[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Fiche: Milieuomnibus

Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Brief regering

Nummer: 2026D07314, datum: 2026-02-13, bijgewerkt: 2026-02-20 11:37, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4278 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.

Onderdeel van zaak 2026Z03295:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Fiche 11: Milieuomnibus

  1. Algemene gegevens

  1. Titel voorstel

  • Mededeling Vereenvoudiging voor duurzaam concurrentievermogen

  • Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2023/1542 en Verordening (EU) 2024/1244 wat de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en de vermindering van administratieve lasten betreft

  • Verordening tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanstelling van een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen en afgedankte batterijen en verpakkingen en verpakkingsafval

  • Richtlijn tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanwijzing van gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalstoffen, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en kunststofafval voor eenmalig gebruik

  • Verordening inzake het versnellen van milieubeoordelingen

  • Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2007/2/EG met betrekking tot vereenvoudiging van bepaalde voorschriften voor de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Unie

  • Richtlijn met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten

  1. Datum ontvangst Commissiedocument

10 december 2025

  1. Nr. Commissiedocument

COM(2025) 980, COM(2025) 981, COM(2025) 982, COM(2025) 983, COM(2025) 984, COM(2025) 985, COM(2025) 986

  1. EUR-lex

EUR-Lex - 52025DC0980 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex – 52025PC0981 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex - 52025PC0982 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex - 52025PC0983 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex - 52025PC0984 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex - 52025PC0985 - NL - EUR-Lex

EUR-Lex - 52025PC0986 - NL - EUR-Lex

  1. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing

Niet opgesteld


  1. Behandelingstraject Raad

Raad Algemene Zaken

  1. Eerstverantwoordelijk ministerie

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

  1. Rechtsbasis

  • Voorstel voor een Verordening tot wijziging van Verordening (EU) 2023/1542 en Verordening (EU) 2024/1244 wat de vereenvoudiging van bepaalde voorschriften en de vermindering van administratieve lasten betreft: Artikelen 114 en 192, lid 1 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU)

  • Verordening tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanstelling van een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen en afgedankte batterijen en verpakkingen en verpakkingsafval: Artikelen 114 en 192, lid 1 VWEU

  • Voorstel voor een Richtlijn tot opschorting van de toepassing van de regels inzake de aanwijzing van gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalstoffen, afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en kunststofafval voor eenmalig gebruik: Artikel 192, lid 1 VWEU

  • Voorstel voor een Verordening inzake het versnellen van milieubeoordelingen: Artikel 192, lid 1 VWEU

  • Voorstel voor een Richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2007/2/EG met betrekking tot vereenvoudiging van bepaalde voorschriften voor de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Unie: Artikel 192, lid 1 VWEU

  • Voorstel voor een Richtlijn tot wijziging van de Rijchtlijnen 2008/98/EC, 2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785 met betrekking tot de vereenvoudiging van bepaalde verplichtingen en de vermindering van administratieve lasten: Artikel 192, lid 1 VWEU

  1. Besluitvormingsprocedure Raad

Gekwalificeerde meerderheid

  1. Rol Europees Parlement

Medebeslissing

  1. Essentie voorstel

  1. Inhoud voorstel

Op 10 december 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: Commissie) het milieuomnibuspakket (hierna: milieuomnibus) gepubliceerd, met daarin voorstellen voor het vereenvoudigen van milieuwetgeving. De milieuomnibus bevat een mededeling voor vereenvoudiging ten behoeve van het duurzame concurrentievermogen (hierna: mededeling), voorstellen voor gerichte vereenvoudiging op het gebied van circulaire economie (o.a. op het gebied van afval, baterijen en Uitgebreide Productenverantwoordelijkheid (UPV)), milieudata (hierna: INSPIRE), en industriële emissies, en een verordening voor het versnellen en stroomlijnen van milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen (hierna: verordening). Vanwege de sterke samenhang en verwevenheid tussen de verschillende voorstellen worden deze in één BNC-fiche behandeld.

De mededeling is primair een toelichting op de voorliggende voorstellen. Met de milieuomnibus beoogt de Commissie de implementatie van bestaande milieuwetgeving te faciliteren, alsook de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen. Daarnaast schrijft de Commissie dat het vasthouden aan milieudoelstellingen en wetgeving essentieel is voor het concurrentievermogen van de Europese Unie (EU).

In de mededeling kondigt de Commissie daarnaast aan mogelijkheden voor vereenvoudiging te onderzoeken – vaak via reeds aangekondigde – acties. Hierbij wijst zij bijvoorbeeld naar aankomende initiatieven zoals de Circular Economy Act (CEA) en de REACH-herziening, de implementatie van bestaande wetgeving via gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, zoals de recente aanpassingen in de Kaderichtlijn Marien, en reeds aangekondigde herzieningen en evaluaties van wetgeving, zoals de aankomende evaluatie van de Single Use Plastics (SUP) richtlijn.

Voor de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) stelt de Commissie voor om administratieve lasten te verlichten door de verschillende installaties van een bedrijf onder hetzelfde Milieubeheerssysteem (environmental management system, EMS) te laten vallen, en de audits van het EMS te laten vervallen. Daarnaast vervalt de verplichting tot het opstellen van een chemische inventarisatie en het chemische management systeem in de context van het EMS. Ook indicatieve transformatieplannen hoeven niet langer opgesteld te worden. Daarnaast valt biologisch pluimvee niet langer onder de RIE en worden de conversiegetallen voor niet-gespeende biggen aangepast.

Met betrekking tot de Industrial Emissions Portal Richtlijn (IEPR) worden veehouderijen en aquacultuurbedrijven uitgezonderd van het rapporteren op het gebruik van energie, water en relevante grondstoffen, als lidstaten dit al doen. Lidstaten mogen namens de veehouders en aquacultuurbedrijven rapporteren over off-site transfers van afval en verontreinigende stoffen in afvalwater, productievolume en het aantal bedrijfsuren.

Op het gebied van circulaire economie stelt de Commissie verschillende gerichte vereenvoudigingen voor op het gebied van afval, UPV en batterijen. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen stelt de Commissie voor om de verplichting voor bedrijven om gegevens te leveren voor de SCIP-database te beëindigen. SCIP is een openbare informatiedatabase met productonderdelen en samengestelde producten die ’substances of very high concern’ (SVHC)1 bevatten, en heeft als doel om afvalverwerkers en recyclers te ondersteunen bij het veilig verwerken van producten met gevaarlijke stoffen aan het einde van hun levenscyclus. Sinds januari 2021 is de SCIP-meldingsplicht voor bedrijven van kracht.2

Ook wordt de bevoegdheid van de Commissie geschrapt om indicatoren vast te stellen om de uitvoering van afvalpreventiemaatregelen te meten, en om een gemeenschappelijke methode voor verslaglegging te ontwikkelen over hergebruik van producten. De argumentatie hiervoor is dat de toepassing van deze indicatoren niet verplicht is voor lidstaten, lidstaten zelf al indicatoren hebben opgesteld en er reeds handreikingen en een raamwerk zijn opgesteld door het Europees Milieuagentschap.

