2 onvoldoende
lijkt om te voorkomen dat het Europese speelveld ongelijker wordt voor
bedrijven, en dat energie- en vervoersarmoede onder burgers
toeneemt;
verzoekt de regering om de nettolastenverzwaring voor burgers en
bedrijven door ETS2 te monitoren, daarbij in te gaan op de gevolgen en
eventuele oplossingen voor burgers en bedrijven/sectoren die relatief
hard worden geraakt, en de Kamer hierover jaarlijks te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Flach.
Zij krijgt nr. 47 (36800-XXIII).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De laatste gaat over de dreigende aansluitcrisis.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat vanaf komende zomer een aansluitstop voor
kleinverbruikers dreigt in de provincies Flevoland, Gelderland en
Utrecht, met potentieel grote maatschappelijke gevolgen, zoals voor
woningbouw;
spreekt uit dat een aansluitstop voor huishoudens, bedrijven en
woningbouwprojecten voorkomen dient te worden;
verzoekt de regering in de aangekondigde crisisaanpak om in Flevoland,
Gelderland en Utrecht te voorkomen dat er een aansluitstop voor
kleinverbruikers komt, gemeenten en provincies actief terzijde te staan,
en ieder kwartaal de Kamer te informeren over de aanpak en
voortgang;
verzoekt de regering tevens om voor de Voorjaarsnota de Kamer inzicht te
geven in het benodigde budget en de operationele capaciteit voor het
beter ontsluiten van flexibiliteit op het stroomnet, onder andere door
afspraken met de industrie (Flex-e XL), zodat nieuwe aansluitingen voor
woonwijken, ziekenhuizen en bedrijven mogelijk kunnen worden
gemaakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Flach, Jumelet,
Vermeer, Klos en Peter de Groot.
Zij krijgt nr. 48 (36800-XXIII).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Dassen voor zijn inbreng namens
Volt in tweede termijn. Gaat uw gang.
De heer Dassen (Volt):
Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik wens
haar veel succes in haar nieuwe rol vanaf — wanneer is het? — 25
februari. Nee, 23 februari.
Voorzitter. Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland achterloopt op het Europese doel van 15%
interconnectiecapaciteit in 2030 en dat een geïntegreerd Europees
stroomnet, zoals ook benadrukt in het Draghirapport, cruciaal is voor de
energietransitie, terwijl investeringen in grensoverschrijdende
verbindingen achterblijven;
overwegende dat een sterker Europees stroomnet nodig is voor
hernieuwbare energie, minder netcongestie en grotere
leveringszekerheid;
verzoekt de regering versneld te investeren in grensoverschrijdende
hoogspanningsverbindingen en actief gebruik te maken van het instrument
Connecting Europe Facility for Energy,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Grinwis.
Zij krijgt nr. 49 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Britse veiligheidsdiensten klimaatverandering en
biodiversiteitsverlies hebben onderzocht en waarschuwen voor
grensoverschrijdende veiligheidsrisico's zoals natuurrampen, voedsel- en
wateronzekerheid, ziekten, migratie en geopolitieke spanningen;
overwegende dat een gecoördineerde Europese aanpak nodig is om deze
risico's in kaart te brengen en aan te pakken;
verzoekt de regering de Nederlandse veiligheidsdiensten een
vergelijkbare risicoanalyse te laten uitvoeren, dit onderwerp bij
Europese collega's te agenderen met als doel een gecoördineerd Europees
onderzoek, en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen, Teunissen en Klos.
Zij krijgt nr. 50 (36800-XXIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat CO2-verwijdering, met name via direct air
capture (DAC) en direct ocean capture (DOC), een noodzakelijke
aanvulling is op emissiereductie om klimaatdoelen te halen;
constaterende dat opschaling van direct air capture en direct ocean
capture in Nederland achterblijft door gebrek aan marktvraag en
investeringszekerheid, terwijl andere landen publieke inkoopprogramma's
ontwikkelen;
overwegende dat een stabiele vraag en duidelijke kwaliteitseisen nodig
zijn voor innovatie en opschaling;
verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een meerjarig
publiek inkoopprogramma voor direct air capture en direct ocean capture,
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Jumelet.
Zij krijgt nr. 51 (36800-XXIII).
De heer Dassen (Volt):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Dassen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
tweede termijn van de zijde van de Kamer.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
Ik schors voor een kort ogenblik, want er is sprake van een korte
regeling van werkzaamheden. Daarna ga ik schorsen voor de lunchpauze,
zodat de minister haar beantwoording kan voorbereiden. Na de
lunchschorsing hebben we allereerst de stemmingen en daarna gaan we
verder met de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik schors een
enkel ogenblik.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Begrotingen Klimaat en Groene Groei 2026 en Klimaatfonds 2026
Begrotingen Klimaat en Groene Groei 2026 en Klimaatfonds 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026 (36800-XXIII);
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Klimaatfonds voor het jaar 2026 (36800-M).
De voorzitter:
Dan is nu aan de orde de tweede termijn van de zijde van het kabinet bij
de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik had nog een paar vragen. Daarna zal ik overgaan tot
de appreciatie van de moties.
Eerst was er de vraag van de heer Vermeer over wanneer hij het antwoord
kan verwachten op zijn vragen over de Greenpeace-uitspraak in de
zaak-Bonaire. Ik heb begrepen dat eergisteren een twintigtal vragen is
binnengekomen bij het ministerie. Die worden nu beantwoord, maar
daarvoor geldt, zoals de heer Vermeer weet, een termijn van drie weken.
Die zullen we dus ook gebruiken. Als het nodig is, zullen we natuurlijk
een uitstelbericht naar de Kamer sturen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ken de termijnen, maar dit was met name in relatie tot de
hogerberoeptermijn die er is.
Minister Hermans:
Die vraag komt nu. De heer Vermeer vroeg hoe die procedure er in de
planning uitziet. Wij moeten binnen drie maanden besluiten of er wordt
overgegaan tot het instellen van hoger beroep, dus dat past binnen de
termijn om de vragen van de heer Vermeer te beantwoorden. Ik zeg er wel
bij dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar is, dus ongeacht het hoger
beroep. We kijken nu dus goed naar de impact van het vonnis, ook bij de
keuze voor de uitvoering van het vonnis. Dat zal allemaal naast elkaar
lopen. Maar de vragen komen eerst. Het hoger beroep komt later en het
vonnis is dus bij voorraad uitvoerbaar.
De heer Van den Berg (JA21):
Dit is een beetje een vraag aan de voorzitter, maar ook aan de minister.
Is het mogelijk voor de Kamer om nog een opdracht mee te geven inzake
wat we gaan doen met die zaak, bijvoorbeeld om de minister de opdracht
te geven om wel in hoger beroep te gaan?
De voorzitter:
Dat is een vraag aan de minister.
Minister Hermans:
Ik interpreteer het nu even als vraag of ik in hoger beroep ga. Ik heb
gezegd dat wij dat nu bestuderen. De afweging of dat zal gebeuren is aan
een volgend kabinet. Wat de Kamer verder aan opdrachten geeft aan het
kabinet, bij motie of in andere vormen, is aan de Kamer.
De voorzitter:
U continueert.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan de datacenters. Ik geloof dat het mevrouw Teunissen was
die nog even iets vroeg over de verbodsbepaling en de vergunning. Ik heb
dat nog even gecheckt, maar in dit specifieke geval is de vergunning
verleend voordat de verbodsbepaling inging. Dat was ook nog eens voordat
het hele netcongestieprobleem in z'n volle omvang bekend werd. Dat neemt
niet weg dat alles blijft staan wat ik in de richting van de heer
Grinwis heb gezegd. Ik kom daar zo bij zijn motie ook nog op terug. Maar
dit is even hoe het in de tijd is gegaan.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer De Groot over de maatwerkafspraak
of, zoals ik eigenlijk moet zeggen, de betrokkenheid van de Kamer bij de
verdere uitwerking en totstandkoming van de maatwerkafspraak met Tata
Steel. In september heeft het kabinet de joint letter of intent met Tata
Steel ondertekend. Dat zijn de contouren van de definitieve
maatwerkafspraak. Over deze JLoI staat nog een debat tussen Kamer en
kabinet gepland. Bij dat debat kan de Kamer natuurlijk op allerlei
mogelijke manieren ingaan op de inhoud, alsmede meningen en opvattingen
geven over de inhoud van de JLoI en daar al dan niet mee instemmen of er
aanvullende opmerkingen bij meegeven. Dat is echt het moment om als
Kamer nog uitspraken te doen ten aanzien van de uitwerking. Als uit dat
debat instemming volgt om verder te kunnen met de JLoI, dan vindt de
verdere uitwerking plaats. Het uiteindelijke onderhandelingsresultaat en
het sluiten van de maatwerkovereenkomst met Tata zijn dan ook onder
voorbehoud van goedkeuring door de Kamer, die dan ook nog ja of nee kan
zeggen tegen die afspraak. Dat is even hoe het proces eruitziet. Op de
inhoud is dus vooral het debat over de JLoI belangrijk, omdat wij vanuit
daar verder werken aan de uitwerking.
