De mogelijke arrestatie van een Nederlandse staatsburger in Syrië
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D07766, datum: 2026-02-18, bijgewerkt: 2026-02-20 08:58, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.pdf), link naar pagina op de Tweede Kamer site, officiële HTML versie (kv-tk-2026Z03425).
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: G.F.C. van Meijeren, Tweede Kamerlid (FVD)
Onderdeel van zaak 2026Z03425:
- Gericht aan: D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
- Indiener: G.F.C. van Meijeren, Tweede Kamerlid
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2 |
| Vergaderjaar 2025-2026 | Vragen gesteld door de leden der Kamer |
2026Z03425
Vragen van het lid Van Meijeren (FVD) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de mogelijke arrestatie van een Nederlandse staatsburger in Syrië (ingezonden 18 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met berichten dat een Nederlandse staatsburger, genaamd Max van den Berg, zich momenteel in Syrië bevindt en daar mogelijk is gearresteerd door lokale autoriteiten?
Vraag 2
Kunt u bevestigen of ontkennen dat deze persoon daadwerkelijk is gearresteerd, en zo ja, door welke autoriteit, op welke grond en op welke locatie? Indien dit nog niet is vastgesteld: welke concrete stappen zijn sinds het bekend worden van deze berichten ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen over zijn verblijfplaats en status?
Vraag 3
Welke informatie is u bekend over de detentieomstandigheden (zoals medische zorg, rechtsbijstand, contact met de buitenwereld en risico op foltering of onmenselijke behandeling) indien betrokkene in Syrië wordt vastgehouden?
Vraag 4
Erkent u dat de Staat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft tegenover personen met de Nederlandse nationaliteit, ook als de Staat geen rechtsmacht heeft? Hoe geeft u invulling aan deze verantwoordelijkheid?
Vraag 5
Erkent u dat, indien de mensenrechten van een Nederlandse staatsburger worden geschonden, of dreigen te worden geschonden, daaruit kan voortvloeien dat de Staat een inspanningsverplichting heeft om deze schending of dreigende schending te beëindigen of af te wenden? Erkent u dat, naarmate de belangen die in het geding zijn zwaarder wegen, van de Staat meer mag worden verwacht? Wat is daarover, in deze concrete zaak, uw oordeel?
Vraag 6
Welke vormen van (consulaire) bijstand zijn in de praktijk mogelijk wanneer er geen (volwaardige) diplomatieke betrekkingen bestaan?
Vraag 7
Bent u bereid om alle mogelijke inspanningen te leveren om in dit geval de nodige bijstand te verlenen, bijvoorbeeld via derde staten, internationale organisaties of multilaterale kanalen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Kunt u deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden?