Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) (antwoord 1e termijn + rest) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D07184, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-13 09:49, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-02-12 15:00: Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (36800-VIII) (antwoord 1e termijn + rest) (Plenair debat (wetgeving)), TK
Preview document (🔗 origineel)
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Voorzitter: Paulusma
Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2026
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026 (36800-VIII).
(Zie vergadering van 11 februari 2026.)
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begrotingsbehandeling
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ik heet de leden van de Kamer en ook
de bewindspersonen in vak K van harte welkom. We zijn toegekomen aan hun
eerste termijn.
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap op vragen, gesteld in eerste termijn.
Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de
Handelingen van deze vergadering.
(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik nodig de minister uit om van zijn spreektijd gebruik te maken. Gaat
uw gang.
Minister Moes:
Dank u wel, voorzitter. We hebben gisteren een mooie eerste termijn
gezien. Dank aan alle Kamerleden voor hun inbreng. Mevrouw Biekman,
nogmaals van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech, die inspirerend
was en die voor mij herkenbare elementen bevatte. Verder heb ik een
interessante filosofische beschouwing gehoord van de heer Van
Duijvenvoorde. Ik heb zelfs een Bijbels citaat gekregen van de heer
Stoffer; ik ben toch blij dat het niet Spreuken 23, vers 13 was. De
staatssecretaris en ik hebben de vragen natuurlijk al schriftelijk
beantwoord, maar we willen graag ook mondeling ingaan op de
verschillende thema's die wij gisteren in deze Kamer hebben gehoord. Aan
het einde van mijn spreektekst zal ik de op mijn terrein ingediende
amendementen appreciëren.
Mijn tijd als minister zit er bijna op. Ik ben trots en dankbaar dat ik,
zij het voor korte tijd, deze rol mocht vervullen. In de afgelopen
maanden heb ik veel gesprekken gevoerd met studenten, docenten,
praktijkopleiders en onderzoekers in het mbo, het hbo, het wo en in de
wetenschap. Daarbij vielen mij steeds hun tomeloze inzet en hun
professionaliteit op. Nederland heeft een sterk en toegankelijk stelsel
van vervolgonderwijs en onderzoek. Dat is van grote waarde voor mensen,
voor regio's en ook voor onze economie, maar dat stelsel staat onder
druk. Ik noem twee ontwikkelingen die ons dwingen tot scherpe keuzes. Na
jaren van groei dalen de studentenaantallen in het mbo, het hbo en het
wo, met grote regionale verschillen. Daardoor dreigen het
onderwijsaanbod en de leefbaarheid in de regio aan kracht te verliezen.
Tegelijkertijd is er een tekort aan goede vakmensen; dat is de tweede
ontwikkeling. Juist in sectoren die maatschappelijk en economisch
cruciaal zijn, komen we talent op de arbeidsmarkt tekort: in de zorg, in
het onderwijs, in de techniek. Het volgende kabinet moet daarom keuzes
maken. Ik geef daarvoor vandaag, mede als reactie op uw inbreng, vier
prioriteiten mee.
Ten eerste moeten onderwijs en onderzoek zich sterker richten op wat de
samenleving nodig heeft, zodat regio's vitaal blijven en onze economie
sterk. Daarom ben ik het eens met mevrouw Rajkowski en mevrouw Van der
Plas: er is in opleidingen en onderzoek meer focus nodig op
maatschappelijke opgaven, tekortsectoren en concurrentiekracht. Het is
noodzakelijk om meer studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van de
toekomst, bijvoorbeeld in de techniek, de veiligheid, de woningbouw en
de zorg. Ik vind het van belang dat de Nederlandse samenleving hier
boven het individuele belang van onderwijsinstellingen hoort te staan.
Als dat niet vanzelf gaat, zijn meer regie en bijsturen vanuit de
politiek nodig. Dat kan onder andere door het maken van goede afspraken
tussen overheid, werkgevers en onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld over
betere voorlichting, goede stageplekken, salarissen en sturing op het
aantal opleidingsplaatsen. Ook is het van belang dat studenten die van
buiten Nederland komen, na hun afstuderen in Nederland kunnen en willen
blijven, zodat zij een blijvende bijdrage aan onze maatschappij kunnen
leveren, daar echt onderdeel van gaan worden en echt mee kunnen draaien
in Nederland. Mevrouw Raijer en meneer Boomsma benadrukken het belang
van de Nederlandse taal hierbij. Dat ben ik helemaal met hen eens. Het
Nederlands moet niet alleen onze voertaal zijn, maar juist ook de
academische taal. Dat maakt de universiteit geworteld, toegankelijk en
van grotere toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving, taal en
cultuur.
Ten tweede moet onderwijs gericht zijn op de praktijk. Juist het
mbo-talent is hard nodig in Nederland. Ik zie dat de waardering voor
praktisch georiënteerde mensen in de samenleving steeds groter wordt.
Dat is terecht. Veel Kamerleden, zoals meneer Ergin, mevrouw Armut,
mevrouw Tseggai, mevrouw Van der Plas, mevrouw Rajkowski en mevrouw
Biekman hameren dan ook terecht op het belang van het mbo. Maar er
blijft inspanning nodig voor een gelijkwaardige positie van het mbo en
de mbo-studenten. In de brief die ik uw Kamer een paar maanden geleden
heb gestuurd, staat uitgewerkt wat de financiële verschillen zijn. Het
gelijktrekken van de studiefinanciering voor mbo-studenten bijvoorbeeld
kost ongeveer 400 miljoen. Dat bedrag heeft het huidige kabinet niet
beschikbaar, maar ik heb hier gisteren bedragen gehoord van 1 miljard
tot 1,5 miljard die het nieuwe kabinet gaat investeren in het onderwijs.
Ik hoop van harte dat een nieuw kabinet de daad bij het woord voegt als
het gaat om waardering en gelijkheid voor het mbo.
Net als mevrouw Tseggai en meneer Ergin maak ik me zorgen over de
beperkte voortgang op de doelen van het Stagepact. Het lukt nog
onvoldoende om stagediscriminatie tegen te gaan en de begeleiding van
studenten te verbeteren. Dit is onacceptabel. Ik ben met alle partners
in gesprek om het actieplan aan te scherpen. We zorgen ervoor dat
studenten meldpunten voor discriminatie beter kunnen vinden. We spreken
alle besturen aan op hun verantwoordelijkheid als het gaat over goede
stagebegeleiding.
Ik ben heel blij met de stappen die ik heb kunnen zetten om de
wettelijke stagevergoeding te regelen. Na een jarenlange discussie ligt
de bal voor de wettelijke stagevergoeding op de stip. Het nieuwe kabinet
kan met dit werk verder en de bal nu inschieten. Het is mooi om te zien
dat dit ook is overgenomen in het nieuwe coalitieakkoord.
De derde prioriteit is stabiliteit. Ons stelsel moet stabieler worden,
zodat dalende studentenaantallen in het mbo en hbo niet leiden tot het
verdwijnen van belangrijke opleidingen, vooral in krimpregio's. Mevrouw
Van der Plas, mevrouw Armut en mevrouw Straatman vroegen wat ik doe om
het opleidingsaanbod in deze regio's in stand te houden. Voor het mbo en
hbo is hiervoor 180 miljoen beschikbaar voor de korte termijn.
Tegelijkertijd werk ik voor de langere termijn aan een bekostiging die
meer rust en stabiliteit geeft en die juist die mbo-instellingen in de
regio meer financiële ruimte geeft. Het vraagt om een wetswijziging, die
in 2029 in moet gaan.
Maar stabiliteit gaat niet alleen over geld. Scholen zijn geen
bedrijven. In plaats van elkaar te beconcurreren op leerlingenaantallen
en studentenaantallen moeten onderwijs en kennisinstellingen met elkaar
gaan zorgen voor goed onderwijs en onderzoek. Dat vraagt ook iets van de
overheid, namelijk minder nadruk op details, maar meer sturing en
verantwoording op hoofdlijnen. Mevrouw Raijer vroeg in haar bijdrage
hier ook terecht aandacht voor. Zo kunnen we rust bieden voor
instellingen en ruimte aan de docent en de onderzoeker, want zij maken
dagelijks het verschil.
De voorzitter:
Ik hoorde een punt, maar ik ben ook even aan het zoeken of de minister
nog bezig is met een inleiding en er daarna blokjes komen. Of geeft u
een inleiding en volgen daarna de amendementen?
Minister Moes:
Zoals ik al zei aan het begin van mijn tekst, voorzitter: in principe
hebben we de vragen op detailniveau schriftelijk beantwoord en ga ik op
de thema's in die ik gisteren hier heb gehoord. Aan het einde van mijn
tekst geef ik mijn appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
En de tekst is dus één grote inleiding? Ja, dan ga ik mevrouw Beckerman
nu het woord geven voor een interruptie. Gaat uw gang.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik hoor de minister zeggen: de bal ligt op de stip voor de
stagevergoeding. Ik denk dat dat fantastisch nieuws is, want die
verplichte stagevergoeding voor mbo'ers moet er komen. Het is heel
pijnlijk dat nog steeds een meerderheid die niet krijgt. In het voorjaar
krijgen we die contouren. Hoelang duurt het dan voordat er ook echt
wetgeving ligt? Hoe schat de minister dat in?
Minister Moes:
Dat is echt afhankelijk van hoe snel mijn opvolger en het nieuwe kabinet
tot die keuzes komen. Ik heb — dat heb ik ook toegezegd aan uw Kamer,
mede dankzij moties van mevrouw Beckerman — een verkenning gedaan waarin
ik heb gekeken op welke manier je dit in een wet zou kunnen vatten. Je
hebt verschillende routes. Je hebt verschillende wetten die zich daar
eventueel een beetje voor lenen. Er zijn ook keuzes aan verbonden. De
ene wet past dan beter dan de andere. Moet je het met arbeidsrecht doen
of met de Wet op het hoger onderwijs? We hebben verschillende wetten.
Hierin zijn nou eenmaal in de praktijk keuzes te maken om te bepalen hoe
dat eruit moet gaan zien. Ik heb die verkenning gedaan. Die ligt in
principe klaar. Mijn opvolger kan eigenlijk gewoon een keuze maken en
dan kun je de route naar een wetswijziging verder doorlopen. Dat zal een
vergelijkbare tijd kosten als in reguliere gevallen bij een
wetswijziging.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik vraag het om de volgende reden. Natuurlijk vraag ik deze minister
niet om vooruit te regeren. Er komt een nieuw kabinet. Maar ik heb in
het voorjaar van 2023 een debat gehad over de contouren van een nieuwe
Mijnbouwwet. Het is nu bijna drie jaar later en die wet is er nog niet.
Die is zelfs nog niet in consultatie. Daar zat een beetje mijn angst
toen ik het antwoord las. Ja, het is heel mooi dat er dit voorjaar
contouren van een wet komen, maar tegelijkertijd moeten we mensen niet
blij maken met iets wat dan nog jaren duurt. Dat was dus eigenlijk de
achtergrond van mijn vraag. Nogmaals, natuurlijk is het aan zijn
opvolgers, maar misschien kan de minister iets meer een tijdpad geven,
bijvoorbeeld: ik heb zoveel uitgewerkt, dus dan zou het in theorie
binnen een jaar geregeld kunnen zijn. Daar zoek ik toch naar.
Minister Moes:
Voordat zo'n wet daadwerkelijk van kracht is, ben je algauw verder dan
een jaar. Tegelijkertijd hebben we echt een goede verkenning gedaan naar
de vraag welke wetten zich hiervoor lenen. We hebben ook verkend of het
dan wettelijk zou moeten of we het ook op een andere manier afdwingbaar
zouden kunnen maken. We hebben daar echt goed naar gekeken. In principe
zou ik nu al zo ver kunnen zijn dat ik zeg "die richting zou het op
kunnen gaan en we kunnen ermee verder", maar ik heb toch gedacht,
aangezien ik nog maar een weekje heb als minister en ik dit ook in het
nieuwe coalitieakkoord heb zien staan: dit komt goed, en de definitieve
keuze voor de verdere richting is aan mijn opvolger. Als hier dan
enigszins een beleidsprioriteit op ligt bij het ministerie, denk ik dat
het met een jaar of twee ook daadwerkelijk in gang gezet kan worden en
het vanaf dat moment geldt. Tot die tijd roep ik scholen, instellingen
en werkgevers op om proactief aan de gang te gaan met die
stagevergoeding, want het is niet meer dan netjes om dat gewoon keurig
te regelen.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter, ik wilde het bij twee interrupties laten, maar toen zei de
minister toch iets interessants. Hij heeft inderdaad drie opties
geschetst aan de Kamer, namelijk het aanpassen van de huidige
onderwijswetten, het aanpassen van het Burgerlijk Wetboek en aparte
wetgeving. Ik probeer het kort samen te vatten. De minister zei: ik zou
nu een voorkeur kunnen uitspreken maar dat heb ik niet gedaan. Zou hij
dan een klein advies kunnen geven aan de Kamer? Ik zat daar namelijk ook
naar te kijken. Ik dacht: misschien kun je het wel tweetraps maken, dus
het snel regelen in de onderwijswetten en dan daarnaast aparte
wetgeving. Ik ben wel benieuwd welk advies de minister ons nou zou
meegeven.
De voorzitter:
Het wordt steeds creatiever, mevrouw Beckerman.
Minister Moes:
Ik wil daar best een keer een kop koffie over drinken na mijn
ambtstermijn, maar ik vind het niet netjes om over mijn graf heen te
regeren. Daar wil ik me dus toch van onthouden.
De voorzitter:
Mevrouw Straatman, gaat uw gang.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik was even op zoek naar de blokjes. De minister zei zojuist iets over
de krimpregio's, dus ik dacht: ik stel mijn vragen nu. De minister zei
dat we op korte termijn 180 miljoen euro aan krimpmiddelen hebben voor
het mbo en het hbo. Dat is mooi. Voor het CDA is het heel belangrijk dat
het onderwijsaanbod nabij op een bepaald niveau en op peil blijft.
Tegelijkertijd zag ik vandaag in het nieuws dat Saxion te maken heeft
met een enorme daling in het aantal studenten. Het gaat om 6,6%, veel
meer dan verwacht. Dat percentage is veel hoger dan het landelijk
gemiddelde. Daardoor verdwijnen veel academies. In hoeverre is de 180
miljoen op dit moment voldoende om het onderwijsaanbod nabij op peil te
houden?
Minister Moes:
Op dat detailniveau heb ik niet zo snel een antwoord paraat. Dat is in
grote mate natuurlijk ook afhankelijk van de instellingen zelf. In de
eerste plaats zijn zij er zelf verantwoordelijk voor om daarin keuzes te
maken en een afweging te maken. Dat past ook bij de manier waarop we het
stelsel hebben ingericht. Ik vind het aan de ene kant niet passend dat
instellingen altijd direct naar de overheid kijken om alle problemen op
te lossen. Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn: we zien dat dit
een structureel probleem is dat niet van tijdelijke aard is. Het gaat
vooral om de disbalans tussen de regio's: de ene regio heeft structureel
te maken met krimp, maar bij de andere regio is dat juist niet het geval
en is er groei zichtbaar. Dat is de reden waarom we zeggen dat we werken
aan een stelselwijziging om de financieringsstructuur aan te passen,
zodat het opleidingsaanbod in de regio toegankelijk blijft en je overal
in Nederland nabij onderwijs hebt voor belangrijke opleidingen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vervolgvraag. Ik las in de brief dat de minister zegt dat de
krimpgelden zijn bedoeld om te voorkomen dat er verschraling plaatsvindt
en om deze te vertragen. Ik schrik met name van de vertraging. Ik zou
graag meer inzicht willen hebben in de vraag of die 180 miljoen op dit
moment afdoende is om het vertragingsproces meer richting voorkómen te
laten gaan. Kan de minister op een bepaalde manier meer inzichtelijk
maken of die gelden op de juiste plekken terechtkomen en of er daarmee
daadwerkelijk vertraging plaatsvindt, of dat er op dit moment
opleidingen die cruciaal zijn in de regio's verdwijnen? Zou hij kunnen
toezeggen dat meer inzichtelijk te maken?
Minister Moes:
Natuurlijk willen we dat inzicht graag op detailniveau hebben, maar de
realiteit is dat het, gelet op de manier waarop ons onderwijs wordt
gefinancierd, heel lastig is, omdat er meerdere factoren tegelijkertijd
spelen. Dit kabinet heeft ook bezuinigingen doorgevoerd. Die raken in
principe ook de instellingen die ondertussen wel geld krijgen ter
compensatie van krimp. Dat verhoudt zich op enige manier tot elkaar,
maar het is niet zo gemakkelijk als een knopje waaraan je kunt draaien
of een schuifje dat je omhoog of omlaag kunt zetten. Dat mengpaneel
hebben wij gewoon niet ter beschikking, juist omdat de instellingen zelf
gaan over hoe ze het precies vormgeven. Ze gaan ook zelf over de keuze
welke opleidingen zij waar overeind houden. Ik heb, geloof ik, gisteren
van JA21 gehoord dat kleine opleidingen, zoals Frans en Duits,
verdwijnen omdat ze kleiner zijn. Daar worden keuzes in gemaakt, maar
die zijn niet altijd een-op-een te vertalen naar krimp. Die vertaalslag
is niet zo makkelijk te maken.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik wil eigenlijk doorgaan op dit punt. Ik ben toevallig ook op
werkbezoek geweest bij Saxion. Ik hoorde de minister zeggen dat dat alle
opleidingen zijn, maar voor 80% of 90% van de studenten die naar Saxion
gaan, is dit de enige keuze die zij hebben in de hele regio Twente. Als
die opleidingen verdwijnen, is dus er geen tweede of derde keus. Heel
veel van die opleidingen zijn ook gericht op het opleiden van mensen in
bepaalde tekortsectoren. Ik vind het dus een beetje een moeilijk
antwoord. Ik ben benieuwd of de minister nog iets dieper kan ingaan op
wat we specifiek doen voor instellingen die aangeven dat, als
opleidingen verdwijnen, ook onderwijs voor een hele grote groep
studenten verdwijnt.
Minister Moes:
Dit is exact het punt dat we hiermee proberen te ondervangen. Daarom
hebben we tijdelijke middelen beschikbaar gesteld om deze periode te
overbruggen, totdat het nieuwe financieringsstelsel wordt ingevoerd.
Daar is dat geld voor bedoeld. We zien het probleem nu al, maar de
stelselwijziging kost tijd. Dat kost nog ongeveer twee jaar. Tot die
tijd hebben we dus die financiering om tegemoet te komen aan de
instellingen en hen te helpen het verdwijnen van opleidingen te
vertragen tot dat moment, zodat er tijd is om daar een nieuw stelsel
tegenover te zetten. Dat is dus heel goed samengevat. Dat is ook precies
de motivatie van het kabinet om daarmee aan de slag te gaan.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Moes:
Ik was toe aan het vierde, en laatste, thema dat ik wilde benoemen:
vrijheid en veiligheid. Academische vrijheid, oftewel vrije, ongebonden
en kritische wetenschap, is essentieel. Een veilige campus voor
medewerkers en studenten is hiervoor een harde voorwaarde, maar die
vrijheid is niet vanzelfsprekend. We moeten haar actief beschermen als
zij onder druk komt te staan. We moeten diversiteit van opvattingen en
perspectieven koesteren. Dat kan soms schuren en botsen, en dat moet
ook; dat is fundamenteel iets anders dan veiligheid. Bij uitstek op de
campus heb je het recht, het privilege om naar aanleiding van je
overtuigingen en denkbeelden tegengesproken te worden. Maar dat kan
alleen als het veilig is. Antisemitisme, racisme en discriminatie zijn
ontoelaatbaar. Er is in het debat gisteren terecht aandacht gevraagd
voor de Taskforce Antisemitismebestrijding, door de heer Stoffer, de
heer Boomsma, de heer Ceder, de heer Claassen, mevrouw Staatman en
mevrouw Rajkowski. Er was veel aandacht voor. Er werd ook gevraagd of de
formele kabinetsreactie eerder kon komen, maar die komt later; dat krijg
ik zo snel niet voor elkaar. Maar de taskforce laat in elk geval zien
dat er binnen de huidige wetten en het huidige stelsel meer mogelijk is
dan soms wordt gedacht. Ik heb dit al eerder gedaan, maar ik roep
instellingsbesturen ook bij dezen op om zich vooral uit te spreken. De
Taskforce Antisemitismebestrijding roept ook op om niet al te
terughoudend, te voorzichtig te zijn. Er is meer mogelijk dan je denkt.
Wees dapper en spreek je uit.
Voorzitter. Mijn ervaring als docent maar ook mijn ervaringen in het
afgelopen jaar maken dat ik weet hoeveel het onderwijs betekent voor de
samenleving en voor iedereen die het onderwijs elke dag weer mogelijk
maakt. Dat besef zag ik ook in overvloed terug in uw Kamer. Dat geeft
hoop voor een mooie toekomst voor het onderwijs en de wetenschap. Ik zie
dit debat dan ook als een mooie afsluiting van mijn periode als
minister. Ik zeg uw Kamer nogmaals dank voor de inspirerende
samenwerking.
Dan wil ik graag door naar de appreciatie van de amendementen,
voorzitter.
De voorzitter:
Eén moment, minister, ik zie beweging.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik had gisteren vragen aan de minister gesteld over wat voor stappen
genomen kunnen worden om onderzoekers, wetenschappers die te maken
hebben met intimidatie en druk, beter te beschermen. Ik vond de
beantwoording op zijn zachtst gezegd best teleurstellend. Er stond
namelijk in een zinnetje "wetenschappers die zich mengen in het publieke
debat". Dat is niet een gegeven. We zien nu ontwikkelingen waarbij
onderzoekers en wetenschappers getarget worden vanwege het type
onderzoek dat ze doen, en dat ze het gevoel hebben dat ze bepaalde
onderzoeken niet kunnen afmaken vanwege bedreigingen vanuit bepaalde
overheden. Ik wil dus graag aan de minister vragen om concreet te maken
hoe groot deze groep is, wat het ministerie doet, of het ministerie in
gesprek is met instellingen en hoe we deze onderzoekers en
wetenschappers beter gaan beschermen.
Minister Moes:
In de eerste plaats zijn de instellingen natuurlijk zelf
verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid en de academische
vrijheid. Ik herken deze signalen heel goed. Die zie ik ook. De dreiging
komt soms van buiten en soms van binnenuit, maar het is heel belangrijk
dat onderzoekers en wetenschappers de vrijheid voelen om te onderzoeken
wat ze willen. Dat is een kernpunt van academische vrijheid. Zoals ik al
zei, is het in de eerste plaats aan de instellingen zelf om die
veiligheid goed te borgen. Ik heb niet heel gedetailleerde overzichten
van hoever dat reikt. Naar aanleiding van het eerdere debat van een paar
maanden geleden over academische vrijheid — dat was toen nog met de
vorige samenstelling van de Kamer — heb ik toegezegd dat er dit najaar
een onderzoek komt naar bijvoorbeeld de pluriformiteit en in hoeverre
academici zich veilig voelen en zich vrij voelen om te onderzoeken wat
ze willen onderzoeken.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik ben bekend met het onderzoek; dat
slaat op een heel ander vraagstuk. Ik vroeg concreet naar inzicht. Dat
hebben we kennelijk niet. Dat beaamt de minister ook. Ik zou het fijn
vinden als wij als Kamer inzicht of een overzicht zouden kunnen krijgen
— dat kan ook zijn op basis van gesprekken met instellingen zelf — van
hoeveel onderzoekers en wetenschappers te maken hebben met dreiging en
intimidaties. Dat kan ook in de juridische sfeer zijn, dat kan zich
voordoen als ze naar het buitenland gaan voor bepaald onderzoek of kan
gaan over subsidies die worden ingetrokken. Dat overzicht zou ik graag
willen hebben, zodat we concreet een debat kunnen hebben over wat wij
kunnen doen om ze beter te beschermen. Dat is niet alleen aan
instellingen zelf, maar ook aan ons hier in dit huis.
Minister Moes:
Ik kan toezeggen dat ik dit in gesprekken met het veld meeneem en dat ik
aan de instellingen zal vragen of het haalbaar en mogelijk is om hier
inzicht in te krijgen. Ik durf namelijk niet zo een-twee-drie te zeggen
dat het heel makkelijk is om daarvan cijfers op papier te krijgen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Volgens mij is dit het laatste moment om wat vragen aan de minister te
stellen.
De voorzitter:
Dat klopt.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dus vandaar mijn vraag. Ik had het gisteren in mijn betoog ook over de
vraag wat we effectief aan demonstraties op universiteiten kunnen doen.
In de beantwoording wijst de minister heel veel naar het Openbaar
Ministerie en zegt hij dat het aan het Openbaar Ministerie is om verdere
stappen te zetten. De kern van mijn betoog was juist dat de
civielrechtelijke afhandeling, dus het verhalen van schade, een manier
is om het Openbaar Ministerie te ontlasten, waarbij een vraag was welke
stappen we daarin kunnen zetten om ook de universiteitsbesturen te
ontlasten. Kan de minister daar antwoord op geven?
Minister Moes:
Dat is heel lastig, omdat het vooral het terrein is van de minister van
JenV. Daarom had ik het ook over de Taskforce Antisemitismebestrijding,
want die heeft zich ook met dit vraagstuk beziggehouden. In de eerste
plaats is het van belang dat we met z'n allen pal staan voor die
veiligheid en dat de instellingen als eerste ingrijpen; die dragen
primair de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campus, ook als
het gaat om demonstraties die eventueel uit de hand lopen. Dat gebeurt
ook. Het is alleen ook een lastig fenomeen gebleken. Dat komt doordat er
soms tijd en ruimte voor beslissingen nodig is vanaf het moment dat de
bestuurder van een instelling zegt: "Dit gaat echt de perken te buiten.
Dit is een overtreding van onze huisregels. Dit kan zo niet. We hebben
dit niet meer goed in de hand, dus we moeten opschalen." Dan wordt de
driehoek ingeschakeld. De burgemeester en de politie maken dan nog weer
een eigen afweging over veiligheid. Die afweging kan anders zijn dan die
van de instelling zelf. Daar zit ruimte tussen, zoals de taskforce heeft
geconstateerd. Die ruimte kun je kleiner maken door goed af te stemmen
en ook op tijd afspraken over het proces te maken: hoe snel grijp je in
en staan er dan ook gelijk mensen klaar om daadwerkelijk in te grijpen?
De instellingsbesturen hebben namelijk natuurlijk zelf geen politiemacht
of iets dergelijks. Er is door mijn voorganger destijds met de besturen
de afspraak gemaakt om bij vermoedens van strafbare feiten, zoals
vernielingen, altijd aangifte te doen teneinde te proberen die schade te
verhalen en de daders te vervolgen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dat is niet helemaal het punt dat ik bedoelde. Laat ik het heel concreet
maken. Op het moment dat er demonstraties op universiteiten zijn en er
van alles gesloopt wordt, kun je twee dingen doen. Je kunt inderdaad
aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het is heel belangrijk dat
dat ook gebeurt, maar dat is een ingewikkelde route en het Openbaar
Ministerie heeft het heel druk. Je kunt ook een andere route nemen, de
meer civielrechtelijke route. De aangifte loopt dan niet via het
strafrecht, maar via het civiele recht. Vervolgens kan je een
gigantische claim neerleggen bij een van die demonstranten. Het is
civielrechtelijk veel makkelijker om een hele grote groep voor de
genoemde zaken aansprakelijk te stellen. Mijn vraag zou als volgt zijn.
Er worden nu allerlei onderzoeken bij JenV gedaan om dit bij andere
terreinen, bijvoorbeeld bij winkeldiefstal en demonstraties in de
openbare ruimte, makkelijker te maken. Waarom onderzoeken we niet of het
voor universiteitsbesturen makkelijker is om een groep rellende
demonstranten niet, of niet alleen, de route van het strafrecht in te
laten gaan, maar ze gewoon ook een cheque te overhandigen met de woorden
"je hebt hier een hoop gemold; betaal daar maar voor"? Kunnen we dat
niet gewoon integraal bekijken? Als we dat bij JenV uitzoeken, dan moet
dat toch ook voor OCW mogelijk zijn? Dan moeten we daar toch een
integrale aanpak op kunnen vinden?
Minister Moes:
Ik vind het heel ingewikkeld om als OCW voor de universiteitsbesturen te
gaan bepalen welke juridische route ze dan zouden moeten gaan lopen. Als
deze route mogelijk is, dan staat het de universiteitsbesturen gewoon
vrij om dat te doen. Ik denk dat daar op dit moment geen blokkade voor
is.
Mevrouw Straatman (CDA):
Mijn kernpunt is: moeten we die universiteitsbesturen daar niet bij
helpen? Zouden we niet moeten bekijken of we bijvoorbeeld de lopende
pilots kunnen uitbreiden naar universiteiten? Zo zouden we de
universiteitsbesturen de handvatten geven om dit veel makkelijker in te
regelen. Zou de minister daarnaar willen kijken?
Minister Moes:
OCW heeft niet de ambtelijke capaciteit om juridische afwegingen voor de
universiteitsbesturen te maken. Dat is echt primair aan die instellingen
zelf. Ik denk dat het heel belangrijk is dat zij zelf die afweging
maken. Natuurlijk zijn wij doorlopend in gesprek met de instellingen, en
ik wil deze suggestie best meenemen in de gesprekken met de
instellingen.
De heer Boomsma (JA21):
Het is wel heel belangrijk dat die schade gewoon zo veel mogelijk wordt
verhaald. Inderdaad, zoals mevrouw Straatman aangeeft, gaat dat nu
gewoon vaak niet goed, ook omdat het OM kampt met capaciteitstekorten.
Het lijkt me dus juist een uitstekend voorstel om die civiele route te
gaan bewandelen en om die in ieder geval te betrekken bij de onderzoeken
die nu gaande zijn. Ik denk dus dat het heel goed zou zijn als het
kabinet daar gewoon mee aan de slag gaat en het gesprek met de
universiteitsbesturen aangaat, om de universiteiten aan te laten sluiten
bij deze pilots.
Minister Moes:
Nogmaals, ik wil deze suggestie best meenemen in de gesprekken met de
universiteitsbesturen en bijvoorbeeld UNL, en ik wil dat verder gaan
verkennen. Wij kunnen als OCW, als ministerie, echter niet voor de
universiteitsbesturen bepalen wat ze precies moeten doen, want dat is
primair hun verantwoordelijkheid. Natuurlijk denken we mee. Nogmaals,
deze suggestie nemen we mee in de gesprekken.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb een andere vraag voordat de minister weggaat. In de schriftelijke
beantwoording ...
De voorzitter:
We hebben ook nog een tweede termijn met de minister. Voordat iedereen
denkt "ik moet nu mijn allerlaatste vraag stellen", zeg ik: de minister
is er nog even vanavond.
De heer Boomsma (JA21):
Ja, maar mijn vraag gaat over de schriftelijke beantwoording van een
vraag van gisteren, dus volgens mij is dit een goed moment om dat te
doen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had een vraag gesteld over de McKinsey-onderzoeken naar wiskunde en
rekenen en vroeg of er meer van dat type onderzoeken is gedaan. In de
schriftelijke antwoorden wordt gezegd: we hebben verschillende
internationale toetsen waaraan we meedoen om vaardigheden te meten.
Alleen, volgens mij is het specifieke van het McKinsey-onderzoek dat het
juist vergelijkt met vroeger, dus met de examens zoals die er vroeger
uitzagen. Dat is volgens mij minstens zo interessant als met
internationale toetsen volgen hoe het nu gaat en hoe vaardigheden zich
nu in de tijd ontwikkelen. Het gaat mij erom het te vergelijken met
voorheen. De vraag is eigenlijk of de minister weet of ook dat type
onderzoeken, dus naast wat we kennen van McKinsey over wiskunde en
rekenen, sindsdien vaker is gedaan.
Minister Moes:
Voor zover ik mij kan herinneren, zijn er geen onderzoeken in die trant
geïnitieerd door de overheid zelf of onderzoekstrajecten gedaan waaraan
wij meedoen als land, zoals die internationale vergelijkende
onderzoeken. Daar ben ik niet van op de hoogte, maar dat zou ik na
moeten gaan. Het kan natuurlijk best zijn dat er los van een directe
overheidsopdracht andere grote onderzoeken gedaan zijn, maar dat durf ik
zo niet te zeggen; daar ben ik niet mee bekend.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Moes:
Volgens mij was ik toe aan de appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
Ja, aan de appreciatie.
Minister Moes:
In zijn algemeenheid zeg ik het volgende. Er zijn meerdere amendementen
ingediend met een vergelijkbare dekking. Zo wordt de niet-juridisch
verplichte ruimte, bijvoorbeeld op artikel 7 internationaal beleid, in
meerdere amendementen opgevoerd. Dat gaat natuurlijk niet, want die
ruimte is sowieso niet groot genoeg om alle amendementen te dekken. Ik
wijs er graag op dat geld maar één keer kan worden uitgegeven. Daarnaast
is het onderscheid tussen juridisch wel en juridisch niet verplicht
eerder een kwestie van timing dan een inhoudelijk onderscheid. Ook voor
de niet-juridisch verplichte ruimte zijn toezeggingen gedaan of plannen
gemaakt die niet door kunnen gaan als deze middelen worden
weggeamendeerd. Ik verzoek u zeer deze dingen mee te wegen, naast ons
inhoudelijke oordeel over de ingediende amendementen.
Laat ik daarbij een voorbeeld noemen. Het kan zijn dat eerder aan uw
Kamer gedane toezeggingen of eerdere plannen en moties die voor de
uitvoering afhankelijk zijn van geld, dan niet uitgevoerd kunnen worden.
Ik noem de Restitutiecommissie oorlogskunst en Tweede Wereldoorlog. Daar
is 2 miljoen voor gereserveerd. Voor de leenrechtvergoeding is een
miljoen gereserveerd. In die niet-juridisch verplichte middelen zit dus
daadwerkelijk geld dat geoormerkt is voor andere beleidsdoelen die
eerder ook door uw Kamer gewenst werden geacht. Dat staat op gespannen
voet met amendementen. Maar goed, uiteindelijk gaat uw Kamer daar
natuurlijk zelf over. Dat zeg ik in zijn algemeenheid.
Het amendement op stuk nr. 74 ontraad ik. De dekking van het amendement
wordt gevonden aan de inkomstenkant van de rijksbegroting. Dat is tegen
de begrotingsregels.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 74 krijgt de appreciatie: ontraden.
Minister Moes:
Het amendement op stuk nr. 75: ontraden. De dekking hiervan is ook
ondeugdelijk.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 75 krijgt de appreciatie ontraden. Daar heeft
mevrouw Abdi een vraag over.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb geen vraag, voorzitter, maar wil even iets verduidelijken, ook
voor alle collega's. Wij hebben een andere dekking gezocht, dus er komt
een gewijzigde versie aan.
Minister Moes:
Dan zie ik die nog tegemoet.
Het amendement op stuk nr. 83: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 83 krijgt oordeel Kamer.
Minister Moes:
Het amendement op stuk nr. 84: ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 84 wordt ontraden.
Minister Moes:
Dat komt ook voornamelijk door de dekking.
Het amendement op stuk nr. 85: ook ontraden. Hoewel ik de intentie van
het amendement zeer sympathiek vind, kom ik weer op het punt van de
dekking uit. Die is niet pijnloos in te zetten. Daarom wil ik dat
amendement ook ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 85 wordt ontraden.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik wil het amendement best
omzetten in een motie. Het gaat mij erom dat dit zo snel mogelijk
geregeld wordt voor mbo-studenten. Dit is namelijk een probleem dat we
al heel lang kennen. De heer Dijkgraaf, een van uw voorgangers, heeft
het al heel lang geleden geconstateerd. We weten wat het kost om de
ongelijkheid tussen mbo-, hbo- en wo-studenten op te lossen, dus het
lijkt mij gewoon goed als we dat gaan doen. Of dat via een amendement of
een motie is, maakt mij niet zo veel uit.
Minister Moes:
Dat begrijp ik. Ik vind de strekking, de inhoud hiervan, ontzettend
sympathiek. Tegelijkertijd kost het gewoon geld en heb ik de middelen
niet. Ook een motie die verder geen dekking regelt, kan ik niet oordeel
Kamer geven. Dat zal dan hoogstwaarschijnlijk ook "ontraden" worden.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dat begrijp ik natuurlijk, maar we zouden het bijvoorbeeld met een
kasschuif kunnen reserveren voor volgend jaar. Het gaat mij erom dat we
nu stappen gaan zetten in dit onderwerp. De minister mag het van mij ook
meenemen in de begroting van volgend jaar. Het liefst zie ik het zo snel
mogelijk opgelost. Het gaat mij erom dat we nu stappen gaan zetten.
Minister Moes:
Ik zou dit echt aan een volgend kabinet willen laten, want over
kasschuiven gesproken: er schijnt heel veel geld naar OCW te gaan. Ik
heb de middelen op dit moment niet. Ik kan ook niet een ordegrootte van
dat bedrag zomaar regelen, zeker niet in de korte tijd die mij nog rest.
Ik vind het echt aan een volgend kabinet om hier werk van te maken.
Nogmaals, inhoudelijk vind ik 'm erg sympathiek, maar ik heb de middelen
niet.
De voorzitter:
U heeft een tweede termijn, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat weet ik, maar ik ga toch nog even iets zeggen, als dat van u
mag.
De voorzitter:
Zeker.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik handhaaf dit amendement dan gewoon, want 27 miljoen op een begroting
van 57 miljard lijkt mij niet het allergrootste probleem. Ik handhaaf
dus graag dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 85 blijft gehandhaafd en houdt de appreciatie
"ontraden".
Minister Moes:
Dat was het voor mij, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik nu de staatssecretaris uitnodigen. Voor het
verwachtingsmanagement van de Kamer: heeft de staatssecretaris ook een
inleiding en dan de appreciaties?
Staatssecretaris Becking:
Dank, voorzitter. Ja, ik zeg er iets over. Ik ben blij dat ik hier
vandaag nog mag staan voor dit debat met uw Kamer. Ik heb een korte
inleiding, dan vijf blokjes en dan volgen de amendementen. Allereerst
ook mijn felicitaties voor de bevlogen maidenspeech van mevrouw Biekman
van D66.
In de afgelopen periode heb ik veel mooie dingen gezien in de sector. Ik
ben op scholen geweest waarop veel leerlingen extra ondersteuning
krijgen en waarop het dagelijks alle hens aan dek is om iedereen bij de
les te houden. Maar ik ben ook op scholen geweest waarop veel leerlingen
juist extra uitdaging krijgen of waar ze topsporttalent ruim baan geven.
Ik bezocht scholen die proefdraaien met AI in de klas, waardoor de
leraar zijn lessen beter kan afstemmen op de leerlingen. En ik bezocht
scholen waarop ze te dealen hebben met geweld onder jongeren. Van
Beverwijk tot Bergen op Zoom tot Arnhem: de variëteit aan scholen is
enorm. De uitdagingen waarmee ze te maken hebben, zijn zeer
divers.
De scholen hebben allemaal gemeen dat er bevlogen mensen werken voor
onze jongste generatie. Ik heb het over leraren, ondersteuners,
schoolbestuurders en schoolleiders. Ik zag het plezier en de toewijding
die ik van huis uit ken. Die mensen maken het onderwijs. Ik ben hun
dankbaar voor de prettige samenwerking, net zoals ik dankbaar ben voor
de samenwerking met al die partijen in en om het onderwijs. Ook wil ik
via u, voorzitter, uw Kamer bedanken voor de weliswaar korte maar
krachtige samenwerking van de afgelopen tijd.
Met onderwijs maken we het mogelijk dat we in vrijheid en verbondenheid
samen kunnen leven. Dat is zeker in deze roerige tijden van groot
belang. Het onderwijs werkt uiteraard aan het ontwikkelen van talent,
zoals ook in het rapport-Wennink wordt benoemd. Het is een grote eer
geweest om daaraan te mogen bijdragen. We kunnen het ons niet
veroorloven om daar slordig mee om te springen. De toekomst van ons land
vormen we met goed opgeleide doeners en denkers. De kwaliteit van het
onderwijs hangt af van al die betrokken mensen. Zij verdienen onze
steun. Het gaat namelijk op heel veel plekken goed. We moeten het beleid
dus zodanig inrichten dat we hen helpen.
De heer Ergin van DENK vroeg mij naar een aantal successen van de
afgelopen periode waar ik trots op ben. Ik ben blij dat we in de
afgelopen periode de nieuwe kerndoelen voor het primair onderwijs en de
onderbouw van het voortgezet onderwijs hebben kunnen opleveren. Die
kerndoelen maken veel duidelijker wat leerlingen moeten kennen en
kunnen. Het is nu aan de scholen om hiermee verder aan de slag te gaan.
We gaan ze daar uiteraard bij helpen.
In het nieuwe curriculum hebben de basisvaardigheden een belangrijke
plek. Er is hard gewerkt aan het verbeteren van taal, rekenen,
burgerschap en digitale geletterdheid. Scholen geven nu aan daar al de
eerste effecten van te merken.
Ook goed doordachte digitalisering biedt grote kansen voor het
onderwijs. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat leerlingen en
leraren technologieën als AI goed leren begrijpen en in hun voordeel
kunnen benutten. Digitalisering brengt risico's maar ook grote kansen
met zich mee. Binnen het Nationaal Onderwijslab AI werken scholen en
wetenschappers aan het verbeteren van onderwijskwaliteit met slimme
technologie.
Om te bouwen aan het onderwijs voor de toekomst is goed en voldoende
onderwijspersoneel nodig. Daar werken we aan met de lerarenstrategie.
Afgelopen jaar steeg de instroom voor de pabo, zagen we meer
zijinstromers en is een dekkend netwerk van onderwijsregio's
gerealiseerd, waardoor er in het hele land loketten zijn voor het werken
in het onderwijs, en is de meerjarige campagne Werken met de Toekomst
gestart. Oftewel, er gebeurt heel veel moois in het onderwijs waar ik
trots op ben. Daar moeten en kunnen wij als politiek vooral aan
bijdragen. Ik wens de Kamer en mijn opvolging daarbij veel wijsheid en
vooral leergierigheid toe.
Dan ga ik nu over op de beantwoording van de vragen, in aanvulling op de
schriftelijke beantwoording. Dat doe ik dus in vijf blokjes. Het eerste
blokje is het onderwijspersoneel. Daarna ga ik in op overhead en
administratieve lasten, de inhoud van het onderwijs, kansen voor
iedereen en veiligheid en welbevinden.
De voorzitter:
Dan stel ik voor dat we de vragen doen na afronding van een blokje. Dan
weten we zeker dat de vragen zijn beantwoord. Daarna is er nog ruimte
voor de laatste onduidelijkheden. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Eerst het blokje onderwijspersoneel. Voor goed onderwijs is goed
onderwijspersoneel essentieel. Het is belangrijk dat het
onderwijspersoneel verantwoordelijkheid neemt voor de kwaliteit van hun
vak. Autonomie en vertrouwen zijn hierbij natuurlijk ook cruciaal; dat
deel ik met de heer Claassen.
In reactie op de vraag van mevrouw Rooderkerk over de beroepsgroep zeg
ik dat ik mij er zeker voor inzet om de vorming van de beroepsgroep te
stimuleren. Dat biedt kansen voor de professionele ontwikkeling van
leraren, en een stevige beroepsgroep is cruciaal voor een goed stelsel.
Het is idealiter aan het veld zelf om tot een beroepsgroep te komen,
maar we zien ook dat het lastig gaat. Wij zorgen daarom voor de goede
randvoorwaarden. Ik vind het mooi dat daar ook in het nieuwe
coalitieakkoord aandacht voor is.
In reactie op de vraag van mevrouw Beckerman over het voorstel voor meer
middelen voor zijinstroom kan ik aangeven dat deze maatregel een
belangrijk onderdeel is van de aanpak van het lerarentekort. Ik heb uw
Kamer vorige week geïnformeerd over mijn reactie op dit actieplan.
Dan kom ik bij het blokje overhead en administratieve lasten.
De voorzitter:
Dat zijn korte blokjes; daar houdt deze voorzitter van. Ik kijk even
rond om te zien of dit aanleiding geeft tot vragen. Nee? Gaat u
verder.
Staatssecretaris Becking:
Ik deel de zorgen van de leden Rooderkerk en Raijer over de
administratieve lasten in het onderwijs. Leraren ervaren veel werkdruk,
mede als gevolg van onnodige administratieve taken. Dat is tijd die
leraren dus niet kunnen steken in het verbeteren van het onderwijs. In
het verminderen van administratieve lasten heeft iedereen een rol. Voor
mij ligt er een rol om scholen duidelijk te maken wat strikt
noodzakelijk is en bij nieuw beleid kritisch te kijken naar de impact op
de werkvloer. Mede naar aanleiding van de motie-Moorman bekijk ik samen
met de inspectie wat er aanvullend op de recent opgeleverde leidraad
Ruimte in regels nog nodig is. Niet alle administratie is per definitie
slecht. Veel administratieve taken zijn een nuttig en belangrijk
onderdeel van het werk van een leraar.
Dan een reactie op de vraag van de heer Van Houwelingen over welk deel
van de bekostiging naar salarissen naar onderwijspersoneel gaat. Ik kan
aangeven dat ik het, net als u, belangrijk vind dat er meer inzicht komt
in de hoeveelheid middelen die daadwerkelijk in de klas landen. Daarom
heb ik u laten weten dat we werken aan normen voor overhead en
onderwijspersoneel. Daar vallen salariskosten van docenten ook onder.
Daarmee werken we aan transparantie voor zowel de school als de
maatschappij als geheel. We willen dan ook voor alle schoolbesturen in
kaart brengen hoeveel middelen naar het primaire proces gaan, niet
slechts voor enkele maar voor alle. Om de cijfers hierover te kunnen
geven moet er nog wel een aantal stappen worden gezet. Overigens, zeg ik
erbij, is ons beeld niet dat uitgaven aan overhead in het funderend
onderwijs veel hoger zijn dan in vergelijkbare sectoren. We zullen u
voor de zomer informeren over de stand van zaken van dit traject.
De inhoud van het onderwijs is mijn derde blokje.
De voorzitter:
Volgens mij kunt u verder. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel. Sinds 2023 delen wij deze resultaten jaarlijks in de monitor
basisvaardigheden. De meest recente monitor is op 4 december 2025 met uw
Kamer gedeeld en de volgende verschijnt eind dit jaar.
Dan naar het techniekonderwijs. Techniek heeft nu al een belangrijke
plek in het funderend onderwijs, zeg ik richting de heer Kisteman. Zo is
er meer aandacht voor in de nieuwe kerndoelen en in de bovenbouw van de
beroepsgerichte vakken in het voortgezet onderwijs. We geven techniek
een modern en aantrekkelijk imago. Dit doen we mede met het structurele
programma Sterk Techniekonderwijs, waarmee sinds 2018 100 miljoen per
jaar geïnvesteerd wordt in techniek in het vmbo. Het NGF-programma
Techkwadraat versterkt het techniekonderwijs in het primair onderwijs,
en op havo en vwo. Hiervoor is geld beschikbaar tot 2023. Het is aan het
nieuwe kabinet of en hoe dat structureel kan worden geborgd. Tot slot
werken we de structurele verankering van de praktijkgerichte vakken op
het vmbo en de havo verder uit.
Met betrekking tot kansen voor iedereen zeg ik tegen mevrouw Moorman,
via u voorzitter, dat onderwijs zo veel meer is dan een productiemiddel,
voor je basis als mens en je ontwikkeling als burger. In reactie op de
vraag van mevrouw Moorman en de heer Kisteman over het
Onderwijsresultatenmodel van de inspectie, zeg ik dan ook: kinderen
mogen geen systeemslachtoffer worden; we willen dat kinderen op hun
eigen niveau presteren. De signalen over het Onderwijsresultatenmodel
zijn bekend. De inspectie is juist ook vanwege die signalen bezig met
een herziening van dat model op basis van input uit het veld en de
wetenschap. Het is wel van belang dat de inspectie onderwijsresultaten
mee blijft wegen bij de beoordeling van scholen. Dat past ook bij het
gevoel urgentie van uw Kamer met betrekking tot het verbeteren van de
resultaten. Conform de motie-Kwint en de motie-Soepboer zullen de
onderwijsresultaten wel minder zwaar meewegen in het oordeel van de
inspectie.
In reactie op de vraag van mevrouw Van der Plas wil ik vervolgens
benadrukken dat ik het praktijkonderwijs bijzonder waardevol en
belangrijk vind. Onlangs zag ik dat ook tijdens een werkbezoek bij
praktijkschool de Poort bij mij in de straat, hier in Den Haag. Hier zag
ik hoe het onderwijs was toegesneden op de praktijkgerichte talenten van
deze leerlingen. Op dit moment werken we aan verbeteringen van het
praktijkonderwijs. Eerder deze maand is een regeling gepubliceerd die
het samenwerken van alle scholen voor praktijkonderwijs met een
vmbo-school voor een gezamenlijke onderbouwklas mogelijk maakt. Dat gaan
we ook wettelijk vastleggen. We stimuleren hierbij ook het samenwerken
tussen praktijkonderwijs en entreeopleidingen.
Mevrouw de voorzitter, mijn laatste blokje is veiligheid en welbevinden.
De leden Armut, Stoffer en Ceder hebben gewezen op het rapport van de
Onderwijsraad over welzijn. De Onderwijsraad wijst terecht op de
bijdrage die goed onderwijs intrinsiek kan leveren aan betekenis,
bezieling en welbevinden van leerlingen. Ook kan de school hieraan als
gemeenschap een belangrijke bijdrage leveren, bijvoorbeeld
multidisciplinaire teams op school. Uw Kamer krijgt in het voorjaar een
beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad.
Naast welbevinden is veiligheid voor zowel leraren als leerlingen
uiteraard een randvoorwaarde om tot leren te komen. Met de Wet vrij en
veilig onderwijs zetten we daar ook op in, zeg ik tegen mevrouw Armut.
Met het wetsvoorstel zorgen we dat scholen beter zicht hebben op de
veiligheid op school, onder andere door het registreren van
veiligheidsincidenten, zodat ze eerder en beter kunnen ingrijpen. Ook
wordt het verplicht om een interne en externe vertrouwenspersoon te
hebben, zodat personeel altijd weet bij wie het terecht kan in geval van
onveiligheid. Het wetsvoorstel ligt in uw Kamer en ik hoop op een
spoedige behandeling.
Voorzitter, hiermee ben ik aan het einde van mijn eerste termijn
gekomen. Ik ga over tot de appreciatie van de amendementen.
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Gaat uw gang, meneer Kisteman.
De heer Kisteman (VVD):
Ik had werkelijk waar geen idee bij welk blokje ik dit moest vragen, dus
ik dacht: ik wacht wel tot het einde.
De voorzitter:
Dat is ook een manier.
De heer Kisteman (VVD):
Ja toch? Ik heb een vraag over de subsidies die we onder andere geven
aan het LAKS, Ouders & Onderwijs et cetera. De staatssecretaris zegt
in de beantwoording: ze hebben tal van activiteiten om hun achterban te
informeren en te ondersteunen. Mijn vraag is: waarom kiezen we voor deze
verenigingen of stichtingen et cetera en waarom niet voor de vele andere
die er ook zijn? Waarom moeten die andere wel hun eigen broek ophouden
en hoeven deze dat niet?
Staatssecretaris Becking:
Dat zijn de verenigingen waarmee we samenwerken en die een belangrijke
rol vervullen. Zij hebben daarbij ook een opgave. Maar dat is niet in
beton gegoten. Dit is nu de bestaande route. Ik kan niks zeggen over een
eventueel vervolg, maar dit is niet iets wat voor de eeuwigheid
vastligt.
De heer Kisteman (VVD):
Dus als ik het goed begrijp, zijn deze partijen bij toeval op het juiste
moment bij het goede loketje geweest en hebben zij die subsidie gekregen
en andere niet. Is dat een beetje hoe ik het moet zien of zit er een
bepaalde gedachtegang achter het feit dat deze het geld wel krijgen en
andere niet?
Staatssecretaris Becking:
Ik ken de hele geschiedenis niet, maar ik vermoed dat die partijen een
zeker gewicht hebben in de vertegenwoordiging die ze voorstaan. Zij zijn
uiteindelijk gesubsidieerd, maar dat is een levend iets. Dat kan ook
veranderen. Dit zijn nu de partijen waarmee we werken. Maar goed, dan ga
ik mezelf herhalen.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank voor de beantwoording. Mijn vraag gaat over de maatschappelijke
diensttijd. We hebben daar al een schriftelijke beantwoording over
gekregen. Daarin geeft de staatssecretaris aan dat de kwaliteit van de
trajecten een belangrijk onderdeel is van het plan en dat het voornemen
is om een nieuwe beoordelingssystematiek in te zetten om de projecten
van hoge kwaliteit voorrang te geven. Maar het wordt mij nog niet
duidelijk hoe de staatssecretaris dat wil inregelen en hoe hij specifiek
rekening gaat houden met de borging van de continuïteit en kwaliteit van
bestaande projecten.
Staatssecretaris Becking:
Ik denk dat het heel belangrijk is dat de kwaliteit van de dingen die
goed gaan, wordt geborgd en dat er ook ruimte is voor nieuwe partijen.
We zijn natuurlijk wat strenger geworden, omdat we ook signalen hebben
gekregen dat het niet overal goed gaat en dat er niet overal sprake is
van goed bestuur. Daarom hebben we de criteria aangescherpt. De
kwaliteit en goede besteding van publiek geld staan voorop. Het gaat om
substantieel geld. Dat is belangrijker geworden bij de toekenning. Dat
doen we ook niet voor niks. Daar was aanleiding toe.
Mevrouw Armut (CDA):
Wij zien op dit moment dat de staatssecretaris vooral de drempels
verhoogt. We gaan van 25% cofinanciering naar 30%, dus we zien dat de
subsidieaanvraag op allerlei manieren moeilijker wordt gemaakt. Maar
volgens mij zegt de staatssecretaris hier zelf ook dat het heel
belangrijk is dat we de kwaliteit waarborgen en dat we specifiek de
bestaande mdt-projecten vasthouden. Toch zien we dat die vaak worden
afgewezen. Ik denk dat de staatssecretaris straks blij zal zijn met mijn
motie, waarin ik specifiek aandacht vraag daarvoor.
De voorzitter:
Staatssecretaris, ik weet niet of u daar blij van wordt.
Staatssecretaris Becking:
Ik heb heel eerlijk gezegd geen vraag gehoord. Anders ga ik mijn
beantwoording, datgene wat ik net zei, herhalen.
De voorzitter:
Gaat u dan vooral verder met de appreciatie van de … Mevrouw Moorman,
gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik was rustig aan het afwachten. Ik had ook nog een vraag gesteld over
de commerciële inhuur, maar ik heb daar geen antwoord op gekregen. Er
gaat 450 miljoen per jaar naar commerciële inhuur om het lerarentekort
op te vullen. Ik zou graag van de staatssecretaris horen wat hij daarvan
vindt en of we dat niet zouden moeten beperken.
Staatssecretaris Becking:
Het zou mijn voorkeur hebben om dat inderdaad zo veel mogelijk te
beperken. Ik denk wel dat dit uit nood geboren is, gegeven het tekort.
Ik heb net in mijn spreektekst een aantal voorbeelden gegeven van hoe
goed het gaat op het gebied van lerareninstroom bij de pabo's en op het
gebied van zijinstroom. We hebben ook een campagne. Ik denk dat we op
het ministerie en binnen het onderwijs echt alles op alles zetten om dit
tot een minimum te beperken. Dat is hoe ik erover denk.
De voorzitter:
Dank u wel. Gaat u nu vooral verder met de appreciatie van de ingediende
amendementen.
