Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31497-510)
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D08634, datum: 2026-02-26, bijgewerkt: 2026-02-26 11:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z02549:
- Indiener: J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Medeindiener: K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Volgcommissie: vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-02-10 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-02-11 10:15: Procedurevergadering Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Procedurevergadering), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- 2026-02-25 14:00: Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
- Geen datum: Jeugdbeleid (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (🔗 origineel)
31 497 Passend onderwijs
34 104 Langdurige zorg
Nr.
INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld …………. 2026
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 5 februari 2026 inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (Kamerstuk 31 497, nr. 510).
De vragen en opmerkingen zijn op 26 februari 2026 aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van ………………. zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave blz.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
Reactie van de minister
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en de voortgang van de maatregelen om onderwijs, jeugdhulp en langdurige zorg beter te integreren op cluster 3 en 4 scholen.
De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinet om versnippering van zorg en ondersteuning in scholen te verminderen en het proces voor ouders en leerlingen te vereenvoudigen. Zij vragen hoe de minister waarborgt dat het collectieve aanbod van zorg en ondersteuning in scholen flexibel genoeg blijft om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van individuele leerlingen zonder dat dit de collectieve voordelen ondermijnt.
De leden van de D66-fractie vragen in dat verband of de minister bereid is te borgen dat afspraken over samenwerking en contractering van jeugdhulp en Wlz-zorg binnen cluster 3 en 4 minimaal op regionaal niveau en bindend worden vormgegeven, gelet op de regionale functie van deze scholen en zorgaanbieders. Tevens vragen zij of de minister voornemens is heldere landelijke kaders te stellen die in iedere regio de beschikbaarheid en collectieve financiering van ZiO waarborgen, zodat administratieve lasten verminderen en zorg beter kan worden geïntegreerd in het onderwijs.
De leden van de D66-fractie vragen tevens hoe de minister toeziet op de effectieve samenwerking tussen samenwerkingsverbanden, gemeenten en zorgkantoren, en welke maatregelen genomen worden om te voorkomen dat regionale verschillen leiden tot ongelijke toegang tot zorg en ondersteuning voor leerlingen in verschillende delen van het land.
De leden van de D66-fractie benadrukken dat Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen afhankelijk zijn van structurele en goed georganiseerde ondersteuning in de klas. Continuïteit van zorg is essentieel om hun ontwikkeling, leerproces en welzijn te waarborgen. De leden van de D66-fractie vragen hoe de minister de zorg voor Ernstig Meervoudig Beperkte (EMB) leerlingen na 2026 waarborgt, gezien de tijdelijke looptijd van de huidige regeling.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie hoe de verbeteraanpak zich verhoudt tot de bredere ambitie van inclusief onderwijs. Op welke wijze wordt ZiO niet alleen binnen het gespecialiseerd onderwijs, maar ook in het regulier onderwijs structureel en collectief verankerd, zodat ondersteuning daadwerkelijk in de klas beschikbaar is en niet afhankelijk blijft van lokale convenanten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden stellen de volgende vragen aan de minister.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de ervaringen met zorgarrangeurs overwegend positief zijn, al zijn er nog punten waarop verbetering nodig zijn. Kan de minister aangeven of zij toepassing van de zorgarrangeur breder in de zorg van toegevoegde waarde acht? Zo ja, waar denkt zij dat de zorgarrangeur kan bijdragen aan de werking van het zorgstelsel? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met teleurstelling de
brief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd gelezen. Genoemde
leden hadden gehoopt dat er meer verregaande en concretere stappen
genomen zouden worden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de ambities
van het kabinet als het gaat om de route naar inclusief onderwijs. Staat
de doelstelling nog dat in 2035 verreweg de meeste scholen de overstap
naar inclusief onderwijs hebben gemaakt? Gebeurt er voldoende om dit
doel te halen? Hoe dragen de ambities in deze brief bij aan het
terugdringen van het aantal kinderen dat thuiszit of een vrijstelling
heeft onder 5b?