Voorzitter. Dan kom ik bij de moties. Ik begin met de motie op stuk nr.
21 van de heer Klos over de overgehevelde niet-bestede middelen uit het
Klimaatfonds. Ik heb daar in het debat een aantal opmerkingen over
gemaakt. Ik begrijp ook de gedachte erachter en het verzoek dat de heer
Klos met deze motie doet. Mijn vraag aan de heer Klos is of hij deze
motie zou willen aanhouden. Zij is eigenlijk ontijdig, omdat het nieuwe
kabinet natuurlijk nog afspraken hierover moet maken. Ik zie in de motie
het verzoek om er bij de Miljoenennota op terug te komen. Dat is dan aan
het nieuwe kabinet. Ik zou dus willen vragen om de motie even aan te
houden totdat daar meer over bekend is.
De voorzitter:
Is de heer Klos daartoe bereid?
De heer Klos (D66):
Ja, als we daar direct na het constituerend beraad over kunnen stemmen,
is dat prima. Ja.
De voorzitter:
Daar gaat u zelf over.
De heer Klos (D66):
Nou, dan doe ik dat.
De voorzitter:
Dan doen we dat voorlopig.
Op verzoek van de heer Klos stel ik voor zijn motie (36800-XXIII, nr.
21) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 22 van de heer Klos en een aantal anderen, over de
briefing over klimaatveiligheid, geef ik oordeel Kamer. Het is misschien
goed om wel te benadrukken dat de diensten natuurlijk een eigen
bevoegdheid hebben, maar ik kan altijd het verzoek doen tot zo'n
briefing. Ik begrijp ook waar het verzoek vandaan komt, dus dat zullen
we doen. Oordeel Kamer dus.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 23.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 23 van de heer Köse over het afbouwpad van
gaswinning op land krijgt oordeel Kamer. We hebben natuurlijk de
EBN-analyse die bij het sectorakkoord zit. De afspraak is ook dat die
jaarlijks geactualiseerd zal worden. Er zal dus ook jaarlijks meer
duidelijkheid komen over het afbouwpad. Dat gebeurt ook in gesprek met
de bedrijven. Zoals ik in mijn beantwoording aangaf, vraagt de
uitvoeringsagenda om met de sector in gesprek te blijven. De
uitvoeringsagenda geeft die opdracht ook. Op die manier kan ik invulling
geven aan deze motie en geef ik 'm oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 24.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 24 van de heren De Groot en Jumelet, die gaat over
op het gebied van kerncentrales zo veel mogelijk de omkeerbare
werkzaamheden in gang zetten, krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 25.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 25 over de structurele overlegtafel. Daarbij
blijf ik benadrukken dat de tafel er niet voor de tafel is. Als ik het
mag interpreteren als dat we even bekijken wat er nou aan bestaande
tafels is — dat betreft ook die nieuwe sectortafel die net in het leven
is geroepen — en dat op een goede manier inrichten, kan ik deze motie
oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De tafel is niet de tafel, meneer De Groot.
De heer Peter de Groot (VVD):
Het mag ook "kring" heten; het hoeft niet per se "tafel" te heten. Dat
is helder.
De voorzitter:
Heel goed. We geven het ter overweging mee aan de minister.
Minister Hermans:
Ik neem het in overweging en ik neem het natuurlijk mee in de
overdracht. Dan kom ik op de motie over het versnellen van het groene
alternatief of het budget voor de tweede tender wind op zee. Als ik het
mag lezen als dat ik de voorbereidingen tref of de opties in kaart breng
voor een volgend kabinet — dat kan ik doen — kan ik de motie op stuk nr.
