[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Nota van wijziging

Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)

Nota van wijziging

Nummer: 2026D07353, datum: 2026-02-18, bijgewerkt: 2026-02-19 09:33, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36295 -9 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein).

Onderdeel van zaak 2023Z01382:

Onderdeel van zaak 2026Z03307:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36295 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein)

Nota van wijziging

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel A, wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

a1. In de definitie van aanbieder wordt “of een maatwerkvoorziening” vervangen door “, een maatwerkvoorziening of openbare geestelijke gezondheidszorg”.

B

Artikel I, onderdeel A, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt “worden acht definities ingevoegd, luidende” vervangen door “worden de volgende definities ingevoegd”.

2. In de alfabetische volgorde wordt een definitie ingevoegd, luidende:
- ernstige meervoudige problematiek: meervoudige problematiek waarbij op grond van de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, onderdeel a, is beoordeeld dat de problematiek ernstig is;.

C

In artikel I, onderdeel M, wordt het voorgestelde artikel 2.3a.1, vierde lid, als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b wordt “welke dienstverlening reeds uit het sociaal domein of aanpalende domeinen wordt ontvangen” vervangen door “welke diensten reeds uit het sociaal domein of aanpalende domeinen worden ontvangen” en wordt aan het slot toegevoegd “, met het oog op het verminderen of wegnemen van de onder a bedoelde problemen”.
2. Onderdeel d komt te luiden:
d. welke diensten, afspraken en interventies nodig zijn met het oog op het verminderen of wegnemen van de onder a bedoelde problemen; en.

D

In artikel I, onderdeel M, komt in het voorgestelde artikel 2.3a.2, tweede lid, de aanhef te luiden: Het college zorgt in ieder geval voor een voorstel voor een gecoördineerde aanpak indien:.

E

In artikel I, onderdeel M, wordt het voorgestelde artikel 2.3a.3 als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid vervalt de komma na “signaleert dat”.
2. In het vijfde lid wordt “indien deze er is” vervangen door “indien deze er is,”.

F

In artikel I, onderdeel M, wordt het voorgestelde artikel 2.3a.4 als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt “welke dienstverlening reeds uit het sociaal domein of aanpalende domeinen wordt ontvangen” vervangen door “welke diensten reeds uit het sociaal domein of aanpalende domeinen worden ontvangen” en wordt aan het slot toegevoegd “, met het oog op het verminderen of wegnemen van de onder a bedoelde problemen”.
2. Het tweede lid, onderdeel d, komt te luiden:
d. welke diensten, afspraken en interventies nodig zijn met het oog op het verminderen of wegnemen van de onder a bedoelde problemen; en.
3. In het derde lid vervallen de woorden “zo nodig”.
4. In het achtste lid wordt “zijn artikel 2.3a.3, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing” vervangen door “is artikel 2.3a.3, eerste en derde tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing”.

G

In artikel I, onderdeel M, wordt in het voorgestelde artikel 2.3a.5 “of bij een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, tweede lid” vervangen door “een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, tweede lid, of bij een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3”.

H

In artikel I, onderdeel Q wordt “waaronder gegevens over de gezondheid” vervangen door “waaronder gegevens over de gezondheid en gegevens van strafrechtelijke aard”.

I

In artikel I, onderdeel T, wordt het voorgestelde artikel 5.4.1 als volgt gewijzigd:
1. De eerste volzin van het eerste lid komt te luiden:
Het college is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de cliënt voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het beoordelen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, of voor het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid.
2. In het tweede lid wordt “voor het uitvoeren van een onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid en artikel 2.3a.4, tweede lid” vervangen door “voor het beoordelen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, of voor het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid”.
3. Het derde lid, onderdeel h, komt te luiden:

h. artikel 8.22, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;.

