[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een werkbezoek aan Brussel in het kader van het EU-rapporteurschap Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) op 30 januari 2026

EU-voorstellen: Omnibus I (CSRD & CSDDD) COM (2025) 80 en COM (2025) 81

Verslag van een werkbezoek

Nummer: 2026D08015, datum: 2026-02-20, bijgewerkt: 2026-02-20 08:11, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36712 -10 EU-voorstellen: Omnibus I (CSRD & CSDDD) COM (2025) 80 en COM (2025) 81.

Onderdeel van zaak 2026Z03522:

Preview document (🔗 origineel)


36 712 EU-voorstellen: Omnibus I (CSRD & CSDDD) COM (2025) 80 en COM (2025) 81

Nr. 10 Verslag van een werkbezoek aan Brussel in het kader van het EU- rapporteurschap CSDDD van 30 januari 2026
Vastgesteld 13 februari 2026

Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp heeft op vrijdag 30 januari 2026 een werkbezoek gebracht aan Brussel in het kader van het EU-rapporteurschap Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD)/omnibus I. De delegatie bestond uit de EU-rapporteurs Kröger (GroenLinks-PvdA), van Ark (CDA) en Ceder (ChristenUnie). De delegatie brengt hierbij verslag uit van dit bezoek. Het doel van het bezoek was het versterken van de informatiepositie van de Kamer over de laatste stand van zaken van de inhoud en het tot stand komen van het akkoord over het CSDDD-deel van het Omnibus I pakket, de impact ervan op Nederland en de implementatie van de richtlijn in nationale wetgeving.

De delegatie werd in de aanloop naar en tijdens het werkbezoek ondersteund door de EU-adviseur van de commissie, de wetgevingsadviseur en een parlementaire vertegenwoordiger van de Tweede Kamer in Brussel. Zie voor meer informatie de mandaatnotitie.

Gesprek met DG JUST

Het werkbezoek begon op vrijdagochtend met een bezoek aan DG JUST. DG JUST is een Directoraat-generaal van de Europese Commissie dat verantwoordelijk is voor Europees beleid op het terrein van Justitie en Consumenten. DG JUST is betrokken geweest bij de wetgevingsonderhandelingen over de CSDDD-richtlijn en spelen een ondersteunende en coördinerende rol tijdens de implementatiefase.

Als eerste werden de belangrijkste wijzigingen besproken van het oorspronkelijke CSDDD-voorstel. Ten eerste wordt de reikwijdte van het CSDDD-voorstel aangepast. De richtlijn gaat gelden voor ondernemingen in de EU met meer dan 5.000 werknemers en een wereldwijde omzet van tenminste €1,5 miljard, evenals voor niet-EU-bedrijven met een omzet van ten minste € 1,5 miljard op de EU-markt. Ten tweede wordt in de richtlijn een risico gebaseerde aanpak gehanteerd voor de due diligence verplichtingen door de hele waardeketen. In het oorspronkelijk commissievoorstel golden de due-dilligence verplichtingen alleen voor directe zakenpartners (Tier-one) en alleen in geval van aannemelijke informatie over negatieve gevolgen. Dit is na onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement teruggekeerd naar een meer uniforme, op risico gebaseerde aanpak. Ten derde vervalt de verplichting om klimaattransitieplannen op te stellen. Ten vierde vervalt de harmonisatie van civiele aansprakelijkheid, in overeenstemming met het voorstel van de Commissie. De invulling van de civiele aansprakelijkheid voor bedrijven wordt daarmee overgelaten aan lidstaten. Tot slot wees DG JUST op de maximumgrens voor geldboeten, die de Raad en het Parlement hebben vastgesteld op een maximaal boetebedrag van 3% van de wereldwijde netto-omzet. Er gaat geen minimumboete percentage gelden.

Vervolgens werd tijdens het gesprek dieper ingegaan op de risico gebaseerde aanpak. In de oorspronkelijke CSDDD (zoals aangenomen in 2024) werd uitgegaan van mapping. Mapping houdt in dat bedrijven moeten weten wie hun ketenpartners zijn en wat zij doen in de productieketen. In het geamendeerde CSDDD-voorstel is deze aanpak vervangen door scoping. Scoping houdt in dat een bedrijf moet kijken waar de risico’s in de productieketen het grootst zijn en vervolgens op basis daarvan verdiepend onderzoek moet uitvoeren. Deze aanpak is meer in lijn met de bestaande OESO-richtlijnen en zorgt ervoor dat bedrijven op een meer gestructureerde wijze hun risico’s in kaart kunnen brengen.

Daarna is stilgestaan bij de nationale implementatieruimte. DG JUST wees er ten eerste op dat er in het nieuwe CSDDD-voorstel meer artikelen onder de volledige harmonisatieverplichting zijn gebracht. Dit houdt in dat er ten aanzien van bepaalde artikelen uit de richtlijn geen beleidsruimte is voor de lidstaten. Artikel vier1 van de richtlijn geeft aan welke artikelen van de richtlijn onder deze harmonisatieverplichting valt. Hoewel lidstaten daarom uniforme regels moeten toepassen voor algemene zorgvuldigheid, hebben ze wel de ruimte voor nationaal beleid om specifieke situaties of producten te reguleren.

Tot slot werd stilgestaan bij het schrappen van de verplichting tot het opstellen van een klimaattransitieplan. DG JUST gaf aan dat ook bij de oorspronkelijke CSDDD, het klimaattransitieplan niet viel onder de civiele aansprakelijkheid en de handhaving van de implementatie van het klimaattransitieplan dus niet was geregeld.

Gesprek met Europarlementariër Lara Wolters

Tijdens de lunch hadden de rapporteurs een gesprek met Europarlementariër Lara Wolters (GroenLinks-PvdA, S&D) en haar medewerkers. Lara Wolters was rapporteur voor het originele CSDDD-voorstel en voormalig schaduwrapporteur op het CSDDD-deel van Omnibus I.

Als eerste werd stilgestaan bij het wetgevingsproces ten aanzien van Omnibus I. De totstandkoming van het voorstel is heel snel gegaan. De snelheid leidde volgens Lara Wolters tot onzekerheid voor het bedrijfsleven. De consultatieperiode is overgeslagen en er heeft geen impact-assessment plaatsgevonden. De Europese Commissie heeft dit bij de Europese Ombudsman proberen te rechtvaardigen door te stellen dat de economische omstandigheden dramatisch verslechterden, een bezwaar dat door de Ombudsman is afgewezen. De onderhandelingen tussen het Europees parlement en de Raad zijn vervolgens geboycot door een aantal partijen. Daarna is er uiteindelijk met de rechtse partijen in het Europees parlement een meerderheid gevormd voor het voorstel.

Vervolgens is tijdens het gesprek dieper stilgestaan bij een aantal onderwerpen. Ten eerste werd aangegeven dat Nederland geen voorstander was van het schrappen van de harmonisatie van de civiele aansprakelijkheid. Het idee van de richtlijn was dat als er één Europees regime kwam ten aanzien van aansprakelijkheid, de onduidelijkheid in de praktijk zoals met de handhaving van de OESO-richtlijnen en de convenanten werd voorkomen. Daarnaast is het volgens Lara Wolters door het loslaten van deze geharmoniseerde aansprakelijkheid moeilijker voor slachtoffers om hun recht te halen.

Daarna is stilgestaan bij de risico gebaseerde aanpak. In het oorspronkelijke CSDDD-voorstel stond duidelijk een risicogebaseerde aanpak met een focus op de ergste risico’s in de productieketen. In het voorstel van de Europese Commissie werd vervolgens voorgesteld om de due-dilligence verplichtingen alleen te laten gelden voor directe zakenpartners, tenzij er plausibele informatie was dat er negatieve gevolgen plaatsvonden bij indirecte zakenpartners. In dat geval moest ook daar verdiepend onderzoek naar worden gedaan. Deze aanpak zou volgens Lara Wolters tot veel administratieve rondslomp hebben geleid. De risicogebaseerde aanpak is uiteindelijk hersteld bij de onderhandelingen met het Europees parlement. Er is daarbij wel een beperking in de richtlijn ingebouwd voor het vragen van informatie aan kleinere ondernemingen.

