[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Wijziging verordening biologische productie en etikettering

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Brief regering

Nummer: 2026D07310, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-20 11:37, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4276 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel van zaak 2026Z03293:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Fiche 9: Wijziging verordening biologische productie en etikettering

  1. Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Verordening (EU) 2018/848 wat betreft bepaalde productie-, etiketterings- en certificeringsvoorschriften en bepaalde voorschriften voor de handel met derde landen

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

16 december 2025

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2025) 780

  1. EUR-Lex

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52025PC0780

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

Niet opgesteld

  1. Behandelingstraject Raad

Landbouw- en Visserijraad

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

  1. Rechtsbasis

Artikel 43, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid

  1. Rol Europees Parlement

Medebeslissing

  1. Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

Op 16 december 2025 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd tot gerichte aanpassing van regels in de biologische verordening (verordening 2018/848). Met dit voorstel geeft de Commissie invulling aan [1] de opvolging van een uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (hierna: Hof) inzake het gebruik van het Europese biologische productie logo (hierna: EU-biologo) op equivalente biologische producten uit derde landen, [2] het verlengen van de periode om tot equivalentie overeenkomsten te komen en [3] een aantal versimpelingsvoorstellen. Met het aanpassen van de verordening wil de Commissie zowel een solide als gebruiksvriendelijke wettelijke basis bieden voor een groeiende biologische sector.

In oktober 2024 concludeerde het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest Herbaria C-240/23) dat het EU-biologo niet mag worden gebruikt op producten die equivalent zijn aan de regels van de biologische verordening, maar alleen gebruikt mag worden op producten die volledig aan de regels van de EU voldoen. Dit is volgens het Hof noodzakelijk zodat consumenten een geïnformeerde keuze kunnen maken tussen biologische producten die conform EU-regels zijn geproduceerd en producten die in derde landen zijn geproduceerd volgens equivalente regels. Dit acht het Hof tevens van belang in het kader van het concurrentievermogen van EU-ondernemers.

Om te voldoen aan de Hofuitspraak stelt de Commissie voor om additionele eisen te stellen aan biologische producten die geïmporteerd worden uit derde landen met equivalente biologische productie- en controlesystemen, wanneer zij niet volledig aan de EU-regels in de biologische verordening voldoen maar toch het EU-biologo willen vermelden op het etiket van het biologische product. Op dit moment wordt het EU-biologo gebruikt op producten die in de EU zijn geproduceerd conform de biologische verordening, op producten uit derde landen waarvan het controlesysteem voldoet aan de biologische verordening en op producten uit derde landen met equivalente biologische productie- en controlesystemen. Het gebruik van het EU-biologo op producten is in de toekomst dus alleen nog toegestaan wanneer volledig aan EU-eisen wordt voldaan. De Commissie heeft hiertoe in haar voorstel een nieuwe bijlage (Annex 7) opgenomen met additionele eisen waaraan equivalente producten moeten voldoen om het EU-biologo te mogen dragen. De eisen betreffen een verbod op substraatteelt, een verbod op het aanbinden of isoleren van dieren, een verbod op het gebruik van enig elektrisch of ander pijnlijk dwangmiddel bij in- en uitladen van dieren, een verbod op het gebruik van allopathische kalmeringsmiddelen bij vervoer van dieren en tenslotte een aanpassing van voorwaarden op het gebruik van mineralen, vitamines, aminozuren en micronutriënten bij levensmiddelenverwerking.

Het tweede onderdeel van het Commissievoorstel betreft het verlengen van de erkenning van derde landen waarvan de biologische productie- en controlesystemen als equivalent aan die van de EU zijn aangemerkt. Deze erkenning verloopt op 31 december 2026 en wordt in het voorstel verlengd tot 31 december 2036. In 2021 startte de Commissie met onderhandelingen met deze landen, om tot equivalentie overeenkomsten over biologische producten te komen. De fases van de technische onderhandelingen met deze derde landen verschillen in voortgang vanwege een diversiteit aan wettelijke kaders en de complexiteit van verschillende biologische productiesystemen. De Commissie geeft aan hier meer tijd voor nodig te hebben en doet daarom dit voorstel.

Tenslotte stelt de Commissie enkele gerichte aanpassingen voor om een aantal biologische productieregels te versimpelen. Daarbij geeft de Commissie aan dat het administratieve en financiële lasten wil verminderen en uitzonderingsposities voor kleinere bedrijven en boeren wil herijken.

