[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Memorie van toelichting

Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken

Memorie van toelichting

Nummer: 2026D08164, datum: 2026-02-12, bijgewerkt: 2026-02-23 09:28, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36902 -3 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen omten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onderandere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken.

Onderdeel van zaak 2026Z03575:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


wijwillemalexander.gif

Memorie van toelichting

Algemeen deel

  1. Inleiding

Achtergronden en context

Op 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (hierna: de Wsob) in werking getreden.1 De Wsob geeft het Nederlandse openbare bibliotheekwerk een inhoudelijk, bestuurlijk en financieel kader in de vorm van een stelsel van samenwerkende bibliotheekvoorzieningen en overheden. De stelselverantwoordelijkheid berust bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister). De Wsob geeft invulling aan het begrip openbare bibliotheek en deelt bepaalde taken toe aan de partijen die deel uitmaken van het stelsel.

De Wsob is in 2019 geëvalueerd. Uit de evaluatie blijkt dat de openbare bibliotheken vanaf circa 2010 hun maatschappelijke functies succesvol hebben verbreed en hun impact hebben vergroot.2 Deze verbreding is onder meer zichtbaar in de vijf wettelijke bibliotheekfuncties: het ter beschikking stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van het lezen en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat, het laten kennismaken met kunst en cultuur.3 De bibliotheken verrichten deze functies vanuit publieke waarden, zoals onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en pluriformiteit.4

Het beeld van de evaluatie van de Wsob is echter tweeledig. In dezelfde periode waarin de bibliotheken hun functies hebben verbreed, is het fysieke bibliotheeknetwerk verschraald. Over de periode 2012-2021 is het aantal bibliotheekvestigingen met honderd afgenomen van 843 naar 744.5 Er zijn gemeenten en wijken zonder openbare bibliotheekvestiging en gemeenten waar wel een bibliotheek aanwezig is, maar deze onvoldoende is toegerust (bijvoorbeeld wat betreft gebouw, personeel, collectie, openingstijden, of activiteiten) om de maatschappelijke functies te kunnen vervullen.6

Het uitgangspunt van de Wsob is dat alle inwoners van Nederland binnen een redelijke afstand toegang hebben tot een volwaardige openbare bibliotheek. Blijkens de evaluatie wordt dit niet overal waargemaakt. Met name in niet-stedelijke regio’s en in wijken van grote gemeenten. Daar hebben de inwoners onvoldoende toegang tot het aanbod dat de bibliotheken bieden, zoals ondersteuning bij basisvaardigheden. Oorzaken daarvoor liggen in het feit dat gemeentelijke budgetten onder druk staan en de taken van gemeenten en provincies ten aanzien van bibliotheken in de Wsob als bevorderingstaken zijn geformuleerd.7 Gemeenten, provincies en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor het bibliotheekwerk, maar zij zijn vrij in de wijze waarop zij deze verantwoordelijkheid invullen. Dat kan tot gevolg hebben dat er geen of slechts een beperkte bibliotheek is. Voor het bibliotheekwerk in de openbare lichamen is specifieke aandacht nodig als gevolg van de meertaligheid, het beperkte aantal inwoners (Saba en Sint Eustatius) en het ontbreken van ondersteuning voor de bibliotheken.


Korte termijn: repareren en versterken van het stelsel via een specifieke uitkering

De openbare bibliotheek heeft zich ontwikkeld van een plek voor het lenen van boeken naar een plek voor informatie, educatie en cultuur en een ontmoetingsplaats van de wijk, de stad of het dorp. Soms als onderdeel van een multifunctionele sociaal-culturele voorziening. De openbare bibliotheek is hiermee een essentiële maatschappelijke voorziening die bijdraagt aan basisvaardigheden en brede ontwikkeling. Vanwege het grote algemene maatschappelijke belang van de openbare bibliotheek is in het coalitieakkoord van het kabinet Rutte IV Omzien naar elkaar, vooruitzien naar de toekomst uit 2021 vastgelegd te streven naar een toekomstgerichte bibliotheek(voorziening) in elke gemeente’.8 In de kabinetsbrief Een abonnement

op de hele wereld uit 2022 is dit voornemen uitgewerkt in plannen voor de korte en voor de lange termijn.9 Het kabinet Schoof heeft deze lijn voortgezet.10

Voor de korte termijn (2023 tot en met 2025) wordt het netwerk van fysieke bibliotheken door middel van een specifieke uitkering aan gemeenten (hierna: Spuk bibliotheken) gericht gerepareerd en versterkt.11 Dit gebeurt in die gemeenten waar dit het hardst nodig is. Dat zijn gemeenten zonder bibliotheek, gemeenten waar de afstand tot de bibliotheek te groot is geworden en gemeenten met grote maatschappelijke opgaven. In drie aanvraagrondes voor specifieke uitkeringen is in totaal € 65,7 miljoen aan gemeenten beschikbaar gesteld voor de versterking van het bibliotheeknetwerk. Daarmee worden 46 nieuwe vestigingen opgericht en honderd beperkte voorzieningen doorontwikkeld naar volwaardige vestigingen. Daarnaast worden van 196 bibliotheken de bemande openingsuren verruimd. In twee gemeenten is het aantal sta-uren van de bibliobus verruimd. In totaal hebben 244 van de 342 Nederlandse gemeenten één of meer specifieke uitkeringen ontvangen.

Lange termijn: bereikbaarheid garanderen via een zorgplicht

Voor de langere termijn worden de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de fysieke bibliotheek structureel gewaarborgd door een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies. Dit wetsvoorstel dient daartoe en sluit aan op het advies dat de Raad voor Cultuur naar aanleiding van de evaluatie van de Wsob heeft uitgebracht.12 Met dit wetsvoorstel wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Mohandis c.s., die de regering verzoekt voor iedere inwoner de toegang tot een volwaardige bibliotheek te garanderen.13

Wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten

Naast de wijziging van de Wsob bevat dit wetsvoorstel ook een wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Hiermee wordt voorzien in een regeling voor leenrechtvergoedingen voor uitleningen door bibliotheken van scholen en mbo-instellingen. Voor alle uitleningen via bibliotheken in scholen zal een leenrechtvergoeding worden uitgekeerd. Over deze voorgenomen wijziging is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd bij brief van 24 november 2023.14 Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de regeling voor de Stichting onderhandelingen leenrechtvergoeding (hierna: StOL) en de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoeding (hierna: SOnt), waar de hoogte van de vergoeding voor uitlenen respectievelijk privé-kopiëren wordt vastgesteld, te uniformeren. De voorgestelde wijzigingen strekken ertoe de geldende regels te verduidelijken en de governance en bekostiging te verbeteren en professionaliseren.

Omdat dit wetsvoorstel wijzigingen van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten bevat, is deze memorie van toelichting mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

  1. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel wijzigt ten eerste de Wsob met als doel de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de lokale bibliotheek structureel te waarborgen door middel van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies. De wijziging van de Wsob omvat ook een structurele regeling voor de samenwerking tussen de bibliotheken en het onderwijs op het gebied van leesbevordering. Ten tweede wijzigt dit wetsvoorstel de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten met als doel een leenrechtvergoeding voor uitleningen door schoolbibliotheken in het leven te roepen en de regeling voor de onderhandelingen over leenrechtvergoedingen te verduidelijken en aan te scherpen. In paragraaf 2.1 worden de wijzigingen van de Wsob nader toegelicht. De wijzigingen in de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten worden nader toegelicht in paragraaf 2.2. Naast deze wijzigingen worden er ook enkele technische aanpassingen gedaan in de Wsob. Deze worden in het artikelsgewijze deel van deze toelichting nader uiteengezet.

2.1 Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen

Zorgplicht

Dit wetsvoorstel beoogt een solide en structurele basis te leggen voor de aanwezigheid van een bibliotheek in alle gemeenten en de drie openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarom wordt de bestaande bevorderingstaak voor gemeenten, openbare lichamen en provincies omgezet in een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedere gemeente en ieder openbaar lichaam voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is. Er is in iedere gemeente of openbaar lichaam tenminste één bibliotheekvoorziening, die de vijf functies uit artikel 5 van de Wsob uitvoert, beschikt over een fysieke collectie en professioneel bemand is. Deze zorgplicht betreft uitdrukkelijk een ondergrens. De zorgplicht heeft daarmee in hoofdzaak een kwalitatieve invulling. Het doel van de zorgplicht geldt voor alle gemeenten en openbare lichamen, en is gericht op een lokaal bibliotheekbeleid dat in voldoende mate aansluit bij lokale omstandigheden, behoeften en ontwikkelingen.

Van gemeenten en de openbare lichamen wordt verwacht dat zij na overleg met de lokale bibliotheek in een meerjarenplan beschrijven op welke manier zij invulling geven aan de zorgplicht. Het plan onderbouwt de lokale keuzen in het bibliotheekbeleid. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere eisen aan de inhoud van het meerjarenplan gesteld. Daarbij kan gedacht worden aan onderwerpen als de omvang, de dichtheid en samenstelling van de bevolking, de lokale maatschappelijke opgaven, hoe de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht en rekening houdt met de positie van de bibliotheek te midden van andere sociaal-culturele voorzieningen en het onderwijs.

Provincies dragen zorg voor de ondersteuning van lokale bibliotheken door de provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s). Zij hebben hiertoe al een wettelijke taak op grond van artikel 16 van de Wsob. Deze taak wordt met dit wetsvoorstel opnieuw geformuleerd en doet daarmee meer recht aan de feitelijke activiteiten van de POI’s bij het bieden van advies en verspreiden van kennis. Daarnaast houden de provincies interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. In Caribisch Nederland wordt de ondersteuning verzorgd door een provinciale ondersteuningsinstelling uit Europees Nederland die daartoe door de minister wordt aangewezen en gesubsidieerd. Nadere regels hierover worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Het toezicht in Caribisch Nederland ligt volgens de Wet openbare lichamen BES (hierna: WolBES) bij de Rijksvertegenwoordiger.