26 oordeel Kamer geven, maar de echte besluitvorming en de financiële
kant daarvan zijn natuurlijk aan een volgend kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 27 van mevrouw Van Oosterhout en mevrouw
Teunissen over de gaswinning in de velden op land volledig afbouwen en
niet uitbreiden. We hebben daar heel veel over gewisseld in het debat,
dus onder verwijzing daarnaar ontraad ik de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 28.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 28 van de heer Vermeer, die de regering
verzoekt géén verbod in te stellen op fossiele reclame en reclame voor
vleesproducten. Zo meteen komt er nog een motie die eigenlijk het
tegenovergestelde vraagt. Deze motie ga ik ontraden. Een nationaal
verbod op de fossiele reclame en de reclame voor vleesproducten is niet
aan de orde. Ik heb uitgelegd waarom. Wat lokaal gebeurt, gebeurt
lokaal. Ik ontraad deze motie.
De heer Vermeer (BBB):
Als de minister van plan is precies te doen wat hier staat, kan ze 'm
toch gewoon overnemen? Dan kan het oordeel nooit ontraden zijn.
Minister Hermans:
Het is niet aan de orde. Ik heb in het debat uitgelegd wat voor mij de
afwegingen zijn om hiertoe niet over te gaan. Daarmee is het voor mij
niet aan de orde. Ik ga het niet doen. Punt.
De heer Vermeer (BBB):
De motie vraagt precies om het niet te gaan doen. De minister zegt dat
het niet aan de orde is en wij stellen ook voor dat het niet aan de orde
is, dus …
Minister Hermans:
Nou, dan zou je ook kunnen zeggen dat de motie overbodig is.
De voorzitter:
Hoho, de heer Vermeer was nog aan het woord.
Minister Hermans:
Excuus, voorzitter, excuus.
De heer Vermeer (BBB):
… dan kan de minister toch niets anders doen dan die motie
overnemen?
Minister Hermans:
Dan is de motie hierbij overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 28 krijgt het oordeel overbodig.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 29 verzoekt de regering in kaart te brengen wat de
gevolgen van een verhoging van de ambitie voor wind op zee betekenen
voor de Nederlandse visserij voordat volgende stappen worden gezet. Deze
motie is ook overbodig, want bij het vaststellen van windenergiegebieden
op de Noordzee in het Programma Noordzee brengt het kabinet de gevolgen
in kaart voor de andere belangen op de Noordzee, waaronder die van de
visserij.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 29 is overbodig. Ik denk dat mevrouw Teunissen nog
een vraag heeft over de motie op stuk nr. 28.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ja, dat klopt. De minister gaat natuurlijk over de appreciatie, maar het
verbaast mij wel dat de motie eerst wordt ontraden en vervolgens
overbodig wordt verklaard. We hebben hier schriftelijke vragen over
gesteld. Het kabinet zegt: er komt nog een maatregelenpakket aan voor
hoe we de gedragsverandering gaan aanpakken en daar nemen we dit ook in
mee. Dan kun je toch niet zeggen dat dit overbodig is? Want dan zeg je
eigenlijk: dat doen we al. Maar dat is gewoon niet in lijn met het
beleid op dit moment.
Minister Hermans:
Ik heb meermaals uitgelegd wat voor mij de overweging is om niet over te
gaan tot het instellen van een verbod. Daar hoeft van mij — dat zeg ik
persoonlijk — niet nog een motie bij die dat nog een keer benadrukt.
Daarom zei ik in eerste instantie "ontraden", maar je kunt het ook
"overbodig" noemen. Ik weet dat mevrouw Teunissen een andere mening is
toegedaan over dit verbod. Zij vindt dat het er wel zou moeten komen. Ik
heb nooit gezegd dat het niet zou kunnen of dat ik het voor de toekomst
altijd uitsluit. Dit is echt aan een volgend kabinet. Ik ga het op dit
moment niet doen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Met deze motie van de heer Vermeer wordt wel degelijk een verbod
uitgesloten. Dat is gewoon niet de kabinetslijn op dit moment. In de
beantwoording van de vragen door de minister lees ik dat het een optie
is. Het wordt niet uitgesloten.
Minister Hermans:
Dit is de lijn van dit kabinet. Wij gaan het niet instellen. Het is
overbodig om mij nog een keer op te roepen om het niet in te stellen.