De Commissie komt met een aantal concrete wijzigingsvoorstellen van de verordening. Zo stelt de Commissie voor om geen aanvullende eisen uit te werken voor het gebruik van producten en stoffen voor het reinigen en desinfecteren bij verwerking en opslag. Het voorstel betreft het schrappen van het artikel dat de mogelijkheid biedt voor aanvullende biologische regels op de regels uit horizontale wetgeving. Tevens stelt de Commissie voor om kleinere ondernemers, die onverpakte biologische producten anders dan diervoeder verkopen, uit te zonderen van de verplichting van het hebben van een bio-certificaat. Dit doet de Commissie door in het voorstel het plafond van jaarlijkse verkoop op te hogen van 5.000 naar 10.000 kg. Ook wil de Commissie de eisen voor groepscertificering in de EU en in derde landen aanpassen, omdat de huidige regels beperkend zijn voor de deelname van kleinere ondernemers.

Daarnaast stelt de Commissie voor om enkele biologische regels voor dierlijke productie te versimpelen waar het gaat om: [i] de omschakelperiode van gangbaar naar biologisch en minimumleeftijd slacht biologische kwartels, [ii] de wachttijd na behandeling met diergeneesmiddelen, [iii] de voorwaarden voor toegang tot de buitenlucht voor pluimvee, en [iv] de totale nuttige oppervlakte in pluimveestallen voor het afmesten van pluimvee.

Allereerst stelt de Commissie voor om voor biologische kwartels die worden gehouden voor vleesproductie een kortere omschakelperiode te hanteren (5 weken) dan voor ander pluimvee (10 weken) aangezien deze dieren eerder geslacht worden. Daarnaast stelt de Commissie een minimum slachtleeftijd voor van 42 dagen. Met beide voorstellen krijgen ondernemers volgens de Commissie een passendere omschakelperiode en slachtleeftijd die past bij de lengte van de levenscyclus van biologische kwartels. Het betekent ook dat de groei van de biologische kwartelsector vereenvoudigd wordt.

Ten tweede stelt de Commissie voor om de wachttijd na gebruik van chemisch gesynthetiseerde allopathische diergeneesmiddelen aan te passen voor die geneesmiddelen die een wachttijd van 0 dagen hebben. Dit betekent dat na de laatste toediening aan een dier van een chemisch gesynthetiseerd allopathisch diergeneesmiddel met een wachttijd van 0 dagen, er geen 48 uur meer hoeft te worden gewacht alvorens tot productie van biologische levensmiddelen afkomstig van dat dier kan worden overgegaan.

Ten derde stelt de Commissie voor om de bestaande verplichting aan te passen met betrekking tot continue toegang overdag tot buitenlucht voor pluimvee, vanaf een zo jong mogelijke leeftijd. Het voorstel stelt de voorwaarde dat jonge vogels voldoende veren moeten hebben om hun lichaamstemperatuur te reguleren wanneer ze worden blootgesteld aan buitenomstandigheden.

Ten vierde doet de Commissie een voorstel om de maximale bruikbare oppervlakte voor het afmesten van pluimvee vast te stellen op het op het niveau van de pluimveestallen in plaats van op het niveau van de productie-eenheid. Dit maakt verdere ontwikkeling van de biologische productie van mestpluimvee mogelijk zonder dat bedrijven worden opgesplitst met als enig doel het exploiteren van meerdere biologische productie-eenheden. Bedrijven hebben met deze maatregel de mogelijkheid om meerdere pluimveestallen te hebben, elk met een maximale oppervlakte van 1600 m2, binnen een productie-eenheid. De huidige beperking van het vastleggen van de totale oppervlakte per productie-eenheid heeft geen extra voordelen voor dierenwelzijn en het milieu.

  1. Impact assessment Commissie

Er is geen impact assessment uitgevoerd door de Commissie. Het kabinet hecht er waarde aan dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijk impact assessment. Dit mag ook verwacht worden vanuit de agenda voor betere regelgeving van de Commissie. Zonder een impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de economische, sociale, ecologische gezondheidsgevolgen van de wijzigingen in wetgeving. De urgentie van de voorstellen laat volgens de Commissie echter geen ruimte voor een dergelijke toets. Als de Commissie inderdaad geen impact assessment presenteert of als deze onvoldoende informatie oplevert om de voorstellen goed te kunnen beoordelen, zal het kabinet zelf het nodige doen om zich een beeld te vormen van de effecten van het voorstel, zodat die kunnen worden meegewogen in het definitief oordeel van het kabinet. Hierbij zullen belanghebbenden worden betrokken, eventueel via een MKB-toets.