De zorgplicht ten aanzien van lokale bibliotheken is een verzwaring van de bestaande wettelijke bevorderingstaak voor gemeenten en openbare lichamen. Voor het uitvoeren van deze taak ontvangen de gemeenten via het gemeentefonds structureel aanvullende middelen. Hiervoor is een structureel bedrag van in totaal circa € 60 miljoen beschikbaar.15 Dit budget is bedoeld als aanvulling op de bestaande gemeentelijke middelen voor openbare bibliotheken van circa € 490 miljoen en dient om de aangescherpte wettelijke taken uit te kunnen voeren en het bibliotheekstelsel duurzaam te versterken.16 De omvang van de rijksbijdrage is gebaseerd op drie uitgangspunten. Ten eerste stelt het gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening financieel in staat aan de wettelijke ondergrens te gaan voldoen. Daarnaast kunnen gemeenten met het budget het bibliotheekaanbod dat in de periode 2023-2025 op grond van de Spuk bibliotheken is opgebouwd of verbeterd, voortzetten. Ten slotte ondersteunt het de overige gemeenten bij de doorontwikkeling van de openbare bibliotheek als sociaal-culturele en educatieve voorziening die bijdraagt aan de lokale maatschappelijke opgaven. De zorgplicht in Caribisch Nederland wordt in eerste instantie gefinancierd door middel van individuele tijdelijke intensiveringen via een bijzondere uitkering. Hiervoor is in totaal een bedrag van € 385.000 per jaar beschikbaar. Het streven is dit budget voor de openbare lichamen uiteindelijk beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds.

Het Nederlandse bibliotheeklandschap vertoont een grote diversiteit. Verbetering en doorontwikkeling kunnen, afhankelijk van de lokale situatie, op verschillende manieren vorm krijgen. Bijvoorbeeld een vergroting van het publieksbereik, een uitbreiding van het aantal educatieve en culturele activiteiten of een intensivering van de samenwerking met het onderwijs, cultuur en andere relevante lokale maatschappelijke organisaties. De activiteiten sluiten bij voorkeur zoveel mogelijk aan op de maatschappelijke opgaven die bibliotheekpartijen en overheden in het actuele bibliotheekconvenant zijn overeengekomen.17 De maatschappelijke opgaven zijn voor de lopende convenantsperiode: een geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving, en een leven lang ontwikkelen.

Verankering van de samenwerking tussen de bibliotheek en het onderwijs bij leesbevordering

Het kabinet Schoof geeft voor het onderwijs landelijke prioriteit aan de verbetering van basisvaardigheden als lezen en schrijven.18 Dit tegen de achtergrond van over een langere periode teruglopende scores van Nederlandse leerlingen op leesvaardigheid en leesplezier.19 Het regeerprogramma van het kabinet beschrijft dat de bibliotheken een belangrijke rol spelen bij leesbevordering. Zij bereiken kinderen in de voorschoolse en schoolgaande leeftijd. Ook werken bibliotheken sinds 2008 steeds intensiever samen met scholen aan programma’s voor leesbevordering, zoals ‘de Bibliotheek op school’. De inbreng van bibliotheken bij deze programma’s bestaat met name uit expertise op het gebied van collecties, leesvoorkeuren en leesgedrag. Deze programma’s hadden de vorm van tijdelijke projecten met tijdelijke financiering. Uit onderzoek is hun effectiviteit gebleken.20 Op grond daarvan is besloten deze programma’s structureel op te nemen in het leesbevorderingsbeleid voor scholen en bibliotheken.21 De specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan krijgen bij deze aanpassing van de Wsob een wettelijke basis. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Mohandis c.s. over de duurzame verankering van ‘de Bibliotheek op school’.22

Voor de duurzame verankering van de Bibliotheek op school is in 2027 € 19 miljoen beschikbaar. Vanaf 2028 gaat het jaarlijks om € 25 miljoen. De middelen voor de bibliotheken worden door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als subsidie aan de bibliotheken of in geval van een onzelfstandige bibliotheek die onderdeel is van de rechtspersoon gemeente, als specifieke uitkering beschikbaar gesteld. Voor deze bekostigingswijze is gekozen, omdat de middelen afkomstig zijn uit de onderwijsbegroting en de financiering gericht op bibliotheken moet aansluiten op de financiering gericht op scholen. Dat is niet mogelijk bij een financiering via de algemene uitkering gemeentefonds.

De fysieke en de digitale bibliotheek

De Wsob biedt de juridische en financiële basis voor het lenen van digitale werken door bibliotheekgebruikers. De omvang en het gebruik van de landelijke digitale bibliotheek hebben sinds de invoering van de Wsob in 2015 een grote vlucht genomen. In 2023 omvatte de online bibliotheek circa 50.000 titels (e-books en luisterboeken), die door circa 390.000 actieve gebruikers circa 78 miljoen keer werden geleend. 23

Een klantvriendelijke digitale bibliotheek met relevante content is een onderdeel van elke openbare bibliotheek. Het doel is een integraal en gebruiksvriendelijk fysiek en digitaal aanbod voor de gebruiker. Om dit te bereiken hebben de Koninklijke Bibliotheek (hierna: KB) en de lokale bibliotheken verschillende stappen gezet, zoals toegang tot de online omgeving van de lokale bibliotheek en de landelijke digitale bibliotheek met gebruikmaking van één toegangsprofiel.24 De praktijk laat echter zien dat de samenhang tussen de landelijke digitale bibliotheek en de lokale bibliotheek kan worden versterkt. Deze wet beoogt dit te doen.

Uitgangspunt bij deze versterking is het behoud van de bestaande wettelijke rolverdeling tussen partijen. Op grond van de Wsob is de KB verantwoordelijk voor de landelijke digitale infrastructuur en voor de collectie en infrastructuur van de landelijke digitale bibliotheek. De gemeenten, openbare lichamen en lokale bibliotheken zijn verantwoordelijk voor de lokale fysieke bibliotheek en voor de lokale digitale infrastructuur, die onder andere op de bedrijfsvoering en de leden- en uitleenadministratie betrekking kan hebben. In de praktijk zijn de provinciale ondersteuningsinstellingen met regelmaat betrokken op regionaal niveau, omdat zij – bijvoorbeeld – innovaties ontwikkelen. Dit wetsvoorstel legt op grond van de bestaande praktijk vast welke onderdelen de landelijke digitale infrastructuur tenminste omvat. Dat zijn: een nationale bibliotheekcatalogus, waarin het aanbod van de openbare bibliotheken voor de gebruikers wordt ontsloten, een landelijke website-infrastructuur voor bibliotheken op basis van uniforme specificaties, een voorziening voor centrale gegevensverzameling zoals bedoeld in artikel 11 van de Wsob en voorzieningen voor het interbibliothecair leenverkeer als bedoeld in artikel 15 van de Wsob. Daarnaast omvat de huidige landelijke digitale infrastructuur ook een centrale voorziening voor authenticatie van door de openbare bibliotheken aangeboden diensten en een centrale voorziening voor het vastleggen en ontsluiten van gegevens met betrekking tot de dienstverlening van openbare bibliotheken in kader van de maatschappelijke opgaven.

Afstemming tussen de KB en de andere deelnemers aan het netwerk is nodig om het geheel als één digitaal bibliotheeknetwerk te laten functioneren. Voor de inkoop van digitale content is dit wettelijk geregeld.25 De KB koopt content in op voordracht van de lokale bibliotheken. De lokale bibliotheken hebben daarmee zeggenschap over de samenstelling van de digitale collectie. 26 Ook worden de fysieke en digitale collecties en de collectievorming in samenhang beschouwd door middel van het gezamenlijke collectieplan.27 De bepalingen in de Wsob over het collectieplan geven de KB de opdracht dit plan op te stellen in overeenstemming met de andere deelnemers aan het netwerk.

Om het digitale bibliotheeknetwerk geschikt te houden voor toekomstige digitale ontwikkelingen is het noodzakelijk dat de landelijke, regionale en lokale digitale infrastructuur op elkaar zijn afgestemd en besluiten daarover in onderlinge afstemming worden genomen. Dit betreft bijvoorbeeld besluiten over de inhoud en het toepassen van een referentiearchitectuur en over het ontwikkelen en implementeren van nieuwe digitale diensten. Artikel 8, onderdeel d, van de Wsob regelt in algemene zin de samenwerking tussen partijen in het bibliotheeknetwerk bij de digitale infrastructuur. De praktijk laat echter zien dat een effectieve samenwerking gebaat is bij een specificatie van de rolverdeling. In dit wetsvoorstel is daarom een bepaling opgenomen voor de besluitvorming over de landelijke digitale infrastructuur, waarbij wordt aangesloten bij de bestaande Wsob-rolverdeling en netwerkstructuur.28

Caribisch Nederland

De Wsob is, met uitzondering van enkele artikelen, ook van toepassing in Caribisch Nederland.29 Gezien de specifieke omstandigheden is extra inspanning is nodig om het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland te versterken. Daarvoor wordt een afzonderlijk maatwerktraject opgezet. In de Wsob was ondersteuning voor Caribisch Nederland door een Nederlandse provinciale ondersteuningsinstelling niet geregeld. Daarin wordt met deze wetswijziging voorzien. De minister wijst in afstemming met Caribisch Nederland een provinciale ondersteuningsinstelling aan die ondersteuning biedt aan de bibliotheken in Caribisch Nederland.