J

In artikel I, onderdeel T, wordt het voorstelde artikel 5.4.2 als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Partijen verstrekken het college kosteloos persoonsgegevens waaronder gegevens over gezondheid en andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, over de cliënt of betrokken gezinsleden, indien die gegevens noodzakelijk zijn voor:

a. het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid; of

b. het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3a.1, vierde lid, of artikel 2.3a.4, tweede lid, waarbij geldt dat:

1°. het college daartoe een gemotiveerd verzoek doet;

2°. partijen nadere voorwaarden aan de verstrekking kunnen stellen;

3°. partijen de gegevens niet verstrekken indien zij van oordeel zijn dat zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten.
2. Het tweede lid komt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid, verstrekt een partij waarop het bepaalde in artikel 457 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 7.3.11 van de Jeugdwet van toepassing is, uitsluitend gegevens indien de cliënt daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven, behoudens de gevallen waarin enig wettelijk voorschrift deze partij verplicht gegevens te verstrekken of enig wettelijk voorschrift toestaat gegevens zonder uitdrukkelijke toestemming van de cliënt te verstrekken.

K

In artikel I, onderdeel T, wordt het voorgestelde artikel 5.4.3 als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, tweede zin, wordt “zijn bevoegd persoonsgegevens” vervangen door “verwerken persoonsgegevens” en vervalt “te verwerken”.
2. In het tweede lid, eerste zin, wordt “is bevoegd” vervangen door “verstrekt” en vervalt “te verstrekken”.
3. Aan het slot van het derde lid wordt een punt geplaatst.

L

Het in artikel I, onderdeel T, voorgestelde artikel 5.4.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. verder te verwerken voor zover dat noodzakelijk is voor het verstrekken van diensten op grond van deze wet, de Jeugdwet, de Participatiewet, de Wet inburgering 2021 of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, of ten behoeve van interventies op grond van de Jeugdwet of de Wet inburgering 2021;.
2. Aan het eerste lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b, onder 2°, door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
c. te verstrekken aan het college van de gemeente waar de cliënt naartoe verhuist.
3. Aan het slot van het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:
Het college is bevoegd deze gegevens te verstrekken aan het college van de gemeente waar de cliënt naartoe verhuist.

M

Het in artikel I, onderdeel U, voorgestelde artikel 5.5.2, tweede lid, onderdeel h, komt te luiden:

h. artikel 8.22, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020,.

N

In artikel I, onderdeel U, wordt in het voorgestelde artikel 5.5.3 wordt na “op grond van hun ambt of beroep, verstrekken” een punt geplaatst, en wordt “, met dien verstande dat voor zover het verzoek persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreft, de verstrekking daarvan geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.4.2, derde lid.” vervangen door “Voor zover het een verzoek aan partijen als bedoeld in artikel 5.4.2, tweede lid, betreft, is op de verstrekking het bepaalde in artikel 5.4.2, tweede lid, van toepassing, en voor zover het verzoek persoonsgegevens van strafrechtelijke aard betreft, is op de verstrekking het bepaalde in artikel 5.4.2, derde lid, van toepassing.”

O

In artikel II, onderdeel B, wordt “Artikel 7.4.0, tweede lid, onderdeel a” vervangen door “Artikel 7.4.0, eerste lid, onderdeel a”.

P

In artikel III wordt “artikel 9.1.3, derde lid, van de Wet langdurige zorg” vervangen door “artikel 9.1.3, vierde lid, van de Wet langdurige zorg”.

Q

Artikel V wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt “Na artikel 7 van de Participatiewet” vervangen door “Na artikel 8d van de Participatiewet”.

2. Het opschrift van het voorgestelde artikel komt te luiden:

Artikel 8e Gecoördineerde dienstverlening.

R

Artikel VIII, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel b, onder 1°, wordt in het voorgestelde vijfde lid “artikel 2.3a.6 eerste lid” vervangen door “artikel 2.3a.6, eerste lid”.
2. In het in onderdeel b, onder 2°, voorgestelde artikel 2.3a.6, eerste lid, wordt “dat dit noodzakelijk is: gezien de samenhang” vervangen door “dat dit noodzakelijk is gezien de samenhang”.

S

Na artikel VIII, wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel VIIIa

Indien het bij koninklijk besluit van 30 september 2024 ingediende voorstel van wet tot wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b) (Kamerstukken 36621) tot wet is of wordt verheven:
a. treedt artikel II onderdeel C, eerste lid, van die wet niet in werking;
b. en deze wet in werking treedt of is getreden, wordt in artikel II onderdeel C, tweede lid, van die wet “of 2.3.10” vervangen door “2.3.10, 2.3a.1, 2.3a.3 of 2.3a.4”.


