Lijst van vragen en antwoorden over de brief van de informateur mw. R.M. Letschert ter aanbieding van het coalitieakkoord 2026-2030 'Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland' (Kamerstuk 36848-31)
Kabinetsformatie 2025
Lijst van vragen en antwoorden
Nummer: 2026D08406, datum: 2026-02-24, bijgewerkt: 2026-02-25 10:47, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: R.A. van der Steur, adjunct-griffier
- Aanbiedingsbrief
- Beslisnota bij de lijst van vragen en antwoorden over de brief van de informateur mw. R.M. Letschert ter aanbieding van het coalitieakkoord 2026-2030 'Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland' (Kamerstuk 36848-31)
Onderdeel van kamerstukdossier 36848 -55 Kabinetsformatie 2025.
Onderdeel van zaak 2026Z03669:
- Indiener: E. Heinen, minister van Financiën
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Financiën
- 2026-02-26 14:35: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-12 10:00: Procedurevergadering Financiën (Procedurevergadering), vaste commissie voor Financiën
Preview document (🔗 origineel)
| Feitelijke vragen over het coalitieakkoord en de budgettaire tabel |
| Tweede Kamer |
Vraag 1
Vraag 1
Kan worden toegelicht waar de 125 miljoen euro in 2026 en 150 miljoen euro structureel voor de aanpak van armoede en problematische schulden precies naartoe gaat?
Antwoord op vraag 1
Er zijn in 2026 geen extra middelen beschikbaar; er is 125 miljoen euro in 2027 beschikbaar en 150 miljoen euro vanaf 2028 structureel. Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van maatregelen voor dit budget en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Vraag 2
Vraag 2
Hoeveel middelen worden er gereserveerd voor de integratie van nieuwkomers, waaronder Meedoenbalies en het eerder starten met taallessen, en waar is dit terug te vinden in de budgettaire bijlagen?
Antwoord op vraag 2
U wordt op een later moment geïnformeerd door de minister van Asiel en Migratie over de verdeling van de investeringsenveloppen uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord.
Vraag 3
Vraag 3
Staat de 1,6 miljard euro extra korting op de EU-afdrachten nog in de begroting?
Antwoord op vraag 3
Het coalitieakkoord bevat geen aanpassingen aan de raming van de EU-afdrachten. De maatregel om de eerder geraamde stijging van de EU-afdrachten met 1,6 miljard per jaar te beperken blijft dus onderdeel van de raming vanaf 2028.
Vraag 4
Vraag 4
Klopt het dat de taakstelling op het postennet van kabinet-Schoof slechts voor ongeveer de helft wordt teruggedraaid door het kabinet-Jetten?
Antwoord op vraag 4
Ja, dat klopt. Het effect van de apparaatstaakstelling van Kabinet-Schoof op ambassades, consulaten-generaal en permanente vertegenwoordigingen in het buitenland bedroeg tien procent van het begrote budget, circa 70 miljoen euro. Het kabinet gaat 35 miljoen euro structureel intensiveren op het postennet. Daarnaast wordt het postennet in de apparaatstaakstellingen van het kabinet uitgezonderd.
Vraag 5
Vraag 5
Is het kabinet voornemens om de aangekondigde sluiting van diplomatieke posten voort te zetten of is de sluiting van diplomatieke posten voor 2026 opgeschort?
Antwoord op vraag 5
Hier moet het kabinet nog over besluiten.
Vraag 6
Vraag 6
Kan de volledige reeks van gereserveerde militaire en niet-militaire steun aan Oekraïne voor de gehele regeerperiode in een tabel worden weergegeven?
Antwoord op vraag 6
In 2026 staat er voor ruim 3,4 miljard euro aan Oekraïnesteun begroot, zowel militair als niet-militair. Het coalitieakkoord trekt dit bedrag onverminderd door voor de jaren 2027, 2028 en 2029. De invulling van de extra steun aan Oekraïne wordt nog nader geconcretiseerd.
Vraag 7
Vraag 7
Klopt het dat het kabinet niet voornemens is om te intensiveren op artikel 1 Versterkte internationale rechtsorde en artikel 2 Veiligheid en stabiliteit van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Antwoord op vraag 7
In het coalitieakkoord is geen intensivering op artikel 1 en 2 van de begroting van Buitenlandse Zaken voorzien.
Vraag 8
Vraag 8
Hoe ontwikkelt de ODA-prestatie van Nederland zich als percentage van het BNI tot en met 2030?
Antwoord op vraag 8
Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van de ODA-prestatie zien, na verwerking van de intensivering op ontwikkelingssamenwerking en de dekking voor niet-militaire steun aan Oekraïne vanuit de BHO-begroting. Hierbij wordt de additionele niet-militaire steun voor Oekraïne buiten beschouwing gelaten, omdat de besteding en daarmee de ODA-toerekening nog nader geconcretiseerd wordt. Ook de doorwerking van de apparaatstaakstellingen en de subsidietaakstelling zijn niet meegenomen in de geraamde ODA-prestatie omdat aan de invulling hiervan nog wordt gewerkt. Het percentage is berekend op basis van MEV’2026 als meest recente macro-economische doorrekening. Bij Voorjaarsnota 2026 zal het beeld worden geactualiseerd.
| Tabel 1 ODA-prestatie | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
| ODA-prestatie | 0,55% | 0,47% | 0,46% | 0,46% | 0,46% | 0,45% |
Vraag 9
Vraag 9
Herstelt deze financiële bijlage de koppeling van het ODA-budget aan de OESO-norm van het BNI zoals gevraagd door moties in de Eerste en Tweede Kamer? Zo ja, kan uitgelegd worden hoe? Hoe verhoudt dat zich tot de berekening van de Algemene Rekenkamer van 19 juni 2025 dat een herstel van de koppeling zo’n 400 miljoen euro per jaar zou vereisen, terwijl deze financiële bijlage 257 miljoen euro per jaar toevoegt?
Antwoord op vraag 9
Het ODA-budget is momenteel gekoppeld aan de ontwikkeling van het bni. Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. In lijn met het AIV-advies wordt het ODA-budget nu één keer per jaar bijgesteld op basis van de CEP. De intensivering van structureel 257 miljoen euro op ontwikkelingssamenwerking betekent een structurele verhoging van het ODA-budget en daarmee de ODA-prestatie. Met deze investering zet het kabinet een stap richting de internationale OESO-norm.
Vraag 10
Vraag 10
Welk effect heeft de keuze om in 2027 419 miljoen euro aan niet-militaire hulp aan Oekraïne uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking te betalen op andere programma’s? Ten koste van welke budgetten op deze begroting gaat dit? Wat voor effect heeft dit op de ODA-prestatie? Wat voor langjarige effecten heeft het als het kabinet dit in 2027 doet? Betekent dit dat de intensivering van ontwikkelingssamenwerking daardoor pas in 2028 ingaat? Zo nee, kan een specifieke berekening voor jaar 2027 worden gegeven?
Antwoord op vraag 10
Bij Voorjaarsnota 2026 zal het beeld worden geactualiseerd waarin de maatregelen uit het coalitieakkoord zijn verwerkt. De 419 miljoen euro ter dekking van niet-militaire steun vanuit de BHO-begroting aan Oekraïne wordt ten laste gebracht van het ODA-budget. De gevolgen hiervan op ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s is afhankelijk van de nadere uitwerking.
Vraag 11
Vraag 11
Klopt het dat in de financiële bijlage wordt gesproken over een maximering van 10 procent van de uitgaven voor eerstejaarsopvang gefinancierd vanuit het ODA-budget? In antwoorden op feitelijke vragen over de Najaarsnota in september 2025 is aangegeven dat in 2027 42% van de asielkosten uit het ODA-budget betaald zouden worden. Hoeveel levert het volgens de meest recente ramingen op als dit percentage naar 10% daalt? Kunt u hetzelfde aangeven voor de jaren tot en met 2030?
Antwoord op vraag 11
Met ingang van 2027 wordt maximaal 10% van het ODA-budget besteed voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers.
Bij de budgettaire verwerking van de ramingsbijstelling voor asiel (nr. 67 t/m 69 in de budgettaire bijlage) uit het coalitieakkoord is rekening gehouden met deze maximale bijdrage. De additionele bijdrage vanaf de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor eerstejaarsasielopvang is hierdoor 106 miljoen euro in 2027 oplopend naar 257 miljoen euro in 2030. Met deze bijdrage wordt 10% van het ODA-budget op stand Ontwerpbegroting 2026 ingezet voor eerstejaarsasielopvang.
De 42% uit het antwoord1 waarnaar verwezen wordt in de vraag geeft het percentage van asielopvangkosten betaald uit ODA-budget weer. Het is niet dit percentage dat wordt gemaximeerd tot 10%, maar het percentage van het totale ODA-budget dat besteed wordt aan eerstejaarsasielopvang. In het antwoord waarnaar wordt verwezen in de vraag is aangegeven dat dit percentage 8,3% in 2027 is aflopend naar 6% in 2030 (op basis van de stand Ontwerpbegroting 2026). Met de maatregelen (nr. 67 t/m 69) uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord wordt dit aangevuld tot structureel 10% van het totale ODA-budget.
De verdeling van de investeringsenvelop (nr. 67 t/m 69 in de budgettaire bijlage) van het coalitieakkoord over de organisaties in de asielketen heeft invloed op het percentage van asielopvangkosten betaald uit ODA-budget, aangezien kosten voor eerstejaarsasielopvang betrekking hebben op het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en Nidos. U wordt later geïnformeerd over deze verdeling door de minister van Asiel en Migratie.
Vraag 12
Vraag 12
Op welke manier worden wijzigingen in de sociale zekerheid zichtbaar in de inkomensplaatjes, waaronder de gebruikelijke boxplots, voorbeeldhuishoudens (zoals op pagina 186 van de SZW begroting) en puntenwolken? Klopt het dat wijzigingen in de sociale zekerheid hierin niet zichtbaar worden?
Antwoord op vraag 12
Niet alle wijzigingen in de sociale zekerheid zijn zichtbaar in de koopkrachtberekeningen en -plaatjes van het Centraal Planbureau en het kabinet. Dit komt omdat in de koopkrachtberekeningen en -plaatjes de statische koopkracht wordt weergeven. De berekeningen gaan ervan uit dat mensen jaar op jaar in dezelfde situatie verkeren en isoleren zo het effect van de loon- en prijsontwikkeling en het inkomensbeleid. Ontwikkelingen binnen het huishouden zoals een nieuwe baan, scheiding of een geboorte worden niet meegenomen.
Het gebruik van statische koopkrachtberekeningen betekent ook dat in de berekening de arbeidssituatie, leeftijd en huishoudenssamenstelling van een persoon niet verandert. Als er iets in de sociale zekerheid wijzigt voor nieuwe instroom, wordt dit dus in de berekeningen niet zichtbaar. Voor de uitkeringsgerechtigden in de dataset verandert er immers niets. Maatregelen zijn over het algemeen wel zichtbaar in de koopkrachtcijfers wanneer deze effect hebben op bestaande uitkeringen (het zittend bestand). Hoewel de maatregel om het maximumdagloon te verlagen met 20% ook van toepassing is op het zittend bestand, heeft het CPB deze door databeperkingen slechts gedeeltelijk verwerkt in de doorrekening. De verlaging van het maximumdagloon is alleen verwerkt voor de WW-uitkeringen, voor andere uitkeringen was dit niet mogelijk. De andere wijzigingen in de sociale zekerheid zoals het afschaffen van de IVA of de aanpassing van de AOW-leeftijd worden niet zichtbaar in statische koopkracht omdat het zittend bestand niet geraakt wordt.
Vraag 13
Vraag 13
Kan een overzicht worden gegeven van de asielramingen van de afgelopen twee jaar? Hoe verhoudt de raming in de financiële bijlage (regel 67) zich tot de vorige asielraming?
Antwoord op vraag 13
In 2024 en 2025 is de Meerjaren Productie Prognose (MPP, de asielraming) drie keer gepubliceerd.
Op 9 april 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de MPP2024-12. De budgettaire verwerking hiervan is opgenomen in de Voorjaarsnota 2024. Destijds heeft kabinet Rutte IV gekozen om de MPP incidenteel te verwerken tot en met 2026. Bij Miljoenennota 2025 heeft kabinet Schoof gekozen om de asielbegroting structureel met 1 miljard euro te verlagen in samenhang met maatregelen om de asielinstroom te verlagen.
Op 2 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de MPP2024-23. De budgettaire verwerking hiervan is opgenomen in de Voorjaarsnota 2025. Destijds heeft kabinet Schoof gekozen om structureel 374 miljoen euro beschikbaar te stellen voor de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) en incidenteel de MPP te verwerken tot en met 2026 voor overige asielketenorganisaties.
Op 26 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de MPP20254. Dit is de meest recente MPP die gepubliceerd is. Het kabinet heeft gekozen om middelen beschikbaar te stellen voor asiel ter hoogte van 2,6 miljard euro in 2027 aflopend naar 2,1 miljard euro in 2030. Hierbij wordt aangesloten bij het basispad gehanteerd door het CPB voor de begroting van Asiel en Migratie bij de Concept-Macro Economische Verkenning en Keuzes in Kaart.
Vraag 14
Vraag 14
Kan een berekening worden gegeven hoe de ODA-toerekening eerstejaarsopvang tot stand is gekomen? Kan daarbij ook het verschil worden uitgelegd met de vorige financiële bijlage van het hoofdlijnenakkoord?
Antwoord op vraag 14
Met ingang van 2027 wordt maximaal 10% van het ODA-budget besteed voor de eerstejaarsopvang van asielzoekers.
Bij de budgettaire verwerking van de ramingsbijstelling voor asiel (nr. 67 t/m 69 in de budgettaire bijlage) uit het coalitieakkoord is rekening gehouden met deze maximale bijdrage. De additionele bijdrage vanaf de begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp voor eerstejaarsasielopvang is hierdoor 106 miljoen euro in 2027 oplopend naar 257 miljoen euro in 2030. Met deze bijdrage wordt 10% van het ODA-budget op stand Ontwerpbegroting 2026 ingezet voor eerstejaarsasielopvang. Eerder was dit percentage lager vanwege de aflopende begroting van Asiel en Migratie.
Vraag 15
Vraag 15
Kan in een overzicht van 2027 tot 2030 worden weergegeven wat effectief wordt bezuinigd op ODA? Kan hierbij de ingeboekte bezuinigingen van het vorige kabinet als basis worden genomen en daar de maatregelen van de financiële bijlage bij worden opgeteld?
Antwoord op vraag 15
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het ODA-budget in 2027 tot en met 2030 na verwerking maatregelen Kabinet Schoof en na verwerking van het coalitieakkoord. Hierbij wordt de additionele niet-militaire steun voor Oekraïne buiten beschouwing gelaten, omdat de besteding en daarmee de ODA-toerekening nog nader geconcretiseerd wordt. Ook de doorwerking van de apparaatstaakstellingen en de subsidietaakstelling zijn niet meegenomen in de geraamde ODA-prestatie omdat aan de invulling hiervan nog wordt gewerkt.
| Tabel 2 ODA overzicht (in miljoenen euro's) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
| Stand Voorjaarsnota 2024 | 7.980 | 8.221 | 8.615 | 0 |
| Per saldo maatregelen Kabinet Schoof | ‒ 2.583 | ‒ 2.731 | ‒ 2.741 | ‒ 2.741 |
| Bijstelling bni-koppeling | 82 | 114 | 130 | 329 |
| Overig (w.o. kasschuiven, extrapolatie) | 609 | 150 | 91 | 8.726 |
| Stand Miljoenennota 2026 | 6.088 | 5.754 | 6.094 | 6.314 |
| Per saldo maatregelen Coalitieakkoord | ‒ 162 | 257 | 257 | 257 |
| ODA-stand | 5.926 | 6.011 | 6.351 | 6.571 |
Vraag 16
Vraag 16
Kan worden aangegeven waaraan de intensiveringen in ontwikkelingssamenwerking van 257 miljoen euro wordt besteed? Is daar al een onderverdeling gemaakt? Zo ja, welke? Waarom worden in het coalitieakkoord (blz. 35) ook andere thema’s genoemd dan de 5 thema’s in de financiële bijlage?
Antwoord op vraag 16
De intensivering wordt de komende tijd nader uitgewerkt. De minister van BHO zal u hierover informeren.
Vraag 17
Vraag 17
Kunt u de inkomenseffecten doorrekenen van iemand in de WIA met een IVA-uitkering ter hoogte van het maximumdagloon? Kunt u hierbij los betrekken wat de gevolgen zijn van de maatregel om de IVA af te schaffen, het maximumdagloon te verlagen en de tegemoetkoming arbeidsongeschikten af te schaffen? Kunt u hierbij ook de stapeling van deze gevolgen in beeld brengen? Wilt u dit uitdrukken in zowel bruto- als nettobedragen?
Antwoord op vraag 17
Onderstaande tabel toont de (gestapelde) inkomenseffecten van iemand met een IVA-uitkering en een SV-loon ter hoogte van het maximum dagloon. De berekening is uitgevoerd met een raming van de parameters in het belastingstelsel en van het verwachte maximum dagloon in 2027, dit bedraagt circa 83 duizend euro op jaarbasis. In de tabel zijn de maximale inkomenseffecten weergegeven, voor mensen met een lager SV-loon zal het inkomenseffect beperkter zijn. Bij onderstaande tabel dient opgemerkt te worden dat het afschaffen van de IVA van toepassing is op nieuwe arbeidsongeschikten. Hierdoor treedt er geen inkomenseffect op voor het zittend bestand, maar komt de (bruto en netto) uitkering voor nieuwe arbeidsongeschikten lager te liggen.
| Tabel 3 Inkomenseffecten maatregelen arbeidsongeschikten voor een alleenstaande met een IVA-uitkering op het maximumdagloon, prijzen 2027, effect op jaarbasis | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Maatregel | Bruto inkomen voor maatregel | Effect op bruto inkomen | Effect op besteedbaar inkomen | Inkomenseffect maatregel | Cumulatief inkomenseffect |
| Verlagen maximum dagloon met 20% | € 61,9 dzd | € -12,4 dzd | € -6,9 dzd | ‒ 18,30% | ‒ 18,30% |
| Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten | € 0 | € -0,2 dzd | ‒ 0,60% | ‒ 18,90% | |
| Afschaffen IVA-uitkering voor nieuwe WIA-instroom* | € 49,5 dzd | € -3,3 dzd | € -1,8 dzd | nvt | nvt |
*Uitgaande van een verlaagd maximumdagloon (eerst wordt het dagloon verlaagd en dan de IVA-uitkering). Het effect op bruto en besteedbaar inkomen heeft hier betrekking op het vergelijken van een IVA-uitkering gebaseerd op het maximumdagloon en een WGA-uitkering gebaseerd op het maximumdagloon (zoals voor nieuwe instromers gaat gelden).
Vraag 18
Vraag 18
Kan worden toegelicht waar de 50 miljoen euro in 2026 en 150 miljoen euro structureel voor jeugd en school precies heengaat?
Antwoord op vraag 18
De middelen voor jeugd en school zijn in ieder geval gereserveerd voor gratis schoolfruit in het primair en voortgezet onderwijs en het uitbreiden van het programma Kansrijke start. Over de verdeling van de beschikbare middelen moet nog besluitvorming plaatsvinden.
Vraag 19
Vraag 19
Welke kosten zijn gemoeid met het gratis aanbieden van schoolfruit voor alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs?
Antwoord op vraag 19
De kosten voor het aanbieden van gratis schoolfruit voor alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs hangt sterk af van de keuzes die worden gemaakt in de uitvoering van deze maatregel.
Vraag 20
Vraag 20
Kan nader worden toegelicht waar het gemeenschapsfonds voor is bedoeld?
Antwoord op vraag 20
Dit kabinet wil met het Gemeenschapsfonds oprichten om voorzieningen zoals buurthuizen, verenigingsgebouwen en dorpswinkels te realiseren en te behouden. De minister van BZK zal een regeling opstellen voor het versterken van verenigingswerk, initiatieven voor zorgzame wijken en dorpen en sociale cohesie.
Vraag 21
Vraag 21
Is het budget van 35 miljoen euro voor medische preventie volledig
toereikend voor het uitbreiden van de wijkgerichte aanpak?
Antwoord op vraag 21
Vanaf 2027 is er voldoende budget voor het uitbreiden van de
wijkgerichte aanpak.
Vraag 22
Vraag 22
Hoeveel kost het om de wijkgerichte aanpak vaccinaties uit te breiden
naar het hele land?
Antwoord op vraag 22
De G4-gemeenten hebben gezamenlijk 5 miljoen euro per jaar nodig om de
wijkgerichte aanpak voort te zetten. Op basis van een extrapolatie van
de kosten is naar schatting in totaal 35 miljoen euro per jaar nodig om
de aanpak uit te breiden naar het hele land.
Vraag 23
Vraag 23
Met het afschaffen van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten (i.v.m.
lager eigen risico) is 308 miljoen euro structureel bespaard, in
hoeverre compenseert de 42 miljoen euro extra met de nieuwe envelop voor
chronisch zieken de stijging van het eigen risico door zowel de
indexering als de verhoging van 60 euro?
Antwoord op vraag 23
In hoeverre de envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken
compenseert voor het afschaffen van de tegemoetkoming
arbeidsongeschikten en de aanvullende verhoging van het eigen risico
hangt mede af van de uitwerking van deze envelop. Dit wordt nog nader
uitgewerkt.
Vraag 24
Vraag 24
Is de tegemoetkoming chronisch zieken een compensatiemaatregel voor het
afschaffen van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten?
Antwoord op vraag 24
De genoemde envelop wordt gereserveerd om chronisch zieken tegemoet te
komen in hun kosten voor zorg. De invulling van deze maatregel wordt
nader uitgewerkt.
Vraag 25
Vraag 25
Wat zijn de voorwaarden om aanspraak te mogen doen op de tegemoetkoming
zorgkosten chronisch zieken?
Antwoord op vraag 25
Dit is afhankelijk van de nadere uitwerking van de tegemoetkoming
zorgkosten chronisch zieken.
Vraag 26
Vraag 26
Hoeveel mensen mogen aanspraak doen op de tegemoetkoming chronisch
zieken?
Antwoord op vraag 26
Dit is afhankelijk van de nadere uitwerking van de tegemoetkoming
zorgkosten chronisch zieken.
Vraag 27
Vraag 27
Met hoeveel nemen de gemiddelde zorgkosten toe van iemand die chronisch
ziek is, het eigen risico opmaakt, een aantal zelfzorgmedicijnen
gebruikt, aanspraak maakt op huishoudelijke hulp en wijkverpleging door
de plannen uit het coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 27
Dit is afhankelijk van de nadere uitwerking van de genoemde
maatregelen.
Vraag 28
Vraag 28
Hoe verhoudt zich de ombuiging ‘selectie geneesmiddelen uit het
basispakket en strakker pakketbeheer’ tot de eerdere besparing uit de
voorjaarsnota op zelfzorgmedicijnen van 70 miljoen euro?
Antwoord op vraag 28
Dit is een aanvullende maatregel. De besparing wordt gerealiseerd in
aanvulling op de eerdere taakstelling van 70 miljoen euro op
zelfzorggeneesmiddelen.
Vraag 29
Vraag 29
Welke zelfzorgmedicijnen moeten er allemaal uit het basispakket worden
gehaald om de ombuiging ‘selectie geneesmiddelen uit het basispakket en
strakker pakketbeheer’ van 150 miljoen euro te garanderen?
Antwoord op vraag 29
De opbrengst kan worden gerealiseerd door betaalbare geneesmiddelen die
ook in de vrije verkoop beschikbaar zijn uit het basispakket te halen.
Daarnaast kan de opbrengst worden gerealiseerd met maatregelen die de
doelmatigheid van dure geneesmiddelen vergroten. Over specifieke
pakketuitnames en maatregelen om doelmatigheid van dure geneesmiddelen
te vergroten moet nog worden besloten.
Vraag 30
Vraag 30
Hoeveel extra zorgmijders worden er verwacht door de verhoging van het
eigen risico?
Antwoord op vraag 30
Voor de aanvullende verhoging van het eigen risico met 60 euro wordt een
remgeldeffect verondersteld van ca. 580 miljoen euro. Dit betreft het
totaal aan verwacht minder zorggebruik. Op basis van de literatuur is
geen goede schatting te maken in welke mate voorkomt dat dit ook medisch
noodzakelijke zorg is.
Het Centraal Planbureau (CPB) gaat binnenkort starten met een onderzoek naar het niet-opvolgen van een verwijzing van de huisarts, waarbij zowel gekeken wordt naar financiële als niet-financiële kenmerken. De resultaten worden in 2026 verwacht.
Vraag 31
Vraag 31
Welk deel van de bezuiniging op pandemische paraatheid door het
kabinet-Schoof wordt teruggedraaid op basis van het coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 31
In het coalitieakkoord wordt de bezuiniging op pandemische paraatheid
door het kabinet-Schoof niet teruggedraaid.
Vraag 32
Vraag 32
Hoe komt de ombuiging van de tranchering van het eigen risico tot
stand?
Antwoord op vraag 32
De tranchering van het eigen risico leidt tot een derving van het eigen
risico, omdat mensen wel minder, maar nooit meer aan eigen risico zullen
betalen dan in de situatie zonder tranchering. Daarnaast leidt
tranchering tot lagere zorguitgaven: mensen zijn niet meer na één
zorgvraag in de medisch-specialistische zorg hun eigen risico kwijt. De
financiële drempel voor een eerste zorgvraag is hierdoor lager, maar
mensen zijn ook langer kostenbewust omdat voor volgende zorgvragen
opnieuw het eigen risico geldt. Dit tweede effect is groter, waardoor er
per saldo sprake is van lagere zorguitgaven.
Vraag 33
Vraag 33
Waaruit blijkt dat de tranchering van het eigen risico tot een ombuiging
leidt en niet tot een intensivering omdat de drempel tot zorg wordt
verlaagd?
Antwoord op vraag 33
Zie antwoord op vraag 32.
Vraag 34
Vraag 34
Hoe is het bedrag van 548 miljoen euro ombuiging op passende zorg
concreet tot stand gekomen?
Antwoord op vraag 34
De reeks is gebaseerd op een matiging van de verwachte groei van de
uitgaven aan zorg in de Zorgverzekeringswet tot en met 2035. De hoogte
is gebaseerd op een 30% beperking van de verwachte groei, met
uitzondering van groei die wordt verklaard door de stijging van
zorgvraag door de demografische ontwikkeling en de ontwikkeling van
lonen en prijzen.
Vraag 35
Vraag 35
Kan per maatregel onder passende zorg uitgesplitst worden hoe en hoeveel
de maatregel bespaart?
Antwoord op vraag 35
De raming is niet uitgesplitst naar onderliggende maatregelen.
Vraag 36
Vraag 36
Hoeveel minder mensen hebben recht op zorgtoeslag als gevolg van de invoering van het verlagen van de vermogensgrenzen zorgtoeslag naar box 3?
Antwoord op vraag 36
Wanneer de vermogensgrens zorgtoeslag wordt verlaagd naar het heffingsvrij vermogen (59.357 euro voor alleenstaanden en 118.714 euro voor partners in 2026), hebben naar verwachting – uitgaande van invoering in 2028 – circa 200.000 huishoudens geen recht meer op zorgtoeslag. Dit is ongeveer 4% van de zorgtoeslagontvangers.
Vraag 37
Vraag 37
Wat is de gemiddelde aftrek specifieke zorgkosten?
Antwoord op vraag 37
Uit het rapport aftrek specifieke zorgkosten dat in 2025 aan de Tweede Kamer is gestuurd, volgen de onderstaande gemiddelde bedragen per kostensoort5. De gemiddelde totale aftrek wat per gebruiker kan worden afgetrokken van het inkomen, bedraagt 1.453 euro.
| Tabel 4 Gemiddelde bedragen per kostensoort in de aftrek specifieke zorgkosten | |
|---|---|
| Type kosten | |
| Medicijnen | 264 euro |
| Hulpmiddelen | 761 euro |
| Vervoer | 398 euro |
| Dieetkosten | 921 euro |
| Kleding en beddengoed | 409 euro |
| Geneeskundige hulp | 994 euro |
| Ziekenbezoek | 397 euro |
| Gezinshulp | 1.509 euro |
Vraag 38
Vraag 38
Wat is de mediaan aftrek specifieke zorgkosten?
Antwoord op vraag 38
Uit het rapport aftrek specifieke zorgkosten dat in 2025 aan de Tweede Kamer is gestuurd, volgt het onderstaande overzicht van de mediane bedragen per kostensoort6. De mediane totale aftrek wat per gebruiker kan worden afgetrokken van het inkomen bedraagt 800 euro.
| Tabel 5 Mediane bedragen per kostensoort in de aftrek specifieke zorgkosten | |
|---|---|
| Type kosten | |
| Medicijnen | 144 euro |
| Hulpmiddelen | 297 euro |
| Vervoer | 193 euro |
| Dieetkosten | 950 euro |
| Kleding en beddengoed | 310 euro |
| Geneeskundige hulp | 449 euro |
| Ziekenbezoek | 175 euro |
| Gezinshulp | 300 euro |
Vraag 39
Vraag 39
Hoeveel minder medisch-specialisten worden er over vijf, tien en twintig
jaar verwacht als gevolg van de ombuiging op vervolgopleidingen
medisch-specialisten?
Antwoord op vraag 39
Het is afhankelijk van de nadere vormgeving van de maatregel of deze
gevolgen heeft voor het aantal medisch specialisten dat wordt
opgeleid.
Vraag 40
Vraag 40
Wat zijn de gevolgen voor de toekomstige beschikbaarheid van
medisch-specialistische zorg in regionale ziekenhuizen als gevolg van de
ombuiging op vervolgopleidingen medisch-specialisten?
Antwoord op vraag 40
De gevolgen zijn afhankelijk van de nadere vormgeving van de
maatregel.
Vraag 41
Vraag 41
Wat is het verwachte verplichte eigen risico in 2027, 2028, 2029, 2030
als gevolg van de verhoging van het eigen risico en indexering?
Antwoord op vraag 41
De jaarlijkse indexatie van het eigen risico is afhankelijk van de
ontwikkeling van de zorguitgaven. Volgens de huidige inzichten van het
kabinet bedraagt het verplicht eigen risico 460 euro in 2027, 475 euro
in 2028, 480 euro in 2029 en 495 euro in 2030.
Het CPB verwacht in zijn analyse van het coalitieakkoord een eigen risico van 460 euro in 2027 en 520 euro in 2030. In de analyse van het coalitieakkoord van het CPB is bij de raming van het eigen risico nog geen rekening gehouden met het effect van overige coalitieakkoordmaatregelen op de zorguitgaven. Deze leiden tot een lagere groei van de zorguitgaven en daarmee tot een lagere indexatie van het eigen risico. In het Centraal Economisch Plan (CEP) wordt wel rekening gehouden met de overige coalitieakkoordmaatregelen op de groei van de zorguitgaven, waardoor de hoogte van het eigen risico anders kan uitvallen.
Vraag 42
Vraag 42
Bij het inrichten van een vangnet van 350 miljoen euro, ter compensatie
van het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo, hoeveel euro
zou er per persoon beschikbaar zijn?
Antwoord op vraag 42
In het coalitieakkoord is een reeks opgenomen voor het tegemoetkomen van
zorgkosten van chronisch zieken ter hoogte van 350 miljoen euro. Dit
staat los van de maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief
vangnet’. Als onderdeel van deze laatste maatregel wordt een deel van de
opbrengst van het schrappen van de voorziening huishoudelijk hulp
gereserveerd voor het inrichten van een vangnet. Deze laatste maatregel
wordt de komende tijd verder uitgewerkt. De vormgeving van het vangnet
is daarom nog niet bekend.
Vraag 43
Vraag 43
Hoeveel mensen die momenteel aanspraak maken op de Wmo zouden gebruik
kunnen maken van het vangnet van 350 miljoen euro?
Antwoord op vraag 43
Zie antwoord op vraag 42.
Vraag 44
Vraag 44
Hoeveel mensen maken er momenteel gebruik van de Wmo, uitgesplitst per
categorie voorzieningen waar zij gebruik van maken?
Antwoord op vraag 44
In de onderstaande tabel is te zien hoeveel mensen in 2024 in totaal
gebruik maakten van een maatwerkvoorziening uit hoofde van de Wmo 2015
en hoeveel mensen welke vorm van ondersteuning in hun
maatwerkvoorziening ontvingen. Omdat sommige mensen meer dan één vorm
van ondersteuning ontvangen tellen de aantallen cliënten per
ondersteuningsvorm niet op tot het totaal aantal cliënten voor alle
maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015 samen.
| Tabel 6 Gebruik maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015 | |
|---|---|
| Maatwerkvoorziening met | Aantal cliënten (2024) |
| Ondersteuning thuis | 252.480 |
| Hulp bij het huishouden | 555.935 |
| Hulpmiddelen en diensten | 795.340 |
| Totaal (excl. verblijf en opvang) | 1.258.435 |
| Verblijf en opvang | 34.635 |
| Totaal | 1.283.855 |
Bron: CBS
Vraag 45
Vraag 45
Hoeveel mensen zullen er naar verwachting in 2030 gebruik maken van de
Wmo, uitgesplitst per categorie voorzieningen waar zij gebruik van
maken?
Antwoord op vraag 45
Er is geen zicht op het aantal gebruikers van de Wmo per categorie
voorziening in 2030.
Vraag 46
Vraag 46
Welk gevolg zal het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo
hebben op de maandelijkse lasten van gebruikers van de Wmo, in het
bijzonder mensen met een beperking?
Antwoord op vraag 46
De maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief vangnet' wordt de
komende tijd verder uitgewerkt. Het is dan ook nu nog niet bekend wat de
gevolgen zijn van het schrappen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo op
de maandelijkse lasten van gebruikers.
Vraag 47
Vraag 47
Per wanneer zou het bestuurlijk akkoord Wlz uiterlijk ingevoerd moeten
worden, gelet op het feit dat vanaf 2027 de maatregel al wordt
ingeboekt?
Antwoord op vraag 47
Het kabinet gaat zo snel mogelijk aan de slag met het bestuurlijke
akkoord. Om de afspraken uit een akkoord te kunnen betrekken bij de
zorginkoop 2027, moet deze rond juni 2026 afgesloten zijn. Als het niet
haalbaar blijkt om voor die tijd een volledig akkoord te sluiten, wordt
bezien hoe per 2027 invulling gegeven kan worden aan de beoogde
besparing.
Vraag 48
Vraag 48
Per wanneer zou het bestuurlijk akkoord Wlz uiterlijk naar de Kamer
verzonden moeten worden, gelet op het feit dat vanaf 2027 de maatregel
al wordt ingeboekt?
Antwoord op vraag 48
Zie antwoord op vraag 47.
Vraag 49
Vraag 49
Hoeveel mensen met een beperking of chronische ziekte maken momenteel (naar schatting) gebruik van ongecontracteerde zorg?
Antwoord op vraag 49
Er is geen data beschikbaar over het aantal mensen met een beperking of chronische ziekte die gebruikmaken van ongecontracteerde zorg.
Vraag 50
Vraag 50
Zal het huidige Nationaal Actieprogramma Aanpak Seksueel
Grensoverschrijdend Gedrag en Seksueel Geweld opgenomen worden in het
toekomstige plan Stop Geweld Tegen Vrouwen?
Hoe hoog zal de eigen bijdrage wijkverpleging (gemiddeld) zijn en per wanneer zal de eigen bijdrage ingevoerd worden?
Zal het afschaffen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo gepaard gaan met het huidige wetsvoorstel voor het afschaffen van het abonnementstarief?
Antwoord op vraag 50
In het toekomstige plan Stop Geweld Tegen Vrouwen worden ervaringen en
lessen vanuit eerdere programma’s meegenomen en benut, zoals het nog
lopende Nationaal Actieprogramma Aanpak Seksueel Grensoverschrijdend
Gedrag en Seksueel Geweld.
De hoogte van de (gemiddelde) eigen bijdrage is afhankelijk van de nadere vormgeving van de maatregel. De eigen bijdrage wordt ingevoerd per 2029.
Het wetsvoorstel van de Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015 is op 25 maart 2025 aangeboden aan uw Kamer. De maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief vangnet’ is een aanvullende maatregel die de komende tijd verder wordt uitgewerkt.
Vraag 51
Vraag 51
Welke onderdelen van het Regenboogakkoord zullen via wetsvoorstellen geïmplementeerd moeten worden?
Antwoord op vraag 51
In het Regenboogakkoord staan maatregelen die bijdragen aan meer veiligheid, gelijke behandeling en emancipatie van lhbti+ personen waaronder mogelijke wetswijzigingen. Welke wetsvoorstellen precies geïmplementeerd worden hangt af van nadere uitwerking.
Vraag 52
Vraag 52
Hoeveel zou het naar schatting kosten indien er een brede consultatie
onder vrouwen uitgevoerd zou moeten worden in het kader van de Nationale
Strategie Vrouwengezondheid? Kan hierbij ook de onderbouwing geleverd
worden?
Antwoord op vraag 52
Dit hangt sterk af van de manier waarop een dergelijke brede consultatie
wordt vormgegeven. In de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor de
Nationale Strategie Vrouwengezondheid is niet voorzien in een brede
consultatie. Tijdens de ronde tafels die georganiseerd zijn en de
werkconferentie Vrouwengezondheid* die op 4 februari jl. heeft
plaatsgevonden is uitgebreid aandacht geweest voor de ervaringskennis en
de verhalen van vrouwen. De inzichten van deze consultaties worden nu
verwerkt in een werkagenda Vrouwengezondheid.
*https://www.zonmw.nl/nl/artikel/samen-actie-voor-betere-vrouwengezondheid
Vraag 53
Vraag 53
Krijgen publieke omroepen de vrije hand bij de besteding van de 50 miljoen euro die vanaf 2027 wordt geïnvesteerd? Zo nee, waar gaan die gelden dan werkelijk naar toe?
Antwoord op vraag 53
De precieze besteding van de intensivering van 50 miljoen voor media (artikel 15 van de OCW-begroting) wordt op dit moment nader uitgewerkt.
Vraag 54
Vraag 54
Wat is de netto-intensivering of korting op het budget voor ontwikkelingssamenwerking als zowel de intensivering op het budget, de bijdrage aan Oekraïne en de 10% toerekening voor eerstejaarsopvang worden meegenomen?
Antwoord op vraag 54
In het Coalitieakkoord wordt vanaf 2027 structureel 257 miljoen euro geïntensiveerd op ontwikkelingssamenwerking. Het verwerken van de asieltoerekening is een verschuiving binnen het ODA-budget tussen de BHO-begroting en de AenM-begroting en heeft daarmee geen effect op de hoogte van het ODA-budget. Ook wordt er 419 miljoen euro ten behoeve van Oekraïne gedekt uit het ODA-budget. Per saldo betekent dit een korting van 162 miljoen euro in 2027 voor het ODA-budget en een intensivering in 2030 van 257 miljoen euro. De additionele niet-militaire steun voor Oekraïne wordt voor nu buiten beschouwing gelaten, omdat de besteding en daarmee de ODA-toerekening nog nader geconcretiseerd wordt. Het volledige beeld, inclusief het effect van apparaatstaakstellingen en de subsidietaakstelling op het budget van ontwikkelingssamenwerking, wordt bij Startnota gepresenteerd.
Vraag 55
Vraag 55
Wat is de totale benodigde investering in de onderhoud en aanleg van infrastructuur tot 2030? Hoe verhoudt zich dit tot tweemaal 750 miljoen euro voor infrastructuur?
Antwoord op vraag 55
Dit kabinet kiest ervoor om tweemaal 750 miljoen euro in 2028 en 2029 beschikbaar te stellen voor prioritaire infrastructuurprojecten (maatregel 9 budgettaire tabel). Ook stelt het kabinet 1,1 miljard euro per jaar beschikbaar voor de jaren 2031 t/m 2035 voor beheer en onderhoud van infrastructuur en ontsluiting woningbouw (maatregel 8 budgettaire tabel). Vanaf 2036 is hiervoor structureel 500 miljoen euro per jaar beschikbaar. De komende periode gaat het kabinet een verdeling maken van deze middelen. Zoals in het coalitieakkoord aangegeven, zal de onderhoudsopgave voorrang krijgen bij het toebedelen van de beschikbare middelen.
Vraag 56
Vraag 56
Wordt het hele pakket ‘Doen’ uit het Interdepartementaal beleidsonderzoek naar de Wet en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) overgenomen? Welke onderdelen of fiches niet? Kunt u in uw beantwoording zo specifiek mogelijk zijn?
Antwoord op vraag 56
Binnen het Interdepartementaal Beleidsonderzoek IBO) WIA is een zogenoemd ‘doen-pakket’ opgenomen met 11 concrete beleidsmaatregelen uitgewerkt in fiches om het arbeidsongeschiktheidsstelsel te verbeteren. Van dit pakket zijn drie maatregelen opgenomen in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord: het afschaffen van de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA), het stellen van voorwaarden aan herbeoordelingen en taakherschikking bij verzekeringsartsen.
De volgende maatregelen uit het ‘doen’ pakket worden ook genoemd in het coalitieakkoord: betere samenwerking en gegevensuitwisseling tussen bedrijfsartsen en verzekeringsartsen, meer toezicht door de Arbeidsinspectie op preventiebeleid van werkgevers, een re-integratiebudget van het UWV dat meegroeit met instroom in de Ziektewet en WIA en meer zekerheid bij werkhervatting vanuit de WIA door middel van een terugvaloptie.
Vraag 57
Vraag 57
Hoe lang moet je werken om in de voorgenomen plannen volledig recht te hebben op twaalf maanden WW?
Antwoord op vraag 57
In de voorgenomen plannen ontstaat volledig recht op twaalf maanden WW bij een arbeidsverleden van 24 jaar.
Vraag 58
Vraag 58
Tussen 2000 en 2024 stegen de lonen gemiddeld 0,5% sneller dan het cao-loon. Wettelijk is de stijging van de AOW-uitkering via het minimumloon gekoppeld aan de stijging van het cao-loon, maar in de ramingen wordt deze gekoppeld aan de gemiddelde loonstijging. Als de verhouding tussen de cao-loonstijging en de gemiddelde loonstijging gelijk blijft, hoeveel lager vallen de geraamde AOW-kosten dan uit?
Antwoord op vraag 58
De geraamde uitgaven aan de AOW zoals vermeld in de begroting van het ministerie van SZW worden in alle jaren in hetzelfde prijspeil uitgedrukt. Daarnaast staat op de begroting een post AOW nominaal om te kunnen voorzien in de toekomstige indexatie. Deze nominaal wordt berekend op basis van de wettelijke indexatie van de AOW. Deze volgt dus uit de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon die gekoppeld is aan de cao-loonontwikkeling.
Vraag 59
Vraag 59
Wanneer stokt de investeringscapaciteit van woningbouwcorporaties met de toegezegde middelen in het akkoord? Hoeveel woningen kunnen extra worden gebouwd als de corporaties een vrijstelling krijgen voor de VPB?
Antwoord op vraag 59
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is afgesproken om vanaf 2029 jaarlijks 30.000 sociale huurwoningen en 5.000 middenhuurwoningen te bouwen, met de ambitie om al in 2027 op dit niveau te zitten. Het kabinet zet de afspraken uit de NPA door. Uit de financiële doorrekening van de NPA die recent met uw Kamer is gedeeld blijkt dat woningcorporaties tot en met 2034 een tekort aan investeringsruimte hebben om de NPA uit te kunnen voeren. In het coalitieakkoord zijn daarom maatregelen afgesproken om de investeringscapaciteit van woningcorporaties te vergroten.
Zo is in het coalitieakkoord onder meer afgesproken dat er een faciliteit in de vennootschapsbelasting (Vpb) wordt geïntroduceerd om de Vpb-lasten van woningcorporaties te verlagen. Hiervoor wordt taakstellend een bedrag structureel 325 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld. Hoe deze verlaging van Vpb-lasten concreet wordt ingevuld wordt nader uitgewerkt, rekening houdend met onder andere uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid, waaronder de staatssteunregels en het (overige) EU-recht. Om de gewenste hefboom te creëren op de investeringsruimte van corporaties is het essentieel om de verlaging zo vorm te geven dat dit structureel bijdraagt aan de mogelijkheden van woningcorporaties om extra geborgde financiering aan te trekken. Een eerste inschatting met het NPA-rekenmodel, is dat deze voorgenomen verlaging van Vpb-lasten – afhankelijk van de precieze invulling – potentieel kan leiden tot 8 tot 10 miljard euro aan extra investeringsruimte voor woningcorporaties. Tot hoeveel woningen deze verlaging van de Vpb-lasten leidt is lastig in te schatten, ook omdat de realisatie van nieuwbouw van veel andere factoren afhankelijk is.
Daarnaast is het zo dat het kabinet aanvullende maatregelen neemt om de investeringscapaciteit van woningcorporaties te verbeteren, onder meer door meer passende huurgelden te vragen in relatie tot het inkomen van huurders en woningcorporaties meer ruimte te geven om te bouwen voor zogeheten niet-Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB)-activiteiten. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal uw Kamer informeren over de voorgenomen uitwerking van deze punten en de verwachte effecten ervan op de investeringscapaciteit van corporaties.
Vraag 60
Vraag 60
Hoe wordt omgegaan met de dalende opbouwpercentages van de AOW-rechten in de ramingen van de AOW-kosten? In andere woorden, wordt in de ramingen rekening gehouden met het feit dat steeds meer mensen een onvolledige AOW krijgen?
Antwoord op vraag 60
In de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden de AOW uitgaven tot en met 2030 weergegeven. In deze jaren wordt een afloop voorzien van het gemiddelde opbouwpercentage van AOW gerechtigden. Hierdoor neemt de gemiddelde hoogte van de AOW af.
Vraag 61
Vraag 61
Hoe worden de extra uitgaven aan Oekraïne van 3 miljard euro per jaar precies gedekt? Kunt u een overzicht geven van alle Nederlandse, bilaterale uitgaven aan steun voor Oekraïne (uitgesplitst per jaar), zowel militair, niet-militair als voor de opvang van ontheemden?
Antwoord op vraag 61
De extra uitgaven aan Oekraïne zijn onderdeel van integrale besluitvorming van het coalitieakkoord.
Zie het antwoord op vraag 6.
Vraag 62
Vraag 62
Kunt u de systematiek achter de vrijheidsbijdrage en dus achter het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting nader toelichten? Kunt u per inkomensgroep in zowel absolute als relatieve cijfers aangeven hoeveel burgers erop achteruit gaan per jaar? Hoeveel houden burgers in verschillende inkomensgroepen zowel bruto als netto minder over per jaar op hun loonstrook als gevolg van deze maatregel?
Antwoord op vraag 62
De vrijheidsbijdrage voor huishoudens is vormgegeven als een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (tcf). De tcf wordt toegepast in diverse belastingmiddelen. De beperkte toepassing voor 2027 en 2028 heeft alleen betrekking op de loon- en inkomstenbelasting. In artikel 10.1 Wet IB 2001 is opgenomen welke bedragen in de inkomstenbelasting jaarlijks met de tcf gecorrigeerd worden. Dit zijn ook de parameters waarvoor de beperkte toepassing geldt, samen met de daarmee corresponderende bedragen in de loonbelasting. Het betreft de schijfgrenzen en heffingskortingen, maar ook andere parameters zoals de hoogste grens van het eigenwoningforfait, de maximale giftenaftrek en het reiskostenforfait.
Wanneer de tcf niet of beperkt wordt toegepast in de inkomstenbelasting, leidt dit tot lagere schijfgrenzen en heffingskortingen dan wanneer de tcf volledig was toegepast, waardoor mensen meer inkomstenbelasting gaan afdragen. Dit werkt structureel door in de besteedbare inkomens van mensen. Dat wil zeggen dat het verschil in het besteedbaar inkomen met het basispad in latere jaren niet wordt rechtgetrokken wanneer de tcf wel weer wordt toegepast. Dit is ook de reden dat het inkomenseffect in 2028 negatiever is dan in 2027; in 2028 is het inkomenseffect het gevolg van twee jaren op rij de tcf beperkt toepassen in de inkomstenbelasting.
Het beperkt toepassen van de tcf in de inkomstenbelasting heeft geen effect op de bruto-inkomens van werkenden. De tcf wijzigt enkel de parameters in het belastingstelsel. Het bruto-inkomen is het inkomen van mensen voorafgaand aan het betalen van inkomstenbelasting. Alleen voor mensen die een bijstandsuitkering of AOW ontvangen wijzigt het bruto-inkomen. Dit komt omdat het netto te ontvangen bedrag in deze regelingen gekoppeld is aan het netto referentieminimumloon. Omdat het netto referentieminimumloon afneemt dalen ook de bruto bijstand en AOW.
De onderstaande tabel toont het inkomenseffect van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor (tcf) in de inkomstenbelasting in de jaren 2027 en 2028. Het inkomenseffect is het effect op het besteedbaar inkomen, ten opzichte van de situatie waarin de tcf wel volledig wordt toegepast. In 2027 is dit verschil alleen de beperkte toepassing van 2027, in 2028 komt hier het effect van de beperkte toepassing in 2028 bovenop.
| Tabel 7 Inkomenseffect beperkt toepassen tcf | ||
|---|---|---|
| Inkomensgroep | 2027 | 2028 |
| 1e (<=107% WML) | ‒ 0,3% | ‒ 0,6% |
| 2e (107-173% WML) | ‒ 0,3% | ‒ 0,7% |
| 3e (173-257% WML) | ‒ 0,3% | ‒ 0,7% |
| 4e (257-380% WML) | ‒ 0,3% | ‒ 0,7% |
| 5e (>380% WML) | ‒ 0,3% | ‒ 0,7% |
| Alle huishoudens | ‒ 0,3% | ‒ 0,7% |
De onderstaande tabel toont het effect in euro’s op het besteedbaar inkomen van het beperkt toepassen van de tcf in de inkomstenbelasting in de jaren 2027 en 2028 voor diverse voorbeeldhuishoudens, afgerond op tientallen euro's. Net als bij de procentuele inkomenseffecten zijn de eurobedragen in 2028 hoger dan in 2027 als gevolg van het twee jaar op rij beperkt toepassen van de tcf in de inkomstenbelasting.
| Tabel 8 Effect op besteedbaar inkomen van beperkt toepassen tcf | ||
|---|---|---|
| Huishoudtype | 2027 | 2028 |
| Werkenden | ||
| Alleenverdiener met kinderen | ||
| Modaal | ‒ 120 euro | ‒ 290 euro |
| 2x Modaal | ‒ 190 euro | ‒ 440 euro |
| Tweeverdieners | ||
| Modaal | ‒ 120 euro | ‒ 290 euro |
| 2x Modaal + 1/2 x modaal met kinderen | ‒ 190 euro | ‒ 440 euro |
| 2½ x Modaal + modaal met kinderen | ‒ 370 euro | ‒ 830 euro |
| Modaal + modaal zonder kinderen | ‒ 240 euro | ‒ 580 euro |
| 2 x Modaal + modaal zonder kinderen | ‒ 310 euro | ‒ 720 euro |
| Alleenstaande | ||
| Minimumloon | ‒ 120 euro | ‒ 260 euro |
| Modaal | ‒ 120 euro | ‒ 290 euro |
| 2 x Modaal | ‒ 190 euro | ‒ 440 euro |
| Alleenstaande ouder | ||
| Minimumloon | 0 euro | ‒ 120 euro |
| Modaal | ‒ 160 euro | ‒ 380 euro |
| Niet-werkenden | ||
| Sociale minima | ||
| Paar met kinderen | ‒ 70 euro | ‒ 150 euro |
| Alleenstaande | ‒ 50 euro | ‒ 100 euro |
| Alleenstaande ouder | ‒ 50 euro | ‒ 100 euro |
| AOW alleenstaand | ||
| Alleen AOW | ‒ 40 euro | ‒ 110 euro |
| AOW +10.000 euro | ‒ 80 euro | ‒ 200 euro |
| AOW paar | ||
| Alleen AOW | ‒ 60 euro | ‒ 120 euro |
| AOW + 10.000 euro | ‒ 90 euro | ‒ 200 euro |
| AOW + 30.000 euro | ‒ 180 euro | ‒ 380 euro |
Vraag 63
Vraag 63
Kunt u in zowel absolute als relatieve cijfers aangeven hoeveel bedrijven per jaar achteruitgaan als gevolg van het verhogen van de aof-premie?
Antwoord op vraag 63
De vrijheidsbijdrage voor bedrijven is in het coalitieakkoord ingevuld als taakstellende verhoging van de Aof-premie. Daarmee moet in 2027 1,5 miljard euro worden opgehaald en 1,7 miljard euro in de jaren daarna. Voor bedrijven (dus zonder de overheid) is dat vanaf 2028 een lastenverzwaring van ongeveer 1,2 miljard euro. Relatief gezien gaat het om ongeveer 0,44 procent van de premieplichtige loonsom van bedrijven, en om ongeveer 0,30 procent van hun totale loonkosten.
Vraag 64
Vraag 64
Het kabinet verhoogt het eigen risico met 75 euro per 2027. Welk effect heeft deze verhoging op de zorgpremie? Welke compenserende lastenverzwaring betekent dit voor burgers en bedrijven? Wat betekent dit voor de koopkracht van de verschillende inkomensgroepen
Antwoord op vraag 64
Door het verhogen van het eigen risico met 75 euro dalen de uitgaven aan de zorg.7 Dit leidt tot gemiddeld 60 euro aan lagere premies. Dit zorgt ervoor dat de overheidsinkomsten uit de nominale zorgpremies met 882 miljoen euro dalen, en uit de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB) met 364 miljoen euro. Hier staat tegenover dat de overheid 134 miljoen euro minder uitgeeft aan de zorgtoeslag. Om het gewenste EMU-saldo-effect te bereiken, is een compenserende lastenverzwaring nodig van 1.112 miljoen euro, waarvan 875 miljoen euro binnen de inkomstenbelasting. Bij dit antwoord is uitgegaan van de gebruikelijke systematiek binnen het inkomstenkader om de doorwerking op premies te compenseren. Daarbij vindt de lastenverzwaring zo veel mogelijk plaats bij dezelfde doelgroep die profiteert van de lagere premies, in dit geval via de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. Het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting stijgt met 0,18%-punt. Bij de Miljoenennota is het mogelijk dat er gekozen wordt voor een andere invulling van de lastenverzwaring.
Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van een verhoging van het eigen risico met 75 euro in 2027 voor de vijf inkomensgroepen. Het mediane inkomenseffect van deze maatregel op alle Nederlandse huishoudens in 2027 is ‒ 0,2%. De verhoging van het eigen risico heeft een negatief effect op het besteedbaar inkomen. Anderzijds hebben de lagere zorgpremie en de lagere IAB een positief effect op het besteedbaar inkomen. De verhoging van het tarief in de eerste en tweede belastingschijf om het gewenste EMU-saldo-effect te bereiken heeft een negatief effect op het besteedbaar inkomen. De lagere zorgpremie leidt tevens tot een lagere zorgtoeslag, wat een negatief effect heeft op het besteedbaar inkomen. Per saldo leidt de maatregel tot een negatief mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2% in 2027. Dit betekent dat het inkomenseffect voor de helft van de Nederlandse huishoudens negatiever is, en ook voor de helft van de huishoudens minder negatief.
Het inkomenseffect in onderstaande tabel is slechts een onderdeel van het totale koopkrachtbeeld voor de verschillende inkomensgroepen. Zie voor de mediane koopkrachtontwikkeling het antwoord op vraag 73 en 101.
| Tabel 9 Inkomenseffect verhoging eigen risico met 75 euro per 2027 | |
|---|---|
| Inkomensgroep | Inkomenseffect in 2027 |
| 1e (<=106% WML) | ‒ 0,2% |
| 2e (106-173% WML) | ‒ 0,2% |
| 3e (173-256% WML) | ‒ 0,1% |
| 4e (256-378% WML) | ‒ 0,2% |
| 5e (>378% WML) | ‒ 0,1% |
| Alle huishoudens | ‒ 0,2% |
Vraag 65
Vraag 65
Hoeveel miljard bezuinigt dit kabinet in totaal per jaar (2027-2035) op de zorg en hoeveel miljard bezuinigt dit kabinet in totaal per jaar (2027-2035) op sociale zekerheid?
Antwoord op vraag 65
In de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord wordt het budgettaire beeld geschetst voor de begrotingshorizon (tot en met 2031). In onderstaande tabel zijn zowel de intensiveringen als ombuigingen op het gebied van zorg en sociale zekerheid opgenomen. Dit beeld is exclusief de rijksbrede efficiencytaakstelling, de rijksbrede maatregel vernieuwing rijksdienst / slagvaardige overheid en de rijksbrede subsidietaakstelling.
| Tabel 10 Maatregelen coalitieakkoord op gebied van sociale zekerheid en zorg | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Omschrijving (bedragen in miljoenen euro, - = saldo verbetering) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | Struc. |
| Sociale zekerheid | |||||||
| CA 47. Aftrek specifieke zorgkosten Kindgebondenbudget (SZW) | 0 | 0 | ‒ 4 | ‒ 4 | ‒ 4 | ‒ 4 | ‒ 4 |
| CA 50. Versterking van gezinnen | 0 | 300 | 600 | 600 | 600 | 600 | 600 |
| CA 51. Leven lang ontwikkelen | 0 | 0 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 |
| CA 52. Aanpak armoede en problematische schulden | 0 | 125 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| CA 53. Commissie sociaal minimum BES | 0 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 | 30 |
| CA 54. WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) | 6 | 12 | 13 | 17 | ‒ 53 | ‒ 179 | ‒ 1151 |
| CA 55 Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding | 0 | 2 | ‒ 141 | ‒ 216 | ‒ 222 | ‒ 229 | ‒ 262 |
| CA 56. Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 | 0 | 0 | 10 | ‒ 644 | ‒ 658 | ‒ 697 | ‒ 813 |
| CA 57. Duurverkorting 12 maanden | 0 | 0 | 5 | ‒ 526 | ‒ 991 | ‒ 1314 | ‒ 1320 |
| CA 58. Re-integratiemiddelen | 0 | 0 | ‒ 100 | ‒ 100 | ‒ 100 | ‒ 100 | ‒ 100 |
| CA 60. 1 op 1 koppeling AOW-leeftijd aan levensverwachting per 1-1-2033 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 2772 |
| Per saldo sociale zekerheid | 6 | 469 | 663 | ‒ 593 | ‒ 1148 | ‒ 1643 | ‒ 5542 |
| Zorg | |||||||
| CA 29. Jeugd en school | 0 | 50 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 |
| CA 30. Sport | 0 | 33 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 |
| CA 31. Versterken wijken en buurten | 0 | 40 | 40 | 40 | 0 | 0 | 0 |
| CA 32. Medische preventie | 0 | 33 | 35 | 35 | 35 | 35 | 35 |
| CA 33. Envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (via gemeenten) | 0 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 | 350 |
| CA 34. Eigen risico niet verlagen en indexeren per 2027 | 0 | ‒ 3705 | ‒ 3926 | ‒ 4127 | ‒ 4222 | ‒ 4317 | ‒ 4766 |
| CA 35. Verhoging eigen risico met 60 euro per 2027 | 0 | ‒ 1020 | ‒ 1025 | ‒ 1030 | ‒ 1035 | ‒ 1040 | ‒ 1050 |
| CA 36. Tranchering eigen risico op 150 euro | 0 | 0 | ‒ 200 | ‒ 200 | ‒ 200 | ‒ 200 | ‒ 200 |
| CA 37. Passende zorg (wet- en regelgeving) | 0 | 0 | 0 | ‒ 112 | ‒ 198 | ‒ 266 | ‒ 548 |
| CA 38. Versterken informatieplicht zorgverzekeraars | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 110 | ‒ 110 | ‒ 190 |
| CA 39. Afschaffen vergoeding ongecontracteerde zorg | 0 | 0 | 0 | ‒ 150 | ‒ 150 | ‒ 150 | ‒ 150 |
| CA 40. Uitvoeren afspraken Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (t/m 2035) | 0 | 794 | 709 | 230 | 230 | 230 | 0 |
| CA 41. Selectie geneesmiddelen uit basispakket en strakker pakketbeheer | 0 | 0 | ‒ 35 | ‒ 115 | ‒ 150 | ‒ 150 | ‒ 150 |
| CA 42. Bestuurlijk akkoord Wlz / Scheiden wonen en zorg | 0 | ‒ 130 | ‒ 345 | ‒ 560 | ‒ 775 | ‒ 990 | ‒ 990 |
| CA 43. Vrijvallen resterende envelop ouderenzorg | 0 | ‒ 8 | ‒ 321 | ‒ 320 | ‒ 470 | ‒ 470 | ‒ 470 |
| CA 44. Huishoudelijke hulp uit Wmo met vangnet | 0 | 0 | 0 | ‒ 435 | ‒ 435 | ‒ 435 | ‒ 435 |
| CA 45. Gelijktrekken vermogensgrenzen zorgtoeslag naar heffingsvrij vermogen | 0 | ‒ 24 | ‒ 289 | ‒ 299 | ‒ 311 | ‒ 329 | ‒ 329 |
| CA 46. Eigen bijdrage wijkverpleging | 0 | 15 | 15 | ‒ 225 | ‒ 225 | ‒ 225 | ‒ 225 |
| CA 47. Aftrek specifieke zorgkosten* | 0 | 0 | ‒ 66 | ‒ 133 | ‒ 147 | ‒ 152 | ‒ 154 |
| CA 48. Vervolgopleidingen medisch-specialisten | 0 | 0 | 0 | ‒ 110 | ‒ 110 | ‒ 110 | ‒ 110 |
| CA 49. Beschikbaarheidbijdrage academische zorg | 0 | 0 | 0 | ‒ 100 | ‒ 100 | ‒ 100 | ‒ 100 |
| Per saldo zorg | 0 | ‒ 3572 | ‒ 4858 | ‒ 7061 | ‒ 7823 | ‒ 8229 | ‒ 9282 |
*Deze reeks geeft de besparing op het kasbudget weer, waardoor deze verschilt van de reeks in de budgettaire bijlage. Daarnaast zijn de effecten op andere inkomensafhankelijke regelingen geen onderdeel van deze reeks.
Vraag 66
Vraag 66
Op welke wijze wordt het basispakket in de zorg precies versoberd? Wat
voor lastenverzwaring betekent dit voor burgers? Welke
zelfzorgmedicijnen moeten er allemaal uit het basispakket worden gehaald
om de ombuiging ‘selectie geneesmiddelen uit het basispakket en strakker
pakketbeheer’ van 150 miljoen euro te garanderen?
Antwoord op vraag 66
Zie antwoord op vraag 29. In algemene zin leiden lagere collectieve
zorguitgaven tot lagere lasten voor burgers, doordat de nominale premie
minder stijgt. Bij het verkleinen van het basispakket staan hier deels
private zorgkosten tegenover. De omvang van deze zorgkosten is
afhankelijk van de nader te besluiten aanpassing van het pakket.
Vraag 67
Vraag 67
Welke financiële gevolgen heeft het verhogen van het vaste bedrag en het verlagen van het variabele bedrag voor de kindregeling? Wat zijn hiervan de financiële consequenties voor gezinnen met kinderen (per inkomensgroep en bij verschillende gezinssamenstelling) in zowel absolute als relatieve zin? Hoeveel euro gaan gezinnen met kleine kinderen er per jaar als gevolg van deze maatregel op vooruit of achteruit?
Antwoord op vraag 67
In het coalitieakkoord ‘Aan de slag’ is opgenomen dat de kinderbijslag (AKW) en het kindgebonden budget (WKB) worden samengevoegd tot één nieuwe kindregeling met een hoger vast en een lager inkomensafhankelijk bedrag. Verder is opgenomen dat door toe te werken naar een hoger vast bedrag de zekerheid voor ouders wordt vergroot en het risico op terugvorderingen afneemt.
Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren. De door uw Kamer gevraagde effecten zijn afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving.
Vraag 68
Vraag 68
Wat is de raming van het tekort en de schuld voor de jaren in de kabinetsperiode? In hoeverre komt dit overeen met het geadviseerde tekort door de Studiegroep Begrotingsruimte?
Antwoord op vraag 68
De effecten van het coalitieakkoord op de kabinetsraming van het EMU-saldo en de EMU-schuld zijn pas definitief na de doorrekening van het CEP. In de Startnota wordt de nieuwe raming van het saldo en de schuld gepubliceerd.
Vraag 69
Vraag 69
Wat voor gevolgen heeft het afschaffen van de IVA-uitkering? Wat gebeurt er met nieuwe gevallen die normaal gesproken aanspraak zouden maken op een IVA-uitkering
Antwoord op vraag 69
Deze maatregel schaft het duurzaamheidscriterium af in de WIA. Dit betekent dat de huidige IVA-uitkering vervalt voor nieuwe gevallen. Bij de WIA-claimbeoordeling wordt niet langer vastgesteld of arbeidsongeschiktheid duurzaam is. Nieuwe gevallen die volledig arbeidsongeschikt zijn (80-100%) ontvangen in de nieuwe situatie een WGA-uitkering voor volledige arbeidsongeschiktheid. De uitkeringshoogte bedraagt voor deze groep 70% van het (maximum) dagloon.
Daarnaast kan het afschaffen van de IVA-uitkering ook tot hogere individuele en sectorale Whk-premies leiden voor publiek verzekerde werkgevers en meer activerings- en re-integratiekosten voor eigenrisicodragers.
Vraag 70
Vraag 70
Bij het verlagen van het maximum dagloon met 20% wordt de koppeling met het maximum premieloon behouden, wat resulteert in lagere premie-inkomsten. Welke lastenverzwaring wil het kabinet als gevolg hiervan doorvoeren? Met hoeveel stijgen de lasten voor burgers (verschillende inkomensgroepen) en bedrijven?
Antwoord op vraag 70
In het coalitieakkoord is afgesproken dat er een compenserende lastenverzwaring zal worden gezet tegenover de lagere inkomsten uit de premies als gevolg van maatregelen in de sociale zekerheid en de zorg, zodat het beoogde effect op het EMU-saldo wordt bereikt. Op welke manier de lastenverzwaring wordt ingevuld is niet besloten in het coalitieakkoord. Daarnaast is in het akkoord is opgenomen dat het kabinet met sociale partners in gesprek gaat over de invulling en uitwerking van de maatregelen gerelateerd aan het arbeidsongeschiktheidsstelsel. Bij de doorrekening van het CPB is uitgegaan van de gebruikelijke systematiek binnen het inkomstenkader om de doorwerking op premies te compenseren. Daarbij vindt de lastenverzwaring zo veel mogelijk plaats bij dezelfde doelgroep die profiteert van de lagere premies. Bij de Miljoenennota is het mogelijk dat er gekozen wordt voor een andere invulling van de lastenverzwaring.
Vraag 71
Vraag 71
Met hoeveel stijgt de AOW-leeftijd als gevolg van de 1-op-1 koppeling aan levensverwachting in de periode 2033 tot en met 2050? Wat wordt naar verwachting de AOW-leeftijd van iemand die nu 20 jaar respectievelijk 25, 30, 35 en 40 jaar oud is?
Antwoord op vraag 71
Indien op basis van de jaarlijkse CBS-prognoses de resterende levensverwachting vanaf 65 jaar met een jaar toeneemt, zal vanaf 2033 de AOW-leeftijd ook met een jaar toenemen.
In 2033 stijgt de AOW-leeftijd naar verwachting naar 67 en 6 maanden. In 2050 is de AOW-leeftijd naar verwachting 69 en 6 maanden.
Hieronder is de verwachte AOW-leeftijd volgens de 1-op-1 koppeling weergegeven van de mensen die momenteel respectievelijk 20, 25, 30, 35 en 40 jaar oud zijn. Afhankelijk van geboortedatum is drie maanden verschil mogelijk voor de AOW-leeftijd.
| Tabel 11 Verwachte AOW-leeftijden als gevolg van 1-op-1 koppeling | |
|---|---|
| Leeftijd | Verwachte AOW-leeftijd |
| 20 jaar | 72 en 6 maanden |
| 25 jaar | 71 en 9 maanden |
| 30 jaar | 71 en 3 maanden |
| 35 jaar | 70 en 9 maanden |
| 40 jaar | 70 en 3 maanden |
Vraag 72
Vraag 72
Met hoeveel zullen de prijzen van producten stijgen als gevolg van de invoering van de suikertaks? Welke producten (typen) worden hierdoor geraakt (gaarne een opsomming). Wat betekent deze maatregel voor de inflatie?
Antwoord op vraag 72
In de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord is opgenomen om per 1 januari 2030 een belasting op suikerhoudende voeding te implementeren. Een belasting op suikerhoudende voeding zorgt ervoor dat suikerhoudende voeding duurder en daarmee onaantrekkelijk wordt. De maatregel heeft als doel het behalen van een taakstellende budgettaire opbrengst van 900 miljoen euro per jaar. De vormgeving en maatvoering van de maatregel staan nog niet vast. Het kabinet zal de exacte vormgeving en maatvoering, zoals de tarieven en de te belasten producten, van de belasting onderzoeken. Hierbij wordt ook gekeken naar de impact op bijvoorbeeld boodschappenprijzen.
Vraag 73
Vraag 73
Kunt u per inkomensgroep aangeven wat de koopkracht zal zijn per jaar? Hoeveel gaan deze inkomensgroepen erop voor- of achteruit in euro's?
Antwoord op vraag 73
Het CPB heeft op 20 februari de doorrekening van het coalitieakkoord gepubliceerd. In deze publicatie is de cumulatieve koopkrachtontwikkeling gemiddeld per jaar gerapporteerd voor de vijf inkomensgroepen. Deze cijfers geven een goed beeld van de koopkrachtontwikkeling over de gehele kabinetsperiode, maar zijn niet representatief voor de koopkrachtontwikkeling in elk afzonderlijk jaar. Omdat beleidswijzigingen in verschillende jaren ingaan, wijkt de daadwerkelijke jaarlijkse koopkrachtontwikkeling af van de gemiddelde cumulatieve ontwikkeling per jaar. Bij de publicatie van het Centraal Economisch Plan (CEP) wordt de koopkrachtontwikkeling voor 2027 geraamd. Deze wordt naar verwachting half maart gepubliceerd. Op basis van de doorrekening van het coalitieakkoord door het CPB kan geen koopkrachtbeeld per jaar gegeven worden.
De koopkrachtontwikkeling van inkomensgroepen is niet geschikt om in euro’s weer te geven. Dit heeft te maken met twee factoren. Ten eerste hangt de koopkrachtontwikkeling in euro’s sterk af van het besteedbaar inkomen van een huishouden in het basisjaar. Binnen de inkomensgroepen bestaat een aanzienlijke spreiding van inkomens, waardoor de koopkrachteffecten in euro’s sterk verschillen. Dit maakt het onmogelijk om een eurobedrag te plakken op het effect voor een specifieke inkomensgroep. Ten tweede is een koopkrachtontwikkeling in euro’s niet goed te interpreteren. Dat komt omdat de koopkrachtontwikkeling niet alleen de stijging van het besteedbaar inkomen weergeeft, maar ook de waarde van het totale besteedbaar inkomen in het basisjaar corrigeert voor inflatie. Als het inkomen van een huishouden (in absolute euro’s) toeneemt, dan heeft dat een positief effect de koopkracht. Maar de prijzen stijgen doorgaans ook (inflatie), wat een negatief effect heeft op de koopkracht. Het saldo van die factoren bepaalt hoeveel een huishouden daadwerkelijk meer of minder kan besteden. Het is lastig om dat in euro’s uit te drukken, omdat dit niet kan worden gerelateerd aan de stijging van het inkomen in absolute euro’s. Daarom is het gebruikelijk om de koopkrachtontwikkeling in procenten te presenteren. Voor inkomenseffecten van specifieke maatregelen kan wel het effect op het besteedbaar inkomen van voorbeeldhuishoudens in euro’s worden weergegeven.
| Tabel 12 Koopkrachtontwikkeling gemiddeld per jaar 2027-2030 | |
|---|---|
| Inkomensgroep | Koopkrachtontwikkeling 2027-2030 cumulatief gemiddeld per jaar |
| 1e (<= 106% WML) | 0,0% |
| 2e (106-173% WML) | 0,1% |
| 3e (173-256% WML) | 0,2% |
| 4e (256-378% WML) | 0,2% |
| 5e (>378% WML) | 0,3% |
| Alle huishoudens | 0,2% |
Vraag 74
Vraag 74
Blijft de begroting met de nieuwe kabinetsplannen binnen de Europese afspraak over het tekort tot 2035?
Antwoord op vraag 74
Het kabinet vindt het belangrijk dat de overheidsfinanciën op orde blijven en dat er geen rekeningen worden doorgeschoven naar de toekomst. Houdbare overheidsfinanciën zijn immers een belangrijke randvoorwaarde voor de brede welvaart van toekomstige generaties. Het kabinet houdt zich aan de Europese de Europese grenswaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp).
De effecten van het Coalitieakkoord op de kabinetsraming van het EMU-saldo en de EMU-schuld zijn pas definitief na de doorrekening van het CEP. In de Startnota wordt de nieuwe raming van het saldo en de schuld gepubliceerd. Voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën na de begrotingshorizon vaart het kabinet op cijfers van het Centraal Planbureau (CPB). De meest recente langetermijnraming van het CPB dateert uit juli 2025 en bevat dus nog geen doorrekening van de kabinetsplannen.
Vraag 75
Vraag 75
Wat verandert er in de begrotingsregels t.a.v. investeringen? Zijn investeringen relevant voor het EMU-saldo?
Antwoord op vraag 75
In het coalitieakkoord staat dat de begrotingsregels worden gevolgd zoals voorgesteld door de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (SBR) en vastgelegd in de Wet houdbare overheidsfinanciën. Dat betekent dat de begrotingsregels ten aanzien van investeringen niet zijn gewijzigd. Uitzondering hierop is een wijziging in de meevallerformule: indien in het financiënbeeld per saldo meevallers structureel van aard zijn en het EMU-saldo zich meerjarig onder het geadviseerde tekort van de SBR bevindt (2,0% bbp), kunnen deze per saldo meevallers voor 1/3e ingezet worden voor lastenverlichting, 1/3e voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken en voor 1/3e voor aflossing van de staatsschuld, zolang eveneens de Europese grenswaarde voor de staatsschuld niet wordt overschreden.
De ESA-2010 richtlijnen zijn leidend bij het bepalen of een uitgave classificeert als investering en of uitgaven relevant zijn voor EMU-saldo. Volgens die richtlijnen is een publieke investering (ESA-2010 definitie) altijd saldo-relevant.
Vraag 76
Vraag 76
Klopt het dat de toename van de WIA nu al voor een groot gedeelte komt door de stijging van de AOW-leeftijd?
Antwoord op vraag 76
Het klopt dat een deel van de toename van de WIA-instroom in de periode tussen 2006 en 2024 komt door het langer doorwerken van oudere werknemers door het afschaffen van vroegpensioenregelingen en het verhogen van de AOW-leeftijd. In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek WIA wordt 13.300 van de 69.000 extra instroom tussen 2006 en 2024 toegerekend aan de instroom van 60-plussers (exclusief long-covid en 60-plus maatregel). Dit is omgerekend naar percentages ongeveer 19%. Daarnaast neemt binnen de beroepsbevolking onder de 60 jaar de gemiddelde leeftijd toe en daarmee de gemiddelde instroomkans (4.000 van de 69.000). Een ander groot deel van de extra instroom van mensen onder de 60 jaar (12.000) in de periode 2006-2024 kan niet worden toegerekend aan deze oorzaak. Dit deel kan vooral worden toegerekend aan de stijging van het (relatief) jonge mensen met psychische aandoeningen. Verder spelen longcovid en de maatregelen vanwege de wachtlijstproblematiek bij het UWV ook een rol in de toename van de instroom.
Vraag 77
Vraag 77
Kunt u een totaaloverzicht maken van het landbouwinvesteringspakket t/m 2035 en komt dit budget in een stikstoffonds met een 100% eindejaarsmarge?
Antwoord op vraag 77
Onderstaande tabel bevat een totaaloverzicht van de budgettaire reeksen behorende bij het investeringsbedrag van 20 miljard euro voor landbouw, stikstof en natuur (budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord, pt. 13).
| Tabel 13 Budgettaire reeksen bij budgettaire bijlage coalitieakkoord, pt. 13: landbouw, stikstof en natuur | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| In mln. euro, + is saldobelastend | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 | Struc |
| Vrijwillige beëindigingsregeling | 0 | 150 | 300 | 300 | 0 | 350 | 825 | 825 | 0 | 0 | 0 |
| Gebiedsgerichte aanpak / zonering | 0 | 200 | 400 | 600 | 1000 | 1200 | 1400 | 1400 | 1400 | 1400 | 0 |
| Managementmaatregelen en innovatie | 0 | 50 | 200 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 0 |
| Natuurherstel (excl. Agrarisch natuurbeheer) | 100 | 150 | 200 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 200 |
| Agrarisch natuurbeheer | 0 | 50 | 75 | 100 | 125 | 150 | 175 | 175 | 175 | 175 | 165 |
| KRW / water | 0 | 0 | 250 | 250 | 250 | 250 | 250 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Flankerend beleid en uitvoering (overig) | 50 | 100 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 150 | 70 |
| Industrie en mobiliteit | 0 | 50 | 50 | 50 | 50 | 50 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal investeringspakket | 150 | 750 | 1625 | 1950 | 2075 | 2650 | 3300 | 3050 | 2225 | 2225 | 435 |
| Dekking begroting LVVN (6,5 mld.) | |||||||||||
| wv. Artikel 51 | 0 | ‒ 107 | ‒ 468 | ‒ 1528 | ‒ 1690 | ‒ 282 | ‒ 282 | ‒ 282 | ‒ 282 | ‒ 282 | ‒ 288 |
| wv. rode diesel | 0 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 | ‒ 146 |
| Netto intensivering coalitieakkoord | 150 | 497 | 1011 | 276 | 239 | 2222 | 2872 | 2622 | 1797 | 1797 | |
Het kabinet gaat nu voortvarend aan de slag met de uitwerking van de plannen. Ook de invulling van het fonds en de afspraken over de eindejaarsmarge gaan de minister van Financiën en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in nauw overleg nader uitwerken.
Vraag 78
Vraag 78
Kunt u een totaaloverzicht geven van het uitvoeren afspraken Aanvullende
Zorg en welzijnsakkoord t/m 2035?
Antwoord op vraag 78
De budgettaire reeks van het uitvoeren afspraken Aanvullend Zorg en
Welzijnsakkoord bevat de doorbraakmiddelen voor 2027 en 2028 en een
deel van de dekking tot en met 2035 van de overige AZWA-afspraken via de
VWS-begroting en de contractering (bijlage 2 en 3 van de financiële
paragraaf van het AZWA). De overige dekking voor deze afspraken is
afkomstig uit andere posten op de VWS-begroting.
Vraag 79
Vraag 79
Is de aanpassing van de Transgenderwet meegenomen in de begroting? Zo ja, hoe?
Antwoord op vraag 79
In het coalitieakkoord is geen aanpassing van de Transgenderwet opgenomen.
Vraag 80
Vraag 80
In het coalitieakkoord staat dat dit kabinet het regenboogakkoord neemt als basis en wil uitvoeren. Welke middelen maakt het kabinet vrij voor een wettelijk transitieverlof voor transgender personen en voor Roze in Blauw?
Antwoord op vraag 80
Hierover moet nog besluitvorming plaatsvinden.
Vraag 81
Vraag 81
Wat is het budget de komende jaren met betrekking tot dierenwelzijn in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 81
Op dit moment is op de begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur tot en met 2030 per jaar ca. 40 tot 50 miljoen euro gereserveerd voor diergezondheid en dierenwelzijn, waarvan het meeste voor dierenwelzijn. In 2024 is aan deze posten ongeveer 30 miljoen euro uitgegeven. Tot de begrote middelen voor de komende jaren behoort onder andere de 51 miljoen euro (cumulatief tot en met 2030) die bij Voorjaarsnota 2025 is vrijgemaakt voor dierwaardige veehouderij. In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen expliciet geoormerkt voor dierwaardigheid.
Vraag 82
Vraag 82
Wat is het budget de komende jaren met betrekking tot biologische landbouw in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 82
Op dit moment is tot en met 2029 circa 12 miljoen euro per jaar gereserveerd voor subsidies ter stimulering van biologische landbouw. Dit is vergelijkbaar met 2024 en 2025. In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen expliciet geoormerkt voor biologische landbouw.
Vraag 83
Vraag 83
Wat is het budget de komende jaren met betrekking tot klimaat in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 83
Een overzicht van alle klimaat gerelateerde uitgaven in de periode 2024-2030 is te vinden in bijlage 12 van de Miljoenennota 2026 (Integraal overzicht klimaat). Na verwerking van het coalitieakkoord en budgettaire besluitvorming van het kabinet wordt dit overzicht geactualiseerd bij Miljoenennota 2027. Het coalitieakkoord stelt (aanvullend) budget beschikbaar voor de indirecte kostencompensatie (IKC), tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven, de subsidie duurzame energie (SDE++), uitvoering klimaatbeleid medeoverheden en wind op zee.
Vraag 84
Vraag 84
Wat is het budget de komende jaren met betrekking tot versterking tot het VTH-stelsel in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 84
Gemeenten en provincies zijn bevoegd gezag voor de uitvoering van de Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH)-stelsel. Provincies en gemeenten zijn dan ook verantwoordelijk voor de financiering van deze taken. De rijksoverheid keert via het gemeente- en provinciefonds middelen uit voor dekking van de kosten van de bevoegde gezagen. Deze middelen zijn voor de provincies en gemeenten vrij besteedbaar. Sinds 2022 (Coalitieakkoord Rutte IV) is daarnaast structureel 18 miljoen euro per jaar beschikbaar op de begroting van IenW voor de versterking van het VTH-stelsel.
Vraag 85
Vraag 85
Wat is het budget de komende jaren voor de ILT in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 85
Het budget voor de Inspectie Leefomgeving en Transport staat op artikel 24 ‘Inspectie Leefomgeving en Transport’ van de IenW begroting. Onderstaande tabel laat de totale jaarlijkse uitgaven (stand ontwerpbegroting 2026) op dit artikel zien. De bedragen zijn afgerond en in miljoenen euro’s. Dit budget kan wijzigen na technische herverdeling van de Rijksbrede efficiencytaakstelling en de vernieuwing rijksdienst.
| Tabel 14 Budgetten Inspectie Leefomgeving en Transport | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jaar | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | |
| Uitgaven in miljoenen euro | 232 | 238 | 231 | 230 | 229 | 230 | 229 | |
Vraag 86
Vraag 86
Wat is het budget de komende jaren voor de NVWA in vergelijking tot de
afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 86
Het budget van de VWS- en de LVVN-begroting voor de NVWA van de
afgelopen vijf jaar en de komende vijf jaar is hieronder weergegeven
(zie tabel). Dit budget kan wijzigen na technische herverdeling van de
Rijksbrede efficiencytaakstelling en de vernieuwing rijksdienst.
| Tabel 15 | |||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jaartal | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | 2025 | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
| Budget VWS in miljoenen | 95 | 109 | 112 | 134 | 156 | 151 | 155 | 157 | 160 | 156 | 150 | 150 | |
| Budget LVVN in miljoenen | 212 | 248 | 262 | 293 | 354 | 367 | 333 | 340 | 344 | 339 | 338 | 338 | |
*De bedragen voor 2020 t/m 2025 zijn realisaties. De bedragen voor 2026 e.v. zijn gebudgetteerde uitgaven.
Vraag 87
Vraag 87
Wat is het budget de komende jaren voor waterkwaliteitsverbetering in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 87
In 2024 is totaal 122 miljoen euro uitgegeven aan waterkwaliteit vanuit de begroting van Infrastructuur en Waterstaat en het Deltafonds. In 2025 bedroegen de uitgaven 156 miljoen euro. Voor de komende jaren is meer budget beschikbaar: in 2026 293 miljoen euro en in 2027 497 miljoen euro. Op de begroting van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stond voor het reguliere mestbeleid, wat voor een deel ook bijdraagt aan waterkwaliteit, in 2024 en 2025 respectievelijk 102 en 189 miljoen euro. De komende jaren is tussen de 90 en de 108 miljoen euro per jaar voorzien. Tot en met 2035 wordt daarnaast door dit kabinet binnen het landbouwinvesteringspakket 1,25 miljard euro cumulatief vrijgemaakt voor het bieden van incidentele compensatie in de meest kwetsbare watergebieden, waar het agrarische grondgebruik wordt geëxtensiveerd ten behoeve van de doelen van de Kaderrichtlijn Water.
Vraag 88
Vraag 88
Wat is het budget de komende jaren voor dierenwelzijn/natuur in vergelijking tot de afgelopen jaren?
Antwoord op vraag 88
Zie met betrekking tot dierenwelzijn het antwoord op vraag 81.
Op dit moment is op de begroting van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur tot en met 2030 per jaar tussen de 600 tot 800 miljoen euro gereserveerd voor natuur. Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren. In het coalitieakkoord zijn aanvullende middelen vrijgemaakt voor natuurherstel (cumulatief 2,2 miljard euro tot en met 2035 en daarna 200 miljoen euro structureel) en voor agrarisch natuurbeheer (cumulatief 1,2 miljard tot en met 2035 en daarna 165 miljoen euro structureel).
Vraag 89
Vraag 89
Hoe wil het kabinet duurzaam en verantwoord ondernemerschap stimuleren en gaat het hiervoor samenwerken met maatschappelijke en bedrijfsorganisaties met kennis en legitimiteit op het gebied van verantwoord en duurzaam ondernemerschap?
Antwoord op vraag 89
In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om duurzaam en verantwoord ondernemerschap te stimuleren. Het kabinet zal dit voornemen uitwerken en vervolgens de Kamer hierover informeren.
Vraag 90
Vraag 90
Kan worden geschetst aan hoeveel kostenreductie er wordt gedacht voor bedrijven die duurzaam willen ondernemen en via welke instrumenten dit gebeurt?
Antwoord op vraag 90
Zie het antwoord bij vraag 89.
Vraag 91
Vraag 91
Wordt extra budget vrijgemaakt voor de transitie naar een circulaire economie?
Antwoord op vraag 91
In het coalitieakkoord wordt geen extra budget vrijgemaakt voor de transitie naar een circulaire economie.
Vraag 92
Vraag 92
Hoeveel gaan de beleidsmatige lasten op arbeid/inkomen de komende kabinetsperiode stijgen (inclusief basispad)?
Antwoord op vraag 92
Het CPB heeft in se doorrekening van het coalitieakkoord de verdeling gepubliceerd van de beleidsmatige lasten tussen arbeiden en inkomen, vermogen en winst, en milieu en klimaat. Het CPB zal in de loop van dit jaar met een verfijning komen van deze indeling, in samenwerking van het Ministerie van Financiën.
In de doorrekening van het CPB stijgen de lasten op inkomen en arbeid met 5,5 miljard euro. Dit komt voor het grootste deel door de vrijheidsbijdrage. De lasten op vermogen en winst dalen met 0,4 miljard euro. Dit komt door de maatregelen in het woondomein. De lasten op klimaat en milieu dalen met 0,5 miljard euro. Dit komt door het verlagen van de benzineaccijns en de envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven. De overige lasten stijgen met 1,2 miljard euro, door het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten en invoeren van een suikerbelasting.
Vraag 93
Vraag 93
Hoeveel gaan de beleidsmatige lasten op vermogen/winst de komende kabinetsperiode stijgen (inclusief basispad)?
Antwoord op vraag 93
Zie antwoord vraag 92.
Vraag 94
Vraag 94
Hoeveel CO2-reductie wil dit kabinet bereiken in 2030? Hoeveel CO2-reductie gaat dit kabinet bereiken in 2030 op basis van de aangekondigde plannen in het coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 94
In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om met volle kracht aan het werk te gaan om klimaatdoelen te halen. Het klimaatdoel van 2030 wordt lastig, maar het kabinet houdt die ambitie vast. Het kabinet zal dit voornemen uitwerken en vervolgens de Kamer hierover informeren.
Vraag 95
Vraag 95
Hoeveel armoedereductie wil dit kabinet bereiken in 2030? Hoeveel armoedereductie gaat dit kabinet bereiken in 2030 op basis van de aangekondigde plannen in het coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 95
Het aantal mensen in armoede is historisch gezien laag, het kabinet vindt de intensiteit (het verschil tussen het besteedbaar inkomen en de armoedegrens) van de armoede een zorgelijke ontwikkeling. In het coalitieakkoord is de ambitie opgenomen zoveel mogelijk mensen uit armoede te halen of te voorkomen dat ze erin komen. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen om mensen in armoede te helpen. Hiervoor maakt het kabinet 150 miljoen euro vrij. Ook wil het kabinet chronisch zieken tegemoet komen in hun ziektekosten.
Uit de doorrekening van het CPB blijkt dat het aandeel personen in armoede 2,7% in 2030 is. Dat is een stijging van 0,2%-punt ten opzichte van het basispad. Het aantal mensen in diepere armoede blijft naar verwachting vrijwel gelijk en ook het aandeel kinderen in armoede blijft gelijk vergeleken met het basispad.
Vraag 96
Vraag 96
Hoeveel stikstofreductie wil het kabinet bereiken in 2030? Hoeveel stikstofreductie gaat het kabinet bereiken in 2030 op basis van de aangekondigde plannen in het coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 96
In het coalitieakkoord staat dat voor de landbouw voor 2030 als streefdoel een bandbreedte van 23 – 25% emissiereductie ten opzichte van 2019 wordt vastgelegd. Maatregelen daartoe worden door het kabinet verder uitgewerkt op basis van het coalitieakkoord.
Vraag 97
Vraag 97
Kunt u de volledige budgettaire reeksen delen van alle maatregelen die in 2030 nog niet het structurele niveau hebben bereikt?
Antwoord op vraag 97
Een doorkijk van de uitgaven 2035 is opgenomen in de budgettaire bijlage. Zie het antwoord op vraag 77 voor de budgettaire reeksen behorende bij het investeringsbedrag van 20 miljard euro voor landbouw, stikstof en natuur.
Vraag 98
Vraag 98
Hoeveel geld is er nodig vanuit de overheid en vanuit het bedrijfsleven om de 3%-doelstelling voor R&D te behalen in 2030? Op welk percentage komt het kabinet in 2030 op basis van dit coalitieakkoord?
Antwoord op vraag 98
TNO en het Rathenau Instituut hebben aangegeven te verwachten dat de R&D-uitgaven als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) in 2025 uitkomt op 2,2% (waarvan 0,81% publiek en 1,39% privaat) en dat dit bij ongewijzigd innovatiebeleid uitkomt op 2% van het bbp in 2030. In de Miljoenennota 2026 is inzichtelijk gemaakt dat publieke R&D-uitgaven in Nederland vergelijkbaar zijn met die in andere landen en dat private R&D-uitgaven in Nederland internationaal gezien laag zijn. In het coalitieakkoord zijn aanvullende middelen gereserveerd onder de posten ‘economie en innovatie’, ‘onderwijs en media’ en ‘defensie, geopolitiek en Oekraïne’. De besteding van deze middelen wordt nog uitgewerkt en daarna zal duidelijker worden in hoeverre deze middelen bij zullen dragen aan de R&D-uitgaven van de publieke sector.
Vraag 99
Vraag 99
In hoeverre wordt de vermogensongelijkheid in Nederland de komende jaren vergroot of verkleind door dit coalitieakkoord? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
Antwoord op vraag 99
Het coalitieakkoord bevat geen maatregelen die specifiek gericht zijn op het vergroten of verkleinen van de vermogensongelijkheid. Het coalitieakkoord zet in op economische groei door ruimte te creëren voor ondernemerschap en het vergroten van het arbeidsaanbod en de arbeidsparticipatie in een veranderende arbeidsmarkt. Het coalitieakkoord zet daarbij in op een activerende sociale zekerheid en het hebben van inkomen uit werk. Economische groei en het hebben van inkomen uit werk kan bijdragen aan het verkleinen van vermogensongelijkheid. Uiteindelijk gaat het erom bij wie de vruchten van economische groei terecht komen.
Tegelijkertijd spelen veel andere factoren mee die invloed hebben op de vermogensongelijkheid: nationale factoren zoals de ontwikkeling van de woningmarkt en demografie, en mondiale factoren zoals de stand van de technologie en internationale ontwikkelingen. Effecten van beleid op de vermogensongelijkheid kunnen niet op een verantwoorde wijze worden gekwantificeerd.
Vraag 100
Vraag 100
Is er wel of geen structureel geld voor maatregel 8 in de budgettaire tabel?
Antwoord op vraag 100
Ja, er is structureel geld beschikbaar voor maatregel 8. 500 miljoen euro vanaf 2036.
Vraag 101
Vraag 101
Hoeveel euro's gaat de gemiddelde Nederlander erop achteruit door dit coalitieakkoord (exclusief basispad)?
Antwoord op vraag 101
Op 20 februari heeft het CPB de doorrekening van het coalitieakkoord gepubliceerd. In deze publicatie is het effect van het coalitieakkoord op de cumulatieve koopkrachtontwikkeling gemiddeld per jaar getoond. Onderstaande tabel toont dit effect voor de vijf inkomensgroepen en voor alle huishoudens. Het mediane effect van het coalitieakkoord op de cumulatieve koopkracht gemiddeld per jaar is ‒ 0,4%. Dit betekent dat het effect van het coalitieakkoord op de koopkrachtontwikkeling voor de helft van de Nederlandse huishoudens negatiever is, en ook voor de helft van de Nederlanders minder negatief ten opzichte van het basispad. Het huishouden met het mediane effect is niet hetzelfde als de ‘gemiddelde Nederlander’.
| Tabel 16 Koopkrachtontwikkeling gemiddeld per jaar 2027 -2030, basispad en coalitieakkoord | ||
|---|---|---|
| Inkomensgroep | Koopkrachtontwikkeling 2027-2030 cumulatief gemiddeld per jaar (basispad + coalitieakkoord) | … waarvan effect coalitieakkoord |
| 1e (<=106% WML) | 0,0% | ‒ 0,5% |
| 2e (106-173% WML) | 0,1% | ‒ 0,5% |
| 3e (173-256% WML) | 0,2% | ‒ 0,4% |
| 4e (256-378% WML) | 0,2% | ‒ 0,4% |
| 5e (>378% WML) | 0,3% | ‒ 0,3% |
| Alle huishoudens | 0,2% | ‒ 0,4% |
Vraag 102
Vraag 102
Gaat de budgettaire derving van 145 miljoen euro per jaar door het oordeel van de Hoge Raad (rente bij winstbelasting) gedekt worden binnen het domein vermogen/winst of wordt de rekening bij werkende mensen gelegd?
Antwoord op vraag 102
Het kabinet heeft in de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord voor enkele budgettaire opgaven die zijn opgekomen na de verkiezingen, zoals bijvoorbeeld voor de amendementen op het Belastingplan 2026, aangegeven hoe hiermee wordt omgegaan. In de Startnota zal het kabinet aangeven hoe met de derving als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad wordt omgegaan.
Vraag 103
Vraag 103
Klopt het dat de bezuinigingen op de WW kunnen leiden tot 900 euro per maand lagere uitkeringen (aldus de berekeningen van de vakbond)?
Antwoord op vraag 103
Voor de WW-gerechtigden waarvan op dit moment het laatst verdiende loon op of boven het huidig geldende maximum dagloon zit, kan een uitkering op basis van het huidige maximale dagloon inderdaad tot circa maximaal 900 euro per maand bruto lager uitkomen wanneer deze met 20% verlaagd wordt. Dit betreft het maximale inkomenseffect, voor mensen met een lager SV-loon zal het inkomenseffect beperkter zijn. Het huidig geldende maximale dagloon (per 1 januari 2026) bedraagt op jaarbasis ongeveer 79 duizend euro (ongeveer 6.617 euro per maand). De maatregel gaat op 1 januari 2029 in en het maximale dagloon wordt tussentijds twee keer per jaar geïndexeerd.
Vraag 104
Vraag 104
Welke onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof blijven in de boeken staan en welke worden daadwerkelijk teruggedraaid?
Antwoord op vraag 104
Het kabinet stelt een envelop van structureel 1,5 miljard euro beschikbaar. Deze envelop is onder meer bedoeld voor het terugdraaien van eerdere bezuinigingen op onderwijs van kabinet Schoof. Over de invulling en verdeling van de envelop zal de minister van OCW uw Kamer nader informeren.
Vraag 105
Vraag 105
Welke exacte CO₂‑reductiedoelen Nederland in 2030, 2040 en 2050 worden nagestreefd onder dit akkoord, en hoe verhouden deze zich tot de Klimaatwet en de nieuwste KEV‑ramingen?
Antwoord op vraag 105
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het klimaatdoel van 2030 lastig wordt, maar dat wordt vastgehouden aan die ambitie. Verder is opgenomen om vol in te zetten op lange termijnbeleid en een slimme Europese aanpak en alles wat nodig is om de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 te halen. Daarom wordt in Europees verband doorgewerkt aan het halen van de Klimaatdoelen en wordt vastgehouden aan de klimaatdoelen uit de nationale Klimaatwet. Het kabinet werkt deze voornemens verder uit en zal vervolgens de Kamer hierover informeren.
Vraag 106
Vraag 106
Hoeveel van het aangekondigde budget voor landbouw, natuur en stikstof wordt ingezet voor maatregelen die ook substantieel bijdragen aan klimaatmitigatie (bijvoorbeeld veenweide, extensivering, natuurherstel)?
Antwoord op vraag 106
Het aangekondigde budget kan bijdragen aan klimaatmitigatie door de middelen voor vrijwillige beëindiging, vernatting van veenweiden (bijv. met middelen voor agrarisch natuurbeheer) en het vastleggen van CO2 in bodems en bomen (bijv. met middelen voor natuurherstel). Dit hangt af van de verdere uitwerking van de maatregelen, waarmee het kabinet aan de slag gaat.
Vraag 107
Vraag 107
Op welke manier zullen Aruba, Curaçao, Sint‑Maarten en Caribisch Nederland betrokken worden bij het vormgeven van het klimaatbeleid, gezien hun hoge kwetsbaarheid voor klimaatverandering?
Antwoord op vraag 107
Met de ACS-Landen en Caribisch Nederland is in 2024 een gezamenlijke klimaatagenda Koninkrijk opgesteld en ondertekend die het kader vormt voor samenwerking binnen het Koninkrijk op klimaat en energie met respect voor de autonomie van de Landen. Zoals afgesproken in het coalitieakkoord voert het kabinet deze gezamenlijke klimaatagenda voortvarend uit.
Vraag 108
Vraag 108
Wat is het effect op Gemeente- en Provinciefonds van de maatregelen in de budgettaire tabel?
Antwoord op vraag 108
De precieze effecten van de uitkomsten van het coalitieakkoord op medeoverheden worden nog nader uitgewerkt.
Vraag 109
Vraag 109
Zijn de maatregelen die taken van decentrale overheden raken, zoals
bijvoorbeeld het afschaffen van de huishoudelijke hulp in de Wmo, met
hen besproken gedurende de formatie? Zo nee, waarom niet – mede gelet op
art. 7 van de Code Interbestuurlijke Verhoudingen en het recente advies
van de Studiegroep over dit onderwerp?
Antwoord op vraag 109
Tijdens de formatie is er uiteraard gesproken met de vertegenwoordigers
van de medeoverheden. Bij de uitwerking van de maatregelen zal het
kabinet in ieder geval, zoals ook aangekondigd in het coalitieakkoord,
de medeoverheden betrekken in lijn met het advies van Studiegroep
Interbestuurlijke Verhoudingen (onder leiding van dhr. Polman) en de
Code Interbestuurlijke Verhoudingen.
Vraag 110
Vraag 110
Uit het coalitieakkoord volgt dat huishoudelijke hulp als
maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015 wordt geschrapt vanaf 1 januari
2029 (maatregel 44) , maar in de toelichting is vermeld dat mensen die
de hulp niet zelf kunnen regelen wel nog hulp vanuit de gemeenten
ontvangen. Hoe zal die hulp via gemeenten geregeld worden? Is dat via de
bijzondere bijstand, nog steeds via de Wmo 2015 of via een andere
vorm?
Antwoord op vraag 110
De maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief vangnet’ wordt de
komende tijd verder uitgewerkt. De vormgeving van het vangnet is daarom
nog niet bekend.
Vraag 111
Vraag 111
Als de huishoudelijke hulp wordt geschrapt, op welke grond dienen gemeenten dan compensatie te bieden aan huishoudens die zelf de kosten niet kunnen dragen?
Antwoord op vraag 111
De maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief vangnet’ wordt de komende tijd verder uitgewerkt. De vormgeving van het vangnet is daarom nog niet bekend.
Vraag 112
Vraag 112
Uit het coalitieakkoord blijkt dat wordt verwacht dat het schrappen van
huishoudelijke hulp 435 miljoen euro structureel wordt bespaard. Waarop
is dat bedrag gebaseerd? Op het Houdbaarheidsonderzoek WMO 2025, waarin
uitgegaan wordt van een besparing van 400 mln. Inclusief weglekeffecten
en compensatiegelden? Of op de Ombuigingenlijst 2025, waarin uitgegaan
wordt van 460 mln.? Of baseert men zich op andere onderzoeken?
Antwoord op vraag 112
De opbrengst is een geactualiseerde berekening gebaseerd op de
berekening in de Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015. In de
berekening wordt rekening gehouden met weglekeffecten en is een
reservering getroffen voor het inrichten van een vangnet.
Vraag 113
Vraag 113
Hoeveel wordt er nu landelijk in totaal uitgegeven aan huishoudelijke
hulp?
Antwoord op vraag 113
Uit cijfers van het CBS blijkt dat gemeenten in 2024 in totaal ongeveer
1,81 miljard euro uitgaven aan huishoudelijke hulp.
Vraag 114
Vraag 114
Hoeveel mensen maken er nu landelijk gebruik van huishoudelijke
hulp?
Antwoord op vraag 114
Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2024 in totaal 555.935 personen
een maatwerkvoorziening ontvingen met huishoudelijke hulp.
Vraag 115
Vraag 115
Uit de budgettaire tabel blijkt niet dat de besparing via maatregel 44
invloed heeft op de uitkering van het gemeentefonds? Is dat juist?
Antwoord op vraag 115
De opbrengst opgenomen in de budgettaire bijlage is een gesaldeerd
bedrag. De maatregel heeft effect op de uitkering van het Gemeentefonds,
op de uitgaven in de Zvw en op de uitgaven in de Wlz. In de Startnota
wordt uw Kamer nader geïnformeerd over deze mutaties.
Vraag 116
Vraag 116
In hoeverre wordt rekening gehouden met ''weglekeffecten'' bij het
schrappen van huishoudelijke hulp? Het Houdbaarheidsonderzoek WMO 2025
(p. 127) gaat uit van het weglekken naar begeleiding (3,5%),
wijkverpleging (19,6%) en verpleeghuiszorg (6,3%). Daarnaast is het goed
mogelijk dat inwoners zelf hulp gaan betalen en daardoor in financiële
problemen komen, wat extra druk legt op armoede- en schuldenregelingen
bij gemeenten. Hoe wordt hiermee rekening gehouden in de budgettaire
tabel?
Antwoord op vraag 116
In de budgettaire tabel bij het coalitieakkoord is bij de maatregel
‘huishoudelijke hulp uit de Wmo 2015’ verondersteld dat van de cliënten
voor wie huishoudelijke hulp wegvalt, een deel zal uitstromen naar
begeleiding, wijkverpleging of de Wlz (zorg thuis). Daarbij zijn –
overeenkomstig het Houdbaarheidsonderzoek (blz. 126) – voor
cliëntgroepen met een verschillende zorg- en ondersteuningsvraag
verschillende uitstroompercentages verondersteld. De in de vraag
opgenomen percentages verwijzen naar een ouder onderzoek van het
SCP.
In het coalitieakkoord is afgesproken dat voor de mensen die niet zelf hulp kunnen regelen, de gemeente daarin blijft voorzien («vangnet»). In de berekening is niet verondersteld dat de maatregel zal leiden tot extra druk op armoede- en schuldenregelingen bij gemeenten.
Vraag 117
Vraag 117
Hoe wordt de interactie gezien tussen het schrappen van de
huishoudelijke hulp (maatregel 44) en maatregel 42? En hoe verhouden
deze bezuinigingen zich tot het bestuurlijk akkoord Wlz/Scheiden wonen
en zorg?
Antwoord op vraag 117
Op basis van het coalitieakkoord wil het kabinet met het bestuurlijk
akkoord Wlz inzetten op meer zorgzame buurten en
gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking
langer thuis kunnen wonen. Daarbij geldt ook een passende inzet van zorg
en ondersteuning. Bij maatregel 44 ‘het schrappen van de huishoudelijke
hulp met vangnet’ is er in de budgettaire reeks rekening mee gehouden
dat een deel van de cliënten voor wie huishoudelijke hulp wegvalt zal
uitstromen naar de Wlz (zorg thuis).
Vraag 118
Vraag 118
Hoe verhoudt zich de besparing van maatregel 44 op huishoudelijke hulp tot de besparing die al ingeboekt is voor het afschaffen van het abonnementstarief?
Antwoord op vraag 118
De besparing die samenhangt met de invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo (ivb) is reeds onderdeel van het basispad. De besparing bijbehorend bij het uit de Wmo 2015 halen van de huishoudelijke hulp is additioneel op deze besparing.
Vraag 119
Vraag 119
Klopt het dat er geen intensivering in de budgettaire bijlage is
opgenomen voor de kosten van jeugdzorg?
Antwoord 119
Het klopt dat er in het coalitieakkoord geen intensivering is opgenomen
voor de kosten van jeugdzorg. Op 30 januari 2025 heeft de
Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd haar advies uitgebracht.
Naar aanleiding hiervan is besloten cumulatief circa 3,7 miljard euro
beschikbaar te stellen voor gemeenten in de jaren 2025-2027. Daarnaast
wordt de reikwijdte van de Jeugdwet aangepast. Lichte (opvoed)
ondersteuning wordt niet meer gefinancierd. Op deze manier blijft
jeugdzorg beschikbaar voor kinderen die het echt nodig hebben.
Vraag 120
Vraag 120
Betekent het terugdraaien van de bezuinigingen op onderwijs ook dat de korting op de SPUK Onderwijsachterstanden wordt teruggedraaid?
Antwoord op vraag 120
Het kabinet stelt een envelop van structureel 1,5 miljard euro beschikbaar voor onderwijs. Over de precieze invulling zal de minister van OCW uw Kamer nader informeren.
Vraag 121
Vraag 121
Wat is de reden dat de middelen voor het NPLV alleen voor 2029 en 2030 worden ingeboekt, terwijl in de begeleidende tekst staat dat de middelen structureel tot 2035 beschikbaar zijn?
Antwoord op vraag 121
De tabel in het coalitieakkoord presenteert de bedragen tot en met 2030, maar de middelen voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) lopen door tot en met 2035, waarbij het gaat om 135 miljoen euro per jaar. Dit is opgenomen in de doorkijk van de uitgaven tot 2035 onder de budgettaire tabel van het coalitieakkoord. Het tabelkopje ‘struc’ geeft een bedrag van 0 weer omdat de middelen na 2035 niet meer beschikbaar worden gesteld.
Vraag 122
Vraag 122
Welke prioritaire infrastructuurprojecten worden bedoeld en waar is de twee keer 750 miljoen euro op gebaseerd?
Antwoord op vraag 122
Prioritaire projecten zijn lopende infrastructuurprojecten en infrastructuurprojecten die op korte termijn kunnen starten, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Bij de prioritering wordt gekozen voor projecten die aantoonbaar bijdragen aan woningbouw, bereikbaarheid en economische ontwikkeling. De tweemaal 750 miljoen euro is een politieke keuze van het kabinet. Zie ook antwoord vraag 55.
Vraag 123
Vraag 123
Staat de taakstellende korting op de BDU-middelen voor openbaar vervoer na 2027 nog steeds in de boeken? Zo ja, wat betekent dit voor het OV in en rond de grote steden?
Antwoord op vraag 123
Ja, de taakstellende korting van 110 miljoen euro op de Brede Doeluitkering (BDU) Verkeer en Vervoer werkt na 2027 structureel door op de IenW-begroting. Voor 2027 wordt voor de korting voor een-derde -deel ongedaan gemaakt ten laste van het Mobiliteitsfonds. Een-derde deel is opgevangen door verhoging van de tarieven en/of vermindering van het aanbod en een-derde deel wordt door de vervoersregio’s gedekt. De vervoerregio’s geven aan dat als de korting na 2027 blijft bestaan, zij verwachten dat verdere verhoging van de tarieven en/of vermindering van het aanbod ten opzichte van 2027 nodig is.
Vraag 124
Vraag 124
Wat is het te verwachten effect op de woningbouw door woningbouwcorporaties van het bedrag behorende bij de post investeringscapaciteit woningbouwcorporaties (vpb) (nr. 10)? Hoeveel extra woningen kunnen hiermee naar verwachting worden gebouwd?
Antwoord op vraag 124
Zie antwoord op vraag 59.
Vraag 125
Vraag 125
Kunnen de investeringen van 1,5 miljard euro structureel voor het onderwijs worden uitgesplitst?
Antwoord op vraag 125
Het kabinet stelt een envelop van structureel 1,5 miljard euro beschikbaar. Deze envelop is onder meer bedoeld voor het terugdraaien van eerdere bezuinigingen op onderwijs van kabinet Schoof, het regionaal investeringsfonds mbo, het verbeteren van kwaliteit en meer leraren voor de klas, het versterken van de Inspectie en voor investeringen in onderzoek en wetenschap en aan de koopkracht van studenten. Over de precieze invulling en verdeling van deze envelop zal de minister van OCW uw Kamer nader informeren.
Vraag 126
Vraag 126
Waar is de vier keer 50 miljoen euro voor het gemeenschapsfonds op gebaseerd? Hoe wordt dit bedrag over gemeenten verdeeld?
Antwoord op vraag 126
De minister van BZK zal een regeling opstellen voor het versterken van verenigingswerk, initiatieven voor zorgzame wijken en dorpen en sociale cohesie.
Vraag 127
Vraag 127
Uit welk potje wordt de transitie naar dierwaardige veehouderij gefinancierd en hoeveel budget is beschikbaar?
Antwoord op vraag 127
Zie het antwoord op vraag 81.
Vraag 128
Vraag 128
Waar is het bedrag voor de subsidietaakstelling van 189 miljoen euro precies op gebaseerd? Hoe wordt de taakstelling precies verdeeld over de bestaande subsidies? En welke subsidies betreft het precies?
Antwoord op vraag 128
De subsidietaakstelling is onderdeel van integrale besluitvorming van het coalitieakkoord. De taakstelling wordt verdeeld naar rato van de subsidie uitgaven per departement. De departementen gaan zelf over de verdeling van deze taakstelling, dit wordt zichtbaar in de eerste suppletoire begrotingen.
Vraag 129
Vraag 129
Waar zijn de bedragen bij de post vernieuwing rijksdienst/slagvaardige overheid precies op gebaseerd? Hoe verhouden deze getallen zich tot de taakstelling van het kabinet-Schoof op de Rijksdienst?
Antwoord op vraag 129
De efficiencytaakstelling is onderdeel van integrale besluitvorming van het coalitieakkoord. In het coalitieakkoord is op pagina 6 en 7 onder «een productievere overheid» opgenomen welke voornemens het kabinet daarbij heeft. De taakstelling is aanvullend op de taakstelling van het kabinet-Schoof.
Vraag 130
Vraag 130
Waar zijn de bedragen bij de post efficiencytaakstelling (nr. 61) precies op gebaseerd? Hoe verhouden deze getallen zich tot de taakstelling van het kabinet-Schoof op de Rijksdienst?
Antwoord op vraag 130
De efficiencytaakstelling is onderdeel van integrale besluitvorming van het coalitieakkoord. De grondslag voor de efficiencytaakstelling betreft de apparaatskosten van de Rijksoverheid. De efficiencytaakstelling bestaat uit twee delen. Deel een betreft ca. 0,5% in 2027 en 1% in 2028 e.v. op uitvoering. Dit deel gaat in vanaf 2027 en geldt alleen voor uitvoeringsorganisaties omdat deze niet meeliepen in de grondslag voor de taakstelling uit het hoofdlijnenakkoord Schoof. Deel twee gaat om ca. 0,5% in 2029 en 1% in 2030 e.v. voor kerndepartement én uitvoering.
Vraag 131
Vraag 131
Kan worden toegelicht hoe de post vernieuwing van de rijksdienst/slagvaardige overheid (62) zich precies verhoudt tot de post efficiencytaakstelling (61)? Kan hierbij (met voorbeelden) worden toegelicht wat precies onder beide posten moet worden verstaan?
Antwoord op vraag 131
Zoals in de budgettaire bijlage is toegelicht, is de grondslag voor de verdeling van de taakstelling vernieuwing Rijksdienst/slagvaardige overheid hetzelfde als die van de efficiencytaakstelling. De korting van de taakstelling Slagvaardige overheid is een miljard euro en het ministerie van BZK coördineert de komende jaren de vernieuwing van de Rijksdienst. De efficiencytaakstelling begint met 92 miljoen euro in 2027 en loopt op tot 392 miljoen euro in 2030. Het kabinet werkt de invulling van deze efficiencytaakstelling komende tijd uit. In het coalitieakkoord is op pagina 6/7 onder «een productiever overheid» opgenomen welke voornemens het kabinet daarbij heeft.
Vraag 132
Vraag 132
Welke vorm krijgt de Nederlandse Digitale Dienst? Op welke termijn wordt de Kamer geïnformeerd over de vorm van deze nieuwe dienst?
Antwoord op vraag 132
Dit betreft een uitwerking van het coalitieakkoord en zal verder worden uitgewerkt.
Vraag 133
Vraag 133
Welke budgettaire voordelen heeft het samenvoegen van ICT-expertise binnen één Digitale Dienst? Is dit berekend?
Antwoord op vraag 133
Dit betreft een uitwerking van het coalitieakkoord en zal verder worden uitgewerkt.
Vraag 134
Vraag 134
Wat is de geraamde financiële impact van het schrappen en vereenvoudigen van jaarlijks minimaal 500 regels op rijksinkomsten en uitvoeringskosten?
Antwoord op vraag 134
De financiële impact is niet één op één te koppelen aan een willekeurig geschrapte regel en daarmee ook niet op voorhand te ramen.
Vraag 135
Vraag 135
Is voor het opstellen en realiseren van targets per ministerie voor regeldrukreductie aanvullende capaciteit of budget geraamd en hoe verhoudt dit zich tot de generieke taakstelling op de rijksdienst?
Antwoord op vraag 135
Er is in het coalitieakkoord geen aanvullende capaciteit of budget geraamd voor het opstellen en realiseren van targets per ministerie voor regeldrukreductie. In lijn met het antwoord op vraag 134 is een directe koppeling van taakstellingsbedragen aan het aantal te schrappen regels niet mogelijk.
Vraag 136
Vraag 136
Welke middelen zijn gereserveerd voor de oprichting van de digitale dienst en het aantrekken van IT-talent, en hoe verhouden deze zich tot de generieke taakstelling op de rijksdienst? Kunt u daarbij ook het huidige aandeel externe inhuur aangeven?
Antwoord op vraag 136
In het coalitieakkoord zijn geen additionele middelen gereserveerd voor de oprichting van de digitale dienst en het aantrekken van IT-talent. Het is daarom ook niet mogelijk aan te geven hoe de middelen zich verhouden tot de generieke taakstelling op de Rijksdienst. In 2024 was 44% van de uitgaven aan externe inhuur ICT gerelateerd.
Vraag 137
Vraag 137
Welke middelen zijn gereserveerd om de «verantwoorde inzet van data en AI binnen de overheid» mogelijk te maken?
Antwoord op vraag 137
In het coalitieakkoord zijn geen additionele middelen gereserveerd voor de verantwoorde inzet van data en AI binnen de overheid.
Vraag 138
Vraag 138
Wat is de netto structurele besparing of intensivering die voortvloeit uit het terugbrengen van externe inhuur naar 10%, rekening houdend met hogere vaste personeelskosten en mogelijke aanpassingen van de Wet normering topinkomens?
Antwoord op vraag 138
Departementen hebben een apparaatsbudget waarbinnen zij zowel de effecten van de WNT als de externe inhuur dienen in te passen. Er is daarmee geen direct budgettair effect van het terugbrengen van externe inhuur op aanpassingen in de WNT.
Vraag 139
Vraag 139
Hebben taakstelling 61 (efficiencytaakstelling) en taakstelling 62 (additionele taakstelling vernieuwing rijksdienst) gevolgen voor rijksbrede ICT- en digitaliseringsbudgetten, waaronder beheer, vernieuwing en cybersecurity gezien deze niet staan vermeld onder de uitzonderingen?
Antwoord op vraag 139
De invulling van de taakstellingen moet nog plaatsvinden. Het kabinet werkt de invulling van deze taakstellingen de komende tijd uit.
Vraag 140
Vraag 140
Wat zijn de geraamde kosten van de oprichting en exploitatie van een landelijke antidiscriminatievoorziening met fysieke loketten?
Antwoord op vraag 140
Vanuit de envelop goed bestuur van het kabinet Schoof is 7 miljoen euro structureel gereserveerd voor de versterking van de aanpak van discriminatie. Onderdeel hiervan is het oprichten van landelijke fysieke loketten (wetsvoorstel Wet bijstand bij discriminatie).
Vraag 141
Vraag 141
Welke middelen zijn gereserveerd voor de versterking van politienetwerken zoals Roze in Blauw en het Joods Politienetwerk?
Antwoord op vraag 141
Het kabinet zal aan de slag gaan met de verdere verdeling van de coalitieakkoordmiddelen voor (nationale) veiligheid, inclusief de politie. Over de precieze verdeling van deze middelen informeert de minister van Justitie en Veiligheid u op een later moment.
Vraag 142
Vraag 142
Wat is de financiële omvang van de aparte begroting voor de rechtspraak en vanaf welk jaar wordt deze ingevoerd?
Antwoord op vraag 142
De financiële omvang is op dit moment nog niet vast te stellen. Ook het exacte moment van invoering van een aparte begroting voor de rechtspraak kan nog niet worden aangegeven. De uitwerking van dit voornemen vraagt nadere analyse van de juridische en organisatorische consequenties.
Vraag 143
Vraag 143
Hoeveel middelen worden structureel overgeheveld naar de aparte begroting voor de rechtspraak?
Antwoord op vraag 143
Zie het antwoord op vraag 142.
Vraag 144
Vraag 144
Wordt bij de instelling van een aparte begroting voor de rechtspraak ook extra budget toegevoegd of betreft het uitsluitend een administratieve herschikking?
Antwoord op vraag 144
Zie het antwoord op vraag 142.
Vraag 145
Vraag 145
Kunt u uitsplitsen naar welke onderdelen van de politie de extra gereserveerde middelen gaan en hoeveel geld er per onderdeel wordt uitgegeven?
Antwoord op vraag 145
Zie het antwoord op vraag 141.
Vraag 146
Vraag 146
Op basis van welke indicatoren kan worden geconcludeerd dat de programma’s Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en Preventie met Gezag succesvol zijn?
Antwoord op vraag 146
Beide programma’s monitoren hun voortgang op basis van een aantal indicatoren. Voorbeelden hiervan zijn onder meer de samenstelling van de woningvoorraad, energielabels van woningen, het percentage bijstandsgerechtigden en definitieve schooladviezen. Voor al deze indicatoren wordt data verzameld en een meerjarig beeld opgesteld. Een belangrijke tool hiervoor is onder andere de zogenaamde ‘Leefbarometer’, en het openbare dashboard www.zichtopwijken.nl. Ook publiceren beide programma’s regelmatig voortgangsrapportages die ook de data over de (kern)indicatoren laten zien. De informatie hierover wordt met uw Kamer gedeeld en is ook openbaar beschikbaar, bijvoorbeeld op de site www.leefbaarenveilig.nl of in de halfjaarsbrief ondermijning (Halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit december 2025 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl).
Vraag 147
Vraag 147
Op pagina 11 staat dat er meer gedaan gaat worden aan verwarde personen. Tegelijkertijd staat er dat de ggz moet hervormen en wordt onder kopje 42 van de financiële tabel gesproken over mogelijke extra financiering van de ggz. Wat is er financieel nodig om de ggz en/of andere partners te ondersteunen bij de hulp aan verwarde personen en hoe verhoudt dit zich tot de vrijgemaakte middelen?
Antwoord 147
Het kabinet zet in op het voorkomen van overlast, door mensen met verward of onbegrepen gedrag beter te helpen. Het kabinet zal deze inzet vormgeven binnen de daarvoor beschikbare financiële middelen.
Vraag 148
Vraag 148
Wat zijn de geraamde opbrengsten van het aangekondigde boetesysteem voor clubs bij inzet van politie in en om het stadion?
Antwoord op vraag 148
De geraamde opbrengsten van het aangekondigde boetesysteem zijn op dit moment nog niet bekend. Het boetesysteem zal de komende periode nader worden uitgewerkt door de minister van Justitie en Veiligheid, inclusief de geraamde opbrengsten.
Vraag 149
Vraag 149
Welke middelen zijn geraamd voor investeringskosten, waaronder nieuwbouw, verbouw en extra personeel die samenhangen met de uitbreiding van de celcapaciteit?
Antwoord op vraag 149
Voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is 75 miljoen euro beschikbaar gesteld in 2027 oplopend naar structureel 100 miljoen euro vanaf 2028 voor het beschikbaar houden van cellencapaciteit. De exacte besteding van deze middelen wordt nader uitgewerkt. U wordt hier later over geïnformeerd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Vraag 150
Vraag 150
Klopt het dat in de budgettaire bijlage geen afzonderlijke middelen zijn opgenomen voor uitbreiding van de celcapaciteit maar alleen voor het beschikbaar houden van cellencapaciteit?
Antwoord op vraag 150
Zie het antwoord op vraag 149.
Vraag 151
Vraag 151
Hoeveel extra capaciteit wordt met dit geld gerealiseerd en hoeveel daarvan is bestemd voor renovaties?
Antwoord op vraag 151
Zie het antwoord op vraag 149.
Vraag 152
Vraag 152
Hoe verhouden de gereserveerde bedragen voor DJI zich tot de geraamde capaciteitsvraag?
Antwoord op vraag 152
De capaciteitsbehoefte voortkomend uit de het meest recente Prognosemodel Justitiële Ketens laat een stijging zien1. Voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is 75 miljoen euro beschikbaar gesteld in 2027 oplopend naar structureel 100 miljoen euro vanaf 2028 voor het beschikbaar houden van cellencapaciteit. Daarnaast worden in het coalitieakkoord ook inhoudelijke maatregelen aangekondigd, zoals versobering en aparte regimes voor beperkt risico gedetineerden. Over de exacte besteding van de middelen, de uitwerking van de inhoudelijke maatregelen en hoe zich dit verhoudt tot de geraamde capaciteitsvraag zal de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid u op een later moment informeren.
[1] Kamerstuk II 2024-2025, 24 587 nr. 1054
Vraag 153
Vraag 153
Is er op basis van de toegewezen middelen voor DJI een nieuwe raming of een gewijzigd afbouwpad voor het eerder vrijlaten van veroordeelden?
Antwoord op vraag 153
Nee. Er is op dit moment geen nieuwe raming of een gewijzigd afbouwpad beschikbaar voor het eerder vrijlaten van veroordeelden. Uw Kamer wordt periodiek over deze en andere maatregelen geïnformeerd via de voortgangsrapportage Capaciteit DJI door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Vraag 154
Vraag 154
Is de verlaging van de griffierechten in de budgettaire bijlage verwerkt als structurele derving en, zo ja, welk bedrag betreft dit?
Antwoord op vraag 154
Het kabinet zal aan de slag gaan met de verdere verdeling van de coalitieakkoordmiddelen voor rechtsstaat. De precieze verdeling van deze middelen volgt op een later moment.
Vraag 155
Vraag 155
Wat is het tijdpad voor een eventuele wetswijziging om een eigen bijdrage in de forensische zorg te realiseren?
Antwoord op vraag 155
In het coalitieakkoord wordt genoemd dat veroordeelden voor forensische zorg een eigen bijdrage gaan betalen. In de meest recente voortgangsbrief forensische zorg is aangegeven dat hiervoor impactanalyses worden uitgevoerd, onder andere door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).[1] Uw Kamer wordt hierover periodiek geïnformeerd via de voortgangsbrieven forensische zorg door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
[1] Kamerstuk II 2024-2025, 33 628 nr. 110
Vraag 156
Vraag 156
Hoe is het kabinet van plan de 10 miljoen euro voor femicide te besteden?
Antwoord op vraag 156
Het kabinet zal aan de slag gaan met de uitwerking van de besteding van de middelen voor femicide. Deze uitwerking volgt op een later moment.
Vraag 157
Vraag 157
Welke middelen zijn gereserveerd voor uitbreiding van defensieve en offensieve cybercapaciteiten (incl. actieve cyberverdedigingsmaatregelen) en de benodigde digitale infrastructuur?
Antwoord op vraag 157
Het kabinet zal aan de slag gaan met de verdere verdeling van de coalitieakkoordmiddelen. De precieze verdeling van deze middelen volgt op een later moment en de Kamer wordt hier nader over geïnformeerd.
Vraag 158
Vraag 158
Hoe verhouden de stikstofdoelen uit het coalitieakkoord zich tot de uitspraak in de Greenpeace-zaak? Ligt Nederland hiermee op koers om aan de uitspraak in deze zaak te voldoen?
Antwoord op vraag 158
De uitspraak van de rechter van 22 januari 2025 dwingt tot stikstofdepositie op beschermde natuur, en in het bijzonder op een specifieke lijst van meest urgente habitats. In het coalitieakkoord is als onderdeel van de vier-sporenaanpak een generieke emissiereductie door verschillende sectoren opgenomen evenals een nog verder uit te werken gebiedsgerichte aanpak. Hoe dit zich vertaalt in stikstofdepositie op natuurgebieden in het algemeen en de gerechtelijke uitspraak in het bijzonder wordt nog verder in kaart gebracht bij nadere uitwerking van beleid.
Vraag 159
Vraag 159
Wat is het geraamde effect op de btw-opbrengsten van wijzigingen in nettarieven als gevolg van de voorgestelde tariefprikkels?
Antwoord op vraag 159
De vormgeving van de voorgestelde tariefprikkels moet nog worden uitgewerkt. Als deze worden vormgegeven via niet-fiscale maatregelen wordt er in het inkomstenkader geen rekening gehouden met de mogelijke effecten op de btw-inkomsten. Alleen bij fiscale beleidswijzigingen wordt in bepaalde gevallen in het inkomstenkader rekening gehouden met direct samenhangende fiscale kruiselasticiteiten (zie p. 54 18e rapport Studiegroep Begrotingsruimte8). Als bijvoorbeeld de energiebelasting (EB) wordt gewijzigd, wordt er rekening gehouden met de btw die over deze energiebelasting verschuldigd is.
Vraag 160
Vraag 160
Wat is de volledige meerjarige uitgavenreeks tot en met 2050 voor alle onderdelen onder het cluster Energie en Klimaat (maatregelen 14 tot en met 18) in de budgettaire tabel, inclusief de doorloop na 2035?
Antwoord op vraag 160
In de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord zijn de meerjarige uitgavenreeksen t/m 2035 gepresenteerd. Sommige reeksen lopen langer door dan 2035. In onderstaande tabellen wordt een doorkijk gegeven t/m 2050.
| Tabel 17 Beschikbare middelen klimaat- en energie en energie coalitieakkoord (2026 t/m 2035) | ||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| In miljoenen | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | 2035 |
| CA 14. Indirecte kostencompensatie (IKC) 2026 t/m 2035 | 192 | 223 | 355 | 505 | 505 | 505 | 505 | 505 | 505 | 505 |
| CA 15. Envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven (2028 t/m 2035) | - | - | 495 | 495 | 495 | 495 | 495 | 495 | 495 | 495 |
| CA 16. SDE++ zes nieuwe rondes 2027 t/m 2032 | - | - | 8 | 114 | 349 | 658 | 961 | 1.248 | ||
| CA 17. continuering uitvoering klimaatbeleid medeoverheden (2031 t/m 2040) | - | - | - | - | - | 800 | 800 | 800 | 800 | 800 |
| CA 18. Wind op zee (uitbreiding tot 40 GW in 2040) | 7 | 78 | 88 | 117 | 91 | 182 | 376 | 1.117 | 1.797 | 2.406 |
| Tabel 18 Beschikbare middelen klimaat- en energie en energie coalitieakkoord (2036 t/m 2044) | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| In miljoenen | 2036 | 2037 | 2038 | 2039 | 2040 | 2041 | 2042 | 2043 | 2044 |
| CA 14. Indirecte kostencompensatie (IKC) 2026 t/m 2035 | - | - | - | - | - | - | - | - | - |
| CA 15. Envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven (2028 t/m 2035) | |||||||||
| CA 16. SDE++ zes nieuwe rondes 2027 t/m 2032 | 1.509 | 1.677 | 1.722 | 1.692 | 1.658 | 1.639 | 1.622 | 1.602 | 1.047 |
| CA 17. continuering uitvoering klimaatbeleid medeoverheden (2031 t/m 2040) | 800 | 800 | 800 | 800 | 800 | - | - | - | - |
| CA 18. Wind op zee (uitbreiding tot 40 GW in 2040) | 3.045 | 3.593 | 3.967 | 4.565 | 4.687 | 4.474 | 4.309 | 4.141 | 3.968 |
| Tabel 19 Beschikbare middelen klimaat- en energie en energie coalitieakkoord (2045 t/m 2050) | ||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| In miljoenen | 2045 | 2046 | 2047 | 2048 | 2049 | 2050 | Cumulatief | Struc |
| CA 14. Indirecte kostencompensatie (IKC) 2026 t/m 2035 | - | - | - | - | - | - | 4.305 | |
| CA 15. Envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven (2028 t/m 2035) | - | - | - | - | - | - | 3.960 | |
| CA 16. SDE++ zes nieuwe rondes 2027 t/m 2032 | - | - | - | - | - | - | 17.506 | |
| CA 17. continuering uitvoering klimaatbeleid medeoverheden (2031 t/m 2040) | - | - | - | - | - | - | 8.000 | |
| CA 18. Wind op zee (uitbreiding tot 40 GW in 2040) | 3.793 | 3.614 | 3.325 | 2.771 | 2.223 | 1.777 | 60.511 | 139 |
Vraag 161
Vraag 161
Wat zijn de cumulatieve uitgaven tot en met 2050 die voortvloeien uit de maatregelen 14 tot en met 18 onder Energie en Klimaat in de budgettaire tabel?
Antwoord op vraag 161
Zie antwoord op vraag 160.
Vraag 162
Vraag 162
Welke middelen zijn gereserveerd voor de voorgestelde Crisiswet Netcongestie en versnelling van net-uitbreidingsprocedures?
Antwoord op vraag 162
In het coalitieakkoord zijn geen middelen gereserveerd voor de Crisiswet Netcongestie en versnelling van de net-uitbreidingsprocedures. In het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 zijn voor verschillende maatregelen die toezien op netcongestie middelen toegekend. Zo is 22,5 miljoen toegekend voor de expertpool energie-infrastructuur om snellere ruimtelijke inpassing van infrastructuur te bevorderen. Voor gebiedsinvesteringen voor ruimtelijk inpassen van het hoogspanningsnet is 197 miljoen toegekend. Hiermee wordt getracht vertraging in de procedures voor het inpassen van hoogspanningsprojecten door een gebrek aan draagvlak te voorkomen. Voor een pakket noodmaatregelen netcongestie is 13 miljoen toegekend en voor de projectaanpak netcongestie is 36 miljoen toegekend.
Vraag 163
Vraag 163
Hoe worden Contracts for Difference voor wind op zee budgettair verwerk?
Antwoord op vraag 163
Op dit moment wordt het instrument Contract for Differences (CfD) nader uitgewerkt. Het kabinet zal de Kamer hier nader over informeren.
Vraag 164
Vraag 164
Welke middelen zijn er tot 2035 gereserveerd voor productie en levering van groene waterstof en groen gas?
Antwoord op vraag 164
In het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 is in totaal 2,6 mld. gereserveerd of toegekend onder voorwaarden voor waterstof. Zie ook bijlage 12 van de Miljoenennota 2026 voor het Integraal Overzicht Klimaat.
Vraag 165
Vraag 165
Welke middelen zijn er gereserveerd voor het ‘versterken nucleaire cluster’, het versnellen van het SMR-programma en het doorwerken aan ten minste vier nieuwe kerncentrales?
Antwoord op vraag 165
In het Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2026 is er 13,5 miljard gereserveerd in het perceel Kernenergie. Zie ook bijlage 12 van de Miljoenennota 2026 voor het Integraal Overzicht Klimaat.
Vraag 166
Vraag 166
In het regeerakkoord staat: 'We versterken het Nationaal Programma Circulaire Economie, aan wat voor soort versterking wordt gedacht?
Antwoord op vraag 166
In het coalitieakkoord is hierover opgenomen dat het kabinet dit doet door innovatie en marktontwikkeling te stimuleren, de concurrentiepositie van Europese en Nederlandse ondernemers te versterken en bedrijven lange termijnzekerheid en investeringsruimte te bieden. Daarnaast focust het kabinet op de uitvoering en concrete opschaling van circulaire oplossingen in de praktijk, bijvoorbeeld door als overheid launching customer te zijn, een gelijk speelveld te creëren door knelpunten weg te nemen. Deze plannen worden de komende tijd verder uitgewerkt door het kabinet.
Vraag 167
Vraag 167
Hoe ziet het kabinet de rol van de circulaire hefboom (motie van het lid Wingelaar c.s. over wettelijke borging van de circulaire hefboom; Kamerstuk 32 852 nr. 387) in het opschalen van de duurzame en circulaire maakindustrie?
Antwoord op vraag 167
Zoals aangegeven door het vorige kabinet in reactie op deze motie9, loopt een onderzoek naar de vormgeven van de circulaire hefboom, waarbij er gekeken wordt naar welke wetgeving aangepast zou moeten worden, hoe de uitvoering er uit kan zien en wat de verwachte ecologische en economische effecten van de circulaire hefboom zijn. Dit kabinet heeft hier nog geen besluit over genomen. Daarbij zal het kabinet (conform de begrotingsregels) terughoudend zijn bij het expliciet oormerken van inkomsten voor uitgaven. Om een goede afweging te kunnen maken tussen de (kosten van) verschillende beleidsdoelstellingen is het oormerken van inkomsten voor uitgaven niet wenselijk.
Vraag 168
Vraag 168
Welke ruimte voor extra gaswinning laten «alle bestaande sectorakkoorden» toe? Welke nieuwe vergunningen zijn onder deze akkoorden mogelijk?
Antwoord op vraag 168
Het sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie10 en de aanvullende afspraken sectorakkoord gaswinning op land11 laten qua technisch potentieel een ruimte zien van ruwweg 200 miljard m3, waarvan 150 miljard m3 op de Noordzee en 50 miljard m3 op land. De verwachting is dat met de verdere uitwerking van de maatregelen uit het sectorakkoord in totaal circa 100 miljard m3 economisch winbaar volume nog te winnen valt op de Noordzee.
Vraag 169
Vraag 169
Waar is de financiering voor het Noodfonds Energie in de financiële tabel terug te vinden? Hoeveel geld wordt hier jaarlijks voor vrijgemaakt, en hoeveel huishoudens kunnen hiermee worden geholpen, en binnen welke financiële range?
Antwoord op vraag
In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen gereserveerd voor het noodfonds energie. Op de SZW-begroting is incidenteel in totaal 90 miljoen euro gereserveerd als cofinanciering voor het beoogde publieke energiefonds als onderdeel van de Nederlandse aanvraag bij het Social Climate Fund (SCF). Uit het SCF vraagt Nederland 249,5 miljoen euro aan. Het totale budget in de periode 2026-2032 komt daarmee op cumulatief 339,5 miljoen euro.
Vraag 170
Vraag 170
Betekent «binnen de huidige financiële kaders» dat geen aanvullende middelen worden vrijgemaakt voor het overnemen van private warmtebedrijven? Welke bestaande middelen worden hiervoor ingezet?
Antwoord op vraag 170
Er zijn geen middelen vrijgemaakt in het coalitieakkoord voor het overnemen van private warmtebedrijven. Het kabinet zal de passage in het coalitieakkoord verder uitwerken en zal vervolgens de Kamer informeren.
Vraag 171
Vraag 171
Zijn de kosten van de stimulering en normering van hybride warmtepompen vanaf 2029 volledig verwerkt in de budgettaire bijlage en, zo ja, welk bedrag betreft dit?
Antwoord op vraag 171
Er zijn in het coalitieakkoord geen extra middelen vrijgemaakt voor de stimulering en normering van hybride warmtepompen vanaf 2029. Hybride warmtepompen worden gestimuleerd vanuit de Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) op de KGG-begroting. Hiervoor is in 2026 509 miljoen euro beschikbaar aflopend naar 347 miljoen euro in 2030.
Vraag 172
Vraag 172
Is in de budgettaire bijlage rekening gehouden met hogere uitgaven voor het noodfonds energie bij versnelling van de energietransitie? Welk bedrag is hiervoor gereserveerd?
Antwoord op vraag 172
Zie het antwoord op vraag 169.
Vraag 173
Vraag 173
Welke middelen zijn er gereserveerd voor de normering en stimulering van hybride, slimme warmtepompen per 2029, en welke subsidieregelingen horen daarbij?
Antwoord op vraag 173
Zie het antwoord op vraag 171.
Vraag 174
Vraag 174
Hoe wordt de capaciteitsmarkt budgettair verwerkt?
Antwoord op vraag 174
Het kabinet zal de vormgeving en financiering van de capaciteitsmarkt verder uitwerken en hierover de Kamer informeren.
Vraag 175
Vraag 175
Welke middelen zijn er gereserveerd voor het Nationaal Isolatie Offensief, kunt u dit uitsplitsen naar het beoogde aantal woningen en de gemiddelde rijksbijdrage per woning aangeven?
Antwoord op vraag 175
Voor het isoleren van woningen en andere gebouwen zijn, binnen deze kabinetsperiode, verschillende regelingen beschikbaar in de huidige Rijksbegroting. Dit gaat om het Nationaal Isolatie Programma, de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE), de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH), de Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) en Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA). Er zijn in het Coalitieakkoord geen aanvullende middelen gereserveerd voor isolatie.
Vraag 176
Vraag 176
Kunt u aangeven wat de budgettaire opbrengstderving is van het afschaffen van de nationale CO₂-heffing, inclusief de verwerking hiervan in het inkomstenbeeld en eventuele compensatie elders in het pakket?
Antwoord op vraag 176
De CO2-heffing industrie geldt op dit moment voor Emission Trading System (ETS) 1-broeikasgasinstallaties, lachgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallaties. Met het Belastingplan 2026 is de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties aangescherpt en losgeknipt van de CO2-heffing voor ETS1-broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties. De budgettaire opbrengst van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties gaat naar de algemene middelen.
De opbrengst van de CO2-heffing voor ETS1-broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties ging oorspronkelijk naar het Klimaatfonds, waardoor geen budgettaire opbrengst was ingeboekt. Met het Belastingplan 2026 is het heffingstarief voor deze groep bedrijven echter sterk verlaagd en de hoeveelheid vrijgestelde uitstoot juist verruimd. In de Miljoenennota 2026 werd daarom geen opbrengst meer verondersteld, omdat de verwachte ETS-prijs hoger ligt dan het tariefpad.
In het coalitieakkoord is het voornemen afgesproken om de CO2-heffing af te schaffen. Er is geen budget opgenomen om de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties af te schaffen.
Het zo snel mogelijk afschaffen van de CO2-heffing ETS1- en lachgasinstallaties kan ertoe leiden dat bedrijven geen carry back (inzet van overtollige dispensatierechten om betaalde belasting uit eerdere jaren terug te krijgen) meer kunnen toepassen, voor zover betaalde belasting niet reeds terug is ontvangen in 2026. Dit zou in theorie kunnen leiden tot een budgettaire opbrengst. Verwachte inkomsten ten tijden van een wetsaanpassing worden echter gestort in het klimaatfonds, waardoor dit per saldo niet leidt tot extra inkomsten. Het afschaffen van de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties heeft daarom geen budgettair effect aan de inkomstenkant van de begroting.
De CO2-heffing industrie is vastgelegd in het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP). Een afschaffing raakt direct mijlpaal 3 en 4 uit het HVP van Nederland, die betrekking hebben op de introductie van de CO2-heffing en het vaststellen van de minimumtarieven. Deze mijlpalen zijn reeds behaald. Indien Nederland gedurende de looptijd van het HVP (tot en met 31 december 2026) de CO2-heffing industrie afschaft zal dit worden gezien als een terugdraai en zal de Europese Commissie Nederland zeer waarschijnlijk korten op de middelen die voor Nederland gereserveerd staan in het kader van HVP. Deze korting kan oplopen tot maximaal 600 miljoen euro per mijlpaal, dus in totaal maximaal 1,2 miljard euro.
Vraag 177
Vraag 177
Kunt u een limitatieve lijst geven van de ‘financiële prikkels voor fossiele brandstoffen’ die worden afgebouwd, met per maatregel de geraamde budgettaire opbrengst/derving?
Antwoord op vraag 177
In bijlage 13 van de Miljoenennota 2026 is een overzicht te vinden van financiële prikkels voor fossiele brandstoffen, inclusief het budgettaire belang. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet werkt aan het afbouwen van deze financiële prikkels voor fossiele brandstoffen en dit zoveel mogelijk in Europees verband doet. Er is geen besluit genomen over specifieke maatregelen.
Vraag 178
Vraag 178
Welke middelen zijn op dit moment vrijgemaakt voor de doelen op het terrein van Klimaat & Groene Groei? Zijn deze vrijgemaakte middelen voldoende om de huidige doelen te halen of wordt verwacht dat er in de komende jaren nog middelen aan toegevoegd moeten worden en zo ja: welke orde van grootte en wanneer?
Antwoord op vraag 178
Een overzicht van alle klimaat gerelateerde uitgaven in de periode 2024-2030 is te vinden in bijlage 12 van de Miljoenennota 2026 (Integraal overzicht klimaat). Na verwerking van het coalitieakkoord en budgettaire besluitvorming van het kabinet wordt dit overzicht geactualiseerd bij Miljoenennota 2027. Het coalitieakkoord stelt (aanvullend) budget beschikbaar voor de indirecte kostencompensatie (IKC), tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven, de subsidie duurzame energie (SDE++), uitvoering klimaatbeleid medeoverheden en wind op zee. Zie het antwoord op vraag 105 voor een reactie op de klimaatdoelen.
Vraag 179
Vraag 179
Welke middelen worden vrijgemaakt voor het versterken van het Nationaal Programma Circulaire Economie en het stellen van (sectorale) circulaire doelen?
Antwoord op vraag 179
Binnen de IenW begroting staan de middelen voor het stimuleren van een circulaire economie op artikel 21 ‘ Circulaire Economie’. De tabel hieronder laat zien hoeveel middelen hier jaarlijks voor beschikbaar zijn.
| Tabel 20 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| (bedragen x 1.000 euro) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 |
| Begroting IenW Artikel 21 «Circulaire Economie» | 69.734 | 70.714 | 63.276 | 53.474 | 53.552 |
In het coalitieakkoord worden geen extra middelen vrijgemaakt voor het Nationaal Programma Circulaire Economie en het stellen van (sectorale) circulaire doelen.
Vraag 180
Vraag 180
Op welke manier wordt elektrisch rijden fiscaal voordelig gehouden? Hoeveel middelen zijn hiervoor gereserveerd?
Antwoord op vraag 180
Recent zijn een aantal maatregelen genomen om elektrisch rijden fiscaal voordelig te houden. Ten eerste is de korting in de motorrijtuigenbelasting voor elektrische personenauto’s verlengd tot en met 2029. Het kortingspercentage bedraagt 30% in 2026 t/m 2028 en 25% in 2029. Ten tweede wordt de zakelijke markt voor personenauto’s per 2027 genormeerd via de pseudo-eindheffing. Vanaf dan is de norm dat personenauto’s die werkgevers aan werknemers ter beschikking stellen voor privégebruik (inclusief woon-werk) volledig elektrisch zijn. Ten derde is de korting in de bijtelling voor elektrische auto’s verlengd t/m 2027. Het verlaagde bijtellingspercentage bedraagt 18% in 2026 en 20% in 2027 en geldt voor de eerste 30.000 euro van de cataloguswaarde. De afspraak in het coalitieakkoord om elektrisch rijden fiscaal voordelig te houden, betrekt het kabinet daarnaast in de uitwerking van de hervorming van de autobelastingen. Hiervoor zijn geen middelen gereserveerd.
Vraag 181
Vraag 181
Welke middelen zijn gereserveerd voor laadinfrastructuur?
Antwoord op vraag 181
In totaal staat er tot en met 2030 ca. 1,3 miljard gereserveerd voor laadinfrastructuur op de begrotingen van IenW en het Mobiliteitsfonds. Op artikel 14 van de begroting van Infrastructuur en Waterstaat staat tot en met 2030 667 miljoen gereserveerd voor laadinfrastructuur. Deze middelen zijn afkomstig uit het Klimaatfonds. In het kader van het Meerjarenprogramma Vrachtwagenheffing staat tot en met 2030 546 miljoen op artikel 15 van de begroting van Infrastructuur en Waterstaat gereserveerd voor laadinfrastructuur. Als laatst staat er op het Mobiliteitsfonds tot en met 2032 66 miljoen gereserveerd. Deze middelen zijn bedoeld voor Stopcontact op Land en zijn afkomstig uit het Klimaatfonds.
Vraag 182
Vraag 182
Hoeveel geld gaat er naar het noodfonds energie per jaar, tot het einde van dit fonds?
Antwoord op vraag 182
Zie het antwoord op vraag 169.
Vraag 183
Vraag 183
Welke middelen zijn beschikbaar voor negatieve emissies/koolstofverwijdering (onderzoek, pilots, opschaling)?
Antwoord op vraag 183
Er is 50 miljoen euro uit het Klimaatfonds toegekend voor het opzetten van een stimuleringsprogramma voor innovatieve koolstofverwijderingstechnieken, zoals mariene CO2-opslag, biochar, biomaterialen, bioCCS, DACCS en mineralisatie.
Vraag 184
Vraag 184
Welke middelen worden gereserveerd voor het kenniscluster Carbon Management?
Antwoord op vraag 184
In het coalitieakkoord zijn geen middelen gereserveerd voor het kenniscluster Carbon Management.
Vraag 185
Vraag 185
Hoeveel publieke middelen/garanties zijn gemoeid met het doorzetten en uitbreiden van maatwerkafspraken voor verduurzaming?
Antwoord op vraag 185
Binnen het perceel Verduurzaming industrie van het Klimaatfonds is 510,8 miljoen euro gereserveerd voor de maatwerkafspraken. Zie ook pagina 31 van de Beantwoording feitelijke vragen Commissie Klimaat en Groene Groei over de begrotingsstaat van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (XXIII) voor het jaar 2026. Daarnaast is 2 miljard euro onder voorwaarden gereserveerd ten behoeve van de maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland.
Vraag 186
Vraag 186
Wat is de financiële omvang van het «Pakket voor Groene Groei»?
Antwoord op vraag 186
Zie het antwoord op vraag 83.
Vraag 187
Vraag 187
Kunt u toelichten hoe de kapitaalstorting/het kernkapitaal voor de Nationale Investeringsinstelling (3 tot 5 miljard euro) budgettair wordt verwerkt?
Antwoord op vraag 187
Bij Startnota 2026 zullen de middelen voor het opzetten van een Nationale Investeringsinstelling worden verwerkt en toegelicht.
Vraag 188
Vraag 188
Wanneer wordt de tegemoetkoming arbeidsongeschikte afgeschaft?
Antwoord op vraag 188
Het kabinet werkt aan het wetsvoorstel om per 2027 de tegemoetkoming arbeidsongeschikten af te schaffen. Het streven is om dit voorstel zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen.
Vraag 189
Vraag 189
Is bij de geraamde opbrengst van de taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie rekening gehouden met doorwerking in cao-lonen en arbeidskosten van het rijk?
Antwoord op vraag 189
Bij de raming van de opbrengst van deze maatregel is het uitgangspunt dat dit inclusief de Aof-premie is die wordt opgebracht door de overheid als werkgever. Dit heeft er onder andere mee te maken dat de loonruimte van een groot deel van de overheid (centrale overheid, zorg, onderwijs) wordt bepaald via de referentiesystematiek. Daarbij volgt die loonruimte de ontwikkeling van de loonkosten van de marktsector. Het grootste deel van de inkomsten van decentrale overheden volgt de ontwikkeling van het nationaal product. Overheidswerkgevers krijgen de hogere premietarieven dus niet automatisch vergoed, en zullen net als marktwerkgevers de hogere werkgeverslasten moeten inpassen in het beschikbare budget voor arbeidsvoorwaarden.
Vraag 190
Vraag 190
Bij wie slaat de taakstellende verhoging van de arbeidsongeschiktheidsfonds-premie uiteindelijk neer: bij werkgevers, bij werknemers of bij beiden?
Antwoord op vraag 190
In de ex-ante verdeling van de beleidsmatige lastenontwikkeling naar wie de belasting afdraagt, wordt de AOF-premie toegerekend aan bedrijven. De betaler van een belasting is echter niet noodzakelijk degene die de lasten uiteindelijk draagt. De inkomstenbelasting waarvoor de werknemer belastingplichtig is, en de premies die de werkgever afdraagt voor de werknemersverzekeringen, zijn economisch sterk met elkaar verweven, omdat beide leiden tot een verschil tussen de bruto loonkosten en het nettoloon. Vanuit dat perspectief is het onwaarschijnlijk dat de last van de premie alleen bij de werkgever terechtkomt, of die van de inkomstenbelasting uitsluitend bij de werknemer. Een verhoging van de AOF-premie zal daarmee naar verwachting bij zowel werkgevers als werknemers neerslaan. De verdeling hangt af van verschillende individuele factoren, zoals onderhandelingsmacht en prijsgevoeligheid.
Vraag 191
Vraag 191
Kunt u aangeven met hoeveel procentpunt(en) het lage en hoge aof-tarief worden verhoogd onder de vrijheidsbijdrage voor bedrijven, welke loonsomgrondslag is gebruikt en welke opbrengst per tariefschijf wordt geraamd (2027 en structureel)?
Antwoord op vraag 191
De precieze omvang van de tariefmutatie die nodig is om het gewenste bedrag op te halen is nog niet bekend. Zoals aangekondigd in het Coalitieakkoord zal over de invulling van de vrijheidsbijdrage zal nog overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties. Pas als tot een premiewijziging is besloten wordt de daadwerkelijke tariefmutatie berekend met de meest recente raming van het CPB over de premiegrondslag.
Vraag 192
Vraag 192
Per wanneer wordt het nieuwe box 3-stelsel doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek? Wat zijn de geraamde uitvoeringskosten en budgettaire gevolgen van de overgang naar een vermogenswinstsystematiek? Waarom zijn de kosten van deze doorontwikkeling niet opgenomen in de budgettaire bijlage?
Antwoord op vraag 192
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het nieuwe box 3-stelsel wordt doorontwikkeld naar een vermogenswinstsystematiek. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zijn de moties Van Dijk c.s12en Vermeer13ingediend, die oproepen om een stappenplan te ontwikkelen voor het doorontwikkelen naar een volledige vermogenswinstbelasting en om uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een voorstel hiervoor te presenteren. Hierbij zal in overleg met ketenpartners zoals banken in kaart worden gebracht op welke termijn invoering van een vermogenswinstbelasting mogelijk is. Ook zullen de budgettaire gevolgen in kaart worden gebracht inclusief dekkingsopties. De derving van een volledige vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de 5 miljard euro in de eerste 5 jaar.14
Vraag 193
Vraag 193
Hoeveel middelen worden er vrijgemaakt door uitbreiding van de WBSO voor AI en technologie?
Antwoord op vraag 193
In de budgettaire tabel bij het coalitieakkoord zijn geen additionele middelen gereserveerd voor een uitbreiding van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) op het terrein van artificial intelligence (AI) en technologie. In de uitwerking zal worden bekeken op welke wijze aan deze doelstelling van het kabinet kan worden voldaan, binnen de afgesproken regels van het inkomstenkader. Hierbij is relevant dat de afgelopen jaren sprake is geweest van onderuitputting van het budget.
Vraag 194
Vraag 194
Kunt u de budgettaire vertaling geven van het werken «conform het Nationaal AI-Deltaplan» aan een AI-Rekenkrachtplan en het wegnemen van structurele barrières (ruimte, energie, vergunningen) voor digitale (AI-)infrastructuur?
Antwoord op vraag 194
In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen gereserveerd voor het werken aan een AI-Rekenkrachtplan en het wegnemen van structurele barrières voor digitale infrastructuur. Deze plannen zullen verder worden uitgewerkt binnen reeds beschikbare middelen.
Vraag 195
Vraag 195
Klopt het dat in de budgettaire bijlage geen rekening is gehouden met hogere of lagere Nederlandse EU-afdrachten in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader?
Antwoord op vraag 195
Het coalitieakkoord bevat geen aanpassingen aan de raming van de EU-afdrachten. In de raming van de EU-afdrachten op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken is vanaf 2028 al wel rekening gehouden met een stijging van de EU-afdrachten, onder andere als gevolg van de economische ontwikkeling en de aflossing- en rentebetalingen van het coronaherstelfonds NGEU. Dit is toegelicht in de ontwerpbegroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 2024.15De raming van de EU-afdrachten wordt periodiek bijgesteld als gevolg van o.a. de economische ontwikkeling. Zoals aangegeven in het verslag van de Eurogroep en Ecofinraad van 11 en 12 december 2025 heeft de Europese Commissie nieuwe meerjarige economische cijfers gepubliceerd.16 Deze nieuwe economische groeicijfers zullen conform de bestaande werkwijze bij een regulier begrotingsmoment in de raming van de EU-afdrachten op de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden verwerkt.
Vraag 196
Vraag 196
Kunt u de totale rentelasten en risico’s in kaart brengen van alle gemeenschappelijke Europese leningen waarvoor Nederland naar rato van zijn economie garant staat, inclusief het Europees Defensiefonds en het SAFE-instrument?
Antwoord op vraag 196
Het Nederlandse aandeel in de garanties die afgegeven zijn voor de Europese leningen worden verantwoord op artikel 4 Internationale financiële betrekkingen van het ministerie van Financiën.17 De tabel hieronder geeft een overzicht van de garanties per MJN26. De in de tabel getoonde garanties worden gebaseerd op het Nederlandse aandeel (gebaseerd op het bni-aandeel van Nederland in de EU, momenteel 6,4% met uitzondering van SURE18) in de totale maximale uitleencapaciteit van het financiële instrument en, indien van toepassing, de geschatte rentelasten. Bij wijzigingen in het Nederlands bni-aandeel, wijzigingen in de inschatting van de rentelasten en/of aanpassingen van de maximale uitleencapaciteit zal de omvang van een garantie wijzigen.
| Tabel 21 Totale verstrekte Eurpopese garanties in mld. Euro (stand MJN2026) | |
|---|---|
| Kredieten EU-betalings-balanssteun (BoP-faciliteit) | 4,1 |
| European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM) | 2,8 |
| Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE) | 6 |
| Bilaterale garantie Macro-financiële bijstand (MFB) | 0,2 |
| Oekraïne MFB headroomgarantie | 1,1 |
| Oekraïne-faciliteit | 2,1 |
| Ukraine Loan Cooperation Mechanism (Oekraïne MFB-ULCM)* | 3,5 |
| SAFE | 15,3 |
| Next Generation EU (NGEU) | 30,3 |
| European Stability Mechanism (ESM) ** | 38,6 |
| European Financial Stability Facility (EFSF) | 34,2 |
Onlangs is uw Kamer geïnformeerd over een nieuwe garantie voor de Ukraine Support Loan (ULS). Deze garantie wordt bij een eerstvolgend begrotingsmoment verwerkt in de Financienbegroting. De totale uitleencapaciteit voor de ULS bedraagt 90 mld. euro en het Nederlandse aandeel in de garantie 6,6%.
Vraag 197
Vraag 197
Kunt u nader toelichten welke inzet u voor ogen heeft met betrekking tot de hervorming van het stelsel van loondoorbetaling bij ziekte en wat met betrekking tot die hervorming bedoeld wordt met 'binnen de financiële kaders'?
Antwoord op vraag 197
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet hecht aan constructieve samenwerking met de sociale partners. Het kabinet wil met hen in gesprek over de invulling en uitwerking van de maatregelen van de werkagenda waaronder loondoorbetaling bij ziekte. Het kabinet gaat starten met deze gesprekken. Zoals opgenomen in het coalitieakkoord vraagt dit om serieuze inspanningen van alle partijen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat de hervorming van het stelsel van loondoorbetaling bij ziekte onderdeel uitmaakt van een hervorming van het stelsel van arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het kabinet wil in gesprek over de invulling en uitwerking van de maatregelen in het coalitieakkoord, waaronder loondoorbetaling bij ziekte en WIA. Daarbij hanteert het kabinet het uitgangspunt dat de invulling en uitwerking van de maatregelen binnen de voorgenomen financiële kaders blijft.
Vraag 198
Vraag 198
Wat betekent de zin «Zo bieden we meer ruimte voor de menselijke maat in het afspiegelingsbeginsel bij ontslagprocedures waarbij persoonlijke omstandigheden meer meegewogen kunnen worden»?
Antwoord op vraag 198
Het afspiegelingsbeginsel zorgt ervoor dat ontslagen eerlijk over leeftijdsgroepen worden verdeeld bij bedrijfseconomische ontslagen. Zoals beschreven in het coalitieakkoord wil het kabinet verkennen of er meer ruimte kan komen voor de menselijke maat, zodat persoonlijke omstandigheden van werknemers kunnen worden meegewogen, zonder dat de uitgangspunten van gelijke behandeling, transparantie en rechtszekerheid worden aangetast.
Vraag 199
Vraag 199
In passages van het coalitieakkoord (pagina 43) en van de budgettaire bijlage daarbij (punt 55) worden verschillende zaken benoemd met betrekking tot het hervormen van de transitievergoeding. Kunt u een compleet overzicht geven van de nu al bekende maatregelen die het kabinet hierin wilt treffen, inclusief bijbehorende budgettaire gevolgen, en de zaken waarover het gesprek nog zal worden aangegaan?
Antwoord op vraag 199
Zoals in het coalitieakkoord staat, wordt er gewerkt aan het hervormen van de bestaande transitievergoeding zodat deze doet waar hij voor bedoeld is, namelijk de transitie van werk naar werk. Het kabinet zal dit voornemen verder uitwerken. Voor het treffen van maatregelen zijn geen extra middelen beschikbaar ten opzichte van de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord
Vraag 200
Vraag 200
Kunt u meer in brede zin nader duiden wat onder punt 57 van de budgettaire bijlage concreet bedoeld wordt met de aankondiging dat het kabinet met sociale partners in gesprek gaat over de invulling en uitwerking van deze maatregelen over WW, transitievergoeding en van werk naar werk binnen de financiële kaders? Wat is de (financiële) speelruimte binnen deze gesprekken?
Antwoord op vraag 200
Het kabinet hecht aan een constructieve samenwerking met de sociale partners en nodigt hen uit om samen te werken aan een ambitieuze samenwerkingsagenda. Het kabinet wil in gesprek over de invulling en uitwerking van de maatregelen in die agenda, in het bijzonder inzake de WW, transitievergoeding van werk naar werk en loondoorbetaling bij ziekte en WIA. Daarbij hanteert het kabinet het uitgangspunt dat de invulling en uitwerking van de maatregelen binnen de voorgenomen financiële kaders blijft.
Vraag 201
Vraag 201
Wat zijn de gevolgen van een 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd op de instroom in de WIA?
Antwoord op vraag 201
De 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting zal tot meer instroom in de WIA leiden in vergelijking met een 2/3 koppeling. Mensen moeten langer doorwerken voor zij de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken en zijn daardoor ook langer voor de WIA verzekerd. In de berekening van de besparing van de maatregel is rekening gehouden met extra uitgaven aan de WIA, zowel als gevolg van extra instroom, als doordat bestaande WIA-gerechtigden langer aanspraak maken op een uitkering.
Vraag 202
Vraag 202
Wat zijn de gevolgen van een 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd op de sterfte?
Antwoord op vraag 202
Uit de zesde editie van de AOW monitor 2025 blijkt dat de recente verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd geen meetbaar effect heeft op de gezondheid van ouderen. Er is een lichte stijging zichtbaar in het aantal gezonde levensjaren. Er is geen indicatie dat een 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd invloed heeft op de sterfte.
Vraag 203
Vraag 203
Hoeveel werkenden halen naar verwachting de AOW-leeftijd niet door de voorgenomen stijging? Kunt u dit willen uitsplitsen naar inkomenskwintielen en opleidingsniveau?
Antwoord op vraag 203
Op dit moment is de AOW-leeftijd in 2033 67 jaar en 3 maanden. De AOW leeftijd in 2033 zou 67 jaar en 6 maanden worden bij een 1-op-1 koppeling aan de levensverwachting in plaats van de huidige 2/3 koppeling. Zie verder het antwoord op vraag 202.
Er zijn geen cijfers bekend over de uitsplitsing naar inkomenskwintielen of opleidingsniveau.
Vraag 204
Vraag 204
Wat voor impact heeft de 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd op het aantal arbeidsongeschikten, uitgesplitst naar leeftijd en het hebben van een zwaar beroep?
Antwoord op vraag 204
De 1-op-1 koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting zal leiden tot meer arbeidsongeschikten (zie ook vraag 201). Naast een hogere instroom in de WIA is er nog een tweede effect: mensen die in de WIA zitten blijven er ook langer in zitten voor zij uitstromen naar de AOW. Dit laatste effect leidt niet tot een hoger aantal unieke arbeidsongeschikten, maar wel tot een hoger WIA-bestand. Een uitsplitsing naar (voormalig) beroep valt niet te geven, aangezien er geen cijfers worden bijgehouden van het voormalige beroep van WIA-gerechtigden. Bovendien is er geen eenduidige definitie van wat een zwaar beroep is. Een uitsplitsing naar leeftijd valt ook niet te geven, omdat niet bekend is hoe groot het aantal werkenden in de betreffende leeftijden zal zijn in de toekomst.
Vraag 205
Vraag 205
Kunt u zowel wat betreft de beoogde hervormingen met betrekking tot de AOW als wat betreft het bevriezen van de aftoppingsgrens voor pensioenen zo gedetailleerd mogelijk weergeven hoe de implementatie van deze maatregelen is voorzien (inclusief budgettaire effecten)?
Antwoord op vraag 205
De invoering van de 1-op-1 koppeling in de AOW vereist een wetswijziging en kan per 1 januari 2033 in werking treden. Hierbij geldt een aankondigingstermijn van 5 jaar (gerekend vanaf 1 januari 2028). De maatregel is uitvoerbaar voor de SVB. Aanpassing van de AOW-leeftijd vergt beperkte aanpassingen in de systemen van de SVB en communicatie uitingen.
Het niet indexeren van de aftoppingsgrens is voorzien voor de jaren 2027 tot en met 2032. De budgettaire opbrengst hiervan is ingeboekt vanaf 2027. Deze maatregel zal opgenomen worden in het Belastingplan 2027 zodat deze in werking kan treden met ingang van 1 januari 2027.
De bijbehorende budgettaire effecten zien er als volgt uit:
| Tabel 22 Budgettaire effecten AOW maatregelen | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Maatregelen (x € 1 mln.) | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | Struc. |
| 1-op-1 koppeling AOW | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 2772 |
| Bevriezen aftoppingsgrens voor 6 jaar | ‒ 95 | ‒ 192 | ‒ 296 | ‒ 407 | 113 |
Vraag 206
Vraag 206
Kunt u dit tevens doen ten aanzien van de beoogde hervormingen in de WIA?
Antwoord op vraag 206
Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregelen en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Vraag 207
Vraag 207
Kunt u de meest recente kostenraming en het voorziene moment van invoering van de bijna gratis kinderopvang voor werkende ouders geven?
Antwoord op vraag 207
Het kabinet werkt aan een nieuw financieringsstelsel voor kinderopvang, wat eenvoudig is voor ouders, hen zekerheid biedt en kinderopvang voor veel ouders beter betaalbaar maakt. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2029. In de jaren voor 2029 worden al stappen gezet binnen het huidige stelsel, zodat de kinderopvangsector tijd heeft om het aanbod geleidelijk mee te laten groeien met een stijgende vraag. In 2027 en 2028 worden verdere stappen gezet en in 2029 moet het nieuwe stelsel in werking treden. De structurele meerkosten aan programma-uitgaven door de invoering van het nieuwe stelsel worden geraamd op circa 2,4 miljard euro.
Vraag 208
Vraag 208
Wat zijn de beoogde budgettaire effecten van de genoemde hervormingen binnen de Participatiewet?
Antwoord op vraag 208
Er zijn geen middelen gereserveerd voor het hervormen van de Participatiewet. Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van de genoemde hervormingen en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Vraag 209
Vraag 209
Kunt u alle voorziene/geraamde kosten rond het in stand houden van de Spreidingswet specificeren?
Antwoord op vraag 209
Binnen de begroting van Asiel en Migratie is op dit moment circa 25 miljoen euro structureel beschikbaar voor de uitvoeringskosten van de wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de ‘spreidingswet’). Hierbij is geen rekening gehouden met de specifieke uitkeringen aan gemeenten die volgen uit deze wet, aangezien de reservering hiervoor op de Aanvullende Post is vrijgevallen met het Hoofdlijnenakkoord PVV-CDA-NSC-BBB uit 2024, waarin het voornemen was opgenomen om de spreidingswet in te trekken.
Vraag 210
Vraag 210
Heeft u bij de ramingsbijstelling van de asielbegroting of bij andere asielgerelateerde zaken in deze stukken (direct of indirect) gerekend met cijfers met betrekking tot de spreidingswet die nog niet officieel zijn vastgesteld of gedeeld met de Kamer (bijvoorbeeld de (concept)capaciteitsraming voor de tweede cyclus)? Zo ja, kunt u deze cijfers aan de Kamer verstrekken?
Antwoord op vraag 210
Nee, er is niet gerekend met cijfers die niet gedeeld zijn met de Kamer. Op 26 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de Meerjaren Productie Prognose (MPP) 202519. Dit is de meest recente MPP die gepubliceerd is. Het kabinet heeft gekozen om middelen te reserveren voor asiel ter hoogte van 2,6 miljard euro in 2027 aflopend naar 2,1 miljard euro in 2030. Hierbij wordt aangesloten bij het basispad gehanteerd door het CPB voor de begroting van Asiel en Migratie bij de Concept-Macro Economische Verkenning en Keuzes in Kaart.
De MPP geeft input voor besluitvorming over de financiering van de organisaties in de asielketen en de capaciteitsraming zoals benoemd in de wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de ‘spreidingswet’). De capaciteitsraming uit de spreidingswet heeft dus niet direct invloed op de financiering van asielketenorganisaties, maar beide worden beïnvloed door de MPP. In het voorjaar van 2026 zal de update van deze MPP worden gedeeld met uw Kamer door de minister van Asiel en Migratie met uw Kamer, de zogenoemde MPP kernprognose.
Op 5 februari 2026 heeft de toenmalige minister van Asiel en Migratie uw Kamer geïnformeerd dat zij besloten heeft de capaciteitsraming zoals voorgeschreven in de spreidingswet niet te publiceren omdat dit volgens haar aan haar opvolger is.
Vraag 211
Vraag 211
Wat houdt de hervorming van de brede brugklassubsidie in?
Antwoord op vraag 211
Het doel van de hervorming van de subsidie brede brugklassen is om een voldoende dekkend aanbod aan brede brugklassen te garanderen. De invulling van de hervorming moet nog nader uitgewerkt worden.
Vraag 212
Vraag 212
Met hoeveel euro gaat uitwonende beurs omhoog?
Antwoord op vraag 212
De exacte hoogte van het bedrag wordt op dit moment verder uitgewerkt, er is namelijk een wetswijziging nodig om dit te regelen. Dat moet zorgvuldig worden voorbereid, voordat het kabinet specifieke bedragen kan delen.
Vraag 213
Vraag 213
Wat betekent het «verbeteren van de financiële positie van bbl-studenten» concreet?
Antwoord op vraag 213
Het is op dit moment niet te zeggen wat de verbetering van de financiële positie van bbl-studenten concreet betekent. Dit vergt nog nadere uitwerking.
Vraag 214
Vraag 214
Welke budgettaire consequenties worden voorzien voor de plannen voor digitalisering en ICT?
Antwoord op vraag 214
Dit betreft een uitwerking van het coalitieakkoord en zal door het kabinet verder worden uitgewerkt. Er zijn in het coalitieakkoord geen additionele middelen hiervoor gereserveerd.
Vraag 215
Vraag 215
Welke aanvullende middelen worden geïnvesteerd in sleuteltechnologieën zoals AI en uit welke budgetten wordt dit gefinancierd?
Antwoord op vraag 215
In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen gereserveerd voor AI. Wel zijn er bestaande budgetten die worden ingezet voor dit doel, bijvoorbeeld voor AI-pilots ter verbetering van de dienstverlening.
Vraag 216
Vraag 216
Is in de formatie uitgevraagd wat de voor- en nadelen zijn van een nieuw op te richten Ministerie van Digitale Zaken? Kunnen deze voorbereidende fiches worden nagezonden?
Antwoord op vraag 216
De ministeries van Financiën, BZK en EZ hebben hierover geen vraag van de formatie ontvangen of beantwoord.
Vraag 217
Vraag 217
Wat zijn de financiële gevolgen van het nieuw op te richten salarispad voor IT-specialisten? Hoeveel ICT-functies worden hiermee opgewaardeerd?
Antwoord op vraag 217
Dit betreft een uitwerking van het coalitieakkoord en zal na het aantreden van het nieuwe kabinet verder worden uitgewerkt.
Vraag 218
Vraag 218
Welke onderdelen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zullen overgeheveld worden naar het ministerie van Economische Zaken in de nieuwe verdeling? Hoe is deze afweging gemaakt? Welke budgettaire gevolgen heeft dit?
Antwoord op vraag 218
Dit wordt nog uitgewerkt. Op basis hiervan wordt bekeken welke gevolgen dit heeft voor de organisatie van beide departementen. Meer informatie is beschikbaar is het eindverslag van de formateur1 en de portefeuilleverdeling2.
1Eindverslag
formateur Jetten | Kabinetsformatie
2Portefeuilleverdeling
kabinet Jetten (file)
Vraag 219
Vraag 219
Kunt u de budgettaire uitwerking geven van «digitale autonomie» als uitgangspunt voor de overheid, inclusief de kosten voor afbouw strategische afhankelijkheden in cloud/data/cruciale systemen (migratie, exitkosten, contractaanpassingen)?
Antwoord op vraag 219
Er zijn in het coalitieakkoord geen aanvullende middelen gereserveerd voor digitale autonomie. Er zijn ook geen bestaande budgetten specifiek voor digitale autonomie gereserveerd.
Vraag 220
Vraag 220
Kunt u toelichten wat er in de stukken onder «nationale aanpak voor digitale infrastructuur» valt en in een tabel aangeven welke rijksmiddelen daarvoor zijn gereserveerd?
Antwoord op vraag 220
In het coalitieakkoord zijn geen aanvullende middelen gereserveerd voor de nationale aanpak voor digitale infrastructuur. Wel zijn er zijn er al eerder investeringen gedaan in digitale infrastructuur, bijvoorbeeld bij regionale campussen.
Vraag 221
Vraag 221
Kunt u de budgettaire uitwerking geven van «actieve voorbereiding op grootschalige digitale aanvallen», uitgesplitst naar (i) oefenprogramma’s overheid/mkb/vitale sectoren, (ii) stimulering ethische hackers, en (iii) infrastructuur/organisatie voor snelle dreigingsinformatie-uitwisseling?
Antwoord op vraag 221
Het kabinet zal aan de slag gaan met de verdere verdeling van de coalitieakkoord middelen voor (nationale) veiligheid. De precieze verdeling van deze middelen volgt op een later moment en de minister van Justitie en Veiligheid zal de Kamer hier nader over informeren.
Vraag 222
Vraag 222
Welke extra middelen worden voorzien om «voldoende ruimte» te geven voor het aantrekken van talent en innovatie t.b.v. digitale handhaving en hoe verhouden deze zich tot structurele taken uit NIS2/cyberbeveiligingswet?
Antwoord op vraag 222
Zie het antwoord op vraag 221.
Vraag 223
Vraag 223
Welke middelen zijn geraamd voor strenger toezicht op grote online platforms (transparantie over algoritmes/inkomsten, moderatie illegale content, verbod op specifieke algoritmes en uitvoering van verwijderbevelen binnen één uur)?
Antwoord op vraag 223
Zie het antwoord op vraag 221.
Vraag 224
Vraag 224
Kunt u de budgettaire uitwerking geven van de aanpak van deepfakes, inclusief kosten voor actualiseren wetgeving en het opzetten/exploiteren van een centraal en laagdrempelig meldpunt (personeel, ICT, ondersteuning slachtoffers)?
Antwoord op vraag 224
Zie het antwoord op vraag 221.
Vraag 225
Vraag 225
Welke middelen zijn gereserveerd voor het versterken van de aanpak van online fraude (incl. publiek-private samenwerking, preventie en ondersteuning van slachtoffers bij schadeafhandeling)?
Antwoord op vraag 225
Zie het antwoord op vraag 221.
Vraag 226
Vraag 226
Wat betekent de passage in het coalitieakkoord over infrastructuur en bereikbaarheid onder het eerste bolletje: «Veel bruggen, tunnels, spoorwegen en sluizen naderen het einde van hun levensduur. Om heel Nederland veilig, bereikbaar en economisch sterk te houden zal de onderhoudsopgave de komende jaren voorrang krijgen in het toebedelen van beschikbare middelen. Daarbij benutten we de strategische kansen van dual-use met defensie, en wordt onderhoud waar mogelijk gekoppeld aan verbeteringen in verkeersveiligheid, regionale bereikbaarheid en doorstroming.»
Betekent dit dat de gelden uitgetrokken voor defensie onder punt 1 van de budgettaire tabel (Investering in NAVO-norm defensie 2,8% in 2030 en 3,5% in 2035) eventueel ook beschikbaar zijn voor infrastructuurprojecten die van fundamenteel belang zijn voor de activiteiten en inzetbaarheid van defensie?
Antwoord op vraag 226
Mogelijk moet de komende decennia infrastructuur worden aangepast zodat Defensie er gebruik van kan maken, naast de reguliere gebruiker van de infrastructuur zoals de automobilist of treinreiziger. Denk bijvoorbeeld aan het versterken van bruggen zodat tanks erover kunnen rijden. Hoe dual-use precies wordt vormgegeven en benut, gaat het kabinet de komende periode nader uitwerken.
De NAVO-norm voor de militaire uitgaven (3,5% norm in 2035) betreft voornamelijk uitgaven die ten goede komen aan het realiseren en onderhouden van militaire capaciteiten.[1] Daarnaast is sprake van 1,5% bbp aan bredere veiligheid en defensie-gerelateerde uitgaven. Deze 1,5% bbp uitgaven worden gevonden binnen de huidige begroting. Het is mogelijk dat infrastructuurprojecten die een faciliterende rol vervullen voor de krijgsmacht logischer hieronder geschaard kunnen worden.[2] De NAVO-lidstaten bepalen gezamenlijk welke uitgaven toegerekend kunnen worden aan de NAVO-norm.
[1] Een niet-uitputtende lijst van relevante uitgaven
t.b.v. de NAVO-norm is te raadplegen via Defence expenditures and NATO’s
5% commitment.
[2] Zie hiervoor ook de communiqué over de NAVO-top 2025 in
Den Haag via The Hague Summit Declaration.
Vraag 227
Vraag 227
Valt de bij het vijfde bolletje (onder het kopje infrastructuur en bereikbaarheid) genoemde 1 miljard euro voor investeringen «in andere grote (prioritaire) verkeersprojecten» onder de twee maal 750 miljoen aan prioritaire infrastructuurprojecten zoals opgenomen onder punt 9 van de budgettaire tabel?
Antwoord op vraag 227
Nee, dit budget valt daar niet onder. Zie ook antwoord vraag 55.
Vraag 228
Vraag 228
Is de tweemaal 750 miljoen euro zoals te vinden onder punt 9 van de tabel voldoende voor het voortzetten van alle van deze 17 projecten?
Antwoord op vraag 228
Nee, dit budget is daar niet voldoende voor. Aan de Kamer is in aanloop naar het NO MIRT gemeld dat hiervoor ten minste 4,7 miljard euro voor nodig is. De herstart van de 17 gepauzeerde projecten wordt betrokken bij de verdeling van alle middelen die dit kabinet investeert in infrastructuur. Zie ook antwoord vraag 55.
Vraag 229
Vraag 229
Uit de budgettaire tabel volgt dat de 500 miljoen euro structureel voor ‘beheer en onderhoud van infrastructuur en ontsluiting woningbouw’ pas vanaf 2036 beschikbaar is. En dat het incidenteel in de jaren 2031-2035 beschikbaar is. Betekent dit dat er gedurende de komende regeerperiode niet meer geïnvesteerd wordt in beheer en onderhoud dan al beschikbaar was, gezien de verder lege regel bij punt 8 van de budgettaire tabel?
Antwoord op vraag 229
Er zijn geen specifieke middelen gereserveerd in het coalitieakkoord voor beheer en onderhoud t/m 2030. De komende periode gaat het kabinet een verdeling maken van de middelen uit het coalitieakkoord. Zoals in het coalitieakkoord aangegeven, zal de onderhoudsopgave voorrang krijgen bij het toebedelen van de beschikbare middelen. Zie ook antwoord vraag 55.
Vraag 230
Vraag 230
Kunt u een overzicht verstrekken van de huidige hoogte van de Nederlandse vliegbelasting en havengelden in vergelijking met andere EU-lidstaten, inclusief een vergelijking met Duitsland?
Antwoord op vraag 230
SEO Economisch Onderzoek voert jaarlijks een benchmark naar luchthavengelden en overheidsheffingen uit in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. 20De benchmark geeft een indicatie van het niveau van de kosten voor luchtvaartmaatschappijen op Schiphol en twaalf belangrijke concurrerende luchthavens, waaronder de luchthavens van Frankfurt, München en Düsseldorf in Duitsland. De kosten bestaan uit luchthavengelden, Air Traffic Control (ATC-)heffingen en overheidsheffingen. Uit de benchmark van 2024 blijkt dat drie luchthavens een hoger prijsniveau hebben dan Schiphol. De luchthavens met een hoger prijspeil zijn Londen Heathrow, Frankfurt en Londen Gatwick. Negen luchthavens hebben een lager prijspeil. Deze benchmark heeft betrekking op 2024 en daarom is de voorgenomen verhoging van de luchthavengelden per april 2025 nog niet meegenomen. Of deze verhoging zal leiden tot een andere positie van Schiphol in de rangorde hangt ook af van de ontwikkeling van het prijspeil op de andere luchthavens en zal blijken uit de benchmark van 2025. De benchmark van 2025 wordt in het tweede kwartaal van 2026 met de Kamer gedeeld.
Hieronder vindt u een overzicht van de tarieven in de vliegbelasting in Nederland en andere Europese landen.
| Tabel 23 Tarieven vliegbelasting in Nederland en andere Europese landen | ||
|---|---|---|
| Land | Vormgeving | Tarief |
| Nederland (tot 1-1-2027) | Alle Original Destination (OD)-vluchten, per passagier: 30,25 euro | 30,25 euro |
| Nederland (per 1-1-2027, prijspeil 2026) | Korte afstand (bijlage A, tot ca. 2.000 km): Middellange afstand (bijlage B, ca. 2.000 km ‒ 5.500 km): Lange afstand (overig, vanaf ca. 5.500 km): |
30,25 euro 48,61 euro 72,91 euro |
| België1 | Korte afstand (≤500 km): Overig (>500km): |
10,00 euro 5,00 euro |
| Denemarken23 | Korte afstand (binnen Europa): Middellange afstand4: Lange afstand: |
4,02 euro 34,81 euro 42,84 euro |
| Duitsland5 | Korte afstand (tot 2.500 km): Middellange afstand (2.500 km ‒ 6.000 km): Lange afstand (>6.000 km): |
15,53 euro 39,34 euro 70,83 euro |
| Frankrijk | Standaardtarief Korte afstand (EU, EER of < 1.000 km): Middellange afstand (1.000 km ‒ 5.500 km): Lange afstand (>5.500 km): Tarief «met aanvullende diensten»6 Korte afstand (EU, EER of < 1.000 km): Middellange afstand (1.000 km ‒ 5.500 km): Lange afstand (>5.500 km): Tarief voor zakenvluchten met propellervliegtuigen Korte afstand (EU, EER of < 1.000 km): Middellange afstand (1.000 km ‒ 5.500 km): Lange afstand (>5.500 km): Tarief voor zakenvluchten met vliegtuigen met straalmotor Korte afstand (EU, EER of < 1.000 km): Middellange afstand (1.000 km ‒ 5.500 km): Lange afstand (>5.500 km): |
7,40 euro 15 euro 40 euro 30 euro 80 euro 120 euro 210 euro 675 euro 1.025 euro 420 euro 1.015 euro 2.100 euro |
| Italië | Chartervluchten (privévluchten) <100 km: 100 km - <1.500 km: ≥1.500 km: |
10 euro 100 euro 200 euro |
| Noorwegen7 | Binnen Europa: Buiten Europa: |
5,42 euro 31,11 euro |
| Oostenrijk | < 350 km: ≥ 350 km: |
30 euro 12 euro |
| Portugal | > 19 zitplaatsen: ≤ 19 zitplaatsen: Formule ≤ 19 zitplaatsen Totale belasting (niet per passagier) = TC * CP * S * (D+1) TC = Tarief van € 2 CP = Emissie coëfficiënt van 10 S = Maximum aantal zitplaatsen in het vliegtuig D = Afstand in km gedeeld door 1.000 en afgerond op de eerste decimaal |
2 euro zie formule |
| Verenigd Koninkrijk89 | Gereduceerd tarief voor laagste reisklasse Binnenlandse vluchten: Buitenland (tot 3.200 km): Buitenland (3.200 km ‒ 8.850 km): Buitenland (>8.850 km): Standaardtarief voor andere reisklassen Binnenlandse vluchten: Buitenland (tot 3.200 km): Buitenland (3.200 km ‒ 8.850 km): Buitenland (>8.850 km): Hoog tarief voor vliegtuigen met maximaal 19 passagiers én zwaarder dan 20 ton Binnenlandse vluchten: Buitenland (tot 3.200 km): Buitenland (3.200 ‒ 8.850 km): Buitenland (>8.850 km): |
8,03 euro 14,92 euro 103,28 euro 107,87 euro 16,07 euro 32,13 euro 247,87 euro 257,05 euro 96,39 euro 96,39 euro 742,46 euro 772,29 euro |
Het tarief van de vliegbelasting in België wordt (naar verwachting) per 1-1-2027 geharmoniseerd op 10 euro.
Deense Kroon - Euro wisselkoers van 17 februari 2026.
De tarieven van de vliegbelasting in Denemarken worden tot 2030 jaarlijks verhoogd naar tarieven per 2030 van 6,69, 41,50 en 54,88 euro.
De Deense vliegbelasting hanteert – net als Nederland per 1-1-2027 – bijlagen bij de wet waarin specifieke bestemmingen zijn opgenomen en noemt geen expliciete afstanden per categorie.
De tarieven van de vliegbelasting in Duitsland worden (naar verwachting) per 1-7-2026 verlaagd naar 12,48, 31,61 en 56,91 euro.
Dit tarief geldt wanneer de passagier zonder bijbetaling on-board services, die niet voor alle passagiers beschikbaar zijn (bijvoorbeeld lunch), krijgt, zonder bijbetaling.
Noorse Kroon - Euro wisselkoers van 17 februari 2026.
Great British Pounds - EUro wisselkoers van 17 februari 2026.
De tarieven van de vliegbelasting in het Verenigd Koninkrijk worden per 1-4-2026 verhoogd naar 9,18, 17,21, 117,05 en 121,64 euro (gereduceerd tarief), 18,36, 36,72, 280,00 en 290,33 euro (standaardtarief) en 162,95, 162,95, 1.258,85 en 1.309,34 euro (hoog tarief).
Vraag 231
Vraag 231
Welke analyse heeft u gemaakt van de effecten van de huidige nationale vliegbelasting en havengelden op de totale kosten van vliegen vanuit Nederland voor burgers en bedrijven?
Antwoord op vraag 231
Het is inherent aan een belasting dat deze de kostprijs van hetgeen dat wordt belast, namelijk vliegen, laat toenemen. Dit geldt ook voor de vliegbelasting. Wel geldt dat de vliegbelasting wordt geheven per vertrekkende passagier en niet per vliegticket. Hierdoor is het voor luchtvaartmaatschappijen mogelijk om de belastingdruk zelf te verdelen over verschillende vliegroutes en soorten tickets, bijvoorbeeld businessclass of economy class. Het kabinet heeft daarom geen inzicht in de daadwerkelijke allocatie van de vliegbelasting per vlucht, stoel of reisklasse en daarmee de exacte mate van kostenverhoging van vliegtickets door de vliegbelasting.
Wat betreft de differentiatie naar afstand van het tarief van de vliegbelasting per 2027 kan ik hierover het volgende zeggen. De effecten van deze maatregel zijn namelijk uitgebreid onderzocht door CE Delft.21In dit onderzoek is ook rekening gehouden met de vliegbelastingen en havengelden in andere Europese landen. Het onderzoek van CE Delft geeft inzicht in de effecten van de maatregel op de hoogte van de ticketprijzen. Het onderzoek laat zien dat de gemiddelde ticketprijzen voor korte vluchten naar verwachting zullen dalen met ongeveer 0,4%, en de ticketprijzen voor langere vluchten buiten de EU naar verwachting met 1% tot 2% zullen stijgen.Daarnaast komt uit het onderzoek naar voren dat de impact op aantallen vluchten en passagiers zeer beperkt is. Zo neemt het totaal aantal passagiers dat vliegt van een Nederlandse luchthaven naar verwachting slechts af met 0,2%.
Ongeveer een kwart van deze 0,2% kiest ervoor om uit te wijken naar een luchthaven over de grens, het merendeel kiest er echter voor om niet meer te vliegen of gebruik te maken van een andere vervoersmodaliteit. Het totaal aantal vluchten vanaf Nederlandse luchthavens blijft gelijk. De voornaamste reden hiervoor is de knellende capaciteit op het grootste deel van de Nederlandse luchthavens. Het kabinet verwacht gelet op het voorgaande dat de maatregel geen significante impact heeft op het vestigingsklimaat of de concurrentiepositie van Nederland. Tegelijkertijd is het kabinet zich wel bewust dat het voor de concurrentiepositie van de luchtvaart in Nederland en het belang van het bestemmingennetwerk voor de economie, belangrijk is dat er een level playing field is. Om deze reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat we inzetten op een Europese vliegbelasting. Uiteraard zullen de effecten van nationale vliegbelasting structureel gemonitord worden. Ook zal de vliegbelasting in zijn geheel worden geëvalueerd in 2030.
Vraag 232
Vraag 232
Is onderzocht wat de gevolgen zijn van een eventuele Europese geharmoniseerde vliegtaks voor de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van omringende landen?
Antwoord op vraag 232
De effecten van een geharmoniseerde Europese vliegbelasting zijn nog niet onderzocht. Deze effecten hangen namelijk af van de uiteindelijke vormgeving en maatvoering van de belasting. Het kabinet zet zich daarom in voor een geharmoniseerde Europese vliegbelasting, om zo een gelijk speelveld te creëren binnen de EU.
Vraag 233
Vraag 233
Kunt u aangeven wat de budgettaire gevolgen zouden zijn van een verlaging van de vliegbelasting tot het huidige niveau van Duitsland?
Antwoord op vraag 233
De Nederlandse vliegbelasting kent op dit moment een vlak tarief van 30,25 euro per vertrekkende passagier. De Duitse vliegbelasting kent daarentegen drie verschillende tarieven, afhankelijk van de gevlogen afstand. Per 1 januari 2027 wordt het tarief van de Nederlandse vliegbelasting eveneens afhankelijk van de gevlogen afstand en per 1 januari 2030 worden separate tarieven voor vliegtuigen met 19 of minder zitplaatsen geïmplementeerd. Nederland zal daarbij echter andere afstandscategorieën hanteren dan Duitsland.
Door het verschil in afbakening van de afstandsgrenzen is het lastig om nauwkeurig vast te stellen wat de budgettaire gevolgen zouden zijn van een aanpassing van de Nederlandse tarieven naar het Duitse tariefniveau. Voor een dergelijke aanpassing van de tarieven is daarom op korte termijn geen raming beschikbaar. Los van de budgettaire gevolgen zal het effect van een aanpassing van de Nederlandse tarieven naar het Duitse tariefniveau op bijvoorbeeld het aantal vliegbewegingen of passagiers naar verwachting beperkt zijn.
Vraag 234
Vraag 234
Kunt u toelichten welke financiële middelen binnen de huidige begroting beschikbaar zijn voor de opschaling van productie en bijmenging van Sustainable Aviation Fuel (SAF)? Indien hiervoor geen specifieke middelen zijn gereserveerd, op welke wijze wordt de uitvoering van de ambitie om de productie en bijmenging van SAF uit te breiden financieel ondersteund?
Antwoord op vraag 234
Om de productie van Sustainable Aviation Fuels (SAF) te bevorderen staat er tot en met 2030 circa 143 miljoen euro gereserveerd op de IenW begroting voor de maatregelen ‘Duurzame luchtvaartbrandstoffen’ (57 miljoen euro) en ‘Alcohol-to-Jet’ (86 miljoen euro). Deze middelen zijn afkomstig uit het klimaatfonds. De maatregel Alcohol to Jet (ATJ) ziet specifiek toe op het stimuleren van de productie van ATJ-brandstoffen. De maatregel duurzame luchtvaartbrandstoffen is bedoeld om de productie van SAF in den brede te stimuleren.
Vraag 235
Vraag 235
Op welke manier is invulling gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport-Wennink22 met betrekking tot de stimulering van SAF-productie in Nederland?
Antwoord op vraag 235
Het rapport Wennink beveelt aan om de opbrengsten van de vliegbelasting in zetten om het gebruik en de productie van duurzame luchtvaartbrandstoffen te stimuleren. Zoals in het Coalitieakkoord staat opgenomen zet Nederland zich samen met de sector in op het uitbreiden van bijmenging van duurzame vliegtuigbrandstof en het stimuleren van de productie van Sustainable Aviation Fuels in Nederland. Vanuit het coalitieakkoord worden hier geen extra middelen voor vrijgemaakt.
Vraag 236
Vraag 236
Welke instrumenten (bijvoorbeeld fiscale maatregelen, subsidies, garanties of publiek-private samenwerkingen) worden ingezet of overwogen om investeringen in SAF te bevorderen?
Antwoord op vraag 236
Om de productie van SAF te bevorderen staat tot en met 2030 circa 143 miljoen euro gereserveerd op de IenW begroting voor de subsidiemaatregelen ‘Duurzame luchtvaartbrandstoffen’ en ‘Alcohol-to-Jet’. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 234.
Vraag 237
Vraag 237
Kunt u een overzicht verstrekken van de verwachte financiële consequenties van:
het vastleggen van 478.000 vliegbewegingen in het luchthavenverkeersbesluit;
de uitvoering van de Balanced Approach-procedure;
de beoogde geluidsreductie in de nachtperiode, inclusief de nachtsluiting tussen 00.00 en 05.00 uur; en
de reductiedoelstelling voor CO₂-uitstoot in 2030 ten opzichte van 2024?
Antwoord op vraag 237
De financiële consequenties zijn afhankelijk van welke maatregelen uit de nieuwe Balanced Approach-procedure met deze doelstellingen volgen en hoe deze geïmplementeerd kunnen worden. De Balanced Approach-procedure brengt een inventarisatie van maatregelen en hun impact en kosteneffectiviteit met zich mee. De kosten zijn sterk afhankelijk van de aard van een maatregel en de termijn waarop de maatregel genomen moet worden. Dit is momenteel nog niet uitgewerkt. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om uitspraken te doen over de verwachte kosten.
Vraag 238
Vraag 238
Welke kosten worden verwacht voor Schiphol, luchtvaartmaatschappijen, de rijksoverheid en eventuele andere betrokken partijen?
Antwoord op vraag 238
Zie antwoord op vraag 237.
Vraag 239
Vraag 239
Hoe verhouden deze kosten zich tot de gereserveerde middelen, waaronder het omgevingsfonds van 50 miljoen euro?
Antwoord op vraag 239
Deze vergelijking is nu niet te maken, zie vraag 237. De kosten staan los van het omgevingsfonds Schiphol. Dat is een fonds dat is gefinancierd door Schiphol met als doel de verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving van de Schipholregio in de brede zin. Het is geen onderdeel van de Rijksbegroting.
Vraag 240
Vraag 240
Wat is de reden dat de financiële consequenties van deze beleidsvoornemens niet afzonderlijk zijn opgenomen in de budgettaire bijlage?
Antwoord op vraag 240
De financiële consequenties zijn sterk afhankelijk van welke maatregelen uit de nieuwe Balanced Approach-procedure met deze doelstellingen volgen en hoe deze geïmplementeerd kunnen worden. Daarmee is het niet goed mogelijk hier nu exacte bedragen voor op te nemen.
Vraag 241
Vraag 241
Waaruit blijkt dat het kabinet geen rekening doorschuift naar de toekomst en wat is er nodig om te borgen dat de voorgenomen incidentele middelen op bijvoorbeeld klimaat en energie incidenteel blijven en niet structureel worden?
Antwoord op vraag 241
Het kabinet vindt het belangrijk dat de overheidsfinanciën op orde blijven en dat er geen rekeningen worden doorgeschoven naar de toekomst. Houdbare overheidsfinanciën zijn immers een belangrijke randvoorwaarde voor de brede welvaart van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord wordt het begrotingstekort aan het einde van de kabinetsperiode (ex ante) geraamd op 2,1% in 2030. Dit is gelijk aan de stand Miljoenennota, waarmee er geen additionele rekeningen worden doorgeschoven naar toekomstige generaties.
De voorgenomen incidentele middelen blijven incidenteel in de begroting staan, tenzij expliciet wordt besloten om deze structureel te maken.
Vraag 242
Vraag 242
Wat wordt de handelwijze van het kabinet indien parlementaire besluiten niet in lijn zijn met de begrotingsregels?
Antwoord op vraag 242
De begrotingsregels zorgen voor gezonde overheidsfinanciën en voorkomen het doorschuiven van rekeningen naar toekomstige generaties. Dit is belangrijk voor macro-economische stabiliteit en zorgt voor een goed investeringsklimaat. Onderdeel van de begrotingsregels zijn het inkomsten- en uitgavenkader, die zorgen dat de overheidsfinanciën beheersbaar blijven en dat eventuele nieuwe wensen voorzien moeten worden van deugdelijke financiële dekking. Hier invulling aan geven ziet het kabinet als een gezamenlijke opgave met het parlement.
Vraag 243
Vraag 243
Zullen de begrotingsregels zelfstandig als beoordelingskader dienen bij het ontraden van amendementen?
Antwoord op vraag 243
Bij het indienen van amendementen met budgettaire gevolgen zal het kabinet toetsen op deugdelijke dekking. Indien een amendement in strijd is met de begrotingsregels zal het kabinet dit in het oordeel verwerken. In het oordeel van het kabinet worden daarnaast ook inhoudelijke beleidsdoelstellingen en uitvoerbaarheid meegewogen.
Vraag 244
Vraag 244
Hoe gaat het kabinet om met parlementaire besluiten die het vooraf vastgestelde uitgaven- of inkomstenkader overschrijden?
Antwoord op vraag 244
Zie vraag 242.
Vraag 245
Vraag 245
Hoe gaat het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar er concreet uitzien, hoe en wanneer wordt de Kamer bij de keuzes betrokken en wat betekent dit voor de publicatie van de Miljoenennota en het Belastingplan?
Antwoord op vraag 245
Zoals beschreven in het Coalitieakkoord is er één hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar. In het hoofdbesluitvormingsmoment wordt een integrale afweging gemaakt van alle meevallers, tegenvallers en beleidswensen. Middels de Voorjaarsnota en het Voorjaarsnotadebat wordt de Kamer hierbij betrokken. De koopkrachtbesluitvorming en het definitief sluiten van het inkomstenkader wordt in augustus gedaan en verwerkt in de miljoenennota.
De Miljoenennota en het Belastingplan worden zoals elk jaar op Prinsjesdag aangeboden aan het parlement waarna hierover in debat wordt gegaan met de Kamer.
Vraag 246
Vraag 246
Hoe wordt het budgetrecht van de Kamer geborgd bij de instelling van fondsen?
Antwoord op vraag 246
Artikel 2.11 van de Comptabiliteitswet regelt dat de instelling van begrotingsfondsen middels een instellingswet geschiedt. Nadat de instellingswet door het parlement is aangenomen wordt jaarlijks de ontwerpbegroting van een begrotingsfonds, zoals het Defensiematerieelbegrotingsfonds, gelijk aan departementale begrotingen als begrotingswet ingediend en ter autorisatie voorgelegd aan het parlement. Middels suppletoire begrotingen worden bijstellingen gedurende het jaar ter autorisatie aan het parlement voorgelegd.
Vraag 247
Vraag 247
Welke lessen worden meegenomen van eerdere fondsen bij de instelling van de nieuwe begrotingsfondsen en het opstellen van de bestedingsplannen daarbij?
Antwoord op vraag 247
Bij het instellen van nieuwe begrotingsfondsen en het opstellen van bestedingsplannen worden de uitkomsten van reeds uitgevoerde evaluaties, zoals die van het Nationaal Groeifonds23, meegenomen.
Vraag 248
Vraag 248
Hoeveel jaar moet het EMU-saldo zich onder het geadviseerde tekort van de Studiegroep Begrotingsruimte (-2,0% bbp) bevinden voordat de meevallerformule in werking treedt?
Antwoord op vraag 248
De meevallerformule treedt in werking indien meevallers structureel van aard zijn én het EMU-saldo zich meerjarig onder het geadviseerde tekort van de SBR (-2,0%) bevindt. De meevallerformule zal in werking treden als het EMU-saldo in de raming van het kabinet gedurende alle jaren waarvoor een raming beschikbaar is, beter is dan ‒ 2% bbp.
Vraag 249
Vraag 249
Hoe realistisch acht u het dat het EMU-saldo gedurende deze kabinetsperiode meerjarig onder de grens van ‒ 2,0% bbp komt, zodat de meevallerformule kan worden toegepast?
Antwoord op vraag 249
Zoals in het coalitieakkoord staat toegelicht komt het begrotingstekort aan het einde van de kabinetsperiode ex ante uit op 2,1% bbp (ten opzichte van stand Miljoenennota 2026). Indien gedurende de kabinetsperiode aanzienlijke financiële of economische meevallers plaatsvinden is het mogelijk dat het EMU-saldo meerjarig uitkomt onder de grens van ‒ 2%. Het is niet te zeggen hoe groot de kans is op een dergelijk scenario.
Vraag 250
Vraag 250
Hoe wordt de Kamer meegenomen bij de herbestemming van per saldo meevallers en wat is de rol van de Kamer bij deze herbestemming van mede-budgetverantwoordelijke?
Antwoord op vraag 250
Volgens de begrotingsregels en het trendmatig begrotingsbeleid worden alle mee- en tegenvallers in het voorjaar bij elkaar genomen en integraal gewogen. De uitkomsten van de integrale besluitvorming presenteert het kabinet in de Voorjaarsnota. Dit vormt dan de basis voor het gesprek met het parlement. Middels de (suppletoire) begrotingen worden de uitkomsten ter autorisatie voorgelegd aan het parlement.
Vraag 251
Vraag 251
Wat is het geraamde effect op de Nederlandse netto-betalingspositie, indien de nationale korting op de EU-afdrachten niet behouden blijft?
Antwoord op vraag 251
Afschaffing van het correctiemechanisme op de bni-afdracht (bni-korting) verslechtert de Nederlandse netto-betalingspositie naar verwachting jaarlijks met circa 0,15 procentpunt van het geraamde gemiddelde Nederlandse bni over de looptijd van het volgende MFK. Het geraamde negatieve netto effect hiervan bedraagt gemiddeld circa 2 mld. euro per jaar.
Vraag 252
Vraag 252
Wat is het financiële risico voor Nederland indien lidstaten structureel afwijken van het Stabiliteits- en Groeipact en sancties uitblijven, en hoe wordt dit risico meegenomen in de begrotingsramingen?
Antwoord op vraag 252
Indien een land zijn tekort en schuld onvoldoende beheerst, kunnen er zorgen ontstaan over de houdbaarheid van de schuld en kan de rente op de schuld oplopen. Dit kan zich tevens vertalen in hogere rentes voor landen die daar financieel-economisch mee verweven zijn. Als de zorgen over de houdbaarheid van de schuld toenemen kan een land uiteindelijk in acute financieringsproblemen komen, wat negatieve spillovers elders in de EU kan veroorzaken. Mede om dit scenario te voorkomen hebben lidstaten in de Europese Unie (EU) afspraken gemaakt over de coördinatie van hun economisch en begrotingsbeleid, zoals vastgelegd in o.a. het Stabiliteits- en groeipact (SGP). Als lidstaten structureel afwijken van de eisen van het SGP zullen de hierboven beschreven financiële risico’s niet direct materialiseren, maar wel toenemen. De afspraken over de handhaving van het SGP zijn erop gericht het begrotingsbeleid van lidstaten tijdig weer op het goede pad te brengen, door onder ander het formuleren van een correctief uitgavenpad en verscherpt toezicht. Sancties vormen daarbij een van de instrumenten.
De begrotingsramingen houden geen rekening met potentiële financiële risico’s die zich kunnen voordoen indien landen in de EU structureel afwijken van de regels van het SGP. Risico’s rondom de euro, Europese schulden en uitstaande garanties worden wel jaarlijks geanalyseerd bij de Miljoenennota.
Vraag 253
Vraag 253
Welke maatregelen is Nederland bereid te steunen of te initiëren, indien lidstaten zich niet houden aan de grenswaarden van het Stabiliteits- en Groeipact?
Antwoord op vraag 253
Het Stabiliteits- en Groeipact omvat verschillende maatregelen die kunnen worden getroffen als een lidstaat zich niet aan de grenswaarden houdt. Daarbij heeft de Commissie het recht van initiatief om voorstellen te doen. Deze voorstellen worden verondersteld te worden aangenomen door de Raad, tenzij een gekwalificeerde meerderheid van lidstaten zich tegen het Commissievoorstel uitspreekt. De Commissie kan om te beginnen onderzoek doen naar de aanwezigheid van een buitensporig tekort als het begrotingstekort de referentiewaarde van 3% overschrijdt, of als de overheidsschuld de referentiewaarde van 60% overschrijdt én de afwijkingen van het netto uitgavenpad de jaarlijkse en/of cumulatieve drempelwaarden overschrijden. De Raad kan vervolgens op voorspraak van de Commissie vaststellen dat er sprake is van een buitensporig tekort, waarna een lidstaat in een buitensporigtekortprocedure komt. Lidstaten in een buitensporigtekortprocedure staan onder verscherpt toezicht en worden aangespoord door de Raad om maatregelen te nemen om het buitensporig tekort te corrigeren. Indien een lidstaat van de eurozone vervolgens herhaaldelijk verzuimt de aanbevelingen van de Raad op te volgen, kan de Raad de lidstaat aanmanen om binnen een bepaalde termijn maatregelen te nemen om het tekort te verminderen. Blijft naleving uit, dan kan de Raad op voorspraak van de Commissie de volgende maatregelen opleggen of intensiveren: (1) verplichting tot openbaarmaking van door de Raad vastgestelde financiële informatie; (2) herziening van het kredietbeleid van de Europese Investeringsbank voor de betreffende lidstaat; (3) aanhouden van een niet-rentedragend bedrag bij de EU; of (4) oplegging van passende boetes. Bovendien kan de Commissie een voorstel doen aan de Raad voor het opschorten van EU-middelen wanneer een lidstaat herhaaldelijk geen effectieve actie onderneemt om een buitensporig tekort te corrigeren, de zogenoemde macro-economische conditionaliteit. Indien de Commissie voorstellen doet voor de hiervoor beschreven maatregelen op basis van de gronden die het SGP hiervoor biedt, is Nederland in algemene zin bereid deze te steunen.
Vraag 254
Vraag 254
Wat wordt bedoeld met deze zin "De uitvoering van toeslagen onder de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) brengen, zodat tussen uitvoeringsinstanties gegevens kunnen worden uitgewisseld en dienstverlening kan worden verbeterd"? Gaat de uitvoering van de toeslagen dan naar UWV? Of alleen verwijzing in de wet zodat gegevens makkelijker uitgewisseld kunnen worden?
Antwoord op vraag 254
In het coalitieakkoord staat opgenomen dat het kabinet wil inzetten op betere uitwisseling van gegevens en verbetering van dienstverlening. De precieze invulling hiervan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Het is niet beoogd om de uitvoering van toeslagen bij het UWV onder te brengen. Wel is het wenselijk te werken naar meer uniforme regelgeving op het gebied van gegevensdeling tussen partijen in de SUWI keten en Dienst Toeslagen, maar ook tussen SUWI-partijen onderling. Daarin kunnen wijzigingen in zowel de wet SUWI als de AWIR wenselijk zijn.
Vraag 255
Vraag 255
Welke middelen zijn geraamd voor het afronden van de modernisering van het ICT-landschap binnen de Belastingdienst en Dienst Toeslagen?
Antwoord op vraag 255
De modernisering van het ICT-landschap wordt voortgezet binnen de hiervoor beschikbare middelen op de Financiënbegroting en is een doorlopend traject. Voor 2026 is circa 100 miljoen euro beschikbaar. Initiatieven worden als 'essentiële modernisering’ geclassificeerd wanneer de modernisering gericht is op het technisch op orde brengen van de basis en uitstel ervan leidt tot ernstige continuïteitsrisico’s. Door het Life Cycle Management (LCM) goed in te regelen en systemen planmatig te onderhouden zorgt de Belastingdienst ervoor dat een langdurig moderniseringstraject in de toekomst niet meer nodig is. Uw Kamer wordt halfjaarlijks op de hoogte gehouden van het vorderen van deze werkzaamheden middels de ‘stand van zakenbrief’[1]
[1]Kamerbrief over stand van zaken Belastingdienst | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl
Vraag 256
Vraag 256
Wat is de projectie van de schuld en het saldo na 2030? Graag hierbij alle jaartallen tot en met 2060 weergeven.
Antwoord op vraag 256
Voor de ontwikkeling van de overheidsfinanciën na de begrotingshorizon vaart het kabinet op cijfers van het Centraal Planbureau (CPB). Op vrijdag 20 februari heeft het CPB een doorrekening van het coalitieakkoord gepresenteerd, inclusief een doorkijk naar de schuld in 2060. In deze doorrekening raamt het CPB een schuldquote van 137% bbp in 2060.
Vraag 257
Vraag 257
Kan worden toegelicht hoeveel van de beoogde 1 miljard euro (Kamerstuk 26 643, nr. 1435) die nodig is voor de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is ingeboekt?
Antwoord op vraag 257
Er zijn in het coalitieakkoord geen middelen gereserveerd voor de Nederlandse Digitaliseringsstrategie. Het is nog niet duidelijk in hoeverre de Nederlandse Digitaliseringsstrategie uit bestaande middelen gefinancierd kan worden.
Vraag 258
Vraag 258
Welk jaar geldt in de budgettaire tabel als structureel niveau voor de gepresenteerde maatregelen?
Antwoord op vraag 258
Maatregelen kennen verschillende ingroeipaden. Na het ingroeipad worden de maatregelen structureel verondersteld.
Vraag 259
Vraag 259
Waarom is voor de verlenging van de accijnskorting op benzine geen structurele dekking opgenomen?
Antwoord op vraag 259
De maatregelen uit het Coalitieakkoord zijn als geheel besloten. Daarmee is er geen specifieke dekking voor individuele maatregelen. Daarbij geldt dat de verlenging van de accijnskorting op benzine geen structurele maatregel is. De korting loopt tot en met 2027.
Vraag 260
Vraag 260
Wat is het tarief van de suikertaks voor producenten en wat is het geraamde effect daarvan op de prijzen van boodschappen voor consumenten?
Antwoord op vraag 260
Zie antwoord op vraag 72.
Vraag 261
Vraag 261
Kunt u voor de ‘envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven’ aangeven of hier overlap zit met IKC?
Antwoord op vraag 261
In het coalitieakkoord zijn van 2026 tot en met 2035 middelen gereserveerd voor de Indirecte kostencompensatie (IKC). De IKC is een subsidie voor een deel van de energie-intensieve industrie. Daarnaast is in het coalitieakkoord een envelop gereserveerd voor tegemoetkoming van de elektriciteitsprijzen van 2028 tot en met 2035. De envelop zal worden ingezet voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis) industrie die veel elektriciteit verbruikt. Doel van de envelop is het creëren van een meer gelijk speelveld in het belang van strategische autonomie. Er zit overlap in het beleidsdoel: zowel de IKC als de envelop worden gericht op het verlagen van de elektriciteitsprijs van de energie-intensieve industrie. De envelop kan echter niet worden besteed aan een ophoging van het IKC-budget, aangezien hier een maximum aan zit dat is vastgesteld door de Europese Commissie.
Vraag 262
Vraag 262
Met betrekking tot punt 44: op basis van welke criteria is bij de opbrengstenraming bepaald welke huishoudens geacht worden zelf hun huishoudelijke hulp te kunnen betalen?
Antwoord op vraag 262
De maatregel ‘Huishoudelijke Hulp uit de Wmo inclusief vangnet’ wordt de komende tijd verder uitgewerkt. De vormgeving van het vangnet is daarom nog niet bekend.
Vraag 263
Vraag 263
Is voorzien in aanvullende rijksmiddelen, indien de zorgvraag binnen het vangnet hoger uitvalt dan geraamd, en zo nee, waarom wordt dit risico bij gemeenten belegd?
Antwoord op vraag 263
In het coalitieakkoord is opgenomen dat voor de mensen die niet zelf huishoudelijke hulp kunnen regelen, de gemeente daarin blijft voorzien, waarbij geldt dat de beoogde besparing taakstellend is. De maatregel inclusief vangnet wordt de komende tijd nader uitgewerkt.
Vraag 264
Vraag 264
Hoe verhoudt de voorgenomen verlaging van de beschikbaarheidsbijdrage voor vervolgopleidingen van medisch specialisten zich tot de bestaande en verwachte personeelstekorten in de zorg? Wat is het geraamde effect van deze verlaging op de opleidingscapaciteit per jaar?
Antwoord op vraag 264
Het is afhankelijk van de nadere vormgeving van de maatregel of deze gevolgen heeft voor het aantal medisch specialisten dat wordt opgeleid.
Vraag 265
Vraag 265
Waarop is de reservering van 500 miljoen euro voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie gebaseerd?
Antwoord op vraag 265
In het coalitieakkoord is 500 miljoen euro (niet-saldorelevant) gereserveerd voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie. Het kabinet zal dit uitwerken en vervolgens de Kamer hierover informeren.
Vraag 266
Vraag 266
Op welk tijdspad (wanneer welke tenders en opleveringen; met hoeveel geld en GW per keer) zijn de reeksen Wind op Zee gebaseerd?
Antwoord op vraag 266
Er zijn investeringsmiddelen vrijgemaakt voor het behalen van 40GigaWat (GW) wind op zee, met name voor investering via Contracts for Difference (CfD). Het kabinet zal dit uitwerken en vervolgens de Kamer hierover informeren.
Vraag 267
Vraag 267
Op welke manier wordt het overgangsrecht vormgegeven bij de maatregel WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV)? Voor welke groepen gaat deze maatregel gelden? Geldt deze maatregel alleen voor nieuwe gevallen of ook voor lopende uitkeringen?
Antwoord op vraag 267
Deze maatregel gaat alleen gelden voor nieuwe instroom in de IVA. Mensen die op het moment van invoering al een IVA-uitkeringen ontvangen, behouden hun recht. De exacte vormgeving van deze maatregel moet nog verder uitgewerkt worden.
Vraag 268
Op welke manier wordt het overgangsrecht vormgegeven bij de maatregel Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029? Voor welke groepen gaat deze maatregel gelden? Geldt deze maatregel alleen voor nieuwe gevallen of ook voor lopende uitkeringen
Antwoord op vraag 268
Het verlagen van het maximumdagloon met 20% per 2029, zoals opgenomen in het coalitieakkoord, geldt zowel voor het zittend bestand als nieuwe instroom. Bij de uitwerking ervan zal nader ingegaan worden op de gevolgen voor verschillende groepen.
Vraag 269
Vraag 269
Wanneer treedt de maatregel «WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV)» in werking? Wanneer moet de wetgeving hiervoor aangepast worden?
Antwoord op vraag 269
In de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord is opgenomen dat deze maatregel per 2030 in werking treedt. De IVA-uitkering vervalt vanaf dan voor nieuwe aanvragen. Om invoering per 2030 mogelijk te maken moet de wetgeving uiterlijk voor januari 2028 aangepast zijn. Voor taakherschikking wordt uitgegaan van inwerkingtreding per 2028. Bij de uitwerking wordt onderzocht wat hiervoor nodig is, ook qua aanpassing van wet- en regelgeving en op welke termijn dat kan. Voor de zomer wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Vraag 270
Vraag 270
Wanneer moet de wetgeving aangepast worden zodat de maatregel «Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029» in 2029 in werking kan treden?
Antwoord op vraag 270
In de budgettaire bijlage bij het coalitieakkoord is opgenomen dat deze maatregel per 2029 in werking treedt. Met deze maatregel wordt het maximum dagloon voor alle relevante uitkeringsregelingen verlaagd met 20% (nieuwe en bestaande gevallen). Om invoering per 2029 mogelijk te maken moet de wetgeving uiterlijk voor januari 2028 aangepast zijn
Vraag 271
Vraag 271
Klopt het dat de maatregel om de IVA af te schaffen uit de budgettaire tabel (nr. 54) correspondeert met fiche 1, 2 en 3 uit het IBO WIA, zowel als het gaat om het budget als het gaat om de vormgeving van de maatregel? Zitten hier ook nog andere fiches uit IBO WIA in?
Antwoord op vraag 271
Het klopt dat de maatregel om de IVA af te schaffen uit de budgettaire tabel correspondeert met fiche 1,2 en 3 uit het Interdepartementaal onderzoek (IBO) naar de WIA. Er zitten verder geen andere fiches uit het IBO WIA in deze maatregel uit de budgettaire tabel.
Vraag 272
Vraag 272
Wat is het verschil tussen maatregel Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding (nr. 55) in de budgettaire bijlage en fiche 28 uit de ombuigingslijst 2025?
Antwoord op vraag 272
Verschillen in geraamde budgettaire gevolgen zijn met name het gevolg van bijstellingen van de geraamde uitgaven aan de CRTV op basis van uitvoeringsinformatie, die zich hebben voorgedaan in de periode tussen de ramingsmomenten van de genoemde stukken.
Vraag 273
Vraag 273
Zit in het budgettaire beslag van de maatregel Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding (nr. 55) ook al de wet 'Wetsvoorstel voor beperken compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag door langdurige arbeidsongeschiktheid'?
Antwoord op vraag 273
Bij de raming van de maatregel Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding (nr. 55) is rekening gehouden met het feit dat de voorgenomen beperking tot kleine werkgevers van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag door langdurige arbeidsongeschiktheid al onderdeel is van de begroting.
Vraag 274
Vraag 274
Wordt de wet «Wetsvoorstel voor beperken compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag door langdurige arbeidsongeschiktheid» aangehouden en gewijzigd zodat maatregel Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding (nr. 55) in de budgettaire bijlage hierin ook wordt meegenomen? Is hier al besluitvorming over geweest?
Antwoord op vraag 274
Bij de raming van de maatregel Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding (nr. 55) is rekening gehouden met de voorgenomen beperking tot kleine werkgevers van de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag door langdurige arbeidsongeschiktheid. Het exacte wetgevingstraject dat voor deze maatregel zal worden voorgesteld, is nog niet bekend.
Vraag 275
Vraag 275
Klopt het dat de maatregel Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 (nr. 56) correspondeert met fiche 19 uit het IBO WIA (tweemaal deze hoogte), zowel als het gaat om het budget als om de vormgeving van de maatregel? Wat is het gevolg als dit fiche twee keer zo sterk wordt toegepast?
Antwoord op vraag 275
Ja, de maatregel «verlaging maximumdagloon met 20% per 2029» (nr. 56) sluit qua vormgeving aan bij fiche 19 uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIA. Het verschil is dat fiche 19 uitgaat van een verlaging van 10%, terwijl de maatregel in het coalitieakkoord een verlaging van 20% betreft.
Een verlaging met 20% in plaats van 10% betekent dat de effecten groter zijn voor mensen met een inkomen rondom of boven het huidige maximum dagloon, en dat aanzienlijk meer mensen geraakt worden door de verlaging. Hierdoor worden de inkomenseffecten groter en vallen meer mensen onder het (nieuwe) maximumdagloon. Dit betreft personen met een uitkering op grond van de WIA, WAO, WW, WAZO, WIEG en WBO die boven of rond het maximumdagloon zitten, alsook mensen met een loondoorbetaling bij ziekte. Ten aanzien van de verlofregelingen geldt dat indien het loon van de werknemer boven het nieuwe maximumdagloon uitkomt, kan de vergoeding lager zal uitvallen. In cao’s kunnen afspraken worden gemaakt voor aanvullingen op deze uitkering.
Omdat het maximum premieloon mee daalt met het maximumdagloon, betalen werkgevers minder premie over inkomens boven het nieuwe maximum dagloon.
Vraag 276
Vraag 276
Klopt het dat de maatregel Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 (nr. 56) zowel gaat om de IVA, WGA, WAO, WW, ZW WAZO, WIEG en WBO uitkeringen? Wat betekent dit concreet voor mensen die deze uitkering ontvangen? Klopt het dat de vergoeding bij verlof daalt?
Antwoord op vraag 276
Zie antwoord 275.
Vraag 277
Vraag 277
Op welke manier wordt het overgangsrecht vormgegeven bij de maatregel "Duurverkorting 12 maanden. Aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden"? (nr. 57)? Voor welke groepen gaat deze maatregel gelden? Geldt deze maatregel alleen voor nieuwe gevallen of ook voor lopende uitkeringen? Of verschilt dit per onderdeel?
Antwoord op vraag 277
De wijzigingen van de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering gelden alleen voor mensen die na de datum van inwerkingtreding nieuw een uitkering ontvangen. Rechten die voor de datum van inwerkingtreding zijn ontstaan worden niet gewijzigd. Dat zou betekenen dat per 1 januari 2028 de maximale WW-duur voor nieuwe gerechtigden 12 maanden is. Per 1 januari 2030 zou dan de aangescherpte referte-eis, vertraagde opbouw en 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden gaan gelden voor nieuwe WW-uitkeringen. Alle wijzigingen vergen een wetswijziging. De wetstrajecten moeten voor de ingangsdatum zijn afgerond.
Vraag 278
Vraag 278
Wanneer treedt de maatregel "Duurverkorting 12 maanden. Aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden"? (nr. 57) in werking? Wanneer moet de wetgeving hiervoor aangepast worden?
Antwoord op vraag 278
Zie het antwoord op vraag 277.
Vraag 279
Vraag 279
Klopt het dat de maatregel "Duurverkorting 12 maanden. Aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden"? (nr. 57) correspondeert met fiches 5 (met andere uitkeringshoogtes), 6 en 7 uit de ombuigingslijst 2025, zowel als het gaat om het budget als het gaat om de vormgeving van de maatregel?
Antwoord op vraag 279
Het pakket WW-maatregelen correspondeert met maatregelen 4, 6, en 7 op de ombuigingslijst. Het verhogen van de uitkeringshoogte in de eerste twee maanden is niet in de ombuigingslijst opgenomen. De vormgeving van de maatregelen in het coalitieakkoord wijkt af van vormgeving van de maatregelen op de ombuigingslijst. De budgettaire effecten wijken daarmee ook af.
Voor de maatregelen op de ombuigingslijst gelden andere inwerkingtredingsdatums dan in het coalitieakkoord. Daarnaast geldt bij alle wijzigingen van de WW uit het coalitieakkoord dat deze wijzigingen doorwerken op de loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) uitkering. Dit is in de budgettaire effecten op de ombuigingslijst niet meegenomen.
Voor de maatregel uit het coalitieakkoord wordt de maximale WW-duur in één keer verkort naar 12 maanden. In de ombuigingslijst staat een variant hierop waarbij de maximale WW-duur getrapt wordt afgebouwd.
Bij maatregel 6 van de ombuigingslijst wordt de vertraagde opbouw van WW-rechten enkel toegepast op de nieuw gewerkte jaren na inwerkingtreding van de maatregel. Bij maatregel 57 uit het coalitieakkoord geldt de systematiek van vertraagde opbouw ook voor eerder gewerkte jaren.
Tot slot omvat het budgettaire effect in het coalitieakkoord ook het interactie-effect tussen de verschillende WW-maatregelen.
Vraag 280
Vraag 280
Kunt u het budgettair beslag van de maatregel «Duurverkorting 12 maanden. Aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden» (nr. 57) uitsplitsen naar de verschillende onderdelen (duurverkorting doorwerking WW, duurverkorting doorwerking WGA, aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte) en daar zo nodig ook een los interactie-effect bij opnemen?
Antwoord op vraag 280
De tabel hieronder geeft de budgettaire effecten van de verschillende maatregelen weer als deze afzonderlijk van elkaar zouden worden ingevoerd. De reeks voor het interactie-effect geeft het verschil weer als alle maatregelen samen doorgevoerd worden om te komen tot het budgettaire effect dat is opgenomen in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord.
Voor alle maatregelen geldt dat ze van toepassing zijn op de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering. In onderstaande tabel zijn daarom de totale budgettaire effecten van een maatregel opgenomen (inclusief hogere uitgaven aan de bijstand, effect op de Toeslagenwet en lagere uitvoeringskosten doordat het aantal WW-uitkeringen afneemt).
| Tabel 24 Budgettaire effecten maatregelen WW hervorming | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Budgettaire effecten in mln. € | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | Structureel (2033) |
| 80% uitkeringshoogte eerste twee maanden | 0 | 0 | 0 | 0 | 83 | 91 |
| Duurverkorting 12 maanden | 0 | 0 | 0 | ‒ 531 | ‒ 711 | ‒ 722 |
| Vertraagde opbouw | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 83 | ‒ 463 |
| Aanscherpen referte-eis | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 287 | ‒ 541 |
| Reservering extra uitvoeringskosten UWV | 0 | 0 | 5 | 5 | 2 | 2 |
| Interactie tussen maatregelen | 0 | 0 | 0 | 0 | 6 | 313 |
| Totaal effect | 0 | 0 | 5 | ‒ 526 | ‒ 991 | ‒ 1.320 |
Vraag 281
Vraag 281
Wat is de definitie van «bedrijven» in «vrijheidsbijdrage voor bedrijven» (nr. 6)?
Antwoord op vraag 281
De vrijheidsbijdrage voor bedrijven is ingevuld als taakstellende verhoging van de aof-premie (met dezelfde verhouding tussen het lage en hoge tarief). Over de invulling zal overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties mede in het licht van het vestigingsklimaat. Voor de aof-premie geldt dat deze wordt betaald door werkgevers (inclusief overheid).
Vraag 282
Vraag 282
Klopt het dat de voorgenomen vrijheidsbijdrage voor bedrijven werknemers duurder maakt ten opzichte van ZZP’ers? Hoe groot is dit verschil gemiddeld per werknemer en in totaal?
Antwoord op vraag 282
Dat klopt. De vrijheidsbijdrage voor bedrijven is ingevuld als taakstellende verhoging van de aof-premie. Over de invulling zal overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties mede in het licht van het vestigingsklimaat. Als de vrijheidsbijdrage wordt ingevuld als verhoging van de werkgeverspremies dan worden werknemers relatief duurder ten opzichte van niet-werknemers. De Aof-premie zou ongeveer 0,44 procentpunt moeten stijgen om het structurele bedrag van 1,7 miljard euro op te halen. UWV raamt voor 2026 een gemiddelde loonsom van 43.300 per werknemer. De premiestijging is dus ongeveer 195 euro per werknemer. In totaal gaat het voor bedrijven om een lastenverzwaring van ongeveer 0,3 procent van hun totale loonkosten (zie antwoord 63).
Vraag 283
Vraag 283
Klopt het dat het verhogen van de AOF-premie ervoor zorgt dat werknemers met een inkomen onder het maximum premieloon relatief duurder worden t.o.v. werknemers met een inkomen boven het maximum premieloon?
Antwoord op vraag 283
Dat klopt.
Vraag 284
Vraag 284
Wat zijn de meest recente cijfers waarmee u rekent ten aanzien van de MPP-raming, de incidentele meerkosten voor crisisnoodopvang en de kosten van het solidariteitsmechanisme?
Antwoord op vraag 284
Op 26 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de Meerjaren Productie Prognose (MPP) 202524. Dit is de meest recente MPP die gepubliceerd is. Het kabinet heeft gekozen om op de aanvullende post middelen te reserveren voor asiel ter hoogte van 2,6 miljard euro in 2027 aflopend naar 2,1 miljard euro in 2030. Hierbij wordt aangesloten bij het basispad gehanteerd door het CPB voor de begroting van Asiel en Migratie bij de Concept-Macro Economische Verkenning en Keuzes in Kaart. U wordt op een later moment geïnformeerd door de minister van Asiel en Migratie over de verdeling van de investeringsenveloppen uit de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord.
Vraag 285
Vraag 285
Welke vormgeving is er voorzien bij maatregel 50 (Versterking van gezinnen)? Is uit te sluiten dat er groepen op achteruit gaan?
Antwoord op vraag 285
Maatregel 50 (Versterking van gezinnen) betreft de samenvoeging van de kinderbijslag (AKW) en het kindgebonden budget (WKB) tot één kindregeling met een hoger vast en een lager variabel bedrag. Hiermee wordt beoogd de ondersteuning voor gezinnen eenvoudiger en zekerder te maken. De maatregel vermindert onder meer het aantal regelingen en het risico op terugvorderingen.
Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Vraag 286
Vraag 286
Vereist het verlagen van het maximumdagloon een wetswijziging?
Antwoord op vraag 286
Ja, deze maatregel vereist een wetswijzing.
Vraag 287
Vraag 287
Welk aandeel van de re-integratiebudgetten of re-integratiemiddelen bij UWV wordt nu wegbezuinigd?
Antwoord op vraag 287
De invulling van de 100 miljoen euro bezuiniging op de re-integratiemiddelen is nog niet bekend. Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel en zal uw Kamer hierover op een later moment informeren.
Vraag 288
Vraag 288
Waarom is gekozen voor een referte-eis van 42 weken op 52 weken? Wat is de onderbouwing van het getal 42 t.o.v. 43 of 41 of andere getallen?
Antwoord op vraag 288
Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel
en zal uw Kamer over de onderbouwing van de wijziging van de referte-eis
op een later moment informeren.
Vraag 289
Vraag 289
Is de keuze voor een referte-eis van 42 weken op 52 weken puur gebaseerd op budgetten?
Antwoord op vraag 289
Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel en zal uw Kamer over de onderbouwing van de wijziging van de referte-eis op een later moment informeren.
Vraag 290
Vraag 290
Welke groepen zullen nu niet meer in aanmerking komen voor de WW gezien de nieuwe referte-eis van 42 weken op 52 weken? Kunt u deze groepen omschrijven op basis van verschillende kenmerken, in ieder geval: geslacht, leeftijd, type arbeidscontract en inkomen?
Antwoord op vraag 290
Het CBS heeft voor de WW-instroom in 2022 en 2023 onderzocht welke groepen niet meer in aanmerking komen voor een WW-uitkering wanneer de referte-eis wordt verlengd naar 42 uit 52 weken.1 Het onderzoek laat zien dat een verlenging van de referte-eis ertoe leidt dat qua leeftijd naar verhouding jongeren tot en met 24 jaar minder in aanmerking komen voor de WW. Daarnaast betreft het vaker mensen met een flexibele arbeidsrelatie en de lagere inkomensgroepen. Op basis van geslacht is geen duidelijk onderscheid zichtbaar.
Vraag 291
Vraag 291
Klopt het dat het verlagen van het maximum dagloon deels de verhoging van de AOF-premie compenseert bij werkgevers met veel medewerkers met lonen boven het maximum premieloon?
Antwoord op vraag 291
Het maximumpremieloon is in 2026 gelijk aan 79.409 euro. Bij een verlaging met 20 procent zou dat 63.527 euro zijn. Werkgevers waarbij niemand meer verdient dan dat bedrag profiteren niet van de verlaging van het maximumpremieloon. Werkgevers met veel medewerkers boven het maximumpremieloon hebben profijt van de grondslagverkleining. Alle werkgevers gaan meer premies betalen, zowel werkgevers met veel werknemers boven het maximumpremieloon als daaronder.
Vraag 292
Vraag 292
Hoeveel daalt de totale werkgeversbijdrage door de voorgenomen verlaging van het maximum dagloon met 20 procent, exclusief voorgenomen veranderingen in premies?
Antwoord op vraag 292
De precieze geraamde daling van de werkgeversbijdragen als gevolg van een lager maximumpremieloon moet nog worden vastgesteld.
Vraag 293
Vraag 293
Waar zitten de huishoudens in de gestandaardiseerde inkomensverdeling, die door de verlaging van het maximumdagloon een lagere uitkering zouden ontvangen? In welke mate zijn dit middengroepen? In hoeverre zijn dit huurders en in welke mate bezitters van een koopwoning?
Antwoord op vraag 293
Het maximumdagloon is een bruto inkomensbegrip en een uitkering op basis van dit loon is in het huidige stelsel (zonder aanpassing) ongeveer gelijk 185% van het minimumloon (uitgaande van een uitkeringsnorm van 70%). Onderstaande tabel toont de bruto inkomensverdeling van huishoudens zoals het Centraal Planbureau (CPB) die hanteert in de koopkrachtramingen in de CEP en MEV. Een alleenstaande valt in het derde inkomenskwintiel en huishoudens met een partner met inkomen zitten daarboven. Na de verlaging zal een deel van de huishoudens in het tweede kwintiel terecht komen.
| Tabel 25 Inkomensgrenzen voor indeling van huishoudens in kwintielen (20%-groepen) op basis van bruto huishoudinkomen | |
|---|---|
| Inkomensgroep | Inkomensgrens |
| 1e 20%-groep | <= 106% WML |
| 2e 20%-groep | 106-173% WML |
| 3e 20%-groep | 173%-256% WML (uitkering op basis van max dagloon) |
| 4e 20%-groep | 256-378% WML |
| 5e 20%-groep | >378% WML |
*Bron: koopkrachtramingen CPB
In welke mate de personen die te maken krijgen met een het verlagen van het maximumdagloon in een huur- of koopwoning wonen is op basis van de beschikbare gegevens nu niet aan te geven.
Vraag 294
Vraag 294
In hoeverre zorgen de bezuinigingen op de WW dat de stabiliserende werking van deze uitkeringen bij economische schokken verminderd is?
Antwoord op vraag 294
De voorgestelde maatregelen ten aanzien van de WW, waaronder een hogere uitkering aan het begin en een verkorting van de duur naar 1 jaar, leiden per saldo tot een besparing op de WW-uitgaven. De verwachting is dat hierdoor over het algemeen de stabiliserende werking van de WW bij economische schokken zal verminderen, al is de mate waarin niet op voorhand te zeggen. Dit hangt namelijk onder meer af van de economische situatie op dat moment, zoals de conjunctuur en situatie op de arbeidsmarkt. De voorgestelde maatregelen in de WW zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen die de arbeidsmarkt activerender maken en ervoor zorgen dat werknemers zich blijven ontwikkelen en sterk staan in een veranderende economie. Dit kan eraan bijdragen dat mensen sneller passend nieuw werk vinden.
Vraag 295
Vraag 295
In welke mate worden jongeren harder geraakt dan andere leeftijdsgroepen door de verandering van de referente-eis van 26 van de 36 naar 42 van de 52 weken bij de WW?
Antwoord op vraag 295
Het CBS heeft voor de WW-instroom in 2022 en 2023 onderzocht welke groepen niet meer in aanmerking komen voor een WW-uitkering wanneer de referte-eis wordt verlengd naar 42 uit 52 weken. Het onderzoek laat zien dat een verlenging van de referte-eis ertoe leidt dat naar verhouding jongeren tot en met 24 jaar minder vaak in aanmerking komen voor een WW-uitkering. De duurverkorting van de WW treft vaker oudere werknemers die met hun arbeidsverleden meer WW-recht opgebouwd hebben.
Vraag 296
Vraag 296
Voor een positief effect om het emu-saldo zullen bezuinigingen op de zorg, zoals de verhoging van het eigen risico, en de sociale zekerheid, zoals het verlagen van het maximale dagloon, nog gekoppeld moeten worden met een extra lastenverzwaring. Hoe hoog is deze lastenverzwaring naar schatting en klopt het dat deze nog niet is ingevuld? Hoe is de nieuwe coalitie voornemens om deze in te vullen?
Antwoord op vraag 296
Zie antwoord vraag 70.
Vraag 297
Vraag 297
Hoeveel werknemers worden geraakt door de verlaging van het maximumdagloon (in percentage en absoluut)?
Antwoord op vraag 297
De verlaging van het maximumdagloon werkt door in de hoogte van verschillende uitkeringen, te weten de ziekte-, arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- en verlofregelingen. Werknemers zijn verzekerd voor inkomensverlies indien een van deze situaties zich voordoet. Op basis van de meest recente inzichten zullen in het jaar van invoering van de maatregel (2029) naar verwachting circa 1,5 miljoen mensen één van deze uitkeringen ontvangen. Op basis van de meest recente inzichten zal grofweg 18% hiervan een lagere uitkering ontvangen vanwege de verlaging van het maximumdagloon. Dat zijn grofweg 260.000 mensen.
Daarnaast kan de verlaging doorwerken in de loondoorbetaling bij ziekte. Het maximale loon waarover een werkgever 70% loon moet doorbetalen bij ziekte is wettelijk gemaximeerd op het maximum premieloon. Het maximum premieloon daalt mee met de verlaging van het maximumdagloon. Veel CAO's kennen hier echter weer bovenwettelijke aanvullingen op. Het is mede daardoor niet goed in te schatten hoeveel mensen dit daadwerkelijk raakt.
Vraag 298
Vraag 298
Hoeveel werknemers zijn er die nu op of boven het maximumdagloon zitten en hoeveel worden dat er meer met de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent?
Antwoord op vraag 298
Dit antwoord is gebaseerd op de verwachtingen voor 2029, omdat dat het jaar van invoering is van de maatregel. Op basis van de meest recente inzichten zijn er in 2029 grofweg 110.000 mensen met een ziekte-, arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- of verlofuitkering die gebaseerd is op het huidige maximumdagloon. Inclusief de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent zal dit naar verwachting grofweg 260.000 mensen betreffen. Daarnaast werkt de verlaging door in het maximumdagloon bij loondoorbetaling bij ziekte. Zie hiervoor ook vraag 297. Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen dit betreft.
Vraag 299
Vraag 299
Wat is gemiddeld genomen het bruto-inkomen per maand (dus zonder vakantiegeld, eindejaarsuitkering en andere eventuele toeslagen) dat hoort bij het huidige maximumdagloon en welk bruto maandinkomen is dat voor het verlaagde maximumdagloon?
Antwoord op vraag 299
In (prijsniveau) 2027 is het totale bruto maximum dagloon op jaarbasis ongeveer gelijk aan 82,5 dzd. euro. Zonder vakantiegeld komt dit neer op bruto 76,4 dzd. euro op jaarbasis, en bruto 6,4 dzd. euro op maandbasis. Na de maatregel is dit ongeveer 5,1 dzd. euro op maandbasis.
Vraag 300
Vraag 300
Kan voor drie voorbeeldinkomens die geraakt worden (1. halverwege het oude en het nieuwe maximumdagloon, 2. halverwege die helft en het nieuwe maximumdagloon en 3. halverwege de helft en het oude maximumdagloon) door de verlaging van het maximumdagloon de berekening worden gemaakt hoeveel zij met gewoon werken zouden verdienen, hoe hoog hun WGA-uitkering zou zijn in de huidige situatie en hoe hoog bij verlaging van het maximumdagloon? Kunt u dit schematisch op 3 rijen weergegeven?
Antwoord op vraag 300
Onderstaande tabel toont hoe hoog de WGA-uitkering is voor de drie gevraagde voorbeelden in de huidige situatie en na verlaging van het maximumdagloon, uitgaande van een bruto uitkering van 70% van het dagloon. De tabel toont tevens het bruto loon bij een inkomen van 100% van het dagloon.
| Tabel 26 Hoogte bruto uitkering op jaarbasis (dzd. euro’s) in verschillende situaties WGA-uitkering en bruto loon (dzd. euro’s), prijzen 2027 | |||
|---|---|---|---|
| Bij een WGA-uitkering (70% dagloon) | Bij inkomen uit arbeid (100% dagloon) | ||
| Voorbeeld | Huidige situatie | Na maatregel | Huidige situatie/na maatregel |
| Situatie 1: | € 52,00 | € 46,20 | € 74,30 |
| halverwege het oude en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 2: | € 49,10 | € 46,20 | € 70,10 |
| halverwege die helft en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 3: | € 54,90 | € 46,20 | € 78,40 |
| halverwege die helft en het oude maximumdagloon | |||
Vraag 301
Vraag 301
Kan voor drie voorbeeldinkomens (1. halverwege het oude en het nieuwe maximumdagloon, 2. halverwege die helft en het nieuwe maximumdagloon en 3. halverwege die helft en het oude maximumdagloon) een berekening worden gemaakt voor de situatie waarin sprake is van een IVA-uitkering? Kan daarbij schematisch op drie rijen worden weergegeven hoe hoog de IVA-uitkering in de huidige situatie zou zijn en hoe hoog bij verlaging van het maximumdagloon, en kan in een vierde rij aanvullend worden weergegeven wat de inkomenseffecten zijn wanneer zowel het maximumdagloon wordt verlaagd als de IVA-uitkering wordt verlaagd van 75% naar 70%?
Antwoord op vraag 301
Onderstaande tabel toont hoe hoog de IVA-uitkering is voor de drie gevraagde voorbeelden in de huidige situatie en na verlaging van het maximumdagloon, uitgaande van een bruto uitkering van 75% van het dagloon.
De tweede tabel toont de inkomenseffecten van iemand met een IVA-uitkering en een SV-loon (het brutoloon waarover in Nederland belasting en sociale premies worden berekend) in de verschillende voorbeelden. De berekening is uitgevoerd met de parameters in het belastingstelsel in 2027. Bij de tweede tabel dient opgemerkt te worden dat het afschaffen van de IVA van toepassing is op nieuwe arbeidsongeschikten. Hierdoor treedt er geen inkomenseffect op voor het zittend bestand, maar komt de (bruto en netto) uitkering voor nieuwe arbeidsongeschikten lager te liggen.
| Tabel 27 Hoogte bruto uitkering op jaarbasis (dzd. euro’s) in verschillende situaties IVA-uitkering, prijzen 2027 | |||
|---|---|---|---|
| Bij een IVA-uitkering (75% dagloon) | Nieuwe instroom | ||
| Voorbeeld | Huidige situatie | Na maatregel | Na verlagen IVA-uitkering naar 70% dagloon |
| Situatie 1: | € 55,70 | € 49,50 | € 46,20 |
| halverwege het oude en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 2: | € 52,60 | € 49,50 | € 46,20 |
| halverwege die helft en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 3: | € 58,80 | € 49,50 | € 46,20 |
| halverwege die helft en het oude maximumdagloon | |||
| Tabel 28 Inkomenseffecten verlagen max dagloon en afschaffen IVA-uitkering, voor een alleenstaande met een IVA-uitkering in verschillende situaties, prijzen 2027, effect op jaarbasis | |||
|---|---|---|---|
| Maatregel | Effect op bruto inkomen | Effect op besteedbaar inkomen | Inkomenseffect maatregel |
| Situatie 1: | € -6,2 dzd | € -3,5 dzd | ‒ 10,10% |
| halverwege het oude en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 2: | € -3,1 dzd | € -1,7 dzd | ‒ 5,30% |
| halverwege die helft en het nieuwe maximumdagloon | |||
| Situatie 3: | € -9,3 dzd | € -5,2 dzd | ‒ 14,40% |
| halverwege die helft en het oude maximumdagloon | |||
| Afschaffen IVA-uitkering voor nieuwe WIA-instroom* | € -3,3 dzd | € -1,8 dzd | n.v.t. |
*Uitgaande van een verlaagd maximumdagloon (eerst wordt het dagloon verlaagd en dan de IVA-uitkering). Het effect op bruto en besteedbaar inkomen heeft hier betrekking op het vergelijken van een IVA-uitkering gebaseerd op het maximumdagloon en een WGA-uitkering gebaseerd op het maximumdagloon (zoals voor nieuwe instromers gaat gelden).
Vraag 302
Vraag 302
Waar is het budgettaire beslag bij de verlaging van het maximumdagloon op gebaseerd? Is dit op nieuwe uitkeringen of ook op bestaande
Antwoord op vraag 302
Het verlagen van het maximumdagloon werkt door in alle loongerelateerde uitkeringen, te weten de IVA, WGA, WAO, WW, ZW, WAZO, WIEG en WBO. Dit betekent dat de hoogste inkomens een lagere uitkering krijgen. Uitgangspunten van de raming zijn invoering per 2029 voor zowel het zittend bestand als nieuwe instroom. De verlaging van 20%, zoals opgenomen in het coalitieakkoord, geldt direct voor iedereen.
Vraag 303
Vraag 303
Welk percentage van de instroom in een WGA-uitkering stroomt, gemiddeld genomen over de afgelopen vijf jaar, in de huidige situatie (qua opbouw/duur loongerelateerde uitkering) door naar een vervolguitkering?
Antwoord op vraag 303
De door u gevraagde cijfers zijn binnen de beantwoordingstermijn niet beschikbaar.
Vraag 304
Vraag 304
Wat is de huidige verdeling van uitkeringsgerechtigden die een vervolguitkering krijgen over de vier verschillende categorieën/hoogten van de vervolguitkering?
Antwoord op vraag 304
Op peildatum 1-6-2025 was de verdeling van de uitkeringsgerechtigden met een vervolguitkering in de WGA over de 4 uitkeringscategorieën als volgt:
| Tabel 29 Verdeling uitkeringsgerechtigden vervolguitkering in de WGA | |
|---|---|
| 28% van het minimumloon (35-45% arbeidsongeschikt) | 29% |
| 35% van het minimumloon (45-55% arbeidsongeschikt) | 28% |
| 42% van het minimumloon (55-65% arbeidsongeschikt) | 23% |
| 50,75% van het minimumloon (65-80% arbeidsongeschikt) | 20% |
Vraag 305
Vraag 305
Welk percentage van de WGA-uitkeringsgerechtigden stroomt door naar de vervolguitkering als de duur/opbouw van de loongerelateerde uitkering conform coalitieakkoord wordt aangepast?
Antwoord op vraag 305
Deze gegevens zijn niet exact bekend, maar bij de doorrekening van het gecombineerde effect van de duurverkorting en de vertraagde opbouw van WW-rechten is verondersteld dat ca. 18,5% van de mensen die de WGA instromen na afloop van de loongerelateerde uitkering minder dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit benut, en daarom doorstroomt naar een vervolguitkering.
Vraag 306
Vraag 306
Als de voorgestelde aanpassing van de duur/opbouw van de loongerelateerde uitkering al in 2025 voor de populatie in de WGA-uitkering had gegolden, hoeveel daarvan waren dan de vervolguitkering ingestroomd?
Antwoord op vraag 306
Op peildatum 1-6-2025 waren er circa 5.200 mensen in de WGA 35-80 met recht op meer dan 12 maanden loongerelateerde fase. Deze mensen zouden eerder in de vervolgfase komen als de loongerelateerde fase maximaal 12 maanden zou bedragen.
Vraag 307
Vraag 307
Geldt de aanpassing van de duur/opbouw van WW- en WGA-rechten ook voor mensen die al in de uitkering zitten?
Antwoord op vraag 307
Nee, de aanpassing van de duur en opbouw van WW- en loongerelateerde WGA-rechten is alleen van toepassing op mensen die na de datum van inwerkingtreding nieuw een uitkering ontvangen.
Vraag 308
Vraag 308
Welk percentage van de huidige WW-uitkeringsgerechtigden stroomt nu door naar een bijstandsuitkering en hoe gaat dat veranderen als de duur en de opbouw van de WW-rechten wordt aangepast?
Antwoord op vraag 308
De tabel hieronder geeft het percentage mensen weer dat vanuit de WW-uitkering doorstroomt naar een bijstandsuitkering voor de jaren 2020 t/m 2024. Hierbij is een uitsplitsing gemaakt naar de doorstroom als percentage van alle WW-uitstroom en de doorstroom als percentage van de groep uitkeringsgerechtigden voor wie de WW-uitkering wordt beëindigd vanwege het bereiken van de maximale WW-duur. Het percentage neemt naar verwachting toe als gevolg van de verwachting dat de werkloosheid de komende jaren toeneemt, de arbeidsmarkt iets ontspant en omdat mensen door de kortere WW-periode minder tijd hebben om een nieuwe baan te vinden. Hier is bij de berekening van de besparing van de WW-maatregelen rekening mee gehouden.
| Tabel 30 Doorstroom van WW naar bijstand voor 2020 t/m 2024 | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Percentage doorstroom bijstand | |||||
| 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | |
| Van alle WW-uitstroom | 5,50% | 3,70% | 2,90% | 3,70% | 3,70% |
| Na bereiken maximale WW-duur | 12,60% | 9,50% | 7,40% | 8,50% | 8,80% |
Vraag 309
Vraag 309
Hoeveel minder WW en WIA wordt er verstrekt als gevolg van de aanpassing van de referte-eisen?
Antwoord op vraag 309
Op basis van het CBS-onderzoek naar het aanscherpen van de referte-eis wordt uitgegaan van ongeveer 12% van de WW-instroom die niet meer in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering. Voor de loongerelateerde WGA-uitkering wordt uitgegaan van ongeveer 3%.
Dit leidt tot de budgettaire effecten in onderstaande tabel. Hierbij geldt dat er een interactie-effect is tussen het pakket aan maatregelen. Het antwoord op vraag 280 geeft de interactie tussen de maatregelen weer. Hierdoor valt de totale besparing lager uit. De totaalreeks in onderstaande tabel bevat naast de verwachte effecten op de WW en WGA ook de verwachte effecten op onder andere de bijstand, Toeslagenwet en uitvoeringskosten.
| Tabel 31 Budgettaire effecten aanscherpen referte-eisen voor WW en WGA | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Budgettaire effecten in mln. € | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | Structureel (2033) |
| Totaal | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 287 | ‒ 541 |
| w.v. WW | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 318 | ‒ 595 |
| w.v. WGA | 0 | 0 | 0 | 0 | ‒ 8 | ‒ 18 |
Vraag 310
Vraag 310
Gaan de sociale premies in gelijke mate omlaag nu de bijhorende rechten worden versoberd en zo nee, welke juridische risico’s zijn daarbij te duiden?
Antwoord op vraag 310
In het Coalitieakkoord zijn geen verlagingen van de premietarieven opgenomen. De voorgenomen maatregelen in de sociale zekerheid zorgen op termijn wel voor minder uitgaven ten laste van de door UWV beheerder fondsen. Het saldo van baten en lasten van de fondsen zal dus verbeteren, en daarmee neemt het in de fondsen opgebouwde vermogen verder en sneller toe.
Vraag 311
Vraag 311
Wat is de derving aan premie-inkomsten door de verlaging van het maximumdagloon/maximumpremieloon?
Antwoord op vraag 311
Zie antwoord vraag 70.
Vraag 312
Vraag 312
Wat is de derving aan belastinginkomsten als gevolg van de verlaging van het maximumdagloon?
Antwoord op vraag 312
Zie antwoord vraag 70.
Vraag 313
Vraag 313
Als de opbouw van de WW wordt vertraagd en de duur van de uitkering wordt verkort, wanneer bouwt iemand volledige WW op? Wanneer heeft iemand één maand meer dan de minimale WW-duur? Hoe zit dat nu? Graag schematisch weergeven.
Antwoord op vraag 313
Op dit moment geldt dat tegenover alle jaren arbeidsverleden t/m 2015 één maand WW-uitkering staat. Voor alle jaren na 2015 geldt een opbouw van een hele maand WW-uitkering voor de eerste tien jaren arbeidsverleden, en een opbouw van een halve maand voor de jaren arbeidsverleden daarna. De opbouw zoals die geldt voor jaren arbeidsverleden t/m 2015 faseert hiermee dus langzaam uit, tot het moment dat er geen werknemers meer zijn met arbeidsverleden in of voor 2015 (de structurele situatie). Het huidige beleid is met de Wet werk en zekerheid tot stand gekomen.
De tabel hieronder geeft de huidige structurele situatie weer ten opzichte van de situatie zoals beoogd met het coalitieakkoord. Hieruit volgt dat de maximale WW-duur van 12 maanden wordt bereikt bij een arbeidsverleden van 24 jaar. Vanaf 7 jaar arbeidsverleden is de WW-duur hoger dan de minimale WW-duur van 3 maanden. Op dit moment is dit reeds na 4 jaar arbeidsverleden het geval. Om in aanmerking te komen voor een uitkeringsduur langer dan de minimale duur, moet een werknemer 4 van de 5 kalenderjaren voorafgaand aan werkloosheid gewerkt hebben. Deze voorwaarde wijzigt niet.
| Tabel 32 Opbouw WW-recht in huidige situatie en na maatregelen uit het Coalitieakkoord | ||
|---|---|---|
| Opbouw WW-recht (in maanden) | ||
| Arbeidsverleden (in jaren) | Huidige situatie | Na maatregelen uit CA |
| 1, 2 of 3 jaar | 3 | 3 |
| 4 | 4 | 3 |
| 5 | 5 | 3 |
| 6 | 6 | 3 |
| 7 | 7 | 3,5 |
| 8 | 8 | 4 |
| 9 | 9 | 4,5 |
| 10 | 10 | 5 |
| 11 | 10,5 | 5,5 |
| 12 | 11 | 6 |
| 13 | 11,5 | 6,5 |
| 14 | 12 | 7 |
| 15 | 12,5 | 7,5 |
| 16 | 13 | 8 |
| 17 | 13,5 | 8,5 |
| 18 | 14 | 9 |
| 19 | 14,5 | 9,5 |
| 20 | 15 | 10 |
| 21 | 15,5 | 10,5 |
| 22 | 16 | 11 |
| 23 | 16,5 | 11,5 |
| 24 | 17 | 12 |
| 25 | 17,5 | 12 |
| 26 | 18 | 12 |
| 27 | 18,5 | 12 |
| 28 | 19 | 12 |
| 29 | 19,5 | 12 |
| 30 | 20 | 12 |
| 31 | 20,5 | 12 |
| 32 | 21 | 12 |
| 33 | 21,5 | 12 |
| 34 | 22 | 12 |
| 35 | 22,5 | 12 |
| 36 | 23 | 12 |
| 37 | 23,5 | 12 |
| 38 | 24 | 12 |
Vraag 314
Vraag 314
Zit bij het bedrag van de WW-duurverkorting ook het bedrag behorende bij de eerder voorgenomen duurverkorting tot 18 maanden? Hoeveel bedraagt de eerder voorgenomen duurverkorting tot 18 maanden en per wanneer staat deze in de boeken?
Antwoord op vraag 314
Nee, het bedrag van de duurverkorting naar 18 maanden is al verwerkt in de begroting zoals deze gepresenteerd is in de Miljoenennota. Hierbij is uitgegaan van invoering van de duurverkorting per 1 januari 2028. In het coalitieakkoord is alleen de extra besparing opgenomen van een duurverkorting naar 12 maanden ten opzichte van 18 maanden in het basispad.
| Tabel 33 Budgettaire gevolgen WW-duurverkorting van 24 naar 18 maanden | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| x € mln. (prijspeil 2025) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | Structureel |
| Budgettaire gevolgen duurverkorting 24 naar 18 maanden | 0 | 5 | ‒ 5 | ‒ 141,5 | ‒ 471,5 | ‒ 392,2 |
Vraag 315
Vraag 315
Waarom is het huis van de koning uitgezonderd van de taakstelling op de overheid?
Antwoord op vraag 315
De taakstelling is doorgevoerd op apparaatsuitgaven per departement en uitvoering. Hieronder valt het huis van de Koning niet.
Vraag 316
Vraag 316
Wat doet het uitstel van ETS2 met de planning van het Energie Noodfonds? Klopt het dat deze hierdoor cofinanciering vanuit het klimaatfonds misloopt? Heeft dat juridische en financiële gevolgen, en zo ja, welke?
Antwoord op vraag 316
Het uitstel van de invoering van ETS2 heeft geen invloed op het bedrag uit het Social Climate Fund (SCF) waar Nederland aanspraak op kan maken. Nederland heeft onder andere een voorstel ingediend voor SCF-middelen voor een publiek energiefonds. De voor Nederland beschikbare middelen uit het SCF blijven gelijk en daarmee ook de financiering zoals beoogd voor het publiek energiefonds. Er is geen cofinanciering uit het Nederlandse Klimaatfonds voor de maatregel publiek energiefonds van het Social Climate Fund. Wel betekent uitstel van ETS2 naar 2028 dat extra onderbouwing nodig is richting de Europese Commissie om compensatie voor energiekosten voorafgaand aan 2028 te legitimeren.
__Kamerstukken II 2024-2025, 36820-XVII, nr. 3, vraag 52↩︎
__Kamerstukken II 2024-2025, 19637, nr. 3239↩︎
__Kamerstukken II 2024-2025, 19637, nr. 3320↩︎
__Kamerstukken II 2025-2026, 19637, nr. 3478↩︎
__Eindrapport aftrek specifieke zorgkosten | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
__Eindrapport aftrek specifieke zorgkosten | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎
__Zie vraag 70 voor het effect van het totale zorgpakket op de premies en lasten.↩︎
__Rapport_18e_Studiegroep_Begrotingsruimte.pdf↩︎
__https://open.overheid.nl/documenten/a3e73ad8-d4d0-4125-a920-3fa55853ce7b/file↩︎
__Kamerstukken II 2024/25, 33529, nr. 1293↩︎
__Kamerstukken II 2025/26, 33529, nr. 1368↩︎
__Kamerstukken II, 2025/26, 36748, nr. 27.↩︎
__Kamerstukken II, 2025/26, 36748, nr. 35.↩︎
__Kamerstukken II 2025/26, 36 748, nr. 28.↩︎
__https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2026/OWB/V/onderdeel/7959528↩︎
__https://open.overheid.nl/documenten/a6aa37e9-74c5-417e-bf88-1a723773190f/file↩︎
__https://www.rijksfinancien.nl/memorie-van-toelichting/2026/OWB/IX/onderdeel/9816707↩︎
__Naast het feit dat SURE door lidstaten wordt gegarandeerd middels de headroom, zijn er bilaterale garanties afgegeven door lidstaten van totaal 25 mld. euro. Hiervoor staat Nederland voor 5,78% garant (staat vast in de bilaterale garantieovereenkomst en is dus ook niet afhankelijk van bni-ramingen).↩︎
__Kamerstukken II 2025-2026, 19637, nr. 3478↩︎
__SEO (2025), Benchmark luchthavengelden en overheidsheffingen, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, februari 2025.↩︎
__CE Delft (2025), Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, mei 2025.↩︎
__https://www.rapportwennink.nl/bijlagen/↩︎
__Kamerbrief bij rapportage evaluatie NGF | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎
__Kamerstukken II 2025-2026, 19637, nr. 3478↩︎