2.2 Wijziging Auteurswet en de Wet op de naburige rechten

Leenrechtvergoeding voor uitlening van boeken via scholen en mbo-instellingen

Veel scholen verbeteren de kwaliteit van hun schoolbibliotheken. Zij breiden hun collecties uit en voegen actuele titels toe. Deze activiteiten zijn onderdeel van het beleid om het lezen onder de jeugd te stimuleren. Vaak gebeurt dat in samenwerking met de lokale openbare bibliotheek, bijvoorbeeld via het programma ‘de Bibliotheek op School’. De Auteurswet staat het uitlenen van auteursrechtelijk beschermde werken zoals boeken, tijdschriften en andere geschriften toe. Reguliere bibliotheken die uitleningen verrichten, zijn daarvoor aan de rechthebbenden een billijke vergoeding verschuldigd. Die vergoeding wordt geïnd door een door de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen rechtspersoon, te weten: de Stichting Leenrecht. Die Stichting keert de vergoeding uit aan rechthebbenden via zogeheten verdeelorganisaties. De Stichting Leenrecht en de verdeelorganisaties staan daarbij onder toezicht van het College van Toezicht Auteursrechten, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten (CvTA).

Op grond van de Auteurswet zijn scholen – net als andere ‘instellingen van onderwijs’ en ‘instellingen van onderzoek’ – echter vrijgesteld van de afdracht van leenrechtvergoedingen bij de uitlening van werken.30 In de praktijk blijkt onder andere door het voornoemde programma ‘de Bibliotheek op School’ sprake te zijn van een verschuiving van uitleningen van kinder- en jeugdboeken door lokale bibliotheken (tegen betaling van een billijke vergoeding) naar schoolbibliotheken (die zijn vrijgesteld van het betalen van betaling van een billijke vergoeding). De rechthebbenden krijgen daardoor steeds vaker geen billijke vergoeding.

Schrijvers van kinder- en jeugdboeken vormen een essentiële schakel bij leesbevordering. Zij zorgen voor een rijke en actuele collectie kinder- en jeugdliteratuur. Fair pay is een belangrijke pijler in het cultuurbeleid. Het is van belang dat deze schrijvers evenals andere daarbij betrokken rechthebbenden, zoals illustratoren en uitgevers, een billijke vergoeding kunnen krijgen wanneer hun kinder- en jeugdboeken worden uitgeleend. Het moet blijven lonen om kinder- en jeugdboeken te schrijven en daarin te investeren en het moet worden voorkomen dat de schoolbibliotheek daar onbedoeld afbreuk aan doet. Daarom heeft de toenmalige Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in 2022 afspraken gemaakt met rechthebbenden over leenrechtvergoedingen bij uitleningen door scholen. De afspraken betreffen een tijdelijke regeling voor compensatie voor leenrechtvergoedingen die vanwege de vrijstelling niet worden afgedragen en het voornemen om te komen tot een structurele wettelijke regeling via een wijziging van de Auteurswet.31 Met dit wetsvoorstel wordt in die structurele wettelijke regeling voorzien. Een goede regeling voor de vergoedingen voor uitleningen van boeken via scholen is een randvoorwaarde voor de samenwerking tussen bibliotheken en scholen op het gebied van leesbevordering die met dit wetsvoorstel wordt geregeld (zie onder 2.1).

Voorgesteld wordt de vrijstelling op te heffen voor uitleningen door scholen in het primair, voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs en instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs, en door de aan die scholen verbonden bibliotheken (hierna kortheidshalve: scholen en mbo-instellingen), waarbij de billijke vergoeding voor de uitleningen door deze scholen en mbo-instellingen rechtstreeks door de Staat wordt betaald. De vergoeding komt daarbij ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Als scholen en mbo-instellingen betalingsplichtig zouden worden gemaakt, dan zou dit er mogelijk toe kunnen leiden dat zij de boeken niet mee naar huis zouden geven. Als de boeken namelijk op school blijven, is er geen sprake van uitlenen in de auteursrechtelijke betekenis van het woord en is er dus ook geen vergoeding verschuldigd. De regering wil echter juist stimuleren dat boeken mee naar huis gaan om scholieren en mbo-studenten ook thuis in de gelegenheid te stellen te lezen.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven over de wijze waarop de hoogte van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken door de scholen en mbo-instellingen wordt vastgesteld. Gelet op de strekking van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011 in zaak C-271/10 tussen Vewa tegen de Belgische Staat zal de billijke vergoeding te allen tijde verband moeten houden met het uitlenen.32 In de algemene maatregel van bestuur zal worden geregeld dat de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de formule P x Q, waarbij P staat voor de vergoeding per uitlening en Q voor het aantal uitleningen. Wat de P betreft, ligt het voor de hand aan te haken bij de door de StOL vastgestelde en in de loop van de jaren geïndexeerde vergoeding.

De Q zal worden benaderd door periodiek onderzoek naar het aantal werken dat door de scholen en mbo-instellingen wordt uitgeleend. Dit onderzoek zal door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verzorgd. Scholen en mbo-instellingen worden er niet toe verplicht een uitleenadministratie bij te houden vanwege de daarmee gepaard gaande administratieve rompslomp en kosten. Scholen en mbo-instellingen kunnen voor beleidsonderzoek wel worden gevraagd op vrijwillige basis gegevens aan te leveren over het aantal uitleningen in algemene zin.

Aanscherping wettelijke regeling Stichting onderhandelingen leenrechtvergoeding en de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoeding

In dit wetsvoorstel is tevens een aanpassing en uniformering van de wettelijke regeling voor de Stichting onderhandelingen leenrechtvergoeding en (op gelijke wijze) de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoeding Daartoe worden de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten gewijzigd.

De voorgestelde wijzigingen strekken ertoe de regels rondom de StOL te verduidelijken en de governance en bekostiging te verbeteren en professionaliseren. Geregeld wordt in de eerste plaats dat de voorzitters van de StOL en de SOnT, recht krijgen op een beloning voor hun werkzaamheden en dat deze beloning in het benoemingsbesluit wordt geregeld. In de tweede plaats wordt geregeld dat dat de voorzitters voor een termijn van ten hoogste drie jaren worden benoemd en maximaal twee keer kunnen worden herbenoemd voor opnieuw telkens een termijn van drie jaren.

Daarnaast wordt geregeld dat Stichting Leenrecht en de Stichting de Thuiskopie op grond van het profijtbeginsel de kosten van de voorzitter van de StOL, onderscheidenlijk de voorzitter van de SOnT gaan dragen. Onder de kosten van de voorzitter van de Stol en de SOnT worden ook de eventuele kosten begrepen ten behoeve van de secretariële ondersteuning. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent, zo nodig, nadere regels worden gesteld. Het gaat hierbij om een betrekkelijk gering bedrag, dat voor de StOL op nog geen duizend euro per jaar wordt geraamd. De kosten van de voorzitter van de SOnT worden voor de jaren 2026 tot en met 2028 op ongeveer € 50.000 per jaar geraamd. Dat komt neer op zo’n 0,125% van de huidige totale omzet van Stichting de Thuiskopie. Ten slotte wordt geregeld dat de door de StOL en SOnT vastgestelde tarieven voortaan worden gepubliceerd in de Staatscourant om de kenbaarheid ervan te vergroten. De SOnT deed dit al.

  1. Gevolgen

Doel van dit wetsvoorstel is dat gemeenten en openbare lichamen hun inwoners toegang geven tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen. Het netwerk van openbare bibliotheken wordt door middel van het wetsvoorstel versterkt. In potentie kunnen daarmee alle inwoners binnen een redelijke afstand gebruik maken van de diensten en activiteiten van de lokale bibliotheek. Het wetsvoorstel voorziet in de daarvoor noodzakelijke bestuurlijke, financiële en organisatorische randvoorwaarden.

Regeldruk

Het wetsvoorstel heeft merendeels betrekking op de taken van gemeenten, openbare lichamen en provincies. Hierbij is geen sprake van regeldruk, omdat de gemeenten, openbare lichamen en provincies publiekrechtelijke organisaties zijn. Deze effecten van het wetsvoorstel zijn vanzelfsprekend wel onderwerp van de verschillende uitvoerbaarheidstoetsen.

Voor burgers heeft het wetsvoorstel geen regeldrukeffecten. Voor de POI’s zijn de regeldrukeffecten beperkt: de wijzigingen met betrekking tot de taken van de POI’s expliciteren de bestaande praktijk. Wel is regeldruk gemoeid met de procedure op basis waarvan door de minister een POI voor Caribisch Nederland wordt aangewezen. Deze regeldrukeffecten zullen nader in beeld worden gebracht bij de uitwerking van deze procedure in de genoemde ministeriële regeling. Eventuele regeldruk voor bibliotheken als uitvloeisel van de samenwerking met scholen op het gebied van leesbevordering zal worden geanalyseerd bij de subsidieregeling voor bibliotheken op grond van artikel 8a. De specifieke uitkering die ingezet kan worden in gevallen waarin gemeenten, openbare lichamen een onzelfstandige bibliotheek in stand houden, ziet enkel op gemeenten, openbare lichamen en heeft hierdoor geen regeldruk.

De wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten brengt geen regeldruk met zich mee.

Het wetsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (hierna: ATR). Het ATR heeft het wetsvoorstel niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het wetsvoorstel geen gevolgen heeft voor de regeldruk.