Ten aanzien van de UPV stelt de Commissie voor passages op te schorten in relatie tot UPV-verplichtingen, zoals vastgelegd in EU-wetgeving voor batterijen, textiel, elektrische en elektronische apparaten, verpakkingen, en kunststofproducten voor eenmalig gebruik. Deze passages bepalen dat een producent met een vestiging in een lidstaat in de EU, die ook dergelijke producten verhandelt in een andere lidstaat, verplicht wordt om in deze andere lidstaat een gemandateerde vertegenwoordiger aan te wijzen. De verplichting blijft wel bestaan voor producenten uit derde landen die géén vestiging hebben in de EU. Deze verplichting maakt handhaving op deze producenten mogelijk, aangezien toezichthoudende instanties zo kunnen toezien dat een producent zich houdt aan de regels en voorwaarden voor UPV. De Commissie stelt voor deze verplichting op te schorten voor in de EU gevestigde producenten. Voor producenten die zijn gevestigd in derde landen blijft de verplichting bestaan om een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen. Verder wordt het aantal rapportageverplichtingen verminderd tot maximaal éénmaal per jaar.

Voor de Batterijverordening stelt de Commissie een aantal wijzigingen voor. Ten eerste wordt de definitie van “producent” gewijzigd, waardoor alle producenten die zich in derde landen of een andere lidstaat bevinden ook onder de definitie vallen. Eerder besloeg de definitie alleen degene die batterijen verhandelt via ‘overeenkomsten op afstand’. Ten tweede wordt bepaald dat batterijen van lichte voertuigen op moduleniveau verwijderbaar en vervangbaar moeten zijn in plaats van op celniveau. Op celniveau kan de vervanging tot veiligheidsrisico’s leiden. Verder wordt niet langer verplicht om op het etiket te vermelden welke zorgwekkende stoffen in een batterij zitten, maar pas als deze concentratie gelijk aan of hoger dan 0,1% van het gewicht van de batterij is. Tot slot, wordt voorgesteld de verplichting te schrappen die de Commissie verplicht om iedere vier jaar te rapporteren over de kwaliteit van de data die lidstaten moeten rapporteren over batterij-afval management.

Voor de INSPIRE-richtlijn3 beoogt de Commissie deze te moderniseren en te vereenvoudigen, waardoor de toegang tot data, het delen en toepassen van data en de kwaliteit van data verbeteren. Daarnaast worden verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn in lijn gebracht met horizontale Europese datawetgeving. De wijziging leidt tot meer samenhang in de wetgeving en het verminderen van uitvoeringslasten in lidstaten.

In de verordening stelt de Commissie verschillende aanpassingen voor ten aanzien van milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen (hierna gezamenlijk: milieubeoordelingen) die doorwerken in vergunningverlening. De Commissie ziet mogelijkheden voor het versnellen en stroomlijnen van milieubeoordelingen door middel van het coördineren en gezamenlijk uitvoeren ervan. Verder stelt de Commissie een maatregel voor over incidentele schade aan beschermde vogels en andere soorten tijdens projectactiviteiten. Deze dient niet als opzettelijk te worden beschouwd, mits passende en evenredige mitigerende maatregelen worden genomen. Daarnaast wordt ingezet op digitalisering van het proces van milieubeoordelingen en worden er maximale termijnen gesteld voor verschillende procedurestappen. Verder wordt een centraal contactpunt ingesteld voor milieubeoordelingen. Ook wordt een gereedschapskist voorgesteld met daarin mogelijke versnellingsopties waar strategische projecten of sectoren uit kunnen putten. Tot slot heeft het voorstel suggesties voor wijzigingen van bestaande projecten en beroepsgronden bij de rechter.

  1. Impact assessment Commissie

De Commissie geeft aan dat er voorafgaand aan publicatie van het Omnibuspakket geen impact assessment uitgevoerd is. De wijzigingen hebben volgens de Commissie geen significante impact op het beleid, maar zorgen slechts voor een efficiëntere en effectievere uitvoering. Om deze reden is een impact assessment volgens de Commissie overbodig. In het Staff Working Document zet de Commissie uiteen welke activiteiten zij heeft ondernomen om tot de verschillende desbetreffende voorstellen te komen. De (beleids)keuzes zijn onder andere gebaseerd op de grote hoeveelheid reacties op de consultatie (call for evidence) voor de Milieuomnibus, en meerdere (sectorale) dialogen met verschillende stakeholders over bestaand en nieuw beleid.

Het kabinet vindt het belangrijk dat Commissievoorstellen gepaard gaan met een degelijke impact assessment en het kabinet zal daarom bij de Commissie vragen om een impact assessment. Zonder impact assessment ontbreekt een grondige analyse van de gevolgen van de wijzigingen in wetgeving. In de huidige voorstellen biedt de Commissie dit inzicht niet. Het is daarom noodzakelijk dat bij de aankomende (herzienings-)voorstellen, zoals t.a.v. circulaire economie-wetgeving,4 wel een impact assessment uitgevoerd wordt.

  1. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel

  1. Essentie Nederlands beleid op dit terrein

Het Nederlandse milieubeleid is grotendeels verankerd in Europese wetgeving. Milieuproblemen houden zich niet aan grenzen, waardoor gezamenlijke EU-regels nodig zijn om lucht, water, natuur, klimaat en volksgezondheid effectief te beschermen. Daarnaast zorgen uniforme (milieu)standaarden binnen de EU-interne markt voor een gelijk speelveld voor bedrijvigheid en dienstverlening. Hierdoor worden zowel milieudoelen als eerlijke concurrentie beter gewaarborgd.

Het kabinet zet zich actief in om de regeldruk voor bedrijven en ondernemers te verminderen, mede ter versterking van het Europese concurrentievermogen. Het kabinet werkt aan de vermindering van regeldruk via verschillende nationale en Europese sporen, zoals overeengekomen in het “Actieprogramma Minder Druk Met Regels’5. Vanuit een economisch perspectief is milieubeleid een belangrijke stimulans om de groene en digitale transitie te realiseren. Het geeft aan bedrijven, maatschappelijke instellingen en ondernemers heldere kaders en richting om langetermijninvesteringen te kunnen doen, en innovatie aan te sporen. Daarmee is milieubeleid een katalysator voor technologische vooruitgang en draagt het bij aan de ontwikkeling van nieuwe markten. Daarnaast dragen Europese milieustandaarden bij aan een gelijk speelveld en zorgen ze voor mogelijkheden tot opschaling voor (mkb) bedrijven. Ook vindt het kabinet dat milieudoelstellingen en -standaarden noodzakelijk zijn voor het waarborgen van een gezonde fysieke leefomgeving en de gezondheid van burgers. Deze standaarden komen voort uit wetenschappelijk onderzoek, zoals in het geval van gezondheidseffecten van een gezonde leefomgeving en bijbehorende economische besparingen. Het blijvend inzetten op het behalen van milieustandaarden is daarmee ook belangrijk voor de volksgezondheid en het voorkomen van onnodige externe kosten. Bovendien leidt het voorkómen van milieuschade ook tot het vermijden van hoge(re) kosten elders en later. Op 9 september jl. heeft het kabinet de wisselwerking tussen economie en milieu beschreven in een non-paper Milieuomnibus.6

  1. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel

Het kabinet verwelkomt de milieuomnibus. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om wet- en regelgeving te vereenvoudigingen om zodoende zowel de concurrentiekracht te vergroten als de transitie naar een schone toekomstbestendige economie te versnellen. De milieuomnibus sluit in grote lijnen aan bij de kabinetsinzet, zoals vastgelegd in het eerdergenoemde non-paper. Verder is de Commissie dicht bij de oorspronkelijke reikwijdte van de milieuomnibus gebleven. Dit wordt door het kabinet als positief beoordeeld, aangezien zij van mening is dat vereenvoudiging het beste gerealiseerd kan worden binnen de daartoe bestemde wetgevingsvoorstellen.

