[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag

Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit)

Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)

Nummer: 2026D07197, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-13 10:51, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36876 -5 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit) .

Onderdeel van zaak 2025Z22734:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 876 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (Implementatiewet herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit)

Nr. 5 Verslag

Vastgesteld 13 februari 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.

INHOUDSOPGAVE

ALGEMEEN 1

1. Inleiding
1

2. Adviezen over het wetsvoorstel 3

3. Hoofdlijnen van de richtlijn 3

4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel 3

5. Inhoud van de richtlijn en wijze van implementatie 5

6. Financiële gevolgen en uitvoeringsconsequenties 7

Overig 8

ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (hierna: het wetsvoorstel). Milieucriminaliteit vormt een ernstige bedreiging voor mens, dier en milieu en ondermijnt het vertrouwen in de rechtsstaat wanneer overtredingen onopgemerkt dan wel onbestraft blijven. De leden van de D66-fractie beschouwen de Europese richtlijn dan ook als een belangrijke en noodzakelijke koerswijziging om milieucriminaliteit beter te bestraffen en toe te werken naar een schoon, gezond en veilig Nederland. Tegelijkertijd erkennen zij dat wetgeving alleen onvoldoende is om milieucriminaliteit effectief aan te pakken. Daarbij hebben de aan het woord zijnde leden voornamelijk zorgen over de (te lage) pakkans, het tekortschieten van toezicht en handhaving en praktische belemmeringen bij het bestraffen van milieucriminaliteit. Deze knelpunten zijn al geruime tijd bekend en de aanpak hiervan is voor de aan het woord zijnde leden onvoldoende voortvarend. In dat kader hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden stellen vast dat milieucriminaliteit een van de belangrijkste inkomstenbronnen is voor de georganiseerde misdaad. Als onderdeel van een geïntegreerde aanpak van ondermijnende criminaliteit en het doorbreken van verdienmodellen van criminele netwerken vinden deze leden het van groot belang dat milieucriminaliteit snel en effectief wordt aangepakt. In dat kader spreken zij hun waardering uit voor de herziene richtlijn, die een impuls beoogt te geven aan de bestrijding van milieucriminaliteit. Zij stellen nog enkele vragen over het wetsvoorstel.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hechten zeer groot belang aan de bescherming van het milieu en de leefomgeving. Versterking van de beschermingsmechanismen is broodnodig: deze leden maken zich grote zorgen over de wijze waarop, vaak legaal en met medeweten van overheden, schadelijke stoffen in het milieu worden geloosd. Zij juichen het toe dat wordt ingezet op het aanpakken van lacunes in de bestaande wet- en regelgeving en de handhaving van milieubeschermende regels wordt versterkt. In breder verband vragen deze leden of de voorgestelde strafbaarstellingen ook zien op de situatie waarin milieuschade veroorzaakt wordt door gebrekkig toezicht of langdurige vergunningverlening. Deze leden hebben nog een enkele vraag.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel en danken de regering voor de gegeven toelichting. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende vragen te stellen over de voorgestelde implementatie, de gemaakte keuzes in het wetsvoorstel en de gevolgen daarvan voor de rechtspraktijk en de uitvoering.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hier nog een aantal vragen over.

De leden van de BBB-fractie hebben gelezen dat deze wet de uitvoering in het Nederlandse strafrecht van de herziene Europese richtlijn milieucriminaliteit regelt. Doel van deze richtlijn is om ernstige milieucriminaliteit binnen de Europese Unie (EU) zwaarder en meer uniform aan te pakken. Aanleiding hiervoor is dat milieucriminaliteit de afgelopen jaren sterk is toegenomen, vaak grensoverschrijdend is en grote schade veroorzaakt aan natuur, leefomgeving, volksgezondheid en economie. De kern van de wet is dat het milieu nadrukkelijker als zelfstandig wordt beschermd. Waar het milieustrafrecht voorheen vooral was gericht op gevaar voor mensen, worden strafbepalingen nu uitgebreid naar situaties waarin sprake is van ernstige schade aan bodem, lucht, water, ecosystemen, dieren of planten, ook als er geen direct gevaar voor personen bestaat.

2. Adviezen over het wetsvoorstel


De leden van de VVD-fractie constateren dat in de HUF-toets (Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de reactie van het Openbaar Ministerie (OM) zorgen zijn geuit over de gelijkstelling van ‘grove nalatigheid’ met roekeloosheid. Kan nader worden toegelicht waarom de regering er niet voor kiest om grove nalatigheid in de memorie van toelichting aan te duiden als schuld in de zin van groeve nalatigheid, zoals dat bijvoorbeeld ook bij medische zaken zo is gedaan? Deze leden vragen of de drempel voor aansprakelijkheid in sommige gevallen straks niet te hoog wordt gelegd, in vergelijking met medische zaken.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat onduidelijke begrippen leiden tot hogere bewijslasten en een lagere vervolgingskans, zoals door het OM en uitvoeringsdiensten is gesignaleerd.

3. Hoofdlijnen van de richtlijn

De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de richtlijn expliciet spreekt over milieudelicten met rampzalige gevolgen. Acht de regering de gekozen invulling via strafverzwarende omstandigheden voldoende om dit onderscheid tot uitdrukking te brengen, of is overwogen een afzonderlijke strafrechtelijke kwalificatie op te nemen?

4. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Gelet op de schade aan de gezondheid van mensen, dieren en natuur onderschrijven de leden van de VVD-fractie het belang dat niet alleen bestuursrechtelijk, maar in de ernstigste gevallen ook strafrechtelijk wordt opgetreden tegen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen die zich schuldig maken aan milieudelicten. Deze leden verwelkomen in dat licht ook het wetsvoorstel. Kan de regering toelichten hoe in de praktijk wordt gewaarborgd dat er goede afspraken worden gemaakt tussen betrokken instanties over de keuze om in het ene geval over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving en in een ander geval over te gaan tot strafrechtelijke handhaving? Welke afspraken worden daarover gemaakt tussen betrokken toezichthouders en het OM? Beschouwt de regering de inzet van het strafrecht als ultimum remedium en wordt in de meeste gevallen (eerst) ingezet op bestuursrechtelijke handhaving?

In het verlengde van het voorgaande vragen de leden van de VVD-fractie of de regering kan verduidelijken of naleving van vergunningsvoorwaarden in beginsel bestuursrechtelijk wordt gehandhaafd en daarmee een contra-indicatie vormt voor de inzet van het strafrecht. Is de regering voornemens in overleg met het OM vooral ook de schaarse capaciteit in te zetten voor vervolging van vernietigende schade en/of schade met een ondermijnend karakter?

De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn termen als “aanzienlijke schade aan het milieu”, vernietigende milieuschade en grove nalatigheid introduceert. Is de regering bereid concrete, limitatieve voorbeelden op te nemen van deze begrippen? Komt er een handreiking of richtlijn voor het OM waarin de begrippen in het wetsvoorstel nader met voorbeelden worden uitgewerkt?

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat “aanzienlijke schade” niet automatisch volgt uit elke normoverschrijding, maar alleen bij ernstige, meetbare en substantiële effecten. Hoe verhoudt dit begrip zich tot de bestaande begrippen in de Omgevingswet en zoals die worden uitgelegd in de jurisprudentie, zoals het verbod op activiteiten met aanzienlijk nadelige gevolgen in artikel 1.7a?

Artikel 16 van de richtlijn draagt de lidstaten op te voorzien in preventieve maatregelen om milieucriminaliteit terug te dringen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie horen graag welke preventieve maatregelen tot nu toe zijn ingezet en in hoeverre extra maatregelen te verwachten zijn na implementatie van de onderhavige richtlijn.

Artikel 17 van de richtlijn verplicht lidstaten ertoe om te voorzien in gekwalificeerde medewerkers met voldoende middelen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie horen graag specifieker tot welke acties deze verplichting gaat leiden. Gaat het thans beschikbare aantal voltijdsequivalenten (fte) bijvoorbeeld volstaan, of moet aanmerkelijk méér expertise worden aangesteld? En beschikken de medewerkers over voldoende middelen en zo nee, welke middelen moeten worden toegevoegd? Als deze leden de huidige handhavingssituatie in ogenschouw nemen, dan wordt de indruk gewekt dat er een flink handhavingstekort te vrezen valt. Hoe groot is het verschil tussen de huidige en beoogde capaciteit voor het OM, de politie, de omgevingsdiensten en de bijzondere opsporingsdiensten, en idem voor wat betreft het beschikbare budget?

Artikel 19 van de richtlijn richt zich op het versterken van de internationale samenwerking en coördinatie van de betrokken organisaties bij de preventie en bestrijding van milieudelicten. Tot welke extra activiteiten verplicht deze implementatie, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering borgt dat het onderscheid tussen ernstige milieuschade en uitzonderlijk ernstige (‘rampzalige’) milieuschade ook zichtbaar is in de strafoplegging en rechtspraak.

Hoewel de wet beoogt ernstige milieucriminaliteit effectiever te bestrijden, plaatsen de leden van de BBB-fractie kritische kanttekeningen bij de gekozen uitwerking. In de eerste plaats leidt de erkenning van het milieu als zelfstandig rechtsgoed tot een aanzienlijke verruiming van het strafrechtelijk bereik. Strafbaarheid wordt daarmee losgekoppeld van concrete schade of gevaar voor mensen. Hoewel dit vanuit milieubescherming begrijpelijk is, roept dit vragen op over rechtszekerheid. Begrippen als “aanzienlijke” en “vernietigende” milieuschade zijn per definitie contextafhankelijk en laten veel beoordelingsruimte over aan opsporing en rechterlijke macht. Kan de regering hier een reactie op geven?

Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de wet een nieuwe strafbaarstelling voor het in de handel brengen van producten waarvan het gebruik op grotere schaal leidt tot schadelijke emissies. Deze bepaling richt zich niet op individuele gebruikers, maar op degene die het product op de markt brengt, wanneer het collectieve gebruik leidt tot ernstige milieuschade. Hiermee wordt een leemte gevuld tussen bestaande bepalingen over directe lozingen en productveiligheid. Wanneer is volgens de regering precies sprake van “gebruik op grotere schaal”? En hoe kan een producent of verkoper vooraf beoordelen of het gebruik van zijn product uiteindelijk tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden? Volgens de regering vult deze strafbaarstelling een gat in de bestaande wetgeving. Tot nu toe was het strafrecht vooral gericht op directe lozingen of emissies (bijvoorbeeld een fabriek die illegaal stoffen loost), en productveiligheid (bijvoorbeeld producten die direct gevaarlijk zijn voor de gezondheid). Voor producten die op zichzelf niet direct illegaal zijn, maar waarvan het grootschalige gebruik schadelijke milieueffecten heeft (zoals uitstoot, vervuiling of verspreiding van stoffen), bestond nog geen duidelijke strafrechtelijke basis. Deze nieuwe bepaling is bedoeld om dat gat te dichten. Kan de regering voorbeelden geven van situaties die zij met deze wet strafbaar proberen te stellen? Als bijvoorbeeld een bedrijf plastic flessen produceert die vervolgens door de consument op grote schaal in de natuur belanden, is de producent in dit geval dan strafbaar? Graag een toelichting van de regering.

5. Inhoud van de richtlijn en wijze van implementatie

Op grond van artikel 17 van de Richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat nationale instanties die zich bezighouden met de strafrechtelijke handhaving van milieuovertredingen beschikken over voldoende gekwalificeerde medewerkers en voldoende middelen voor de uitoefening van deze werkzaamheden. In dit kader willen de leden van de D66-fractie ook graag aandacht vragen voor de eerder gesignaleerde knelpunten in de aanpak van milieucriminaliteit door de Algemene Rekenkamer.1 De Algemene Rekenkamer concludeerde in 2021 dat de aanpak van milieucriminaliteit tekortschiet, onder meer doordat bestuurlijke boetes vaak weinig doeltreffend zijn, het stilleggen van bedrijven zelden plaatsvindt en opschaling van bestuursrecht naar strafrecht nauwelijks gebeurt en bedrijven daardoor ondanks structurele overtredingen nauwelijks met het strafrecht in aanraking komen. Kan de regering uiteenzetten in hoeverre de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde knelpunten worden aangepakt? Welke aanvullende maatregelen zijn volgens de regering nog nodig om deze knelpunten verder weg te nemen? En hoe wordt voorkomen dat deze implementatiewet vooral leidt tot hogere strafmaxima op papier, terwijl de eerder gesignaleerde uitvoeringsproblemen met betrekking tot toezicht, handhaving en vervolging blijven bestaan?