  1. Uitvoering

Dit wetsvoorstel is opgesteld na een cyclus van ambtelijke en bestuurlijke overleggen met de betrokken overheden en bibliotheekpartijen: de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG), het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO), de Vereniging van Openbare Bibliotheken (hierna: VOB), de stichting samenwerkende provinciale ondersteuningsinstellingen Nederland (hierna: SPN) en de KB. Dit overleg startte direct bij de uitwerking van de voorstellen in het coalitieakkoord in twee bibliotheekbrieven.33 Vervolgens heeft het overleg zich met name gericht op de afstemming over een wettelijke zorgplicht en op de invulling van het begrip ‘volwaardige bibliotheek’. De uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel, inclusief handhaafbaarheid en toezicht, was hierbij een belangrijk aandachtspunt. Daarbij speelde de vraag welke onderwerpen op het niveau van de wet moeten worden geregeld en welke onderwerpen partijen in onderling overleg kunnen regelen. Op basis hiervan is ervoor gekozen in de wet alleen de hoofdcriteria van de zorgplicht vast te leggen. Deze zijn: toegang tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen binnen redelijke afstand en in iedere gemeente minimaal één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uitvoert, beschikt over een fysieke collectie en een professionele bemanning. De gemeente of het openbaar lichaam stellen een meerjarenplan op dat beschrijft hoe de zorgplicht wordt ingevuld. Voorschriften voor het meerjarenplan worden nader uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur. Ook het financiële kader en de verdeling van middelen over gemeenten via het gemeentefonds waren onderwerpen van ambtelijk en bestuurlijk overleg. Het wetsvoorstel handhaaft de hoofdstructuur van de Wsob en de bestaande verdeling van verantwoordelijkheden tussen de overheden en tussen de bibliotheekvoorzieningen. De toename van de administratieve lasten blijft beperkt tot het opstellen van het meerjarenplan door de gemeenten en openbare lichamen en de toezichtstaken van de provincie.

Tot slot is met betrokken overheden en bibliotheekpartijen gesproken over werkbare termijnen van inwerkingtreding voor het meerjarenplan, de zorgplicht en het toezicht. Gemeenten hebben voldoende tijd nodig om na publicatie van de wet een meerjarenplan op te stellen en te voldoen aan de zorgplicht. Het voornemen is dat gemeenten hun meerjarenplannen uiterlijk een jaar na publicatie van deze wet publiceren en dat de zorgplicht drie jaar na publicatie van deze wet in werking treedt, waardoor gemeenten uiterlijk op dat moment aan de zorgplicht moeten voldoen. Daarmee krijgen ook provincies voldoende tijd zich voor te bereiden op de nieuwe toezichtstaak.

Uitvoerbaarheidstoetsen

Tegelijk met de internetconsultatie (zie paragraaf 8) is de meest betrokken organisaties en rechtspersonen gevraagd een uitvoerbaarheidstoets (VNG, IPO, KB) te verrichten dan wel een reactie te formuleren (Caribisch Nederland) op het wetsvoorstel in de versie waarin het voor consultatie is gepubliceerd Die versie verschilde op de volgende onderdelen van het huidige wetsvoorstel: de zorgplicht was meer kwantitatief geformuleerd met een minimum aantal openingsuren (vijftien uur), het bibliotheekaanbod was omschreven met het begrip ‘vestiging’ en de rol van bibliotheken bij leesbevordering in het onderwijs was niet opgenomen.

VNG

De VNG heeft de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel met name getoetst op de impact op de beperkte groep gemeenten die op dit moment nog niet aan de zorgplicht voldoet. De VNG signaleerde dat deze gemeenten moeilijk zouden kunnen voldoen aan de eis van ten minste één volwaardige bibliotheekvestiging (minimaal vijftien uur professioneel bemand open, een fysieke collectie, uitvoeren van de vijf bibliotheekfuncties). Het budget dat deze gemeenten op grond van het wetsvoorstel via de algemene uitkering gemeentefonds zouden ontvangen, zou daarvoor mogelijk niet toereikend zijn. Kleine gemeenten met een groot oppervlak zouden voor het realiseren van een volwaardige vestiging in de termen van de Wsob misschien bestaande kleinere bibliotheekvoorzieningen moeten sluiten. De VNG pleit dan ook voor mogelijkheden voor maatwerk bij de kleinere gemeenten. Het overgrote deel van de gemeenten kan naar het oordeel van de VNG wel aan de zorgplicht voldoen. Het meerjarenplan uit het wetsvoorstel acht de VNG uitvoerbaar. Het sluit aan bij de bestaande beleidscyclus en veel gemeenten werken al met een dergelijk document.

Het wetsvoorstel is naar aanleiding van, onder meer, de uitvoeringstoets op een aantal onderdelen gewijzigd. Volgens de nieuwe formulering van de zorgplicht voorziet de gemeente en het openbaar lichaam in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is met tenminste één bibliotheekvoorziening die de vijf functies uit artikel 4 van de Wsob uitvoert, beschikt over een fysieke collectie en professioneel bemand is. De aanduiding ‘vestiging’ is vervangen door ‘voorziening’ en het minimumaantal openingsuren is komen te vervallen. Dit geeft gemeenten meer mogelijkheden voor een eigen invulling van de zorgplicht op basis van lokale demografische en geografische kenmerken. Zo wordt het mogelijk voor twee gemeenten om gezamenlijk een bibliotheekvoorziening in stand te houden of een bibliobus te laten rijden, als er tenminste één voorziening is die voldoet aan de eisen: het uitvoeren van de vijf functies, het beschikken over een collectie en professionele bemensing.

KB

De KB constateert dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is en haar bestaande taken niet veranderen. Wel legt het wetsvoorstel, meer nog dan de bestaande wet, nadruk op de samenwerking tussen bibliotheekorganisaties in het netwerk en het belang van afstemming. De samenwerking betreft zowel de fysieke, als de digitale bibliotheek. De KB wijst erop dat het aansturen van het stelsel één van haar wettelijke taken is.34 Deze taak zal meer nadruk gaan krijgen.

De regering beoordeelt deze inbreng als volgt. Wsob ordent het bibliotheekveld als een stelsel van samenwerkende organisaties, waarbij de KB een aansturende taak heeft. De netwerksamenwerking heeft zich sinds de invoering van de Wsob verder ontwikkeld. In de eerste periode na de invoering van de Wsob lag de nadruk op het bij elkaar brengen van de partijen en vervolgens op het bereiken van wederzijdse afstemming en het formuleren van gezamenlijke doelen Dat blijkt onder meer uit het Bibliotheekconvenant 2020-2023, tussen partijen afgesloten na de evaluatie van de Wsob, en het daarop volgende convenant 2024-2027.35 Het wetsvoorstel draagt de KB op keuzen over de landelijke digitale bibliotheek en de landelijke digitale infrastructuur te maken in afstemming met de overige deelnemers aan het bibliotheeknetwerk. Deze aanpassing betreft vooral een explicitering van de bestaande taken van de KB.

IPO

Het IPO reageert vanuit twee rollen op het wetsvoorstel: als overheid die verantwoordelijk is voor de provinciale ondersteuning en als toezichthouder op de gemeenten bij de uitvoering van de zorgplicht. Vanuit de brede maatschappelijke rol van de openbare bibliotheken ondersteunt het IPO het principe van een zorgplicht voor gemeenten. Het wetsvoorstel geeft een nieuwe, bredere omschrijving van de taken van POI’s aansluitend op de staande praktijk. Het IPO onderschrijft deze taakomschrijving. Het IPO heeft verder voorgesteld de samenwerking tussen provinciale ondersteuningsorganisaties als element aan de provinciale ondersteuningstaken toe te voegen. Dit voorstel is overgenomen.

Tevens heeft het IPO vanuit de rol als toezichthouder de handhaafbaarheid van de zorgplicht voor gemeenten getoetst. Het IPO adviseert de afstand tot de bibliotheek in de zorgplicht op te nemen en gemeenten daarnaast meer ruimte voor lokaal maatwerk te geven. Naar aanleiding van de uitvoerbaarheidstoetsen en de internetconsultatie is de zorgplicht voor gemeenten opnieuw geformuleerd. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan dit advies van het IPO.

Het IPO onderschrijft het bedrag dat voor de nieuwe toezichtstaken beschikbaar komt en stelt voor in een evaluatie vast te stellen of dit bedrag toereikend is.

Caribisch Nederland

De openbare lichamen van Sint Eustatius en Saba hebben geen reactie op het wetsvoorstel geformuleerd. Bonaire heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde zorgplicht en verzoekt het bestaande contact over het vervolg en de implementatie voort te zetten. De regering is voornemens om inderdaad het contact hierover met de eilanden voort te zetten.

  1. Toezicht en handhaving

Toezicht en de handhaving vinden plaats volgens het bestaande stelsel van het generieke interbestuurlijke toezicht, zoals geregeld in de Gemeentewet, de Provinciewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.36 Toegepast op het beleidsterrein van de openbare bibliotheken betekent dit het volgende. De huidige bevorderingstaak van gemeenten en openbare lichamen wordt verzwaard naar een zorgplicht. Het betreft een taak die in medebewind wordt uitgevoerd. Volgens de principes van het generiek interbestuurlijke toezicht houdt de provincie toezicht op de uitvoering van deze taak door gemeenten. Zij kunnen hierbij gebruik maken van het bestaande instrumentarium, te weten indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging. Het gemeentelijk meerjarenplan en de jaarlijkse monitorgegevens van de KB zijn bronnen waarop de provincies zich kunnen baseren. Het toezicht op de naleving van de zorgplicht is een nieuwe provinciale toezichtstaak. Voor de uitvoering daarvan zal het Rijk budget beschikbaar stellen. Het Rijk houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht en van het toezicht door de provincies. In Caribisch Nederland wordt het toezicht uitgevoerd door de Rijksvertegenwoordiger.

In een periodiek bestuurlijk overleg bespreken de minister, de VNG, het IPO, de VOB, de KB en de SPN de ontwikkelingen in het bibliotheekstelsel. Daarbij betrekken zij onder andere de bevindingen van het toezicht door de provincies, de jaarlijkse gegevens van de KB over de ontwikkelingen in het bibliotheekstelsel, de afspraken uit het bibliotheekconvenant en de gegevens uit de certificering van bibliotheken.

  1. Financiële gevolgen

Gemeenten

Gemeenten en de openbare lichamen krijgen de wettelijke taak het bibliotheekaanbod ten minste op het niveau van dit wetsvoorstel te brengen. Dat is een verzwaring van de huidige bevorderingstaak van gemeenten. Een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek zal een nieuwe bibliotheek moeten realiseren. Van gemeenten waar het bibliotheekaanbod het in dit wetsvoorstel beschreven minimumniveau al heeft, wordt verwacht dat zij de openbare bibliotheek op basis van lokale maatschappelijke opgaven doorontwikkelen conform de onder paragraaf 2 beschreven lijnen. Voor het geheel hiervan is een aanvullend structureel budget van circa € 60 miljoen per jaar beschikbaar. Uit dit budget wordt aan gemeenten een bedrag ter beschikking gesteld via het gemeentefonds. De uitkering per gemeente wordt berekend op basis van een bedrag per inwoner in combinatie met een bedrag dat tenminste benodigd is om een locatie te exploiteren. Het bedrag per inwoner bedraagt € 2,90 waarbij het totale bedrag per gemeente nooit lager is dan € 100.000. Deze berekeningswijze stelt kleinere gemeenten ook in staat een bibliotheekvoorziening te exploiteren.

In de periode na afloop van de Spuk en voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel ontvangen gemeenten een decentralisatieuitkering. Hiervoor is een bedrag van in totaal € 59,3 miljoen beschikbaar. Dit betreft de jaren 2025 en 2026. Hiermee kunnen gemeenten het bibliotheekaanbod dat met de Spuk is opgebouwd, voortzetten. Gemeenten zonder bibliotheek kunnen de middelen inzetten om zich voor te bereiden op de zorgplicht.37

Provincies

Het Rijk stelt uit het totale budget van circa € 60 miljoen een bedrag van € 0,5 miljoen beschikbaar voor het interbestuurlijk toezicht van provincies op de zorgplicht. Dit bedrag is opgebouwd uit een vast bedrag en een variabel bedrag op basis van het aantal gemeenten per provincie.

Caribisch Nederland

Versterking van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland wordt in eerste instantie gefinancierd door middel van individuele tijdelijke intensiveringen via een bijzondere uitkering. Hiervoor is in totaal een bedrag van € 385.000 per jaar beschikbaar, als volgt verdeeld: Bonaire € 150.000 Sint. Eustatius € 125.000 en Saba € 110.000. Het streven is dit budget voor de openbare lichamen uiteindelijk beschikbaar te stellen via de vrije uitkering uit het BES-fonds. Voor de POI die zal worden aangewezen voor Caribisch Nederland wordt bij de subsidieregeling een beschikbaar bedrag bepaald.

Bibliotheken

Voor de bekostiging van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering in samenwerking met scholen is in 2027 een bedrag van € 19 miljoen beschikbaar, oplopend naar € 25 miljoen structureel vanaf 2028. De minister keert dit bedrag in de vorm van een subsidie voor dit specifieke doel uit aan bibliotheken.

Uitleningen via schoolbibliotheken

Voor vergoedingen aan rechthebbenden voor de uitlening van werken via schoolbibliotheken is een structureel bedrag van in totaal € 3,5 miljoen beschikbaar. Dit bedrag is berekend op basis van een raming van het aantal uitleningen vanuit schoolbibliotheken aan leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. De verdeelmethode zal bij algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd (zie paragraaf 2.2).

  1. Evaluatie

De Wsob bepaalt dat de wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding, dus binnen vijf jaar na 1 januari 2015, werd geëvalueerd. Die evaluatie heeft plaatsgevonden in 2019-2020. De inzichten en conclusies uit deze evaluatie liggen mede ten grondslag aan dit wetsvoorstel. Voor de beleidsvorming is het wenselijk dat periodiek een beeld beschikbaar komt van de resultaten van de wet en van de ontwikkelingen in de bibliotheeksector. Om die reden regelt het wetsvoorstel dat de wet, gerekend vanaf het moment van inwerkingtreding, elke vijf jaar wordt geëvalueerd. In deze evaluatie zullen onderwerpen aan de orde komen als: de ontwikkelingen in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en het gebruik van de openbare bibliotheek, de samenwerking tussen scholen en bibliotheken bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken en de daarmee samenhangende vergoedingen voor rechthebbenden.

  1. Advies en consultatie

Dit wetsvoorstel is van 25 oktober tot en met 20 december 2024 voor internetconsultatie gepubliceerd. Er zijn zeventig reacties ontvangen. Meer dan de helft van de reacties is afkomstig van lokale en provinciale bibliotheekorganisaties. Daarna volgen reacties van gemeenten, landelijke organisaties en burgers. De consultatieversie verschilde op de volgende onderdelen van het huidige wetsvoorstel: de zorgplicht was meer kwantitatief geformuleerd met een minimum aantal openingsuren (vijftien uur), het lokale bibliotheekaanbod was omschreven met het begrip ‘vestiging’ en de rol van bibliotheken bij leesbevordering in het onderwijs was niet ingevuld.

De koepelorganisaties van de gemeenten, de VNG, en van de bibliotheken, de VOB, hebben gereageerd op het wetsvoorstel. De inbreng van de VNG en van de VOB komt veelal terug in de reacties van individuele gemeenten en bibliotheken.

Reactie van de VOB

De VOB onderschrijft het doel van de wetswijziging, namelijk het garanderen van de toegang tot een volwaardige bibliotheek binnen redelijke afstand voor elke inwoner. Ook onderschrijft de VOB het meerjarenplan uit het wetsvoorstel als bestuurlijk document waarin de gemeente, na afstemming met de lokale bibliotheekorganisatie, de ambities en de lokale invulling van de zorgplicht voor het bibliotheekbeleid voor een langere periode vastlegt.

In aanvulling op dit algemene oordeel doet de VOB een aantal suggesties voor wijziging van het wetsvoorstel. In de consultatieversie van het wetsvoorstel concentreert de zorgplicht zich op de beschikbaarheid van tenminste één volwaardige bibliotheekvestiging per gemeente die mimimaal vijftien uur per week professioneel bemand open is. De VOB vindt deze omschrijving te beperkend. In de praktijk zou de ondergrens van één vestiging met een vast omschreven minimum aantal openingsuren als maximum kunnen worden beschouwd. Dat zou een beweging naar beneden op gang kunnen brengen bij gemeenten die nu al aan de eisen van de zorgplicht voldoen. De VOB pleit dan ook voor een meer generieke omschrijving van de zorgplicht, die rekening houdt met de lokale omstandigheden, zoals de geografische structuur en de bevolkingssamenstelling en -spreiding. Dat geeft gemeenten en bibliotheken meer flexibiliteit. Datzelfde geldt ook door van een ‘bibliotheekvoorziening’ in plaats van een ‘bibliotheekvestiging’ te spreken. Ook stelt de VOB voor bij algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden te stellen aan de inhoud van het meerjarenplan, onder andere voor het financieringsniveau, de huisvesting, de spreiding van voorzieningen en de openingsuren.

Tevens pleit de VOB ervoor de samenwerking tussen de bibliotheek en het onderwijs op het gebied van leesbevordering meer inhoud te geven en structureel te verankeren in een afzonderlijk wetsartikel. Tot slot spreekt de VOB haar zorgen uit over de vraag of het budget dat het rijk beschikbaar stelt voor de invoering van het wetsvoorstel, ook daadwerkelijk bij de bibliotheken terecht zal komen.

Veel individuele bibliotheken sluiten zich in hun reactie aan bij de inbreng van de VOB. Soms vragen zij tevens aandacht voor de specifieke lokale situatie, zoals de mogelijke inzet van bibliobussen in dunbevolkte gebieden. Veel ingebrachte individuele punten zijn te specifiek lokaal van aard om tot een aanpassing van het wetsvoorstel te leiden.

Reactie van de VNG

Ook de VNG onderschrijft de doelstelling van het wetsvoorstel. De VNG geeft twee aandachtspunten mee: de zorgplicht moet ruimte voor lokaal maatwerk bieden en de inhoud van de zorgplicht kan niet verder reiken dan hetgeen gemeenten met het beschikbare budget van circa € 60 miljoen kunnen realiseren. Daarnaast heeft een aantal individuele gemeenten gereageerd. Veelal onderschrijven zij de wens van de VNG voor lokaal maatwerk of brengen een specifiek lokaal punt in.

Aanpassingen aan het wetsvoorstel naar aanleiding van de internetconsultatie

Naar aanleiding van de reacties is de zorgplicht in artikel 6a opnieuw geformuleerd. Het minimum aantal openingsuren van vijftien uur per week is komen te vervallen en de term ‘vestiging’ is vervangen door ‘voorziening’. De zorgplicht gaat sterker uit van het bieden van een bibliotheekaanbod dat past bij de lokale situatie. Zo wordt het mogelijk voor twee gemeenten om gezamenlijk een bibliotheekvoorziening in stand te houden of een bibliobus te laten rijden, als er tenminste één voorziening is die voldoet aan de eisen: het uitvoeren van de vijf functies, het beschikken over een collectie en professionele bemensing. De aanvankelijk vooral kwantitatief geformuleerde zorgplicht heeft hiermee een meer kwalitatieve invulling gekregen.

Aan het wetsvoorstel is een nieuw artikel 8a toegevoegd dat een grondslag biedt voor de ondersteuning die bibliotheken het onderwijs kunnen bieden op het gebied van leesbevordering, met name bij de leesvaardigheid en het leesplezier. Dit kan bijvoorbeeld plaatsvinden via de formule de Bibliotheek op school. Het artikel regelt tevens de bekostiging van de bibliotheken voor het uitoefenen van deze taak. Vanwege het specifieke doel in relatie tot het onderwijs verloopt de bekostiging rechtstreeks tussen het rijk en de lokale bibliotheken.

Inbreng die niet tot aanpassing heeft geleid

Voor de invoering van de wettelijke zorgplicht is een structureel budget van circa € 60 miljoen beschikbaar. Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat dit bedrag aan alle gemeenten ter beschikking wordt gesteld via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Het zijn daarmee vrij besteedbare middelen. De VOB en veel bibliotheken vragen zich af of gemeenten de bedragen daadwerkelijk voor de openbare bibliotheek zullen inzetten. Zij stellen daarom voor een bestedingsplicht voor dit budget te hanteren.

Bij de beoordeling van dit voorstel van de VOB en veel bibliotheken voor een bestedingsplicht voor gemeenten spelen de volgende overwegingen een rol. Op grond van de Wsob zijn gemeenten verantwoordelijk voor het lokale bibliotheekbeleid. Dit blijft ook zo bij de invoering van de wettelijke zorgplicht. De inkomsten van openbare bibliotheken bedroegen in 2023 circa € 625 miljoen. Verreweg het grootste deel daarvan – circa € 500 miljoen – is afkomstig van gemeentelijke subsidies uit de algemene middelen van gemeenten.38 Er zou een financiële inconsistentie ontstaan, als de algemene bekostiging van het lokale bibliotheekwerk langs twee routes zou verlopen: het grootste deel via de algemene uitkering gemeentefonds en een klein deel via een uitkering aan gemeenten met specifieke voorschriften. Omwille van de eenduidigheid is er voor gekozen voor de algemene bekostiging van het lokale bibliotheekwerk één bekostigingsstructuur te hanteren: de algemene uitkering gemeentefonds. Deze wijze van financieren bevestigt het vertrouwen in gemeenten bij het bibliotheekbeleid. De betrokkenheid en inzet van gemeenten bij het bibliotheekbeleid blijkt onder andere uit hun grote deelname aan de Spuk bibliotheken.

Verschillende bibliotheken hebben voorgesteld het lidmaatschap van de openbare voor alle leden gratis te maken. Op grond van de huidige Wsob is het lidmaatschap tot 18 jaar gratis. Voor volwassen leden geldt een betaald lidmaatschap.39 Het is van belang dat zo veel mogelijk personen van de bibliotheek gebruikmaken. Bibliotheken houden daarom bij de prijsstelling van hun abonnementen over het algemeen rekening met de randvoorwaarde van een brede toegankelijkheid. In aanvulling daarop bieden verschillende gemeenten voor specifieke doelgroepen gratis toegang tot de bibliotheek, bijvoorbeeld via stadspassen. Het is niettemin niet uitgesloten dat de kosten van het lidmaatschap een rol spelen bij het niet-gebruik van de openbare bibliotheek. Er zijn echter geen onderzoeksgegevens over de gedragseffecten bij een gratis lidmaatschap bekend. De inkomsten uit lidmaatschapsgelden bij bibliotheken bedragen ongeveer

€ 50 miljoen per jaar.40 Dat is 8% van de exploitatiekosten van alle bibliotheken in Nederland.

In dit wetsvoorstel is geen algemeen gratis lidmaatschap opgenomen, omdat er geen gegevens bekend zijn over de effecten daarvan en er geen budget is om gemeenten voor de kosten te compenseren. De kosten betreffen niet alleen gederfde inkomsten uit lidmaatschappen, maar ook extra kosten als gevolg van een groter gebruik van de bibliotheekdiensten.

Niet overgenomen is de suggestie van Stichting de Thuiskopie om de kosten van de voorzitter van de Stichting Onderhandelingen Thuiskopievergoedingen niet op haar af te wentelen. De Auteurswet bepaalt dat consumenten voor eigen oefening, studie of gebruik “werken” mogen kopiëren. Om de makers van die werken te compenseren voor de schade die zij daardoor lijden, betalen fabrikanten en importeurs van voorwerpen, waarop deze kopieën kunnen worden opgeslagen, een billijke vergoeding. Die vergoeding wordt uiteindelijk doorberekend aan de consument bij aanschaf van deze voorwerpen. De vergoeding wordt geïnd door Stichting de Thuiskopie en via verdeelorganisaties aan makers uitgekeerd. De hoogte van de vergoeding wordt vastgesteld in de SOnT. Daarin onderhandelen vertegenwoordigers van de betalingsplichtige fabrikanten en importeurs enerzijds en Stichting de Thuiskopie namens de rechthebbenden anderzijds. De SOnT staat onder onafhankelijk door de Minister van Justitie en Veiligheid benoemd voorzitterschap. De onafhankelijkheid van de voorzitter van de SOnT is niet in het geding wanneer Stichting de Thuiskopie zijn vergoeding moet gaan betalen, omdat de hoogte van de vergoeding door de Minister van Justitie en Veiligheid in het benoemingsbesluit wordt bepaald. Verder betaalt Stichting de Thuiskopie weliswaar de kosten, maar dit wordt zoals hiervoor geschetst door betalingsplichten gedane betalingen gedekt. Betalen uit de algemene middelen ligt veel minder voor de hand omdat de kosten dan ook ten laste komen van belastingbetalers die helemaal niets met privé-kopiëren te maken hebben. Stichting Leenrecht heeft een vergelijkbaar verzoek gedaan, dat op dezelfde gronden niet is overgenomen.

  1. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Het voornemen is dat artikel I, onderdeel f, waarmee de huidige bevorderingsplicht uit artikel 6 van de Wsob wordt omgezet in een zorgplicht, drie jaar na publicatie van de wet in werking treedt. Dit is van belang om gemeenten en de openbare lichamen voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van de zorgplicht.

Voor artikel 6, derde lid, waarin het meerjarenplan wordt geregeld, geldt overgangsrecht. In het kader van het eerste meerjarenplan dat aangeleverd wordt na inwerkingtreding van deze wet, bepaalt dit wetsvoorstel namelijk dat bij koninklijk besluit wordt bepaald voor welk tijdstip deze plannen uiterlijk worden aangeleverd door de gemeenten en de openbare lichamen. Dit om een uniform tijdstip van indiening van de eerste meerjarenplannen kort na inwerkingtreding van de zorgplicht te garanderen.


Artikelsgewijs deel

Artikel I, onderdeel A (artikel 1 Wsob)

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om de bestaande definitiebepaling uit artikel 1 van de Wsob opnieuw vast te stellen conform de Aanwijzingen voor de regelgeving. Tevens wordt het begrip “bibliotheekorganisatie” geïntroduceerd. Met dit begrip worden de organisaties, genoemd in artikel 2 van de Wsob, bedoeld. Ook wordt het bestaande begrip “bibliotheekvoorziening” opnieuw gedefinieerd. Hiermee wordt duidelijkheid geboden dat een bibliotheekvoorziening een voorziening is die door een bibliotheekorganisatie wordt verzorgd. De bibliotheekorganisatie zelf is, in tegenstelling tot wat de huidige Wsob bepaalt, geen bibliotheekvoorziening in de zin van artikel 1.

Artikel I, onderdeel B (artikel 2 Wsob)

Vanwege de herdefiniëring van het begrip “bibliotheekvoorziening” komt het tweede lid van artikel 2 van de Wsob te vervallen. De genoemde partijen worden vanaf de inwerkingtreding van deze wet volgens artikel 1 aangeduid als “bibliotheekorganisaties”.

Artikel I, onderdeel C (artikel 3 Wsob)

Artikel 3 van de Wsob bepaalt dat de wet mede van toepassing is in Caribisch Nederland, waarbij een aantal artikelen is uitgezonderd. De uitzondering van artikel 10 van de Wsob wordt in de praktijk reeds geacht vervallen te zijn. Echter, was deze nog in artikel 3 van de Wsob opgenomen. Met deze wijziging wordt die omissie hersteld. Omdat in het nieuwe artikel 16 een bijzonder regime voor Caribisch Nederland is opgenomen, is het tevens niet langer nodig om de toepassing van dit artikel expliciet uit te zonderen in artikel 3.

Artikel I, onderdeel D (artikel 4 Wsob)

Artikel 4 van de Wsob wordt aangepast naar aanleiding van de herdefiniëring van het begrip “bibliotheekvoorziening”. Inhoudelijk wordt hiermee geen wijziging beoogd.

Artikel I, onderdeel E (artikel 5 Wsob)

Omdat het begrip “bibliotheekvoorzieningen” niet langer wordt gebruikt om te verwijzen naar bibliotheekorganisaties, voor wie de verplichtingen uit artikel 5 van de Wsob gelden, wordt de aanhef van artikel 5 aangepast. Verduidelijkt wordt bovendien dat de verplichtingen uit artikel 5 van de Wsob enkel gelden voor de lokale bibliotheken en de KB, voor zover het haar taak tot het in stand houden van de landelijke digitale bibliotheek betreft. Provinciale ondersteuningsinstellingen behoeven niet aan de eisen uit artikel 5 van de Wsob te voldoen, zoals reeds de praktijk is. Materieel wordt hiermee dan ook geen verandering van het artikel beoogd.

Artikel I, onderdeel F (artikel 6 Wsob)

Met dit onderdeel wordt artikel 6 van de Wsob opnieuw vastgesteld. In het eerste lid van dit artikel is de zorgplicht voor gemeenten en openbare lichamen vastgelegd. Het gaat hierbij om de redelijke afstand tot het aanbod in het geheel. Dat komt dus neer op de redelijke afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening. Niet bedoeld wordt de redelijke afstand tot alle voorzieningen binnen het aanbod. Voor de invulling van het begrip “redelijke afstand” ligt het voor de hand om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbare lichaam in acht te nemen.

Het tweede lid van artikel 6 een aantal minimumeisen waar de gemeente of het openbare lichaam ten minste aan moet voldoen. Met “in stand houden” wordt in het kader van dit artikel ook “mede in stand houden” bedoeld. Deze eisen hebben betrekking op ten minste één voorziening. Dit betekent dat deze voorziening aan alle drie de eisen uit het tweede lid, onderdelen a tot en met c, moet voldoen. Met “professionele personeelsbezetting” wordt bedoeld: bezoldigd personeel met passende kennis en kunde ten behoeve van hun werk in de bibliotheek. Het enkel beschikken over vrijwilligers is daarmee onvoldoende om te voldoen aan de zorgplicht.

Het derde lid van artikel 6 van de Wsob verplicht het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege een meerjarenplan vast te stellen en te publiceren. Bij het opstellen van het meerjarenplan moet de lokale bibliotheek betrokken worden. Het is aan het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege om deze betrokkenheid vorm te geven binnen de lokale context. Op grond van het vierde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de inhoud van het meerjarenplan.

Artikel I, onderdeel G (artikel 7 Wsob)

Verduidelijkt wordt dat de Koninklijke Bibliotheek voor wat betreft al haar taken op grond van de Wsob deelneemt aan het netwerk. De verwijzing naar artikel 6 komt, vanwege het opnieuw vaststellen van dit artikel, te vervallen.

Artikel I, onderdeel H (artikel 8 Wsob)

Artikel I, onderdeel F, voegt een nieuw onderdeel g toe aan artikel 8 van de Wsob. Op grond van onderdeel g zijn deelnemers aan het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen verplicht om samen met de andere deelnemers te werken aan innovaties ten behoeve van openbare bibliotheekvoorzieningen.41 In de huidige Wsob is het werken aan innovaties uitsluitend een taak van de provinciale ondersteuningsinstellingen (artikel 16, tweede lid, onderdeel b, Wsob). Omdat het echter wenselijk is dat alle deelnemers aan het netwerk in onderlinge samenwerking bijdragen aan innovaties van openbare bibliotheekvoorzieningen, is deze taak verplaatst naar artikel 8.

Artikel I, onderdeel I (artikel 8a Wsob)

Met dit artikel wordt een nieuw artikel 8a in de Wsob gevoegd. Dit artikel ziet op het vastleggen van een taak voor lokale bibliotheken met betrekking tot de leesbevordering bij onderwijsinstellingen. Onze Minister kan subsidie verlenen aan lokale bibliotheken voor deze taak. Aan gemeenten of openbare lichamen zonder zelfstandige bibliotheek en waar de bibliotheek dus onderdeel is van de rechtspersoon van de gemeente of het openbare lichaam kan voor deze taak een specifieke uitkering worden verleend. Voor zowel de subsidie als de specifieke uitkering kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld.

Artikel I, onderdeel J (artikel 9 Wsob)

Dit betreft een technische wijziging van artikel 9 van de Wsob, waarmee wordt verduidelijkt dat de landelijke digitale infrastructuur geen onderdeel is van de landelijke digitale bibliotheek, maar een bredere set voorzieningen die de KB verzorgt. Hierbij vindt afstemming plaats met de andere deelnemers in het netwerk, te weten de lokale bibliotheken en de POI’s. Deze uitleg komt reeds overeen met de praktijk, maar was in de huidige wettekst onvoldoende duidelijk opgenomen.

Artikel I, onderdeel K (artikel 10 Wsob)

In het opschrift en het tweede lid van het artikel wordt het begrip “collectieplan” vervangen door het begrip “gezamenlijk collectieplan”, zoals dat in het eerste en derde lid werd gehanteerd. Dit betreft een technische wijziging om de gehanteerde begrippen binnen het artikel te uniformeren. Het eerste en derde lid worden samengevoegd ter verduidelijking van het artikel.

Artikel I, onderdeel L (artikel 11 Wsob)

Dit betreft een tweetal technische aanpassingen, waarmee geen inhoudelijke wijzigingen worden beoogd. In het eerste lid komt de passage over de landelijke digitale bibliotheek te vervallen, omdat de gezamenlijke catalogus betrekking heeft op fysieke werken en niet op de landelijke digitale bibliotheek. In het tweede lid komt “openbare” te vervallen, waarmee begrippen worden geharmoniseerd.

Artikel I, onderdeel M (artikel 12 Wsob)

Vanwege de formulering van artikel 2, tweede en derde lid, bestond onduidelijkheid over de omvang van het lidmaatschap van de openbare bibliotheek. Met deze wijziging wordt daarom verduidelijkt dat dit lidmaatschap het lidmaatschap bij een lokale bibliotheek, de landelijke digitale bibliotheek of beide kan omvatten.

Artikel I, onderdeel N (artikel 16 Wsob)

Met dit wijzigingsartikel wordt artikel 16 van de Wsob opnieuw gestructureerd. De belangrijkste wijziging betreft het toevoegen van een zorgplicht voor gedeputeerde staten om ervoor te zorgen in elke provincie ten minste één provinciale ondersteuningsinstelling werkzaam is. Dit betekent echter niet dat in elke provincie een andere provinciale ondersteuningsinstelling werkzaam moet zijn. Zoals ook de huidige praktijk is, kan een provinciale ondersteuningsinstelling in meerdere provincies werkzaam zijn.

De taken van de provinciale ondersteuningsinstellingen worden verduidelijkt. Hierbij is van belang dat de provinciale ondersteuningsinstellingen de in het tweede lid genoemde taken reeds uitvoerden op grond van het voorgaande artikel 16 van de Wsob. Gecodificeerd is tevens de reeds door de POI’s uitgevoerde taak om met elkaar samen te werken. In de praktijk ziet deze taak in het bijzonder op het ontwikkelen en delen van kennis en advies. Inhoudelijk is verder van belang dat de taak van provinciale ondersteuningsinstellingen om te zorgen voor de ontwikkeling van innovaties ten behoeve van de lokale bibliotheken is verplaatst naar artikel 8. Daarmee is deze taak niet langer alleen op de provinciale ondersteuningsinstellingen van toepassing, maar wordt het een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor alle deelnemers aan het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen (te weten: de lokale bibliotheken en de KB). Zie over deze wijziging nader de toelichting bij artikel I, onderdeel F.

Het derde lid regelt de aanwijzing van een provinciale ondersteuningsinstelling in Caribisch Nederland. De openbare lichamen zijn geen provincies en vallen dus niet onder het bereik van het eerste lid. Op grond van artikel 16, derde lid, van de Wsob wijst de minister een provinciale ondersteuningsinstelling aan die werkzaam is ten behoeve van Caribisch Nederland. De bekostiging van deze ondersteuningsinstelling vindt plaats via subsidieverlening door de minister. De aanwijzingsperiode bedraagt vijf jaar en de aanwijzingsprocedure zal bij ministeriële regeling nader worden uitgewerkt.

Artikel I, onderdeel O (opschrift hoofdstuk 4 Wsob)

Vanwege de wijziging van artikel 17 en het invoegen van de artikelen 17a en 17b (nieuw) Wsob wordt het opschrift van hoofdstuk 4 van de Wsob gewijzigd.

Artikel I, onderdeel P en Q (artikelen 17, 17a (nieuw) en 17b (nieuw) Wsob)

Om de verhouding tussen de landelijke digitale bibliotheek en de landelijke digitale infrastructuur te verduidelijken, worden de bepalingen omtrent de landelijke digitale infrastructuur met artikel I, onderdeel Q, ondergebracht in een apart artikel 17a van de Wsob.

Artikel I, onderdeel O, brengt het onderscheid tussen de landelijke digitale bibliotheek en de landelijke digitale infrastructuur tot uitdrukking in het opschrift van hoofdstuk 4 van de Wsob. Omdat de bepalingen over de landelijke digitale infrastructuur nu in artikel 17a zijn opgenomen, vervalt artikel 17, eerste lid, onderdeel a (artikel I, onderdeel P, eerste lid). Het tweede lid van artikel 17 komt te vervallen, omdat dit is ondergebracht in artikel 17b.

Artikel 17a gaat over de LDI. Het eerste lid van artikel 17a benoemt enkele onderdelen die de LDI ten minste moet omvatten. Deze onderdelen zijn geformuleerd op het niveau van voorzieningen omdat de KB de dienstverlening in het kader van de LDI ook op dit niveau vormgeeft. De formulering biedt ruimte om ook niet genoemde voorzieningen onderdeel te laten zijn van de LDI, door ze op te nemen in het beheerplan. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een centrale authenticatievoorziening waar bibliotheken gebruik van kunnen maken of het vastleggen en ontsluiten van gegevens over de dienstverlening van openbare bibliotheken in het kader van de maatschappelijke opgaven.

De reeds bestaande verplichting voor de KB om een beheerplan op te stellen als onderdeel van het instellingsplan wordt verplaatst naar een zelfstandig artikel (artikel 17b). Met deze technische wijziging wordt de verhouding tussen de landelijke digitale bibliotheek en de landelijke digitale infrastructuur binnen het beheerplan verduidelijkt in navolging van de eerdergenoemde aanpassing aan artikel 17. De voorgeschreven onderdelen van het beheerplan blijven in beginsel hetzelfde als vóór de inwerkingtreding van deze wet, met uitzondering van de ontwikkelagenda, die als een verbijzondering aan het beheerplan wordt toegevoegd om het belang van een integrale benadering te bevorderen. De ontwikkelagenda gaat over voorzieningen op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Dat betekent echter niet dat de KB verantwoordelijk wordt voor de drie niveaus; zij blijft enkel verantwoordelijk voor de landelijke voorzieningen. Verder wordt geëxpliciteerd dat de KB het beheerplan afstemt met de andere deelnemers aan het netwerk. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de wens van de sector.

Artikel I, onderdeel R (artikel 29 Wsob)

Met dit wijzigingsartikel wordt de eenmalige evaluatie van de Wsob omgezet in een vijfjaarlijkse evaluatiecyclus.

Artikel II, onderdeel A (artikel 15d van de Auteurswet)

Het uitlenen van werken door openbare bibliotheken is toegestaan, indien daarvoor een billijke vergoeding wordt betaald. Op basis van artikel 15d van de Auteurswet is de Stichting onderhandelingen leenrechtvergoeding (StOL) aangewezen om de hoogte van die billijke vergoeding of leenrechttarieven vast te stellen. De voorgestelde wijzigingen in artikel 15d van de Auteurswet strekken ertoe de regels rondom de StOL te verduidelijken en de governance en bekostiging te verbeteren en professionaliseren.

Geregeld wordt in de eerste plaats dat de voorzitter van de StOL, die door de Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt benoemd, recht krijgt op een beloning voor zijn werkzaamheden en dat deze beloning in het benoemingsbesluit wordt geregeld. De Wet normering topinkomens is van toepassing en bepaalt de maximale hoogte van de vergoeding. In de tweede plaats wordt geregeld dat dat de voorzitter van de StOL voor een termijn van ten hoogste drie jaren wordt benoemd en maximaal twee keer kan worden herbenoemd voor opnieuw telkens een termijn van drie jaren. Deze termijn sluit aan bij de geldende statuten van de StOL.

In de derde plaats wordt geregeld dat Stichting Leenrecht de beloning van de voorzitter gaat dragen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent, zo nodig, nadere regels worden gesteld. De kosten worden op nog geen duizend euro per jaar geraamd. In de vierde plaats wordt geregeld dat de door de StOL vastgestelde tarieven voortaan worden gepubliceerd in de Staatscourant om de kenbaarheid ervan te vergroten.

Artikel II, onderdeel B (artikel 15da van de Auteurswet)

Er wordt een nieuw artikel 15da in de Auteurswet ingevoegd, waarin een regeling wordt getroffen voor het uitlenen van werken van letterkunde, wetenschap of kunst door scholen en mbo-instellingen. Deze onderwijsinstellingen en daaraan verbonden bibliotheken kunnen niet langer profiteren van de vrijstelling van het betalen van een billijke vergoeding voor het uitlenen ingevolge artikel 15c, tweede lid, van de Auteurswet. Zij zijn een billijke vergoeding verschuldigd. De plicht tot betaling van deze vergoeding rust echter op de Staat en drukt op de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop de hoogte wordt vastgesteld van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken door scholen. In het algemeen deel is al toegelicht wat daarin op hoofdlijnen zal worden geregeld.

Artikel II, onderdeel C (artikel 15e Auteurswet)

Dit onderdeel regelt dat geschillen over de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken van letterkunde, wetenschap of kunst door scholen uitsluitend worden beslecht door de rechtbank Den Haag die over bijzondere expertise dienaangaande beschikt. Hiermee wordt aangesloten bij al bestaande zaaksconcentratie van auteursrechtelijke geschillen over billijke vergoedingen voor gebruik van werken van letterkunde, wetenschap of kunst bij de rechtbank Den Haag.

Artikel II, onderdeel D (artikel 15f, eerste lid, Auteurswet)

Op grond van artikel 15da komt de verplichting tot betaling van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken van letterkunde, wetenschap of kunst door scholen op de Staat te rusten. Het onderhavige onderdeel regelt dat de Staat die vergoeding rechtstreeks (dus zonder tussenkomst van de scholen die de uitleningen feitelijk verrichten) betaalt aan Stichting Leenrecht. Die stichting is eerder al door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen als representatieve rechtspersoon die met uitsluiting van anderen is belast met de inning en verdeling van de vergoeding voor uitlenen. Over de meer praktische aspecten van de betaling van de billijke vergoeding (zoals het precieze moment en de wijze van uitbetalen) worden afspraken gemaakt tussen Stichting Leenrecht en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Stichting Leenrecht staat onder toezicht van het CvTA, bedoeld in de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. De verdeling van de vergoeding onder rechthebbenden geschiedt via verdeelorganisaties overeenkomstig een door de stichting opgesteld en door het CvTA goedgekeurd reglement. Het ligt voor de hand dat de uitkering van de billijke vergoeding voor uitleningen door scholen via dezelfde reglementen gaat verlopen. De verdeelorganisaties staan bij de verdeling van de vergoeding onder toezicht van het CvTA.

Artikel II, onderdeel E (artikel 16e van de Auteurswet)

De wijzingen die worden doorgevoerd met betrekking tot de StOL (zie nader de toelichting bij artikel II, onderdeel A) worden ook op gelijke wijze en op gelijke gronden doorgevoerd voor de SOnT. Verder wordt in de wet verduidelijkt dat de SOnT niet alleen de hoogte van de vergoeding vaststelt, maar ook de vergoedingsplichtige voorwerpen. Stichting de Thuiskopie heeft er in haar reactie op het in consultatie gegeven wetsvoorstel terecht op gewezen dat het blijkens het bepaalde in artikel 16c, eerste lid, gaat om voorwerpen die bestemd zijn om een werk ten gehore te brengen, te vertonen of weer te geven.

Artikel II, onderdeel F (artikel 17d Auteurswet)

Op de algemene maatregel van bestuur die de billijke vergoeding regelt voor het uitlenen van werken van letterkunde, wetenschap en kunst door scholen en mbo-instellingen, is de zogenaamde nahangregeling van toepassing. De algemene maatregel van bestuur treedt bijgevolg niet eerder dan acht weken na publicatie in het Staatsblad in werking zodat de Eerste en Tweede Kamer de primair verantwoordelijke minister daarover desgewenst nog vragen kunnen stellen om extra controle uit te oefenen.

Artikel III (artikel 15b van de Wet op de naburige rechten)

De wijzigingen die worden voorgesteld met betrekking tot de StOL voor het auteursrecht worden met dit artikel – op gelijke wijze en op gelijke gronden – ook verwerkt in artikel 15b van de Wet op de naburige rechten (zie hierover nader de toelichting bij artikel II, onderdeel A).

Artikel IV (Overgangsrecht)

Om te borgen dat de eerste meerjarenplannen op een uniform tijdstip worden opgeleverd, wordt bij wijze van overgangsrecht bepaald dat deze plannen uiterlijk op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip worden gepubliceerd. Bij het bepalen van dit tijdstip wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid van deze verplichting voor gemeenten en openbare lichamen.

Artikel V (Inwerkingtreding)

In het kader van dit wetsvoorstel is gekozen voor gedifferentieerde inwerkingtreding. Hiermee wordt ruimte geboden om de inwerkingtreding van het wetsvoorstel aan te passen aan de behoefte van de betrokken sector.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gouke Moes


  1. Stb. 2014, 471.↩︎

  2. Kamerstukken II 2019/20, 33846, nr. 57.↩︎

  3. Wsob, artikel 5. De bibliotheekfuncties sluiten aan bij de missie en visie voor openbare bibliotheken in het Public Library Manifesto 1994 en 2022 van IFLA-Unesco. Te raadplegen via: https://repository.ifla.org/items/a534bffe-ba82-4e8a-af8a-a32061e10a00, onderscheidenlijk https://repository.ifla.org/items/25ed361c-9e71-4f46-a53d-42856c61fa6f.↩︎

  4. Wsob, artikel 4.↩︎

  5. Koninklijke Bibliotheek, Bibliotheekinzicht, aantal bibliotheeklocaties per soort per jaar, 2024.↩︎

  6. Wsob, artikel 5.↩︎

  7. Kwink, Evaluatie Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, 2019, p. 86.↩︎

  8. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2022/01/10/coalitieakkoord-omzien-naar-elkaar-vooruitkijken-naar-de-toekomst↩︎

  9. Kamerstukken II 2022/23, 33846, nr. 70.↩︎

  10. Regeerprogramma, 13 september 2024.↩︎

  11. Stcrt. 2023, 9297.↩︎

  12. Een bibliotheek voor iedereen (advies Raad voor Cultuur van 11 februari 2020), bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 33846, nr. 56.↩︎

  13. Kamerstukken II 2021/22, 32820, nr. 474.↩︎

  14. Kamerstukken II 2023/24, 33846, nr. 71.↩︎

  15. Prijspeil 2025.↩︎

  16. CBS Statline, 2023. Cijfers over het jaar 2022.↩︎

  17. Bibliotheekconvenant 2024-2027, Stcrt. 2024, 33742.↩︎

  18. Kamerstukken II 2023/24, 2024D19455.↩︎

  19. Resultaten PISA 2022 in vogelvlucht, 2023.↩︎

  20. KWINK, Voorwaarden voor duurzame verankering van de Bibliotheek op school, 2023.↩︎

  21. Kamerstukken II 2023/24, 33846, nr. 74.↩︎

  22. Kamerstukken II 2022/23, 36200VIII, nr. 44.↩︎

  23. Koninklijke Bibliotheek, Bibliotheekinzicht, 18 september 2024.↩︎

  24. Ook wel ‘single identity’ genoemd.↩︎

  25. Wsob, artikel 18.↩︎

  26. Wsob, artikel 18, derde lid.↩︎

  27. Wsob, artikel 10.↩︎

  28. Wsob, artikel 9, onderdeel b.↩︎

  29. Wsob, artikel 3.↩︎

  30. Auteurswet, artikel 15c, tweede lid.↩︎

  31. Kamerstukken II 2023/24, 33846, nr. 71.↩︎

  32. HvJEU 30 juni 2011, ECLI:EU:C:2011:442 (VEWA/België).↩︎

  33. Kamerstukken II 2022/23, 33846, nr. 70 en 71.↩︎

  34. Wsob, artikel 9, onder a.↩︎

  35. Bibliotheekconvenant 2024-2027, Stcrt. 2024, 33742.↩︎

  36. Wet revitalisering generiek toezicht, Stb. 2012, 233.↩︎

  37. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Septembercirculaire gemeentefonds 2024, p 28.↩︎

  38. Koninklijke Bibliotheek, Bibliotheekinzicht, 2023.↩︎

  39. Wsob, artikel 13.↩︎

  40. Zie voetnoot 38.↩︎

  41. Het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen bestaat op grond van artikel 7 van de Wsob uit de lokale bibliotheken, de provinciale ondersteuningsinstellingen en de Koninklijke Bibliotheek.↩︎