Het kabinet steunt de Commissie in de vereenvoudiging van bestaande wetgeving via lopende en aangekondigde herzieningen en evaluaties. Het kabinet wijst hierbij naar de mogelijkheid die bijvoorbeeld de evaluatie van de SUP-richtlijn en de aangekondigde CEA hiervoor bieden. Het kabinet zal actief input leveren op deze trajecten7, en zal deze – net zoals voor de andere toekomstige voorstellen die de Commissie verder aankondigt in de mededeling - op het moment van publicatie beoordelen. Voor het kabinet staat voorop dat dit een afweging moet zijn tussen het verminderen van regeldruk, het bieden van voldoende flexibiliteit en het behalen van de bestaande doelen, en bijdragen aan alle maatschappelijk opgaven (o.a. defensiegereedheidstelling, volksgezondheid, woningbouw, energie, landbouw, etc.). Goed uitgevoerde stresstests kunnen bijdragen aan een realistische en werkbare implementatie van regelgeving, die nodig is gelet op alle maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat.

In lijn met de eerder aangenomen motie van de Tweede Kamer,8 zal het kabinet Europees pleiten voor gedegen toetsing en de uitvoering van impact assessments om te waarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgeving niet ten koste zal gaan van milieubescherming.

Voor de RIE, steunt het kabinet het verlagen van de administratieve lasten voor bedrijven. Vereenvoudiging binnen de Richtlijn Industriële Emissies kan bijdragen aan betere uitvoerbaarheid en minder regeldruk, mits deze zorgvuldig wordt onderbouwd. Het ziet echter een risico dat de huidige voorstellen leiden tot een lager niveau van bescherming van (gezondheid van) mens en milieu. In de context van EMS, leidt het wegvallen van de verplichting tot het opstellen van een chemische inventarisatie, risicobeoordeling en analyse van de mogelijkheden voor veiligere alternatieven of vermindering van het gebruik, emissies en het chemisch managementsysteem tot risico's. Zonder deze gerapporteerde informatie is het lastig te bepalen welke maatregelen nodig zijn om tot een bepaald beschermingsniveau van mens en milieu te komen en is het voor bevoegde gezagen moeilijk om hun wettelijke toezichtstaken uit te oefenen. Het kabinet zal daarom aan de Commissie vragen hoe zij dit beoordeelt en hoe zij tot deze voorstellen is gekomen. Deze lijken namelijk in te gaan tegen haar eigen ambities. In het voorstel voor de RIE vervallen een gedelegeerde handeling met betrekking tot transformatieplannen (omdat artikel 27 d vervalt) en een uitvoeringshandeling met betrekking tot het EMS (artikel 14a, vierde lid, tweede alinea). De vervallen delegatiebevoegdheid van artikel 27d, vijfde lid, had betrekking op de verplichting van lidstaten om transformatieplannen op te laten stellen. Nu deze verplichting vervalt, heeft de delegatiebevoegdheid geen functie meer. De vervallen uitvoeringsbehandeling uit artikel 14a, vierde lid, tweede alinea, zag op de informatie (uit het EMS) die relevant is voor bekendmaking.

Wat betreft de SCIP-database, onderschrijft het kabinet de argumenten die de Commissie aanvoert om de verplichting voor leveranciers om aanwezigheid van SVHC in hun producten te melden aan het ECHA te beëindigen. Het kabinet kan zich erin vinden dat de Commissie de SCIP-database wel behoudt. Onder de Europese Ecodesign wetgeving worden namelijk verplichte digitale productpaspoorten (DPP’s) voorzien, met informatie over aanwezige ‘Substances of Concern’ in producten. Hiermee zal er alsnog betrouwbare informatie beschikbaar komen. Het kabinet zal de Commissie oproepen om bij uitwerking van de DPP’s de geleerde lessen van de SCIP mee te nemen.

Wat betreft het schrappen van de inzet om indicatoren te ontwikkelen voor afvalpreventiemaatregelen, begrijpt het kabinet de redenatie van de Commissie, maar is hiermee terughoudend. Het kabinet pleit al langer bij de Commissie voor Europese doelstellingen voor hergebruik en preventie. Hiervoor zijn uniforme data en meetmethoden noodzakelijk. EU-brede indicatoren dragen bij aan harmonisatie en uniformiteit, wat (toekomstig) beleid ten goede komt en waardoor lidstaten ook onderling van elkaar kunnen leren. Daarom zou het kabinet daarnaast liever zien dat dergelijke toekomstige indicatoren bindend worden. Indien dit nu niet haalbaar blijkt, zal het kabinet hiervoor blijven pleiten in het kader van de aankomende Circular Economy Act.

Het kabinet steunt het verminderen van het aantal rapportageverplichtingen onder de UPV-regels. Dit draagt bij aan lastenverlichting voor bedrijven zonder de doelen van de wetgeving te ondermijnen. Ten aanzien van de opschorting van de UPV-verplichting voor producenten die gevestigd zijn in de EU om een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen, is het kabinet kritisch. Met het verdwijnen van deze plicht wordt het voor de handhaving moeilijker om producenten die vanuit andere lidstaten producten op de Nederlandse markt brengen verantwoordelijk te houden voor hun UPV-verplichtingen. Lidstaten hebben geen instrumentarium om zelf eisen te stellen aan deze producenten en het wordt daarmee vrijwillig voor bedrijven om een gemachtigd vertegenwoordiger aan te stellen. Hierdoor kunnen handhavende autoriteiten hun controlerende functie vrijwel niet uitoefenen op producenten uit andere lidstaten. Dit zorgt voor een verhoogd risico op een ongelijk speelveld, aangezien het vrijwillige karakter maakt dat op de ene producent wel gehandhaafd kan worden en de ander beperkt tot niet. Door deze beperkte handhaving vindt er lastenverschuiving plaats richting de samenleving, waar eerder het uitgangspunt van de “vervuiler betaalt” werd gehanteerd. Het kabinet zal verheldering vragen aan de Commissie hoe zij in die situatie aankijkt tegen de mogelijkheden van lidstaten om adequaat toezicht te houden en handhavend op te treden en hoe het Commissievoorstel doorwerkt op het gelijke speelveld.

Ten aanzien van de wijzigingen in de batterijenverordening is het kabinet positief over de aanpassing van de definitie van producent en het schrappen van de genoemde rapportage door de Commissie. Dit geeft meer duidelijkheid en verlicht de lasten. Ten aanzien van de andere aanpassingen is het kabinet voorzichtiger. Het betreft aanpassingen in de technische voorschriften van de verordening, waarvan de consequenties onduidelijk zijn. Wanneer batterijen niet langer op celniveau, maar alleen op moduleniveau verwijderbaar en vervangbaar zijn, kan dit de herfabricage (refurbishment) hiervan bemoeilijken. Zonder impact assessment is onduidelijk in hoeverre de aanpassing het Europese refurbishers moeilijker maakt ten opzichte van producenten die zich (grotendeels) buiten de EU bevinden. Onduidelijk is ook op welke veiligheidsrisico’s de Commissie doelt bij het op celniveau werken. Het kabinet zal om verduidelijking vragen over deze twee punten en zich bij een onbevredigend antwoord kritisch opstellen ten aanzien van deze aanpassing. Het kabinet is kritisch over de voorgestelde wijziging ten aanzien van de etikettering van batterijen. Het voorstel houdt in dat niet langer alle gevaarlijke stoffen in alle relevante hoeveelheden vermeld dienen te worden, waaronder PFAS. Het kabinet zal zich ervoor inzetten dat voldoende duidelijk blijft welke meest gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in batterijen, inclusief relevante PFAS.

Ten aanzien van de wijzigingen voor de INSPIRE-richtlijn is het kabinet overwegend positief, aangezien zij het belangrijk vindt dat deze infrastructuur vereenvoudigd en gemoderniseerd wordt. De oorspronkelijke richtlijn was te prescriptief en rigide op gedetailleerde technische specificaties. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke last voor Nederlandse organisaties die aan de INSPIRE verplichtingen moeten voldoen. Het kabinet is van mening dat de Commissie met de wijzigingen tegemoetkomt aan de breed gedeelde wens tot vereenvoudiging en modernisering. Tegelijkertijd is het van belang de toegang tot kwalitatief hoogwaardige milieudata te borgen en daarbij het belang van interoperabiliteit (van naadloos data delen) niet uit het oog te verliezen.

De Europese INSPIRE community heeft op dit vlak de afgelopen twintig jaar goede resultaten behaald. De vraag is hoe de goede punten van INSPIRE behouden kunnen blijven (afdwingen technische, semantische en organisatorische interoperabiliteit, een sterke community en governance). Overwogen zou kunnen worden internationale standaarden voor metadata en het delen van data te verplichten. Het kabinet zal de Commissie vragen hierop te reflecteren.

Ten aanzien van de verordening voor versnelling van de milieubeoordelingen, verwelkomt het kabinet de intentie om milieubeoordelingen te versnellen ten behoeve van snellere vergunningverlening. Het kabinet verwelkomt de bepaling inzake de aangepaste en afgebakende beoordeling met betrekking tot wijzigingen van reeds bestaande projecten. Verder staat het kabinet positief tegenover de maatregel voor het al dan niet opzettelijk doden en/of verstoren van soorten (soortenbescherming). Deze maatregel is gebaseerd op een soortgelijke bepaling uit REDIII in relatie tot hernieuwbare energieprojecten (artikel 16b).9 Het kabinet onderschrijft het belang van gedegen mitigerende maatregelen. Voor het kabinet is het ook belangrijk dat een nieuwe benadering uitvoerbaar en betaalbaar is, en daadwerkelijk bijdraagt aan de beoogde versnelling, zonder dat dit ten koste gaat van andere Europese doelen.

Verder heeft het kabinet wel enkele aandachtspunten. Zo heeft het kabinet vragen over de reikwijdte van de verordening en de toegevoegde waarde van een centraal contactpunt dat alleen ziet op milieubeoordelingen. Het kabinet stelt voor om het centraal contactpunt samen te voegen met de centraal contactpunten uit de CRMA, NZIA en REDIII, alsook toekomstig aangekondigde centraal contactpunten. Het inrichten van een nieuw centraal contactpunt is niet in lijn met het verminderen van de administratieve druk, en creëert ook onduidelijkheid voor ondernemers indien meerdere contactpunten voor verschillende vergunningverleningsonderdelen ingericht worden. Het kabinet vraagt zich af of het huidige Nederlandse stelsel van één bevoegd gezag per omgevingsvergunning voldoet aan het Commissievoorstel op dit punt en is tevens benieuwd of de Commissie bijdraagt aan het voorzien in voldoende middelen voor het centraal contactpunt. Ook acht het kabinet het van belang om in het kader van versnellen te blijven benadrukken dat de kwaliteit van de milieubeoordeling gewaarborgd blijft. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europese wet- en regelgeving mogen niet leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur en milieu.

Daarnaast introduceert de verordening de mogelijkheid van een zogenaamde ‘grondentrechter’10 tussen de administratieve fase en de rechterlijke fase. Het kabinet is kritisch, aangezien dit de rechtsbescherming beperkt en het Nederlandse systeem uitgaat van een onderdelentrechter en geen grondentrechter tussen de administratieve fase en de fase bij de rechter. Een grondentrechter kan daarentegen wel bijdragen aan een versnelling van vergunningsprocedures, aangezien het tot een snellere rechterlijke uitspraak kan leiden.

Voor het kabinet staat voorop dat versnelling van rechtspraak niet ten koste gaat van de rechtsbescherming en dat de grondwettelijke scheiding der machten gewaarborgd blijft. Om deze reden zal het kabinet duidelijkheid vragen aan de Commissie over hoe een grondentrechter zich verhoudt tot de bepalingen over toegang tot de rechter in milieuzaken uit het Verdrag van Aarhus.

Het kabinet heeft vragen over het stroomlijnen van verschillende soorten milieubeoordelingen. Coördinatie tussen milieubeoordelingen is in Nederland niet formeel geregeld en zou een grote ingreep betreffen. Het kabinet schat in dat dit in de Nederlandse situatie praktische bezwaren zal opleveren, en voorziet dat de vrijheid om vergunningen apart aan te vragen hiermee mogelijk wordt ingeperkt. De Commissie stelt enkele termijnen voor onderdelen van het milieueffectrapportage proces, waarvan sommige in het huidige Nederlandse stelsel nog niet bestaan. Het kabinet twijfelt over de haalbaarheid van deze termijnen en vreest dat deze te kort zijn om tot een kwalitatief goede milieubeoordeling te kunnen komen. Het kabinet zal de Commissie vragen hoe zij de praktische uitvoering hiervan ziet, omdat initiatiefnemers naast versnelling ook gebaat zijn bij vergunningen die voldoen aan natuur- en milieuwetgeving. Het is daarom van belang dat versnelling hand in hand gaat met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid.

Het kabinet ziet een positieve ontwikkeling in de suggestie van de Commissie om informatie meer digitaal toegankelijk te maken, alleen zijn dit soort veranderingen vaak ingrijpend en zeer kostbaar. Zonder impact assessment of duidelijke toelichting is het de vraag of dit voorstel financieel haalbaar en technisch uitvoerbaar is binnen de voorgestelde termijn. Daarnaast biedt het voorstel onvoldoende duidelijkheid welke stappen in digitalisering gezet moeten worden. Het kabinet zal de Commissie vragen hierop te reflecteren, aangezien er wel zeker kansen liggen.

Het kabinet staat positief tegenover de gereedschapskist in de bijlage, zoals door de Commissie voorgesteld, die ruimte biedt voor het aanmerken van strategische sectoren of projecten als dwingende reden van groot openbaar belang. De Commissie heeft de bevoegdheid voor het aanmerken van deze sectoren en projecten. Vergunningverlening van rechtswege is mogelijk voor zover dit in het nationale recht bestaat en niet wanneer een milieubeoordeling vereist is. Ook bestaat er een mogelijkheid voor versnelde juridische trajecten voor zover deze in het nationale recht bestaat. Deze drie ‘gereedschappen’ onderschrijven ook het standpunt van het kabinet over deze onderwerpen, zoals ook afgelopen jaren in verschillende onderhandelingen is uitgedragen. In artikel 14 worden de strategische sectoren genoemd waar de gereedschapskist uit de bijlage op van toepassing is. De Commissie benoemt dat dit tenminste gaat gelden voor strategische projecten met betrekking tot de bouw en constructie van woningen inclusief de noodzakelijke infrastructuur. Het kabinet ziet graag een verwijzing naar defensie als strategische sector, in lijn met de reeds aangenomen Defensieomnibus.

  1. Eerste inschatting van krachtenveld

Lidstaten zijn overwegend positief over de vereenvoudiging van Europese regelgeving, aangezien dit kan bijdragen aan de verlichting van administratieve lasten. Er zijn echter ook zorgen onder andere lidstaten over of de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het vergroten van het concurrentievermogen. Veelal zullen lidstaten hun positie hierop baseren. Voor de RIE en CE-voorstellen is het krachtenveld nog onduidelijk. De verwachting is dat de verordening verschillend gewogen gaat worden door lidstaten, gezien de MER in elke lidstaat anders geïmplementeerd wordt en daarmee de voorgestelde vereenvoudiging verschillend zal uitwerken op lidstaatniveau. Over het opschorten van de verplichting een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen, hebben meerdere lidstaten zich kritisch uitgelaten, met name vanwege de (negatieve) impact op de handhaving.

De positie van het Europees Parlement is nog onbekend.

4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit

  1. Bevoegdheid

Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toebedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken.

De grondhouding van het kabinet ten aanzien van de mededeling is positief. De mededeling heeft betrekking op verschillende aspecten van EU-milieubeleid en de vereenvoudiging hiervan voor het verhogen van het concurrentievermogen en het versterken van de interne markt. Op de terreinen milieubeleid en de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a en e, VWEU).

Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor het voorstel voor de vereenvoudiging van de IEPR ((EU) 2024/1244; COM/2025/981) en batterijenverordening ((EU) 2023/1542; COM/2025/982) is positief. Deze voorstellen zijn gebaseerd op artikel 114 en 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid tot het vaststellen van maatregelen die de instelling en de werking van de interne markt betreffen. Artikel 192, lid 1, VWEU geeft de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen om de EU-milieudoelstellingen zoals neergelegd in artikel 191 VWEU te verwezenlijken. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslagen. Op het terrein van milieubeleid en de interne markt is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a en e, VWEU).

Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor de voorstellen ter wijziging van (i) de richtlijn tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de gemeenschap (INSPIRE [2007/2/EC]), (ii) , de richtlijn industriële emissies (2010/75/EU, (EU) 2015/2193 en (EU) 2024/1785) en (iii) de Kaderrichtlijn Afvalstoffen (2008/98/EG), (iv) de richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA [2012/19/EU]) en (v) de richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu ((EU) 2019/904) is positief. De grondslag voor deze voorstellen is artikel 192 (lid 1) van het VWEU. Dit artikel geeft de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen om de EU-milieudoelstellingen te verwezenlijken, zoals neergelegd in artikel 191 VWEU. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van milieubeleid is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, onder e, VWEU).

Het oordeel van het kabinet ten aanzien van de bevoegdheid voor het voorstel voor de verordening voor de versnelling van milieubeoordelingen is positief. Het voorstel heeft als grondslag artikel 192 (lid 1) VWEU. Dit artikel geeft de EU de bevoegdheid om activiteiten vast te stellen die de Unie moet ondernemen om de EU-milieudoelstellingen zoals neergelegd in artikel 191 VWEU te verwezenlijken. Het kabinet kan zich vinden in deze rechtsgrondslag. Op het terrein van milieubeleid is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, onder e, VWEU).

  1. Subsidiariteit

Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet de subsidiariteit van het optreden van de Commissie. Dit houdt in dat het kabinet op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen of wanneer sprake is van een voorstel dat gezien zijn aard enkel door de EU kan worden uitgeoefend, toetst of het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kan worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel).

Ten aanzien van de mededeling is de grondhouding van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit positief. De mededeling heeft tot doel milieuwetgeving te vereenvoudigen ten behoeve van concurrentievermogen. Gezien de grensoverschrijdende aspecten van milieubeleid en concurrentievermogen, kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak nodig. Door middel van de verduidelijkingen die in de mededeling worden geboden, wordt het gelijk speelveld op het terrein van milieubeleid verbeterd en wordt de grensoverschrijdende uitdaging om de milieudoelen te halen verbeterd. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.

Ten aanzien van alle wetgevende voorstellen op het gebied van circulaire economie, INSPIRE, industriële emissies en de verordening voor vergunningsverlening voor milieubeoordeling, is het oordeel van het kabinet ten aanzien van de subsidiariteit positief. Deze voorstellen hebben tot doel bestaande EU-milieuwetgeving te stroomlijnen, vereenvoudigen en waar nodig aan te passen teneinde de effectiviteit van het milieubeleid te vergroten en de uitvoerbaarheid voor lidstaten en betrokken partijen te verbeteren. Gezien het grensoverschrijdende karakter van milieu en de samenhang met de interne markt kan dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt, daarom is een EU-aanpak wel nodig. Door het harmoniseren en vereenvoudigen van regelgeving wordt het gelijk speelveld op het terrein van milieubescherming binnen de Unie verbeterd. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.

  1. Proportionaliteit

Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken (het proportionaliteitsbeginsel).

Ten aanzien van de mededeling is de grondhouding van het kabinet ten aanzien van de proportionaliteit positief. De mededeling heeft tot doel milieuwetgeving te vereenvoudigen ten behoeve van concurrentievermogen. Het voorgestelde optreden is wel geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat gezien de grensoverschrijdende aspecten van milieubeleid en concurrentievermogen, dit onvoldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt. Daarom acht het kabinet het voorgestelde optreden geschikt. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat het voorgestelde optreden gericht is op het verbeteren van het gelijk speelveld op het terrein van milieubeleid en het verbeteren van de grensoverschrijdende uitdaging om de milieudoelen te halen. Om die redenen is optreden op het niveau van de EU wel geschikt.

Ten aanzien van de voorstellen op het gebied van circulaire economie11 en INSPIRE12, beoordeelt het kabinet de proportionaliteit positief. De voorstellen hebben tot doel bestaande EU-milieuwetgeving te stroomlijnen, te vereenvoudigen en te actualiseren, met als doel de effectiviteit van het milieubeleid te vergroten en de uitvoerbaarheid en naleving door lidstaten en betrokken partijen te verbeteren. Het voorgestelde optreden is wel geschikt om deze doelstelling te bereiken, omdat het zich richt op gerichte aanpassingen van bestaande regelgeving, het verminderen van onnodige administratieve lasten en het verduidelijken van verplichtingen, zonder de kern van de milieudoelstellingen aan te tasten. Bovendien gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat het ruimte laat voor nationale invulling waar passend en beperkt blijft tot maatregelen die nodig zijn om een consistente en doeltreffende toepassing van EU-milieuregels te waarborgen.

Ten aanzien van de proportionaliteit van de voorstellen voor de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) en de Industrial Emissions Portal Regulation (IEPR) met betrekking tot het onderdeel EMS is het oordeel van het kabinet deels positief en deels negatief. De voorstellen voor de RIE met betrekking tot het onderdeel EMS hebben tot doel administratieve lasten te verlichten via het schrappen van emissierapportages door landbouw- en aquacultuurbedrijven aan bevoegd gezagen. De aanpassing van conversiegetallen van niet-gespeende biggen, en verlenging van de termijn voor het opstellen van een EMS beoordeelt het kabinet positief, omdat dit zal leiden tot een aanzienlijke lastenverlichting. Het kabinet steunt het doel van het verlagen van de administratieve lasten voor bedrijven, en erkent dat met het schrappen van rapportageverplichtingen sprake hiervan is. Het kabinet vraagt zich af waarom het voorstel van de Commissie is de biologische pluimveesector niet langer onder de RIE te laten vallen. Zo zijn er in de biologische pluimveehouderij ook emissies van onder andere ammoniak en fijnstof, en kunnen voor het biologisch – net als voor het niet-biologisch houden – van legkippen, emissie reducerende technieken en stalsystemen worden toegepast. Het voorgestelde optreden inzake EMS, zoals het afschaffen van de inventarisatielijst van zorgwekkende chemische stoffen, is volgens het kabinet niet geschikt om deze doelstelling te halen, omdat het leidt tot een informatietekort bij de bevoegde gezagen bij de beoordeling van de gevolgen van installaties voor de (leef)omgeving en het verder gaat dan noodzakelijk. De voorgestelde aanpassingen aan het EMS verminderen onder de streep de werking, en daarmee het doelbereik van het EMS. Hiermee leidt deze specifieke aanpassing naar verwachting tot doelverlaging. Om inzicht te verkrijgen, zal het kabinet om een impact assessment bij de Commissie vragen.

Ten aanzien van het voorstel voor een verordening voor de versnelling van milieubeoordelingen, beoordeelt het kabinet de proportionaliteit positief, met kanttekeningen. Het voorstel heeft tot doel milieubeoordelingen te versnellen ten behoeve van snellere vergunningverlening. Het kabinet is van mening dat het voorstel geschikt is om het beoogde doel voor milieubeoordelingen te bereiken, mede omdat de voorgestelde gereedschapskist snellere vergunningverlening van strategische projecten kan faciliteren. De Commissies retoriek is om op deze manier eenheid tussen de lidstaten te creëren. Echter, het kabinet merkt op dat mer-richtlijn verschillend is geïmplementeerd in lidstaten, en dat daardoor harmonisatie in de praktijk lastig kan zijn. Hiermee gaat de Commissie in tegen het principe van de mer-richtlijn, waarbij lidstaten de bevoegdheid is gegeven om deze op eigen wijze te implementeren. Het kabinet ziet hier een duidelijk spanningsveld tussen Europese integratie en nationale flexibiliteit, maar erkent dat harmonisatie de Europese uitvoeringspraktijk ten goede kan komen. Het doel van de Commissie had via minder ingrijpende maatregelen ook verwezenlijkt kunnen, zoals via richtsnoeren.

5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

  1. Consequenties EU-begroting

De milieuomnibus bevat gerichte aanpassingen van bestaande wet- en regelgeving voor milieubeleid, en een verordening voor versnelling van milieubeoordelingen. Hier zijn geen consequenties voor de EU-begroting aan verbonden. Het kabinet is van mening dat de eventueel benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil niet vooruit lopen op de (uitkomst van) de onderhandelingen voor het volgende Meerjarig Financieel Kader en de integrale afweging van middelen na 2027.

  1. Financiële consequenties (incl. personele) voor Rijksoverheid en/ of medeoverheden

Het voorstel heeft vooral rondom milieueffectrapportages en andere milieubeoordelingen financiële consequenties voor de Rijksoverheid en medeoverheden. Bij het inregelen van centrale contactpunten en het digitaliseren van het totale proces van de milieueffectenrapportage worden financiële consequenties voorzien. Het kabinet is kritisch op het ontbreken van een financiële raming en impact assessment, aangezien digitalisering van een deel van het proces naar verwachting niet tot het beoogde doel van dit voorstel gaat leiden. Het kabinet zal daarom in de onderhandelingen vragen om een nadere duiding van deze ontwikkeling en op welke manier de Commissie lidstaten gaat ondersteunen in het tijdelijk en efficiënt realiseren van de gevraagde doorontwikkeling. Eventuele budgettaire gevolgen voor de Rijksbegroting worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.

Vereenvoudiging en modernisering van de INSPIRE-Richtlijn leidt tot lagere kosten voor het Rijk (coördinatiekosten en ondersteuningskosten) en medeoverheden (implementatiekosten). Als gebruikers zelf moeten zorgen voor interoperabiliteit, als dat niet meer verplicht is, leidt dat wel tot hogere kosten.

  1. Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger

De milieuomnibus beoogt enerzijds administratieve lasten te verlichten en procedures te vereenvoudigen voor het bedrijfsleven, en anderzijds hebben deze vooral invloed op (decentrale) overheden. Doordat geen nieuwe of andere beoordelingskaders worden geïntroduceerd schat het kabinet de financiële en regeldruk gevolgen voor het bedrijfsleven positief in. Echter, het ontbreken van een impact assessment is dit moeilijk in te schatten.

Het kabinet onderstreept het belang van regeldrukvermindering als een topprioriteit, zoals neergelegd in het Actieprogramma Minder Druk Met Regels (9 december 2024). Het ontbreken van een impact assessment bij dit voorstel is onwenselijk, temeer omdat dit de inschatting van de regeldrukeffecten bemoeilijkt. Het kabinet is van mening dat voorstellen met (mogelijke) regeldrukgevolgen altijd vergezeld moeten gaan van een impact assessment.

Het kabinet benadrukt verder het belang van het tijdig en structureel betrekken van relevante stakeholders bij de verdere uitwerking en implementatie van de voorgestelde vereenvoudigingen. Dit is van belang om de uitvoerbaarheid te borgen en te voorkomen dat vereenvoudiging in de praktijk leidt tot nieuwe of onvoorziene regeldrukeffecten.

De voorstellen op het gebied van circulaire economie dragen grotendeels bij aan het verminderen van regeldruk voor het bedrijfsleven, specifiek waar het gaat om het opschorten van de verplichting tot invullen van de SCIP-database en het verminderen van de rapportages onder UPV-verplichtingen. Met o.a. het opschorten van de verplichting een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen voor bepaalde UPV-verplichtingen, en daarmee de verwachte lastigere handhaving, komen de kosten van vervuiling vooral bij de samenleving te liggen, doordat het principe van ‘de vervuiler betaalt’ niet langer gegarandeerd kan worden.

  1. Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten

De voorstellen komen voort uit het bredere plan om het concurrentievermogen van de EU te versterken, zoals uiteengezet door Commissievoorzitter Von der Leyen in haar politieke richtsnoeren voor de zittingsperiode 2024-2029 en het rapport ‘The Future of European Competitiveness’ van Mario Draghi. De Commissie geeft aan, dat zoals benadrukt in het Draghi-rapport, de opeenstapeling van regels soms een negatief effect heeft gehad op het concurrentievermogen. Door de regeldruk van milieuregelgeving te verlagen zouden de voorstellen de concurrentiekracht moeten versterken. In het kader van toenemende internationale spanningen en geopolitieke onzekerheid, draagt het versterken van de concurrentiepositie bij aan de strategische positie van de EU. Ook derde landen kunnen profijt hebben van de vereenvoudigingsvoorstellen, aangezien deze van toepassing zijn op alle bedrijven die op de EU markt opereren, dus ook op niet-Europese bedrijven.

Het kabinet waakt ervoor dat de voorstellen geen ongewenste negatieve effecten met zich meebrengen. In dit kader is het kabinet terughoudend op de voorstellen t.a.v. batterijen die mogelijk Europese refurbishers negatief beïnvloeden. Daarnaast zorgt mogelijk het schrappen van de verplichting voor het aanwijzen van een gemachtigd vertegenwoordiger voor een verhoogd risico op een ongelijk speelveld, aangezien het vrijwillige karakter maakt dat op de ene producent wel gehandhaafd kan worden en de ander beperkt tot niet. Ook hecht het kabinet eraan dat de EU bij de nadere uitwerking van de voorstellen in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU handelt, waaronder de akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en bilaterale handelsakkoorden en eventuele negatieve externe effecten voor handelspartners tot een minimum beperkt.

6. Implicaties juridisch

  1. Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)

De verordening heeft implicaties voor nationale en decentrale regelgeving, met name op het terrein van milieueffectrapportage en vergunningverlening, hoewel vergunningverlening formeel buiten de voorgestelde scope van de verordening valt. Door het stellen van procedurele vereisten en termijnen voor milieubeoordelingen grijpt het voorstel indirect in op bestaande nationale vergunningstelsels, waaronder het Nederlandse stelsel onder de Omgevingswet.

Artikel 3 van de verordening introduceert de verplichting tot het aanwijzen van een centraal contactpunt. Hoewel het voorstel ruimte laat om aan te sluiten bij bestaande nationale structuren, lijkt het tegelijkertijd te sturen op de inrichting van een aanvullend, specifiek contactpunt voor milieubeoordelingen. Dit roept vragen op over de verhouding tussen dit contactpunt en reeds bestaande centrale loketten die voortvloeien uit andere Europese instrumenten, zoals de CRMA, NZIA en REDIII. Het is onduidelijk of en in hoeverre de huidige inrichting van het Nederlandse stelsel voldoet aan de eisen van artikel 3 en welke aanpassingen noodzakelijk zouden zijn. Het kabinet is voornemens hierover nadere verduidelijking te vragen aan de Commissie.

Daarnaast stelt de verordening termijnen voor verschillende onderdelen van het proces om te komen tot een milieueffectrapportage. In het vierde en vijfde lid van het betreffende artikel wordt echter bepaald dat deze termijnen buiten toepassing blijven indien zij een eventueel bestaande kortere nationale termijn zouden overschrijden. Hierdoor ontstaat onduidelijkheid over de praktische betekenis en toegevoegde waarde van de voorgestelde termijnen, temeer daar het voorstel niet verduidelijkt in welke volgorde en op welke wijze deze termijnen zich tot elkaar verhouden of kunnen worden ingekort.

Het kabinet wenst meer duidelijkheid te krijgen over het projectbegrip in het voorstel voor de verordening voor versnelling van de milieubeoordelingen. In de verordening – specifiek artikel 1 en artikel 2, eerste lid - lijkt geen onderscheid te worden gemaakt tussen het projectbegrip in de zin van de SMB/MER-richtlijn enerzijds en de Habitat- en Vogelrichtlijn anderzijds, wat niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De verordening bevat voorts in de bijlage een zogenoemde ‘gereedschapskist’, die lidstaten ruimte biedt om bepaalde sectoren of projecten aan te merken als dwingende reden van groot openbaar belang. Deze instrumenten sluiten aan bij het standpunt van het kabinet zoals dat in eerdere Europese onderhandelingen is uitgedragen. Het kabinet is in beginsels terughoudend ten aanzien van vergunningverlening van rechtswege (lex silencio positivo), mede gelet op de vereisten van zorgvuldige besluitvorming, effectieve rechtsbescherming en de noodzaak tot naleving van Europees milieurecht, waaronder de verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag van Aarhus. De gereedschapskist bevat ook een bepaling die ervoor zorgt dat projecten die vallen onder bepaalde strategische sectoren door nationale rechtbanken met de hoogste spoed moeten worden behandeld. Het kabinet vraagt aandacht voor de gevolgen hiervan voor de rechterlijke macht, en voor de vraag wat het behandelen met hoogste spoed precies betekent. Het kabinet vindt het wenselijk dat het aan de lidstaten is om voor deze aangewezen sectoren of projecten te bepalen dat deze met spoed door de rechter moeten worden behandeld.

De INSPIRE-richtlijn is via de Implementatiewet EG-richtlijn infrastructuur ruimtelijke informatie verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voorstel betekent dat deze wet moet worden aangepast.

  1. Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan

In artikel 14, lid 1, van het voorstel voor een verordening inzake de versnelling van milieubeoordelingen wordt aan de Commissie een uitvoeringsbevoegdheid toegekend voor het identificeren van strategische projecten voor de bouw en renovatie van betaalbare woongebouwen of sociale huisvesting en de benodigde infrastructuur voor die gebouwen aan te wijzen. Het toekennen van deze bevoegdheid is wel mogelijk, omdat het geen essentiële onderdelen van de basishandeling betreft. Het toekennen van deze uitvoeringsbevoegdheid is wenselijk, omdat dit bijdraagt aan de gewenste flexibiliteit, met het oog op projecten die nog niet in beeld zijn op het moment van vaststelling van de basishandelingprojecten. De uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 5 van de verordening 182/2011. Toepassing van deze procedure is hier volgens het kabinet op zijn plaats omdat de uitvoeringshandelingen betrekking hebben op het milieu (artikel 2, lid 2, sub b), onder iii) van verordening 182/2011). De keuze voor uitvoering in plaats van delegatie ligt hier voor de hand, omdat het gaat om het uitvoeren van een handeling volgens eenvormige voorwaarden.