Over anderhalve week zit er een nieuw kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 30.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 30 verzoekt de regering de wijziging van de
gebiedspaspoorten zo spoedig mogelijk door te voeren, zodat passieve
visserij binnen windmolenparken mogelijk wordt gemaakt. Ook die motie is
overbodig, want het ministerie van IenW stelt gebiedspaspoorten op nadat
het inrichtingsplan van windparken bekend is. Dat bepaalt waar
windturbines komen te staan en dan is ook duidelijk waar
medegebruiksactiviteiten kunnen plaatsvinden.
De voorzitter:
Een korte interruptie van meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Wij krijgen van de sector en van onderzoekers signalen dat het hele
proces rondom die gebiedspaspoorten al anderhalf jaar stilligt, terwijl
die windparken er wel zijn. Ik wil de minister heel graag vragen om een
brief toe te zeggen waarin zij nader ingaat op het proces van passieve
visserij rondom wind op zee, de gebiedspaspoorten en de
verantwoordelijkheden van de ministers van KGG, LVVN en IenW. Als zij
dat toezegt, dan wil ik de motie intrekken.
De voorzitter:
Kunt u dat toezeggen, mevrouw de minister?
Minister Hermans:
Prima. Dat is goed.
De voorzitter:
Aangezien de motie-Vermeer (36800-XXIII, nr. 30) is ingetrokken, maakt
zij geen onderwerp van behandeling meer uit.
De voorzitter:
Dan gaan we nu naar de motie op stuk nr. 31.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 31 van de heer Kops bevat een aantal verzoeken ten
aanzien van wind op land en zee. Onder verwijzing naar wat ik allemaal
heb gezegd over het belang van wind op zee en land ontraad ik deze
motie.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 32.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 32 verzoekt mij om onmiddellijk krachtige
interventies en aanvullende maatregelen te presenteren naar aanleiding
van de berichtgeving van TenneT van vandaag. We zullen in samenwerking
met de netbeheerders en de provincies alles op alles zetten om een
aansluitstop te voorkomen, dus: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 32 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr.
33.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 33 verzoekt om geen gedifferentieerde nettarieven
in te voeren. U vraagt mij net om krachtige interventies om het probleem
in de FGU-regio aan te pakken. Een van de dingen die TenneT en de
netbeheerders zeggen, is: kijk naar gedifferentieerde tarieven om echt
wat te kunnen doen in de piek. Deze motie moet ik dus echt ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 33 wordt ontraden.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 34 verzoekt om geen geld meer uit te geven aan het
opkopen van duurzame-energiepapieren in het buitenland. Dit is nu niet
aan de orde. Zoals ik ook in het debat zei, gaat het nu niet over een
bindende doelstelling. Deze motie zal ik dus ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 34 wordt ontraden.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 35 over het openhouden van de kolencentrales
ontraad ik ook, want dan zouden we terugkomen op een bestaande gemaakte
afspraak.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 36.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 36 verzoekt de regering om de export van gas uit
onze voorraden te stoppen. Die motie moet ik ook ontraden. Dat is in
strijd met de regelgeving.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 37.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 37 van de heer Jumelet verzoekt om in de KEV
expliciet in te gaan op het uit de PBL-analyse voortvloeiende
handelingsperspectief. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik ben met het
PBL in gesprek om tot aanpassing van de KEV te komen, zodat we meer
zicht hebben op de transitie voor de lange termijn en de
randvoorwaarden. Dit vraagt natuurlijk ook wel weer iets van de ruimte
in het werkprogramma van het PBL. Als er iets bij komt, moet er ook iets
af. Het PBL zal ook expertise van andere partijen nodig hebben, maar ik
lees de motie zo dat ik de ruimte heb om het gesprek ook op die manier
met het PBL te voeren. Dus oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 38.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 38, ook van de heer Jumelet, verzoekt om nog een
keer met de ACM in gesprek te gaan of haar in ieder geval dringend te
adviseren om de risico's van het invoedingstarief nadrukkelijk bij de
besluitvorming te betrekken. Wij voeren dat gesprek. ACM is zich ook
bewust van de mogelijke risico's en gevolgen. Er liggen ook nog
Kamervragen hierover die ik zo snel mogelijk zal beantwoorden, maar de
motie kan ik verder oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 38: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 39.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 39, van de heer Van den Berg, moet ik ontraden. Het
is echt aan een volgend kabinet om besluiten te nemen over de
energierekening. In de begroting voor 2026 zijn stappen gezet om wat te
doen aan die rekening.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 40, ook van de heer Van den Berg ...