Kan de minister reflecteren op de tien maatregelen die in november 2018 door de toenmalige bewindspersonen van VWS en OCW samen zijn opgesteld en als doel hadden om kinderen die zorg nodig hebben meer onderwijskansen te bieden? Waar staan we nu? Kan de minister dit voor de tien maatregelen afzonderlijk beschrijven? Vindt de minister dat de afgelopen jaren voldoende is gedaan om de ambities die destijds zijn uitgesproken te halen? Staan deze ambities nog steeds? Zo ja, wat gaat de minister extra doen, gezien het feit dat het aantal kinderen dat thuiszit zonder passend onderwijs is gestegen, net als het aantal vrijstellingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat zowel in de
Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten,
samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren
over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van
onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde
scholen (cluster 3 en 4). Genoemde leden zijn positief dat wettelijk
geregeld wordt dat er overleg gevoerd moet worden. Zij vragen zich wel
af of enkel dit genoeg is om er echt voor te zorgen dat zorg in de
onderwijstijd verbeterd wordt. Kan de minister hierop reflecteren en
aangeven hoe zij denkt dat dit alle knelpunten zal oplossen? Kan de
minister ook aangeven wat de gevolgen zijn voor de administratieve
lasten en de tijd die gaat zitten in de coördinatie en daarmee ook de
kosten? Zijn er kwalitatieve of kwantitatieve gegevens over de tijd die
professionals kwijt zijn aan overleg, administratie en coördinatie in
verhouding tot de tijd die zij hebben om leerlingen te ondersteunen? Ook
zijn deze leden benieuwd hoe ouders of een vertegenwoordiging van ouders
betrokken worden bij het maken van bestuurlijke afspraken over zorg in
onderwijstijd? Op welke manier worden schoolbesturen, schoolteams en
zorgaanbieders betrokken bij deze afspraken? Zijn zij rechtstreeks
partner bij de afspraken? Aangezien zij het beste in staat zijn te
bepalen wat nodig is, in samenspraak met ouders en leerlingen? Worden
afspraken die worden gemaakt tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden
passend onderwijs en zorgkantoren openbaar gemaakt? Hoe bindend zijn de
afspraken die worden gemaakt? Deze leden lezen ook dat wordt
aangemoedigd dat afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau worden
gemaakt, waarom is er niet voor gekozen voor enkel regionale afspraken?
Op welke manier wordt geborgd dat de wensen van leerlingen zelf kunnen
worden meegenomen?
Kan de minister ingaan op de afzonderlijke taken en
verantwoordelijkheden van scholen, gemeenten, samenwerkingsverbanden
passend onderwijs en zorgkantoren? Waar ligt de uiteindelijke
verantwoordelijkheid dat een kind naar school kan met de benodigde zorg?
Hoe voorkomt de minister dat naar elkaar gewezen kan worden zonder dat
er een oplossing komt?
Wie is verantwoordelijk als een kind hulpmiddelen nodig heeft om onderwijs te krijgen, zoals een aangepaste stoel, spraakhulpmiddelen of audiovisuele hulpmiddelen? Is dat de school, het samenwerkingsverband, de gemeente of het zorgkantoor? Kan de minister dit aan de hand van een voorbeeld toelichten? Waar ligt de eindverantwoordelijkheid voor voldoende aangepast lesmateriaal voor kinderen met een beperking of specifieke ondersteuningsbehoefte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er ruimte voor maatwerk blijft met een individueel persoonsgebonden budget (pgb). Hoe wordt deze ruimte voor maatwerk geborgd binnen deze aanpak als collectieve zorg niet passend is? Wanneer wordt collectieve zorg ‘niet passend’ geacht? Is het binnen deze aanpak mogelijk om afspraken te maken over de ‘passendheid’ van collectieve zorg op scholen, bijvoorbeeld in het handelingsdeel van een toelaatbaarheidsverklaring (TLV)? Hebben ouders daar instemmingsrecht op? Genoemde leden krijgen signalen dat ouders zich zorgen maken over het beschikbaar maken van jeugdhulp in onderwijs als vrij toegankelijke voorziening. Kan de minister uitleggen hoe de rechten van deze ouders geborgd zijn bij een vrij toegankelijke voorziening? Hoe wordt geborgd dat er voldoende pgb voor zorg thuis overblijft bij een collectieve inzet op school, ook als een kind om bepaalde redenen niet naar school kan? Hoe zal geborgd worden dat een ouder niet aansprakelijk gesteld gaat worden als een deel van het budget dat overgeheveld wordt voor zorg in onderwijstijd niet besteed wordt aan de zorg van het kind, omdat die door ziekte niet op school aanwezig kan zijn of omdat er van meer weken zorg tijdens onderwijstijd wordt uitgegaan dan het aantal lesweken per jaar? Deze leden stellen deze vragen naar aanleiding van zorgen van ouders.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de huidige EMB-bekostiging wordt verlengd tot en met 2026. Daarmee wordt een acuut probleem opgelost, maar is er nog steeds onzekerheid en onduidelijkheid voor de toekomst. Wat zal er na 2026 gebeuren? Waarom wordt er geen structurele oplossing geboden? In 2025 is de motie Westerveld1 aangenomen over landelijke aanmelding en bekostiging van EMB-leerlingen via het Rijk. Hoe is deze motie uitgevoerd? Waarom wordt de route van landelijke aanmelding en bekostiging niet ingezet, aangezien dit duidelijkheid en stabiliteit zal geven voor ouders en scholen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de minister met
deze brief de aangenomen motie2 van de leden Kwint en
Westerveld als afgedaan ziet. Deze leden zien echter niet helemaal in de
brief de relatie met toelaatbaarheidsverklaringen (TLV), waar expliciet
in de motie om gevraagd werd. Kan de minister dit nog nader
verduidelijken? De leden vragen dit omdat zij nog steeds signalen
krijgen van ouders dat er problemen zijn met TLV’s.
Tenslotte zijn deze leden ook benieuwd naar de samenhang tussen regulier
en gespecialiseerd onderwijs. Zij maken zich al jaren sterk voor een
groei van plekken waar beide gecombineerd worden, zoals bijvoorbeeld bij
Samen naar Schoolklassen. Kan de minister uitleggen waarom er niet
gekozen is om bijvoorbeeld ook verplicht regionale afspraken te maken
over de inzet van zorg binnen het regulier onderwijs, zodat er tot
duurzame (financiële) borging gekomen kan worden van initiatieven als
Samen naar Schoolklassen en andere innovatieve oplossingen voor zorg in
regulier onderwijs?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie danken de voormalige staatssecretarissen VWS en OCW voor het verstrekken van het evaluatieonderzoek naar de zorgarrangeurs, de eindevaluatie van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd en de brief over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO).
Deze leden constateren dat zowel uit de evaluatie van de zorgarrangeurs als uit de eindevaluatie van het Wlz-experiment blijkt dat knelpunten rond organisatie en financiering van zorg in onderwijstijd hardnekkig zijn. Tegelijkertijd worden verschillende instrumenten voortgezet of beëindigd. Daarover hebben de leden van de PVV-fractie enkele vragen.
In de brief wordt een wetswijziging aangekondigd die overleg en samenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden en zorgkantoren verplicht stelt, inclusief een geschillenregeling. De leden van de PVV-fractie vragen wat het beoogde tijdpad voor indiening en inwerkingtreding is van deze wetswijziging. Ook vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de verplichte overlegstructuur daadwerkelijk leidt tot concrete regionale afspraken. De leden van de PVV-fractie vragen de minister welke sancties of interventiemogelijkheden bestaan indien partijen niet tot afspraken komen, ondanks de geschillenregeling. Ook vragen genoemde leden op welke wijze de evaluatie vijf jaar na inwerkingtreding wordt vormgegeven.
Voor cluster 1 en 2 wordt aangesloten bij het Landelijk Transitiearrangement (LTA). De leden van de PVV-fractie vragen de minister wat de looptijd is van deze tijdelijke werkwijze. Ook vragen deze leden op welke wijze wordt beoordeeld of het LTA daadwerkelijk leidt tot verbeterde toegankelijkheid en minder bureaucratie voor cluster 1 en 2-scholen. De leden van de PVV-fractie vragen de minister of parallel wordt onderzocht of op langere termijn een structurele integrale financieringsoplossing mogelijk is.
De EMB-regeling blijft tot en met 2026 gehandhaafd. De leden van de PVV-fractie vragen wat er gebeurt na 2026 met de middelen die nu via de EMB-regeling beschikbaar worden gesteld. Deze leden vragen tevens of voorafgaand aan het aflopen van de regeling een evaluatie wordt uitgevoerd en zo ja, wanneer de Kamer deze ontvangt.
