Verslag van een schriftelijk overleg over uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen (Kamerstuk 35633-24)
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D07802, datum: 2026-02-18, bijgewerkt: 2026-02-18 15:45, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (D66)
- Mede ondertekenaar: R.P. Jansma, griffier
Onderdeel van zaak 2026Z03447:
- Indiener: F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Preview document (🔗 origineel)
Geachte Voorzitter,
Met deze brief beantwoord ik de vragen van de leden van de fracties van de VVD en BBB in de Tweede Kamer die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 2 februari jl. over de brief van 1 december 2025 ‘Uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen’ (Kamerstuk 35633, nr. 24). De leden van de Groep Markuszower gaven aan voor nu geen aanvullende vragen en/of opmerkingen te hebben.
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met betrekking tot de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroepszaken betreffende de nadeelcompensatie voor pelsdierhouderijen. Deze leden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) de gekozen beleidsregel als systematiek voor forfaitaire compensatie in stand laat, maar tegelijkertijd oordeelt dat de toegepaste kortingen wegens normaal maatschappelijk risico en leegstand onvoldoende waren gemotiveerd. Daarmee zijn de beroepen van de betrokken ondernemers gegrond verklaard en is het kabinet gehouden om binnen afzienbare termijn nieuwe besluiten te nemen met een hogere vergoeding. Hoe duidt het kabinet deze uitspraken in het licht van rechtszekerheid voor ondernemers die door overheidsmaatregelen versneld hun bedrijfsactiviteiten moesten beëindigen?
Antwoord
Met de Beleidsregel compensatie vervroegde beëindiging pelsdierhouderij zijn pelsdierhouders gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik kunnen hebben van de beschikbare productiecapaciteit. Een deel van de pelsdierhouders is in bezwaar en beroep gegaan tegen de genomen besluiten (appellanten). Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft de beleidsregel als middel om de schade te berekenen en vergoeding vast te stellen in stand gehouden. Het CBb heeft echter geoordeeld dat de vergoeding op twee onderdelen onjuist is vastgesteld. Verder heeft het CBb geoordeeld dat de beroepen gegrond zijn verklaard en dat de besluiten van de appellanten herzien moeten worden. Ik heb de nieuwe beslissingen op bezwaar van de appellanten, met inachtneming van de overwegingen van het CBb, binnen de door het CBb gestelde termijn herzien en uitbetaald, waarbij de hogere vergoeding zoals vastgesteld door het CBb is toegekend. Voor de pelsdierhouders die primair geen bezwaar en beroep gemaakt hebben (niet-appellanten) geldt ten algemene dat zij de mogelijkheid hebben om een herzieningsverzoek in te dienen.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de positie van pelsdierhouders die geen bezwaar of beroep hebben ingesteld. In hoeverre acht het kabinet het wenselijk en juridisch mogelijk om ook voor deze groep duidelijkheid te bieden, mede met het oog op gelijke behandeling en het voorkomen van nieuwe procedures?
Antwoord
Zoals hierboven aangegeven geldt voor pelsdierhouders, die primair geen bezwaar of beroep hebben ingesteld, ten algemene dat zij de mogelijkheid hebben om een herzieningsverzoek in te dienen. Het kabinet zal een besluit moeten nemen over de vraag of deze ondernemers worden betrokken bij de afhandeling van de rechterlijke uitspraak. Daar kan ik niet op vooruit lopen.
De leden van de VVD-fractie constateren ten slotte dat het CBb in een aantal zaken rond voergeldgevers en voergeldnemers tot afwijkende oordelen komt over de aanspraak op compensatie en de wijze van schadevaststelling. Hoe zal het kabinet deze complexe casuïstiek uitwerken en welke gevolgen kan dit hebben voor zowel de uitvoeringspraktijk als de uiteindelijke financiële impact?
Antwoord
Het oordeel ten aanzien van de zaken rond voergeldgevers en voergeldnemers is tweeledig. Enerzijds, zoals ik hierboven heb aangegeven, is er door het CBb over geoordeeld en heb ik hier uitvoering aan gegeven in de nieuwe beslissingen op bezwaar, die allemaal tijdig afgehandeld zijn. Anderzijds heeft het CBb geoordeeld niet bevoegd te zijn om te oordelen over de gestelde schade welke geen bestuursrechtelijke grondslag heeft, zoals de gestelde schade die het gevolg is van een voergeldovereenkomst. Of het niet toekennen van een vergoeding voor schade aan de voergeldgevers rechtmatig is (mede in het licht van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), staat uitsluitend ter beoordeling van de burgerlijke rechter. Op de uitkomst van eventuele juridische procedures kan ik niet vooruitlopen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met teleurstelling
kennisgenomen van de brief van de minister over de uitspraken van het
CBb in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen.
Het College van Beroep heeft heel duidelijk te verstaan gegeven dat de
15 procent korting in verband met ’normaal maatschappelijk risico’ en de
38 euro per fokteef bij bedrijven die al waren geruimd of leegstonden
(de ’leegstand-korting’) volledig onterecht waren.