Artikel 19 van de richtlijn draagt lidstaten op te komen tot passende regelingen om samenwerking tussen betrokken organisaties te bevorderen, zo lezen de leden van de D66-fractie. In het rapport ‘Handhaven in het duister’ van de Algemene Rekenkamer werd de regering in dit kader gewezen op het feit dat informatie-uitwisseling over milieucriminaliteit sterk achterloopt.2 Dit beeld wordt bevestigd door het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum (WODC) van 11 februari 2026.3 Deze gebrekkige informatie- uitwisseling gaf onder andere aanleiding tot de aangenomen motie-Hagen/Sneller over een gedeeld informatiesysteem voor alle bestuurlijke en strafrechtelijke diensten die zijn betrokken bij opsporing en handhaving rond milieucriminaliteit.4 Op 9 januari 2026 bevestigde een van de leden van het College van de Algemene Rekenkamer de problemen met betrekking tot informatie-uitwisseling nogmaals. Zij zei daarover: “Het gebrek aan informatie maakt dat de toezichthouders, handhavers en de verantwoordelijke bewindslieden in het duister tasten. Zij hebben immers geen zicht op de aard en omvang van overtredingen, op de veelplegers onder de bedrijven, op de effectiviteit van sancties, op tekortkomingen in het toezicht en inconsequenties in de handhaving.”5 Kan de regering aangeven hoe het staat met de dataverzameling en informatie-uitwisseling op elk van deze punten? Welke stappen zijn ondernomen om de informatie-uitwisseling met betrekking tot veelplegers beter te organiseren? Kan de regering een tijdpad, inclusief tussendoelen, delen met de Kamer om deze gesignaleerde knelpunten aan te pakken en de randvoorwaarden op orde te brengen? En kan de regering aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de aangenomen motie-Hagen/Sneller?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de richtlijn uitsluitend een verhoging van het strafmaximum vereist voor dood door schuld bij milieudelicten, terwijl het wetsvoorstel kiest voor een generieke verhoging van artikel 307, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Kan de regering nader toelichten waarom deze bredere strafverhoging noodzakelijk en proportioneel wordt geacht, ook voor niet-milieugerelateerde gevallen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de strafverhoging uit artikel 307, eerste en tweede lid Sr zich verhoudt tot de bestaande strafmaatverhoudingen binnen het Sr, met name tussen dood door schuld zonder roekeloosheid en dood door schuld met roekeloosheid.

Met betrekking tot artikel 3 uit de richtlijn, derde lid; voorgestelde strafverzwarende omstandigheden in onder meer artikelen 161quater, 161quinquies, 173a en 173b Sr. Constateren de leden van de CDA-fractie dat kernbegrippen als langdurige, aanzienlijke en wijdverbreide milieuschade open zijn geformuleerd. Hoe waarborgt de regering dat deze open normen voldoen aan het lex-certa-beginsel en in de praktijk niet leiden tot rechtsonzekerheid of uiteenlopende toepassing?

De leden van de VVD-fractie constateren dat het derde lid van artikel 5 van de richtlijn betrekking heeft op een aantal bijkomende sancties. Dit betreft onder andere de verplichting om milieuschade te herstellen, dan wel schadevergoeding te betalen. Deze leden constateren voorts dat het in de praktijk vaak niet lukt om schade die milieucriminelen aanrichten te verhalen op daders. Deze leden menen dat de implementatie van de richtlijn een uitgelezen kans biedt om een hernieuwde ultieme poging te doen om alle schade aan het milieu te verhalen op veroordeelden, om zo te voorkomen dat gedupeerden met schade blijven zitten en de belastingbetaler opdraait voor bijvoorbeeld opruimkosten. Kan de regering aangeven welke maatregelen aanvullend worden genomen om schadeverhaal bij milieudelicten te verbeteren en waar mogelijk te koppelen aan implementatie van de richtlijn?

6. Financiële gevolgen en uitvoeringsconsequenties

De leden van de VVD-fractie begrijpen dat vanaf 1 februari 2026 opruimkosten van drugsdumpingen voortaan worden vergoed via een decentralisatie-uitkering. Kan de regering toelichten of er via deze nieuwe decentralisatie-uitkering nog inhoudelijke nieuwe of andere eisen worden gesteld aan de aanvragers van deze middelen?

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het WODC-onderzoek over de aanpak van fraude, milieucriminaliteit en witwassen van 10 februari 2026. Kan de regering bij de nota naar aanleiding van het verslag aangeven wanneer een beleidsreactie op dit WODC-rapport beschikbaar is en welke van de aanbevelingen worden uitgevoerd ten aanzien van de aanpak van milieucriminaliteit?