De leden van de PVV-fractie constateren dat meerdere trajecten naast elkaar lopen: zorgarrangeurs, wetswijziging, LTA, EMB-regeling en beëindiging van het Wlz-experiment. Deze leden vragen de minister in één overzicht te schetsen hoe deze instrumenten zich tot elkaar verhouden in termen van doel, doelgroep, financieringsstroom en tijdpad. De leden van de PVV-fractie vragen ook wie uiteindelijk stelselverantwoordelijkheid draagt voor de samenhang tussen onderwijs, Jeugdwet en Wlz in onderwijstijd.
De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de reactie van het veld op de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden de volgende aanvullende vragen. De reactie stelt dat de voorgestelde verbeteraanpak onvoldoende structureel is en ruimte laat voor blijvende rechtsongelijkheid tussen regio’s. De leden van de PVV-fractie vragen de minister hoe zij voorkomt dat kinderen afhankelijk blijven van regionale bestuurlijke bereidheid in plaats van landelijke borging van rechten.
De leden vragen waarom, ondanks herhaalde signalen uit evaluaties en praktijk, niet wordt gekozen voor een structurele, collectieve financieringsoplossing voor zorg in onderwijstijd over domeinen heen. Welke inhoudelijke of financiële belemmeringen staan een dergelijke oplossing volgens de minister in de weg?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt geborgd dat schoolbesturen en zorgaanbieders binnen cluster 3 en 4 daadwerkelijk volwaardig en rechtstreeks betrokken worden bij regionale afspraken, zoals in de reactie wordt bepleit, en waarom dit niet expliciet wettelijk wordt vastgelegd.
Ten aanzien van de EMB-leerlingen vragen de leden van de PVV-fractie waarom opnieuw is gekozen voor verlenging van een tijdelijke regeling, terwijl de Kamer eerder heeft uitgesproken te willen komen tot landelijke, structurele bekostiging. Wanneer kunnen scholen en ouders duidelijkheid verwachten over een definitieve oplossing?
Genoemde leden vragen hoe de minister reflecteert op het beëindigen van het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd, terwijl dit experiment juist werd gezien als een noodzakelijke stap richting collectieve financiering. Waarom is geen alternatief instrument geïntroduceerd om deze beweging voort te zetten?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie hoe de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd zich verhoudt tot de bredere ambitie richting inclusief onderwijs. Welke concrete stappen worden gezet om te voorkomen dat ZiO beperkt blijft tot het gespecialiseerd onderwijs en niet structureel wordt geborgd in het regulier onderwijs.
De leden van de PVV-fractie zien uit naar de beantwoording van de gestelde vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid aanvullende vragen te stellen over de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden willen specifiek ingaan op de voorstellen die in de brief worden genoemd om de samenwerking te verbeteren tussen verschillende organisaties die betrokken zijn bij zorg in onderwijstijd.
De minister stelt dat een samenwerkingsverband zorgt voor het realiseren van een dekkend aanbod van ondersteuningsvoorzieningen. Vervolgens is de gemeente aan zet voor het aanbieden van jeugdhulp en het zorgkantoor voor langdurige zorg voor leerlingen met een Wlz-indicatie. Kan de minister uiteenzetten of er overlap kan zitten tussen ondersteuningsvoorzieningen vanuit het samenwerkingsverband en vanuit de gemeente? Is hier een duidelijke afbakening tussen? Of verschilt dit per school en per samenwerkingsverband?
Zowel in de Jeugdwet als in de onderwijswetgeving zal worden geregeld dat gemeenten, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en zorgkantoren overleg voeren over het zoveel mogelijk in samenhang aanbieden van onderwijsondersteuning, langdurige zorg en jeugdhulp op gespecialiseerde scholen (cluster 3 en 4). De leden van de CDA-fractie vinden dit een goed voornemen en begrijpen dat hiermee de onrust in de klas (door verschillende zorg en hulpverleners) kan worden tegengaan.
In de brief stelt de minister dat de langdurige zorg een verzekering is met individuele aanspraken die na een indicatie, individueel kunnen worden ingezet. Daarom willen deze leden graag meer uitleg over hoe deze twee uitersten, zoveel als mogelijk in samenhang aanbieden van ondersteuning, zich tot elkaar verhouden? Hoe werkt dit in praktijk uit als ouders staan op dit individuele recht of inzet via een pgb? Gezien het feit dat het NZa experiment Wlz zorg in onderwijstijd niet geslaagd is vragen deze leden zich of hieruit lessen te trekken zijn om meer ‘collectieve zorg’ op cluster 3 en 4 scholen te organiseren.
De betrokken partijen worden aangemoedigd afspraken zo veel mogelijk op regionaal niveau te maken, en bij voorkeur collectief te organiseren en financieren. Dit vinden deze leden een begrijpelijk uitgangspunt maar hoe wil de minister vervolgens regelen dat er duidelijkheid is tussen de afbakening per regio? Bij welke regio-indeling wordt er aangesloten? De minister is voornemens dit voorstel op te nemen in het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdhulp, gezien de noodzaak voor verbetering op een zo kort mogelijke termijn. In welke onderwijswetgeving wil de minister bovenstaande opnemen? Hoe verhoudt het convenant ‘stevige lokale teams’ zich tot de Reikwijdtewet?
In de brief lezen de leden van de CDA-fractie dat in het convenant is opgenomen dat schoolbesturen en gemeenten afspraken maken over de inzet en de aanwezigheid van het lokale team op school voor ondersteuning in de context van de school. Het doel hiervan is zoveel mogelijk kinderen in de reguliere omgeving onderwijs te laten volgen. Wat is de huidige stand van zaken van dit convenant? Worden er concrete afspraken gemaakt om zoveel mogelijk kinderen regulier onderwijs te laten volgen.
Het verlengen van de huidige EMB-bekostiging tot en met 2026 voorkomt een acuut probleem maar schuift de structurele oplossing opnieuw vooruit. De leden van de CDA-fractie zijn geïnteresseerd welke structurele oplossing(en) de minister voor zich ziet. Ziet de minister hierbij een rol voor de samenwerkingsverbanden? De groep leerlingen met ernstig meervoudige beperkingen is toch een duidelijke en afgebakende doelgroep?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Deze leden hebben geen vragen aan de minister.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van de minister. Deze leden zijn blij dat na vele jaren van moeitevolle afstemming en onduidelijkheid eindelijk stapjes gezet kunnen worden om de afstemming tussen zorg en onderwijs te verbeteren. Zij hopen op een voortvarende uitvoering van de voornemens, die tot duidelijke kaders en aanspraken moeten leiden.
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de positie van schoolbesturen in de beoogde gezamenlijke afspraken over collectieve financiering. Deze leden lezen in de brief dat vooral gemeenten, zorgkantoren en samenwerkingsverbanden in overleg moeten treden, terwijl de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk organiseren van zorg voor de leerling berust bij het bevoegd gezag van de scholen. Wat is binnen de voorgestelde ontwikkeling hun positie in het samenwerkingsverband en ten opzichte van externe partners zoals gemeenten en zorgkantoren en de afspraken die gemaakt worden?
De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde aanpassingen van de wetgeving in de brief specifiek betrekking hebben op gespecialiseerde scholen. Deze leden vragen een toelichting op deze beperking. Waarom worden reguliere scholen, zeker in het licht van de inzet op inclusiever onderwijs, op voorhand buiten beschouwing gelaten als het gaat om de afstemming met de Jeugdwet en de Wlz?
De leden van de SGP-fractie zouden graag meer duiding ontvangen van de inhoud van de wettelijke aanpassingen. De brief lijkt te suggereren dat enkel een algemene overlegplicht voor de betrokken partijen wordt geregeld. Daarmee bestaat het risico dat nog steeds onvoldoende duidelijke kaders en afspraken worden gecreëerd en dat basale aanspraken in sommige regio’s niet gerealiseerd kunnen worden. Deze leden vragen een nadere toelichting.
Het is de leden van de SGP-fractie nog niet duidelijk hoe binnen de beoogde collectieve financiering de verhouding is tussen de zorg die nu bijvoorbeeld op basis van de Wlz op school wordt verleend en in de thuissituatie. Deze leden wijzen erop dat in de afgelopen jaren vaak een spanning bestond tussen de behoefte van ouders om een indicatie zoveel mogelijk te benutten voor de ondersteuning thuis en dat scholen aanspraak wilden maken op (een deel van) het budget om de ondersteuning in de klas te financieren. In hoeverre gaat de wetswijzigingen hierover duidelijkheid scheppen en wordt in ieder geval de noodzaak en de mogelijkheid van schimmige constructies vermeden?
De leden van de SGP-fractie vragen de minister in te gaan op de samenhang tussen de Leerplichtwet en de bekostiging van zorg in onderwijs. Zij wijzen erop dat de kaders en de uitvoering van de Leerplichtwet ook een belangrijke schakel vormen als het gaat om de mogelijkheid om (collectieve) financiering van zorg in onderwijs te kunnen realiseren. Kan de minister aangeven welke concrete knelpunten zij ziet op dit snijvlak en welke oplossingen hiervoor voorgesteld worden? Op welke wijze en wanneer wordt voorzien in een duidelijker regeling om op betrouwbare en professionele wijze vast te stellen in hoeverre een kind in staat is onderwijs te volgen en om volledige vrijstellingen tot het minimale te beperken?
Naar aanleiding van ‘Positie clusters 1 en 2'. De leden van de SGP-fractie delen de constatering dat de voorgenomen wetsaanpassingen niet passend zijn voor de clusters 1 en 2. Deze leden vragen of de minister kan bevestigen dat er geen voornemens zijn om de status van deze clusters aan te passen, gezien de bijzondere, specialistische aard van de ondersteuning.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de minister in de brief ten aanzien van de clusters 1 en 2 enkel ingaat op de afstemming tussen de financiering op basis van de Jeugdwet en het onderwijs en dat de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs buiten beschouwing blijft. Zij vragen een toelichting op de afstemming tussen de Wlz en het onderwijs voor de clusters 1 en 2. Ziet de minister ook de wenselijkheid om voor deze clusters collectieve financiering mogelijk te maken op grond van de Wlz?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen over de brief van de voormalige staatssecretarissen van VWS en OCW over de Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd (ZiO).
Kan worden aangegeven hoe de in deze brief geschetste verbeteraanpak overeenkomt met de aanpak die in de Kamerbrief van juli 2023 is geschetst (Kamerstuk 31497, nr. 466)? Wat zijn de resultaten geweest van de acties uit deze eerdere brief?
Ten aanzien van de aanpassing van wetgeving voor cluster 3 en 4 zien de leden van de ChristenUnie-fractie dat dit een stap in de goede richting is om meer samenwerking en afstemming af te dwingen. Tegelijk maken deze leden zich zorgen over de slagkracht en effectiviteit van een lokaal overleg met lokale scholen. Ziet de minister ook dat schoolbesturen met mandaat (die geregeld gemeenteoverstijgend actief zijn) aan tafel dienen te zitten om het overleg effectief te laten zijn? En op welke manier kan afgedwongen worden dat er regionaal wordt overlegd omdat cluster 3 en 4 onderwijs de lokale setting meestal overstijgt? Heeft de minister dit overwogen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het stimuleren van bestuurlijke afspraken op regionaal of lokaal niveau voor cluster 3 en 4, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen om het maken van afspraken te verplichten. Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking vinden de leden van de ChristenUnie-fractie het teleurstellend dat er nog steeds geen structurele oplossing is. Is de minister voornemens om daar wel aan te werken?
De leden van de ChristenUnie-fractie houden vast aan de ambitie om Zorg in Onderwijstijd ook in het regulier onderwijs te introduceren en te borgen. Heeft de minister deze ambitie ook, zo vragen deze leden.
Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke impact wordt verwacht van deze verbeteraanpak ten aanzien van thuiszitters. Worden zij met de voorgestelde aanpak uiteindelijk beter begeleid en naar onderwijs geleid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief inzake Verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Genoemde leden hebben op dit moment geen nadere vragen of opmerkingen aan de minister.
Reactie van de minister
Kamerstuk 31497, nr. 507.↩︎
Kamerstuk 31497, nr. 409.↩︎