[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Voorstel van wet

Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

Voorstel van wet

Nummer: 2026D08163, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-23 09:28, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Onderdeel van kamerstukdossier 36902 -2 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken.

Onderdeel van zaak 2026Z03575:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

[KetenID WGK14607]

Voorstel van wet

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat bibliotheken een essentiële maatschappelijke en culturele voorziening zijn; dat alle inwoners van Nederland binnen een redelijke afstand toegang dienen te hebben tot een volwaardige openbare bibliotheekvoorziening; dat het daarom wenselijk is het bibliotheekstelsel structureel te verstevigen door te voorzien in een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om te zorgen dat er in elke gemeente een openbare bibliotheekvoorziening is en dat het nodig is daartoe de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen te wijzigen; dat het tevens wenselijk is de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten te wijzigen om onder andere te voorzien in een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel I. Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

De Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 komt te luiden:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

bibliotheekorganisatie: organisatie, genoemd in artikel 2 van deze wet;

bibliotheekvoorziening: een door een bibliotheekorganisatie verzorgde voorziening;

Koninklijke Bibliotheek: de Koninklijke Bibliotheek, genoemd in artikel 1.5, tweede lid, van de WHW;

landelijke digitale bibliotheek: bibliotheekvoorziening als bedoeld in artikel 17 van deze wet;

lokale bibliotheek: organisatie met rechtspersoonlijkheid die een of meerdere voor een ieder toegankelijke bibliotheekvoorzieningen verzorgt en die in overwegende mate door een of meer gemeenten dan wel de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt gesubsidieerd of in stand gehouden;

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

provinciale ondersteuningsinstelling: in overwegende mate door een of meer provincies gesubsidieerde of in stand gehouden voorziening die een pakket aan ondersteunende activiteiten biedt voor de lokale bibliotheken in de desbetreffende provincie of provincies;

werk: exemplaar van een werk als bedoeld in artikel 10 van de Auteurswet;

WHW: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

B

In artikel 2 vervalt de tweede volzin.

C

In artikel 3 wordt “met uitzondering van de artikelen 8, onderdelen a, b, c en e, 10, 11, eerste lid, 15 en 16” vervangen door “met uitzondering van de artikelen 8, onderdelen a, b, c en e, 11, eerste lid, en 15”.

D

In artikel 4 wordt “Een openbare bibliotheekvoorziening” vervangen door “Een bibliotheekorganisatie”.

E

In artikel 5 wordt “Een voor een ieder toegankelijke openbare bibliotheekvoorziening omvat” vervangen door “De lokale bibliotheek en de Koninklijke Bibliotheek, voor wat betreft haar taak tot het in stand houden van de landelijke digitale bibliotheek, vervullen”.

F

Artikel 6 komt te luiden:

Artikel 6. Zorgplicht

1. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is.

2. Als onderdeel van het aanbod, bedoeld in het eerste lid, houdt het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege ten minste één bibliotheekvoorziening in stand die:

a. alle vijf functies als bedoeld in artikel 5 van deze wet vervult;

b. een fysieke collectie heeft; en

c. over een professionele personeelsbezetting beschikt.

3. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege stelt met het oog op de taak, bedoeld in het eerste lid, iedere vier jaar een meerjarenplan vast. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege betrekt de lokale bibliotheek bij het opstellen van het meerjarenplan.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het meerjarenplan.

G

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7. Netwerk en deelnemers

De lokale bibliotheken, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek, voor wat betreft haar taken op grond van deze wet, vormen een netwerk.

H

Aan artikel 8 wordt, onder vervanging van “; en” aan het slot van onderdeel e door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door “; en” een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. werkt samen met de andere deelnemers aan innovaties ten behoeve van bibliotheekvoorzieningen.

I

Artikel 8a. Leesbevordering in het onderwijs

1. Als onderdeel van de taak, bedoeld in artikel 8, onderdeel f, bevordert de lokale bibliotheek het lezen bij onderwijsinstellingen als bedoeld in artikel 1 van de Wet register onderwijsdeelnemers in de gemeente, gemeenten of het openbare lichaam waarin zij werkzaam is.

2. Onze Minister kan ten behoeve van het onderdeel van de functie, bedoeld in het eerste lid:

a. subsidie verstrekken; of

b. een specifieke uitkering, onderscheidenlijk een bijzondere uitkering verstrekken in die gevallen waar de bibliotheekvoorziening onderdeel is van de gemeente of het openbaar lichaam als rechtspersoon.

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van subsidie of een specifieke uitkering, bedoeld in het tweede lid.

J

In artikel 9, onderdeel b, wordt na “de landelijke digitale bibliotheek” ingevoegd “en het ontwikkelen en in stand houden van de landelijke digitale infrastructuur, in afstemming met de andere deelnemers aan het netwerk”.

K

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 10. Gezamenlijk collectieplan

2. In het eerste lid wordt na “elke vier jaar” ingevoegd “, in overeenstemming met vertegenwoordigers van de lokale bibliotheken en provinciale ondersteuningsinstellingen,”.

3. In het tweede lid wordt “Het collectieplan” vervangen door “Het gezamenlijk collectieplan”.

4. Het derde lid vervalt.

L

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt “voor de landelijke digitale bibliotheek”.

2. In het tweede lid wordt “de desbetreffende openbare bibliotheekvoorziening” vervangen door “de desbetreffende bibliotheekvoorziening”.

M

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

2. Het lidmaatschap bij de openbare bibliotheek kan lidmaatschap bij een lokale bibliotheek, bij de landelijke digitale bibliotheek of beide omvatten.

2. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde lid tot het derde.

N

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16. Provinciale ondersteuningstaken

1. Gedeputeerde staten zorgen dat er een provinciale ondersteuningsinstelling ten behoeve van de lokale bibliotheken in de provincie werkzaam is.

2. Een provinciale ondersteuningsinstelling:

a. verricht ondersteunende activiteiten ten behoeve van de lokale bibliotheken;

b. biedt kennis en advies over de inrichting, exploitatie en doorontwikkeling van lokale bibliotheken;

c. is verantwoordelijk voor de distributie van fysieke werken door middel van het interbibliothecaire leenverkeer binnen de provincie of provincies waarbinnen zij werkzaam is;

d. is samen met de andere provinciale ondersteuningsinstellingen verantwoordelijk voor de distributie van fysieke werken door middel van het interbibliothecaire leenverkeer tussen alle provincies; en

e. werkt samen met andere provinciale ondersteuningsinstellingen.

3. Onze Minister wijst, in afstemming met de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, één provinciale ondersteuningsinstelling aan die de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, verricht ten behoeve van de lokale bibliotheken in de openbare lichamen. De activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c en d, hoeven niet door deze instelling in de openbare lichamen te worden verricht.

4. De aanwijzing, bedoeld in het derde lid, vindt telkens voor een periode van vijf jaar plaats.

5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:

a. de procedure voor de aanwijzing van een provinciale ondersteuningsinstelling, bedoeld in het derde lid; en

b. de verstrekking van subsidie aan de aangewezen provinciale ondersteuningsinstelling voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het derde lid.

O

Aan het opschrift van hoofdstuk 4 wordt toegevoegd “en de landelijke digitale infrastructuur”.

P

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt onderdeel a, onder verlettering van de onderdelen b tot en met e tot a tot en met d.

2. Het tweede lid alsmede de aanduiding “1.” voor het eerste lid vervallen.

Q

Na artikel 17 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 17a. Landelijke digitale infrastructuur

1. De landelijke digitale infrastructuur, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, omvat de landelijk aangeboden digitale voorzieningen die nodig zijn voor het functioneren van het netwerk, bedoeld in artikel 7.

2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, bestaan in ieder geval uit:

a. een nationale bibliotheekcatalogus waarin het aanbod van de openbare bibliotheken ten behoeve van hun gebruikers wordt ontsloten;

b. een website-infrastructuur ten behoeve van organisaties in het netwerk op basis van uniforme specificaties;

c. een voorziening ten behoeve van de centrale gegevenslevering, bedoeld in artikel 11; en

d. voorzieningen ten behoeve van het interbibliothecair leenverkeer, bedoeld in artikel 15.


Artikel 17b. Het beheerplan

1. De Koninklijke Bibliotheek gaat in een apart onderdeel van het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2a van de WHW, in op de wijze waarop zij de landelijke digitale bibliotheek en de landelijke digitale infrastructuur in stand houdt. Dit onderdeel van het instellingsplan heet beheerplan.

2. Het beheerplan is afgestemd met de andere deelnemers aan het netwerk en bevat in ieder geval:

a. een toelichting op de wijze waarop de Koninklijke Bibliotheek de landelijke digitale bibliotheek in stand houdt aan de hand van de onderdelen, bedoeld in artikel 17, eerste lid; en

b. een ontwikkelagenda ten behoeve van de integrale digitale netwerkinfrastructuur, die bestaat uit landelijke, regionale en lokale voorzieningen.

R

In artikel 29 wordt “binnen vijf jaar” vervangen door “elke vijf jaar”.

Artikel II. Auteurswet

De Auteurswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 15d wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van deze stichting worden in de Staatscourant gepubliceerd.

2. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd “voor een periode van ten hoogste drie jaren”.

3. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal worden herbenoemd voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 15f bedoelde rechtspersoon draagt de kosten van de voorzitter van de in eerste zin bedoelde stichting. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.

B

Na artikel 15d wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 15da

In afwijking van artikel 15c, tweede lid, zijn scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de aan die scholen of instellingen verbonden bibliotheken ten behoeve van de maker of zijn rechtverkrijgende een billijke vergoeding verschuldigd voor het uitlenen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onder 3°, van een exemplaar van een werk dat door of met toestemming van de maker of zijn rechtverkrijgende in het verkeer is gebracht. De verplichting tot betaling van deze vergoeding rust op de Staat. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld.

C

In artikel 15e wordt na “artikel 15c, eerste lid,” ingevoegd: “of artikel 15da”.

D

In artikel 15f, eerste lid, wordt na “artikel 15c” ingevoegd “en artikel 15da”.

E

Artikel 16e wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste zin wordt na “de in artikel 16c bedoelde vergoeding” ingevoegd “en de voorwerpen ten aanzien waarvan die vergoeding verschuldigd is,” en wordt “wordt vastgesteld” vervangen door “worden vastgesteld”.

2. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van de stichting worden in de Staatscourant gepubliceerd.

3. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd “voor een periode van ten hoogste drie jaren”.

4. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal opnieuw worden herbenoemd voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 16d bedoelde rechtspersoon draagt de kosten van de voorzitter van de in de eerste zin bedoelde stichting. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.

F

In artikel 17d wordt na “artikelen” ingevoegd: “15da,”.

Artikel III. Wet op de naburige rechten

Artikel 15b van de Wet op de naburige rechten wordt als volgt gewijzigd:

1. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, die luidt: De besluiten van deze stichting worden in de Staatscourant gepubliceerd.

2. Aan de derde zin (nieuw) wordt toegevoegd “voor een periode van ten hoogste drie jaren”.

3. Na de derde zin (nieuw) worden vier zinnen toegevoegd, die luiden: De voorzitter kan na afloop van deze periode aansluitend ten hoogste tweemaal opnieuw worden herbenoemd voor een periode van telkens ten hoogste drie jaren. In het benoemingsbesluit wordt de hoogte van de beloning van de voorzitter geregeld. De in artikel 15a bedoelde rechtspersoon draagt de kosten van de in de eerste zin bedoelde stichting. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.

Artikel IV. Overgangsrecht Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

1. Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege is gedurende de eerste drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet niet verplicht om te voldoen aan de zorgplicht, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.

2. In afwijking van artikel 6, derde lid, van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen publiceert het college van burgemeesters en wethouders dan wel het bestuurscollege het eerste meerjarenplan na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.


Artikel V. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,