Staatssecretaris Becking:
Dat is het amendement op stuk nr. 71. Dat ontraad ik.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 71 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
LBVSO heeft een belangrijke rol in de vertegenwoordiging van de
leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs, maar het amendement
gaat ervan uit dat het allerlei doelgroepen vertegenwoordigt en zelfs
daarbuiten. Daarvoor zijn er natuurlijk andere vertegenwoordigers, die
ook subsidie ontvangen, zoals JOB MBO en LAKS. De verhoging die hier
wordt voorgesteld, leidt dan ook tot een dubbele financiering en nog
meer drukte in het onderwijsveld. Ik ben daar dus niet voor. Daar komt
nog bij dat LBVSO afgelopen jaren ook moeite had om de verleende
subsidie uit te putten.
Het amendement op stuk nr. 73 moet ik ontraden. In het amendement wordt
gevraagd om meevallers uit 2025 door te schuiven naar 2026. Het
doorschuiven van meevallers is geen deugdelijke dekking, omdat deze
meelopen via de eindejaarsmarge in de integrale voorjaarsbesluitvorming
van 2026.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 73 krijgt de appreciatie: ontraden.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik hoorde de staatssecretaris net antwoorden over de zijinstromers. Daar
heeft u vorige week een brief over gestuurd. De Kamer heeft gezegd: hé,
we hebben zo'n ontzettend groot tekort aan leraren. Er ligt nu een plan
van de AOb om te zorgen dat het aantrekkelijker wordt om in te stromen
in het onderwijs en tegelijkertijd je diploma's te halen. Dan zegt de
staatssecretaris in reactie op een aangenomen voorstel: daar is geen
geld voor. Van een amendement om daar in ieder geval mee te beginnen,
wordt zomaar gezegd: dat doen we niet. Kan de staatssecretaris de Kamer
niet meer tegemoetkomen, gezien deze brede wens, ook uit de Kamer?
Staatssecretaris Becking:
Ik heb volgens mij nu twee keer uit de doeken gedaan wat we allemaal
doen om de zijinstroom te bevorderen, het aantal leraren te bevorderen
et cetera, et cetera. Ik ontraad het omdat er gewoon geen deugdelijke
dekking voor is. Dat kan gewoon niet. Ik kan daar dus nog heel veel
woorden aan gaan wijden, maar dat wil ik eigenlijk niet doen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Tegelijkertijd stuurt deze staatssecretaris de Kamer een brief van: hé,
we zouden de motie voor zijinstromers wel willen uitvoeren, maar er is
onvoldoende geld voor. Kom de Kamer dan ook tegemoet en kijk wat wél een
deugdelijke dekking is. Want wij zien dat er vorig jaar geld is
overgebleven op de begroting. We zien ook dat nog steeds heel veel
leerlingen geen leraar of een onvoldoend bevoegde leraar voor de klas
hebben. Ik zou dan ook iets meer flexibiliteit van het kabinet
verwachten om te kijken hoe we nou tot een deugdelijke dekking komen,
want deze zijinstromers hebben we heel hard nodig.
Staatssecretaris Becking:
Ik begrijp wat mevrouw Beckerman zegt, maar ik denk niet dat ik nu in de
positie ben om zelf met voorstellen te komen. Anderzijds zou ik ook
zeggen: het is niet meer aan mij om dat te doen maar aan mijn
opvolger.
Mevrouw Beckerman (SP):
Over dat laatste wil ik toch iets zeggen, want: wat zijn we dan nog aan
het doen? Dat maakt het wel ingewikkeld. Ik snap dat deze
bewindspersonen heel kort zitten, maar we hebben gewoon altijd een
kabinet. Dit kabinet zit er op dit moment. We behandelen begrotingen.
Dat gaat wel ergens over. Dat wil ik toch wel meegeven. Ik snap de
gevoelens van de bewindspersonen heel goed, maar kom op: dit is een
begroting die ook gewoon gaat gelden. Daar moeten we serieus over kunnen
debatteren, ook in verband met het budgetrecht.
Staatssecretaris Becking:
Ik ben het daar helemaal mee eens, maar als er geen deugdelijke dekking
is, dan is er geen deugdelijke dekking. Of ik hier nou in de laatste
week sta of niet, dat zou in een missionaire fase ook het geval
zijn.
De voorzitter:
Maar wellicht kunt u in de fase waarin het kabinet zich bevindt, toch
met mevrouw Beckerman kijken, al gaat u koffiedrinken, of er een andere
vorm van dekking mogelijk is. Misschien ga ik nu een beetje de grens
over, maar ik ben wel ook hier voor de Kamer, en ik zie wat mevrouw
Beckerman aan het doen is. Ook snap ik dat het kabinet er nog steeds zit
en dat we ook nu het debat met elkaar te voeren hebben. Mevrouw
Beckerman knikt.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, we kunnen kijken wat we kunnen wijzigingen aan het amendement.
Zolang dat niet zo is, blijft het staan zoals het er nu staat. We zullen
koffiedrinken tot we stuiteren.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Becking:
Voorzitter. Ik kom bij het amendement op stuk nr. 77. Het amendement
gaat in de toelichting uit van een aanvulling van het subsidiebedrag in
2026 en daaropvolgend een structurele voortzetting en verhoging van de
subsidie voor het Nationaal Onderwijsmuseum. De dekking ziet echter
alleen op de aanvullende middelen voor 2026. De subsidie wordt per 2027
beëindigd. In dit amendement ontbreken de middelen voor de jaren na
2026, ruim €900.000 per jaar. Het eerdere besluit om de subsidie aan het
Onderwijsmuseum te beëindigen, berust onder meer op de financieel
kwetsbare situatie waarin het museum zich bevindt, zoals ik ook in mijn
brief uiteen heb gezet. Daarom ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 77 krijgt de appreciatie: ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 78: ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 78 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Het doorschuiven van meevallers uit de Najaarsnota is geen deugdelijke
dekking, omdat deze meelopen via de eindejaarsmarge in de integrale
voorjaarsbesluitvorming. Het is aan een volgend kabinet om deze
bezuiniging al dan niet te handhaven.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik kom nu een beetje in dezelfde situatie terecht als mevrouw Beckerman.
Sowieso bespreken wij dit nu heel laat; het is allang ingegaan. We zien
ook dat er straks een nieuw coalitieakkoord ligt, dat deze gemeentelijke
onderwijsachterstandsmiddelen weer terug gaat brengen. Ik vind het
eigenlijk nogal ondeugdelijk om daar een gat in te laten ontstaan. Ik
vind het ook nogal ondeugdelijk om onderwijsgeld in de algemene middelen
terug te laten vallen. Hier maak ik dus precies hetzelfde punt als
mevrouw Beckerman: het budgetrecht ligt toch echt hier bij de Kamer.
Staatssecretaris Becking:
Dat betwist ik niet, maar op deze manier kan het niet. In 2028 wordt het
wel geregeld. Voor 2026 zou dat niet meer geregeld kunnen worden, zeg ik
via u, voorzitter. Voor 2027 is het eigenlijk niet uitvoerbaar om dat nu
nog te gaan doen. Ik denk dus dat we eigenlijk de goede weg op werken,
maar het kan niet nu op deze termijn.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Nu raak ik in de war, want het lijkt alsof de staatssecretaris … Wat hij
in het laatste punt zegt, gaat over een ander amendement, namelijk het
amendement op stuk nr. 86. Dit ging over de gemeentelijke
onderwijsachterstandsmiddelen.
Staatssecretaris Becking:
Ja, het amendement op stuk nr. 78.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het amendement op stuk nr. 78. Dat wordt gedekt …
Staatssecretaris Becking:
Excuus. Ja, dat klopt. Ik haal ze door elkaar.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ja, en mijn punt is dus inderdaad dat het geld vorig jaar niet opgemaakt
is; er is dus geld over. Ik ken de begrotingsregels. Tegelijkertijd
zitten we al ver in het jaar. Wij vragen hier nu als Kamer: kunnen we
het geld dat nog over was niet gewoon naar de gemeentelijke
onderwijsachterstandsmiddelen laten gaan, in plaats van ze vrij te laten
vallen in de algemene middelen? Dit temeer daar we die volgend jaar wel
weer gaan opplussen en het dus jojobeleid wordt, waar de
staatssecretaris net van heeft gezegd dat het onwenselijk is in het
onderwijs.
Staatssecretaris Becking:
Maar dan gaan we toch regels betwisten die je volgens mij niet kan
betwisten. Daar kan ik dus welwillend over zijn, maar volgens mij is die
ruimte er niet.
De voorzitter:
Afrondend op dit punt.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Het kan natuurlijk wél! Het gaat om willen.
De voorzitter:
Dit wordt een interessante welles-nietesdiscussie. Ik denk dat de
staatssecretaris het standpunt van daarnet gaat herhalen.
Staatssecretaris Becking:
Ja, wellicht kan ik daar in tweede termijn nog iets extra's over zeggen;
dan doe ik dat graag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik sluit me hierbij aan. Het is natuurlijk enorm zonde als we dit laten
gebeuren en we zien dat we het volgend jaar willen herstellen. Ik heb
een verhelderende vraag daarbij. Ik hoor de staatssecretaris namelijk
zeggen: die dekking kan niet volgens de regels. Maar is het ook zo dat
dit geld al is uitgegeven of al terug is gegaan naar de begroting? Of is
het in principe wel echt geld dat er nog is?
Staatssecretaris Becking:
Mag ik op beide punten ook in tweede termijn terugkomen?
De voorzitter:
Dat mag wat mij betreft zeker.
Staatssecretaris Becking:
Dan doe ik dat graag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik wil dus graag wat meer duidelijkheid over de vraag of het geld is dat
echt niet meer te besteden is omdat het al elders is ingezet, of dat we,
als de Kamer dat zou wensen, hiermee wel dit amendement zouden kunnen
aannemen.
Staatssecretaris Becking:
Dat begrijp ik. Ja, daar kom ik op terug.
De voorzitter:
Ja, graag.
Staatssecretaris Becking:
Het amendement op stuk nr. 79: ontraden. Het is een sympathiek idee,
maar een reiskostenvergoeding voor het praktijkonderwijs betekent … Er
zijn meer groepen leerlingen die stage lopen voor hun opleiding,
bijvoorbeeld leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs of het
vmbo. Daarmee is er geen goede inhoudelijke reden om dit alleen voor
leerlingen in het praktijkonderwijs te doen. Daarbij ontvangen ouders
van leerlingen in het voortgezet onderwijs tot 18 jaar een kinderbijslag
en is het onderwijs gratis. Dat geldt niet voor ouders waarvan de
kinderen stage lopen in het vervolgonderwijs. Het amendement op stuk nr.
79 wordt dus ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 79 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Dan komen we bij het amendement op stuk nr. 86 van Moorman en Patijn.
Dat wordt ontraden. Ik ondersteun wel het idee om de bedragen binnen de
nieuwkomersregeling in het basisonderwijs eerder dan in 2028 deels
gelijk te trekken; ik zei hier zojuist al iets over. Maar de aanpassing
van die bedragen is gekoppeld aan een systeemwijziging om de bekostiging
voortaan ambtshalve aan scholen toe te kennen in plaats van op aanvraag.
Deze wijziging vraagt een zorgvuldig proces. De benodigde
systeemwijziging is voorzien in 2028. Versnellen is uitvoeringstechnisch
niet mogelijk. Daarom ontraad ik dit amendement.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 86 krijgt de appreciatie: ontraden.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik zou hier graag extra toelichting op willen, want die kinderen zitten
daar nu. Dat zijn 50.000 kinderen; dat zijn kinderen van
arbeidsmigranten uit Europa, die vaak met een enorme achterstand op
school aankomen. Daarmee hebben de scholen dus ook een enorme taak. Wat
is er uitvoeringstechnisch nou zo ingewikkeld dat dat geld, dat in 2028
wel komt, gewoon niet nu al naar die scholen kan gaan? We zien dit
probleem allemaal en we willen het allemaal oplossen. Waarom gaan we
hier nou een gat van twee jaar laten ontstaan?
Staatssecretaris Becking:
Ik zal nog even nader moeten navragen waarom dit uitvoeringstechnisch
dan zo ingewikkeld is. De overbrugging waar we het over hebben, begrijp
ik helemaal, maar ik kom hier graag op terug in de tweede termijn.
De voorzitter:
Akkoord. Voor de administratie van eenieder: er was ook nog een
amendement-Ceder/Van der Burg op stuk nr. 38, maar dat heeft eerder in
een WGO al de appreciatie oordeel Kamer gekregen.
Volgens mij zijn wij nu aan het einde gekomen van de eerste termijn van
het kabinet. Ik stel voor dat wij direct doorgaan met de tweede termijn
van de Kamer. Daarvoor nodig ik heel graag mevrouw Biekman uit, die
spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Biekman (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil allereerst de collega's bedanken voor de
warme felicitaties en het warme welkom hier. Ik heb nog slechts één
verhelderende vraag voor de minister. Ik hoorde u zojuist zeggen dat het
belang van de tekortsectoren boven het individueel belang en de
keuzevrijheid van de studenten gaat. Ik zou daar graag een verheldering
van krijgen, want individuele keuzevrijheid is natuurlijk geen
luxeproduct.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Rooderkerk, die ook
spreekt namens de fractie van D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen met het bedanken van de
bewindspersonen die hier nu zijn, met name de heer Becking, met wie ik
de afgelopen periode veel heb mogen samenwerken. Veel dank voor de
prettige samenwerking. Hoewel het qua begroting wellicht niet was wij
wilden, heb ik die samenwerking als prettig ervaren.
Ik wil graag een motie indienen voor de invulling van het geld dat
beschikbaar gaat komen om leraren beter op te leiden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld
leraren aantoonbaar meer tijd te geven voor professionele
ontwikkeling;
overwegende dat de belangrijkste factor voor het vergroten van
onderwijskwaliteit bestaat uit de vakinhoudelijke kennis en
pedagogisch-didactische vaardigheden van leraren onder professioneel
onderwijskundig leiderschap van een schoolleider;
overwegende dat het van grote waarde is om deze professionele
ontwikkeling in teamverband vorm te geven, zodat specialisatie mogelijk
wordt en kennisuitwisseling binnen het lerarenteam wordt
gestimuleerd;
overwegende dat draagvlak bij de beroepsgroep onmisbaar is bij het
realiseren en benutten van meer tijd voor professionele
ontwikkeling;
verzoekt de regering zo snel mogelijk met de beroepsgroep in gesprek te
gaan over de vormgeving van de tijd voor professionele ontwikkeling in
teamverband en daarbij heldere doelen te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Moorman, Armut en
Boomsma.
Zij krijgt nr. 89 (36800-VIII).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik wil alleen maar zeggen dat ik ernaar uitkijk om met alle partijen in
de Kamer te gaan werken aan investeringen in het onderwijs.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Kisteman. Hij spreekt
namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.
De heer Kisteman (VVD):
Wij gaan aan de slag en de bewindslieden zijn bijna klaar. Ik heb één
motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er jaarlijks 4 miljoen euro gaat naar leerlingen- en
ouderorganisaties die de belangen van die groepen in het onderwijs
vertegenwoordigen;
overwegende dat leerlingen en ouders cruciaal zijn in het stelsel van
onderwijs en dat dus ondersteuning aan die organisaties rechtvaardig en
belangrijk is;
constaterende dat sommige organisaties wel en andere organisaties geen
aanspraak maken op het bestaande budget;
verzoekt de regering te onderzoeken waarom deze organisaties deze
instandhoudingssubsidies ontvangen en hoe andere organisaties ook
aanspraak kunnen maken op het bestaande budget, en de Kamer hierover
voor de begrotingsbehandeling van 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.
Zij krijgt nr. 90 (36800-VIII).
Dank u wel.
De heer Kisteman (VVD):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Rajkowski. Zij spreekt namens
dezelfde fractie, namelijk de VVD. Gaat uw gang.
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer al diverse moties heeft aangenomen op het
gebied van veiligheid in het hoger onderwijs en op
hogeronderwijsinstellingen, zoals de motie op stuk nr. 1216 (31288) en
de motie op stuk nr. 1217 (31288);
overwegende dat de fysieke, digitale en sociale veiligheid onder druk
blijven staan in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld door de toegenomen
onveiligheid van Joodse studenten en medewerkers;
verzoekt de regering om een nulmeting van het veiligheidsbeleid in het
hoger onderwijs uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski en Boomsma.
Zij krijgt nr. 91 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het mbo-onderwijs kampt met dalende studentenaantallen
en een verouderd financieringsmodel;
overwegende dat de Nederlandse arbeidsmarkt het mbo-talent nodig heeft
voor onder andere de zorg, de bouw, de energietransitie en de
digitaliseringsopgave;
verzoekt de minister een analyse te maken van de verwachte inschatting
van de instroom van studenten op het mbo voor de korte en middellange
termijn, hierbij specifiek het rapport van de staatscommissie voor
demografie mee te nemen en de verwachte ontwikkelingen in
tekortsectoren;
verzoekt de minister te onderzoeken welke maatregelen effectief zijn om
de instroom richting deze sectoren te bevorderen en zich hierbij niet te
laten beperken tot de huidige taboes,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski en Boomsma.
Zij krijgt nr. 92 (36800-VIII).
Mevrouw Rajkowski (VVD):
Dan had ik nog één vraag over het stukje veiligheid, waar we
schriftelijk antwoord op hebben gekregen. Nummer 11 of 12 was het, zeg
ik uit mijn hoofd. Ik stelde de vraag: in hoeverre krijgen
universiteiten of andere onderwijsinstellingen de informatie op het
moment dat hun eigen studenten op hun eigen onderwijsinstellingen
strafbare feiten hebben gepleegd? Nu ik het heb gelezen, begrijp ik hoe
het juridisch in elkaar zit, maar wat ik eigenlijk wil weten is meer
gericht op de praktijk. Krijgen deze onderwijsinstellingen de gegevens
ook actief of moeten ze daar zelf om vragen met allerlei
aanvraagformulieren, dossiers et cetera?
Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Moorman. Zij spreekt
namens de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u, voorzitter. Ik heb vier moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Inspectie van het Onderwijs scholen in het
voortgezet onderwijs beoordeelt op basis van het
Onderwijsresultatenmodel met de indicatoren doorstroom in de onderbouw
en bovenbouw, eindexamencijfers en positie ten opzichte van het
basisschooladvies;
overwegende dat scholen die inclusief onderwijs bieden relatief meer
leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften hebben en hierdoor
onbedoeld lager kunnen scoren binnen dit model;
overwegende dat inclusief onderwijs niet ontmoedigd mag worden door
perverse prikkels in de beoordeling van scholen;
verzoekt de regering de Inspectie van het Onderwijs bij de herziening
van de onderzoekskaders de opdracht mee te geven om de kaders zo aan te
passen dat het bieden van inclusief onderwijs niet nadelig uitwerkt voor
de beoordeling van scholen, en de Kamer hier voor de behandeling van de
begroting van 2027 over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Westerveld, Armut,
Stoffer, Rooderkerk en Ceder.
Zij krijgt nr. 93 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Kamerbreed is uitgesproken dat de afhankelijkheid van
commerciële detacherings- en uitzendbureaus in het onderwijs onwenselijk
is en dat onderwijsregio's zelf publieke invalpools kunnen
organiseren;
constaterende dat hiervan in meerdere regio's al succesvolle voorbeelden
bestaan;
overwegende dat in 2023 in het primair onderwijs circa 245 miljoen en in
het voortgezet onderwijs circa 205 miljoen werd uitgegeven aan
commerciële inhuur van leraren;
overwegende dat publiek onderwijsgeld zo veel mogelijk ten goede moet
komen aan het onderwijs en de positie van leraren;
verzoekt de regering om bindende afspraken te maken met het
onderwijsveld om commerciële inhuur stapsgewijs af te bouwen, publieke
invalpools in alle onderwijsregio's te versterken en te borgen dat
scholen per schooljaar 2028-2029 uitsluitend gebruikmaken van publieke
invalpools,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Beckerman.
Zij krijgt nr. 94 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het aankomende kabinet voornemens is om een
staatscommissie in te stellen die de crisis in de leerprestaties van
onze leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen gaat
onderzoeken;
overwegende dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat leerprestaties
van kinderen mede worden beïnvloed door hun thuissituatie,
sociaal-economische achtergrond, deelname aan voorschoolse educatie en
het moment van selectie in het onderwijs;
verzoekt de opdracht aan de staatscommissie te verrijken met een analyse
van de oorzaken van verschillen tussen scholen en leerlingen en daarbij
in ieder geval het effect van voor- en vroegschoolse educatie,
kinderopvang en vroegselectie mee te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Ergin.
Zij krijgt nr. 95 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er door het aankomende kabinet voor is gekozen om een
minister en een staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
aan te stellen;
overwegende dat het nog niet duidelijk is hoe de portefeuilles verdeeld
worden over de minister en de staatssecretaris;
overwegende dat funderend onderwijs in de portefeuilleverdeling van
bewindspersonen altijd ondergeschikt wordt gemaakt aan hoger onderwijs,
hetgeen de indruk wekt dat hoger onderwijs belangrijker wordt
gevonden;
overwegende dat juist in het funderend onderwijs veel problemen spelen
die met prioriteit moeten worden opgelost;
verzoekt de regering om funderend onderwijs in de verdeling van
portefeuilles niet ondergeschikt te maken aan het hoger onderwijs,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Stoffer en
Claassen.
Zij krijgt nr. 96 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Tseggai, die ook
spreekt namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Drie moties van mijn zijde.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het in een krappe arbeidsmarkt inefficiënt is als
mbo-studenten en zijinstromers opnieuw examens moeten doen terwijl zij
al aantoonbaar beschikken over basisvaardigheden in Nederlands, Engels
en/of wiskunde;
constaterende dat zijinstromers hierdoor onnodige drempels ervaren bij
het afronden van hun opleiding, wat leidt tot demotivatie, vermijdbare
uitval en vertragingen, juist in sectoren met grote
arbeidstekorten;
overwegende dat onder meer de MBO Raad, JOBmbo, NRTO, VNO-NCW en
MKB-Nederland hebben verzocht om aanpassing van het vrijstellingenbeleid
van de generieke vakken;
overwegende dat de examencommissie een belangrijke rol speelt bij de
beoordeling van vrijstellingsaanvragen en daarmee de diplomawaarde
geborgd blijft;
verzoekt de regering het vrijstellingenbeleid voor generieke examens in
het mbo te verruimen, conform eerdere voorstellen van betrokken
onderwijspartijen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 97 (36800-VIII).
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dan de tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat nog steeds een deel van de studenten geen
stagevergoeding ontvangt;
overwegende dat in het coalitieakkoord Aan de slag is opgenomen dat een
wettelijk verplichte stagevergoeding wordt ingevoerd;
overwegende dat er nu een Kamermeerderheid is die voorstander is van de
invoering van een wettelijke stagevergoeding;
overwegende dat het voorbereidende werk voor deze wet reeds door de
demissionaire regering is verricht en er een verkenning ligt met een
aantal te maken afwegingen;
spreekt uit dat de Kamer de geschetste afwegingen zo snel mogelijk moet
bespreken;
verzoekt de regering daarna voortvarend te starten met het opstellen en
indienen van de wet die voorziet in een wettelijk verplichte
stagevergoeding,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 98 (36800-VIII).
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dan de laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat mbo-studenten alleen bij hoge uitzondering restitutie
van cursus- of lesgeld krijgen als zij vroegtijdig stoppen met hun
studie, terwijl hbo- en wo-studenten automatisch en zonder voorwaarden
hun collegegeld terugkrijgen;
constaterende dat mbo-studenten een gelijkwaardige behandeling zouden
moeten krijgen als het aankomt op de restitutie van het cursus- of
lesgeld;
verzoekt de regering het mogelijk te maken dat per schooljaar 2027-2028
mbo-studenten op dezelfde wijze restitutie van hun cursus- of lesgeld
ontvangen als bij het collegegeld van hbo- en wo-studenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 99 (36800-VIII).
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Abdi, die ook spreekt
namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank. Ik wil ook de bewindslieden bedanken voor hun tijd. Ik heb een
tweetal moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat leden van de raad van toezicht van universiteiten door
de minister van OCW worden benoemd, geschorst en ontslagen, en dat de
minister de raad van toezicht van hogescholen een aanwijzing kan
geven;
van mening dat de ministeriële stelselverantwoordelijkheid voor
hogescholen en universiteiten niet mag betekenen dat de minister
politiek gemotiveerde invloed kan uitoefenen op
hogeronderwijsinstellingen;
verzoekt de regering om de institutionele onafhankelijkheid van
hogeronderwijsinstellingen te waarborgen en daarvoor wetsvoorstellen aan
de Kamer voor te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.
Zij krijgt nr. 100 (36800-VIII).
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat wordt ingezet op een structurele investering in
onderzoek en wetenschap richting de Lissabondoelstelling van 3% van het
bbp aan publieke en private R&D-investeringen;
van mening dat helderheid over de overheidsbijdrage aan investeringen in
wetenschap en innovatie noodzakelijk is;
verzoekt de regering om binnen de 3%-doelstelling expliciet in kaart te
brengen welk aandeel noodzakelijk is voor publieke wetenschappelijke
investeringen, daarbij inzichtelijk te maken welke gevolgen recente
bezuinigingen hebben voor het behalen van dit wetenschappelijke aandeel
en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.
Zij krijgt nr. 101 (36800-VIII).
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. Als u 't mij toestaat, heb ik nog een vervolgvraag
aan de minister naar aanleiding van de vragen die ik heb gesteld over de
financiering en de rol daarvan bij de onafhankelijkheid van onderzoek.
Ik vond de beantwoording een beetje algemeen. Mijn vraag aan de minister
is: kan hij inzichtelijk maken wat voor rol dit speelt bij onderzoek,
zeker als het gaat om privaat of buitenlands geld? In hoeverre bestaat
hier een overzicht van? Kan hij dat overzicht dan misschien aan de Kamer
doen toekomen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Raijer van de PVV.
Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties. Ik wil de bewindslieden
bedanken voor hun antwoorden.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Joodse studenten op scholen en universiteiten
structureel worden geconfronteerd met intimidatie, bedreiging en
onveiligheid;
overwegende dat falend bestuur in het onderwijs directe gevolgen heeft
voor de veiligheid van Joodse studenten;
verzoekt de regering onderwijsinstellingen te verplichten bij
antisemitische incidenten onmiddellijk disciplinaire maatregelen te
nemen, waaronder schorsing of verwijdering, en instellingen die hierin
nalatig zijn financieel en bestuurlijk te sanctioneren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 102 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat recente uitspraken van het College voor de Rechten van
de Mens de druk vergroten om islamitische gebedsruimtes in openbare
scholen te normaliseren;
overwegende dat het openbaar onderwijs niet dient te worden ingezet als
instrument om islamisering via het onderwijs te bevorderen;
verzoekt de regering islamitische gebedsruimtes binnen scholen, in het
bijzonder in het openbaar onderwijs, wettelijk te verbieden en de
Inspectie van het Onderwijs te belasten met de handhaving hiervan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Raijer en Wilders.
Zij krijgt nr. 103 (36800-VIII).
De heer Ergin heeft nog een vraag, mevrouw Raijer. Wilt u nog even terugkomen?
De heer Ergin (DENK):
Als ik het goed begrijp, stelt de PVV nu voor om het onmogelijk te maken
dat het islamitische gebed op scholen door kinderen wordt uitgeoefend.
Alleen, in de wet — we hebben in Nederland gelukkig de wet — over
primair en voortgezet onderwijs staat dat er ruimte moet zijn voor alle
levensbeschouwelijke opvattingen en dat er respect moet zijn voor de
identiteit van de leerlingen. Ik vraag me dus af wat mevrouw Raijer hier
aan het doen is. Dient ze een motie in voor de show, om te kunnen
zeggen: kijk wat voor lelijke moties wij over moslims indienen? Of zegt
ze eigenlijk dat we in Nederland de wet niet moeten toepassen als het om
moslims gaat?
Mevrouw Raijer (PVV):
Nee, we vinden dat het islamitische gebed helemaal niet thuishoort in
een school, met name niet in het openbaar onderwijs. Dat moeten namelijk
gewoon neutrale scholen zijn.
De heer Ergin (DENK):
Dat zegt de wet dus ook. Tegelijkertijd zegt de wet dat je ook ruimte
moet geven aan religieuze leerlingen, dat je respect moet hebben voor de
levensbeschouwelijke opvattingen van de leerlingen. Ik probeer deze
motie te plaatsen in dat licht. De wet is dus duidelijk. Die zegt dat
het mag. Ik ben benieuwd waarom de PVV nu opeens met een motie komt die
zich specifiek op moslimkinderen richt. Ik begrijp dat gewoon niet. Ik
vraag daarover nadere uitleg.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik zal het u nog eens duidelijk uitleggen: wij vinden dat islamitische
gebedsruimten niet in het openbare onderwijs thuishoren. Daarbij kent u
ons standpunt wat betreft de islam, namelijk dat die niet onze normen en
waarden deelt. Daar zult u het mee moeten doen.
De voorzitter:
Meneer Ergin, afrondend op dit punt.
De heer Ergin (DENK):
Ik ga een conclusie trekken. Gelukkig bepaalt niet de PVV wat wel of
niet kan in dit land; dat doet de wet. En de wet is heel duidelijk. Die
zegt dat iedereen in dit land die ruimte heeft. Ik heb de beantwoording
van de minister ook gehoord. De minister zegt heel duidelijk dat die
ruimte er is. Ik ben daar blij mee. Ik ben trots op al de leerlingen van
de 180 scholen die gewoon voor hun rechten opkomen, ondanks de PVV.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoorde geen vraag.
De voorzitter:
Dan gaan we verder naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Armut, die
spreekt namens het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de inspectie werkt met het
Onderwijsresultatenmodel;
constaterende dat een van de vier indicatoren in het
Onderwijsresultatenmodel de positie is van de leerling in leerjaar 3 in
het voortgezet onderwijs ten opzichte van het basisschooladvies;
constaterende dat als de positie van de leerling anders is dan het
basisschooladvies dit tot een negatieve(re) score voor de middelbare
school kan leiden;
overwegende dat er gegronde redenen kunnen zijn waarom er gekozen wordt
voor een praktische opleiding of anderszins passende
onderwijsroute;
overwegende dat in 2027 een grondige herziening van de onderzoekkaders
en hierdoor ook van het Onderwijsresultatenmodel gepland staat;
verzoekt de regering bij de herziening van de onderzoekkaders en het
Onderwijsresultatenmodel het feit dat de keuze voor een andere
onderwijsroute kan leiden tot een negatieve(re) score mee te nemen en te
onderzoeken of dit kan worden bijgesteld in de nieuwe
onderzoekkaders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Rooderkerk, Boomsma,
Beckerman, Claassen, Ceder en Moorman.
Zij krijgt nr. 104 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de door OCW gehanteerde financiële subsidie-eisen voor
de maatschappelijke diensttijd (mdt) 2025 in de praktijk hebben geleid
tot uitsluiting van met name anbi-organisaties en andere
maatschappelijke organisaties met beperkt eigen vermogen;
constaterende dat er in 2025 van de 281 ingediende aanvragen voor
mdt-subsidie slechts 85 aanvragen zijn gehonoreerd en 196 zijn
afgewezen, waaronder aanvragen van organisaties die sinds 2018 onderdeel
uitmaken van het mdt-netwerk;
overwegende dat mdt zich heeft bewezen als investering in sociale
samenhang, burgerschap en talentontwikkeling van jongeren, en dat de
Rijksoverheid de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in de opbouw van een
landelijk dekkend, duurzaam en weerbaar mdt-netwerk;
overwegende dat de continuïteit van ervaren en kwalitatieve
mdt-aanbieders en samenwerkingsverbanden van groot belang is voor het
behoud van dit netwerk en voor het aanbod van mdt-trajecten aan
jongeren;
verzoekt de regering om bij de vormgeving van het subsidiekader voor de
Subsidieregeling MDT voor 2026 en volgende jaren het mdt-netwerk op
basis van kwaliteit expliciet te borgen, en daarbij maatregelen op te
nemen die de continuïteit van bewezen kwalitatieve mdt-projecten en
samenwerkingsverbanden waarborgen met aandacht voor landelijke
spreiding, en een substantieel deel van het beschikbare budget te
reserveren voor bestaande mdt-uitvoerders, met daarnaast ruimte voor
nieuwe initiatieven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut en Ceder.
Zij krijgt nr. 105 (36800-VIII).
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel.
De voorzitter:
U kunt ademhalen en mevrouw Moorman heeft een vraag voor u.
Mevrouw Armut (CDA):
Ja, ik moest heel snel vanwege de tijd.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik snap die laatste motie, over de maatschappelijke diensttijd, heel
goed, met daarbij de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat zo goed
mogelijk terechtkomt. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er hele grote
regionale verschillen zijn. In Limburg en Zeeland was het bijvoorbeeld
eigenlijk nul, terwijl er in Zuid-Holland en Noord-Holland juist heel
veel trajecten waren. Is dan niet het risico dat je die verschillen in
stand houdt op het moment dat je dit gaat borgen, het "al bewezen
effectief"?
Mevrouw Armut (CDA):
Dat is een hele begrijpelijke vraag van mevrouw Moorman. Volgens mij
maakt ze zich er terecht zorgen over of het wel echt een regionaal
dekkend netwerk is. Dat is echt de insteek en dat is ook altijd het
uitgangspunt geweest, maar je ziet inderdaad dat het in sommige
provincies wat moeilijker is. Wel ben ik het er helemaal mee eens dat er
ook in Oost-Groningen en Zeeland een mogelijkheid moet zijn om een
maatschappelijke diensttijd te hebben, dus ik heb dat ook toegevoegd aan
het dictum van de motie. Ik hoop dat het daarbij dus de blijvende
aandacht van het ministerie heeft.
De voorzitter:
Dank u wel.
Mevrouw Armut (CDA):
Dan zou ik nog terugkomen — dat doe ik in mijn laatste seconde — op de
vraag wat er is afgesproken over de Wet toezicht informeel onderwijs.
Daarover kan ik zeggen dat het voorstel niet in zijn huidige vorm naar
de Kamer zal komen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik gaf net te veel ruimte, merk ik. De heer Ergin, u was er
als eerste.
De heer Ergin (DENK):
Voor de goedwillende verstaander lijkt "niet in de huidige vorm" iets
positiefs, maar als je goed luistert, zegt mevrouw Armut eigenlijk dat
er wel een vorm van wetgeving voor toezicht op informeel onderwijs gaat
komen. Klopt dat?
Mevrouw Armut (CDA):
Ik ben blij dat de heer Ergin nog even doorvraagt. Ik had namelijk geen
tijd meer, maar kan er nu wat langer bij stilstaan. De wet is nooit
ingediend; die is in internetconsultatie gegaan. De heer Ergin stond
zelf ook al stil bij wat de reacties waren. Ik zeg dus: in de vorm zoals
die in internetconsultatie is gegaan, zal die niet naar de Kamer gaan,
omdat het kabinet aan de slag gaat met een nieuw voorstel.
De heer Ergin (DENK):
Wat zal er dan anders zijn aan dat nieuwe voorstel? Wat verwacht het CDA
er althans van, zou ik aan mevrouw Armut willen vragen.
Mevrouw Armut (CDA):
In zo'n nieuw voorstel, waar het kabinet dus mee aan de slag moet gaan,
zal worden gewerkt aan specifieke wetgeving om beïnvloeding uit onvrije
landen tegen te gaan. Dat is dus anders dan in de wet die in
internetconsultatie is gegaan. Het is aan een nieuw kabinet om
uiteindelijk dat voorstel te maken. Dat zal dus niet de Wet toezicht
informeel onderwijs zijn omdat die hele grote delen van het
maatschappelijk leven, zoals de scouting, zondagsscholen en activiteiten
van politieke jongerenorganisaties zou onderwerpen aan toezicht. De wet
komt dus niet in die vorm, maar het kabinet gaat aan de slag met een
andere vorm.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar uw collega mevrouw Straatman. Zij
spreekt namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij dank aan de bewindspersonen voor
de beantwoording. Ik heb ook twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de huidige onderwijswetgeving ertoe leidt dat
hbo-bachelors die een wo-master willen volgen om onduidelijke redenen
geen recht hebben op een extra jaar basisbeurs terwijl dit omgekeerd wel
het geval is;
overwegende dat de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak over deze
situatie heeft aangegeven dat sprake is van "een onvolmaakt systeem",
maar dat het aan de wetgever is om deze situatie te veranderen;
verzoekt de regering een wetswijziging te verkennen die deze
ongelijkheid wegneemt en ervoor zorgt dat hbo-bachelors die een
wo-master willen volgen hetzelfde recht op studiefinanciering
krijgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Rooderkerk, Abdi,
Rajkowski, Claassen en Boomsma.
Zij krijgt nr. 106 (36800-VIII).
Mevrouw Straatman (CDA):
Dan de tweede motie, naar aanleiding van het interruptiedebatje van
zojuist.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de minister van Justitie en Veiligheid onderzoekt
welke mogelijkheden er zijn om civielrechtelijke aansprakelijkheid bij
vernielingen door demonstranten vaker in te zetten;
overwegende dat civielrechtelijke aansprakelijkheid kan helpen bij het
efficiënter verhalen van schade op de individuele relschoppers, zodat
zij de door hen aangerichte schade zelf betalen;
overwegende dat deze route ook universiteitsbesturen meer mogelijkheden
biedt om op te kunnen treden tegen vernielingen op universiteiten als
gevolg van demonstraties;
verzoekt de regering om in pilots over civielrechtelijk schadeverhaal
ook expliciet mee te nemen welke mogelijkheden er zijn om dit toe te
passen bij vernielingen tijdens demonstraties op universiteiten en
hiervoor handvatten voor universiteitsbesturen uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Boomsma en
Rajkowski.
Zij krijgt nr. 107 (36800-VIII).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Boomsma, die spreekt namens de fractie van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ook veel dank aan de bewindspersonen voor hun
tomeloze demissionaire inzet en ook voor de beantwoording van de
vragen.
Ik heb drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat instellingen voor hoger onderwijs kampen met dalende
studentenaantallen door demografische ontwikkelingen;
overwegende dat de manier waarop instellingen nu worden gefinancierd,
betekent dat het in stand houden van kleinere studies met weinig
studenten, zoals bijvoorbeeld kleine talen, onder druk staat als ook de
grotere opleidingen moeten bezuinigen door dalende aantallen;
overwegende dat juist de kleine opleidingen op universiteiten en
hogescholen van grote waarde zijn om te behouden en het van groot
cultureel en maatschappelijk belang is dat ook kleine opleidingen in
Nederland behouden blijven;
verzoekt het kabinet met een voorstel te komen om de modellen en regels
voor de financiering van het hoger onderwijs zo te wijzigen dat
instellingen een solide aanbod aan kleinere opleidingen in stand
(kunnen) houden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 108 (36800-VIII).
De heer Boomsma (JA21):
Dan een andere motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er in de academische wereld al geruime tijd zorgen
worden geuit over een gebrek aan pluriformiteit, met name in de sociale
wetenschappen en de geesteswetenschappen;
overwegende dat het voor de academische vrijheid, die is verankerd in
artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs, van groot belang is dat
er voldoende ruimte blijft voor ongebonden onderzoek, met ook voldoende
vrijheid om de consensus te bevragen;
van mening dat academische vrijheid gebaat is bij wetenschap zonder
taboes, omdat het gevaar altijd op de loer ligt dat dominante
opvattingen onvoldoende worden uitgedaagd;
overwegende dat het gepresenteerde coalitieakkoord voorstelt om de
budgetten voor onderwijs en onderzoek te verhogen;
verzoekt het kabinet bij de Voorjaarsnota met een voorstel te komen over
het vergroten en waarborgen van de academische vrijheid door meer ruimte
te bieden voor ongebonden onderzoek, en een deel van het budget voor
wetenschappelijk onderzoek ten goede te laten komen aan onderzoek dat
dominante invalshoeken of narratieven onderzoekt en/of bevraagt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 109 (36800-VIII).
De heer Boomsma (JA21):
Tot slot, de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er in de academische wereld al geruime tijd zorgen
worden geuit over een gebrek aan pluriformiteit aan perspectieven in met
name de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen;
overwegende dat aan de doelen inclusie en diversiteit niet is voldaan
wanneer perspectieven ontbreken die afwijken van het dominante
narratief;
overwegende dat eenzijdigheid in invalshoeken een risico is voor de
wetenschappelijke vitaliteit en kan leiden tot ideologische
disciplinering van wetenschappers;
verzoekt de regering te verkennen of en in hoeverre een zorgplicht voor
pluriformiteit voor universiteiten en hogescholen een plaats kan krijgen
in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 110 (36800-VIII).
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Abdi, gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag ter verduidelijking aan mijn collega Boomsma over zijn
eerste motie. U heeft het over dominante invalshoeken. Kunt u even
toelichten wat u hier precies mee bedoelt?
De heer Boomsma (JA21):
Zeker. Er is natuurlijk ook al eerder een uitgebreidere discussie in de
Kamer gevoerd, naar aanleiding van onderzoeken van de KNAW en naar
aanleiding van het rondetafelgesprek waarin dat ook veel is besproken.
Ik vind het belangrijk om daar opnieuw aandacht voor te vragen en dat
verder te brengen. Elke menselijke groep heeft altijd de neiging tot een
bepaald conformisme. Juist in de academische setting en bij onderzoek en
onderwijs is het belangrijk dat je voldoende ruimte hebt voor de
perspectieven die zo'n dominante consensus bevragen. Een voorbeeld dat
recentelijk natuurlijk aan de orde is geweest, is migratieonderzoek.
Onderzoekers die een meer kritische blik hebben op migratie en de
gevolgen daarvan, kwamen eigenlijk niet aan bod op de universiteiten en
dat onderzoek werd niet gedaan. Nu wordt dat alleen in Berlijn door
Nederlandse onderzoekers uitgevoerd, bijvoorbeeld.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Als ik deze redenering goed volg, is de heer Boomsma het dan niet met
mij eens dat dit de suggestie wekt dat als hij het wellicht oneens is
met een onderzoek of delen ervan, hij dan meteen de validiteit van het
onderzoek ondergraaft? Volgens mij moeten we dat niet willen met elkaar.
Is de heer Boomsma het met mij eens dat we heel terughoudend moeten zijn
met de suggestie wekken dat bepaalde typen onderzoek niet
wetenschappelijk gevalideerd zijn of dat onderzoekers niet een bepaalde
route hebben doorlopen, ongeacht wat onze standpunten zijn?
De heer Boomsma (JA21):
Je kunt je natuurlijk afvragen of het suggesties wekt als je een bepaald
thema aansnijdt. Mevrouw Abdi heeft het natuurlijk zelf ook over
academische vrijheid gehad en heeft daar ook net een motie over
ingediend. Het feit dat je het belang daarvan benadrukt, hoeft niet
meteen de suggestie te wekken dat het een enorm gevaar is, maar juist
voor de waarheidsvinding is het van belang om daarnaar te blijven
streven. Juist voor de positie en de status van wetenschap en het
vertrouwen in de wetenschap is het van belang dat je de academische
vrijheid hooghoudt.
De voorzitter:
Kort en afrondend, mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. Mijn tweede interruptie. Ik merk bij mezelf, zeg
ik gewoon heel eerlijk en transparant, terughoudendheid, juist omdat ik
denk dat academische vrijheid een heel belangrijk goed is. In eerdere
discussies, ook in de Kamer, ging het ook over politieke druk van
buitenaf en bepaalde suggesties die werden gewekt over wetenschappers en
instellingen. In dit huis is zelfs een meldpunt gestart voor te linkse
wetenschappers. Juist omdat we de academische vrijheid niet moeten gaan
politiseren, moeten we terughoudend zijn met een oordeel vellen over
bepaalde typen onderzoeken. Ik hoop dat de heer Boomsma dit kan meenemen
in zijn denken.
De heer Boomsma (JA21):
Maar juist om te voorkomen dat de discussie op een onverstandige manier
politiseert, is het goed om het belang ervan te benadrukken. Volgens mij
had mevrouw Abdi het over politieke druk. Zij denkt dan waarschijnlijk
aan een Trump in Amerika of dat soort dingen. Dat is natuurlijk een
andere bedreiging voor de academische vrijheid, die we evenzeer serieus
moeten nemen. Juist om die in alle facetten te beschermen, is het
belangrijk om hier aandacht voor te hebben.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Russcher, die spreekt
namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat uw gang.
De heer Russcher (FVD):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het leenstelsel ertoe heeft geleid dat studenten
tussen 2015 en 2023 geen aanspraak konden maken op een basisbeurs en
veel van deze studenten hierdoor een aanzienlijke studieschuld hebben
opgebouwd, en de rente op studieschulden de afgelopen jaren is
gestegen;
overwegende dat tijdens de invoering van het leenstelsel sprake was van
langdurig lage rentes en veel (oud-)studenten hun financiële keuzes mede
op basis daarvan hebben gemaakt;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze voor de groep die
onder het leenstelsel viel de rentelast structureel kan worden beperkt,
waaronder het scenario van een rente van 0%,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 111 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat studenten tussen 2015 en 2023 door het leenstelsel
geen aanspraak hadden op een basisbeurs en inmiddels is besloten deze
beurs te herinvoeren;
overwegende dat de huidige tegemoetkoming voor deze groep niet in
verhouding staat tot de misgelopen aanspraken en er daarmee verschil in
behandeling bestaat tussen cohorten;
verzoekt de regering te bezien hoe kan worden gekomen tot een
ruimhartigere compensatie voor studenten die tussen 2015 en 2023 onder
het leenstelsel vielen, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.
Zij krijgt nr. 112 (36800-VIII).
De heer Russcher (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ergin, die spreekt
namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb drie moties. Motie nummer één.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de behandeling van de Wet planmatige aanpak
onderwijshuisvesting binnenkort plaatsvindt;
constaterende dat het inlopen van achterstanden in de
onderwijshuisvesting een investeringsopgave van meerdere miljarden
euro's betreft en gemeenten aangeven dat daarvoor structureel
onvoldoende middelen beschikbaar zijn;
overwegende dat middelen die via het gemeentefonds beschikbaar worden
gesteld niet geoormerkt zijn en daardoor niet altijd aantoonbaar worden
ingezet voor onderwijshuisvesting;
verzoekt de regering om vóór de behandeling van de Wet planmatige aanpak
onderwijshuisvesting inzichtelijk te maken welke mogelijkheden er zijn
om middelen voor onderwijshuisvesting (deels) te oormerken, wat de
juridische en financiële consequenties daarvan zijn en hoe dit kan
bijdragen aan het versneld terugdringen van de
onderwijshuisvestingsachterstanden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 113 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de monitor werkagenda en Stagepact mbo 2025 blijkt
dat basisafspraken binnen het Stagepact mbo nog onvoldoende worden
nageleefd, waaronder het realiseren van minimaal drie contactmomenten,
een effectieve aanpak van stagediscriminatie, hogere tevredenheid over
stagebegeleiding, goed functionerende en voldoende bekende meldpunten op
alle scholen en duidelijkheid over de definitie van
kansengelijkheid;
verzoekt de regering om concrete, resultaatgerichte en afdwingbare
maatregelen te treffen om de uitvoering van het Stagepact mbo
aantoonbaar te verbeteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 114 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
De laatste motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat op circa 180 middelbare scholen beleid bestaat waarbij
het verrichten van gebed tijdens schooltijd wordt verboden of feitelijk
onmogelijk wordt gemaakt;
overwegende dat de wetgeving rond openbaar onderwijs uitgaat van respect
en ruimte voor ieders godsdienst of levensovertuiging;
verzoekt de regering om duidelijk richting schoolbesturen uit te spreken
dat een algemeen gebedsverbod niet verenigbaar is met de wet en waar
nodig passende stappen te zetten om naleving van de wet te
waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 115 (36800-VIII).
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Stoffer, die spreekt
namens de fractie van de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, dank. Twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat 38% van de leerkrachten in het voortgezet onderwijs te
maken heeft met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing, maar dat de
inspectie nauwelijks meldingen krijgt over antisemitisme;
verzoekt de regering de inspectie te verzoeken actief aandacht te
besteden aan antisemitisme in het kader van onderzoeken naar veiligheid
en waar nodig handhavend op te treden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Ceder, Claassen en Van
der Plas.
Zij krijgt nr. 116 (36800-VIII).
De heer Stoffer (SGP):
De tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat scholen volgens de onderwijsinspectie te veel taken op
hun bord krijgen van de politiek en dat wettelijke kerntaken elkaar
kannibaliseren;
constaterende dat de Onderwijsraad en de Raad van State zeer kritisch
hebben geadviseerd over het wetsvoorstel Strategisch
personeelsbeleid;
verzoekt de regering het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid in te
trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.
Zij krijgt nr. 117 (36800-VIII).
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, tot slot. Mijn excuses aan de bewindslieden voor het feit
dat ik te laat was. Dat kwam door omstandigheden. Veel dank voor de
beantwoording. Ik heb gehoord dat zeker de minister een aantal zeer
aardige dingen in mijn richting heeft gezegd. Dat luister ik terug als
ik straks in de auto naar Elspeet ga.
Dank u wel.
De voorzitter:
Een goede reis alvast. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die
spreekt namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ook ik wil de heer Stoffer alvast een fijne reis toewensen.
Ik heb een paar moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de maatschappelijke diensttijd (mdt) bijdraagt aan het
burgerschap en de maatschappelijke weerbaarheid van jongeren;
overwegende dat het van belang is om met de middelen voor
maatschappelijke diensttijd zo veel mogelijk jongeren te bereiken en dat
hiertoe de samenwerking met maatschappelijke partners en andere
departementen als Defensie dient te worden versterkt, op basis van
gelijkwaardigheid;
verzoekt de regering om, interdepartementaal en in samenwerking met
maatschappelijke partners, waaronder het bestaande mdt-netwerk,
gezamenlijke ambities voor verdere uitvoering, bestendiging en
versterking van maatschappelijke diensttijd op te stellen, en de Kamer
hier voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van 2027 middels een
concrete mdt-agenda over te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Armut.
Zij krijgt nr. 118 (36800-VIII).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Taskforce Antisemitismebestrijding stelt dat de
sociale veiligheid van Joodse studenten en medewerkers onder druk staat
en diverse voorstellen doet om deze te versterken;
overwegende dat een van de adviezen hogeronderwijsinstellingen vraagt te
onderzoeken of er voldoende laagdrempelige faciliteiten zijn voor
geestelijke ondersteuning bij zorgen en problemen onder Joodse studenten
en medewerkers en stelt dat waar er behoefte is aan pastorale
ondersteuning, zal moeten worden bezien hoe deze het beste gefaciliteerd
kan worden;
verzoekt de regering om in overleg met de onderwijskoepels, het
Nederlands-Joods Studenten Overleg, de landelijke studentenrabbijn en
andere experts voortvarend aan de slag te gaan met bovenstaand advies om
zo het (geestelijk) welzijn van Joodse studenten en medewerkers te
verbeteren, en de Kamer voor het zomerreces over de uitkomsten te
informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Rajkowski, Straatman en
Van der Plas.
Zij krijgt nr. 119 (36800-VIII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer met ruime meerderheid de regering heeft
verzocht om het wettelijk verankeren van digitale toegankelijkheid in
het onderwijsdomein, maar dat er nog geen wetsvoorstel naar de Kamer is
gekomen;
constaterende dat uit de monitor VN-verdrag Handicap 2025 blijkt dat
minder dan de helft van de onderwijsinstellingen digitale
toegankelijkheid noemt als thema waarop gefocust is afgelopen
jaar;
verzoekt de regering om, voorafgaand aan de wettelijke verplichting, in
gesprek te gaan met het onderwijsveld en (organisaties voor) studenten
met een beperking om als eerste stap de normen van de WCAG en inclusief
digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor
digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites
en apps,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 120 (36800-VIII).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Beckerman, die spreekt
namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er al jaren grote problemen zijn met het
leerlingenvervoer, waaronder te lange ritten, ongeschikte
vervoersmiddelen en kinderen die überhaupt niet worden opgehaald;
overwegende dat leerlingenvervoer voor een grote groep leerlingen van
met name het speciaal onderwijs een essentiële voorwaarde is voor het
kunnen volgen van onderwijs;
overwegende dat veel problemen voortkomen uit het commercieel
aanbesteden van leerlingenvervoer;
verzoekt de regering om samen met gemeenten een plan op te stellen ter
verbetering van het leerlingenvervoer, daarbij verschillende opties uit
te werken, waaronder het stoppen met aanbesteden, en de Kamer voor de
zomer van 2026 te rapporteren over de voortgang,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 121 (36800-VIII).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik moet opmerken dat in de commissie voor Onderwijs de
kwaliteit snellezen van grote omvang is. Dan gaan we nu luisteren naar
de heer Claassen, die spreekt namens de Groep Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik zie dat ik 31 seconden heb.
De voorzitter:
Dat doe ik zodat u tempo maakt. Nee, u heeft meer tijd.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Alstublieft.
De voorzitter:
Dat komt goed.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Oké, het zou goed moeten komen.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in toenemende mate (specialistische) zorgopleidingen
moeten voldoen aan meerdere kwaliteitskaders, waaronder het
accreditatiestelsel van de NVAO in het hoger onderwijs en het kader van
het CZO;
constaterende dat de stelselverantwoordelijkheid is verdeeld over het
ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
overwegende dat de afstemming tussen deze kwaliteitseisen,
toetsingskaders en toezichtprocessen ontoereikend is, wat leidt tot
overlap, onnodige administratieve lasten en vertragingen in de
praktijk;
overwegende dat deze problemen innovatie en flexibilisering in
zorgopleidingen belemmeren;
verzoekt de regering een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de
organisatorische vervlechting of structurele integratie van de
kwaliteitstoetsing door de NVAO en het CZO;
verzoekt de regering tevens te komen tot één samenhangende structuur
voor kwaliteitseisen en toezicht op zorgopleidingen, met als doel
innovatie en responsiviteit in het onderwijs te bevorderen en
administratieve lasten te verminderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Stoffer.
Zij krijgt nr. 122 (36800-VIII).
Mevrouw Van der Plas, ik wil eerst even checken of de heer Claassen genoeg adem heeft om antwoord te geven. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Wat vraagt de heer Claassen eigenlijk?
(Hilariteit)
De voorzitter:
Meneer Claassen, het lijkt wel een een-tweetje, maar uw tijd loopt
wel.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik vraag het volgende. Met name in het hoger onderwijs constateren we
dat zorgopleidingen in toenemende mate verweven raken met specialistisch
vervolgonderwijs. Dat gebeurt om te kunnen versnellen en te kunnen
flexibiliseren, zodat mensen sneller inzetbaar zijn in de zorg, waar we
arbeidsmarktproblemen hebben. Voor de initiële opleidingen heb je de
NVAO en voor de specialistische opleidingen heb je het CZO. Die doen
toetsingen en die kijken naar nieuwe opleidingen. Dat is een heel
administratief, lastig iets. De samenwerking en de eisen zijn ook niet
helemaal toereikend, wat juist de innovatie en de flexibilisering van
zorgopleidingen vertraagt. Het CZO en de NVAO kijken ook heel
verschillend naar de hantering van professional activities, wat een
manier is om te gaan flexibiliseren. Dat moet echt anders. Daarom deze
motie, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Vooral het woord "sneller" in de uitleg spreekt me aan in deze context.
Als de heer Claassen ooit de politiek uit gaat, dan kan hij altijd nog
veilingmeester worden.