De heer Van den Berg (JA21):
Toch een verhelderende vraag aan de minister over de vorige motie. Dat
het aan een volgend kabinet is om te besluiten wat we gaan doen met de
energiebelasting: enfin, daar kan ik nog in meegaan. Maar deze motie
vraagt om een overzicht te sturen van opties om de belastingdruk te
verlagen, niet om die daadwerkelijk te gaan verlagen. Dan kan een
volgend kabinet die opties meenemen.
Minister Hermans:
Volgens mij zijn er in heel veel documenten al heel veel opties
gewisseld over wat er aan de elektriciteitskosten kan worden gedaan. Dus
ik vind het een beetje overbodig en eerlijk gezegd ook zonde van de tijd
om dat nu weer apart op een rij te gaan zetten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 40.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 40, ook van de heer Van den Berg, gaat over een
herbezinning op de werking en de effecten van het ETS en pleit voor het
voorkomen van verdere lastenverzwaring voor de Europese industrie. De
versterking van het concurrentievermogen en de verduurzaming gaan hand
in hand. Dat staat ook in het rapport van Draghi, waar we het vaak met
elkaar over gehad hebben. Het afzwakken van ETS helpt dus niet. Het is
nu belangrijk dat we goed kijken naar de voorstellen die uit de Clean
Industrial Deal komen, onder andere de groene marktcreatie. Dus ik
ontraad deze motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 40: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 41.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 41 doet een aantal verzoeken ten aanzien van een
kussengasreserve en meer flexibiliteit ten aanzien van de vulgraden.
Deze motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 41: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 42.
Minister Hermans:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 42 van de heer Flach: daar kan ik een
heel eind in meegaan. Het enige is dat ik niet kan toezeggen om het te
doen binnen de gestelde deadline, namelijk voor de begroting van 2027.
Ik zal me er wel voor inspannen dat het na de zomer komt. Als de heer
Flach dat goed vindt, dan krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk of dat het geval is.
De heer Flach (SGP):
Eén vraag daaraan voorafgaand: komt dat omdat de minister niet meer voor
haar opvolger kan beslissen of is het gewoon überhaupt niet mogelijk om
dat voor de begroting te doen?
Minister Hermans:
Het zit in de procedure voor het aanvragen van adviezen over wat je al
dan niet in de SDE++ kunt verwerken.
De heer Flach (SGP):
Ik houd het in overweging. Ik laat het nu even staan. Ik kijk even naar
een eventuele aanpassing.
De voorzitter:
Dan wordt de motie in de huidige vorm ontraden, denk ik.
Minister Hermans:
Ja, vanwege die deadline in dat derde verzoek.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 43.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 43, van de heer Flach, met een routekaart voor
verificatie, moet ik ontraden. Wel wil ik toezeggen om in gesprek te
gaan met bedrijven en de Commissie over welke rol het kabinet aanvullend
kan spelen om bedrijven zo goed mogelijk te helpen bij het vermijden van
onnodige CBAM-kosten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 44.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 44, van mevrouw Teunissen, verzoekt om een
wetsvoorstel voor te bereiden voor een landelijk verbod op fossiele
reclame. Ik ga dat dus niet doen. Ik heb al geschetst waar de
ingewikkeldheden zitten. Om die reden ontraad ik deze motie.
De voorzitter:
Ja. De motie op stuk nr. 45.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 45 doet het verzoek om de SDE++ per '27 te openen
voor natuurlijke CO2-opslag via bosaanplant en veenherstel.
De SDE++ is een exploitatiesubsidie voor projecten die gecorrigeerd
worden voor marktprijzen voor energie en CO2. Voor
natuurlijke opslag ontbreekt een marktprijs, dus die kan niet in de
SDE++. De natuurlijke opslag loopt via de veenweide- en bossenstrategie.
Daarom moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 45: ontraden. De motie op stuk nr. 46.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 46, van de heer Grinwis, over het verkennen van de
aanscherping van regels voor de datacenters. Die motie kan ik oordeel
Kamer geven. Ik benadruk wel wat ik in eerste termijn heb gezegd,
namelijk dat we het hierbij niet alleen vanuit het perspectief van
energie kunnen bezien, maar ook de bredere belangen, de ruimtelijke
afweging, de digitalisering en de economie in ogenschouw moeten nemen;
ik heb dat geschetst.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 47.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 47, van de heer Grinwis, verzoekt om de
nettolastenverzwaring als gevolg van ETS2 te monitoren. Die motie geef
ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 48.