  1. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Nederland heeft de ambitie om het biologisch landbouwareaal te vergroten naar 15% van het totale areaal in 2030. Met biologische landbouw kan een bijdrage geleverd worden aan maatschappelijke opgaven op het gebied van klimaat, stikstof, waterkwaliteit, biodiversiteit en dierenwelzijn. Om deze ambitie te bereiken, geeft het kabinet uitvoering aan het actieplan ‘Groei van biologische productie en consumptie1. Het kabinet hecht veel belang aan een gedegen controlestelsel om zo een betrouwbare certificering voor biologische producten te waarborgen en daarmee consumentenvertrouwen te bewerkstelligen.

  1. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

In algemene zin verwelkomt het kabinet het voorstel van de Commissie, en steunt het de voorstellen die beogen de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te verlagen. Om de groei van het biologisch landbouwareaal te stimuleren is een solide, gebruiksvriendelijke wettelijke basis wenselijk om daarmee administratieve lasten waar mogelijk te voorkomen of verminderen. Het kabinet steunt de hiermee beoogde vereenvoudiging en verduidelijking van de basisverordening, en is tevreden dat het voorstel geen afbreuk doet aan de maatschappelijke doelen die ten grondslag liggen aan de biologische verordening. Het kabinet betreurt echter dat enkele voorstellen die Nederland eerder heeft ingediend ter aanpassing van de verordening, niet zijn overgenomen. Tevens maakt het kabinet zich zorgen over het voorstel van de Commissie om aanvullende eisen te kunnen stellen aan equivalente producten voor vermelding van het EU-biologo.

Het kabinet begrijpt dat de Commissie genoodzaakt is om gevolg te geven aan het Herbaria arrest en daartoe de verordening aanpast op het gebruik van het EU-biologo op equivalente biologische producten. Het kabinet ziet daarbij het voordeel van voorgestelde de aanpassingen vanuit het perspectief van juiste informatievoorziening aan de consument en vanuit het concurrentieperspectief van de Europese interne markt ten opzichte van producenten in derde landen. Echter, het kabinet vraagt zich af hoe de Commissie tot dit voorstel is gekomen en of andere oplossingsrichtingen zijn overwogen. Het kabinet maakt zich namelijk zorgen over de potentiële gevolgen voor de bestaande equivalentie overeenkomsten en lopende onderhandelingen als het EU-biologo niet meer op geïmporteerde equivalente producten uit derde landen is toegestaan, tenzij aan de voorgestelde aanvullende eisen wordt voldaan.

Aangezien de Commissie geen impact assessment heeft uitgevoerd maakt het kabinet zich niet alleen zorgen over de gevolgen voor import maar ook voor export van biologische producten. Het is immers mogelijk dat derde landen met vergelijkbare regels voor Europese biologische producten zullen komen. Het kabinet vraagt zich af wat de te verwachten impact van deze aanvullende productieregels over en weer zal zijn en of een andere oplossing mogelijk is met potentieel minder vergaande gevolgen. Het kabinet zal hier aandacht voor vragen.

Het kabinet steunt het voorstel om de equivalentie erkenningen van derde landen tot 2036 te verlengen aangezien het begrijpt dat meer tijd nodig is voor onderhandelingen om tot equivalentie overeenkomsten te komen.

Het kabinet steunt het voorstel om voor verwerking en opslag van biologische producten geen biologische regels uit te werken voor reiniging en desinfectie. Hiermee mogen voor verwerking en opslag dus reinigings- en desinfectiemiddelen gebruikt worden die via horizontale wetgeving zijn toegestaan. Dit is in lijn met de oproep van Nederland tot vereenvoudiging.

De Commissie stelt voor om kleinere ondernemers, die onverpakte biologische producten anders dan diervoeder verkopen, uit te zonderen van de verplichting van het hebben van een bio-certificaat. Hierdoor hoeven minder kleine verkooppunten zich te laten certificeren. Zij moeten zich in nog wel registreren bij een biologische controle organisatie of controle autoriteit. In Nederland is dit Skal Biocontrole. Het kabinet had dit voorstel aangedragen bij de Commissie en steunt dit voorstel.

Hoewel er geen Nederlandse bedrijven gebruik maken van de mogelijkheid in wetgeving voor groepscertificering, steunt Nederland het voorstel van de Commissie omdat dit de deelname van kleinere ondernemers, met name in derde landen, vergemakkelijkt door de administratieve lasten te verlichten, zonder concessies te doen aan de kwaliteit van biologische certificering.

Het kabinet heeft geen bezwaar tegen het voorstel van de Commissie om voor biologische kwartels die worden gehouden voor vleesproductie een kortere omschakelperiode te hanteren en een minimum slachtleeftijd van 42 dagen. In Nederland worden geen kwartels biologisch gehouden.

Het kabinet steunt het voorstel van de Commissie om voor biologisch gehouden dieren de huidige wachttijd van 48 uur na gebruik van chemisch gesynthetiseerde allopathische diergeneesmiddelen met een wachttijd van 0 uur, ook op 0 dagen te zetten. Dit leidt niet tot extra risico's voor de voedselveiligheid en volksgezondheid.

Het kabinet steunt dit voorstel van de Commissie omdat het verduidelijkt dat de jonge vogels voldoende veren moeten hebben alvorens zij worden blootgesteld aan continue toegang tot de buitenlucht.

Het kabinet steunt het voorstel om de maximale bruikbare ruimte voor het mesten van pluimvee op het niveau van stallen te leggen, omdat het de groei van de biologische pluimveesector mogelijk maakt tegen lagere kosten dan nu. Bedrijven kunnen nu hun productie-eenheid laten bestaan uit meerdere stallen in plaats van dat zij wanneer zij willen groeien iedere keer een nieuwe productie-eenheid moeten beginnen.

  1. Eerste inschatting van krachtenveld

Op het moment van schrijven hebben lidstaten formeel nog geen posities ingenomen. Wel geven nagenoeg alle lidstaten aan de pogingen van de Commissie te verwelkomen om snel opvolging te geven aan het arrest Herbaria van het Hof, de termijn te verlengen om tot equivalentie overeenkomsten te komen met derde landen en om met versimpeling van de verordening regeldruk te verminderen.

De Commissie benadrukt dat snelle implementatie van het voorstel noodzakelijk is voor het continueren van de handel in biologische producten met derde landen waar equivalentie afspraken mee zijn, omdat de termijn om met hen tot overeenkomsten te komen, in 2026 afloopt. Verder geeft de Commissie opvolging aan het Herbaria arrest en benadrukt ook hier het belang om belemmeringen in handel te voorkomen. Tot slot committeert de Commissie zich aan het verlagen van administratieve lasten voor biologische ondernemers met een aantal versimpelingswijzigingen.

De positie van het Europees Parlement is niet bekend; er heeft nog geen aanwijzing van rapporteurs plaatsgevonden.

In de Raad lijkt consensus te zijn over snelle afhandeling van dit dossier gezien de wettelijke termijn van erkende equivalentie derde landen verloopt in 2026. Voor technisch-inhoudelijke onderdelen geldt dat posities nog nader te bepalen zijn.

  1. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid is positief. Het voorstel van de Commissie is gebaseerd op artikel 43, tweede lid, VWEU. Artikel 43, tweede lid, VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van regelgeving ten behoeve van de gemeenschappelijke ordening van de landbouw en de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het kabinet kan zich vinden in de keuze voor deze rechtsgrondslag. Op het terrein van landbouw en visserij is overwegend sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, tweede lid, onderdeel d, VWEU).

  2. Subsidiariteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel).

    Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit is positief. Het voorstel heeft tot doel administratieve lasten voor ondernemers te verlagen met een aantal vereenvoudigingen, om uitvoering te geven aan het arrest Herbaria (C-234/23) en om de termijn voor equivalentie afspraken te verlengen waarmee ondernemers zo snel mogelijk juridische zekerheid krijgen over de eisen waaraan voldaan moet worden rondom equivalentie afspraken met derde landen. Individuele lidstaten kunnen de integriteit van een biologisch label dat door de gehele EU moet gelden niet zelfstandig op adequate wijze waarborgen. Bovendien is het voorstel ingegeven door de noodzaak om gelijke voorwaarden te creëren voor het gebruik van het EU biologo op biologische producten, waar huidige eisen voor in de EU nog niet gelden voor biologische producten uit derde landen met equivalente biologische productie- en controlesystemen. Deze doelstellingen kunnen niet door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Bovendien worden equivalentieafspraken met derde landen over handel in biologische producten, inclusief het EU biologo gebruik, op EU niveau gemaakt en niet met Europese lidstaten afzonderlijk. Biologische producten uit de hele EU voldoen aan dezelfde eisen in de verordening waarmee het EU biologo het enige wettelijke Europese keurmerk op voedsel is en daarmee een sterk keurmerk is. Daarom is een EU-aanpak nodig. Door de voorgestelde nieuwe regels omtrent het EU biologische logo, wordt de concurrentiepositie bevorderd van Europese biologische ondernemers, die volledig moeten voldoen aan de EU-regels en controles, tegenover ondernemers buiten de EU die voldoen aan equivalente regels maar wel hun biologisch product in de EU afzetten. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.

  3. Proportionaliteit

    Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).

    Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit van het voorstel tot aanpassing van de verordening is positief met een aandachtspunt ten aanzien van de noodzakelijkheid. Het voorstel heeft tot doel administratieve lasten voor ondernemers te verlagen met een aantal vereenvoudigingen, om uitvoering te geven aan het arrest Herbaria (C-234/23) en om de termijn voor equivalentie afspraken te verlengen waarmee ondernemers zo snel mogelijk juridische zekerheid krijgen over de eisen waaraan voldaan moet worden rondom equivalentie afspraken met derde landen.

    Het kabinet acht het voorstel geschikt om genoemde doelstellingen, het verminderen van administratieve lasten en juridische zekerheid, te bereiken. Een aantal biologische productieregels wordt vereenvoudigd en zijn daarmee makkelijker implementeerbaar voor ondernemers. Tegelijkertijd wordt niet getornd aan de beginselen van de verordening dus is het kabinet van mening dat met het vereenvoudigen van regels het voorstel niet verder gaat dan noodzakelijk.

    Het kabinet acht de voorgestelde wijzigingen in de verordening geschikt om de doelstelling om spoedig juridische zekerheid met betrekking tot uitvoering van het arrest Herbaria (C-240/23) en de verlenging van de termijn van equivalentieafspraken te bereiken. Echter, het kabinet vraagt zich af hoe de Commissie tot dit voorstel is gekomen en of andere oplossingsrichtingen zijn overwogen. Het kabinet maakt zich namelijk zorgen over de potentiële gevolgen voor de bestaande equivalentie overeenkomsten en lopende onderhandelingen als het EU-biologo niet meer op geïmporteerde equivalente producten uit derde landen is toegestaan, tenzij aan de voorgestelde aanvullende eisen wordt voldaan. Inhoudelijk gezien kan het kabinet om die reden nog niet beoordelen of het voorstel om opvolging te geven aan het arrest Herbaria (C-240/23) verder gaat dan noodzakelijk, met name omdat andere mogelijke oplossingen niet zijn besproken met de Commissie. Het kabinet zal hier aandacht voor vragen.

  1. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

Het voorstel heeft geen implicaties voor de EU-begroting. Mochten er toch gevolgen zijn voor de EU-begroting, dan is het kabinet van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.

  1. Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de Rijksbegroting. Mochten er uiteindelijk toch budgettaire consequenties blijken te zijn, dan worden deze ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline. Naar verwachting hebben de voorgestelde wijzigingen geen (grote) gevolgen voor toezichthouder Skal Biocontrole. Mochten deze gevolgen er wel zijn, zullen die conform de financieringssystematiek van de toezichthouders worden ingepast.

  1. Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

De voorgenomen wijzigingen zullen volgens de Commissie de administratieve lasten voor het bedrijfsleven op een aantal fronten verlagen. Ook zal een aantal kleine bedrijven in Nederland niet langer gecertificeerd hoeven te worden, wat tegemoetkomt aan hun wens om de regeldruk te verlagen op dit punt. Door de erkenning van equivalente derde landen te verlengen, zal een disruptie van de internationale handel in biologische producten worden voorkomen. Tegelijkertijd zal er mogelijk (veel) regeldruk kunnen ontstaan wanneer, door de nieuwe spelregels rondom het EU logo-gebruik, er aanvullende productieregels worden opgelegd aan producten uit die derde landen dan wel wanneer deze derde landen als tegenreactie ook aanvullende productieregels gaan opstellen voor biologische producten uit de EU. Een goede inschatting van deze potentiële gevolgen is momenteel niet te maken vanwege het ontbreken van een impact assessment.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

Het kabinet verwacht dat de voorgestelde aanpassingen rondom het gebruik van het EU biologo effect zullen hebben op bestaande equivalentie-overeenkomsten en lopende onderhandelingen over nog te sluiten overeenkomsten. De Commissie heeft aanvullende eisen opgenomen in een nieuwe bijlage in de verordening voor equivalente producten, maar een impact assessment ontbreekt. Het is daarom onduidelijk voor het kabinet hoe groot de mogelijke gevolgen zijn voor de concurrentiekracht en wat de geopolitieke gevolgen hiervan zijn. Het staat buiten kijf dat het voor de Europese concurrentiekracht van belang is dat de EU haar reputatie als eerlijke en voorspelbare handelspartner beschermt. Daarvoor is het van belang dat de EU zich beweegt binnen de kaders van het internationale recht, waaronder de afspraken die gemaakt zijn binnen de WTO en EU handelsakkoorden. Het kabinet zal hier aandacht voor vragen.