Tot slot is stilgestaan bij de nationale beleidsruimte voor lidstaten. Lara Wolters gaf aan dat goed moet worden gekeken naar artikel vier van de richtlijn. Volgens haar hebben lidstaten de vrijheid om af te wijken van de bepalingen in artikelen die niet onder artikel 4 vallen. Artikel 4, lid 2, stelt echter ook duidelijk dat een lidstaat zelfs in de artikelen die onder deze maximale harmonisatiebepaling vallen, kan afwijken wanneer de nationale maatregelen "strenger" of "specifieker" zijn. Zij gaf daarbij aan dat het goed zou zijn als Nederland in het implementatiewetsvoorstel meer duidelijkheid kan bieden aan het bedrijfsleven door bijvoorbeeld de regels over de informatieverplichtingen nader in te vullen.

Gesprek bij de Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de EU

Na de lunch vonden twee gesprekken plaats bij de Permanente Vertegenwoordiging (PV) van Nederland bij de EU. Als eerste vond een gesprek plaats met medewerkers van de PV die de delegatie informeerden over de stand van zaken in de onderhandelingen in Brussel en de impact van Omnibus I op de implementatie van de CSDDD via de Nederlandse Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen (WIVO). Het tweede gesprek op de PV was met de Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij de EU, Pieter Jan Kleiweg de Zwaan, en het Hoofd van de afdeling Internationale Samenwerking, Handel en Externe Zaken. Zij hebben met de delegatie gesproken over de belangrijkste ontwikkelingen in en de bredere context van het EU-handelsbeleid, voornamelijk over de context waarbinnen de EU momenteel werkt aan het uitbreiden van het netwerk van handelsakkoorden.

In het eerste gedeelte van het bezoek aan de PVEU werd de inzet van Nederland in de Raad besproken, waarbij het Commissievoorstel beoordeeld is langs vier elementen: 1) vermindering van regeldruk, 2) het behouden van legitieme beleidsdoelen, 3) juridische zekerheid en 4) het creëren van een gelijk speelveld. Ook werd met de medewerkers van de PV die de contacten met het Europees Parlement onderhouden (EP-team) de totstandkoming van de positie van het EP besproken.

Er is ook gesproken over de reguliere nationale beleidsruimte die de Lidstaten hebben bij de implementatie van richtlijnen. Tussen de Lidstaten kunnen er verschillen blijven bestaan bij implementatie, o.a. door discretionaire ruimte bij de nationaal aangewezen toezichthouders en de implementatiewijze van de richtlijn in de betreffende lidstaat. In het algemeen streven LS naar aansluiting van nationale wetgeving bij de EU-wetgeving en de daarin vervatte internationale standaarden, lidstaten lijken niet voornemens verder te gaan dan de richtlijn. Dit is ook onwenselijk, want Omnibus I is juist bedoeld om een lappendeken aan nationale wetgeving te voorkomen. In Duitsland en Frankrijk, die zelf al nationale wetgeving hebben, moet uiteindelijk de nationale wetgeving voldoen aan de minimum kaders die de CSDDD voorschrijft. Artikel 4 van de wijzigingsrichtlijn (“level of harmonisation”) gaat in op de discretionaire ruimte bij Lidstaten bij de nationale implementatie.

Ook de civiele aansprakelijkheid voor bedrijven werd besproken. Deze is nu niet meer Europees geharmoniseerd, civiele aansprakelijkheid moet onder de nieuwe CSDDD-richtlijn per lidstaat in het nationale civiele recht worden geregeld. Ook de Overriding Mandatory Application (OMA) uit het oorspronkelijke voorstel is geschrapt, waarmee er per lidstaat verschillen kunnen zijn in het bepalen van de toepasselijke wetgeving wanneer er schendingen in landen buiten de EU plaatsvinden in waardeketens van bedrijven onder de CSDDD. Dit maakt dat bedrijven en slachtoffers in sommige gevallen rekening moeten houden met het rechtssysteem uit het betreffende derde land.