Toelichting

Met deze nota van wijziging wordt, mede naar aanleiding van schriftelijke vragen van de fracties van de PVV, GroenLinks, PvdA, D66, BBB, CDA, SP, en SGP een aantal wijzigingen voorgesteld in het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensverwerking (Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein).

Tevens wordt een aantal wetstechnische en redactionele verbeteringen doorgevoerd.

Onderdeel A

Het gemeentebestuur is verantwoordelijk voor het bieden van maatschappelijke ondersteuning. Dit kan worden uitgevoerd door een aanbieder. In artikel I, onderdeel Q, van het wetsvoorstel wordt geregeld dat een aanbieder gegevens kan verwerken voor het toepassen van openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz, een onderdeel van maatschappelijke ondersteuning). In de definitie van aanbieder kwam nog niet tot uitdrukking dat een aanbieder oggz kan toepassen. Onderdeel A regelt dat.

Onderdeel B

Het begrip ernstige meervoudige problematiek wordt met dit onderdeel toegevoegd aan artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Dit verduidelijkt dat toetsing aan de criteria van artikel 2.3a.4, eerste lid, bepalend is om vast te stellen of er mogelijk sprake is van ernstige meervoudige problematiek.

Onderdeel C

Onderdeel C wijzigt artikel 2.3a.1, vierde lid. Dit verduidelijkt dat de reikwijdte van het onderzoek en daarmee gepaard gaande verwerking van gegevens, afgebakend wordt door de problematiek die in het onderzoek betrokken wordt en die bij toepassing van artikel 2.3a.1 in samenspraak met de cliënt wordt bepaald.
Het gewijzigde onderdeel d bakent duidelijker af dat het onderzoek bedoeld is om te bepalen welke diensten, afspraken en interventies nodig zijn om de met de cliĂ«nt besproken problemen op te lossen. Het onderzoek – en de daarvoor benodigde verwerking van gegevens – mag dus niet worden ingezet voor interventies die niet bedoeld zijn voor verbetering van de situatie van de cliĂ«nt.

Onderdeel D

Met deze wijziging van artikel 2.3a.2, tweede lid, wordt beter tot uitdrukking gebracht dat een plan van het college voor een gecoördineerde aanpak, naar aanleiding van een onderzoek naar (ernstige) meervoudige problematiek, een voorstel is. Voor zover in de gecoördineerde aanpak diensten en hulp worden voorgesteld, zal de cliënt die namelijk moeten aanvaarden. Artikel 2.3a.2, tweede lid, geeft aan in welke gevallen een college in ieder geval een gecoördineerde aanpak moet voorstellen.

Onderdeel F

In onderdeel F wordt artikel 2.3a.4, tweede lid, op dezelfde wijze aangepast als artikel 2.3a.1, vierde lid. Dit maakt duidelijk dat de reikwijdte van het onderzoek en de daarmee gepaard gaande verwerking van gegevens afgebakend wordt door de problematiek die in het onderzoek betrokken wordt.
De aanpassing van het derde lid is redactioneel. De woorden “zo nodig” hebben geen duidelijke betekenis en het schrappen van de woorden maakt de zin beter leesbaar.
De aanpassing van het achtste lid brengt dit lid in overeenstemming met de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.3a.4. Artikel 2.3a.3, over de aanwijzing en taken van de coördinator, is volledig van toepassing bij een gecoördineerde aanpak na een onderzoek op grond van artikel 2.3a.4, met uitzondering van artikel 2.3a.3, tweede lid.

Onderdeel G

Omdat partijen ook tijdens een gecoördineerde aanpak kunnen worden uitgenodigd voor een casusoverleg, moet de algemene maatregel van bestuur waarin wordt bepaald welke partijen kunnen worden betrokken bij een onderzoek naar meervoudige problematiek zich ook uitstrekken tot de fase van de gecoördineerde aanpak. Daarom voegt onderdeel G een verwijzing toe naar een gecoördineerde aanpak als bedoeld in artikel 2.3a.3.

Onderdeel H

In de memorie van toelichting bij onderdeel Q is verwezen naar de UAVG als grondslag voor de verwerking van gegevens van strafrechtelijke aard. Artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de UAVG kan hiervoor inderdaad de grondslag zijn, maar alleen als aanvulling op gegevens over de gezondheid. Het is echter mogelijk dat in het kader van de oggz in eerste instantie over een betrokkene alleen gegevens van strafrechtelijke aard bekend zijn. Omdat voor die gevallen de UAVG geen grondslag biedt, wordt artikel 5.2.1 in die zin aangevuld.

Onderdeel J

Het eerste lid van artikel 5.4.2, regelt dat partijen desgevraagd aan het college gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor een onderzoek naar meervoudige problematiek. In dit artikel ontbreekt nog een grondslag voor deze partijen om de noodzakelijke gegevens te verstrekken voor het doen van een verzoek als bedoeld in artikel 2.3a.4, eerste lid, om een onderzoek te starten bij een vermoeden van ernstige meervoudige problematiek. Met de wijziging in het eerste lid van onderdeel J, wordt die grondslag toegevoegd.

Partijen met een (medisch) beroepsgeheim vallen niet onder de verstrekkingsplicht van artikel 5.4.2, eerste lid. Op verstrekking van gegevens door deze partijen ten behoeve van een onderzoek naar meervoudige problematiek of een gecoördineerde aanpak, is artikel 5.4.2, tweede lid, van toepassing. Dit tweede lid wordt met onderdeel J aangepast.

De nieuwe formulering van het tweede lid, komt grotendeels overeen met artikel 2.29, tweede lid van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Stb. 2024, nr. 198). Deze bepaling maakt duidelijk dat bij de eventuele verstrekking van gegevens, verstrekking op basis van uitdrukkelijke toestemming voorop staat tenzij op basis van een wettelijk voorschrift een verstrekkingsplicht van toepassing is of een wettelijk voorschrift toestaat gegevens zonder uitdrukkelijke toestemming van betrokkene te verstrekken, zoals artikel 7.4.0, tweede en derde lid, van de Jeugdwet of artikel 5.2.2 van de Wmo 2015.

Bij een onderzoek op grond van artikel 2.3a.1, dat in samenspraak met de cliënt wordt gedaan, zullen noodzakelijke gegevens van een zorgverlener of jeugdhulpverlener over het algemeen na toestemming van de cliënt kunnen worden verstrekt. Als de cliënt een vertegenwoordiger heeft, kan aan de vertegenwoordiger toestemming worden gevraagd.

In artikel 1.1.1, tweede lid, van de Wmo 2015 is geregeld wie als vertegenwoordiger van de cliënt kunnen optreden. Blijkens de toelichting van het amendement waarmee deze bepaling in de wet is opgenomen (Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 151) is met deze regeling beoogd aan te sluiten bij artikel 465, derde lid, van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (titel 7, afdeling 5, inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst), over de vertegenwoordiging van een meerderjarige patiënt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.
Cliënten met ernstige meervoudige problematiek zullen vaak minder geneigd zijn om toestemming te geven. Ook voor deze groep kan zo nodig een beroep worden gedaan op een vertegenwoordiger van de cliënt.

Als toestemming wordt gegeven, is het nog steeds de afweging van de professional of het in het belang van de cliënt is om gegevens te verstrekken én welke gegevens dan noodzakelijk zijn. Want zowel bij verstrekking van gegevens met toestemming, als op grond van een wettelijk voorschrift, geldt dat het altijd alleen om gegevens gaat die noodzakelijk zijn. Dat zou al kunnen gaan om het enkele feit dat hij bekend is met de cliënt, zodat hij betrokken kan worden bij het onderzoek naar de meervoudige problematiek, bijvoorbeeld door een casusoverleg bij te wonen, en advies kan geven over een gecoördineerde aanpak die verbetering kan gaan brengen in de situatie van deze cliënt. Gegevens over diagnoses en medicatie zullen zelden noodzakelijk zijn om te delen in het kader van een onderzoek naar meervoudige problematiek of tijdens een gecoördineerde aanpak.

Als hierboven gezegd, komt de nieuwe formulering van het tweede lid, grotendeels overeen met artikel 2.29, tweede lid van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS). Uit artikel 2.29 van de WGS is niet overgenomen dat de hulpverlener zonder uitdrukkelijke toestemming van betrokkene gegevens kan verstrekken indien hij die verstrekking noodzakelijk acht uit het oogpunt van goed hulpverlenerschap. De Afdeling advisering van de Raad van State had juist ten aanzien van dit criterium in zijn advies bij de Wams aangegeven dat dit criterium voor hulpverleners te onbepaald is, en ook de verwijzing naar goed hulpverlenerschap zoals die alsnog in artikel 5.4.2, tweede lid, was opgenomen, leidde tot zoveel vragen van diverse fracties dat nu wordt voorgesteld dit criterium niet op te nemen.

Onderdeel K

De aanpassingen in artikel 5.4.3 verduidelijken voor partijen die deelnemen aan een casusoverleg dat zij de taak hebben om in de voorliggende casus de daarvoor noodzakelijke gegevens te verwerken en dus ook te verstrekken. De deelname aan een casusoverleg is niet verplicht – uit de eerste volzin van artikel 5.4.3 blijkt dat partijen worden uitgenodigd – maar als een partij deelneemt gaat het bij de gegevensverwerking binnen het casusoverleg om de inhoudelijke afweging of het gelet op de casus noodzakelijk is bepaalde gegevens in dat overleg te verstrekken.

Onderdeel L

Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geeft de grondslag om de gegevens uit het onderzoek verder te verwerken voor het verstrekken van diensten uit het sociaal domein, zoals een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 of algemene bijstand, bijzondere bijstand of een individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet. Deze bepaling sluit aan op de artikelen 2.3a.1, zesde lid, en 2.3a.4, zesde lid. Dit geldt zowel in de situatie dat de diensten worden verstrekt in het kader van een gecoördineerde aanpak, als in het geval dat na een onderzoek naar meervoudige problematiek geen gecoördineerde aanpak volgt, maar de cliënt wel hulp nodig heeft op grond van een wet uit het sociaal domein of op grond van de Wet inburgering 2021.

Artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, gaat ook over verdere verwerking van gegevens voor interventies. Met interventies wordt – in overeenstemming met normaal spraakgebruik – de inzet van gesloten jeugdhulp, jeugdreclassering en de inburgeringsplicht bedoeld. Het gaat niet om het opleggen van sancties. Met deze wijziging van artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, wordt dat verduidelijkt: verdere verwerking van gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek door het college is toegestaan ten behoeve van het verstrekken van diensten op grond van de sociaaldomeinwetten en de Wet inburgering 2021. Verdere verwerking van gegevens uit het onderzoek door het college ten behoeve van het uitvoeren van interventies betreft alleen toepassing van de Jeugdwet of de Wet inburgering 2021. Zo wordt ook verduidelijkt dat artikel 5.4.4, eerste lid, onderdeel a, geen grondslag biedt om gegevens uit een onderzoek naar meervoudige problematiek verder te verwerken met als doel het opleggen van een sanctie, zoals bijvoorbeeld een bestuurlijke boete.

Aan artikel 5.4.4, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, wordt verder een grondslag toegevoegd om gegevens die zijn verwerkt voor een onderzoek naar meervoudige problematiek of ten behoeve van de gecoördineerde aanpak, te kunnen overdragen aan het college van de gemeente waar een cliënt naartoe is verhuisd. Zo wordt beter de continuïteit van noodzakelijke hulp en ondersteuning gewaarborgd.

Onderdeel N

Artikel 5.5.3, regelt de verstrekking van gegevens door partijen ten behoeve van een triage bij een meldpunt niet-acuut. Voor persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, is vastgelegd dat de verstrekking overeenkomstig art. 5.4.2, derde lid, geschiedt. Met deze wijziging wordt toegevoegd dat verstrekking door partijen met wettelijk geregelde medisch beroepsgeheimen, geschiedt met toepassing van art. 5.4.2, tweede lid.

Onderdeel Q

Met onderdeel Q wordt het voorgestelde artikel 7a van de Participatiewet vernummerd tot artikel 8e. Dat gebeurt om samenloop te voorkomen met de Wet van school naar duurzaam werk (Stb. 2025, 210).

Onderdelen E, I, M, O, P en R

In deze onderdelen worden enkele fouten, zoals verkeerde verwijzingen naar wetsartikelen, hersteld.

Onderdeel S

In dit onderdeel wordt de samenloop met het wetsvoorstel Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b geregeld, voor wat betreft de wijzigingen van artikel 5.2.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,

N.J.F. Pouw-Verweij