De leden van de VVD-fractie kunnen uit de memorie van toelichting niet afleiden of er een inschatting is gemaakt van de extra administratieve lastendruk van het wetsvoorstel. Kan de regering hier alsnog een inschatting van maken?

De leden van de VVD-fractie kunnen uit de memorie van toelichting niet afleiden of er bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is gekeken naar de capacitaire consequenties van het wetsvoorstel voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Gelet op de code zwart bij DJI, kan de regering aangeven hoeveel extra detentiejaren worden verwacht naar aanleiding van de veroordelingen die zullen volgen nadat het wetsvoorstel in werking treedt? Welke aannames zijn of worden er gedaan bij de aanpassingen van de PMJ-ramingen (Prognosemodel Justitiële Ketens) naar aanleiding van het wetsvoorstel?

De leden van de CDA-fractie constateren dat vrijwel alle ketenpartners wijzen op een verwachte toename van complexe milieustrafzaken. Acht de regering de beschikbare structurele middelen van circa drie miljoen euro toereikend om deze toename ketenbreed op te vangen?

De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat niet alleen de opsporingsdiensten, maar ook het OM en de Rechtspraak voldoende capaciteit hebben om deze wet effectief uit te voeren.

Overig

De pakkans en sanctionering van milieucriminaliteit blijken in de praktijk vaak ontoereikend, waardoor overtredingen voor veel bedrijven een aanvaardbaar of zelfs aantrekkelijk risico vormen, zo zien de leden van de D66-fractie.6 Daardoor hebben bedrijven die zich niet aan de regels houden een oneigenlijk concurrentievoordeel. Daar komt bij dat de boetes voor vervuilers vaak in schril contrast staan met de winst die gemaakt kan worden, met als gevolg een geschatte maatschappelijke schade van 46 miljard euro. Deze leden zouden graag zien dat middels een geloofwaardigere, afschrikwekkendere aanpak van milieucriminaliteit de echte prijs (true price) beter tot uitdrukking wordt gebracht en bonafide ondernemers een gelijker speelveld krijgen en dus op eerlijkere voorwaarden kunnen concurreren.7 De Kamer heeft (mede) daarom verschillende moties aangenomen over de aanpak van milieucriminaliteit, waaronder de motie-Hagen/Sneller8, waarin de regering wordt verzocht expliciet in de Wet op de economische delicten (WED) op te nemen dat sancties op milieudelicten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn, zodat rechters beter in staat worden gesteld straffen op te leggen die in verhouding staan tot de overtreding. Kan de regering uiteenzetten hoe het staat met de uitvoering van de motie-Hagen/Sneller? Waarom is, in het licht van bovenstaande, bij de implementatie van de Europese Richtlijn Milieucriminaliteit er niet voor gekozen om gelijktijdig de WED aan te passen?

De leden van de D66-fractie zijn verheugd met de bepalingen die door de implementatiewet worden doorgevoerd. Tegelijkertijd wijzen deze leden op de grote verscheidenheid aan regels en bepalingen in het milieustrafrecht, die onder andere door de invoering van nieuwe zorgplichten onder de Omgevingswet verder aan complexiteit heeft gewonnen. Door juristen wordt ook wel gesproken over een ‘lappendeken’ of ‘ondoordachte chaos’ aan bepalingen binnen het milieustrafrecht.9 Ook uit onderzoek van het WODC blijkt dat de complexiteit van de wet- en regelgeving rondom milieucriminaliteit effectieve sanctionering in de weg staat.10 Deze leden zijn van mening dat deze onduidelijkheid niet bijdraagt aan de begrijpelijkheid en efficiëntie van de Nederlandse milieuwetgeving. Kan de regering aangeven waarom met deze implementatiewet niet is gekozen voor een bredere herijking van het milieustrafrecht om het rechtsgebied duidelijker af te bakenen? Was tijdsgebrek hiervoor een reden? En ziet de regering aanleiding om in de toekomst wel over te gaan tot een dergelijke herijking?

Met betrekking tot handhaving vragen de leden van de D66-fractie ook aandacht voor het huidige stelsel van vergunningverlening. Een aantal bedrijven heeft op dit moment nog een (achterhaalde) vergunning voor vervuilende activiteiten, vaak afgegeven in een tijd dat de milieuproblematiek nog niet zo groot of bekend was. Het ontbreekt tot op heden aan de instrumenten om dit bij te sturen. De aan het woord zijnde leden zijn van mening dat een aanscherping van het vergunningsstelsel zal leiden tot een aangepaste werkwijze, waarbij de maatschappelijk gemaakte kosten, geschat op 46 miljard euro11, beter worden ingebed in de kostprijs. Kan de regering aangeven welke mogelijkheden zij ziet om bestaande vergunningen opnieuw tegen het licht te kunnen houden? En is de regering bereid een dergelijke werkwijze met de implementatie van de Europese richtlijn door te voeren?

Uit recent onderzoek van het WODC blijkt dat de effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten achterblijft, zo lazen de leden van de D66-fractie.12 De taakstraf, voorwaardelijke straffen, het stilleggen van de onderneming, de ontnemingsmaatregel en het opleggen van herstelverplichtingen worden als effectieve maatregelen beschouwd, maar de onderzoekers wijzen op praktische gebreken in de uitvoering van deze sancties die het effectief straffen van milieucriminaliteit bemoeilijken. Zo is onduidelijk wie de naleving van herstelverplichtingen controleert en ontbreekt soms de expertise over de financiële kant van de schade van milieucriminaliteit, wat het opleggen van de ontnemingsmaatregel bemoeilijkt. Kan de regering aangeven welke maatregelen zij kunnen nemen om deze praktische problemen weg te nemen? Op welke termijn is dit mogelijk?

Uit het WODC-rapport blijkt ook nogmaals dat de pakkans en sanctiekans bij milieucriminaliteit achterblijft, zo stellen de leden van de D66-fractie.13 De pakkans van milieucriminaliteit blijft over het algemeen laag. De oorzaken die worden aangehaald zijn onder andere dat inspecties onvoldoende of enkel in aangekondigde vorm plaatsvinden, opsporingsambtenaren buiten het milieudomein niet alert zijn op mogelijke milieucriminaliteit, zaken of overtreders buiten beeld blijven als gevolg van risicogericht toezicht14, en sprake is van een te grote focus op kortdurende onderzoeken. Wanneer een milieudelict wel in beeld is, is het vervolgens nog maar de vraag of dit leidt tot een sanctie. Ook daar doen zich obstakels voor, bijvoorbeeld doordat sommige toezichthouders terughoudend zijn ten aanzien van de inzet van het strafrecht, doordat er soms sprake lijkt te zijn van bestuurlijke inmenging, en doordat rechters hun straf kunnen matigen wanneer het bestuur een situatie lange tijd heeft laten voortbestaan. Deze leden willen voorkomen dat met de implementatiewet strafverhogingen op papier bestaan, maar in de praktijk weinig verschil wordt gemaakt door een te lage pak- en sanctiekans. Kan de regering op bovenstaande punten reageren en aangeven welke maatregelen zij nemen simultaan bij de invoering van de implementatiewet om de pak- en sanctiekans te verhogen?

De leden van de D66-fractie lezen in het WODC-rapport een aantal aanbevelingen om de opsporing, vervolging en het bestraffen van ernstige milieudelicten te versterken, waaronder het ontwikkelen van richtlijnen rondom de hoogte van de straf in milieustrafzaken en deze af te stemmen op de financiële positie van de verdachte onderneming.15 Ook wordt geadviseerd beter gebruik te maken van verschillende mogelijkheden die de wet biedt, het toezicht op ondernemingen die voor milieucriminaliteit zijn gestraft te verbeteren en nadrukkelijk het milieubelang binnen de handhavingsketen naar voren te brengen. Kan de regering reageren op elk van deze aanbevelingen? Is de regering bereid deze aanbevelingen over te nemen? Zo ja, op welke termijn acht de regering dit mogelijk? Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat milieuschade, waar mogelijk, zoveel mogelijk ongedaan dient te worden gemaakt. De WED biedt de mogelijkheid om een verplichting tot ‘ongedaanmaking’ op te leggen. Deze maatregel maakt het mogelijk de dader te veroordelen op eigen kosten tot ongedaanmaking over te gaan. Deze leden merken echter op dat de veroordeelde op dat moment zelf verantwoordelijk is voor een zorgvuldige en redelijke uitvoering van deze verplichting. Het Nederlandse bestuursrecht kent, middels de bestuursdwang, de mogelijkheid om, als overtreder niet of niet volledig tot herstel overgaat, het herstel of beëindiging van de overtreding door een derde te laten uitvoeren, waarbij de kosten op de overtreder worden verhaald. In hoeverre kent de WED eenzelfde mogelijkheid indien veroordeelde in gebreke blijft in zijn verplichting tot ongedaanmaking? Ziet de regering meerwaarde in het toevoegen van een met de bestuursdwang vergelijkbaar instrument binnen het kader van de WED, zodat herstel zo nodig door of namens de overheid kan worden uitgevoerd op kosten van de veroordeelde? Zo nee, waarom niet?

De leden van de CDA-fractie vragen welke concrete bevoegdheden en doorzettingsmacht de Strategische Milieukamer krijgt bij de coördinatie van de nationale strategie en de EU-rapportageverplichtingen.

De leden van de CDA-fractie vragen tevens waarom is afgezien van een wettelijke evaluatiebepaling, gelet op de ingrijpende wijziging van het milieustrafrecht en de gesignaleerde uitvoeringsrisico’s.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de regering de effectiviteit van deze wet zal monitoren en op welk moment de Kamer wordt geïnformeerd over de eerste ervaringen in de praktijk.

De leden van de BBB-fractie vragen de regering hoe deze wet zich verhoudt tot zeer concrete vormen van milieucriminaliteit in het buitengebied, zoals de vestiging van drugslabs in leegstaande schuren en het dumpen van drugsafval in natuur- en agrarisch gebied. Juist deze criminaliteit leidt tot ernstige en vaak langdurige bodem- en waterverontreiniging, hoge opruimingskosten en onevenredige schade voor agrariërs, grondeigenaren en lokale overheden die zelf geen enkele betrokkenheid hebben bij de gepleegde feiten.

Kan de regering toelichten in hoeverre deze wet bijdraagt aan een effectievere strafrechtelijke aanpak van deze drugsgerelateerde milieucriminaliteit, zo vragen de leden van de BBB-fractie. En op welke wijze wordt geborgd dat niet alleen de strafrechtelijke handhaving wordt versterkt, maar ook dat de daadwerkelijke veroorzakers verantwoordelijk worden gehouden voor de kosten van opruiming en herstel van bodem, water en natuur?

De leden van de BBB-fractie achten het onwenselijk dat de financiële gevolgen van ernstige milieuschade, zoals bij drugsdumpingen, in de praktijk nog te vaak neerkomen bij onschuldige grondeigenaren of bij de gemeenschap als geheel. Kan de regering bevestigen dat bij strafbare feiten onder deze wet de vervuiler betaalt? Al dan niet gedeeltelijk?

De fungerend voorzitter van de commissie,
Ellian

Adjunct-griffier van de commissie,
Meijer


  1. De Algemene Rekenkamer, ‘Handhaven in het duister, de aanpak van milieucriminaliteit en overtredingen deel 2’, 30 juni 2021.↩︎

  2. De Algemene Rekenkamer, ‘Handhaven in het duister, de aanpak van milieucriminaliteit en overtredingen deel 2’, 30 juni 2021.↩︎

  3. WODC, ‘Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten, 11 februari 2026, p.143.↩︎

  4. Kamerstuk 22343, nr. 329.↩︎

  5. Algemene Rekenkamer, ‘Toespraak van Barbara Joziasse op het Nieuwjaarscongres TU Delft op 9 januari 2026’, 9 januari 2026.↩︎

  6. Openbaar Ministerie, ‘Dreigingsbeeld Milieucriminaliteit’, 2021.↩︎

  7. Planbureau voor de Leefomgeving, ‘actualisering monetaire milieuschade’, 19 juni 2025.↩︎

  8. Kamerstuk 22343, nr. 344.↩︎

  9. Zie Faure & Lopik, ‘EU-wet Milieucriminaliteit vraagt om herijking van milieustrafrecht’, 2 september 2024, NJB 2024/1636.↩︎

  10. WODC, ‘Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten, 11 februari 2026, p. 143.↩︎

  11. Planbureau voor de Leefomgeving, ‘actualisering monetaire milieuschade’, 19 juni 2025.↩︎

  12. WODC, ‘Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten, 11 februari 2026.↩︎

  13. WODC, ‘Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten, 11 februari 2026, p. 143.↩︎

  14. Zie hiervoor hoofdstuk 6.2 van het rapport van de Algemene Rekenkamer, ‘Handhaven in het duister’, waarbij is aangetoond dat bedrijven met een hoog risico op overtreding slechts geringe aandacht van toezichthouders krijgen.↩︎

  15. WODC, ‘Effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten, 11 februari 2026, p. 12-13.↩︎