De voorzitter:
Laten we dat na de begrotingsbehandeling met elkaar bespreken. Gaat u
verder met de tweede motie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een tweede motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de internationale positie van Nederlandse
universiteiten in de afgelopen jaren onder druk is komen te staan,
waardoor vragen ontstaan over de langetermijnconcurrentiekracht en
onderzoeksprestaties;
overwegende dat sterke kwaliteitsborging, heldere prestatieafspraken en
transparantie noodzakelijk zijn om de internationaal leidende positie
van de Nederlandse wetenschap en kenniseconomie te behouden;
verzoekt de regering om nationale, meetbare kwaliteitsstandaarden voor
onderwijs en onderzoek te presenteren, de internationale positie van
Nederlandse universiteiten structureel te monitoren met behulp van
meerdere indicatoren, en uiteen te zetten hoe aanhoudende structurele
kwaliteitsdaling wordt aangepakt binnen bekostigings- en
toezichtskaders,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 123 (36800-VIII).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De derde motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er meldingen zijn van bezettingen, intimidatie,
bedreigingen en gewelddadige incidenten die studenten en medewerkers aan
universiteiten treffen;
overwegende dat fysieke en sociale veiligheid fundamentele voorwaarden
vormen voor onderwijs, onderzoek en academische ontwikkeling;
overwegende dat universiteitsbesturen vroegtijdig en effectief moeten
kunnen ingrijpen om escalatie te voorkomen, met waarborging van
constitutionele rechten op vrijheid van meningsuiting en vreedzaam
protest;
verzoekt de regering om duidelijke nationale basisnormen vast te stellen
voor preventie, handhaving en crisisinterventie bij onveilige situaties
op universiteiten, inclusief heldere verantwoordelijkheden voor
instellingsbesturen en effectieve samenwerking met lokale autoriteiten,
en de Kamer te informeren over implementatie en effectiviteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Stoffer.
Zij krijgt nr. 124 (36800-VIII).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Mijn laatste motie, voorzitter.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat signalen van studenten, wetenschappers en
internationale waarnemers erop wijzen dat open academisch debat en
diversiteit van perspectieven in delen van het hoger onderwijs onder
druk staan;
overwegende dat academische vrijheid en intellectueel pluralisme
essentiële voorwaarden zijn voor hoogwaardige wetenschap en
democratische kennisontwikkeling;
overwegende dat publiek gefinancierde hogeronderwijsinstellingen de
verantwoordelijkheid hebben om academische vrijheid en open debat actief
te waarborgen;
verzoekt de regering om met universiteiten concrete afspraken te maken
ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid,
waaronder transparante rapportage, toegankelijke en onafhankelijke
meldstructuren en aantoonbare structurele ruimte voor wetenschappelijk
debat en tegenspraak in onderwijs, onderzoek en academische cultuur, en
de Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.
Zij krijgt nr. 125 (36800-VIII).
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De timer staat op nul! Alstublieft, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, exact op nul. Ik ben benieuwd of mevrouw Abdi het verstaan heeft —
ik bedoel natuurlijk qua tempo. Het helpt als de heer Claassen blijft
staan als er nog een vraag gesteld wordt.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik begreep het dictum gewoon niet. Ik was dus benieuwd of de heer
Claassen ...
De voorzitter:
Van welke motie?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Van de laatste motie. Kan de heer Claassen daarop ingaan?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Zou ik de motie dan even terug mogen? Dat helpt enorm.
De voorzitter:
Ik denk dat de motie nu door het kopieerapparaat gaat.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik kan er ook op ingaan in een bilateraaltje.
De voorzitter:
Ik ga zo twintig minuten schorsen. Dat lijkt me genoeg voor dat
bilateraaltje, maar dat doe ik ook omdat de bewindspersonen aangegeven
hebben twintig minuten nodig te hebben. We gaan dat dus buiten de
microfoon om doen. Dan zijn we nu dus klaar. Dit was de laatste spreker
in de tweede termijn van de Kamer. De bewindspersonen hebben aangegeven
twintig minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de moties. Ik
schors dus voor twintig minuten.
De vergadering wordt van 16.51 uur tot 17.13 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van het
kabinet voor de appreciatie van de ingediende moties en de laatste
vragen. Er is ook nog een lastminuteamendement. Ik begrijp dat de
appreciatie daarvan ook komt in deze termijn. Ik geef nu graag het woord
aan de minister.
Minister Moes:
Dank u wel, voorzitter. Ik wil eerst nog even een drietal vragen
beantwoorden en dan ga ik over op de appreciatie van de moties.
Ten eerste bestond er wat onduidelijkheid over individuele keuzevrijheid
versus het belang van de samenleving. Ik doelde daarbij niet op de
individuele keuzevrijheid van studenten, maar op die van instellingen.
Het is op dit moment zo dat de instellingen in grote mate bepalen wat
voor opleidingen ze aanbieden. Er zijn wel wat sturingsinstrumenten om
als politiek een beetje mee te kunnen sturen op wat voor
opleidingsaanbod relevant is voor de samenleving. Ik doelde er eigenlijk
op dat die balans wellicht wat verder naar sturing toe moet als je kijkt
naar wat de samenleving nodig heeft en de tekorten. Maar natuurlijk is
het van groot belang dat de individuele keuzevrijheid van studenten
gewoon overeind blijft staan.
Er werd gevraagd of de informatie over studenten die strafbare feiten
plegen, actief wordt doorgestuurd of dat ze daar zelf actief achteraan
moeten. Daar moet ik schriftelijk op terugkomen, omdat ik dat moet
nagaan bij collega's van JenV.
Een onderzoek naar private en publieke financiering. Het Rathenau
Instituut doet hier jaarlijks onderzoek naar en brengt hierover een
rapportage uit. De volgende rapportage wordt voor de zomer
verwacht.
Dan ga ik naar de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 91,
het verzoek om een nulmeting van het veiligheidsbeleid, is overbodig. Er
loopt namelijk momenteel een evaluatieonderzoek naar integrale
veiligheid bij hogescholen en universiteiten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 91 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk even
naar de eerste indiener, mevrouw Rajkowski, wat zij er vervolgens mee
doet. Zij gaat 'm aanhouden.
Op verzoek van mevrouw Rajkowski stel ik voor haar motie (36800-VIII,
nr. 91) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 92, over de analyse van dalende studentenaantallen:
oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 krijgt: oordeel Kamer.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 96: ontijdig. Wij gaan uiteraard niet over de
portefeuilleverdeling van een volgend kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 96 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even
naar de eerste indiener, mevrouw Moorman. Houdt u de motie aan? Gaat uw
gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ontijdig is natuurlijk echt een hele rare appreciatie, als juist dit het
moment is dat portefeuilleverdeling plaatsvindt. Ik ben er dus heel
verbaasd over, maar ik hou 'm natuurlijk gewoon aan. Of nee, de motie
blijft gewoon staan. Dat bedoel ik.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 96 heeft de appreciatie "ontijdig" en wordt niet
aangehouden.
Minister Moes:
Dan ga ik 'm toch ontraden, voorzitter. Hier staat namelijk duidelijk
"verzoekt de regering". Daarmee is het een verzoek aan het huidige
kabinet. Het is ingewikkeld voor ons om te gaan over de
portefeuilleverdeling van het aanstaande kabinet.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 96 krijgt de appreciatie: ontraden. Heel kort,
mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Waarom dan niet oordeel Kamer?
De voorzitter:
Ik denk dat de minister daar duidelijk over is geweest. Daarmee is de
appreciatie: ontraden.
Minister Moes:
Als het een spreekt-uitmotie was geweest, dan was het een uitspraak van
de Kamer. In dit geval is het een verzoek aan de regering. De regering
kan dit niet zo uitvoeren.
Bij de motie op stuk nr. 97, over het vrijstellingenbeleid van het mbo,
heb ik zelf wat bedenkingen. Mede daarom denk ik dat ik de motie de
appreciatie "ontijdig" moet geven en dat ik dit moet overlaten aan een
volgend kabinet. Er is namelijk nog wel een spanningsveld tussen het
belang van geen onnodige vakken hoeven herhalen en onnodige dingen doen
voor een diploma enerzijds en de waarde van een diploma anderzijds.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 97 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even
naar mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind dit eigenlijk ook een beetje een rare appreciatie. Ik dien toch
een motie over onderwijsbeleid in bij de OCW-begroting? Hoe kan dat in
hemelsnaam "ontijdig" zijn?
Minister Moes:
Ik doe dat omdat ik het ingewikkeld vind om zelf nu een hele
inhoudelijke uitspraak te doen met het appreciëren van die motie. Ik
vermoed namelijk dat een volgende bewindspersoon hier anders over zou
kunnen denken. Daarom vind ik het verstandig om 'm even aan te houden.
Wellicht pakt mijn opvolger het heel anders op. Als je het aan mij zou
vragen, zou ik zeggen dat het spanningsveld tussen het belang van de
diplomawaarde en het checken van alle benodigde vaardigheden en
resultaten voor het halen van zo'n diploma op dit moment goed geborgd
is. Er zijn ook zeker vrijstellingsmogelijkheden via een
examencommissie. Om al te makkelijk tot vrijstelling over te gaan, vind
ik een lastig spanningsveld. Ik zou daar persoonlijk aan de voorzichtige
kant willen zitten. Als mevrouw Tseggai dus echt een inhoudelijk oordeel
over deze motie van mij wil, zou dat "ontraden" zijn.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Alle onderwijspartijen die ik in de motie heb opgesomd, vragen hierom.
Dat geldt ook voor het bedrijfsleven. De MBO Raad zegt dat ze dit graag
doen, dat ze dit kunnen doen om maatwerk te leveren, en dat ze het ook
nodig hebben. Volgens mij is de hele Kamer het er best wel over eens dat
we meer mensen in het mbo nodig hebben. Waarom zou dit dan geen goed
idee zijn? Het kost weinig geld, maar je kunt er toch meer zijinstromers
mee de sectoren in helpen.
Minister Moes:
Het gevaar is dat we hier nu een hele uitgebreide inhoudelijke discussie
gaan voeren. Daar ben ik op zich toe bereid. Ik schetste dat
spanningsveld al. Een diploma moet ook wat waard zijn. Het is dus heel
belangrijk dat instellingen goed zicht hebben op wat daadwerkelijk het
kennen en kunnen van de kandidaat of de student in kwestie is. Als je
het kan aantonen, zijn er natuurlijk mogelijkheden om vrijstellingen te
verdienen of die van je instelling te krijgen. Daar gaan de instellingen
zelf ook over via de examencommissies. Die mogelijkheden zijn er dus al.
Het is niet zo dat nu voor iedereen geldt dat je altijd door alle
hoepeltjes heen moet springen, zeker niet voor zijinstromers. Die
mogelijkheden zijn er dus. Wel is er altijd een spanningsveld tussen hoe
ruim die mogelijkheden zijn en hoe groot de kans is op gevoeligheid dat
je iets gemakkelijker aan een diploma kan komen. Daar heb ik in mijn
antwoord in de eerste termijn ook aan gerefereerd. Je wil de kwaliteit
van vakmensen hoog hebben. Dat doe je door het diploma heel waardevol te
houden. Nu zeg ik absoluut niet dat het diploma per definitie gelijk
waardeloos wordt, maar er is altijd een spanningsveld. Je moet dat dus
altijd tegen elkaar afwegen. Ik zou daarin wat voorzichtiger zijn, zoals
ik net ook schetste.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 97 houdt de appreciatie: ontraden. Gaat u
verder.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 98: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 98 krijgt: oordeel Kamer.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 99 ontraad ik omdat er geen dekking bij zit.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 99 wordt ontraden. Mevrouw Tseggai heeft nog een
vraag over de motie op stuk nr. 99. Graag een korte vraag.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik had een amendement waar wel een dekking bij zit, maar dat werd ook
ontraden. Ik ben nu dus wel een beetje de kluts kwijt.
Minister Moes:
Volgens mij liep ik daar al op vooruit toen u de suggestie deed om het
dan via een motie te doen. Toen zei ik al: prima, maar die wordt ook
ontraden, want het gaat over dezelfde deugdelijke dekking. Ik heb die
middelen niet beschikbaar. Die middelden zijn allemaal geoormerkt voor
beleidsdoeleinden. Uiteindelijk heeft de Kamer natuurlijk het
budgetrecht, maar in de eerste termijn bij de appreciatie van de
amendementen heb ik ervan gewag gemaakt dat het te makkelijk is om te
denken dat we niet-juridisch verplichte middelen kunnen inzetten.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
In deze motie heb ik gevraagd om het mogelijk te maken per schooljaar
2027-2028. Dan zou u dus creatief op zoek kunnen gaan naar 27 miljoen in
de begroting van — ik zeg het er nog even een keertje bij — 57 miljard.
We moeten dat gewoon doen als we echt stappen willen zetten voor het
mbo.
Minister Moes:
Nogmaals, inhoudelijk vind ik dat heel sympathiek. Dat heb ik ook al een
paar keer aangegeven. Uiteindelijk kan ik de begrotingsregels niet
negeren en kan ik niet, zoals hier de suggestie wordt gewekt, creatief
boekhouden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 99 houdt de appreciatie: ontraden. Gaat u
verder.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 100: ontraden. Ik zie in de huidige wetten en
procedures geen risico voor de institutionele onafhankelijkheid. Ik vind
dat er ultimo een instrument moet blijven om bij bijvoorbeeld
verdergaand wanbeheer in te kunnen grijpen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 100 wordt ontraden.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 101 is overbodig. Er wordt al doorlopend onderzoek
gedaan naar de 3%-doelstelling.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 101 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk even
naar mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Kunt u iets meer toelichten?
Minister Moes:
De 3%-doelstelling van Lissabon is vastgelegd. Een onderdeel daarvan is
dat een derde van die 3% publieke investeringen moet zijn. Dat is daar
dus al onderdeel van. Het Rathenau Instituut doet periodiek onderzoek
naar de doelstelling. Het onderzoekt de totale investeringen in
wetenschap en innovatie. In principe verzoekt deze motie dus om iets
overbodigs.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 102 ontraad ik, want het is echt aan de
instellingen zelf.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 102 wordt ontraden.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 103: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 103 krijgt oordeel Kamer.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 104 zou ik willen overnemen, met dien verstande dat
ik 'm zo mag interpreteren dat JenV uiteindelijk wel over hun eigen
pilots blijft gaan.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Straatman. Er wordt geknikt. Ik zie dat
mevrouw Tseggai bij de microfoon staat.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het eigenlijk best wel raar. Mevrouw Straatman heeft namelijk
een ontzettend sympathieke motie ingediend om ongelijkheden in het
systeem van studiefinanciering en financiële regelingen tussen hbo- en
wo-studenten recht te trekken. Die krijgt oordeel Kamer, maar een
soortgelijke motie, over mbo-, hbo- en wo-studenten, wordt ontraden. Wat
vindt de minister nu? Vindt hij dat we ongelijkheden in het systeem
moeten wegnemen voor iedereen, of alleen voor hbo'ers en wo'ers?
Minister Moes:
De minister vindt dat als je vraagt om de uitvoering van een bepaalde
politieke keuze, daar een deugdelijke dekking bij moet zijn. Als een
motie alleen vraagt om een wetswijziging te verkennen en een en ander in
kaart te brengen, zodat je een politiek besluit kunt nemen en een
weloverwogen keuze kunt maken, dan is dat echt een andersoortig
verzoek.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Moes:
Bij de motie op stuk nr. 108 ben ik, geloof ik. Die beoordeel ik als
ontijdig. We werken daar namelijk al aan.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 108 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even
naar de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Kan de minister nader toelichten wat er dan precies in gang is gezet?
Als nu al vaststaat dat dat de uitkomst wordt, dat dit wordt verkend en
dat men daar dus op aanstuurt, op financiering die het aanbod van
kleinere studies daadwerkelijk in stand houdt ... Op dit moment is dat
niet zo.
Minister Moes:
Op dit moment werken we dus aan die stabiele bekostiging waar ik het in
mijn beantwoording in eerste termijn over had, aan een beleidskader om
meer richting te geven aan een landelijk dekkend opleidingsaanbod en een
sterke borging van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van instellingen
voor dat opleidingsaanbod. Daarbij hebben we juist ook oog voor die
kleine opleidingen die een grote maatschappelijke waarde hebben. Dat is
daar dus onderdeel van.
De heer Boomsma (JA21):
Dan houd ik de motie aan.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Boomsma stel ik voor zijn motie (36800-VIII, nr.
108) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 109 is ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 109 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik denk dat de
heer Boomsma wil weten waarom.
Minister Moes:
Deze motie verzoekt het kabinet om bij de Voorjaarsnota met een voorstel
te komen over het vergroten en waarborgen van de academische vrijheid
door meer ruimte te bieden voor ongebonden onderzoek en dan een deel van
het budget voor wetenschappelijk onderzoek ten goede te laten komen aan
het onderzoek dat dominante invalshoeken of narratieven onderzoekt en/of
bevraagt. Daarmee vraagt u impliciet ook om dekking, maar dat loopt
vooruit op een voorjaarsnota waarin naar verwachting extra middelen
staan voor OCW. Daar kan dit kabinet natuurlijk niet over gaan. Wij gaan
nu alleen over deze begroting.
De heer Boomsma (JA21):
Dat neemt niet weg dat de Kamer daar gewoon over kan besluiten. Ik houd
'm in ieder geval staande.
De voorzitter:
U houdt 'm niet aan.
Minister Moes:
Ook hierbij zeg ik weer: het is een verzoek aan dit kabinet en dit
kabinet kan daar niet op vooruitlopen. Daarmee is het ontijdig. Ik zou
zeggen: verzoek dat straks ook aan het nieuwe kabinet. Dat is los van de
inhoud.
De heer Boomsma (JA21):
Het is een verzoek aan hét kabinet, niet per se aan dit kabinet. Zo
werkt dat nou eenmaal. We hebben nu een gesprek met hét kabinet. Dat
daar straks andere mensen in zitten, verandert daar niks aan. Het is dus
gewoon aan de Kamer om een uitspraak te doen over de vraag of wij dit
verzoek willen doen aan het kabinet. Volgens mij is dat hoe het werkt.
Daarom handhaaf ik 'm ook gewoon.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 109 wordt niet aangehouden.
Minister Moes:
Dan moet ik 'm ontraden, voorzitter. Dit kabinet, hét kabinet, het enige
kabinet dat er op dit moment is — u zult het daar nog heel eventjes mee
moeten doen — heeft die middelen namelijk niet. Daar kunnen we dus ook
niet op vooruitlopen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 110 krijgt: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 110 krijgt: oordeel Kamer.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 111 is overbodig, want dat is al eerder
onderzocht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 111 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk naar
de collega van de indiener. U mag daar een filosofisch betoog over
houden, maar wellicht kunt u ook aangeven of u de motie aan wilt
aanhouden.