  1. Implicaties juridisch

a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

De gevolgen voor nationale en decentrale regelgeving zijn beperkt. Het voorstel brengt wijzigingen aan in de biologische verordening. Deze verordening bevat uitputtende regels voor de biologische productie en etikettering. De wijzigingen hebben betrekking op bepalingen van de verordening die niet verder zijn uitgewerkt in nationale regelgeving en waarvoor dus geen wijzigingen in nationale regelgeving vereist zijn.

b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

Het voorstel bevat een nieuwe bevoegdheid voor de Commissie om op grond van artikel 33, zevende lid, van de verordening kan de Commissie gedelegeerde handelingen vast te stellen. Dit betreft de bevoegdheid om regels te stellen in aanvulling op de eisen uit bijlage VII, met betrekking tot het gebruik van het biologische logo voor uit derde landen geïmporteerde producten. Deze regels kunnen met name betrekking hebben op het gehanteerde productiesysteem (met aandacht voor milieu, klimaat, dierenwelzijn, natuur) of gehanteerde voedselverwerkingsmethodes (bijv. minimale kunstmatige inputs). Hiermee verkrijgt de Commissie een bevoegdheid om te bepalen aan welke EU-eisen biologische producten uit derde landen moeten voldoen om gebruik te mogen maken van het Europese biologische logo. Het toekennen van deze bevoegdheden is mogelijk omdat hiermee niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling worden aangevuld. Toekenning van deze bevoegdheden acht het kabinet wenselijk, omdat dit de flexibiliteit op deze terreinen kan bevorderen. Flexibiliteit is nodig met het oog op voortschrijden van innovatie en wetenschappelijke inzichten. Delegatie in plaats van uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om de aanvulling of wijziging van de verordening. Het kabinet merkt wel op dat deze nieuwe gedelegeerde bevoegdheid ook een wijziging van artikel 54 van verordening 2018/848 dient mee te brengen. In artikel 54 van de verordening zijn de voorwaarden voor het uitoefenen van de gedelegeerde bevoegdheden bepaald. Om deze voorwaarden op artikel 33, zevende lid van toepassing te laten zijn, dient artikel 54 ook aangepast te worden. Het kabinet zal dit onder de aandacht brengen bij de Commissie. Indien deze wijziging wordt doorgevoerd, zal het kabinet deze bevoegdheid voldoende afgebakend achten: door de toepassing van de procedure van artikel 54 van de verordening is de bevoegdheid van de Commissie ingekaderd en is de betrokkenheid van de lidstaten gewaarborgd. Het Interinstitutioneel Akkoord Beter Wetgeven zou hiermee goed worden nageleefd.

c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

De voorgestelde datum van inwerkintreding is de dag na publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie. Er is geen wijziging van de Nederlandse regelgeving nodig. Echter, het voorstel brengt veranderingen aan in de voorwaarden waaronder producten het biologische logo mogen dragen terwijl verpakkingsmateriaal vaak ruim op voorraad is. Bij directe inwerkingtreding zou dit materiaal waardeloos worden. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat producten die volgens de huidige regels zijn verpakt niet langer mogen worden verkocht, omdat zij niet langer voldoen aan de eisen van de verordening. Daarom is een overgangstermijn of uitgestelde inwerkingtreding van dit onderdeel wenselijk en zal Nederland hiervoor pleiten.

d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

N.v.t.

e) Constitutionele toets
N.v.t.

  1. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

De toezichthouder op biologische productie in Nederland is Skal biocontrole. Het kabinet voorziet dat Skal enige tijd nodig heeft om de voorgestelde wijzigingen in te regelen, zowel voor wat betreft de informatievoorziening aan biologische ondernemers via verschillende communicatiekanalen, als het aanpassen van het toezicht op onderdelen.

  1. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor derde landen in het algemeen zoals aangegeven onder onderdeel 5d.


  1. Kamerstuk 30252-78.↩︎