Vrijwel alle pelsdierhouders hebben daarmee veel te weinig geld gekregen
bij de gedwongen uitkoop van hun bedrijven. Deze leden zijn verbaasd dat
niet is gekozen om alle pelsdierhouders te compenseren, maar slechts de
appellanten. Volgens deze leden gaat het hier niet over wie er juridisch
gelijk krijgt, maar over wat een betrouwbare overheid betaamt tegenover
burgers die geen keuze hadden. Het feit dat alleen appellanten worden
gecompenseerd, betekent dat de overheid een onrechtmatige besparing
behoudt die is gerealiseerd over de ruggen van burgers die geen andere
keuze hadden dan meewerken. Deze leden constateren dat dit past in een
patroon dat ook in andere overheidsdossiers zichtbaar werd: burgers die
vertrouwen op de overheid, blijken achteraf degenen te zijn die het
meest tekort zijn gedaan.
De brieven die de vaste Kamercommissie voor LVVN de afgelopen maanden ontving over dit onderwerp laten een indringend en consistent beeld zien. Daaruit blijkt dat de gebrekkige compensatie pelsdierhouders niet alleen financieel, maar ook emotioneel en sociaal diep heeft geraakt. Ondernemers beschrijven hoe het gedwongen beëindigen van hun bedrijf hun levenswerk, toekomstperspectief en bestaanszekerheid ontnam. Familiebedrijven die generaties lang waren opgebouwd, verdwenen. Kinderen die het bedrijf wilden overnemen, verloren dat perspectief. In meerdere brieven wordt duidelijk hoe de financiële onzekerheid en de gedwongen beëindiging hebben geleid tot stress, spanningen binnen gezinnen en langdurige mentale belasting.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van deze signalen uit de praktijk die een beeld tonen van een groep ondernemers met de rug tegen de muur. Ondernemers die hadden moeten kunnen vertrouwen op een eerlijke overheid, maar die werden geconfronteerd met een regeling die achteraf door de rechter als financieel ontoereikend is beoordeeld. Hoewel alle pelsdierhouders formeel de mogelijkheid hadden om de regeling aan te vechten, blijkt uit de ontvangen brieven dat een formele mogelijkheid in de praktijk niet voor iedereen een reële mogelijkheid was. De omstandigheden maakten het voor een deel van de ondernemers onmogelijk om opnieuw een juridische strijd aan te gaan. Uit de brieven komt naar voren dat eerdere langdurige procedures, financiële uitputting, mentale belasting en de afhankelijkheid van de overheid in deze fase maakten dat zij erop vertrouwden dat de gehanteerde regeling juridisch juist en zorgvuldig was. Uit meerdere brieven komt naar voren dat ondernemers in hun contacten met de overheid de indruk kregen dat het aangaan van een juridische procedure onverstandig zou zijn en de relatie met de overheid zou kunnen schaden. Daarnaast speelde voor een deel van de ondernemers de maatschappelijke context een rol. Zij hadden niets verkeerd gedaan, maar werden geconfronteerd met maatschappelijke druk en acties tegen hun sector. Dit versterkte de behoefte om het proces zo snel mogelijk af te sluiten en geen nieuwe conflicten aan te gaan. Procederen was dus niet voor alle ondernemers een reële optie.
De leden van de BBB-fractie wijzen er daarbij op dat de
pelsdierhouders niet kozen voor vrijwillige uitkoop, maar dat zij
uitvoering moesten geven aan een wettelijk besluit dat hen dwong hun
bedrijf te beëindigen. Juridisch gezien hebben alleen de appellanten
recht op herstel van de fout die door de overheid is gemaakt bij de
uitkoop van de pelsdierbedrijven. Moreel gezien ligt dat anders. Moreel
gezien is het aan de overheid om gemaakte fouten te herstellen tegenover
alle mensen die buiten hun eigen toedoen hun bedrijf kwijtraakten en
door de overheid tekort zijn gedaan. Ook tegenover degenen die door
omstandigheden, stress, afhankelijkheid en (maatschappelijke) druk niet
de mogelijkheid hadden om de overheid juridisch te bestrijden, maar erop
vertrouwden dat zij eerlijk werden behandeld.
Alle pelsdierhouders hebben moreel gezien recht op de vergoeding die zij
destijds al hadden moeten krijgen. Een overheid die alleen herstelt
wanneer burgers procederen, leert haar burgers dat vertrouwen naïef is
en wantrouwen rationeel. Dat kan en mag niet de les zijn die uit deze
affaire wordt getrokken.
Antwoord
Alle nertsenfokkerijen zijn gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik kunnen hebben van de beschikbare productiecapaciteit. In totaal hebben ongeveer 150 pelsdierhouders nadeelcompensatie ontvangen, waarmee in totaal ongeveer € 150 miljoen gemoeid was. De uitspraken zijn bindend voor appellanten. Zoals ik in de beantwoording op vragen van de leden van de VVD-fractie heb aangegeven, heb ik daar tijdig gevolg aan gegeven. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie.
Hoogachtend,
Femke Marije Wiersma
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur