Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28089-346)
Gezondheid en milieu
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D07216, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-13 11:51, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat (VVD)
- Mede ondertekenaar: G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2025Z22591:
- Indiener: A.A. Aartsen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-21 10:15: Procedurevergadering Infrastructuur en Waterstaat (Procedurevergadering), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
- 2026-02-12 12:00: Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28089, nr. 346) |
||
| Nr. | INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG | |
| Vastgesteld op … 2026 | ||
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over zijn brief over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28089, nr. 346). De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2026 aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van ... zijn deze door hem beantwoord. |
||
| Voorzitter van de
commissie, Peter de Groot |
||
| Adjunct-griffier van de
commissie, Koerselman |
||
| I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties | ||
Inhoudsopgave Inleiding D66-fractie VVD-fractie GroenLinks-PvdA-fractie CDA-fractie BBB-fractie Partij voor de Dieren-fractie |
1 2 5 7 10 14 16 |
|
| Inleiding | ||
De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de brief over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden. De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbrief van de staatssecretaris en de bijbehorende stukken. Zij onderschrijven het belang van een evenwichtige balans tussen het economisch benutten van de fysieke leefomgeving en de bescherming daarvan. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken en hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over. De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om nog enkele vragen te stellen aan de staatssecretaris. De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris en hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden de voortgang rondom de Actieagenda Industrie en Omwonenden teleurstellend en constateren dat die niet in lijn is met de adviezen van experts en toezichthouders van de omgevingsdiensten. D66-fractie Voor de leden van de D66-fractie staat één uitgangspunt centraal: gezondheid moet leidend zijn, en het bevoegd gezag moet daadwerkelijk de ruimte hebben om dat juridisch en praktisch waar te maken. De industrie is een essentiële motor voor onze economie en voor de groene transitie. Maar een toekomstbestendige industrie kan alleen bestaan wanneer zij opereert binnen duidelijke gezondheidskundige grenzen en onder een vergunningenstelsel dat uitvoerbaar, handhaafbaar en juridisch robuust is. Het beschermen van omwonenden en werknemers is geen sluitstuk, maar een randvoorwaarde. De leden van de D66-fractie delen de zorgen van diverse maatschappelijke organisaties dat slachtoffers van milieuhinder en -delicten vaak onzichtbaar blijven door een gebrek aan erkenning en complexe juridische processen. Zij vragen de staatssecretaris hoe hij borgt dat het perspectief van omwonenden en werknemers structureel wordt meegewogen bij vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Hoe wordt gewaarborgd dat participatie, informatievoorziening en rechtsbescherming van omwonenden daadwerkelijk worden versterkt binnen het VTH-stelsel, en niet afhankelijk zijn van de mate van assertiviteit of juridische draagkracht van betrokken burgers? De leden van de D66-fractie hebben ten aanzien van de aangekondigde verkenning naar een effectiever systeem van vergunningverlening enkele specifieke vragen. Zij constateren dat bevoegde gezagen momenteel vaak afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van bedrijven bij ambtshalve wijzigingen van vergunningen. Deelt de staatssecretaris de mening dat een heldere informatieplicht voor de vergunninghouder bij elke wijziging, ook bij ambtshalve aanpassingen naar aanleiding van nieuwe beste beschikbare technieken (BBT), essentieel is voor een slagvaardig bevoegd gezag? Wordt in de verkenning onderzocht hoe de actualiseringsplicht zodanig kan worden verduidelijkt of aangescherpt dat informatievoorziening in de praktijk altijd gewaarborgd is? De leden van de D66-fractie vragen daarnaast nadrukkelijk naar de effectiviteit van de periodieke herziening van vergunningen. Biedt de huidige systematiek van actualisatie en ambtshalve wijziging daadwerkelijk voldoende handelingsperspectief om te sturen op milieugebruiksruimte, cumulatie van emissies en nieuwe wetenschappelijke inzichten? Is het huidige instrumentarium toereikend om – ook zonder uitbreiding of wijziging van activiteiten – emissiegrenswaarden aan te scherpen wanneer daar uit gezondheidskundig of milieukundig perspectief aanleiding toe bestaat? Wordt expliciet onderzocht hoe nieuwe wetenschappelijke inzichten, bijvoorbeeld rond cumulatieve blootstelling of zeer zorgwekkende stoffen, sneller en minder procedureel belastend kunnen worden vertaald naar aangepaste vergunningvoorschriften? Deze leden achten het essentieel dat vergunningen geen statische documenten zijn, maar dynamische instrumenten die meebewegen met nieuwe kennis en veranderende inzichten. De leden van de D66-fractie vinden dat een gezonde leefomgeving om een stevige verankering van gezondheid in besluitvorming vraagt. Zij vernemen graag welke specifieke elementen van de gezondheidseffectrapportage (GER) als toegevoegde waarde worden gezien voor de bestaande milieueffectrapportage (MER). Op welke termijn worden deze elementen structureel geïntegreerd in de MER-systematiek? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot onnodige vertraging of verhoging van de regeldruk, terwijl de gezondheidstoetsing inhoudelijk wordt versterkt? Is de staatssecretaris bereid de gezondheidscomponent structureel te verankeren bij alle vergunningsaanvragen waarvoor reeds een MER-plicht geldt? De leden van de D66-fractie merken op dat de rol van de gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) cruciaal is om gezondheid daadwerkelijk leidend te maken. Hoe wordt de GGD stevig verankerd als onafhankelijk adviseur binnen de VTH-structuur en onder de Omgevingswet? Hoe wordt de kennisinfrastructuur en structurele financiering van de GGD versterkt, zodat deze zijn rol als gezondheidskundige duider richting bevoegd gezag én richting omwonenden adequaat kan vervullen? De leden van de D66-fractie steunen het voorstel om BBT-conclusies direct te laten gelden via algemene regels, om zo actualisaties te versnellen en een gelijk speelveld te creëren. Tegelijkertijd constateren zij dat de bandbreedte van emissiegrenswaarden zoals voortvloeit uit de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) in de praktijk tot terughoudendheid kan leiden. Wanneer bevoegde gezagen kiezen voor een grenswaarde aan de onderzijde van de BBT-range – dus een relatief strenge norm – leidt dit regelmatig tot juridische procedures door bedrijven. Deelt de staatssecretaris de analyse dat dit een remmend effect kan hebben op het hanteren van ambitieuze, gezondheidsbeschermende grenswaarden? In hoeverre ziet hij ruimte om bevoegde gezagen juridisch steviger te positioneren bij de keuze voor de onderkant van de BBT-bandbreedte, bijvoorbeeld via landelijke beleidskaders, standaardmotiveringen of verduidelijking van de beoordelingsruimte binnen de RIE? Kan hij aangeven of het huidige juridische kader voldoende waarborgen biedt dat een keuze voor de strengste, passende grenswaarde binnen de BBT-range in beginsel standhoudt bij de bestuursrechter? Deze leden achten het van belang dat het bevoegd gezag niet terughoudend hoeft te zijn uit angst voor langdurige procedures, maar met vertrouwen kan kiezen voor het beschermingsniveau dat binnen de Europese kaders mogelijk is. De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de uitvoerbaarheid van deze ambities in het licht van de capaciteitsproblemen bij omgevingsdiensten. Bij het onderbouwen van strengere grenswaarden wordt momenteel vaak een zeer uitgebreide motivering verlangd, mede uit voorzorg voor juridische procedures. Dit leidt ertoe dat schaarse capaciteit verschuift van toezicht en handhaving naar juridisch defensieve onderbouwing. Acht de staatssecretaris het mogelijk om, binnen de kaders van rechtsbescherming en Europese regelgeving, te komen tot een meer gestandaardiseerde of proportionele motiveringssystematiek? Wordt in de verkenning betrokken of landelijke richtsnoeren, modelvoorschriften of een vorm van bewijsvermoeden bij toepassing van de onderkant van de BBT-range kunnen bijdragen aan vermindering van administratieve lasten voor bevoegde gezagen, zonder afbreuk te doen aan rechtsbescherming? De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de opvolging van ‘actie 8’ uit de agenda, betreffende aanvullende maatregelen voor de industrie. Wat is de actuele stand van zaken? Kan de staatssecretaris bevestigen dat alle mogelijke aanvullende maatregelen – ongeacht het huidige politieke draagvlak – feitelijk worden onderzocht, zodat het maatschappelijke debat kan worden gevoerd op basis van een volledige analyse? VVD-fractie De leden van de VVD-fractie onderschrijven het regeerakkoord, waarin wordt ingezet op versnelling van industriële verduurzaming met behoud van concurrentiekracht, een gelijk Europees speelveld en een stabiel en voorspelbaar langetermijnbeleid als randvoorwaarde voor investeringen. Zij bezien de aangekondigde pilots, maatregelen en verkenningen in dit licht en benadrukken dat een vitale en concurrerende industrie meer kan bijdragen aan een gezonde leefomgeving, mits omwonenden daadwerkelijk gezondheidswinst ervaren, de overheid beschikt over betrouwbare informatie en de industrie duidelijkheid heeft over vergunningenkaders en beleid. De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen. Zij vragen hoe gezondheid in de pilot gericht op het versterken van het GGD-advies concreet en vroegtijdig wordt meegenomen bij het opstellen van omgevingsvisies en -plannen. Wat wordt verstaan onder het vroegtijdig en volwaardig inbrengen van gezondheidsexpertise en hoe ziet het afwegingskader eruit? Wanneer weegt het belang van gezondheid zwaarder dan andere belangen en wanneer niet? Wat mag van omwonenden worden gevraagd te accepteren en waar ligt voor de staatssecretaris de grens? De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van goed, consistent en betrouwbaar meten. Meten kan discussie voorkomen, mits dit zorgvuldig gebeurt. Zij constateren dat momenteel wordt gewerkt met zowel geaccrediteerde meetbedrijven als met eigen metingen. Hoe borgt de staatssecretaris dat er voldoende geaccrediteerde meetcapaciteit in Nederland beschikbaar is? Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat zonder voldoende meetcapaciteit discussie over meetgegevens blijft bestaan door ruimte voor interpretatie en betwisting? De leden van de VVD-fractie hechten aan het belang van het in gesprek blijven tussen omwonenden, overheid en industrie. Zonder structureel overleg bestaat het risico dat partijen zich ingraven in eigen standpunten. Hoe borgt de staatssecretaris dat de industrie zich daadwerkelijk committeert aan de landelijke gesprekstafel en de uitkomsten serieus neemt? Hoe wordt gewaarborgd dat de vertegenwoordiging van de fysieke leefomgeving een representatieve afspiegeling vormt van alle gevoelens die in een gebied leven, inclusief die van de zogenoemde zwijgende meerderheid die bereid is tot op zekere hoogte overlast te accepteren vanwege de economische betekenis van de industrie? De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van de verkenning naar een herbeoordelingsmoment van vergunningen hoe wordt voorkomen dat dit bedrijfseconomisch knellend wordt. In het licht van de implementatie van de herziene RIE, waarbij vergunningverlening plaatsvindt aan de strengste kant van de bandbreedte van de BBT, kan een te vroeg herbeoordelingsmoment investeringsbeslissingen onder druk zetten. Hoe wordt rekening gehouden met de geldigheidsduur van bestaande vergunningen, investeringsafwegingen en afschrijvingstermijnen? Is de staatssecretaris bereid te kiezen voor een gedifferentieerde aanpak per sector en waar nodig per bedrijf, waarin naast gezondheid en leefbaarheid ook haalbaarheid, betaalbaarheid en concurrentievermogen worden meegewogen? De leden van de VVD-fractie constateren dat de staatssecretaris aangeeft dat er beperkte mogelijkheden zijn voor sluitende investeringsprikkels die aantoonbaar gezondheidswinst opleveren, terwijl subsidies dit wel kunnen doen. Is de staatssecretaris bereid hiervoor actief te pleiten in Europese Milieuraadsvergaderingen, met oog voor een gelijk speelveld en het verkleinen van de investeringskloof tussen milieudoelen en beschikbare stimulering? De leden van de VVD-fractie merken tot slot op dat de staatssecretaris zich terecht beperkt tot de in de Kamerbrief aangekondigde maatregelen. Focus is noodzakelijk om effectief te kunnen sturen. Te snelle of te brede maatregelen kunnen de concurrentiekracht en het verdienvermogen van de industrie onder druk zetten, terwijl deze juist essentieel zijn voor de Nederlandse economie en de verduurzamingsopgave. Deze leden achten het van belang dit traject zorgvuldig en in goede afstemming met de vaste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat en de betrokken ministeries voort te zetten. GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het voorgestelde beleid hinkt op twee verschillende en deels tegenstrijdige uitgangspunten. Industriële uitstoot leidt tot milieuvervuiling en gezondheidsschade. Veel schadelijke uitstoot kan worden voorkomen door het dwingend voorschrijven van technische maatregelen, door wettelijke emissie-eisen, strenge vergunningverlening, beter meten en rapporteren en handhaving van regels. Maar de staatssecretaris wil vooral absoluut voorkomen dat de vervuilers last krijgen van de bestaande regels of meer regels. Meer en strengere regels of het effectief handhaven van bestaande regels zou immers kunnen leiden tot hogere kosten voor bedrijven. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris of hij de mening deelt dat kostenbesparingen voor de industrie, door het niet verminderen van gezondheidsschadelijke vervuiling, betekenen dat omwonenden voor die kostenbesparing betalen met hun gezondheid. Dus dat de gezondheid van de ene burger onvrijwillig wordt omgezet in dividend voor de andere. Voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie moet de bescherming van de gezondheid van mens en milieu uitgangspunt zijn voor het beleid. Dat bepaalt de ruimte waarbinnen economische activiteiten kunnen plaatsvinden. Deze leden vinden dat er geen recht op vervuiling mag zijn, als dit ten koste gaat van de gezondheid van mensen. Zeker niet, als die vervuiling en gezondheidsschade vermijdbaar zijn en het product van die vervuiling een geringe maatschappelijke meerwaarde heeft. Beide zouden getoetst moeten worden en onderdeel moeten zijn van het vergunningenproces en de handhaving. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV). Deze leden zien eigenlijk geen goede redenen om de acties uit de actieagenda niet allemaal volledig uit te voeren. Ze dragen allemaal bij aan een gezondere leefomgeving en zijn daarom nodig. Het uitgangspunt van de staatssecretaris dat er geen regels of regelingen bij mogen komen, delen deze leden nadrukkelijk niet. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderscheiden twee uitgangspunten voor een effectief beleid op industriële vervuiling. Ten eerste wordt geen vervuiling vergund die vermijdbaar of overbodig is, of de gezondheid van mens en milieu onevenredig aantast. Dus de schoonste technieken moeten altijd leidend zijn en als ook die niet schoon genoeg zijn, kan de activiteit niet worden vergund. Ten tweede moet de overheid in staat zijn om dit effectief te handhaven. De omgevingsdiensten, de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de GGD en anderen moeten over voldoende mensen, middelen en kennis beschikken en voldoende juridische mogelijkheden hebben om te toetsen en te controleren. Is de staatssecretaris bereid om hiernaartoe te werken, op weg naar ‘zero pollution 2050’? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie concluderen, gezien de reacties in de inspraak en de ontvangen brieven, dat de vervuilers in het algemeen zeer positief zijn over de keuzes, terwijl de slachtoffers van de vervuiling en hun vertegenwoordigers zeer kritisch zijn. Is de staatssecretaris, gezien de reacties, nog steeds van mening dat de uitkomsten van de actieagenda voldoende en in balans zijn? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de nadruk leggen op een aantal acties uit de actieagenda die wat deze leden betreft alsnog moeten worden overgenomen. Deze leden merken op dat actie 3 vraagt om het vastleggen van de BBT in algemene regels. Deze leden zijn van mening dat het onuitlegbaar is dat milieu en gezondheid schade oplopen die vermijdbaar is, doordat bedrijven betere technieken toepassen. De BBT-regels worden nu amper gehandhaafd, lozings- en emissievergunningen zijn soms nog steeds voor eeuwig, of revisie is niet automatisch. Is de staatssecretaris bereid om alle vergunningen voor schadelijke emissies standaard periodiek te laten toetsen inclusief mogelijke betere technieken en deze eveneens automatisch dwingend voor te schrijven? Is de staatssecretaris bereid om dit in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) te regelen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 5 vraagt om betere normen voor de luchtkwaliteit. Luchtvervuiling is één van de grootste factoren van vermijdbare ziekte en sterfte en de grootste factor die mensen niet zelf in de hand hebben. Anderen vervuilen de lucht die wij inademen. De burger heeft hier geen keus. De maatschappelijke schade loopt in de miljarden. Is de staatssecretaris bereid de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit wettelijk te verankeren en juridisch afdwingbaar te maken? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 10 over de controle van industriële emissies gaat. Zij zijn van mening dat we moeten meten om te weten en dat dan veel meer kennis nodig is. Een goed meetnetwerk en lokale metingen bij en rond installaties zijn een belangrijk instrument in de handhaving. Het huidige netwerk is gebrekkig en de controle te zwak. Alle meetresultaten, ook die bij installaties, moeten openbaar zijn. Het is immers de lucht van iedereen en burgers moeten weten wat ze inademen. Is de staatsecretaris bereid om te investeren in meer en betere metingen, metingen aan installaties door onafhankelijke partijen te laten uitvoeren en meetresultaten te publiceren? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 12 vraagt om het meewegen van gezondheid in de Omgevingswet. Er moet een wettelijke methode komen die de cumulatieve effecten van vervuiling op gezondheid weegt en laat meetellen in de vergunningverlening. Met name kleine overheden hebben amper mogelijkheden om hierop te controleren of te sturen. Een GGD-advies bij een omgevingsvisie en een GER in de MER met een verplichte MER bij grote projecten, is van grote waarde. Is de staatssecretaris bereid dit in beleid en regelgeving om te zetten en lokale overheden hierin te ondersteunen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 13 vraagt om een sterkere adviesrol voor de GGD. Gezien de vaak zwakke kennispositie van lagere overheden die vergunningen moeten beoordelen of handhaven, is de kennis over gezondheid van de GGD van groot belang. Is de staatssecretaris bereid om de rol van de GGD bij de beoordeling van gezondheidseffecten en de communicatie hierover, wettelijk te verankeren? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ten slotte benoemen dat geen enkele regel of afspraak effectief is als deze niet kan worden gehandhaafd. Al vele jaren spreken we over de grote gebreken in het VTH-stelsel. Zowel de landelijke als lokale handhavende instanties zijn ondergefinancierd en onderbemensd en beschikken te vaak niet over de juiste kennis of het juridische instrumentarium dat nodig is om de omgeving voldoende en volgens de wet te beschermen. Is de staatssecretaris bereid om hier de komende periode extra middelen voor beschikbaar te stellen? CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben over de nieuwe maatregelen enkele vragen. Deze leden lezen dat de nieuwe maatregelen vooral toezien op het verstevigen van GGD-advies, meten (pilots) en het uitvoeren van twee verkenningen. Welke maatregelen, bevoegdheden of aanscherpingen worden nu al ingezet om de gezondheid te verbeteren, los van de uitkomsten van de pilots? De leden van de CDA-fractie vragen naar de mogelijkheden om de RIE wettelijk te verankeren, zodat bedrijven periodiek inzicht geven in de toepassing van BBT. Kan de staatssecretaris uiteenzetten welke juridische en praktische mogelijkheden hiervoor bestaan en tegen welke belemmeringen wordt aangelopen bij de toetsing op basis van BBT? De leden van de CDA-fractie lezen dat er veel aandacht is voor meten. Deze leden zien zorgen rondom de onafhankelijkheid, capaciteit en betrouwbaarheid van de metingen. Een voorbeeld hiervan is Tata Steel, waar eerder is gewerkt met “Hollandse Luchten”, geluidsmeters van de dorpsraad en een snuffelauto. Welke aanvullende alternatieven ziet de staatssecretaris als kansrijk om meer vertrouwen te krijgen in deze meetresultaten? Tevens vragen deze leden om een reflectie op de kansen om technologische innovaties in te zetten, waaronder het gebruik van drones. De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat gezondheid en economie hand in hand moeten gaan en dat een sterke industrie van belang is voor het verdienvermogen en de strategische autonomie van Nederland. Tegelijkertijd constateren zij dat in de actieagenda verschillende nieuwe maatregelen en verkenningen worden aangekondigd. Deze leden hechten eraan dat bestaande maatwerkafspraken met bedrijven over verduurzaming en emissiereductie leidend blijven en niet tussentijds eenzijdig worden aangepast. Zij vragen hoe de staatssecretaris borgt dat de in de actieagenda aangekondigde pilots en verkenningen niet leiden tot impliciete aanscherpingen van verplichtingen die raken aan reeds gemaakte of lopende maatwerkafspraken. Kan worden toegelicht hoe de samenhang tussen deze actieagenda en lopende maatwerktrajecten wordt bewaakt? De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de gezondheid van omwonenden en de kwaliteit van de leefomgeving structureel worden verbeterd. Zij vragen hoe de staatssecretaris de voortgang op het gebied van emissiereductie, vermindering van hinder en verbetering van luchtkwaliteit concreet en inzichtelijk maakt voor omwonenden. Op welke wijze wordt gemonitord of de in de actieagenda genoemde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan meetbare verbetering van de leefomgeving rond industriële clusters? De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe wordt geborgd dat omwonenden tijdig en transparant worden geïnformeerd over ontwikkelingen die hun leefomgeving raken. Kan worden toegelicht welke instrumenten worden ingezet om het vertrouwen tussen industrie, overheid en omwonenden te versterken, zonder dat dit leidt tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden of stapeling van procedures? De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de staatssecretaris voornemens is uitvoering te geven aan het uitgangspunt dat regelgeving eenvoudiger en voorspelbaarder moet worden. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen dat de actieagenda leidt tot extra lagen van toezicht, aanvullende toetsmomenten of cumulatie van verplichtingen? Hoe wordt bij de verdere uitwerking van pilots en verkenningen getoetst of zij bijdragen aan vereenvoudiging in plaats van complexiteit? De leden van de CDA-fractie hebben over de voorgestelde versteviging van de adviesrol van de GGD enkele vragen. Zij vragen hoe wordt voorkomen dat deze pilot in de praktijk leidt tot extra procedurele stappen of vertraging in ruimtelijke besluitvorming rond industriële activiteiten. Op welke wijze wordt geborgd dat het vroegtijdig betrekken van gezondheidsadvies ondersteunend is aan een integrale afweging, zonder dat dit feitelijk resulteert in een nieuwe, verzwarende toets naast bestaande wettelijke kaders? Hoe verhoudt deze pilot zich tot de bestuurlijke ruimte van gemeenten en provincies om binnen de Omgevingswet eigen afwegingen te maken? De leden van de CDA-fractie hebben over de meetpilot enkele vragen. Zij onderschrijven het belang van betrouwbare en transparante meetgegevens, maar vragen hoe wordt gewaarborgd dat deze pilot niet leidt tot een structurele uitbreiding van meetverplichtingen zonder duidelijke wettelijke grondslag en proportionele afweging. Kan worden toegelicht hoe wordt voorkomen dat bedrijven in de praktijk worden geconfronteerd met aanvullende eisen die verder gaan dan bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkafspraken? Op welke wijze wordt geborgd dat meetresultaten zorgvuldig worden geduid en niet leiden tot bestuurlijke druk tot aanvullende eisen buiten het bestaande kader? De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar een herbeoordelingsmoment voor vergunningen enkele vragen. Zij vragen hoe deze verkenning zich verhoudt tot het uitgangspunt van rechtszekerheid voor bedrijven die binnen de geldende vergunningen opereren. Kan worden toegelicht hoe wordt voorkomen dat een herbeoordelingsmoment in de praktijk leidt tot tussentijdse wijziging van eerder gemaakte afspraken of tot onzekerheid over investeringen? De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar positieve financiële prikkels enkele vragen. Zij vragen hoe deze prikkels zich verhouden tot bestaande subsidieregelingen en maatwerkafspraken over verduurzaming. Kan worden toegelicht op welke wijze wordt voorkomen dat via financiële instrumenten indirect nieuwe verplichtingen ontstaan voor bedrijven die reeds in een maatwerktraject zitten? De leden van de CDA-fractie hebben over de context en vervolgstappen enkele vragen. Zij lezen dat er een eerste verkenning is uitgevoerd naar luchtkwaliteit in het kader van de EU-doelstelling ‘zero pollution 2050’. Deze leden vragen hoe het staat met het Schone Lucht Akkoord (SLA), en dan met name het verplichtende karakter daarvan. Ziet de staatssecretaris al een toegenomen inzet door provincies en gemeenten, waar industriële clusters aanwezig zijn? De leden van de CDA-fractie vragen of de staatssecretaris voornemens is de bevindingen van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), waaronder onderzoeken naar toezicht en handhaving en naar leefomgeving en gezondheid, te betrekken bij het vervolg van deze actieagenda. De leden van de CDA-fractie hebben over de betrokkenheid van stakeholders enkele vragen. Deze leden lezen dat niet alle aangedragen suggesties van betrokken stakeholders zijn overgenomen en dat uit de beslisnota een complex spanningsveld blijkt tussen Rijk en decentrale overheden. Welke inzichten zijn opgedaan als het gaat om afspraken rondom bevoegd gezag, het delen van kennis en andere vormen van samenwerking? Met name als het gaat om een gezonde leefomgeving, waar de bestaande procedures niet altijd tot bescherming leiden. De leden van de CDA-fractie vragen hoe belemmeringen voor lagere overheden worden weggenomen, zoals het ontbreken van concrete gezondheidsnormen en een wettelijke methode voor het beoordelen van cumulatieve gezondheidseffecten, zodat gezondheid daadwerkelijk zwaarder kan meewegen onder de Omgevingswet. De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat omgevingsdiensten over voldoende uitvoeringscapaciteit en deskundigheid beschikken om de in de actieagenda voorgestelde maatregelen zorgvuldig toe te passen. Op welke wijze wordt bewaakt dat nieuwe taken passen binnen bestaande verantwoordelijkheden en prioritering? De leden van de CDA-fractie vragen tot slot hoe de staatssecretaris de samenhang bewaakt tussen de actieagenda en het bredere industrie- en klimaatbeleid. Op welke wijze wordt verzekerd dat aanvullende acties ter bescherming van de gezondheid van omwonenden bijdragen aan draagvlak en vertrouwen? BBB-fractie De leden van de BBB-fractie vragen of de staatssecretaris de analyse deelt dat Nederland in hoog tempo industriële capaciteit verliest, met name in de chemische sector? Zo ja, hoe weegt hij dit risico mee in de uitvoering van de Actieagenda Industrie en Omwonenden? Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat goedbedoelde maatregelen uit de Actieagenda onbedoeld bijdragen aan verdere verplaatsing van industrie naar het buitenland (carbon leakage en banenverlies)? De leden van de BBB-fractie vragen of er een integrale impactanalyse is gemaakt van de Actieagenda op investeringsbeslissingen van industriële bedrijven. Zo nee, waarom niet? De leden van de BBB-fractie vragen of de staatssecretaris de mening deelt dat de industrie essentieel is voor onze banen, ons verdienvermogen en de strategische weerbaarheid van Nederland en Europa? De leden van de BBB-fractie vragen hoe de staatssecretaris borgt dat de Actieagenda niet doorslaat in een eenzijdige focus op risico-uitsluiting, maar dat de license to operate van onze zware industrie en het behoud van een gelijk Europees speelveld altijd als randvoorwaarde blijven gelden bij nieuwe maatregelen? De leden van de BBB-fractie lezen dat in de RIVM-kennisnotitie over Chemelot wordt geëxperimenteerd met de Hazard Index, een methode waarbij risico’s van stoffen die individueel aan de norm voldoen, bij elkaar worden opgeteld. De leden van de BBB-fractie vragen of de staatssecretaris erkent dat dit soort nieuwe, wetenschappelijk nog volop in ontwikkeling zijnde rekenmodellen leiden tot grote onzekerheid bij ondernemers? Deze leden vragen of de staatssecretaris kan bevestigen dat bedrijven die netjes binnen hun huidige vergunning en de wettelijke normen opereren, niet de dupe worden van pilots met dit soort stapelings-berekeningen? De leden van de BBB-fractie lezen dat er een pilot wordt gestart om het advies van de GGD structureel mee te wegen aan de voorkant van de ruimtelijke ordening. Deze leden vragen of de staatssecretaris kan concretiseren welke juridische status het GGD-advies krijgt in de omgevingsplannen en vergunningprocedures? De leden vragen of dit een zwaarwegend of een bindend advies wordt. De leden van de BBB-fractie vragen aan de staatssecretaris hoe wordt voorkomen dat versterking van de GGD-rol leidt tot extra vertragingen in vergunningverlening, terwijl bedrijven juist behoefte hebben aan voorspelbaarheid en snelheid? Deze leden vragen of GGD’en momenteel beschikken over voldoende technische kennis van industriële processen om realistische en uitvoerbare adviezen te geven? De leden van de BBB-fractie lezen dat "veel bedrijven" geconfronteerd zullen worden met aanzienlijk strengere eisen dan zij nu gewend zijn, wat kan leiden tot een sterke toename van maatwerkverzoeken en juridische procedures. Deze leden vragen aan de staatssecretaris hoeveel bestaande Nederlandse installaties in de problemen dreigen te komen door toepassing van de strengste kant van de BBT-bandbreedte? Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel extra investeringen dit naar verwachting vergt van de industrie? Deze leden vragen of er flankerend beleid is voorzien (subsidies, energie-infrastructuur, vergunningversnelling) om deze investeringen überhaupt mogelijk te maken. De leden van de BBB-fractie lezen dat vertegenwoordigers van de industrie (VNO-NCW/VNCI) waarschuwen voor de risico’s van het verdwijnen van de sector uit Nederland. Deze leden stellen dat het verlies van de industriële ruggengraat leidt tot verlies van banen, kennis en regie over duurzame productie, tot een toenemende afhankelijkheid van landen met lagere milieu- en veiligheidsnormen, en tot een bedreiging van de continuïteit van essentiële productie als gevolg van geopolitieke spanningen en stapelende regelgeving. Deze leden vragen hoe deze Actieagenda zich verhoudt tot het bredere Europese doel van strategische autonomie, met name in de chemische sector? Deelt de staatssecretaris de zorg dat Europa – en Nederland in het bijzonder – steeds afhankelijker wordt van China en India voor essentiële chemische producten zoals medicijnen en vitamines? Deze leden vragen aan de staatssecretaris of in de Actieagenda expliciet rekening wordt gehouden met dit geopolitieke risico? Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de staatssecretaris de opvatting deelt dat zonder een sterke industrie ook de middelen ontbreken om te investeren in gezondheid, duurzaamheid en leefomgeving? Zo ja, hoe wordt dit uitgangspunt concreet verankerd in de verdere uitwerking van de Actieagenda? Partij voor de Dieren-fractie De leden van de Partij voor de Dieren-fractie kunnen uit de stukken, waaronder de beslisnota, concluderen dat eigenlijk vooral de industrievertegenwoordigers tevreden zijn, maar medeoverheden, gezondheidsexperts, maatschappelijke organisaties en omwonenden niet. Dat is veelzeggend. Drie jaar nadat het OVV-rapport Industrie en Omwonenden had geconcludeerd dat de overheid omwonenden onvoldoende beschermt tegen de ziekmakende uitstoot van de industrie, zijn er nog steeds geen dwingende maatregelen genomen om omwonenden beter te beschermen. In 2024 heeft de Kamer tijdens het debat over het OVV-rapport in meerderheid al negatief gereageerd op de toen gepresenteerde Actieagenda Industrie en Omwonenden, waarbij partijen van links tot rechts benadrukten dat ze weinig actie zagen, maar vooral veel onderzoeken en doorschuiven. Er is beterschap beloofd, met concrete acties die tot daadwerkelijke verbetering voor omwonenden zouden leiden en bijbehorende deadlines. Maar er is nauwelijks verbetering gekomen. Het kabinet blijft hangen in onderzoeken, verkenningen, processen, gesprekstafels en kleine pilots, zonder concrete resultaten en verbeteringen. Deze leden verwachten samen met gezondheidsexperts, medeoverheden en toezichthouders beter en hebben een aantal vragen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie roepen hierbij ook het nieuwe kabinet op om het tij in dit dossier te keren en, conform het advies van ambtenaren in de beslisnota, meer tegemoet te komen aan de aanbevelingen en opmerkingen van de omgevingsdiensten, medeoverheden, maatschappelijke organisaties, omwonenden en gezondheidsexperts. Graag ontvangen deze leden een reflectie van de staatssecretaris hierop. Proces De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat al in 2021 is toegezegd om te verkennen wat er nog meer kan worden gedaan om de gezondheid van de omwonenden van Tata Steel beter te beschermen. Er zouden eventueel tussendoelen komen. Ook zou er gekeken worden naar nationale stappen, als Europese stappen niet opschieten. Bevoegde gezagen vragen ook al jaren om concrete actie. Eerst kwam er een Actieagenda Industrie en Omwonenden die, zoals hierboven geschetst en bevestigd door de Tweede Kamer in 2024, bol stond van vaagheden en onderzoeken. Wat nu voorligt, is een resultaat van de in 2024 aangenomen motie-Kostić ( (Kamerstuk 28089, nr. 321) om de Actieagenda aan te scherpen en concrete acties toe te voegen. Een half jaar later dan gepland, is dat stuk eind december naar de Kamer gestuurd. Als onder meer deze leden in debatten vroegen om omwonenden te beschermen, werden ze telkens verwezen naar de nog te komen voortgangsbrief over de Actieagenda. Nu de die brief er is, zien deze leden geen echte aanscherping in lijn met adviezen van experts, omgevingsdiensten, medeoverheden en omwonenden. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de staatssecretaris op zoek is naar een balans tussen de verschillende belangen. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat dat nog niet gelukt is, gezien het feit dat ook uit beslisnota blijkt dat vooral de industrievertegenwoordigers tevreden zijn met het beleid, maar maatschappelijke organisaties, medeoverheden, toezichthouders en omwonenden niet? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat onder andere medeoverheden meer verdergaande maatregelen willen, waaronder wijziging van regelgeving. Kan de staatssecretaris toezeggen opnieuw te kijken naar deze scheve balans, en voor het eerstvolgende debat met een brief te komen waarin hij uitlegt hoe hij medeoverheden, maatschappelijke organisaties en burgers meer tegemoet komt, zoals optie 4 uit de ambtelijke beslisnota adviseert? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de staatssecretaris in de brief doet alsof de maatregelen die hij neemt in lijn zijn met adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. Terwijl de ambtelijke nota duidelijk stelt: “De maatregelen die de Expertgroep adviseert gaan wel veel verder dan wat in de brief wordt voorgesteld.” Erkent de staatssecretaris dat hij een onjuist beeld richting de Kamer heeft geschetst over hoe de Expertgroep over zijn beleid oordeelt? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat juridisch afdwingbare maatregelen die aantoonbaar leiden tot reductie van gezondheidsrisico’s en risico's voor de leefomgeving van mensen ontbreken. Dat beeld wordt nadrukkelijk ook door Omgevingsdienst NL geschetst, die in zijn kritische notitie stelt dat zonder aanpassing van wet- en regelgeving en zonder duidelijk normatief kader de bescherming van omwonenden onvoldoende kan worden gerealiseerd. Kan de staatssecretaris hierop uitgebreid reflecteren? Is de staatssecretaris bereid om Omgevingsdienst NL in al zijn punten tegemoet te komen en, zo ja, op welke wijze? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de toezichthouders aangeven dat zij binnen hun huidige mandaat handelen, maar onvoldoende instrumenten hebben om daadwerkelijk in te grijpen, wanneer gezondheid onder druk staat. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat ook de systeemkritiek van de OVV wordt bevestigd: verantwoordelijkheden zijn verdeeld, maar niet gedragen. Er mist een eindverantwoordelijke voor de bescherming van omwonenden van vervuilende industrie. Kan de staatssecretaris toelichten wie bestuurlijk eindverantwoordelijk is voor de feitelijke gezondheidsuitkomst voor omwonenden van industriële clusters? Wie is aanspreekbaar, indien blijkt dat de gezondheidssituatie niet aantoonbaar is verbeterd? Hoe reageert de staatssecretaris op de constatering van Omgevingsdienst NL dat het huidige wettelijke instrumentarium onvoldoende handelingsruimte biedt om gezondheidsrisico’s effectief te beperken? Op welke adviezen van experts en wetenschappers baseert de staatssecretaris zich dan (graag meesturen)? Of is de afweging politiek geweest? Waarom kiest de staatssecretaris er niet voor om normatieve uitkomstverantwoordelijkheid institutioneel te borgen, bijvoorbeeld via een onafhankelijke autoriteit, zoals ook door omwonenden is bepleit? Is deze optie wel verkend? Zo nee, waarom niet? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de staatssecretaris inzet op nog meer gesprekstafels met omwonenden, overheid en industrie. Terwijl we weten dat omwonenden helemaal niet tevreden zijn met zulke gesprekstafels afgelopen jaren. Omwonenden van bedrijven als Schiphol en Tata Steel krijgen keer op keer te maken met bedrijven die de gesprekstafels vooral gebruiken voor hun pr, maar ondertussen zich onbetrouwbaar gedragen en zich niet eens aan de wet houden. Toch zet het kabinet dit soort tafels voort alsof ze oplossingen bieden en gaat dan pas weer over twee jaar evalueren. Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat de meeste omwonenden niet zien dat zulke gesprekstafels verbeteringen opleveren voor hun leefomgeving? Is de staatssecretaris zich ervan bewust dat grote bedrijven zulke tafels zonder concrete resultaatverplichtingen kunnen gebruiken voor hun pr, om hun beleid te groenwassen en om echte verbeteringen in het verlagen van schadelijke emissies uit te stellen? Aan welke gesprekstafels was de meerderheid van omwonenden tot nu toe tevreden over de resultaten en welke resultaten waren dat dan? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het tekenend is dat de brief over de uitvoering van de Actieagenda Industrie en Omwonenden begint met het belang van de industrie, die “essentieel” wordt genoemd. De ambtelijke beslisnota bij de brief van de staatssecretaris laat zien dat achteraf nog veel formuleringen zijn aangepast om de economische belangen van industrie maar goed te blijven borgen. Er staat: “We hebben door de hele brief heen meer aandacht voor concurrentievermogen en verdienvermogen van de industrie.” Terwijl de aanleiding voor het opstellen van de Actieagenda juist de conclusie van de onafhankelijke OVV was, dat de belangen van burgers onvoldoende worden beschermd ten opzichte van de belangen van de industrie. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de staatssecretaris of hij begrijpt dat het pijnlijk en ongepast is – zeker voor omwonenden - dat hij dan toch extra de belangen van de industrie gaat benadrukken in een stuk dat gericht is op het herstellen van de balans voor omwonenden. Kan de staatssecretaris hierop reflecteren? Waarom zijn de belangen van de industrie extra benadrukt, in een stuk dat bedoeld is om in lijn met het OVV-rapport juist meer nadruk te leggen op de belangen van omwonenden? Is dit een politieke keuze geweest? Kan de staatssecretaris hierop terugkomen en een nieuw stuk sturen waarin meer tegemoet wordt gekomen aan de kern van het OVV-rapport en de bezwaren van de omgevingsdiensten, gezondheidsexperts en maatschappelijke organisaties? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de overheid volgens de OVV tekortschiet in de waarborging van de gezondheid en de gezonde leefomgeving van omwonenden van industrie. Niemand neemt de eindverantwoordelijkheid. Waarom kiest de staatssecretaris er expliciet voor geen onafhankelijke autoriteit in te richten die normatief kan ingrijpen, wanneer de gezondheid van omwonenden geschaad wordt, ondanks herhaalde signalen van de OVV en burgers dat gedeelde verantwoordelijkheid niet tot bescherming leidt? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het voorzorgsbeginsel onvoldoende wordt meegenomen, ondanks aangenomen moties van de Kamer en het OVV-rapport. Het blijft ook een vaag begrip. Dit is een politieke keuze. Deze leden vragen aan de staatssecretaris of vanuit experts voorbeelden bekend zijn in andere landen waar ze het voorzorgsbeginsel sterker invullen dan in Nederland. Zijn er voorbeelden van landen waar ze het concreter maken, zodat omgevingsdiensten er makkelijker mee uit de voeten kunnen? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de nieuwe stappen volgens de staatssecretaris maatregelen bevatten die mogelijk gaan bijdragen aan de verbetering van processen rond vergunningverlening, toezicht, handhaving, monitoring en advisering. Kan de staatssecretaris elk kwartaal een update geven over welke concrete stappen genomen worden, hoe de voortgang is en welke concrete resultaten het oplevert voor de daadwerkelijke bescherming van omwonenden en hun leefomgeving tegen schadelijke uitstoot van de industrie? Uitstel zonder resultaat De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het hele proces van betere bescherming van omwonenden resulteert in uitstel op uitstel. Hierna volgen wat voorbeelden. In 2024 is aan deze leden toegezegd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden bepaald. In april 2025 kregen deze leden te horen dat het in plaats van medio 2025 eind 2025 zou worden, en nu is het uitgesteld naar “de loop van 2026”, omdat de onderzoeken nog niet zijn afgerond. Kan de staatssecretaris verklaren hoe het kan dat dit relatief kleine onderzoek zo veel langer duurt, en met een concrete datum naar de Kamer komen wanneer het definitief gereed is? Komt het onderzoek ook echt met een onderzoeksmethode om de zorgkosten in de toekomst altijd goed en eenvoudig te bepalen of is dit onderzoek slechts een verkenning, waarna een volgend onderzoek de onderzoeksmethode moet vaststellen? En kan alvast gedeeld worden wat er tot nu toe is gedaan in het onderzoek en welke conclusies daaruit kunnen worden getrokken? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hadden afgelopen maart een aangenomen motie om zo snel mogelijk alle passende en preventieve maatregelen te nemen om de uitstoot van schadelijke stoffen door grote vervuilers te minimaliseren en de gezondheid van omwonenden en medewerkers te beschermen (Kamerstuk 28089, nr. 294). Deze motie zou zijn afgedaan met de voortgang Actieagenda Industrie en Omwonenden, die we nu bespreken. Kan de staatssecretaris aanwijzen welke preventiemaatregelen uit het stuk dat voorligt ervoor zorgen dat de gezondheid van omwonenden en medewerkers beter beschermd wordt en welke gezondheidsrisico’s zijn afgenomen dankzij extra stappen vanuit de Actieagenda? De staatssecretaris gaf aan trots te zijn dat gezondheidseffecten volwaardig meegewogen gaan worden. Kan hij een voorbeeld geven waar dit nu gebeurt en wat dit specifiek heeft betekend? En kan het kabinet verklaren waarom bij de Joint Letter of Intent (JLOI) met Tata Steel toch duidelijk blijkt dat gezondheidseffecten middels de GER toch zeker niet volwaardig worden meegewogen? Erkent het kabinet dat de Expertgroep Gezondheid IJmond de JLOI onvoldoende vindt om de gezondheid van omwonenden te borgen? Zo nee, kan het kabinet daarvan een schriftelijke bevestiging van de Expertgroep naar de Kamer sturen? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat is toegezegd dat als er voor eind 2025 onderzoeksresultaten zijn die laten zien dat er al eerder actie ondernomen kan worden, zonder dat dit de integrale afweging belemmert, dan hiermee aan de slag wordt gegaan. Wat is met de uitvoering van deze toezegging gebeurd? Hoe kan het dat er geen enkel onderzoekresultaat was waar eerder actie op kon worden genomen dan eind 2025? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zouden volgens toezeggingen in deze voortgang van de Actieagenda Industrie en Omwonenden horen hoe cumulatieve effecten kunnen worden meegenomen in beleid en regelgeving. In de brief wordt het echter weer doorgeschoven naar begin 2026, en we hebben nog steeds niets gehoord. Wanneer komt deze informatie echt? En komt er een wettelijk kader over hoe omgegaan moet worden met cumulatie? Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat niet uitgesloten kan worden dat cumulatieve effecten tot onwenselijke gezondheidsrisico’s en schade leiden en dat daarom uit voorzorg hiermee al rekening moet worden gehouden in de uitvoering en wet- en regelgeving, voordat er definitief uitsluitsel is vanuit wetenschappelijk onderzoek? Is er een “noodrem” mogelijk waarmee emissies kunnen worden beperkt, wanneer cumulatie tot gezondheidsrisico’s leidt, ook als individuele normen niet worden overschreden? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het er in de brief van staatssecretaris op lijkt dat de Kamer weer tot eind 2026 moet wachten om alleen al over de stand van zaken rondom de pilots, gesprekstafel en verkenningen te horen. Deze leden vragen de staatssecretaris: kan dit versneld worden? En wanneer worden de pilots en verkenningen precies afgerond? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat Omgevingsdienst NL expliciet onder andere pleit voor: 1. wettelijke verankering van de RIE met duidelijke actualisatieverplichtingen, 2. expliciete verplichting tot periodieke herziening van vergunningen, 3. versterking van juridische grondslagen voor ingrijpen bij gezondheidsrisico’s en 4. duidelijkere normstelling. Deze leden vragen wanneer de RIE expliciet en dwingend wordt verankerd in nationale wetgeving, inclusief een vierjaarlijkse actualisatieplicht. Welke extra ruimte geeft de EU aan lidstaten om de gezondheid en leefomgeving van mensen beter te beschermen en op welke manier gaat de staatssecretaris daar gebruik van maken? Wanneer wordt wettelijk vastgelegd dat vergunningen verplicht periodiek worden herzien op basis van nieuwste BBT-conclusies én gezondheidsinzichten? Per wanneer worden vergunningen verplicht integraal herzien op basis van de nieuwste gezondheidsinzichten en waar wordt dat geregeld? Waarom ligt de bewijslast nog steeds niet expliciet bij bedrijven om aan te tonen dat zij maximale gezondheidsbescherming realiseren en wanneer wil de staatssecretaris dit bewerkstelligen? Waarom wordt het SLA niet juridisch bindend gemaakt voor vergunningverlening? PFAS De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat bijna alle Nederlanders volgens het RIVM meer dan de gezondheidskundige grenswaarde aan PFAS in hun bloed hebben. Desondanks komt er dagelijks extra PFAS in onze leefomgeving en worden nieuwe, grote vergunningen verleend om extra PFAS te kunnen lozen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in juni 2025 unaniem een motie aangenomen die vraagt om een nationaal PFAS-verbod op productie en producten. Gemeenten staan voor de gezondheid van hun inwoners en doen daarom met klem een beroep op provincies en het Rijk. Op welke wijze gaat de staatssecretaris opvolging geven aan de VNG-motie van juni? Waarom worden nieuwe vergunningen verleend voor PFAS-gerelateerde stoffen, terwijl gezondheidsrisico’s structureel aanwezig zijn? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog vragen specifiek over Chemours. Er wordt gesteld dat er weinig tot geen juridische mogelijkheden zijn om Chemours deels of gedeeltelijk stil te leggen, omdat moet worden onderzocht of kan worden volstaan met een aanpassing van de vergunningsvoorschriften. Kunnen vergunningsvoorschriften op het moment strenger worden gesteld dan de BBT, als dit nodig is om de gezondheid van omwonenden beter te beschermen, of is dit ook juridisch lastig? Welke mogelijkheden zijn er om de vergunningsvoorschriften zo in te richten dat er geen PFAS meer in de omgeving terechtkomt? Er wordt gesteld dat er met Chemours wordt gesproken over een intentieverklaring om PFAS-emissies te verminderen. Is het kabinet het met deze leden eens dat dit niet strookt met de aangenomen motie-Van Esch c.s. ‘nul uit de pijp’ (Kamerstuk 27625, nr. 644) en nul garanties geeft voor de omwonenden? Deze leden vinden het zorgwekkend dat er over vrijblijvende intentieverklaringen wordt gesproken, terwijl het - sinds eind 2024 ook officieel - over zeer zorgwekkende stoffen gaat. En hoe staat het met de verdere uitwerking van het gedeeltelijke PFAS-lozingsverbod? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog een laatste vraag over PFAS-lozingen: op welke juridische gronden zou het kabinet de PFAS-lozing van CFS Weert kunnen tegenhouden, als de Kamer dat zou wensen? Staalslakken De leden van de Partij voor de Dieren-fractie concluderen daarnaast dat staalslakken nog steeds worden ingezet in projecten in Nederland. Steeds meer gemeentes besluiten ze niet meer te gebruiken en zelfs plekken met staalslakken te saneren, zodat inwoners er niet meer aan blootgesteld worden. Uit onderzoek van de ILT blijkt dat er milieuschade is opgetreden bij negen van de tien onderzochte locaties waar staalslak is ingezet. De staatssecretaris zou, zoals ook gevraagd door de Kamer, een totaalverbod invoeren, totdat was aangetoond dat het gebruik veilig is en niet schadelijk voor het milieu, maar is uiteindelijk toch voor een gedeeltelijk verbod gegaan van een jaar. Zijn er nog gedachten over wat er gebeurt, nadat we een jaar een tijdelijk staalslakken verbod hebben? Welke mogelijkheden zijn er concreet om het om te zetten in een permanent verbod? En zijn er nog nieuwe onderzoeksresultaten die nog niet met de Kamer zijn gedeeld? Hoe staat het met de Taskforce staalslakken? Wie zitten daar precies aan tafel? Hoeveel overleggen zijn er al precies met wie geweest en wat is daar tot nu toe concreet uitgekomen? Wat staat er komend half jaar concreet op de agenda van de taskforce? Gaat het om alleen overleggen of worden er ook onderzoeken uitgezet? Is de staatssecretaris bereid om Rijkswaterstaat de opdracht te geven om in alle projecten, zeker bij waterwerken, geen staalslakken meer te gebruiken (in lijn ook met hoe daaraan tegemoet is gekomen in Zeeland)? Metingen De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat afgelopen september aan hen is toegezegd dat in deze voortgangsbrief de Kamer geïnformeerd zou worden over de mogelijkheden om onafhankelijk te meten bij Tata Steel. Deze leden lezen hier in de Actieagenda echter niets concreets over. Het gaat enkel over pilots om onafhankelijk te gaan meten, maar het is niet duidelijk of dit bij Tata Steel gaat zijn. Waar gaan de pilots plaatsvinden? En gaat een van die locaties Tata Steel zijn? Zo nee, waarom niet? En wanneer zullen de pilots precies van start gaan? Het project dat nu dankzij omwonenden bezig is van Hollandse luchten om fijnstof te meten op het terrein van Tata Steel is geen alternatief voor de onafhankelijke metingen aan de pijp. Op de website van Tata Steel is ook al te lezen dat de sensoren “niet geschikt zijn voor nauwkeurige fijnstofmetingen of vergelijkingen met wettelijke normen of de gezondheidskundige advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)”. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de staatssecretaris of hij een concreet en duidelijk stappenplan, met deadlines, kan geven over hoe we gaan komen tot echte transparantie over emissies bij de vervuilende industrie en zij vragen hem om er hiermee voor te zorgen dat de bevoegde gezagen overal onafhankelijk kunnen meten en niet meer afhankelijk zijn van de resultaten die de industrie zelf met ze deelt. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in de factsheets over verbetering van meetnetten, snellere toegang tot data en betere informatievoorziening voor burgers. Daar zijn ook duidelijke aanbevelingen over van de Expertgroep Gezondheid IJmond en er ligt een heldere aangenomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 28089, nr. 302) hierover, die het kabinet niet goed uitvoert. Toch blijft het kabinet inzetten op pilots. Waarom wordt geen landelijke verplichting ingevoerd voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen, waarbij burgers en overheden veel meer direct en zoveel mogelijk real-time inzage hebben in de uitstoot? Waarom blijven bevoegde gezagen afhankelijk van bedrijfsrapportages en het wachten daarop? Wanneer wordt real-time openbaarmaking van emissiegegevens verplicht? Monetaire milieuschade De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent dat de veroorzaakte milieuschade circa 47 miljard euro per jaar bedraagt. Hoe verhoudt het toestaan van structurele externe milieuschade zich tot het uitgangspunt dat kosten niet mogen worden doorgeschoven naar volgende generaties? Kan worden toegezegd dat voortaan bij elke begroting expliciet wordt gerapporteerd hoe milieuschadekosten zijn betrokken bij beleidskeuzes? Factsheet De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er na jarenlang onderzoeken wel een lijst ligt van concrete maatregelen, samengevat in een factsheet die de staatssecretaris naar de Kamer heeft gestuurd. Maar veel effectieve maatregelen worden niet opgepakt. Kan de staatssecretaris per factsheet-maatregel aangeven of deze is overgenomen, gedeeltelijk overgenomen of niet overgenomen? Kan per niet-overgenomen maatregel worden gemotiveerd waarom deze is afgewezen en hoe dat rijmt met de kennis en adviezen van experts? Is bij die afweging het concurrentievermogen van de industrie zwaarder gewogen dan gezondheidsbescherming? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn positief over de concrete maatregelen, zoals het uitwerken van een belasting op vervuilende uitstoot, het vergroten van transparantie omtrent metingen en het verplichten van een integrale herbeoordeling van vergunningen na een bepaalde termijn. Welke maatregelen uit de factsheet die nog niet zijn opgepakt door het kabinet, worden in de nieuwe periode wel opgepakt? Welke acties uit de factsheet hebben volgens gezondheidsexperts de meest positieve effecten voor de omwonenden en is de staatssecretaris bereid die over te nemen? Waarom zijn specifiek het onderzoek over belasting op vervuilende uitstoot en de verkenning transitiepad naar ‘zero pollution 2050’ alleen als optie uitgewerkt, maar is het onderzoek nog niet uitgevoerd? Als dit wel was gebeurd, kon het volgende kabinet sneller aan de slag gaan. Is de staatssecretaris bereid om dit jaar nog deze twee voorstellen om te zetten in concrete acties? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie missen in de Actieagenda acties die de positie van omwonenden echt zouden versterken. De OVV stelt dat de gezonde leefomgeving leidend moet zijn en bedrijven vergund krijgen op basis van wat de leefomgeving aankan. Dit gebeurt nu niet, terwijl de Omgevingswet hier wel handvatten voor biedt. Donderdag 12 februari jl. is er ook een rapport van WODC over milieucriminaliteit naar buiten gekomen dat concludeert dat de juridische mogelijkheden er wel zijn om giftige uitstoot en lozingen te bestraffen, maar dat de handhaving tekortschiet. Er is een capaciteitstekort bij handhaving, trage procedures en versnipperd toezicht. Ziet de staatssecretaris ook dat de Omgevingswet meer mogelijkheden biedt om handhavend op te treden? Zo ja, waarom zet hij er niet op in om omgevingsdiensten de Omgevingswet zo in te laten zetten om de omgeving beter te kunnen beschermen? En is hij bereid een factsheet op te stellen waarin staat hoe de omgevingsdiensten de Omgevingswet zo in kunnen zetten dat het voorzorgprincipe en gezondheid leidend zijn en cumulatie van stoffen beter wordt meegenomen? En hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat er extra capaciteit komt voor de omgevingsdiensten, zodat ze echt kunnen gaan handhaven? Bij Tata Steel hebben de provincie en de omgevingsdienst expliciet in het beleid besloten om “scherper aan de wind” te zeilen als het gaat om toezicht, handhaving en vergunningverlening bij Tata Steel, om mensen, dieren en hun leefomgeving te kunnen beschermen. Is de staatssecretaris het met deze leden eens dat dit een goede zet is en dat dit aangemoedigd zou moeten worden in andere provincies waar vergelijkbare problemen met vervuilende bedrijven spelen? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat er geen eerlijk speelveld is tussen de bevoegde gezagen en de industrie. De industrie heeft heel veel capaciteit en kennis over haar emissies en de bevoegde gezagen staan op achterstand en zijn afhankelijk van de (levering) van data vanuit de industrie. Daarom staan de bevoegde gezagen altijd 1-0 achter. Daadkrachtige acties zijn nodig van de overheid om deze balans te verbeteren en de overheid meer in control te laten zijn. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen wanneer het wetsvoorstel Versterking toezicht en handhaving wordt ingediend en hoe dat proces verloopt. Wat zijn de maatschappelijke kosten van het gebrekkig functioneren van het huidige VTH-stelsel? Welke extra bevoegdheden krijgen omgevingsdiensten concreet? Hoeveel extra inspecties per jaar worden gerealiseerd? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hopen dat het volgende kabinet echt durft door te pakken en minstens alle voorstellen in de factsheet uitvoert en een onafhankelijke autoriteit in gaat richten die normatief kan ingrijpen wanneer de gezondheid van omwonenden geschaad wordt. Zonder die concretisering blijft de Actieagenda een doorschuifagenda. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de staatssecretaris of hij kan toezeggen dat de Actieagenda Industrie en Omwonenden binnen een jaar echt tot merkbare resultaten zal leiden voor de gezondheid van mensen en hun leefomgeving en niet enkel andere procedures, uitleg en meer en meer rapporten en meer gesprekstafels. Hoe gaat de staatssecretaris de resultaten onafhankelijk toetsen? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen tot slot wanneer het beleid gaat verschuiven van procesverbetering naar normatieve en juridisch afdwingbare bescherming van omwonenden. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzoeken de staatssecretaris bij de beantwoording van bovenstaande vragen steeds, waar mogelijk, concreet te maken: wat de deadlines zijn, welke norm verandert, per wanneer, hoe naleving wordt afgedwongen, welke gezondheidswinst wordt verwacht, en wie verantwoordelijk is, als deze uitblijft. |
||
| II Reactie van de bewindspersoon | ||