Op verzoek van de heer Russcher stel ik voor zijn motie (36800-VIII,
nr. 111) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 112 moet ik ontraden vanwege het ontbreken van een
deugdelijke dekking.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 112 wordt ontraden.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 114: ontraden. Hoewel ik de zorgen achter de motie
wel deel, moet ik 'm toch ontraden vanwege het verzoek om de afspraken
afdwingbaar te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 114 wordt ontraden.
Minister Moes:
Bij de motie op stuk nr. 119 doe ik het verzoek om 'm aan te houden. We
spreken al met genoemde partijen over deze thematiek in den brede. In
die zin is ie op dit moment volgens mij overbodig, maar als dat in de
toekomst toch tot ontevredenheid leidt, kan ie alsnog ingediend worden,
zou ik zeggen. Ik doe dus het verzoek om 'm aan te houden.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de eerste indiener; dat is de heer Ceder. U mag vanaf
uw stoel bevestigen of u 'm wilt aanhouden of niet. Buiten de microfoon
wordt gezegd dat er nog even over nagedacht wordt. Gaat u ondertussen
verder.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 120: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 120 krijgt: oordeel Kamer.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 122: ontraden. Want beide systemen kennen een ander
doel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 122 wordt ontraden.
Minister Moes:
Ja. Natuurlijk kijken we altijd of het beter en makkelijker kan.
Dan de motie op stuk nr. 123 …
De voorzitter:
Eén moment. Wat zegt u, meneer Claassen? U mag daar zeker een vraag over
stellen. Daarom krijgt u ook het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik was net heel snel met het voorlezen van de motie, maar, met alle
respect, het gestamel waarmee u zegt dat het niet kan, is niet te
volgen. Zou u dus nog een keer heel duidelijk willen uitleggen waarom u
zegt dat het niet kan?
De voorzitter:
Meneer Claassen, laten we het vriendelijk houden; dit is niet nodig.
Minister Moes:
Het gaat over het accreditatiestelsel van de NVAO en het kader van CZO.
Die beide systemen kennen een ander doel, zoals ik zei. Daartussen wordt
al wel veel samengewerkt. Uiteraard kijken we altijd naar
verbetermogelijkheden in het proces, bijvoorbeeld of het gemakkelijker
kan. Maar juist omdat ze een andersoortig doel dienen, vind ik het
onverstandig om die met elkaar te vervlechten. Daarom ontraad ik deze
motie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is apart. Ze dienen namelijk hetzelfde doel. Ze dienen gewoon
hetzelfde doel. Dat conflicteert — dat was het punt van mijn inbreng en
van deze motie. Ik vind het dus echt heel raar dat er nu wordt gezegd
dat het een ander doel dient. Ik zou zeggen: kijk er even goed naar. Ze
dienen precies hetzelfde doel.
De voorzitter:
Hiermee blijft de appreciatie: ontraden. Gaat u verder.
Minister Moes:
We kunnen het verschil van inzicht niet oplossen.
Dan de motie op stuk nr. 123 over kwaliteitsstandaarden. Deze is
overbodig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 123 krijgt de appreciatie overbodig. Daarom kijk ik
even naar de heer Claassen. Wilt u de motie wel of niet aanhouden? De
motie op stuk nr. 123 wordt niet aangehouden.
Minister Moes:
De motie op stuk nr. 124 is tevens overbodig.
De voorzitter:
Ook de motie op stuk nr. 124 krijgt de appreciatie overbodig. Ik kijk
weer naar mijn rechterkant. Toch wordt deze motie niet aangehouden.
Minister Moes:
Tot slot, voorzitter, de motie op stuk nr. 125, over de praktische
borging van de academische vrijheid. Deze motie is ontijdig. Er lopen
momenteel verschillende onderzoeken naar. We zijn ook doorlopend in
gesprek met de betrokken partijen. Ik zou adviseren om eerst de
onderzoeken en de resultaten daarvan af te wachten. Dan kan desgewenst
deze motie of een soortgelijke motie worden overwogen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 125 krijgt de appreciatie: ontijdig.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan is de vraag aan de regering wanneer die onderzoeken te verwachten
zijn. Als die lopen, zal er waarschijnlijk ook ergens in de commissie
over gesproken zijn wanneer er een rapport over komt. Dan kan ik dan de
afweging maken of ik de motie ga aanhouden.
Minister Moes:
In elk geval wordt in het najaar nog een nieuw onderzoek gestart, naar
aanleiding van de motie-Heite die in het debat over academische vrijheid
werd ingediend. Deze motie ging over pluriformiteit van onderzoek. Er
lopen op dit moment ook drie onderzoekstrajecten naar academische
vrijheid. Ik heb geen informatie paraat over wanneer die resultaten
precies verwacht worden, maar dat zal niet op hele korte termijn
zijn.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dan ga ik de motie niet aanhouden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 125 wordt niet aangehouden.
Minister Moes:
Dan hing er nog eentje in de lucht, namelijk de motie op stuk nr. 119.
Ik had verzocht om die aan te houden. Ik weet niet of dat inmiddels al
is gebeurd.
De voorzitter:
Ik zal even kijken of de heer Ceder er al een ei over heeft gelegd. Het
gaat om de motie op stuk nr. 119. U bent zonder microfoon heel moeilijk
te verstaan, meneer Ceder, zelfs voor mij als voorzitter. Gaat uw
gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik wil de motie toch in stemming laten brengen, maar ik kom
misschien nog met een tekstuele aanpassing. Ik breng de motie wel in
stemming.
De voorzitter:
De heer Ceder houdt het spannend. De motie wordt in ieder geval in
stemming gebracht.
Dank u wel. Dan gaan we nu verder met de appreciaties door de
staatssecretaris. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Becking:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de appreciatie van het amendement
op stuk nr. 88, dat zojuist is ingediend door de heer Ergin. Ik ontraad
het.
Dan had ik nog twee vragen over …
De voorzitter:
Excuus, staatssecretaris. Het amendement op stuk nr. 88 krijgt de
appreciatie: ontraden.
Staatssecretaris Becking:
Er staan nog twee vragen open, een van mevrouw Moorman en een van
mevrouw Beckerman. Eerst de vraag over de GOAB-middelen. Geld uit 2025
loopt in 2025 naar de algemene middelen. Daar kan ik in 2026 niks mee,
want dat geld is weg. Ik kan de wensen wel meegeven aan mijn opvolger.
Dat zal ik ook doen, met een positieve connotatie. Of de Kamer moet een
deugdelijke dekking vinden in deze begroting.
Dan de vraag waarom DUO de nieuwkomersregeling niet eerder kan aanpassen
dan in 2028. Dat kan in de technische systemen gewoon niet eerder. Het
is niet uitvoerbaar. Ik denk dat we ook de zorgvuldigheid daarbij moeten
bewaken. Dit komt ook omdat er gekoppeld moet worden met de
gemeentelijke basisadministratie. Doe je dit niet, dan krijgen scholen
een verkeerd of zelfs geen bedrag. DUO heeft op datzelfde moment ook een
grote update van het bekostigingssysteem in de planning. Dat kan
eenvoudigweg niet allemaal tegelijk.
Dan kom ik bij de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 89:
oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 89 krijgt: oordeel Kamer. Ik zie mevrouw Moorman.
Gaat uw gang.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik probeerde echt heel goed te luisteren naar wat de staatssecretaris
net zei over waarom het niet kan, maar ik begrijp er eigenlijk helemaal
niks van. Het is gewoon het geld geven aan scholen en dat moet dan twee
jaar duren? Ik snap het echt werkelijk niet. Zou de staatssecretaris ons
misschien per brief kunnen laten weten waarom dit niet kan? Ik vond het
heel moeilijk om te begrijpen vanuit zijn beantwoording.
Staatssecretaris Becking:
Volgens mij ben ik er duidelijk over geweest dat het gewoon technisch
niet kan. Het is een te grote operatie, het vraagt te veel van DUO, het
leidt waarschijnlijk tot meer problemen dan we proberen op te lossen. Ik
hoor van alle kanten dat het gewoon niet uitvoerbaar is.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
We hebben weleens 8,6 miljard naar scholen laten gaan vanuit het NPO.
Dat kon gewoon binnen een paar maanden. Nu moet er twee jaar over worden
gedaan om geld te geven ten behoeve van de kinderen van
arbeidsmigranten. Ik begrijp het gewoon werkelijk niet.
Staatssecretaris Becking:
Ik hoorde geen vraag.
De voorzitter:
Nee, klopt. Dan mag u verder met de appreciatie van de moties. De motie
op stuk nr. 89 kreeg oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 90 van de heer Kisteman: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 90 krijgt: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 93 van mevrouw Moorman: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 93 krijgt: oordeel Kamer. Mevrouw Moorman?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch echt nog een vraag over de motie op stuk nr. 90. Ik heb daar
moeite mee. Die subsidies zijn niet voor niets verstrekt. Het gaat om
subsidies aan organisaties van leerlingen, zoals LAKS, LBVSO en JOB, en
om subsidies aan ouderorganisaties. Het is niet zo dat dat ineens voor
niets is. Waarom gaan we dat nou opnieuw onderzoeken? En dan gebruiken
we datzelfde budget misschien ook nog eens voor andere dingen. Ik zou
het mooi vinden als de staatssecretaris wat meer zou gaan staan voor de
belangrijke stem van leerlingen en ouders.
Staatssecretaris Becking:
Ik kon zelf niet beredeneren waarom deze organisaties deze subsidies
krijgen. Het kan, denk ik, helemaal geen kwaad om dat dus gewoon een
keer goed uit te zoeken en met elkaar te delen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 92 houdt de appreciatie: oordeel Kamer. Ik wil
graag verder met de volgende …
Staatssecretaris Becking:
Sorry, maar dat was de motie op stuk nr. 90.
De voorzitter:
Excuus. De motie op stuk nr. 90 houdt: oordeel Kamer. Ik wil graag
verder met de appreciaties.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 93 had ik oordeel Kamer gegeven.
De motie op stuk nr. 94: ontraden. Ik ontraad deze motie vanwege het
dwingende karakter. "Alles uitsluitend intern organiseren" is gewoon te
strak geformuleerd. De vraag is of dat juridisch kan. Het is ook niet
haalbaar op korte termijn. Ik steun wel de achterliggende doelstelling
die mevrouw Moorman formuleerde, namelijk dat we het onderwijs zo veel
mogelijk flexibel intern organiseren. We vinden het ook onwenselijk dat
er onnodig veel wordt ingehuurd. Maar zoals het nu geformuleerd is, is
het te stellig. Daarom ontraad ik de motie.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 94 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 95: ontijdig. Deze motie gaat over de
staatscommissie. Dat is een ambitie in het coalitieakkoord van het
komende kabinet. Ik zal uw vraag overbrengen aan mijn opvolger, maar ik
kan daar zelf niet over besluiten. De motie krijgt dus het oordeel:
ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 95 krijgt het oordeel: ontijdig. Mevrouw Moorman,
één vraag.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dit gebeurde natuurlijk net ook al bij minister Moes. We hebben maar één
regering om mee te praten. Ik vind het echt heel bezwaarlijk dat er nu
niet gewoon door de regering gezegd kan worden "ja, dit gaan we doen" of
"dit gaan we niet doen", omdat er straks andere mensen komen. Wij komen
daarmee als Kamer in een heel erg ingewikkelde positie terecht. Dan
hadden we dit gesprek überhaupt niet met elkaar moeten voeren. Ik hoop
toch dat er gewoon een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven. We weten
dat er een staatscommissie komt. Ik heb ook inhoudelijk aangegeven
waarom het belangrijk is dat we breder gaan kijken. Ik zou daar gewoon
graag een oordeel over willen hebben van het kabinet.
Staatssecretaris Becking:
Ik heb hier in de eerste termijn ook al iets over gezegd. In het
coalitieakkoord is afgesproken dat er een staatscommissie komt. Mevrouw
Moorman vraagt om de opdracht van de staatscommissie aan te scherpen op
bepaalde inhoud. De appreciatie is "ontijdig", want dat is gewoon nog
helemaal niet aan de orde.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 95 houdt de appreciatie: ontijdig. Het is aan
mevrouw Moorman om te bepalen wat ze met deze motie doet.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 103: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 103 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 104: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 104 krijgt: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 105: ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 105 wordt ontraden.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 113: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dat is voor de administratie. De motie op stuk nr. 113 krijgt: oordeel
Kamer. Over de motie op stuk nr. 105 heeft mevrouw Armut een vraag.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik ben benieuwd waarom de motie op stuk nr. 105 ontraden wordt, want
volgens mij delen we toch het doel dat de kwaliteit van het bestaande
mdt-netwerk geborgd moet blijven. Ik vraag me dus af waarom de
staatssecretaris de motie ontraadt.
Staatssecretaris Becking:
Ik zal de wens van uw Kamer zeker meenemen in de overdracht. Er is
gewerkt aan de opzet van de conceptregeling 2026. Er wordt beoogd om
daarin meer nadruk te leggen op kwaliteit, maar het gaat mij nu te ver
om de finale weging te maken over de invulling van die regeling en om
delen van het budget daarvoor vast te leggen. Dat is de reden, maar ik
zal het overbrengen.
Mevrouw Armut (CDA):
Ik vind het wel moeilijk dat de staatssecretaris dit zegt te willen
overbrengen, maar dat er tegelijkertijd al wel allerlei drempels worden
verhoogd. Ziet de staatssecretaris dat dat het wel bemoeilijkt voor het
bestaande mdt-netwerk? We vinden het met z'n allen hartstikke belangrijk
dat dat netwerk behouden blijft en dat organisaties die hier al sinds
2018 bij betrokken zijn gewoon door kunnen gaan. Ik zie dat dus in
gevaar komen terwijl de drempels steeds maar weer worden verhoogd.
Staatssecretaris Becking:
Daar had ik al antwoord op gegeven. Het feit dat die drempel wordt
verhoogd doordat de kwaliteitseisen worden verhoogd, heeft goede
redenen. Ik heb eerder betoogd waarom dat zo is. In de motie gaat het
juist over de nadere invulling van de regeling, het vastleggen van het
budget et cetera. Ik denk dat het oordeel om die reden ontraden
blijft.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 105 houdt de appreciatie: ontraden. De motie op
stuk nr. 113 kreeg: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 115: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 115 krijgt: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 116 krijgt: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 116 krijgt: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 117, ook van de SGP: ontijdig. Die gaat over het
intrekken van het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid. In december
2025 heb ik het advies van de Raad van State ontvangen bij dit
wetsvoorstel. Dat wordt bestudeerd. Het is aan mijn opvolger om daar een
definitieve afweging in te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 117 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even
naar de heer Stoffer. Als ik goed kan liplezen, wordt de motie
aangehouden.
De voorzitter:
Op verzoek van de heer Stoffer stel ik voor zijn motie (36800-VIII, nr.
117) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 118 van de heer Ceder: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 118 krijgt: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
De motie op stuk nr. 121 van mevrouw Beckerman: ontijdig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 121 krijgt de appreciatie: ontijdig.
Staatssecretaris Becking:
Ik vind het een goed idee. Ik ben er al mee bezig. We zijn met de
partijen, VNG, LBVSO, Ouders & Onderwijs en de Sectorraad GO, bezig
met een actieagenda leerlingenvervoer. Ik heb me daar zelf al eerder
voor ingespannen. Met de gemeenten wordt daaraan gewerkt, dus de motie
is in die zin ontijdig. Ik informeer de Kamer graag later dit jaar over
de voortgang van die werkagenda.
Mevrouw Beckerman (SP):
Daarmee is zij juist heel erg tijdig, want de minister werkt er al aan.
Wij vragen eigenlijk precies om datgene waar hij al aan werkt, plus om
daarbij nog verschillende opties voor te leggen. Het is natuurlijk heel
logisch dat de Kamer mag meedenken over welke kant we op gaan. Ik zie
dus niet zo goed waarom deze ontijdig is.
Staatssecretaris Becking:
Ik wilde iets zeggen over … Wat was uw laatste zin? "Als we toevoegen …"
Wat was het? Pardon.
Mevrouw Beckerman (SP):
In de motie staat: "verzoekt de regering om samen met gemeenten een plan
op te stellen". Daarvan zegt de minister: daar ben ik mee bezig. De
staatssecretaris; excuus. Daar hebben wij nog aan toegevoegd: "daarbij
verschillende opties uit te werken, waaronder het stoppen met
aanbesteden". Dat is een nieuw element, iets wat de staatssecretaris nog
niet doet. Maar eigenlijk is het logisch: bespreek met de Kamer ook
opties die nu nog niet kunnen. De rest van het verzoek is: "en de Kamer
voor de zomer van 2026 te rapporteren". Dat was de staatssecretaris al
van plan.
Staatssecretaris Becking:
Dat kan ik best toezeggen. Het is geen probleem om een aantal opties toe
te voegen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Deal.
De voorzitter:
Dit was een deal, maar wat gaat u nu met de motie doen?
Mevrouw Beckerman (SP):
De motie zegt precies hetzelfde. Het staat er al.
De voorzitter:
Ik hoor de staatssecretaris zeggen: ik doe een aantal toezeggingen. Toen
zei u: deal. Nu moet ik gewoon even weten wat we met deze motie doen.
Daarbij kijk ik dan toch maar eerst naar de staatssecretaris.
Staatssecretaris Becking:
Dan geef ik 'm oordeel Kamer, voorzitter.
De voorzitter:
Dan krijgt de motie op stuk nr. 121: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Becking:
Daarmee ben ik aan het einde gekomen, dacht ik.
De voorzitter:
Dan bent u aan het einde gekomen. Ik zie mevrouw Abdi lopen. Gaat uw
gang.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Kort, voorzitter, voor de administratie. Ik zou graag de motie op stuk
nr. 100 willen aanhouden en de motie op stuk nr. 101 trek ik in.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Abdi stel ik voor haar motie (36800-VIII, nr.
100) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Aangezien de motie-Abdi (36800-VIII, nr. 101) is ingetrokken, maakt zij
geen onderwerp van beraadslaging meer uit.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van het kabinet.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik doe nog even wat huishoudelijke mededelingen. Ik weet dat ik van de
vaart ben, maar ik moet toch een aantal huishoudelijke mededelingen
doen. We gaan stemmen over de ingediende moties op 3 maart, vanwege het
debat over de regeringsverklaring. De stemmingen over de amendementen
plus de begroting zijn naar verwachting op 17 maart.
Ik wil heel graag de leden van de Kamer bedanken voor hun inzet en
bijdragen. Ik wil in het bijzonder de beide bewindspersonen danken voor
hun bijdragen en hun inzet. Het is geen taak die je er zomaar bij doet.
Het is allesomvattend. Daar wil ik u voor danken. Ik wens u veel succes
in uw verdere loopbaan. Ik kijk opzij: sluit ik of schors ik? Hiermee
sluit ik de vergadering. Ik wens iedereen een heel fijne avond.
Sluiting
Sluiting 17.47 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden
ontleend. |
|---|