Minister Hermans:
Dat is ook een motie van de heer Grinwis, en anderen. Ze verzoekt om bij
de Voorjaarsnota de Kamer inzicht te geven in het benodigde budget en de
operationele capaciteit voor het beter ontsluiten van flexibiliteit. Die
motie kan ik oordeel Kamer geven. Wij zullen aan het werk gaan met het
crisisteam dat aan de slag gaat, in nauwe samenwerking uiteraard met de
drie provincies. We hebben alles en iedereen nodig. Die samenwerking is
cruciaal. De vraag is even of elk kwartaal rapporteren … Het zou
misschien soms wat korter op elkaar en soms wat langer na elkaar kunnen.
Wij zullen dus heel regelmatig rapporteren en vooral ook als er echt
iets te melden is.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 49.
Minister Hermans:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 49, van de heer Dassen, om versneld te
investeren in grensoverschrijdende hoogspanningsverbindingen. Die motie
geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 50.
Minister Hermans:
De motie op stuk nr. 50, van de heer Dassen, om de Nederlandse
veiligheidsdiensten te verzoeken een vergelijkbare risicoanalyse te
maken. Deze motie moet ik ontraden. Het verzoek om de briefing, zoals de
motie van de heer Klos vraagt, kan ik doen, maar dit gaat echt een stap
verder. Ik laat het ook aan een volgend kabinet.
De voorzitter:
De laatste motie, op stuk nr. 51.
Minister Hermans:
Dan de motie op stuk nr. 51, van de heer Dassen. Die doet het verzoek om
de mogelijkheden te onderzoeken voor een meerjarig publiek
inkoopprogramma en de Kamer hierover te informeren. Die motie is
eigenlijk ontijdig, want de discussies in Europa lopen nog. Er wordt
gewerkt aan een post-2030-raamwerk, dus hoe ziet nou het beleidsraamwerk
eruit om het doel van 2040 te halen? Er wordt gewerkt aan de
ETS-voorziening. Dat zal ook een voorstel bevatten om permanente
koolstofverwijdering op te nemen in het handelssysteem. Wij zetten ons
in Europa dus in voor een Europees inkoopprogramma. Daar hebben we ook
een non-paper over geschreven. Hiermee kan de diversiteit van het aanbod
van technieken worden gestimuleerd als tussenstap naar een eventuele
integratie. Maar om dat nu te doen, is te vroeg.
De voorzitter:
Is de heer Dassen bereid om de motie aan te houden? Dat is niet het
geval. Dan krijgt de motie wanneer zij in stemming wordt gebracht de
appreciatie ontijdig.
De heer Kops (PVV):
Even terug naar de motie op stuk nr. 32. Als de minister die motie zo
interpreteert dat bij het tegengaan van netcongestie dus die
gedifferentieerde nettarieven moeten worden ingevoerd — dat betekent
voor huishoudens dus een hoger tarief tijdens piekmomenten — dan houd ik
de motie nu even aan.
Minister Hermans:
Ik kijk naar de verkeerde motie. De motie over de gedifferentieerde
tarieven is toch de motie op stuk nr. 33?
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 32 verzoekt de regering onmiddellijk krachtige
interventies en aanvullende maatregelen te presenteren teneinde een
aansluitstop te voorkomen.
Minister Hermans:
De invoering van die gedifferentieerde tarieven ligt wat verder in de
tijd. Daar wordt nu aan gewerkt. Ik heb de motie op stuk nr. 32, over de
krachtige interventies, geïnterpreteerd als "zo snel als mogelijk", om
überhaupt te voorkomen dat we bij die aansluitstop komen. Ik koppelde
het aan elkaar omdat we met de krachtige interventies het vraagstuk van
netcongestie nog niet in den brede hebben opgelost.
De voorzitter:
De motie kreeg de appreciatie "oordeel Kamer". Het is dan aan de heer
Kops. De motie wordt aangehouden.
Op verzoek van de heer Kops stel ik voor zijn motie (36800-XXIII, nr.
32) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De heer Van den Berg (JA21):
Ik heb nog een vraag van een andere orde, waar ik naar aanleiding van de
begroting nog mee zat. Vorig jaar in februari is de motie-Erkens
aangenomen om de RES-regio's op te heffen in 2030 of daarvoor. Nou gaan
de gemeenten natuurlijk een nieuwe bestuursperiode in. Ik vraag de
minister dus hoe het staat met die motie. Gaan we de RES-regio's
afschaffen? Zo ja, wanneer? Dan hebben we namelijk bestuurlijke
duidelijkheid.
De voorzitter:
Ik kan me ook voorstellen dat de minister hier ... Heeft u antwoord op
de vraag van de heer Van den Berg, minister? Ik vind hem namelijk
eigenlijk een beetje buiten de orde.
Minister Hermans:
We hebben vorig jaar uitgebreid gediscussieerd over die motie. Ik heb 'm
met klem ontraden, omdat ik het echt een hele onverstandige motie vond.
Maar de motie is aangenomen, dus we hebben gezocht naar een manier om er
invulling aan te geven. Er zijn zogenaamde "interbestuurlijke
samenwerkingsafspraken" gemaakt met provincie en gemeente. Daarin kijken
we hoe we het Programma Warmtetransitie en dat wat de RES-regio's doen
voor hernieuwbare energie op land, kunnen samenvoegen. Daar wordt nu
invulling aan gegeven. Dat is de manier waarop we invulling geven aan
die motie. We zullen daar ongetwijfeld in een voortgangsbrief ergens in
het voorjaar op terugkomen voor een update.
De voorzitter:
Ik dank de minister.
Minister Hermans:
Voorzitter, mag ik misschien tot slot nog een enkel woord zeggen?
De voorzitter:
Wel degelijk.
Minister Hermans:
Dit is mijn laatste debat als minister van Klimaat en Groene Groei. Ik
zou dus heel graag alle woordvoerders heel erg willen bedanken. Ik heb
het afgelopen anderhalf jaar, en met sommigen de afgelopen weken,
intensieve debatten met ze gevoerd. We waren het inderdaad, zoals
mevrouw Teunissen zei, niet altijd eens, maar het waren wel goede en
respectvolle discussies — ook als ze zich op de randen van het akkoord
bevonden, zeg ik tegen de heer Vermeer. Het waren discussies met respect
voor ieders standpunt. Ze waren gericht op het komen tot een oplossing
en het verder brengen van de energietransitie voor onze economie, voor
het klimaat en voor de veiligheid.
Mevrouw Teunissen zei: u bent nog niet van de Partij voor de Dieren af.
Ook de zorg draagt ze namelijk een warm hart toe. De zorg kan ook een
rol in de verduurzaming spelen. Dat heb ik zelf gezien in de afgelopen
anderhalf jaar. Ik noem een bijzonder initiatief op Chemelot, waar
materialen van operatiekamers worden gerecycled, zodat ze kunnen worden
hergebruikt. Ik blijf het onderwerp dus ook straks — mocht het allemaal
goed gaan met de beëdiging, natuurlijk! — met bijzondere interesse
volgen. Ik zal dat wat ik in de zorg kan blijven doen, natuurlijk
blijven doen. Ik realiseer me dus dat ik niet van de Partij voor de
Dieren af ben.
Wie wel bijna van mij af zijn, zijn de collega's van het ministerie van
KGG. Die wil ik via u, voorzitter, ongelofelijk bedanken voor het
keiharde werk van de afgelopen dagen. Zo'n begrotingsbehandeling is
namelijk echt een ongelofelijke klus. Ook heel veel dank aan hen
allemaal voor de afgelopen anderhalf jaar. Hun inzet, professionaliteit
en deskundigheid bij dit gigantisch complexe vraagstuk is echt
bewonderenswaardig. Ik heb daar grote waardering voor. Ik wens hun heel
veel succes met alles wat komen gaat.
Dank.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Wij danken u en uw departement voor uw aanwezigheid. We zien u, als het
Zijne Majesteit de Koning behaagt, weer terug in een andere rol in vak
K. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de
begroting van Klimaat en Groene Groei.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors tot 15.00 uur. Daarna zullen we voortgaan met de begroting van
OCW.
De vergadering wordt van 14.55 uur tot 15.02 uur geschorst.