In het voorstel voor de richtlijn ter wijziging van INSPIRE (2007/2/EG) wordt in artikel 1, lid 2, sub b, van het voorstel voorgesteld de Commissie een delegatiebevoegdheid te geven om de beschrijving van de bestaande categorieën gegevens in de bijlagen I, II en III aan te passen aan de technologische en economische ontwikkelingen. Toekenning van deze bevoegdheid is mogelijk, en daarom ook wenselijk geacht, omdat het gaat om niet-essentiële onderdelen van de basishandeling. De keuze voor delegatie i.p.v. uitvoering ligt hier voor de hand omdat het gaat om het wijzigen van de basishandeling (de bijlagen). Het kabinet acht deze bevoegdheid voldoende afgebakend. Het voorstel voor de richtlijn ter wijziging van INSPIRE omvat verder geen aanvullende verschuivingen van bevoegdheid t.a.v. gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen.

  1. Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid

Ten aanzien van de verordening acht het kabinet de voorgestelde termijnen voor de inrichting van een centraal contactpunt en de ontwikkeling van een digitaal platform niet haalbaar. Uit ervaringen met de implementatie van vergelijkbare Europese verplichtingen, zoals onder RED, NZIA en CRMA, blijkt dat het opzetten en operationeel maken van dergelijke structuren binnen zes maanden niet realistisch is.

Daarnaast acht het kabinet het onwaarschijnlijk dat een goed functionerend digitaal platform binnen twee jaar kan worden gerealiseerd, mede gezien het ontbreken van een duidelijk omlijnd doel, geharmoniseerde standaarden en concrete implementatie ondersteuning. Ook is het niet duidelijk wat de Commissie van de landen verwacht, noch is er een impact assessment gedeeld. Hierdoor kan het kabinet niet inschatten of twee jaar een redelijke termijn is. Het kabinet zal in de onderhandelingen aandacht vragen voor realistischere termijnen en voldoende flexibiliteit voor lidstaten.

Voor wat betreft de voorstellen op circulaire economie13 zijn de implementatietermijnen haalbaar. Deze richtlijnen treden in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

  1. Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling

Niet van toepassing.

  1. Constitutionele toets

Ten aanzien van de verordening, de introductie van een verplichte concentratie van beroepsgronden (‘grondentrechter’) roept vragen op over de verenigbaarheid met nationale constitutionele beginselen, waaronder de rechtsbescherming, en met de verplichtingen inzake toegang tot de rechter in milieuzaken op grond van het Verdrag van Aarhus. Het kabinet zal de juridische houdbaarheid hiervan nader beoordelen.

7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving

  1. Uitvoerbaarheid

Ten aanzien van de verordening, de uitvoerbaarheid roept aanzienlijke vragen op. Zoals ook in de Nederlandse positie is aangegeven, leidt met name de cumulatie van centrale contactpunten, het ontbreken van duidelijke standaarden voor digitalisering en de voorgestelde termijnen voor milieueffectrapportages tot uitvoeringsrisico’s voor bevoegde gezagen op zowel rijks- als decentraal niveau.

De voorgestelde termijnen laten weinig ruimte voor maatwerk en kunnen, in combinatie met ongewijzigde inhoudelijke vereisten uit bestaande milieu- en natuurbeschermingswetgeving, leiden tot knelpunten in de uitvoering. Het kabinet acht het van belang dat eventuele versnelling hand in hand gaat met zorgvuldigheid, kwaliteit en juridische houdbaarheid van milieubeoordelingen.

De voorgestelde wijzigingen in het EMS kunnen leiden tot handhavingsproblemen. De omgevingsdiensten kunnen door het ontbreken van een goede inventarislijst van (zorgwekkende) chemische stoffen die in het bedrijfsproces gebruikt en geproduceerd worden, niet goed bepalen wat de effecten van mogelijke emissies zijn op de leefomgeving. Zowel in de vergunningverlening als in de handhaving is dat problematisch. Deze informatietekorten worden door omgevingsdiensten nu al geduid als problematisch. De vereisten van REACH gelden nu al en vangen deze tekortkoming niet op.

  1. Handhaafbaarheid

Ten aanzien van de verordening, is de handhaafbaarheid beperkt uitgewerkt. De procedurele verplichtingen en termijnen vereisen intensieve monitoring en coördinatie tussen verschillende bevoegde gezagen. Zonder nadere verduidelijking van verantwoordelijkheden en prioritering bestaat het risico dat naleving moeilijk afdwingbaar is. Zoals hierboven reeds opgenomen, is de inschatting dat de handhaafbaarheid van UPV-verplichtingen achteruitgaat als bedrijven niet langer verplicht gebruik moeten maken van een gemachtigd vertegenwoordiger.

Daarnaast bestaat, vergelijkbaar met andere onderdelen van de milieuomnibus, het risico dat versoepeling of schrapping van verplichtingen de handhaafbaarheid in grensoverschrijdende situaties onder druk zet en kan leiden tot een ongelijk speelveld. Handhaving dreigt daarmee in de praktijk vooral afhankelijk te worden van bestuurlijke afstemming en beschikbare capaciteit, in plaats van formele handhavingsinstrumenten.

8. Implicaties voor ontwikkelingslanden

Er zijn geen verwachte implicaties voor ontwikkelingslanden.


  1. SVHC (“substances of very high concern”) zijn stoffen die in het kader van de REACH Verordening op de Kandidatenlijst staan van het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA)↩︎

  2. De verplichting geldt voor producenten of importeurs, distributeurs of andere actoren in de toeleveringsketen die een product op de markt brengen dat (in een of meer onderdelen) ZZS bevat in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent.↩︎

  3. De Europese ruimtelijke data-infrastructuur INSPIRE maakt het mogelijk om via internationale standaarden ruimtelijke milieu-informatie grensoverschrijdend te delen tussen organisaties in de publieke sector en verbetert de toegang tot ruimtelijke milieu-informatie.↩︎

  4. Zoals de CEA en de herziening van de AEEA-richtlijn.↩︎

  5. Kamerstuk 32 637, nr 660.↩︎

  6. NL Non-paper Milieuomnibus↩︎

  7. NL Non-paper Circular Economy Act, Kamerstukken II 2025-26, 21 501-08, nr. 1009↩︎

  8. De motie van Kamerlid Kostic (PvdD) (10 december 2025): 21501 08, nr. 1020.↩︎

  9. De Commissie stelt in de richtlijn versnellen vergunningverlening (onderdeel van het EU Grids Package) voor om

    Artikel 16b met betrekking tot het al dan niet opzettelijk doden/verstoren te verwijderen. Ratio is om het toepassingsbereik te

    verruimen tot alle projecten die onderhevig zijn aan natuur- en milieutoetsen.↩︎

  10. Dit houdt in dit geval in dat lidstaten in een juridische procedure beroepsgronden mogen uitsluiten die niet al in de administratieve fase zijn ingebracht. In het Nederlandse bestuursrecht kennen we alleen een gronden-/onderdelentrechter die inhoudt dat in hoger beroep geen beroepsgrond mag worden aangevoerd die niet al in de beroepsfase naar voren is gebracht.↩︎

  11. COM(2025) 982 final; COM(2025) 983 final↩︎

  12. COM(2025) 985 final↩︎

  13. COM(2025) 982 final; COM(2025) 983 final↩︎