Daarnaast is de handhaving van de richtlijn besproken. Deze wordt in Nederland waarschijnlijk belegd bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In andere landen kunnen toezichthouders anders te werk gaan dan in Nederland. In Nederland gaat straks het vraagstuk van de precieze inrichting van het toezicht door de ACM spelen in de nationale implementatiefase. O.a. ter bevordering van het gelijke speelveld zal de Europese Commissie het samenwerken en kennisdelen van de toezichthouders aanmoedigen via het zng. European Network of Supervisory Authorities for the CSDDD.

Tot slot is de impact op het MKB in Nederland besproken. Deze impact wordt niet als heel groot verwacht, aangezien de scope van de richtlijn is aangepast naar bedrijven met meer dan 5000 werknemers en een omzet van 1,5 miljard euro. Bedrijven die onder de richtlijn vallen, zullen echter due diligence moeten toepassen op ondernemingen in hun waardeketen, op basis van een eigen inschatting van de risicovolle schakels in die keten. Echter moet rekening worden gehouden met de in de richtlijn geregelde ontmoediging om onnodig informatie uit te vragen voor bedrijven met minder dan 5000 medewerkers: er mag enkel onder voorwaarden informatie worden uitgevraagd aan dergelijke bedrijven om de administratieve lasten voor hen te beperken.

Gesprek met de Secretaris-Generaal van de Europese Ombudsman

Tot slot werd er gesproken met de Secretaris-Generaal en de Directeur Onderzoeken van de Europese Ombudsman. Het gesprek ging over het onderzoek2 van de Europese Ombudsman naar de totstandkoming van de CSDDD, en de conclusie ervan dat er sprake was van procedurele tekortkomingen bij de voorbereiding door de Europese Commissie. De Commissie beriep zich op ‘urgentie’ om stappen uit de Better Regulation-regels, zoals impact assessments en publieke consultaties, over te slaan. Deze urgentie werd echter, volgens de bevindingen van de Ombudsman, onvoldoende gemotiveerd en afwijkingen werden gebrekkig gedocumenteerd. In het gesprek werd bijvoorbeeld benoemd dat het gevoel van urgentie dat de Commissie ervoer niet gedeeld leek te worden door de Raad en het Parlement, gezien de tijd die zij nodig hadden om het Omnibus I-pakket aan te nemen. De medewerkers van de Ombudsman benadrukte dat het onderzoek niet ging over de inhoud van het wetsvoorstel, maar slechts om de gevolgde procedures. De Ombudsman is immers niet bevoegd om de inhoud van de wetgeving te onderzoeken, bovendien is deze wetgeving al aangenomen. Het Europees Hof van Justitie is de enige instantie die zich kan uitspreken over de wettigheid of geldigheid van EU-wetgeving. De Ombudsman kwalificeerde de tekortkomingen als maladministration en zij heeft aanbevelingen gedaan om urgente wetgeving voortaan alsnog transparant, evidence-based en inclusief voor te bereiden. Wat bruikbaar is voor de Kamer is dat de Ombudsman bepaalde leemtes identificeerde in de voorbereiding van het wetsvoorstel door de Europese Commissie, zoals het ontbreken van een impact assessment. Een eventueel onderzoek naar de impact van de richtlijn zou dus op nationaal niveau door het parlement kunnen worden gedaan. Desgevraagd antwoordde de Ombudsman dat er ook vragen waren over waarom de CSDDD en niet de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) centraal stond, aangezien deze de meeste administratieve regels bevatte. Verder voegde de Ombudsman eraan toe dat het belangrijk is dat het van belang is dat de Commissie een duidelijke afbakening geeft van het begrip ‘urgentie’, in verhouding tot wat eventueel als ‘prioriteit’ moet worden beschouwd. Alleen in geval van daadwerkelijke ‘urgentie’ mag van de Commissie worden verwacht dat zij afwijkt van de normale regels die gelden voor haar regelgevingsprocedures.

Kröger
Van Ark
Ceder


  1. De commissie zal op een later moment, gelijktijdig met de actualisatie van de vergelijking van de CSDDD met de Wet zorgplicht kinderarbeid, nadere informatie ontvangen van de staf over de reikwijdte van artikel 4 van de CSDDD-richtlijn.↩︎

  2. https://www.ombudsman.europa.eu/en/recommendation/en/215920↩︎