Verslag
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader)
Nummer: 2026D08986, datum: 2026-02-27, bijgewerkt: 2026-02-27 15:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.T. Boomsma, Tweede Kamerlid (JA21)
- Mede ondertekenaar: L.L. Nouse, adjunct-griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 36871 -5 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) .
Onderdeel van zaak 2025Z22479:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Asiel en Migratie
- Medeindiener: M.C.G. Keijzer, minister voor Asiel en Migratie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-01-13 15:10: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-01-22 13:00: Procedurevergadering Asiel en Migratie (Procedurevergadering), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-02-10 17:30: Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Technische briefing), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-02-26 12:00: Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Asiel en Migratie
Preview document (š origineel)
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 5 Verslag
Vastgesteld 27 februari 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
Gezamenlijke inbreng commissie 2
Inbreng leden van de fracties 8
Algemeen deel 8
Inleiding 9
Asiel- en migratiepact 2026 11
Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026 11
Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving 13
Terugkeer in het Asiel- en migratiepact 14
Relevantie Terugkeerrichtlijn 14
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening 15
Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347 15
Algemeen 15
Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel 17
Verblijfstitel 19
Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar 20
Verblijf gezinsleden 20
Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd 23
Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348 24
Algemeen 24
Schrappen nationale procedureregels 25
Afschaffen voornemenprocedure 26
Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten 27
Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen 27
Beroep bij de rechter in asielprocedure 28
(Verplichte) asielgrensprocedure 28
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand 28
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351 29
Algemeen 29
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel 32
Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346 32
Algemeen 32
Toewijzing geografisch gebied 34
Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000 35
Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico 37
Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming 38
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de
Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020 38
Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356 38
Algemeen 38
Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten 39
Toezicht en rechten van betrokkenen 40
Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358 41
Algemeen 41
Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac 41
Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden 41
Overige onderdelen van de verordening 41
Wet arbeid vreemdelingen 42
Hoofdlijnen van het voorstel 42
Verhouding tot hoger recht 42
Overgangsrecht en inwerkingtreding 43
Uitvoerings- en administratieve lasten en financiƫle gevolgen 44
Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen 44
Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak 45
Financiƫle gevolgen 45
Consultatie en advies 45
Artikelsgewijze toelichting 46
Artikel I Vreemdelingenwet 2000 46
Overig 47
Gezamenlijke inbreng commissie
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Rajkowski (VVD-fractie) en Boomsma (JA21-fractie) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke inbreng opgesteld met enkele vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering. Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van toelichting aangehouden. In algemene zin worden vragen gesteld over de delegatie van regelgevende bevoegdheid, de uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak en monitoring en evaluatie. Ook worden vragen gesteld over verschillende elementen van de implementatie en uitvoering van de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening, de Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening.
Algemeen
Maatregelen die reeds door de Tweede Kamer zijn aangenomen in het kader van de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel (conform de transponeringstabellen in Kamerstuk 32317, nr. 988) worden in de gezamenlijke inbreng van de commissie buiten beschouwing gelaten. Kan de regering (her)bevestigen dat de overeenkomstige maatregelen in onderhavig wetsvoorstel materieel niet afwijken van de maatregelen zoals behandeld in de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel? Kan de regering uiteenzetten over welke overige onderwerpen in dit wetsvoorstel nationale beleidskeuzes zijn gemaakt die niet rechtstreeks voortvloeien uit het Pact? In hoeverre komen de nationale keuzes in Nederland overeen met de wijze waarop het Pact wordt geïmplementeerd in buurlanden als België en Duitsland?
Delegatie van regelgevende bevoegdheid
De leden van de commissie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) opmerkingen heeft gemaakt over het gebruik van delegatie in het wetsvoorstel. Veel regels worden gemaakt door de regering of een minister, zonder noodzakelijke voorafgaande betrokkenheid van het parlement. De Afdeling adviseert om de delegatie van regelgevende bevoegdheid in het wetsvoorstel naar aard en omvang te beperken en in de toelichting te motiveren waarom in voorkomende gevallen wordt gekozen voor delegatie. De regering benoemt in reactie daarop onder meer het belang van flexibiliteit en slagvaardigheid voor de uitvoering en meent dat verschillende onderwerpen zich lenen voor uitwerking op een lager niveau van regelgeving.
Tegen deze achtergrond achten de leden van de commissie het van belang om, mede gelet op de korte implementatietermijn, inzicht te krijgen in de beoogde invulling van de delegatiegrondslagen. Kan de regering een schematisch overzicht verstrekken van de in het wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslagen, de onderwerpen die bij lagere regelgeving zullen worden uitgewerkt en een indicatie van de materiƫle uitwerking daarvan?
Uitvoeringsgevolgen voor de rechtspraak
De leden van de commissie constateren dat de gevolgen voor rechtsprekende instanties een aandachtspunt zijn bij dit wetsvoorstel. Deze leden merken op dat in de memorie van toelichting en het nader rapport meerdere keren wordt benadrukt dat het ministerie met de rechtspraak in gesprek blijft over de uitvoerbaarheid van de maatregelen. Daarbij wordt erkend dat extra financiƫle middelen op korte termijn het structurele werklast- en capaciteitsprobleem mogelijk niet kunnen oplossen. De beslisnota bij het wetsvoorstel noemt in dit verband de mogelijkheid om wettelijke bepalingen die zien op nationale keuzes separaat in werking te laten treden, maar in het wetsvoorstel wordt geen melding gemaakt van een dergelijk voornemen.
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten welke concrete bespreekpunten nog voorliggen in het overleg met de rechtspraak en wat de stand van zaken is van deze gesprekken. Hoe beoordeelt de regering de uitvoerbaarheid van het voorstel voor de rechtspraak? Wordt voorzien dat de maatregelen in dit wetsvoorstel ten koste kunnen gaan van de tijdige behandeling van andere (vreemdelingen- of niet-vreemdelingenrechtelijke) zaken? Zo ja, welk type zaken worden daardoor naar verwachting geraakt? Overweegt de regering om gebruik te maken van gedifferentieerde inwerkingtreding van onderdelen van dit wetsvoorstel die niet noodzakelijkerwijs uit het Pact voortvloeien? Zo ja, welke onderdelen komen daarvoor in aanmerking? Op basis van welke criteria en in welk stadium wordt dit besluit genomen?
Monitoring en evaluatie
De leden van de commissie constateren dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat. Gelet op de ingrijpende aard van de wijzigingen en de grote gevolgen voor de uitvoering, achten deze leden het relevant te weten op welke wijze de regering de implementatie beoogt te monitoren en evalueren. Is de regering bereid te voorzien in een evaluatie voor de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel? Kan de regering daarbij aangeven op welke succesfactoren dan geƫvalueerd zal worden? Kan de regering ook ingaan op de vraag of zij het instrument van de invoeringstoets in het geval van onderhavig wetsvoorstel nuttig acht om op relatief korte termijn een beeld te krijgen van de ervaringen en waar nodig te kunnen bijsturen?
Procedureverordening
Geluidsopname persoonlijk onderhoud
De leden van de commissie constateren dat het in de toekomstige asielprocedure verplicht wordt een geluidsopname te maken van het gehoor met de asielzoeker over zijn vluchtmotieven. In de huidige procedure wordt alleen een rapport van het gehoor opgemaakt. Het voorgestelde artikel 83bb Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) voorziet erin dat de opname van het persoonlijk onderhoud als bewijs wordt toegelaten in de beroepsprocedure. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) momenteel, in overleg met de Raad voor de rechtspraak (Rvdr), onderzoekt via welke IV-voorziening deze opnames toegankelijk kunnen worden gemaakt voor de rechterlijke macht. Daarbij wordt onderkend dat het structureel opnemen, bewaren en in de beroepsfase beschikbaar stellen van (delen van) het persoonlijk onderhoud aanzienlijke inspanningen vergt en extra IV-capaciteit vraagt, zowel bij de IND als bij de rechtspraak.
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheidsgevolgen voor de IND en de rechtspraak van de verplichting om het persoonlijk onderhoud structureel op te nemen, te bewaren en in de beroepsfase ter beschikking te stellen beoordeelt. Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de IND in overleg met de Rvdr en hoe wordt de Kamer geĆÆnformeerd over de uitkomst hiervan? Verwacht de regering dat rechters en procespartijen in beroepsprocedures vaak geacht zullen worden om de geluidsopnames te beluisteren? Ziet de regering ruimte voor mitigerende maatregelen om te voorkomen dat deze verplichting leidt tot een onevenredige belasting van de capaciteit van de IND en de rechtspraak? Staat de verordening het toe om nadere regels te stellen met begrenzing van de gevallen waarin opnames kunnen worden betrokken of nadere procedurele afspraken te maken over het gebruik daarvan?
De leden van de commissie constateren dat naast een geluidsopname artikel 14 van de Procedureverordening ook verplicht tot het maken van een verslag van het persoonlijk onderhoud. Volgens de memorie van toelichting blijft de mogelijkheid behouden voor de vreemdeling om in de asielprocedure correcties en aanvullingen in te dienen bij dit verslag. Klopt het dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 83bb Vw 2000 ten onrechte nog uitgaat van het verval van de mogelijkheid voor aanvullingen en correcties, terwijl de regering voornemens is om deze procedurestap te behouden?
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de commissie lezen dat de IND is gevraagd om met ingang van het Pact de uitvoering van de juridische counseling op zich te nemen. Dit betreft kosteloze juridische ondersteuning in het begin van de procedure. Inhoudelijk advies over individuele zaken is voorbehouden aan de advocatuur vanaf het moment waarop de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om correcties en aanvullingen te leveren. Deze leden merken op dat de Afdeling aandacht vraagt voor de ruime delegatie ten aanzien van de juridische counseling. De regering geeft daarbij aan dat erkenning, toelating en accreditatie van juridische counselors en organisaties zich bij uitstek lenen voor regeling bij ministeriƫle regeling. Deze leden constateren dat de regering voornemens is de uitvoering van de juridische counseling te beleggen bij de IND, die tevens beslissingsautoriteit is in de asielprocedure. In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat met het voorgestelde artikel 36 Vw 2000 niet wordt beoogd het stelsel van de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 te vervangen. Wel wordt verwezen naar het voornemen uit het Regeerprogramma 2024 om de rechtsbijstand bij asielaanvragen te beperken. In de memorie van toelichting benoemt de regering dat eventuele aanpassing van de rechtsbijstandsregelgeving zal moeten gebeuren in een separaat traject.
De leden van de commissie vragen de regering toe te lichten op welke wijze de huidige advocatenbijstand in de bestuurlijke fase van de asielprocedure is geregeld. Is het mogelijk om voor het aanpassen van de rechtsbijstandregelgeving gebruik te maken van de in dit wetsvoorstel opgenomen delegatiegrondslag aan de minister (de in artikel 36, tweede lid, onderdeel c Vw 2000 genoemde āregels over het uitsluiten of beperken daarvanā) of is daarvoor een wetswijziging nodig? In de memorie van toelichting lezen deze leden dat de regering het advies van de commissie Van Zwol betrekt bij de uitwerking van de Nederlandse inrichting van de verplichtingen rondom juridische counseling (Kamerstuk 19637, nr. 2501). Kan de regering nader toelichten welke punten zij meeneemt uit dit advies?
De leden van de commissie vragen hoe de rol van de IND als beslissingsautoriteit zich verhoudt tot de taak van juridische counseling. Is de regering bekend met andere lidstaten waarin de taken van beslissingsautoriteit en juridische counseling binnen ƩƩn organisatie zijn verenigd? Hoe wordt geborgd dat juridische counseling door de IND een aparte, rolzuivere voorziening is? Heeft de regering andere uitvoerders voor de juridische counseling overwogen en op basis van welke overwegingen is de keuze voor de IND gemaakt? Hoe wordt er omgegaan met asielzoekers die ten tijde van de juridische counseling verzoeken om inhoudelijk advies over hun individuele zaak?
De leden van de commissie vragen naar de verenigbaarheid van de voorgestelde Nederlandse asielprocedure met het recht op een effectief rechtsmiddel zoals geborgd in artikel 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Deze leden constateren dat een aantal van de eerdere nationale waarborgen voor effectieve rechtsbescherming (twee gehoren, professionele rechtsbijstand vanaf het begin van de procedure en de mogelijkheid een zienswijze in te dienen in reactie op een voornemen tot afwijzing) wordt beperkt of vervalt met de implementatie van het Asiel- en migratiepact. Kan de regering de stapeling van maatregelen met betrekking tot de asielprocedure expliciet toetsen aan artikel 13 van het EVRM?
Asiel- en migratiebeheerverordening
Versoberde opvang na overdrachtsbesluit
De leden van de commissie merken op dat een asielzoeker op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening het recht op opvangvoorzieningen verliest zodra hij in kennis is gesteld van een overdrachtsbesluit aan een andere lidstaat (āDublinclaimantenā). Deze leden constateren dat de wijze waarop onderdak zal worden geboden aan Dublinclaimanten, evenals de mate van versobering van het onderdak, thans nog onderwerp is van nadere uitwerking. Daarbij valt op dat de regering in de memorie van toelichting erkent dat het versoberen van opvangvoorzieningen in de regel leidt tot hogere kosten. In dit kader heeft de VNG gewezen in haar advies over dit wetsvoorstel op het risico van dakloosheid en negatieve consequenties voor de leefbaarheid wanneer Dublinclaimanten geen opvang meer wordt geboden. In de brief van 22 januari 2026 lezen deze leden dat het in kaart brengen van verschillende aspecten rondom de versoberde opvang tijd vraagt en dat de regering streeft naar een realistische en uitvoerbare implementatiestrategie voor het einde van het jaar (Kamerstuk 32317, nr. 992). Op welke wijze wordt opvang aan Dublinclaimanten geboden totdat de implementatiestrategie van de āDublinonderdaklocatiesā gereed is? Hoe wordt de Kamer geĆÆnformeerd over de stappen die worden gezet bij de totstandkoming van de implementatiestrategie? Hoe is de regering voornemens te bepalen waar versoberde opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten zullen worden gerealiseerd en welke criteria daarbij worden gehanteerd? Welke rol hebben gemeenten bij de besluitvorming over de locatie, schaal en inrichting van deze versoberde opvangvoorzieningen? Welke maatregelen treft de regering om te voorkomen dat hierdoor extra druk ontstaat op de openbare orde, zorgvoorzieningen en handhaving? Tot hoeveel extra kosten verwacht de regering dat deze vorm van versoberde opvang zal leiden?
Opvangrichtlijn
Onbenutte beleidsruimte
De leden van de commissie merken op dat de regering in de transponeringstabel bij enkele gevallen van nationale beleidsruimte summier toelicht dat gekozen is om hier geen gebruik van te maken. De leden van de commissie vragen wat de motivering is om geen gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 18, tweede alinea van de Opvangrichtlijn biedt om een eigen bijdrage te verzoeken voor taalcursussen en inburgeringscursussen, terwijl dit wel geldt voor beroepsonderwijs. Wat is de motivering van de regering om geen gebruik te maken van de optie die uit artikel 23, tweede lid, eerste alinea, punten e en f van de Opvangrichtlijn volgt om integratiemaatregelen verplicht te stellen?
Toewijzing geografisch gebied
In het voorgestelde artikel 55.0a Vw 2000 wordt een bevoegdheid geĆÆntroduceerd om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied in het kader van de uitvoering van de herschikte Opvangrichtlijn. De leden van de commissie lezen dat de regering de mogelijkheid wil hebben om hier gebruik van te kunnen maken, eventueel voor asielzoekers afkomstig uit zogenaamde veilige landen van herkomst, maar lezen geen nadere toelichting op dit voornemen. In welke situaties is de regering voornemens gebruik te maken van de bevoegdheid om asielzoekers toe te wijzen aan een geografisch gebied? Voor hoeveel asielzoekers beoogt de regering dit instrument in te zetten? Aan wat voor omvang en geografische afbakening van een gebied denkt de regering daarbij? Welk onderscheid maakt de regering tussen de toepassing van toewijzing aan een geografisch gebied en andere vrijheidsbeperkende maatregelen zoals vreemdelingenbewaring? Op welke wijze zullen deze gebieden worden aangewezen en wordt hiervoor het gebied rondom bestaande opvangvoorzieningen als uitgangspunt genomen? Op welke wijze beoogt de regering deze besluitvorming vorm te geven en hoe is zij voornemens om het lokaal bestuur en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) te betrekken bij deze aanwijzing?
Screeningsverordening
Uitvoering screeningsautoriteit
De leden van de commissie constateren dat in het Nationale Implementatieplan de volgende passage is opgenomen: āAls resultaat van het programma herontwerp I&R, is de taakorganisatie Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers (DISA) ontstaan die per 1 januari 2025 de I&R werkzaamheden op zich neemt op de asiel aanmeldlocatiesā (Kamerstuk 32317, nr. 908). Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat de IND dit proces van identificatie en registratie zal uitvoeren met ingang van het Pact. In de IND-analyse van de uitvoerbaarheid van het Pact lezen deze leden daarnaast dat er geen structuur is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten.
De leden van de commissie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de screening beoordeelt, gelet op deze organisatorische wijzigingen in korte tijd. Indien er een uitvoeringstoets voor de screeningsprocedure beschikbaar is, kan de regering deze delen met de Kamer? Zo nee, is nog voorzien in een uitvoeringstoets? Werkt de regering aan de mogelijkheid om screeningsformulieren uit te wisselen met andere lidstaten om het proces te versnellen? Wat is de status hiervan?
Verwerking van persoonsgegevens door het Toezichtsmechanisme
De leden van de commissie constateren dat het College voor de Rechten van de Mens in reactie op het voorgenomen uitvoeringsbesluit heeft benadrukt dat een expliciete wettelijke verwerkingsgrondslag noodzakelijk is om in het kader van het voorgestelde Toezichtsmechanisme te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit het medisch beroepsgeheim en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De regering stelt in de memorie van toelichting dat de Screeningsverordening een toereikende grondslag biedt voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens.
De leden van de commissie vragen of de in de Screeningsverordening neergelegde grondslag voor de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens naar het oordeel van de regering voldoende specifiek en concreet is om te kunnen voldoen aan de eisen van artikel 6 en artikel 9 AVG, mede gelet op de aard en gevoeligheid van medische gegevens. Hoe weegt de regering de opmerking van het College voor de Rechten van de Mens dat doorbreking van het beroepsgeheim noodzakelijk kan zijn voor de uitvoering van het Toezichtsmechanisme? Kan de regering de verhouding duiden tussen het voorgestelde artikel 2hh Vw 2000 en artikel 6, derde lid, van de Wet College voor de Rechten van de Mens waarin is vastgelegd dat het beroepsgeheim niet wordt doorbroken bij de verstrekking van gegevens aan het College voor de Rechten van de Mens?
De leden van de commissie vragen hoe de regering beoordeelt of bij de verwerking van bijzondere persoonsgegevens daadwerkelijk wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden die artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG stelt, te weten: dat de verwerking evenredig is in verhouding tot het nagestreefde doel, dat de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geƫerbiedigd en dat passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkene.
Vragen naar aanleiding van de in de Tweede Kamer georganiseerde technische briefing en het rondetafelgesprek
De leden van de commissie lezen dat de regering in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel stelt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet kan worden gehandhaafd onder het Pact. VluchtelingenWerk Nederland heeft deze maatregel bij het rondetafelgesprek op 12 februari 2026 gekwalificeerd als een voornemen waar het Pact niet toe verplicht. Kan de regering nader toelichten of de afschaffing van de asielvergunning voor onbepaalde tijd rechtstreeks voortvloeit uit het Asiel- en migratiepact of een nationale beleidskeuze betreft?
De leden van de commissie constateren dat in het wetsvoorstel is opgenomen dat minderjarige vreemdelingen in de regel niet in vreemdelingenbewaring worden gesteld, maar dat dit in uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden. Kan de regering nader toelichten welke omstandigheden aanleiding kunnen geven voor het in vreemdelingenbewaring stellen van minderjarigen? Welke alternatieven worden overwogen voordat wordt overgegaan tot vreemdelingenbewaring van minderjarigen? Hoe weegt de regering de stelling van VluchtelingenWerk Nederland dat de detentie van minderjarigen in strijd is met het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties (VN)?
Inbreng leden van de fracties
Algemeen deel
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een snelle, volledige en zorgvuldige implementatie en uitvoering van het Pact. Het Pact biedt volgens deze leden voor Nederland en de Europese Unie (EU) de kans om de instroom van asielzoekers significant te verminderen en om de terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers te bevorderen. Het Pact is daarnaast volgens deze leden een belangrijke stap naar een nieuw asielstelsel waarbij asielaanvragen alleen nog maar buiten de EU kunnen plaatsvinden. Voornoemde leden hebben nog wel een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van belang dat Nederlandse wetgeving wordt afgestemd op het Europees Asiel- en Migratiepact. Snelle en zorgvuldige procedures aan de buitengrenzen van Europa, solidariteit en het waarborgen van mensenrechten, dragen volgens deze leden bij aan een humaner beleid.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (hierna: het wetsvoorstel) en hebben een aantal opmerkingen en vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden danken de regering hiervoor en hopen op een spoedige behandeling van onderhavig wetsvoorstel, zodat de Europese implementatiedeadline van 12 juni 2026 kan worden gehaald. Zij maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen aan de regering over deze Uitvoeringswet.
De leden van de JA21-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel ter uitvoering en implementatie van het Pact, de memorie van toelichting en de onderliggende verordeningen en richtlijn. Deze leden zijn van mening dat het noodzakelijk is en urgent om de asielmigratie naar Nederland drastisch te beperken, dat opvang in principe in landen in de buurt van de landen van herkomst en buiten de EU moet plaatsvinden en dat de regering daartoe maximaal gebruik dient te maken van de mogelijkheden die de internationale en Europese juridische kaders bieden. Tegelijkertijd spreken deze leden de zorg uit dat de belangrijkste weeffouten van het asielstelsel niet worden opgelost. De memorie van toelichting stelt dat het doel van deze wetgeving onder meer is dat Nederland structureel tot de groep landen moet gaan behoren met de strengste toelatingsregels van de EU. Is dat nog altijd het streven van deze regering? Zo ja, kan de regering onderbouwen hoe dat verlangen gestalte heeft gekregen en/of daarvoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen het wetsvoorstel. Hier zijn nog een aantal vragen over.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. De nieuwe Opvangrichtlijn en nieuwe verordeningen vragen om wetswijzigingen. Deze leden maken van de gelegenheid gebruik om hun zorgen te delen en hun vragen aan de regering te stellen.
Inleiding
De leden van de VVD-fractie vragen op welke onderdelen van dit wetsvoorstel de regering kiest voor normen die soepeler zijn dan de Europese minimumnormen die de onderliggende bepalingen uit de desbetreffende richtlijn voorschrijven. Waarom heeft de regering hiervoor gekozen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen en opmerkingen bij de manier waarop het Pact in de implementatiewet een nationale invulling heeft gekregen. Deze invulling geeft volgens deze leden duidelijke politieke keuzes aan, die op een aantal punten schuren met principes van solidariteit en internationale mensen-en kinderrechtenverdragen. Het detineren van kinderen is volgens deze leden bewezen schadelijk, onwenselijk en onnodig.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat uit de afgelopen JBZ-Raden bleek dat het solidariteitsprincipe nog niet vanzelfsprekend is en dat een aantal landen ā waaronder Nederland ā ervoor kiest om de opvangplekken af te kopen in plaats van mensen op te vangen. Een tweetal EU-landen ā Hongarije en Slowakije ā weigert überhaupt mee te werken aan het solidariteitsmechanisme. In het coalitieakkoord staat op pagina 36: āZolang de opvangketen in Nederland niet op orde is, vult Nederland het solidariteitsmechanisme financieel inā. Deze leden zijn van mening dat de regering alles op alles moet zetten om de keten dus op orde te brengen, met voldoende investeringen, eerlijke spreiding en zo veel mogelijke kleinschalige en volwaardige opvang. Deze leden zijn ook van mening dat Nederland het solidariteitsprincipe niet zou moeten afkopen. Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt als zoveel mogelijk landen daaraan bijdragen? Is de regering het eens met de stelling dat het solidariteitsprincipe alleen werkt wanneer landen die volgens de systematiek geen recht hebben op een korting gezien de āsignificante migratiesituatieā niet allemaal de relocatie afkopen? Wanneer is wat de regering betreft de keten op orde en hoe gaat de regering ervoor zorgen dat dit zo snel mogelijk gebeurt?
Het Pact is ontworpen om de asielketen in Europa op orde te brengen, maar moet er volgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook voor zorgen dat de omstandigheden voor mensen die vluchten voor oorlog en geweld verbeteren. Wat is er volgens de regering verbeterd als het gaat om de rechten en levensomstandigheden van mensen die asiel aanvragen? Kan de regering een vergelijking geven van de oude situatie en de nieuwe situatie met het Pact? Tot in hoeverre heeft de regering oog voor onderwijs en andere noodzakelijke faciliteiten voor kinderen, zoals genoeg ruimte en faciliteiten om te spelen in alle verschillende locaties waar kinderen zijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er deels maatregelen dwingend volgen uit het Pact en deels nationale invulling mogelijk is. Gezien de omvang van de aanpassingen die volgen uit het Pact en de impact op de uitvoeringsorganisaties was het wat deze leden betreft beter geweest om prioriteit te geven aan de maatregelen waartoe het Pact verplicht met eventueel in een later stadium verdere inkleuring. Waarom is hier niet voor gekozen? Kan de regering zo precies mogelijk aangeven waar er binnen de verschillende verordeningen ruimte zit voor nationale invulling, wat de verschillende keuzes waren, welke keuze er is gemaakt en waarom? Denk bijvoorbeeld aan termijn hoger beroep, detentie termijnen en detentie van minderjarigen. Deze leden ontvangen graag een schematische weergave van de gemaakte keuzes bij nationale ruimte. Gelieve hierin het tweestatusstelsel en het afschaffen van een vergunning voor onbepaalde tijd mee te nemen, aangezien de juridische interpretaties uiteenlopen wat betreft de noodzaak van deze maatregelen volgens het Pact. Ook zouden deze leden willen zien hoe Nederland invulling geeft aan deze verschillende onderdelen ten opzichte van andere EU-lidstaten, met name van Belgiƫ, Duitsland, Spanje, Griekenland en Italiƫ. Zij zouden graag in hetzelfde schema duidelijkheid krijgen over welke keuzes deze landen in de nationale invulling maakten.
Voorts zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie van mening dat met het Pact veel verandert voor de asielketen en de uitvoeringsorganisaties niet onnodig belast moeten worden. De implementatie van het Pact valt in dezelfde periode als twee nationale asielwetten: de Asielnoodmatregelenwet en het tweestatusstelsel. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden. Wat gebeurt er als de Eerste Kamer deze nationale asielwetten niet aanneemt? Kan het migratiepact probleemloos in werking treden? Welke onderdelen van de nationale wetten zitten niet in de implementatiewetgeving van het Pact? Is het voor de uitvoeringsorganisaties niet onnodig complex om twee nationale asielwetten in te voeren en het systeem op zeer korte termijn weer op de schop te doen voor het Pact? Het Pact bestaat uit negen verschillende grote onderdelen, die ieder volwaardige wetten hadden kunnen zijn. Waarom is er niet voor gekozen om deze afzonderlijk naar de Kamer te sturen en te behandelen? Is de regering het eens met deze leden dat gezien de complexiteit en de tijdsdruk een opsplitsing van de wetsonderdelen ten goede was gekomen van de zorgvuldigheid van behandeling en implementatie?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de werklast van de uitvoeringsinstanties met de implementatie van het Pact (en de nationale asielwetten) zal toenemen, bijvoorbeeld omdat de IND ook verantwoordelijk wordt voor de screeningsprocedure. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden. Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat al deze taken goed kunnen worden uitgevoerd, zonder dat de wachttijden nog verder oplopen? Behalve āscreeningā zal er binnen de IND nog een nieuwe afdeling moeten worden opgezet: ājuridische counselingā. Daarbij wordt ook de leeftijdsbeoordeling bij de IND belegd. Is het reĆ«el dat de IND op 12 juni 2026 voldoende capaciteit heeft om al deze taken naar behoren te vervullen? Is het niet efficiĆ«nter en effectiever om de juridische counseling te beleggen bij de voorziening die we reeds hebben? Wat is de verwachte groei in Full-Time Equivalent (fte) voor de IND als gevolg van deze implementatiewet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de werklast voor de Rechtspraak vermoedelijk substantieel zal toenemen gezien de kans op beroepen toeneemt en de behandelduur van zaken wordt verkort. Ook de Rvdr benadrukt dit in het advies van februari 2025. Hierbij hebben deze leden enkele vragen en vragen deze gelieve afzonderlijk te beantwoorden. Hoe wordt deze druk op de Rechtspraak gemitigeerd? Klopt het dat deze vergrote druk op de Rechtspraak door kortere termijnen en het schrappen van procedurele stappen niet noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het Pact? Waarom is hier dan toch voor gekozen? Hoe ziet de regering de zorg vanuit de beroepsgroep zelf, die helder aangeeft dat er simpelweg onvoldoende mensen zijn om alle zaken af te handelen? Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het gezien de lange wachttijden onverantwoord is om de werkdruk op rechters en juristen te verhogen? Wat is de verwachte groei in fte in de Rechtspraak als gevolg van deze implementatiewet? Hoeveel mensen moeten er extra worden opgeleid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat met de implementatiewet de toegang tot het recht voor asielzoekers (in de bestuurlijke fase) wordt ingeperkt. Deze keuze komt niet noodzakelijkerwijs voort uit het Pact. Deze leden vinden het problematisch dat de rechtspositie van asielzoekers wordt verzwakt. Waarom is hiervoor gekozen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de uitvoeringsorganisaties in de asielketen voldoende zijn toegerust op de implementatie van het Pact vanaf 12 juni 2026. Zijn er voorziene moeilijkheden of vertragingen in bepaalde delen van de keten, hebben de ketenpartners voldoende capaciteit en zijn de systemen al toegerust op de nieuwe maatregelen?
De leden van de CDA-fractie lezen signalen dat de implementatie van het Pact in meerdere Europese lidstaten nog beperkt is voorbereid en dat daarom zorgen bestaan over de uitvoerbaarheid van met name de terugkeerprocedure. Deze leden vragen de regering om hierop te reageren. Klopt het dat de uitwerking van het Pact in andere Europese lidstaten nog beperkt is doorgevoerd, waardoor de implementatiedeadline niet door iedere lidstaat wordt gehaald? Hoe voorkomt de regering dat hierdoor delen van het Pact, zoals de nieuwe terugkeerprocedure, niet volledig kan worden uitgevoerd?
De leden van de CDA-fractie vragen wat er gebeurt als de zes maanden detentie aan de buitengrens is verlopen en het thuisland alsnog niet meewerkt aan terugkeer. In navolging daarop vragen deze leden wat de vervolgprocedure is als een vreemdeling wel formeel teruggestuurd wordt, maar niet terug kan. Ook vragen deze leden of de regering verwacht dat er binnenkort afspraken gemaakt worden tussen Europa en veilige derde landen over de nieuwe terugkeerprocedure.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er een verschil is tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning. De Afdeling benadrukt dit verschil ook, maar de definitie daarvan komt niet helemaal overeen met de bepalingen in de betreffende verordening. Wat is volgens de regering het concrete verschil tussen de verblijfstitel en de verblijfsvergunning? Kan de regering bevestigen dat wanneer een asielzoeker het pasje met de verblijfstitel kwijtraakt, dit niets afdoet aan de bescherming?
Asiel- en migratiepact 2026
Algemene beschrijving instrumenten Asiel- en migratiepact 2026
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van mening is dat, als het Pact goed functioneert, dit zal leiden tot sterke reductie van de komst van asielzoekers naar Nederland, en zo ja, welke. Kan de regering daar een inschatting van maken? Klopt het volgens de regering, dat als het Pact werkt zoals beoogd, asielzoekers bijna alleen nog zouden moeten komen via de hervestiging van het solidariteitsmechanisme of via een internationale luchthaven, omdat asielzoekers die via een EU-buitengrens komen dan daar ter plekke de (grens)procedure ingaan? Hoe realistisch acht de regering het dat dit naar behoren gaat functioneren? Als een asielzoeker zich meldt waarvan niet is vastgesteld hoe hij ons land heeft bereikt, zal hij in de regel via een ander EU-land zijn gekomen. Hoe wordt omgegaan met asielzoekers die zich in Nederland melden, behalve via een internationale luchthaven, die nog geen asielverzoek elders hebben gedaan?
De leden van de JA21-fractie vragen of asielzoekers wordt gevraagd welke route ze hebben afgelegd. Geven asielzoekers daarop doorgaans antwoord? Als daaruit blijkt dat ze bijvoorbeeld via Griekenland zijn gekomen, maar geen asiel hebben aangevraagd in dat land, worden deze asielzoekers dan gezien als een soort Dublinclaimant en kunnen die worden overgedragen aan de Grieken? Hoe wordt gecontroleerd of landen waar de meeste asielzoekers aankomen, zoals Griekenland, Italiƫ en Spanje, mensen daadwerkelijk identificeren, hun gegevens opslaan en opnemen in de procedure? Ziet Nederland daar zelf op toe, bijvoorbeeld via mensen die Nederland daar naartoe heeft gestuurd of heeft Nederland daarin zelf geen rol? Waarom worden er in dit voorstel geen uitvoeringsregels gesteld ten aanzien van de Crisis- en overmacht-verordening (EU) 2024/1359 (hierna: Crisisverordening)? Zijn er andere EU-landen die wel uitvoeringsregels hebben gesteld ten aanzien van deze verordening?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Crisisverordening voorziet in noodmaatregelen bij crisissituaties of instrumentalisering van migratie. Kan de regering uiteenzetten onder welke omstandigheden Nederland een beroep kan doen op deze crisismaatregelen, wie daarover beslist en hoe snel activering kan plaatsvinden? Kan de regering uiteenzetten wanneer zij gebruik wenst te maken van de Crisisverordening? Is de regering bereid een ānoodremā-bepaling in de Nederlandse wetgeving op te nemen met aanvullende maatregelen? Welke landen zijn in beeld voor opvang buiten de EU en komen daarvoor in aanmerking?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten in hoeverre en op welke onderwerpen de implementatiewet de nationale beleidsruimte op het terrein van asiel en migratie structureel beperkt.
De leden van de SGP-fractie vragen de regering aan te geven welke onderdelen van het Pact ruimte laten voor een restrictiever nationaal beleid dan het minimumniveau dat door de EU wordt voorgeschreven. In welke mate kan Nederland in de toekomst zelfstandig instroombeperkende maatregelen trekken zonder in strijd te komen met het Pact?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering in te gaan op de vraag in hoeverre het Pact daadwerkelijk zal leiden tot een daling van de instroom in Nederland. Wat zijn de prognoses op dit punt en waarop zijn deze verwachting gebaseerd?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe gaat worden voorkomen dat versnelde grensprocedures in de praktijk alsnog leiden tot langdurig verblijf in Nederland. Welke aanvullende maatregelen heeft de regering achter de hand, mocht hiervan toch sprake zijn?
De leden van de SGP-fractie wijzen op de aangenomen moties van het lid Diederik van Dijk die het kabinet opdragen om bij de uitwerking van het Pact bevolkingsdichtheid expliciet mee te wegen bij de bepaling van de Nederlandse solidariteitsbijdrage (Kamerstuk 36410, nr. 87 en Kamerstuk 32316, nr. 898). Welke acties zijn naar aanleiding van deze moties op Europees niveau genomen en welke resultaten zijn er op dit punt geboekt? Blijft de regering ook in de toekomst voortdurend aandacht vragen voor de hoge bevolkingsdichtheid van Nederland? Welke mogelijkheden biedt het Pact om bij de nationale uitwerking factoren als bevolkingsdichtheid mee te wegen, conform genoemde moties?
De leden van de SGP-fractie vinden dat de verdeelsleutel van de Crisisverordening rekening zou moeten houden met de unieke demografische situatie van Nederland. Deelt de regering de mening dat artikel 78 van het Pact ruimte biedt om een aangepaste verdeelsleutel te hanteren? Is de regering bereid draagvlak te zoeken voor een gewijzigde verdeelsleutel voor de crisisverordening waarin de bevolkingsdichtheid nadrukkelijk wordt meegewogen?
De leden van de SGP-fractie vinden dat de regering gesteld voor de keuze voor financiƫle bijdrage of herplaatsing de draagkracht en situatie in het Nederlandse opvangsysteem nadrukkelijk moet meewegen. Op dit moment heeft voor hen daarom een financiƫle bijdrage de voorkeur boven herplaatsing van asielzoekers naar Nederland. Zij vragen wat de financiƫle consequenties zijn indien Nederland kiest voor financiƫle bijdragen in plaats van herplaatsing. In hoeverre is voorzien in ophoging van deze financiƫle bijdrage over de jaren heen?
Uitgangspunten uitvoering en implementatie in nationale regelgeving
De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering ervoor heeft gekozen om de bestaande systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 zoveel mogelijk in stand te houden. Wat is volgens de regering de impact hiervan op de uitvoerbaarheid van de implementatiewet? Zorgt deze keuze er volgens de regering voor dat bepaalde facultatieve aanscherpingen uit het Pact niet kunnen worden ingevoerd?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asielnoodmaatregelenwet en het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel, die door de Kamer zijn aanvaard op 3 juli 2025, vormgegeven zijn op basis van de stand van het Unierecht voor het toepasselijk worden van het Pact. Een aantal maatregelen die in deze nationale wetten worden voorgesteld, zijn ook terug te vinden in het Pact. Deze leden vragen of er onderdelen in de beide nationale wetten zitten die niet direct in overeenstemming zijn met het Pact, nu het Pact toepasselijk is geworden na het aanvaarden van de asielwetten door de Kamer.
De leden van de CDA-fractie lezen dat volgens de regering een strikte uitleg van het overschrijfverbod, dat van toepassing is op verordeningen, niet past de in de situatie van het asielrecht in onderhavig geval. Het Pact behelst namelijk een omvangrijk pakket aan zowel materiƫle als procedurele regels. Deze leden begrijpen deze redenering in het kader van een goede aansluiting op de nationale procedurele systematiek. Zij vragen wel of de andere lidstaten dezelfde visie hebben over het overschrijfverbod in deze situatie.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de nationale asielprocedure sterk wordt vereenvoudigd. Hoeveel tijd zal een gemiddeld asielverzoek volgens de reguliere procedure naar verwachting in beslag gaan nemen? Verwacht de regering dat de vereenvoudiging van de asielprocedure (en andere maatregelen die onderdeel vormen van het Pact) een effect zal sorteren op de inwilligingspercentages? Kan de regering dit toelichten? Wat zijn de belangrijkste beleidsvelden waar de nieuwe verordeningen nog specifieke ruimte bieden voor nationaal beleid en kan de regering de daarin gemaakte keuzes toelichten?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de verordeningen ook facultatieve ruimte laten om bepaalde aspecten nationaal in te vullen, zoals het als kennelijk ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren van asielverzoeken. Zijn er beleidsvelden of aspecten van deze regelgeving waarbij de regering ervoor heeft gekozen om deze facultatieve ruimte niet te benutten? Kan de regering dit toelichten? In welke gevallen kan het besluit worden genomen om verzoeken tot bescherming ongegrond of niet-ontvankelijk te verklaren, volgens de ruimte die de verordening biedt? In hoeverre worden deze gevallen nu opgenomen in de voorliggende wetgeving dan wel de Asielnoodmaatregelenwet?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering ervoor kiest om de bestaande wettelijke systematiek zoveel mogelijk in stand te laten, maar benadrukt ook dat de combinatie van verordeningen, richtlijnen en nationale wetgeving het zeer complex en weinig overzichtelijk maakt. Dat is uiteraard zeer onwenselijk. Op welke manier kan de regering ervoor zorgen dat het bestaande juridische kader in zijn totaliteit voldoende helder en inzichtelijk is voor burgers? Welke rol ziet de regering hier nog voor zichzelf weggelegd? De termijnen voor behandeling van het beroep bij de rechter zijn op dit moment gekoppeld aan procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming alsook aan verschillende gronden voor de afdoening van het verzoek, waarbij de regering aangeeft het van belang te vinden die koppeling te behouden om de termijnen āop een heldere manier te regelenā. Kan de regering dat nader toelichten? Waarom is dat de meest heldere manier? Welke ruimte biedt het acquis communautaire om die termijnen te wijzigen? Verlening van de status als vluchteling of subsidiaire bescherming, het rechtmatig verblijf en de geldigheidsduur worden nu geregeld met de verblijfsvergunning asiel, maar er moet onderscheid worden gemaakt tussen de status en de verblijfstitel. Wat gebeurt er als de geldigheidsduur van de verblijfstitel verloopt, maar niet is vastgesteld dat dat de status van bescherming ook kan worden beĆ«indigd? Hoe vaak is de verwachting dat dit na inwerkingtreding van het pact zal voorkomen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat met het behoud van de wettelijke afdoeningsgronden ook de aansluiting op de bepalingen in de Vw 2000 van toepassing blijft, waaronder de schorsende werking van het beroep. Bij welke vormen van hoger beroep tegen welke besluiten geldt een schorsende werking en bij welke niet? In hoeverre verplicht het Europese recht de schorsende werking?
De leden van de SGP-fractie vragen of is voorzien in een voorhang- of nahangprocedure bij Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvBās) op grond van deze wet. Zo ja, op welke onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Terugkeer in het Asiel- en migratiepact
Relevantie Terugkeerrichtlijn
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Terugkeerverordening nog geen onderdeel is van dit wetsvoorstel omdat het Europese wetgevingstraject hiervoor nog niet is afgerond. Verwacht de regering dat, in lijn met de wens van de Europese Commissie, de Terugkeerverordening alsnog tegelijk met het Pact wordt geĆÆmplementeerd? Verwacht de regering voorts dat voor een volledige implementatie van deze verordening een supplementair wetsvoorstel opgesteld dient te worden?
De leden van de JA21-fractie vragen of de automatische schorsende werking van beroep tegen terugkeerbesluiten wordt beperkt tot gevallen waarin een reƫel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bestaat. Klopt het dat de verordening daarin meer mogelijkheden biedt? Zo ja waarom wijkt Nederland daarvan af? Wat is het huidige terugkeerpercentage van afgewezen asielzoekers uit Nederland, uitgedrukt als percentage van het totaal aantal personen met een vertrekplicht? Wat is de ambitie op dat vlak? Met welke specifieke derde landen worden terugnameovereenkomsten nagestreefd of vernieuwd? Kan de regering per land de stand van zaken vermelden? Wat is de concrete tijdlijn voor het sluiten van nieuwe terugnameakkoorden? Met welke landen verwacht de regering binnen twaalf maanden een overeenkomst te bereiken?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat uitgeprocedeerden langdurig in Nederland verblijven zonder rechtmatig verblijf, zonder dat feitelijke uitzetting plaatsvindt. Wat is de gemiddelde duur tussen definitieve afwijzing en daadwerkelijk vertrek en met welke concrete maatregelen wordt deze termijn verkort? Het functioneren van de grensprocedure, waarbij asielzoekers van wie de aanvraag wordt afgewezen niet worden toegelaten tot het grondgebied, is, met name in landen als Italiƫ en Griekenland, van groot belang voor de werking van het Pact. Beschikken deze landen volgens de regering over voldoende capaciteit hiertoe? Wat gebeurt er als daar te weinig opvangplekken zijn?
Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat indien na 12 weken terugkeer nog niet is gerealiseerd, dat de terugkeerprocedure uit de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Kan de regering nader toelichten wat dit precies inhoudt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat terugkeerbeslissingen niet eerst via vrijwillig vertrek verlopen, zoals wel in de EU-beginselen staat. Waarom is de optie tot vrijwillig vertrek niet opgenomen in de grensprocedure?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering stelt dat het realiseren van vertrek alleen in uitzonderingsgevallen meer tijd zal kosten dan de genoemde maximale termijnen en uiteraard is het uitgangspunt dat detentie zo kort mogelijk duurt zodat de vreemdeling kan terugkeren. In welke gevallen voorziet de regering dat terugkeer langer dan de zes maanden zal duren en met nog een jaar kan worden verlengd? Kan de detentie die in deze procedure (als ultimum remedium) tot de mogelijkheden behoort ook worden uitgevoerd buiten Nederland, in een ander EU-land of in een derde land, en onder welke voorwaarden? Hoeveel plekken zijn nu beschikbaar voor deze vorm van detentie en voldoen die aan dezelfde kwaliteitsvoorwaarden als bij detentie na strafrechtelijke veroordeling (los van de gezinslocatie in Zeist?), of gelden daarvoor andere voorwaarden? In welke gevallen wordt een medische escorte ingezet ten behoeve van de uitzetting? Hoe vaak is dit de afgelopen jaren gedaan?
Uitvoering Kwalificatieverordening (EU) 2024/1347
Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest deze implementatiewet op 12 juni 2026 in werking te laten treden. Voorwaarden voor gezinshereniging worden in deze wet aangescherpt. Het kan dus zijn dat personen die voor 12 juni wel voldeden aan de voorwaarden voor gezinshereniging dat na 12 juni niet meer doen. Wordt er voor deze gevallen gezorgd voor overgangsrecht? Kan de regering onderbouwing geven dat de onmiddellijke werking van de beperkingen ten aanzien van gezinshereniging niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel?
De leden van de PVV-fractie vragen een nadere toelichting op het onderscheid tussen de status van internationale bescherming en de verblijfstitel op grond waarvan de bezitter van de status legaal op het grondgebied mag blijven. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat het louter verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfstitel niet impliceert dat de status eindigt, maar dat daarvoor een formele intrekking is vereist. Kan de regering uitleggen waarom een verblijfstitel met een beperkte duur van enkele jaren wordt afgegeven, als het verlopen ervan geen gevolgen heeft voor het rechtmatig verblijf, zolang er geen intrekking plaatsvindt?
De leden van de PVV-fractie vragen of het juist is dat de regering bewust kiest voor een marginale toetsing bij het verlopen van een tijdelijke asielvergunning, waarbij slechts oppervlakkig wordt nagegaan of de grond voor internationale bescherming nog bestaat, zonder dat een volledige herbeoordeling plaatsvindt.
De leden van de PVV-fractie vragen of de IND altijd overgaat tot herbeoordeling wanneer een nieuw ambtsbericht wordt gepubliceerd en het landenbeleid wordt aangepast. In welke gevallen gaat de IND over tot herbeoordeling van een verblijfsvergunning? Hoe vaak is dit in de afgelopen vijf jaar voorgekomen? Deze leden vragen voorts om een concrete kwantificering van de effectiviteit van het beleid. Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning asiel herbeoordeeld? In hoeveel van die gevallen is de internationale bescherming vervolgens komen te vervallen? In hoeveel van die gevallen is de vreemdeling daadwerkelijk uit Nederland vertrokken?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre wordt getoetst op artikel 8 van de Verordening over de mogelijkheid tot binnenlandse bescherming en of deze praktijk verandert. De vluchtelingenstatus kan worden ingetrokken op grond van ācessationā of āexclusionā causes of als blijkt dat relevante feiten zijn achtergehouden, verkeerd weergegeven, en/of valse documenten zijn gebruikt. Hoe vaak is de afgelopen vijf jaar een status ingetrokken vanwege het verkeerd weergeven van feiten, het weglaten van feiten, dan wel het tonen van valse documenten, en wanneer werd dat vastgesteld? In welke mate wordt naderhand gecontroleerd op deze feiten en wanneer wordt daartoe besloten? Graag een toelichting.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe het recht op repatriƫring op grond van Hoofdstuk VI artikel 36 gestalte krijgt. Kan de regering toelichten wat dat behelst en hoe vaak daarvan gebruik wordt gemaakt? De Kwalificatieverordening en het nationale beleid openbare orde bij verlening en intrekking van asielvergunningen maken het mogelijk om bij bepaalde misdrijven een asielvergunning te weigeren of in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Welke ruimte is er op grond van deze wetgeving en de bijbehorende jurisprudentie om te komen tot een uitbreiding van het weigeren en intrekken van de vergunningen? Is het mogelijk om een beleidslijn te hanteren waarin voor asielzoekers en statushouders die zijn veroordeeld voor gewelds- en zedendelicten wordt overgegaan tot intrekking of weigering van de vergunning?
De leden van de BBB-fractie merken op dat een belangrijke wijziging is dat het Nederlandse eenstatusstelsel wordt losgelaten. Waar voorheen iedereen die internationale bescherming kreeg ƩƩn uniforme asielstatus ontving, wordt nu verplicht onderscheid gemaakt tussen twee afzonderlijke statussen: de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. De IND moet voortaan expliciet vaststellen welke van deze twee statussen wordt toegekend.
De leden van de BBB-fractie constateren dat, hoewel de verordening rechtstreeks werkt in de lidstaten, de verblijfsvergunning asiel een nationaal besluit blijft. Er ontstaat daarmee een duidelijke scheiding tussen de internationale beschermingsstatus (die voortvloeit uit het Unierecht) en de nationale verblijfstitel. De beschermingsstatus blijft bestaan totdat deze formeel wordt ingetrokken. De verblijfstitel zelf krijgt een geldigheidsduur van drie jaar en kan telkens met drie jaar worden verlengd. De asielvergunning voor onbepaalde tijd wordt afgeschaft. Dit past binnen het uitgangspunt van de verordening dat internationale bescherming in beginsel tijdelijk van aard is. Dat betekent echter niet dat langdurig verblijf onmogelijk wordt: daarvoor blijven andere routes bestaan, zoals de EU-langdurig-ingezetenstatus, een verblijfsrecht op grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of naturalisatie. Hoe voorkomt de regering dat het striktere nareisregime voor subsidiair beschermden volledig wordt uitgehold via procedures op basis van artikel 8 EVRM, waarbij rechters alsnog verblijf afdwingen? Kan de regering aangeven hoeveel extra artikel 8 EVRM-procedures zij verwacht?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verordening ook bepalingen over het verblijf van gezinsleden bevat. Meegereisde gezinsleden behouden hun verblijfsrecht zolang de hoofdpersoon internationale bescherming geniet. Voor nareizende gezinsleden ligt dit genuanceerder en wordt onderscheid gemaakt naar gelang de beschermingsstatus van de hoofdpersoon. In het geval van erkende vluchtelingen blijft de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing. Dat betekent dat, indien de aanvraag tot gezinshereniging binnen drie maanden na statusverlening wordt ingediend, een relatief gunstig regime geldt zonder zware aanvullende voorwaarden.
De leden van de BBB-fractie merken echter op dat voor subsidiair beschermden de Gezinsherenigingsrichtlijn echter niet geldt. Nederland kiest ervoor aanvragen van deze groep te toetsen aan artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven beschermt. Binnen de beoordelingsruimte die dit artikel biedt, stelt de wetgever aanvullende voorwaarden. Zo geldt een wachttermijn van twee jaar, wordt een inkomens- en huisvestingseis gesteld en wordt de kring van gerechtigde gezinsleden beperkt tot het kerngezin: de echtgenoot of echtgenote, minderjarige kinderen en ā in het geval van een alleenstaande minderjarige ā de ouders. Mogelijkheden voor meerderjarige kinderen, ongehuwde partners en pleegkinderen komen daarmee te vervallen. De regering verwacht dat deze aanscherpingen een dempend en vertragend effect zullen hebben op de nareisinstroom en daarmee op de druk op opvangvoorzieningen en andere publieke voorzieningen
Van een eenstatusstelsel naar een tweestatusstelsel
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel, evenals het voorstel voor de Wet invoering tweestatusstelsel en de Asielnoodmaatregelenwet, gezinshereniging voor enkele groepen afschaft. Het betreft onder andere ongehuwde partners en pleegkinderen. Tijdens de behandeling van voornoemde wetsvoorstellen gaf de minister van Asiel en Migratie aan dat er altijd ambtshalve zal worden getoetst of deze aanvragers volgens artikel 8 EVRM alsnog recht hebben op gezinshereniging. Deze leden ondersteunen uiteraard het feit dat dit recht via deze weg blijft bestaan, maar vrezen ook voor een hogere werklast voor de IND en langere procedures, terwijl de uitkomst van de procedure niet zal verschillen. Kan de regering nogmaals toelichten wat het effect van deze maatregel zal zijn en of het daarmee als doelmatig kan worden bestempeld?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen een zo snel mogelijke inwerkingtreding van een tweestatusstelsel en constateren dat de Wet Invoering Tweestatusstelsel hiervoor het snelste middel is. Deze leden vrezen bij de invoering van een tweestatusstelsel wel dat de druk op de Rechtspraak toe zal nemen omdat asielzoekers die een verblijfsvergunning op grond van subsidiaire bescherming krijgen zullen doorprocederen om als verdragsvluchteling aangemerkt te worden. Welke maatregelen neemt de regering om deze druk zoveel mogelijk te beperken, zonder hierbij afbreuk te doen aan het instroombeperkend effect van een tweestatusstelsel?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering meent dat de invoering van een tweestatusstelsel dwingend volgt uit het Pact. Hierover hebben deze leden de volgende vragen. Zijn er EU-lidstaten die dit niet in hun (concept) implementatiewet hebben opgenomen? Erkent de regering ook dat er Unierechtelijk ruimte is om niet te differentiĆ«ren tussen de rechten van de twee statussen? De regering stelt dat de status van een subsidiair beschermde eerder kan worden ingetrokken wegens een gewijzigde situatie in het land van herkomst. Is de regering van mening dat dit dwingend uit het Pact volgt? Zo ja, kan de regering toelichten hoe zij tot deze beslissing komt? Kan de regering toelichten hoe de individuele omstandigheden ā zoals gezinsvorming of werk ā worden betrokken bij een besluit tot intrekking van de verblijfstitel? Kan de regering er dus voor kiezen om bij de intrekking van de verblijfsvergunning voor beide groepen dezelfde regels te hanteren? Zo ja, erkent de regering dan ook dat daarmee het procesbelang bij de rechter kleiner wordt? Zo nee, waarom niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering stelt dat nationale verschillen niet meer zijn toegestaan, omdat de Kwalificatieverordening verdere harmonisatie beoogt van de status van internationale bescherming. Deze leden constateren echter dat het doel van het vorige kabinet was om in Nederland het strengste asielbeleid van alle EU-lidstaten te hebben. Deze leden constateren voorts dat deze implementatiewet van het vorige kabinet komt en dat het huidige kabinet deze wet overneemt. De nationale invulling zoals de scherpere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden, die passen bij de ambitie om het strengste asielbeleid van de EU te hebben, gaan volgens deze leden tegen het principe in van verdere harmonisatie. Hoe ziet de regering dit?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering terecht stelt dat de Kwalificatieverordening beoogt de rechten en plichten die aan beide groepen statussen zijn verbonden, zoveel mogelijk gelijk te trekken. Juist daarom snappen deze leden niet, waarom ook in dit wetsvoorstel, net als in de twee nationale asielwetten, de regering er weer voor kiest om de verschillen tussen deze groepen groter te maken. Zij hebben hier enkele vragen over. Erkent de regering dat het onderdeel van strengere nareisvoorwaarden voor subsidiair beschermden niet in lijn is met verdere EU-harmonisatie? Klopt het dat een groeiende meerderheid van lidstaten dezelfde rechten voor gezinshereniging toekent aan vluchtelingen en subsidiair beschermden, zoals weergeven in de EMN benchmark gezinshereniging vluchtelingen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat bij de totstandkoming van de Vreemdelingenwet 2000 voor een eenstatusstelsel is gekozen om te voorkomen dat een vreemdeling die een subsidiaire beschermingsstatus kreeg, zou doorprocederen tegen de weigering om hem de vluchtelingenstatus te geven. Deze leden vragen of dat risico nu weer ontstaat met de invoering van een tweestatusstelsel, of dat met de aanvullende waarborgen uit de Asielnoodmaatregelenwet daarop is geanticipeerd.
De leden van de CDA-fractie lezen dat onder het Pact altijd een inhoudelijke behandeling van het beroep mogelijk moet zijn wanneer de beslissing op een asielaanvraag wel strekt tot verlening van de subsidiaire beschermingsstatus, maar de vluchtelingenstatus wordt geweigerd. Deze leden vragen of dit naar verwachting gaat leiden tot een hogere druk op de IND en de Rechtspraak. Zo ja, hoe wordt geborgd dat dit niet leidt tot grote vertragingen in de asielketen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus verkrijgt, recht heeft op inhoudelijke behandeling van een beroep tegen afwijzing van de vluchtelingstatus. Kan de regering een inschatting geven welk effect dit heeft op de rechtspraak? Hoeveel extra inhoudelijke zaken worden verwacht ten gevolge van deze maatregel uit de Kwalificatieverordening en wat gaat de regering doen om te voorkomen dat het aantal vreemdelingenzaken zo hoog oploopt dat de doorlooptijden te lang worden? Daarnaast vragen deze leden welke andere rechtsgebieden gevolgen zullen ondervinden van een toenemende druk op de rechtspraak vanwege de vreemdelingenzaken.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de procedure of beoordelingscriteria verschillen bij het intrekken van de status van subsidiaire bescherming en de status van vluchteling. Wat is de huidige stand van de jurisprudentie ten aanzien van de beoordeling of sprake is van non-refoulement in verband met art. 3 EVRM, wegens het risico op schade of onmenselijke behandeling? Dit mede in het licht van de uitspraak dat Nederland alleenstaande mannelijke asielzoekers uit Belgiƫ niet mocht terugsturen naar dat land.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te verduidelijken of met deze invoeringswet gekozen is om precies dezelfde vormgeving van de verschillende rechten van de twee statussen aan te houden als de Wet invoering tweestatusstelsel, inclusief de aanvullende voorwaarden voor nareis bij subsidiair beschermden. Klopt het dat deze verplichting niet volgt uit Europese richtlijnen en verordeningen? Deze leden vinden het teleurstellend dat aan de opnieuw geformuleerde bezwaren van onder andere de Afdeling niet tegemoet is gekomen door de regering.
Verblijfstitel
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering het verschil tussen een verblijfsvergunning en een verblijfstitel concreet te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor kiest om, in plaats van aan te sluiten bij de systematiek uit de Kwalificatieverordening van een status en een verblijfstitel, te blijven bij de systematiek van een asielvergunning. In het nader rapport op pagina 21 staat het volgende: āHier lijkt volgens de regering dus een incongruentie te bestaan in de systematiek van de Kwalificatieverordening. Het is aan het Hof van Justitie van de EU om zo nodig de juiste uitleg te bepalenā. Hoe verhoudt deze constatering zich tot het voornemen van de regering om de ruimte van de nationale vreemdelingenrechter om prejudiciĆ«le vragen te stellen te beperken, zoals blijkt uit de brief van de Secretaris-Generaal aan de informateur van 30 januari 2026 naar aanleiding van het informatieverzoek protocol EVRM? Schuilt er een juridisch risico in het gelijkstellen van de beschermingsstatus aan een verblijfsvergunning, terwijl de verblijfstitel eigenlijk de vergunning is?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in het wetsvoorstel een tegenstelling zit waarbij de kans groot is dat deze tot juridische procedures zal leiden. De regering verkort de geldigheid van de verblijfsvergunning naar drie jaar en schaft de asielvergunning van onbepaalde tijd af, waarbij de regering zich baseert op de bepaling over de verblijfstitel in plaats van de status. Klopt het dat niet de geldigheidsduur van de asielvergunning (status) wordt ingekort, maar alleen van de verblijfstitel, wat met deze implementatie neerkomt op alleen een verblijfsdocument?
Geldigheidsduur verblijfstitel wordt verkort van vijf naar drie jaar
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om de verblijfstitel te verkorten van vijf naar drie jaar. In hoeverre vindt er, in het geval een vreemdeling na drie jaar opnieuw een verblijfstitel aanvraagt, een volledige nieuwe toets plaats om te bezien of de vreemdeling recht heeft op een nieuwe vergunning? Welke maatregelen neemt de regering om te voorkomen dat deze tweede beoordeling in de praktijk weinig voor zal stellen? Is de regering daarnaast van plan om ook tijdens de duur van de verblijfstitel te onderzoeken of er grond is om de vergunning in te trekken? Of zal dit alleen plaatsvinden als er concrete signalen zijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat het nut is van de verkorting van de verblijfstitel. Uit welk onderzoek blijkt asielzoekers een bewuste keuze maken om asiel aan te vragen in een land met vergunningen met een langere verblijfsduur? Ziet de regering ook de grote nadelen van een kortere verblijfsduur van de verblijfsvergunning zoals de blijvende onzekerheid over verlenging en een drempel voor het verkrijgen van vast werk, het bemoeilijken van afsluiten van leningen en starten van een eigen bedrijf?
Verblijf gezinsleden
De leden van de PVV-fractie constateren dat bij nareizende huwelijkspartners een minimumleeftijd van 18 jaar zal worden gehanteerd. Graag ontvangen zij een toelichting waarom de regering afziet van een verhoging naar 21 jaar, gegeven het feit dat asielzoekers uit landen waar uithuwelijken normaal is doorgaans slecht integreren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gezinshereniging van vluchtelingen zonder extra voorwaarden alleen mogelijk is als dit binnen drie maanden binnen de toekenning van de vluchtelingenstatus wordt aangevraagd. Hier hebben deze leden enkele vragen bij en vragen deze gelieve individueel te beantwoorden. Kan de regering toelichten waarom vluchtelingen de aanvraag voor gezinshereniging binnen drie maanden moeten doen, om niet te vallen onder de strengere eisen van subsidiaire beschermde? Kan de regering aangeven of dit direct volgt uit het Pact of dat dit een nationale keuze is en het dus mogelijk is om deze maatregel niet te implementeren? Zijn er andere lidstaten die deze maatregel toepassen en zo ja, welke? Kan de regering aangeven hoeveel procent van de vluchtelingen op dit moment na de drie maanden een aanvraag doet? Om hoeveel vluchtelingen gaat dit en om hoeveel mensen die in het kader van gezinshereniging hierheen komen gaat dit? Bij hoeveel houders van de vergunning op de a-grond met een lopende gezinsherenigingsaanvraag zullen partner, meerderjarig of pleegkind na inwerkingtreding van de wet worden afgewezen? Bij hoeveel daarvan is de negen maanden beslistermijn reeds overschreden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het vaak lastig is voor LHBTQI-stellen om gezinshereniging toegekend te krijgen, aangezien zij soms in het land van herkomst niet kĆŗnnen trouwen en hun eventuele kinderen in het land van herkomst niet zijn erkend. Wat zijn de gevolgen van deze implementatiewet voor gezinshereniging van LHBTQI-stellen? Zorgt de regering ervoor dat het niet kunnen trouwen of het niet erkennen van kinderen van LHBTQI-stellen geen reden is om gezinshereniging te weigeren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het voor subsidiair beschermden moeilijker wordt om gezinshereniging te krijgen en dat dit een keuze is die niet noodzakelijk volgt uit het Pact. Zij hebben hier enkele vragen bij. Klopt het dat het een keuze is om gezinshereniging te beperken voor subsidiair beschermden en dit niet dwingend voortkomt uit het Pact? Wat zijn de gevolgen voor vluchtelingen met subsidiaire bescherming die wel het recht hebben in Nederland te blijven, maar (mogelijk) nooit met hun gezin kunnen herenigen omdat zij niet aan alle drie de vereisten kunnen voldoen? Welk percentage subsidiair beschermden die nu gezinshereniging toegekend krijgen zullen dit onder deze voorwaarden ook krijgen? Hoeveel houders van een vergunning op de b-grond hebben naar schatting op 12 juni een lopende gezinsherenigingsaanvraag? Van hoeveel van hen is de beslistermijn van negen maanden verlopen? Hoeveel van hen verblijven nog in de centrale opvang? Wanneer zullen zij hun afwijzing van de gezinsherenigingsaanvraag van de IND ontvangen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom is gekozen voor drie cumulatieve eisen waardoor gezinshereniging vrijwel onmogelijk wordt en grote kans is dat op grond van het evenredigheidsbeginsel de rechter dit onrechtmatig zal achten. Waarom is niet alleen gekozen voor een reƫel inkomensvereiste met een aan termijn gebonden inspanningsverplichting, gezien de grote afstand tot de arbeidsmarkt? Acht de regering de combinatie van eisen in overeenstemming met artikel 8 EVRM, mede gelet op de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die eist dat gezinshereniging niet onmogelijk mag worden gemaakt en dat er een individuele belangenafweging wordt gemaakt? Hoe ziet de regering het feit dat de werklast met meer beroepszaken op artikel 8 EVRM voor de IND verder zal toenemen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat ook ten aanzien van alleenstaande minderjarige kinderen de regering voornemens is een wachttermijn van twee jaar te hanteren voor nareis. Hoe acht de regering dit in overeenstemming met artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat verplicht het belang van het kind de eerste overweging te laten zijn? Is de regering zich bewust van de ernstige schade die een jarenlange scheiding van de ouders voor het kind tot gevolg heeft? Hoe verhoudt de keuze om ook voor kinderen gezinshereniging te beperken zich tot de rechten die voortkomen uit het IVRK, met name tot artikel 5 en 9?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de vorige regering over de wachttijd voor alleenstaande minderjarige kinderen schreef dat de motivering was dat er hierdoor minder minderjarige kinderen vooruit worden gestuurd. Een dergelijke redenering betekent wel dat het belang van het kind voor dit motief wordt opgeofferd. Houdt deze regering vast aan dit motief? Is de regering bekend met het voorbeeld uit Duitsland waar in 2016 langdurige uitstel van gezinshereniging is toegepast op mensen die een b-status kregen? Hier nam het aantal vluchtelingen met een b-status ineens snel toe en nam toekenning van de a-status af, tegen de afspraken in. Ook werden er veel meer beroepen ingesteld waarna in de helft van de gevallen alsnog een a-status werd toegekend. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat niet hetzelfde gebeurt als in Duitsland? Wat zijn volgens de regering de verschillen tussen dit Duitse voorbeeld en de Nederlandse praktijk na de implementatie van de wet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verblijfsvergunning asiel wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking. Hoe verhoudt deze beslissing zich tot de declaratoire werking van vluchtelingschap? Betekent dit dat vluchtelingen veel later in aanmerking komen voor een eventuele vergunning EU-langdurig ingezetenschap of naturalisatie?
De leden van de CDA-fractie lezen dat nareizende gezinsleden van een vreemdeling die de subsidiaire beschermingsstatus heeft, in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d Vreemdelingenwet 2000 indien onder andere de vreemdeling met subsidiaire bescherming zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Kan de regering toelichten wat hier precies onder wordt verstaan en wat niet? En wanneer wordt de AMvB gepubliceerd waarin nadere regels worden gesteld?
De leden van de CDA-fractie lezen dat alleenstaande minderjarige kinderen worden uitgezonderd van het inkomens- en huisvestingsvereiste, maar niet van de wachttermijn van twee jaar. De regering schrijft dat het stellen van een wachttermijn kan bijdragen aan het verminderen van het vooruitreizen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Deze leden vragen of dit inderdaad de verwachting is, en wat het inhoudt voor de procedure als de alleenstaande minderjarige vreemdeling tijdens de wachttermijn meerderjarig wordt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de beperking van de mogelijkheid tot nareis als gezinslid tot gehuwde partners en minderjarige kinderen onverlet laat dat ongehuwde levenspartners en meerderjarige kinderen zich kunnen beroepen op het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij de aanvraag wordt telkens een individuele belangenafweging gemaakt als er sprake is van een gezinsleven. Deze leden vragen wat de verwachting is van de druk die op de rechtspraak komt te liggen met deze maatregel.
De leden van de JA21-fractie vragen wat de huidige termijn is waarop aanvragen voor gezinshereniging in behandeling kunnen worden genomen. Is deze de afgelopen zes maanden toegenomen? Hoeveel statushouders wachten nu op de behandeling van een aanvraag voor gezinshereniging? In hoeverre wordt nu bij aanvragen voor gezinshereniging door minderjarige vreemdelingen getoetst of de gezinshereniging ook in een ander land kan plaatsvinden, dat wil zeggen: het land waar de ouders zich nog bevinden, indien dat als veilig land wordt beschouwd? Wat verklaart de toename van de instroom van minderjarige asielzoekers naar Nederland? Meent de regering dat Nederland nu aantrekkelijker is voor deze jongeren dan andere Europese landen en in hoeverre heeft dat te maken met specifieke Nederlandse invulling van de Europese regels? Kan de regering dit toelichten?
Afschaffen verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd
De leden van de PVV-fractie vragen of, en onder welke voorwaarden, vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde tijd een Nederlands paspoort aan kunnen vragen. Ook vragen zij of de regering een inschatting kan maken van hoeveel vreemdelingen hier gebruik van zullen maken. Verder vragen deze leden hoeveel vreemdelingen met een asielvergunning voor bepaalde tijd gebruik zullen gaan maken van de EU-langdurig ingezetene status en hoeveel de regering verwacht in te willigen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Kwalificatieverordening vereist dat lidstaten een asielvergunning afgeven van drie jaar of tenminste ƩƩn jaar (in het geval van subsidiair beschermden). Hieruit maken deze leden niet op dat een vergunning van onbepaalde tijd niet mag van het Pact, met name door het woord ātenminsteā. Hierover hebben deze leden de volgende vragen en vragen zij gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden. Kan de regering toelichten waarom zij van mening is dat de afschaffing van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dwingend volgt uit het Pact? Zijn er andere EU-lidstaten die hierin een andere afweging maken? Stopt Frankrijk met de verstrekking van de āCarte de dix ansā vergunning? Waarom wil de regering afwijken van de vaste praktijk die de EU-wetgever schetst in de preambule punt 100 Procedureverordening dat lidstaten ervoor zorgdragen dat binnen tien jaar de meeste vluchtelingen een permanente status hebben of al genaturaliseerd zijn? Wat is volgens de regering de meerwaarde van afschaffing?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering zich voor de afschaffing van de vergunning onbepaalde tijd (die dus niet ingetrokken kan worden bij gewijzigde situatie in het land van herkomst) deels baseert op jurisprudentie van het EU-Hof. Hierin wordt verwezen naar Bilali (2019) en MāBodj (2014). Maar zien deze beide casussen niet op onterecht verleende beschermingsstatussen die moesten worden ingetrokken en niet op een veranderde omstandigheid in het land van herkomst? Hoe ziet de regering gelijke behandeling van statushouders in het werkveld en de toegang tot werk van statushouders gezien een tijdelijke verblijfsvergunning arbeidsparticipatie in de weg staat? Hoe valt de gestelde verplichting tot afschaffing van een verblijfsvergunning van onbepaalde tijd te rijmen met de voor onbepaalde tijd geldige EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene die wel mag worden toegekend?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat voor een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene een inkomenseis geldt, wat betekent dat een groot deel van de vluchtelingen altijd in onzekerheid over een verblijfsvergunning zal verkeren. Welk effect heeft dat volgens de regering op deze vluchtelingen, op hun participatie en op de maatschappij? Mogen landen het niveau van dit inkomensvereiste zelf stellen? Voor reguliere migranten bestaat de mogelijkheid om na tien jaar zonder inkomenseis een vergunning onbepaalde tijd regulier te verwerven. Wat is het gerechtvaardigd onderscheid om vluchtelingen een minder goede rechtspositie te geven dan reguliere migranten? Moet voor vluchtelingen waar immers sprake is van gedwongen migratie en een lagere kans op het voldoen aan een inkomensvereiste niet juist geen of een soepeler inkomensvereiste worden gehanteerd, waarbij de nadruk ligt op een inspanningsverplichting? Wat is de planning voor het mogelijk maken van naturalisatie voor individuen van wie tweemaal de verblijfsvergunning is verlengd, zoals opgeschreven in het Coalitieakkoord 2026-2030 op pagina 40? Hoe verhoudt het afschaffen van de verblijfsvergunning onbepaalde tijd zich tot de belofte in het Coalitieakkoord āMeedoen wordt de normā? Erkent de regering dat meedoen bemoeilijkt wordt als statushouders jaren in onzekerheid blijven?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de verblijfsvergunning EU-langdurig ingezetene een alternatief zal worden voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wensen te bemachtigen. In hoeverre bestaat er volgens de regering in Nederland nog ruimte om de voorwaarden voor het verkrijgen van de EU-langdurig ingezetene status verder aan te scherpen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat om in aanmerking te komen voor de EU-status van langdurig ingezetene de aanvrager het inburgeringsexamen moet hebben gedaan. Welke eisen mogen aan dit inburgeringskader worden gesteld op grond van Europese wetgeving en in hoeverre zijn de eisen waaraan moet worden voldaan en de procedure voor het afnemen van het examen, facultatief?
Uitvoering Procedureverordening (EU) 2024/1348
Algemeen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de procedures zorgvuldig zullen plaatsvinden en dat het afschaffen van procedurele waarborgen geen invloed heeft op de zorgvuldigheid van de feitenvaststelling en de besluitvorming. Ook is er op deze manier een risico dat de werklast verschuift naar de rechterlijke macht doordat er waarschijnlijk meer procedures en beroepen plaatsvinden. Zij hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze afzonderlijk te beantwoorden. Hoe verhouden het afschaffen van procedurele stappen zoals het aanmeldgehoor, de rust- en voorbereidingstijd, het voornemen, de zienswijze en het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het gehoor zich tot de waarborgen van het bestuursrechtelijke zorgvuldigheidsbeginsel en de Europeesrechtelijke verplichting dat asielzoekers zich goed moeten kunnen voorbereiden op hun gehoor? Worden de negatieve gevolgen van het wegvallen van deze waarborgen gecompenseerd met alternatieve procedurele stappen, bijvoorbeeld in de voorlichting van asielzoekers? De IND stelde in het NOS-artikel van 11 februari 2026 dat de rechter nu in ongeveer 15 procent van de gevallen aangeeft dat een IND-procedure niet zorgvuldig genoeg is geweest.1 Zij verwachten dat dit onder het Pact wellicht 16 of 17 procent zal worden. Kan de regering aangeven waar deze inschatting op is gebaseerd? Hoe verhoudt deze inschatting zich tot de inschatting van de Rvdr, waarin zij stelt dat de maatregelen zorgen voor een toename van de doorlooptijden en duizend extra asielzaken per jaar?
Een van de wijzigingen die wordt doorgevoerd met deze implementatiewet is de inkorting van asielprocedures met kortere termijnen in de besluitvorming, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zijn er waarborgen om die nieuwe termijnen, ondanks de bestaande lange wachttijden, te halen? Zo ja, welke? Als er gebruik wordt gemaakt van een tweesporenbeleid waarin nieuwe aanvragen met voorrang worden behandeld, hoe wordt dan voorkomen dat de wachttijden van de bestaande voorraad nog verder oplopen? Hoe ziet de regering het feit dat er in het verleden aparte regelingen moesten worden opgetuigd om de beslisachterstanden op te lossen in relatie tot het tweesporenbeleid? Ziet de regering het risico dat er weer asielzoekers jaren zullen moeten wachten in Nederland? Als nu al wachtende asielzoekers nog langer in de procedure moeten blijven, wordt daar dan rekening mee gehouden bij de toepassing van aanvullende nareisvoorwaarden om een onaanvaardbaar lange scheiding van familieleden in het licht van artikel 8 EVRM te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie vragen wat het gevolg is als geen geluidsopname wordt gemaakt van het persoonlijk onderhoud, maar wel een schriftelijk verslag. Welke gevolgen heeft dat voor het verzoek en de procedure? In hoeverre wordt voorzien in het gebruik van artificial intelligence (AI) om verhoren te vertalen, accenten te herkennen en daarmee het land en de regio van herkomst te kunnen inschatten, en/of om het onderhoud om te zetten in schriftelijke teksten? Welke kansen ziet de regering daarbij? Wat gebeurt er als zaken in de versnelde procedure niet tijdig beoordeeld zijn?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Procedureverordening beoogt de regels voor de behandeling van asielaanvragen in de EU zoveel mogelijk gelijk te trekken en dat lidstaten daardoor nog maar weinig ruimte hebben voor eigen procedureregels. Het doel is om verschillen tussen nationale asielprocedures te verkleinen en de afhandeling sneller en uniformer te maken. Voor Nederland betekent dit dat verschillende bekende nationale procedureonderdelen verdwijnen. Zo vervallen onder meer de rust- en voorbereidingstermijn (de periode waarin een asielzoeker zich kan voorbereiden op de procedure), de vaste procesdagen en de voornemenprocedure (waarbij eerst een schriftelijk voornemen tot afwijzing wordt uitgebracht waarop de asielzoeker kan reageren). De procedure wordt flexibeler ingericht en minder formeel opgebouwd. Het gehoor (het persoonlijk interview) wordt het centrale moment in de asielprocedure. Er zijn geen verplichte extra schriftelijke rondes meer waarin standpunten worden uitgewisseld. De nadruk ligt dus sterker op het mondelinge onderzoek tijdens het gehoor. Daarnaast stelt de verordening strikte termijnen voor de afhandeling van asielzaken: niet-ontvankelijkheidsprocedures (bijvoorbeeld als een andere lidstaat verantwoordelijk is) moeten in principe binnen twee maanden worden afgerond, versnelde procedures moeten binnen drie maanden worden afgerond en reguliere procedures moeten binnen zes maanden worden afgerond. Verlenging van deze termijnen is slechts in beperkte gevallen mogelijk.
De leden van de BBB-fractie constateren dat na een rechterlijke uitspraak de druk wordt opgevoerd: als de rechter een besluit vernietigt, moet de overheid binnen een verkorte termijn opnieuw beslissen. Ook worden de beroepstermijnen (de tijd waarbinnen een asielzoeker in beroep kan gaan tegen een besluit) verkort. In veel gevallen bedraagt die termijn nog maar ƩƩn of twee weken. Wat gebeurt er als de strikte EU-termijnen structureel niet worden gehaald? Ontstaat dan automatisch rechtmatig verblijf of toegang tot Nederland? Of kunnen wij andere landen dan afdwingen asielzoekers van ons over te nemen op basis van het solidariteitsmechanisme?
De leden van de BBB-fractie constateren dat een asielverzoek als niet-ontvankelijk kan worden beschouwd als een asielzoeker naar een veilig, derde land kan worden gestuurd voor de behandeling van zijn verzoek om bescherming. Hiervoor is echter wel een ābandā vereist met een derde land, zoals een eerdere verblijfplaats, werk, familie of studie. Kan de regering toelichten waarom hiervoor gekozen is? Waarom moet er sprake zijn met een band met het derde land? De betreffende vluchteling heeft met Nederland toch ook geen ābandā? Erkent de regering dat het bandencriterium richting derde landen in de praktijk zeer lastig te bewijzen is en daarmee vooral juridisch, maar nauwelijks feitelijk, bijdraagt aan terugkeer?
Schrappen nationale procedureregels
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Procedureverordening toestaat dat de schorsende werking van rechtsmiddelen in bepaalde categorieƫn zaken, onder meer bij kennelijk ongegronde aanvragen en bij bedreiging van de openbare orde of nationale veiligheid, wordt beperkt of uitgesloten, mits een effectieve rechterlijke toets gewaarborgd blijft. Is de regering bereid om voor asielzoekers die zijn veroordeeld voor (bepaalde) misdrijven stelselmatig gebruik te maken van de mogelijkheid om beroep en (vooral) hoger beroep niet automatisch schorsende werking te geven, zodat strafrechtelijke veroordeling sneller kan worden gevolgd door feitelijke uitzetting? Zo nee, kan de regering per relevant artikel uit de Procedureverordening aangeven waarom deze route volgens haar niet mogelijk is?
De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel vreemdelingen met een vertrekplicht en (meerdere) strafrechtelijke veroordelingen thans in Nederland verblijven zonder dat hun vertrek is gerealiseerd. Welke doelstelling formuleert de regering, uitgedrukt in percentages en aantallen, voor vermindering van deze groep in de eerste drie jaar na inwerkingtreding van het Pact? In hoeverre verwacht de regering dat de nieuwe terugkeer- en bewaringstitels onder het Pact deze groep daadwerkelijk zullen doen afnemen? Is de regering bereid in de nationale wetgeving expliciet vast te leggen dat het stapelen van procedures (opvolgende asielaanvragen, herzieningsverzoeken, ambtshalve herbeoordelingen) door vreemdelingen met ernstige strafrechtelijke antecedenten zoveel mogelijk als niet in het geheel wordt beperkt, door onder het nieuwe EU-kader strenger om te gaan met ontvankelijkheid en schorsende werking? Zo nee, waarom kiest de regering er niet voor om hier de maximale ruimte van het pact te benutten?
Afschaffen voornemenprocedure
Hoewel de leden van de D66-fractie inzien dat de werklast van de IND is gebaat bij het afschaffen van de voornemenprocedure, maken zij zich ook zorgen over het verschuiven van deze last naar andere ketenpartners. De zorg bestaat dat deze wijziging zal leiden tot meer bezwaar- en beroepsprocedures, wat leidt tot meer werkdruk bij de Rechtspraak maar ook bij het COA, doordat aanvragers langer in de opvang verblijven. Deze leden vragen de regering toe te lichten met welk flankerend beleid deze verschuiving van werklast wordt voorkomen, ook bezien in het licht van de opmerkingen van de Rechtspraak dat extra middelen het probleem niet direct kunnen oplossen omdat er ook een tekort aan rechters bestaat.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de regering enerzijds, onder meer via de in de Tweede Kamer aangenomen asielwetten van oud-minister Faber, de asielprocedure fors wil versnellen en efficiƫnter maken, onder andere door afschaffing van de voornemenprocedure en andere maatregelen om de keten te ontlasten en de instroom te beperken. Anderzijds wordt in het kader van de implementatie van het Pact de mogelijkheid behouden om na het nader gehoor nog correcties en aanvullingen in te dienen op het gehoorverslag, voordat de IND tot een direct besluit overgaat. Dit creƫert een extra administratieve stap die, ondanks de beoogde versnelling, vertraging kan veroorzaken en de procedure onnodig verlengt. Deze leden wijzen erop dat uit het Pact geen verplichting voortvloeit om een dergelijke mogelijkheid tot indienen van aanvullingen en correcties na het gehoor te bieden. Voornoemde leden vragen waarom de regering desondanks kiest voor deze mogelijkheid tot correcties en aanvullingen, terwijl dit haaks lijkt te staan op de expliciete doelstelling van de asielwetten om de procedure efficiƫnter en korter te maken. Waarom wordt hier geen gebruikgemaakt van de nationale beleidsruimte die het Pact biedt om de procedure verder te versnellen en misbruik te voorkomen, in plaats van extra administratieve lasten in te bouwen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat door het afschaffen van de voornemenprocedure de bestuurlijke fase van de asielprocedure nu meer zal afwijken van het algemeen bestuursrechtelijke uitgangspunt van āongelijkheidscompensatieā, waardoor de druk op de rechterlijke fase toeneemt om aan dit rechtsbeginsel te voldoen. Kan de regering toelichten hoe deze afschaffing zich verhoudt tot het wetstraject āWet versterking waarborgfunctie Awbā, waarin de verankering van het beginsel van ongelijkheidscompensatie de kern vormt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het toepassen van de versnelde procedure beperkt kan blijven waar het Pact dit verplicht. Waarom kiest de regering er niet voor om aanvragen van alleenstaande minderjarigen (amv's), gezien hun kwetsbare positie, uit te zonderen van versnelde procedures?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de mogelijkheid die in het ontwerpbesluit voor het Pact in artikel 3.109b van het Vreemdelingenbesluit wordt geboden om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een verhoor. Waarom is hier gekozen voor een kan-bepaling, zo vragen deze leden. Is het niet zo dat artikel 14 lid 3 uit de Procedureverordening een dwingende bepaling bevat?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verschillende inschattingen van uitvoeringsorganisaties, namelijk de IND en de Rvdr, over de gevolgen van het afschaffen van de voornemenprocedure voor de toename in bezwaar- en beroepsprocedures. Welke inschatting maakt de regering?
Aanwijzing beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten
De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 4, lid 6 van de Procedureverordening is neergelegd dat lidstaten kunnen bepalen dat andere autoriteiten dan de beslissingsautoriteit verantwoordelijk zijn voor de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Hiervoor heeft de regering niet gekozen en dus wordt hiervoor ook de minister van Asiel en Migratie verantwoordelijk. Wat is de reden dat hiervoor is gekozen?
Verschillende behandelingsprocedures en beslistermijnen
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende verplichte behandelingsprocedures voor de behandeling van de asielaanvraag worden geĆÆntroduceerd met de Procedureverordening. Bij aanvragen waarbij een van de gronden voor niet-ontvankelijkheid aan de orde kan zijn, geldt bijvoorbeeld een behandelingsprocedure van twee maanden. Wat zijn de consequenties als een behandelingstermijn niet wordt gehaald?
De leden van de CDA-fractie lezen dat het huidige artikel 42 Vw2000 inzake termijnen voor de behandeling van een asielaanvraag wordt geschrapt vanwege een aantal bepalingen in de Procedureverordening. Deze leden constateren dat op grond van artikel 42 lid 1 Vw2000 op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking wordt gegeven, en dat deze termijn op grond van artikel 35 lid 4 van de Procedureverordening ongewijzigd blijft op zes maanden. Wat is wetstechnisch de reden dat het artikel 42 Vw2000 in zijn geheel wordt geschrapt, nu er geen aanpassing van de termijn van de beschikking op van toepassing is? Heeft dat te maken met de mogelijke verlengingstermijnen of heeft dat een andere reden?
De leden van de JA21-fractie vragen welke derde landen bij de behandelingsprocedure worden beschouwd als veilig, in het kader van een mogelijke niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van artikel 38. Hoe wordt dat bepaald en gemonitord? Als een asielzoeker van de boot op de Middellandse zee wordt opgehaald en dus is vertrokken vanaf bijvoorbeeld Tunesiƫ, Marokko, Algerije of Turkije, hoe wordt dan beoordeeld of het asielverzoek niet ontvankelijk is op deze gronden? Worden die landen als veilig beschouwd, met mogelijke uitzonderingen voor specifieke vervolging of gevaar?
De leden van de JA21-fractie vragen in hoeverre de Procedureverordening stelt dat grensprocedures verplicht zijn voor alle ākansarmeā aanvragen, van personen afkomstig uit landen met een inwilligingspercentage van minder dan 20 procent. Wordt deze ruimte maximaal benut en zo nee, waarom niet? Kan de regering aangeven hoe groot het huidige percentage kansarme aanvragen in Nederland is? In hoeverre wordt nu gekozen voor structurele en maximale toepassing van versnelde procedures bij asielzoekers afkomstig uit (relatief) veilige landen van herkomst? Deze leden constateren dat het inwilligingspercentage in Nederland is gedaald van 58 procent in 2024 naar 36 procent in 2025, hetgeen impliceert dat een aanzienlijk deel van de aanvragen kansarm is.
Beroep bij de rechter in asielprocedure
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting van de regering is wat betreft de toename van de druk op de rechterlijke macht door de in veel gevallen afwezige automatische schorsende werking van beroep en hoe kan deze worden verzacht.
(Verplichte) asielgrensprocedure
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat Oostenrijk, Duitsland, Finland, Frankrijk en Griekenland asielzoekers in de grensprocedure niet in detentie zullen plaatsen, maar in open opvangplaatsen of wachtruimtes. Kan de regering toelichten of zij net zoals deze leden verwachten dat asielzoekers de bestemde ruimtes/plekken zullen verlaten en door zullen reizen naar onder andere Nederland waar zij alsnog de asielprocedure door moeten lopen?
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de regering verwacht dat het aantal amvāers dat bewust vooruit wordt gestuurd door mensensmokkelaars of families zal toenemen, nu deze groep niet in detentie mag worden geplaatst gedurende de grensprocedure en dus in open opvang of alternatieve locaties verblijft. Indien ja, kan de regering een concrete schatting geven van de verwachte toename in aantallen amv'ers die via deze route naar Nederland of andere noordelijke lidstaten doorreizen en welke preventieve of corrigerende maatregelen de regering voornemens is te treffen om dit misbruik tegen te gaan en de instroom van alleenstaande minderjarigen te beperken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat er gepaste zorg beschikbaar moet zijn voor kwetsbare individuen, ook tijdens de asielgrensprocedure. Op welke manier is er gepaste zorg voor mensen in een kwetsbare positie tijdens de asielgrensprocedure? Hoe wordt in regelgeving verankerd dat mensen in een kwetsbare positie de juiste zorg krijgen tijdens de asielgrensprocedure?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de termijnen om beroep in te stellen zeer kort zijn. Waarom is gekozen voor een termijn van zeven dagen en niet tien dagen voor wanneer een verblijfsvergunning wordt ingetrokken en zij die in aanmerking komen voor subsidiaire beschermingsstatus? Waarom is gekozen voor twee weken en niet voor vier weken voor alle andere gevallen? Hoe verhoudt dit zich tot effectieve rechtsbescherming dat de regering kiest voor de halvering van de huidige beroepstermijn in eerste aanleg van vier weken naar twee weken?
Juridisch advies, counseling, rechtsbijstand
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan gedegen rechtsbijstand. Niet alleen vanwege het recht op een eerlijk proces voor de aanvrager, maar ook omdat een zorgvuldige procedure aan de voorkant uiteindelijk slepende, complexe procedures kan voorkomen. Deze leden vragen de regering daarom toe te lichten of de manier waarop het volgens dit voorstel wordt ingericht, met een combinatie van advies, counseling en rechtsbijstand, voldoende steun biedt voor een zorgvuldige procedure. Daarnaast vragen zij de regering om doorlopend te toetsen of deze manier van werken inderdaad zorgt voor een efficiƫntere procedures waarbij voldoende oog is voor het recht op een eerlijk proces, of dat bijgestuurd moet worden.
De leden van de PVV-fractie vragen naar de huidige status van het voornemen van het vorige kabinet om de rechtsbijstand te beperken in de administratieve fase.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het voornemen heeft om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Dit geldt zowel voor counseling onder de Asielprocedureverordening als de Asielmigratie- en Beheerverordening. Aangezien er een aantal processtappen wordt geschrapt is het essentieel dat de toegang tot het recht voor asielzoekers gewaarborgd blijft. Deze leden hebben hier enkele vragen over en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden. Hoe wordt het nuttig effect van dit recht gewaarborgd terwijl de counseling bij de beslissingsautoriteit is belegd? Wordt op deze manier niet de zorgvuldigheid van de procedure belemmerd? Erkent de regering dat onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is voor het bieden van juridische counseling? Hoe wordt deze onafhankelijkheid geborgd? Kan de regering schetsen hoe de IND de legal counseling gaat invullen? Waar bestaat dit concreet uit? Is er gekeken naar de mogelijkheid om de asieladvocatuur de juridische counseling te laten doen? Zou deze optie kostenbesparend zijn? Is de regering bekend met het experiment in Duitsland in 2017 waar binnen de immigratiedienst een afdeling juridische bijstand voor asielzoekers verzorgde en met het feit dat deze vorm van counseling na mislukking weer is afgeschaft? Waarom denkt de regering dat dit in Nederland wel een succes zal zijn? Klopt het dat in Duitsland ā naast de beslisautoriteiten ā ook niet-gouvernementele organisaties (ngoās) legal counseling en voorlichting kunnen geven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering nog in gesprek is met de IND over het voornemen om de uitvoering van de juridische counseling bij de IND te beleggen. Is hierover inmiddels overeenstemming bereikt en zo ja, wat zijn de uitkomsten?
De leden van de JA21-fractie vragen welke eisen de verordening voorschrijft aan de aanbieders van juridische counseling. Moet de juridische counseling danwel de rechtsbijstand bij de beroepsprocedure worden geboden door advocaten?
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening (EU) 2024/1351
Algemeen
De leden van de PVV-fractie constateren dat artikel 16, vierde lid, van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bepaalt dat, indien sprake is van een reƫle dreiging voor de veiligheid van de asielzoeker of een ernstige schending van de mensenrechten in de verantwoordelijke lidstaat, geen overdracht op basis van een overnameverzoek of herplaatsing naar die andere lidstaat plaatsvindt. Deze leden vragen de regering in welke concrete situaties een lidstaat, ondanks dat deze volgens de criteria niet verantwoordelijk is, desondanks verplicht is de asielaanvraag zelf te behandelen. Voorts vragen zij of er sancties of andere consequenties volgen wanneer de volgens het Pact verantwoordelijke lidstaat een overnameclaim weigert of niet binnen de gestelde termijnen reageert op een overnameverzoek. Zo ja, welke sancties zijn dat precies (financieel, procedureel of anderszins), wie legt ze op, en hoe vaak zijn dergelijke sancties in de praktijk al toegepast of opgelegd in de afgelopen jaren?
De leden van de JA21-fractie vragen of alle Dublinoverdrachten straks kunnen worden afgedwongen. Of verwacht de regering dat dit in voorkomende gevallen nog op juridische obstakels zal stuiten? Kan de regering ingaan op de risicoās dat grootschalige secundaire migratie doorgaat en eerste aankomstlanden niet registreren? Op welke manieren worden die risicoās gemitigeerd? Kan de regering verklaren waarom het feit dat terugnameverzoeken zijn omgezet tot eenvoudige kennisgevingen (artikel 41 Asiel- en Migratiebeheerverordening) in de praktijk zal leiden tot meer daadwerkelijke overdrachten?
De leden van de JA21-fractie vragen welke specifieke juridische instrumenten eraan bijdragen dat overdrachten niet stranden in beroepsprocedures. Deze leden constateren dat artikel 43 van de Asiel- en Migratiebeheerverordening de draagwijdte van het beroep weliswaar beperkt tot een toets op onmenselijke of vernederende behandeling, maar vragen of deze beperking verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest voor de grondrechten en wat de verwachte gevolgen zijn voor het aantal geslaagde beroepen tegen overdrachtsbesluiten. Wat gebeurt er indien een lidstaat structureel nalaat asielzoekers te registreren of tegen te houden aan de buitengrens, zoals Italiƫ en Griekenland in het verleden hebben gedaan? Welk handhavingsmechanisme wordt in werking gezet?
Indien de regering stelt dat sancties tegen niet-nalevende lidstaten mogelijk zijn, kan zij dan concreet aangeven welke sancties in de praktijk politiek uitvoerbaar zijn, gegeven dat landen als Hongarije en Polen eerder expliciet hebben geweigerd enige vorm van herverdeling te accepteren en ook een veroordeling door het Hof van Justitie niet tot gedragsverandering heeft geleid, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Indien effectieve sanctionering van naleving door andere lidstaten niet afdwingbaar blijkt, klopt het volgens de regering dan dat het Pact opnieuw afhankelijk is van vrijwillige naleving door lidstaten? Kan de regering aangeven hoeveel Dublinoverdrachten zij verwacht jaarlijks daadwerkelijk te realiseren onder het nieuwe Pact, uitgedrukt in absolute aantallen en als percentage van het totaal aantal verzoeken?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat, ook onder de nieuwe verordening, de verantwoordelijkheid uiteindelijk alsnog verschuift naar de lidstaat waar de asielzoeker verblijft indien overdracht feitelijk niet wordt gerealiseerd. Zo ja, hoe voorkomt het Pact dat dit ā zoals onder Dublin ā opnieuw een krachtige prikkel vormt voor doorreizen? Kan de regering de juridische status van de relocatieverplichting uit het solidariteitsmechanisme duiden? Is er sprake van een resultaatsverbintenis of een inspanningsverplichting? Wat zijn de juridische consequenties indien een lidstaat de aan haar toegewezen relocaties niet uitvoert?
De leden van de JA21-fractie vragen of het bedrag van 20.000 euro per niet-herplaatste asielzoeker kostendekkend is voor de opvang, procedure en eventuele terugkeer van een asielzoeker in Nederland. Deze leden wijzen erop dat de gemiddelde kosten per asielzoeker in Nederland, inclusief opvang, procedure, rechtsbijstand, medische zorg en eventuele integratie, aanzienlijk hoger liggen. Kan de regering een specificatie geven van de daadwerkelijke kosten per asielzoeker op jaarbasis?
Hoe wordt voorkomen dat het solidariteitsmechanisme in de praktijk verwatert tot een structureel afkoopmechanisme voor een klein deel van de asielzoekers zonder dat de instroom en secundaire migratie sterk afnemen, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Hoe groot acht de regering de kans dat de solidariteit in financiƫle vorm zal worden omgezet in Dublin-offsets? Kan de regering juridisch uiteenzetten welke concrete procedure de Europese Commissie moet doorlopen om niet-naleving van het solidariteitsmechanisme door een lidstaat te sanctioneren? Hoelang duurt een dergelijke procedure gemiddeld van signalering tot daadwerkelijke sanctie?
Is er sprake van een automatische sanctie bij niet-naleving, of is sanctionering afhankelijk van een politiek besluit, zo vragen de leden van de JA21-fractie. Wat is het scenario indien meerdere lidstaten gelijktijdig weigeren relocaties uit te voeren of financiƫle bijdragen te voldoen? Hoe wordt Nederland in dat geval beschermd tegen een herhaling van de situatie zoals die bestond onder Dublin, waarin een klein aantal lidstaten onevenredig zwaar belast werd?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de verdeling van verantwoordelijkheid tussen lidstaten voor de behandeling van asielaanvragen voortaan wordt geregeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening, die de huidige Dublinverordening vervangt. Net als onder het Dublinsysteem blijft het uitgangspunt dat één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Daarmee wordt voorkomen dat meerdere lidstaten dezelfde aanvraag behandelen of dat asielzoekers in verschillende landen procedures starten. Nieuw is echter dat deze verordening een verplicht solidariteitsmechanisme invoert. Waar solidariteit onder het oude systeem grotendeels vrijwillig was, wordt zij nu juridisch verankerd. Lidstaten die te maken krijgen met een hoge instroom of structurele druk op hun asiel- en opvangsysteem kunnen een beroep doen op steun van andere lidstaten. Die andere lidstaten zijn vervolgens verplicht bij te dragen. Zij kunnen daarbij kiezen hoe zij bijdragen, maar niet óf zij bijdragen. De bijdrage kan verschillende vormen aannemen, zoals herplaatsing van asielzoekers (overname van personen die in de onder druk staande lidstaat zijn aangekomen), een financiële bijdrage of operationele steun, bijvoorbeeld in de vorm van personeel, expertise of materiële ondersteuning.
De leden van de BBB-fractie constateren dat meerdere lidstaten aanzienlijke kortingen hebben bedongen omdat zij zelf een āsignificante migratiesituatieā zouden hebben. Nederland ontvangt echter geen enkele korting en moet het volledige aandeel bijdragen. Waarom wordt Nederland niet aangemerkt als lidstaat met een āsignificante migratiesituatieā, terwijl opvang, huisvesting en procedures aantoonbaar onder zware druk staan?
De leden van de BBB-fractie lezen dat Hongarije en Slowakije weigeren volledig mee te doen, zonder dat de Raad daar consequenties aan verbindt. Wat is de sanctie als lidstaten structureel weigeren bij te dragen? Kan de regering uiteenzetten hoe zij voorkomt dat Nederland, als relatief rechtsstatelijk en uitvoeringsgetrouw land, structureel de lasten draagt van een pact dat elders onvoldoende wordt nageleefd?
Volgens de leden van de BBB-fractie kunnen extra zorgen ontstaan doordat Duitsland en Frankrijk van plan lijken hun toegezegde opvangplekken grotendeels via Dublin-compensaties in te vullen, in plaats van met daadwerkelijke nieuwe relocaties. Spanje heeft in een stemverklaring aangegeven dat dit tegen de bedoeling van het Pact ingaat en de EU-solidariteit ondermijnt. Deze leden vragen daarom of grote lidstaten inderdaad Dublin-compensaties inzetten, hoeveel daadwerkelijke relocaties er dan overblijven en hoe groot het risico is dat dit precedentwerking heeft voor de komende jaren, waardoor het hele Pact verzwakt wordt.
Kan de regering uitleggen hoe zij kijkt naar bovenstaande zaken? De leden van de BBB-fractie vragen wat het Pact nog waard is, als er nu al op deze manier mee omgegaan wordt?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de IND het vereiste in artikel 34.3 uit de Asiel- en migratiebeheerverordening uit gaat voeren. Heeft de IND deze expertise zelf in huis, of hoe wordt deze binnengehaald?
Uitvoering Asiel- en migratiebeheerverordening in onderhavig wetsvoorstel
De leden van de PVV-fractie lezen dat in het geval een asielzoeker zich niet bevindt in de verantwoordelijke lidstaat het recht op opvang en andere voorzieningen vervalt. Kan de regering uiteenzetten wat āDublinclaimantenā, ondanks de inperking, alsnog ontvangen en hoe dit vormgegeven wordt?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen het doel van dit wetsvoorstel om asielaanvragen zo veel mogelijk in behandeling te laten nemen door de lidstaat dat hiervoor wettelijk verantwoordelijk is. In hoeverre verwacht de regering dat de uitvoering van de Asiel- en migratiebeheerverordening ertoe gaat leiden dat de problemen met het uitzetten van asielzoekers naar andere Europese lidstaten tot het verleden gaat behoren?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het wegvallen van het recht op opvang bij overplaatsing niet afdoet aan de verplichting om ook asielzoekers die moeten worden overgedragen in bepaalde minimumvoorwaarden te voorzien. Wat houden deze minimale voorzieningen in? Hoe wordt deze minimale vorm van opvang ingericht? Waar hebben asielzoekers recht op in deze opvangvorm?
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering hoe het zit met vreemdelingen die de landsgrenzen van Europa hebben bereikt, zonder aanmelding of aanvraag door verschillende landen weet te reizen en uiteindelijk aankomt in Nederland om daar een aanvraag te doen voor een asielvergunning. Geldt in zulke gevallen de buitengrensprocedure en zo ja, waar vindt dit dan plaats? Is dat de plek waar de vreemdeling zich voor het eerst in Nederland meldt, of wordt hiervoor een standaard plek aangewezen, zoals Schiphol?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Asiel- en migratiebeheerverordening voorziet in een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Deze leden vragen de regering toe te lichten welke concrete gevolgen dit mechanisme naar verwachting heeft voor Nederland, zowel financieel als qua opvangcapaciteit. Maakt Nederland al gebruik van dit mechanisme en wat zijn hierbij de financiƫle kaders?
Welke aanvullende nationale maatregelen is de regering bereid te nemen om secundaire migratie richting Nederland tegen te gaan, en op welke wijze benut de regering hier de ruimte die het Pact expliciet aan lidstaten laat, zo vragen de leden van de JA21-fractie.
Implementatie herschikte Opvangrichtlijn (EU) 2024/1346
Algemeen
De leden van de PVV-fractie vragen de regering welke maatregelen vastgelegd zijn in het verplichte noodplan wanneer er zich een onevenredig hoge instroom voordoet. Daarnaast vragen deze leden wanneer er sprake is van een onevenredig hoge instroom en hoe dit zich verhoudt tot de Crisisverordening.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dat de voorzieningen voor kwetsbare groepen goed geborgd worden in de opvang. Zij hebben hier enkele vragen over. Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van de herziene Opvangrichtlijn concreet en wettelijk geborgd dat bijzondere opvangbehoeften van asielzoekers ā zoals bij kinderen, zwangere vrouwen, mensen met medische of psychische problematiek, slachtoffers van marteling en LHBTIQ-personen ā systematisch, deskundig en uiterlijk binnen 30 dagen worden vastgesteld, zoals art. 24 en 25 van de richtlijn vereisen? Welke concrete maatregelen, inclusief tijdspad, neemt de regering om ā mede in het licht van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:2429) waarin is vastgesteld dat de opvang niet voldeed aan de minimumnormen van de Opvangrichtlijn ā uiterlijk in 2026 voldoende reguliere opvangplekken te realiseren die een adequate levensstandaard garanderen en kunnen voorzien in de bijzondere opvangbehoeften van kinderen en personen in een kwetsbare positie, zodat afbouw van (crisis)noodopvang daadwerkelijk plaatsvindt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderwijs en voldoende faciliteiten voor kinderen fatsoenlijk geregeld moeten worden in de opvang. Ook taalonderwijs voor volwassenen is van groot belang voor de integratie. Op welke manier wordt invulling gegeven aan artikel 18 van de herziene Opvangrichtlijn waarin staat dat lidstaten asielzoekers toegang moeten geven tot taalcursussen, inburgerings- of beroepsopleidingscursussen? Worden professionele taalonderwijzers ingezet of wordt er gebruik gemaakt van vrijwilligers? In welke opvangvormen en aan welke groepen vluchtelingen worden taallessen aangeboden en aan wie niet?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat veelvuldige verhuisbewegingen een grote impact hebben op asielzoekers, specifiek op kinderen. Leerlijnen in het onderwijs worden doorbroken en het is ingewikkeld de onderwijsbehoefte van kinderen en volwassenen in beeld te krijgen. Daarnaast heeft het openen en sluiten van locaties gevolgen voor het goed kunnen organiseren van zorg en (taal)onderwijs. Ook hebben veelvuldige verhuisbewegingen een negatieve impact op vroege integratie en participatie. Is de regering bereid om verhuizingen zoveel mogelijk te voorkomen? Zo ja, op welke manier? Kan de regering garanderen dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen zoals zorg en (taal)onderwijs voorwaardelijk zijn bij het bepalen of een locatie geschikt is als opvanglocatie en dat deze voorzieningen moeten zijn ingericht voordat een opvanglocatie wordt geopend?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat regels over het onderduikrisico, vrijheidsbeperking en vermindering van voorzieningen in lagere wetgeving verder worden uitgewerkt in plaats van in de implementatiewet. Deze leden zijn van mening dat deze uitwerkingen essentiƫle elementen van de wet zijn waar de Kamer medezeggenschap over behoort te hebben. Waarom is ervoor gekozen om deze elementen niet in de implementatiewet uit te werken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat door de toenemende druk op detentiecapaciteit en aanhoudende personeelstekorten in de vreemdelingendetentie hier weinig ruimte is voor extra opvang. Hierover hebben zij enkele vragen. Waar verblijven vreemdelingen tijdens de screening? Welke organisaties zullen toegang tot ze hebben? Worden er dagprogrammaās beschikbaar gesteld? In hoeverre is het mogelijk contact te hebben met de buitenwereld zonder dat dit wordt gecontroleerd?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen voorts dat er een noodplan opgesteld dient te worden in het geval de komst van asielzoekers sterk toeneemt in aantal. Hierover hebben zij de volgende vragen. Worden er voorbereidende handelingen verricht bijvoorbeeld in de aanpassing van de Omgevingswet, zodat het noodplan ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden en de fundamentele rechten van asielzoekers in de opvang ook gegarandeerd worden in noodsituaties? Wanneer kan de Kamer het noodplan verwachten, wat zal hierin worden opgenomen? Wat zijn de meetbare voorwaarden om het noodplan te activeren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het Pact de mogelijkheden voor bewaring bij onderduikrisico en ter bescherming van de openbare orde (artikelen 10 en 11 herschikte Opvangrichtlijn, in samenhang met artikel 44 Asiel- en Migratiebeheerverordening) harmoniseert en verruimt. Is de regering bereid deze gronden in de Vw 2000 en het Vb 2000 zo effectief mogelijk in te vullen, zodat de samenleving maximaal kan worden beschermd tegen vreemdelingen met een strafrechtelijke achtergrond of herhaald overlastgevend gedrag? In hoeverre is daar nu in voorzien? In hoeverre noopt implementatie van het Pact tot een uitbreiding van het aantal opvangplekken waar vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd? Kan de regering hier een toelichting op geven? Wat wordt de inzet van deze regering ten aanzien van Bed-, Bad-, Broodlocaties met slechts basale voorzieningen? Wil de regering dergelijke locaties inrichten, en zo ja, voor welke groepen?
De leden van de BBB-fractie merken op dat de Opvangrichtlijn, als enige richtlijn binnen het Pact, ziet op de fase waarin een asielzoeker nog geen inhoudelijke beslissing op zijn aanvraag heeft ontvangen. Juridisch is deze fase bijzonder belangrijk, omdat hierin wordt bepaald onder welke voorwaarden iemand op het grondgebied mag verblijven, welke voorzieningen worden verstrekt en welke vrijheidsbeperkingen kunnen worden opgelegd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de richtlijn lidstaten verplicht opvang te bieden die voorziet in basale levensbehoeften, zoals onderdak, voeding en kleding, alsmede medische zorg en onderwijs voor minderjarigen. Tegelijkertijd koppelt de richtlijn deze opvang nadrukkelijk aan procedureel gedrag. Indien een asielzoeker niet meewerkt, zich onttrekt aan toezicht, een overdrachts- of terugkeerprocedure frustreert of een risico vormt voor de openbare orde, kan opvang worden beperkt, ingetrokken of vervangen door vrijheidsbeperkende maatregelen.
De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat vrijheidsontneming expliciet wordt toegestaan, mits deze proportioneel is, als laatste redmiddel wordt toegepast en onder rechterlijk toezicht staat. In de praktijk betekent dit dat opvang niet langer louter een sociale voorziening is, maar tevens een juridisch instrument om asielzoekers beschikbaar te houden voor procedure en handhaving. Voor Nederland heeft dit gevolgen zoals een verdere juridisering van COA-besluiten, een strakkere koppeling tussen de IND-procedure en de opvangstatus, en een toename van rechterlijke procedures over vrijheidsbeperking.
De leden van de BBB-fractie vragen de regering in hoeverre de herschikte Opvangrichtlijn de facto een minimumopvangstandaard vastlegt die niet verder kan worden versoberd. Tevens vragen zij hoe de regering het risico beoordeelt dat deze minimumopvangstandaard een aanzuigende werking heeft.
Ten aanzien van Dublinclaimanten vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de opvang voor hen eruit zal komen te zien. Zij lezen in artikel 21 van de Opvangrichtlijn dat zij geen recht hebben op opvang. Tegelijk kunnen zij niet aan hun lot worden overgelaten en heeft ieder recht op menswaardige opvang. Kan de regering schetsen welke opgave er voor het COA ligt voor deze mensen? Hoe anders is deze opvang ten opzichte van de huidige situatie? Is het niet eenvoudiger om geen aparte opvangfaciliteiten voor Dublinclaimanten op te zetten, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Ten aanzien van de opvang van kwetsbare groepen vragen de leden van de ChristenUnie-fractie naar de screening. In arikel 25 Opvangrichtlijn wordt beschreven dat medewerkers de bijzondere opvangbehoeften moeten beoordelen. Kan de regering schetsen hoe deze beoordeling eruit moet komen te zien? Hoe geeft de IND hier vorm aan en is er voldoende capaciteit voor deze beoordeling met expertise? Hoe ziet deze beoordeling er voor minderjarigen uit, zo vragen deze leden.
Toewijzing geografisch gebied
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het toewijzen van asielzoekers tot een geografisch gebied ook wordt toegepast op asielzoekers die afkomstig zijn uit veilige landen. Hier hebben zij enkele vragen bij. Hoe ziet deze toewijzing eruit? Komt dit neer op detentie? Hoe en wanneer kunnen asielzoekers dit geografische gebied verlaten? Klopt het dat het een keuze is om asielzoekers uit veilige landen in een vorm van detentie te plaatsen en dit niet dwingend voortvloeit uit het pact?
De leden van de JA21-fractie vragen op welke manier de regering denkt gebruik te kunnen maken van de toewijzing van een specifiek geografisch gebied. Welke gebieden heeft de regering op het oog? Art. 23 geeft dus de mogelijkheid om opvang in te trekken, indien een asielzoeker een geografisch gebied zonder toestemming verlaat. Is de regering voornemens gebruik te maken van deze mogelijkheid?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om uitzonderingscategorieƫn toe te voegen, om maatwerk te kunnen bieden als de situatie daarom vraagt. Deze leden denken dan aan de categorieƫn kwetsbare personen zoals in de Opvangrichtlijn, artikel 24 worden genoemd, waaronder minderjarigen, personen met een handicap en ouderen.
Vrijheidsontneming asielzoekers op grond van artikel 59b Vw 2000
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de maximale termijnen flink worden verhoogd. De bewaring zelf vloeit voort uit het Pact maar het is aan de nationale wetgever om termijnen te stellen. Hierover hebben deze leden enkele vragen. In hoeverre wijkt Nederland in deze termijnen af van termijnen die in andere EU-landen worden gesteld? Welke landen hanteren ook het maximum van 15 maanden in het geval van complexe behandeling en een generieke mogelijkheid tot verlenging tot 12 maanden? Bij welke gevallen wordt de grensdetentie tot maximaal 12 maanden verlengd? Aan welke complexe omstandigheden moeten we denken? Kan de regering voorbeelden geven van dit soort situaties? Wat gebeurt er als uitzetting na deze 12 maanden alsnog niet mogelijk is? Is er voldoende capaciteit om gebruik te maken van deze verlenging en hoe vaak denkt de regering hier gebruik van te zullen maken?
De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen welke landen een kortere maximumtermijn hanteren en hoe lang deze kortere termijnen zijn. Op welke manier krijgen asielzoekers in detentie rechtsbijstand? In het coalitieakkoord staat dat kansarme aanvragers pas rechtsbijstand krijgen bij afwijzing. Geldt dit ook voor aanvragers in detentie? Is de regering het eens met de stelling dat in een detentiesetting het des te belangrijker is dat de juridische counseling wordt gedaan door een onafhankelijke partij en niet door de autoriteiten die iemand in detentie hebben geplaatst?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de regering in de implementatiewet geen onderscheid maakt tussen de grensprocedure en grensdetentie. Alle asielzoekers die in de grensprocedure zitten, worden ook gedetineerd. Deze detentie geldt voor de volledige duur van de procedure, terwijl er ook voor gekozen had kunnen worden om de duur te beperken tot de screeningsfase. Waarom gebruikt de regering detentie als standaard en niet als uiterst middel, zoals diverse Europese richtlijnen voorschrijven? Hoe duidt de regering de mededeling van de Europese Commissie met betrekking tot het Gemeenschappelijk uitvoeringsplan voor het Pact, waarin staat vermeld dat de maatregelen protocollen kunnen omvatten inclusief alternatieven voor bewaring, met name voor gezinnen met kinderen? Is er in detentie ook sprake van onderwijs voor minderjarigen? Wat zijn de faciliteiten in deze detentieplekken voor kinderen en voor volwassenen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ook in detentie de gezondheidszorg van belang is. Daarom is het van belang dat deze in de implementatiewet goed gewaarborgd is, zowel in de grens- en vreemdelingendetentie als tijdens de screeningsprocedure, zodat adequate medische controles plaatsvinden en kwetsbaarheid tijdig wordt gesignaleerd. Hierover hebben zij enkele vragen. Op welke manier wordt de gezondheidszorg in grensdetentie gewaarborgd? Welke instantie is verantwoordelijk voor de medische en psychische zorg tijdens detentie inclusief tijdens de screeningsprocedure? Op welke manier en in welk stadium wordt er gekeken naar mogelijke kwetsbaarheden van vreemdelingen? Hoe wordt er omgegaan met kwetsbare groepen die bijvoorbeeld te maken hebben met psychische problemen, traumaās en angst? Hoe wordt ervoor gezorgd dat de juiste gespecialiseerde expertise beschikbaar is en er voldoende tijd wordt genomen om kwetsbaarheden te signaleren? Hoe zal er worden omgegaan met weigering van deelname aan de screeningsprocedure? Hoe wordt rekening gehouden met- en gereageerd op problemen zoals hongerstakingen en zelfmoordpogingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat kinderen niet thuishoren in detentie en dat dit zeer schadelijk kan zijn. Zij lezen dat minderjarigen alleen in detentie terechtkomen als dit in hun belang is. Het belang van het kind wordt genoemd naar niet verder uitgewerkt, terwijl het belang van het kind op grond van het IVRK en het EU-Handvest de eerste overweging moet zijn bij beslissingen die betrekking hebben tot kinderen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij en vragen gelieve deze individueel te beantwoorden. Wat is volgens de regering in deze context in het belang van het kind? Hoe wordt dit getoetst en gewaarborgd? Wanneer is het volgens de regering in het belang van het kind om in bewaring te worden gesteld? In welke situatie zou het noodzakelijk zijn om een alleenstaande minderjarige in vreemdelingenbewaring te nemen ter bescherming? Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen tot artikel 37 van het IVRK waarin staat dat kinderen niet op willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid mag worden beroofd? Hoe verhoudt zich de detentie van kinderen van andere rechten uit het IVRK, zoals het recht op een gezinsleven (artikelen 9 en 16), het recht op een stem (artikelen 12 en 13), het recht op sociale voorzieningen (artikel 26), het recht op onderwijs (artikel 28)?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er geen andere mogelijkheden zijn om amvāers te beschermen. Worden (alleenstaande) minderjarigen samen met volwassenen in grensdetentie en de screeningsprocedure geplaatst? Wat zijn de waarborgen die ervoor zorgen dat minderjarigen apart worden gescreend en op afzonderlijke en kindvriendelijke plekken worden opgevangen?
Is de regering het met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat het belang van het kind leidend moet zijn? Is de regering van plan gezinnen met kinderen voorrang te geven in het beƫindigen van hun grensprocedure? De Opvangrichtlijn stelt dat minderjarigen ondergebracht dienen te worden in voor hen geschikte accommodatie en alleen in bewaring mogen worden gesteld in uitzonderlijke situaties. Hoe verhouden deze waarborgen zich tot de keuze van Nederland om Ɣlle gezinnen met kinderen in de grensprocedure standaard op te sluiten in Gesloten Gezinsvoorziening (GGV) Zeist?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom de regering er bij de implementatie van het Pact voor kiest om gezinnen met kinderen in het kader van grensprocedures in bewaring te plaatsen in de GGV in Zeist, terwijl open opvangvoorzieningen een minder ingrijpend en effectief alternatief vormen en aansluiten bij de huidige praktijk waarin gezinnen en alleenstaande minderjarigen naar de open asielprocedure worden doorverwezen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn ruimte biedt voor vrijheidsontneming van asielzoekers onder bepaalde voorwaarden. Deze leden vragen of de regering kan toelichten in hoeverre de toepassing van artikel 59b Vw 2000 in de praktijk zal wijzigen en of verwacht wordt dat het aantal bewaringsmaatregelen zal toenemen als gevolg van deze implementatie. Voorts vragen deze leden hoe wordt geborgd dat vrijheidsontneming als ultimum remedium wordt toegepast en individueel wordt gemotiveerd, conform de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de regering in artikel 59b Vw 2000 kiest voor een maximale bewaartermijn van zes maanden voor asielzoekers, met een verlengingsmogelijkheid van nog eens zes maanden, in totaal dus maximaal twaalf maanden, terwijl de bestaande mogelijkheid van een aanvullende verlenging met negen maanden bij zwaarwegende belangen van openbare orde of nationale veiligheid wordt geschrapt. Kan de regering uiteenzetten waarom precies voor deze systematiek van twee keer zes maanden is gekozen, en waarom er niet voor is gekozen de maximale detentieduur verder op te rekken in lijn met het door de Commissie voorgestelde regime in de Terugkeerverordening voor de terugkeerfase?
Daarbij vragen de leden van de JA21-fractie specifiek of de regering meent dat met de voorgestelde maximale duur van twaalf maanden (asielfase) de beschikbare detentiecapaciteit voldoende effectief kan worden ingezet om onttrekking en secundaire migratie tegen te gaan. Zo ja, op basis van welke praktijkgegevens wordt dat oordeel onderbouwd? Waarom wordt de bewaringstermijn bij gevaar voor openbare orde en veiligheid verlaagd? Kan de regering dit toelichten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de vrijheidsontneming van minderjarigen. Zij lezen dat minderjarigen in uitzonderlijke gevallen in bewaring kunnen worden gesteld, onder andere als vastgesteld is dat bewaring in hun belang is. Wie schat dit belang van het kind in, zo vragen deze leden. Is dit iemand die kennis heeft van de ontwikkeling van een kind en de impact van de inbewaringstelling? Zo nee, vindt de regering het niet wenselijk dat iemand met dergelijke expertise meekijkt? Deze leden kunnen zich voorstellen dat het meekijken van bijvoorbeeld een gedragswetenschapper bij een dergelijke beslissing recht doet aan de belangen van het kind. Kan de regering hierop reageren?
Vrijheidsbeperking, vrijheidsontneming en meldplicht bij onderduikrisico
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van mogelijkheden om asielzoekers bij wie een onderduikrisico bestaat in hun bewegingsvrijheid te beperken of in bewaring te stellen. Op basis van welke criteria zal worden vastgesteld of er sprake is van een onderduikrisico? Zal er sprake zijn van een limitatieve lijst van objectieve criteria, of blijft er ruimte voor een open normstelling? In hoeverre zullen eerdere onttrekkingen aan toezicht, identiteitsfraude, het niet naleven van een meldplicht of het niet meewerken aan een asielprocedure grond vormen om een onderduikrisico vast te stellen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat overgaan tot preventieve detentie na het implementeren van deze wet niet meer alleen zal voorkomen als het onderduikrisico āsignificantā is. Daarnaast zorg het Pact ervoor dat asielzoekers die moeten worden overgedragen hun recht op opvang verliezen, waardoor het onderduikrisico kan toenemen. Ook kan deze groep in bewaring worden gesteld als āhet belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vergtā. Hierdoor ontstaat het risico dat het karakter van deze maatregel alleen als laatste redmiddel verandert.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hierover waarom de meetbare criteria voor het onderduikrisico niet in de wettekst zijn opgenomen. Is deze beslissing over het zijn van een onderduikrisico aan te vechten en herroepelijk? Op welke manier wordt gewaarborgd dat vreemdelingen waar geen onderduikrisico bestaat en die geen bedreiging vormen niet in detentie worden geplaatst? Hoe verhoudt de nieuwe grond voor inbewaringstelling āin het belang van de openbare orde of nationale veiligheidā zich tot het bestaan van een onderduikrisico? Zijn dit twee aparte gronden voor inbewaringstelling? Als de openbare orde of nationale veiligheid een volledig nieuwe grond is voor inbewaringstelling, op welke manier wordt deze grond dan nader uitgewerkt aan de hand van concrete en toetsbare criteria?
De leden van de CDA-fractie lezen dat vrijheidsbeperkende maatregelen, waaronder een meldplicht of vrijheidsontneming, kunnen worden toegepast indien sprake is van een onderduikrisico. Deze leden vragen de regering hoe het onderduikrisico concreet wordt vastgesteld en welke objectieve criteria daarbij worden gehanteerd. Voorts vragen deze leden hoe wordt gewaarborgd dat bij de toepassing van dergelijke maatregelen steeds een individuele en proportionele afweging plaatsvindt.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering van plan is maximaal gebruik te maken van de mogelijkheden die de herschikte Opvangrichtlijn biedt, nu de norm wordt versoepeld. Kan de regering dit toelichten? Onder welke voorwaarden kan nu van asielzoekers worden bepaald dat zij enkel mogen verblijven op een specifieke opvangplaats? Hoe is de regering voornemens om per AMvB dat onderduikrisico te toetsen en/of vast te stellen? Hoe verhoudt deze nieuwe mogelijkheid zich tot de escalatiepraktijk met treden van de procesbeschikbaarheidsaanpak? Kan die worden aangescherpt?
Beroep bij de rechter bij vrijheidsontneming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de herschikte Opvangrichtlijn nadere bepalingen bevat ten aanzien van de rechterlijke toetsing van vrijheidsontneming. Deze leden vragen de regering welke gevolgen de implementatie van deze bepalingen heeft voor de werklast van de rechtspraak in bewaringszaken. Daarnaast vragen deze leden de regering hoe wordt gewaarborgd dat de rechterlijke toetsing tijdig en effectief kan plaatsvinden, mede gelet op de reeds bestaande druk op de vreemdelingenkamers.
Wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs 2020
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt wil geven door middel van een tewerkstellingsvergunning. Deze leden zijn van mening dat het beter is voor de integratie om deze noodzaak te schrappen, net als bij Oekraïense vluchtelingen en werkgevers met asielzoekers en vluchtelingen in contact te brengen. Waarom is hier niet voor gekozen? Is de regering niet van mening dat de integratie en aansluiting tot de arbeidsmarkt een stuk effectiever is wanneer er zonder tewerkstellingsvergunning wordt gewerkt? In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de herziene Opvangrichtlijn in combinatie met de Procedureverordening voor bepaalde categorieën asielzoekers of in een bepaalde fase van de procedure toegang tot de arbeidsmarkt uitsluit. Zal de regering voor alle andere asielzoekers toegang tot de arbeidsmarkt geven? Zijn er juridische beletsels om asielzoekers waarvoor de maximale beslistermijn voor de versnelde procedure is overschreden toegang tot de arbeidsmarkt te geven?
Uitvoering Screeningsverordening (EU) 2024/1356
Algemeen
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het doel van de Screeningsverordening om snel asielzoekers naar de juiste procedure te verwijzen. In hoeverre bestaat er volgens de regering het risico dat asielzoekers bewust onjuiste gegevens aanleveren om in een gunstige asielprocedure te belanden? Meent de regering dat deze Implementatiewet al het mogelijke doet om dit risico zo klein mogelijk te houden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de screeningsfase bedoeld is als een snel proces om enkele eigenschappen van een persoon vast te stellen. Zij hebben hier enkele vragen bij. Hoe wordt gewaarborgd dat de screeningsfase voorlopig en administratief blijft en niet uitmondt in een de facto inhoudelijke asielbeoordeling? In hoeverre is effectieve rechtsbijstand beschikbaar tijdens de screening gezien het korte tijdsbestek en de grenscontext? Op welke manier wordt de betrokkene geĆÆnformeerd over doel, gevolgen en mogelijke uitkomsten van de screening?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke autoriteiten welk deel van de screening zullen uitvoeren. Is de regering het eens met de stelling dat voor screening op kwetsbaarheid de inzet van professionele deskundigen is vereist zoals dokters, (kinder-)psychologen etcetera? Op welke wijze wordt dit proces ingeregeld? Komt een werkwijze hiervoor naar de Kamer? Wie beslist op basis van de resultaten in welke volgende procedure de vreemdeling gaat? Is deze beslissing aan te vechten en te herroepen? Hoe wordt gelijke behandeling tijdens deze procedures gewaarborgd? Hoe lang worden mensen opgehouden aan de grens (lounge Schiphol) en waar wordt het screeningsproces afgerond nu mensen daar maar kort kunnen verblijven? Wat gebeurt er met gezinnen met kinderen en amvāers? Op welke wijze wordt de informatie die voortkomt uit de screening op grond van de Screeningsverordening daadwerkelijk en structureel betrokken bij de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften en bij (plaatsing)beslissingen over opvang?
Welke ruimte biedt de Screeningsverordening voor verplichte detentie, in de zin van vrijheidsontneming, tijdens de screeningsfase, zo vragen de leden van de JA21-fractie. De memorie van toelichting spreekt van een ābeschikbaarheidsregimeā in plaats van structurele detentie. Kan de regering uiteenzetten waarom niet wordt gekozen voor maximale toepassing van vrijheidsontneming tijdens de screening in het nationaal kader, gegeven het aanzienlijke risico op onttrekking in deze fase? Deze leden wijzen erop dat een groot deel van de asielzoekers die onder de Dublinverordening moesten worden overgedragen, verdween met onbekende bestemming.
Screening aan de buitengrens en screening op het grondgebied van de lidstaten
De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening de te screenen personen in juridische zin niet tot het grondgebied van de lidstaat worden toegelaten. Hoe gaat dit praktisch in zijn werk als een vreemdeling zich niet aan de buitengrens meldt, maar op een andere plek in Nederland? Wordt deze persoon dan naar een centrale plek overgebracht waar de screening plaatsvindt? Wordt hierbij een scherp onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die een asielaanvraag doen en vreemdelingen die vallen onder de Terugkeerrichtlijn?
De leden van de CDA-fractie lezen dat voor zowel identificatie en verificatie van de identiteit als voor de veiligheidscontrole geldt dat voor zover relevant nationale databanken overeenkomstig het nationale recht worden geraadpleegd. Naast de vreemdelingenadministratie kan volgens de regering gedacht worden aan (N)SIS en politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens. Acht de regering de Wet politiegegevens op dit moment daar toereikend genoeg voor, nu al jaren de discussie loopt om deze wet te moderniseren omdat de bepalingen niet meer aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van informatie-uitwisseling? Is de regering op de hoogte van de beslissing van de minister van Justitie en Veiligheid om deze genoemde wet toch niet te moderniseren, terwijl dit wel noodzakelijk is om goede gegevensdeling te bewerkstelligen?
De leden van de BBB-fractie constateren dat deze verordening lidstaten verplicht om derdelanders die de buitengrens van de EU illegaal overschrijden, na een reddingsoperatie op zee aan land worden gebracht, of in bepaalde gevallen zonder rechtmatig verblijf worden aangetroffen, eerst te onderwerpen aan een verplichte screeningprocedure. Deze screening vindt plaats vóórdat betrokkene formeel toegang krijgt tot het grondgebied.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de screening is bedoeld als een snelle, gestandaardiseerde voorfase en verschillende onderdelen omvat. Allereerst wordt de identiteit vastgesteld, onder meer via registratie en controle van reis- en identiteitsdocumenten. Daarnaast vinden veiligheidscontroles plaats, bijvoorbeeld door raadpleging van relevante nationale en Europese databanken. Ook wordt een gezondheidscheck uitgevoerd. Tot slot volgt een eerste juridische beoordeling: een voorlopige inschatting van de situatie van de betrokkene en van de procedure die passend is. Op basis van deze eerste beoordeling wordt bepaald welk traject iemand moet volgen. Dat kan de reguliere asielprocedure zijn, de grensprocedure (waarbij de aanvraag wordt behandeld zonder formele toelating tot het grondgebied) of de terugkeerprocedure, als duidelijk is dat geen recht op verblijf bestaat.
De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Nederlandse context dit betekent dat de Koninklijke Marechaussee (voor grensbewaking en registratie) en de IND (voor de procedurele beoordeling) een expliciete poortwachtersfunctie krijgen. Zij bepalen in deze vroege fase welk juridisch traject wordt ingezet. Deze leden vinden dat deze verordening een technische verordening is die ervoor zorgt dat de nieuwe Europese screeningsprocedure juridisch aansluit op bestaande EU-regels en databanken. De screening controleert snel identiteit, veiligheid en gezondheid van mensen die de buitengrens oversteken of onrechtmatig verblijven, voordat zij in een asiel-, grens- of terugkeerprocedure komen. Deze leden constateren dit omdat oudere EU-verordeningen nog niet op deze screening waren afgestemd. Deze verordening past bestaande regels aan zodat gegevens uit de screening correct kunnen worden vergeleken met systemen zoals Eurodac, VIS of ECRIS TCN. Zij wijzigt geen rechten of procedures voor asielzoekers en is volledig technisch van aard. Nederland hoeft de verordening niet apart om te zetten; alleen nationale regels die strijdig zijn worden aangepast of geschrapt. Zo zorgt de verordening ervoor dat de screening juridisch sluitend en foutloos kan functioneren binnen het EU-recht.
Toezicht en rechten van betrokkenen
De leden van de D66-fractie steunen het principe van een onafhankelijk toezichtmechanisme en kunnen de regering volgen in het feit dat deze taak voor een deel wordt belegd bij onder andere de Inspectie Justitie en Veiligheid. Deze leden achten het daarnaast van belang dat ook maatschappelijke organisaties onderdeel worden van een dergelijk toezichtmechanisme, gezien de andersoortige rol en positie die zij hebben ten opzichte van de minister. Is de regering bereid dergelijke organisaties een rol binnen het onafhankelijk toezichtmechanisme te geven?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat individuen tijdens de screening en de asielgrensprocedure ter beschikking van de autoriteiten moeten blijven. Zoals volgt uit EU- en internationaal recht mag detentie alleen als laatste redmiddel gebruikt worden. Deze leden hebben hier enkele vragen bij. Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat individuen ter beschikking blijven van de autoriteiten? Resulteert dit de facto in detentie? In welke gevallen is de regering van plan om tot detentie over te gaan bij toepassing van de asielgrensprocedure? Hoe gaat de regering ervoor waken dat mensenrechten worden gewaarborgd aan de grens?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat iedere lidstaat moet voorzien in een onafhankelijk toezichtmechanisme. Deze leden hebben hier nog enkele vragen over. Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit toezichtmechanisme gewaarborgd? Hoe wordt ervoor gezorgd dat dit toezichtmechanisme ook toegankelijk is voor asielzoekers? Het toezichtmechanisme wordt neergelegd bij het ministerie van Asiel en Migratie. Waarom wordt er niet voor gekozen om deze taak bij de Nationale Ombudsman te beleggen? Eventueel in samenwerking met het College voor de Rechten van de Mens?
Uitvoering herziene Eurodac-verordening (EU) 2024/1358
Algemeen
De leden van de BBB-fractie constateren dat Eurodac, dat oorspronkelijk was ontworpen om vingerafdrukken van asielzoekers te vergelijken en zo te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, wordt uitgebreid tot een breed migratie- en handhavingsinstrument. Het systeem verwerkt nu meer soorten biometrische gegevens, zoals mogelijk gezichts- of irisscans, en de bewaartermijnen voor deze gegevens worden verlengd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een bredere groep autoriteiten toegang tot het systeem krijgt, waardoor het niet langer beperkt is tot gebruik bij asielprocedures. Deze uitbreidingen maken het voor de lidstaten mogelijk om migranten beter te volgen, ongecontroleerde doorreis binnen de EU tegen te gaan en overdrachten tussen lidstaten en terugkeer naar derde landen te vergemakkelijken.
Verplichting tot afname biometrische gegevens en invoer gegevens in Eurodac
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat wanneer personen die weigeren om biometrische gegevens te laten afnemen in het uiterste geval gedwongen kunnen worden dit te doen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij. Hoe ziet deze dwang eruit? Wordt hierbij rekening gehouden met kwetsbare mensen die bijvoorbeeld angstig zijn en een trauma hebben? Zo ja, op welke manier? Hoe wordt gewaarborgd dat niet meer dan āproportionele dwangā op personen wordt toegepast tijdens de procedure? Wordt ook bij minderjarigen zo nodig dwang toegepast? Zo ja, wordt dit door iemand gedaan die speciale kwalificaties heeft om dit bij kinderen af te nemen?
Toegang voor rechtshandhavingsdoeleinden
De leden van de CDA-fractie lezen dat de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden geen inhoudelijke wijziging beoogt ten opzichte van de huidige situatie en dat de controlerende rol bij de officier van justitie blijft belegd. Deze leden vragen of de regering kan toelichten of verwacht wordt dat het aantal verzoeken tot vergelijking van gegevens voor rechtshandhavingsdoeleinden zal toenemen onder de nieuwe Eurodac-verordening en, zo ja, of de betrokken instanties hier qua capaciteit voldoende op zijn voorbereid.
Overige onderdelen van de verordening
De leden van de BBB-fractie vinden dat deze verordening fungeert als een ingebouwd noodrecht voor uitzonderlijke situaties, zoals een plotselinge massale instroom van migranten of asielzoekers. Zij maakt het mogelijk tijdelijk af te wijken van de reguliere termijnen en procedures en activeert tegelijkertijd aanvullende solidariteitsmaatregelen onder de lidstaten. Deze leden vinden dat het doel van de verordening is om te dienen als vangnet, zodat het systeem niet instort bij onverwachte druk. Tegelijkertijd introduceert zij een structureel mechanisme waarmee lidstaten in crisissituaties tijdelijk kunnen afwijken van de normale rechtsbescherming en procedures, terwijl de continuĆÆteit van het migratie- en asielbeheer wordt gewaarborgd. Wie bepaalt wanneer sprake is van een crisis, en welke democratische controle bestaat daarop op nationaal niveau?
De leden van de BBB-fractie constateren dat parallel aan de aanscherping van de grens- en asielprocedures het Pact een legaal alternatief voor irreguliere migratie via de Uniekaderverordening voor hervestiging en humanitaire toelating introduceert. Deze verordening creƫert een gemeenschappelijk Europees kader voor de toelating van personen die internationale bescherming nodig hebben en zich nog buiten de EU bevinden, bijvoorbeeld in vluchtelingenkampen in derde landen. Deze leden lezen dat deze verordening op Europees niveau bepaalt wie voor hervestiging of humanitaire toelating in aanmerking kan komen, hoe de selectieprocedure verloopt, welke veiligheids- en identiteitstoetsen moeten worden uitgevoerd en welke rechten betrokkenen na aankomst in de lidstaat verkrijgen. Het gaat dus om een vooraf gecontroleerde en georganiseerde toegang tot bescherming, in plaats van bescherming na irreguliere binnenkomst.
De leden van de BBB-fractie constateren dat hervestiging in het Pact nadrukkelijk wordt gepresenteerd als het complement van strengere grensprocedures. De gedachte daarachter is dat personen die daadwerkelijk bescherming nodig hebben, bij voorkeur via veilige en gecontroleerde routes naar Europa komen, in plaats van via gevaarlijke en ongereguleerde migratieroutes. Strengere buitengrenscontroles en versnelde terugkeerprocedures worden zo gecombineerd met een gereguleerd kanaal voor legale toegang. Deze leden constateren dat in de praktijk hervestiging echter afhankelijk is van de politieke bereidheid van de lidstaten om plaatsen beschikbaar te stellen. De verordening schept geen individueel afdwingbaar recht op hervestiging: een persoon kan niet zelfstandig aanspraak maken op toelating tot de EU via dit systeem. Het aantal beschikbare plaatsen en de concrete uitvoering blijven dus in belangrijke mate afhankelijk van politieke keuzes op nationaal niveau. Kan de regering toelichten hoe zij hiermee om wil gaan?
Wet arbeid vreemdelingen
Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de CDA-fractie lezen dat reeds verleende tewerkstellingsvergunningen worden ingetrokken indien een verzoeker onder ƩƩn van de categorieƫn valt waarvoor de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat deze intrekking zorgvuldig en tijdig plaatsvindt en of de betrokken uitvoeringsinstanties hier organisatorisch op zijn voorbereid. Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat de benodigde gegevensuitwisseling tussen de IND en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) tijdig operationeel is om implementatie per 12 juni 2026 mogelijk te maken.
Verhouding tot hoger recht
De leden van de CDA-fractie lezen dat een kortere verblijfsduur kan leiden tot meer verlengingsprocedures. Deze leden vragen de regering welke gevolgen zij verwacht voor het aantal verlengingsaanvragen en voor de uitvoeringslast van de IND.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het niet verlenen van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd kan leiden tot een structureel tijdelijk karakter van bescherming. Deze leden vragen de regering of zij verwacht dat dit zal leiden tot een toename van herhaalde procedures of langdurige onzekerheid over de verblijfsstatus.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie constateren dat er veel op de uitvoeringsorganisaties afkomt, zowel door de inwerkingtreding van het Pact als de verschillende wets- en beleidswijzigingen vanuit het vorige en huidige kabinet. Veel van deze organisaties benadrukken dan ook dat het van belang is om deze wijzigingen te laten plaats vinden op ƩƩn verandermoment. Kan de regering toezeggen aan deze vraag te voldoen?
De leden van de D66-fractie lezen dat onder andere het COA de zorg uitspreekt dat als er door de vele wijzigingen verschillende procedures langs elkaar gaan lopen, dit kan leiden tot onduidelijkheid bij aanvragers en daarmee ook tot onrust op de opvanglocaties. Deze leden delen deze zorgen en wijzen erop dat dit voor zowel de medewerkers in de opvang als de buurtbewoners Ʃn de aanvragers zelf negatieve consequenties kan hebben. Zij vragen de regering daarom om te garanderen dat de informatievoorziening op de opvanglocaties voldoende is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de vreemdeling de mogelijkheid kan krijgen om correcties en aanvullingen te doen op het verslag van een gehoor. Waarom is er niet voor gekozen om de vreemdeling altijd de mogelijkheid te geven om correcties en aanvullingen te doen op het gehoor? Wanneer wordt ervoor gekozen dit niet te doen en op basis van welke objectieve criteria?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen in beginsel onmiddellijke werking krijgen en daarmee direct van toepassing zijn op lopende asielprocedures en bestaande werkvoorraden bij de IND. Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat vergelijkbare gevallen ongelijk worden behandeld afhankelijk van het moment van besluitvorming.
De leden van de CDA-fractie lezen dat dit wetsvoorstel samenloopt met de Wet invoering tweestatus en de Asielnoodmaatregelenwet en dat voor een aantal onderwerpen inhoudelijk dezelfde maatregelen gelden. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt gewaarborgd dat de verschillende overgangsregimes op elkaar aansluiten en niet leiden tot uitvoeringsonduidelijkheid of rechtsongelijkheid.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de vraag of het goed kan worden uitgevoerd. De memorie van toelichting erkent dat de implementatietermijn āzeer kortā is, dat de IND verwacht dat de nieuwe asielprocedure per 12 juni 2026 āoperationeel werkbaar maar nog niet volledig afgerondā is en dat er gedurende een overgangsperiode twee parallelle asielsystemen naast elkaar moeten functioneren. Daarnaast is de achterstand bij de IND opgelopen tot 51.000 openstaande aanvragen en is de wachttijd voor het nader gehoor gestegen naar 67 weken. Hoeveel extra personeel is nodig bij de IND, het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) om het Pact volledig uit te voeren? Kan de regering dit per organisatie en per functiegroep specificeren?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de memorie van toelichting vermeldt dat voor de screeningsprocedure naar schatting 45 tot 140 fte nodig is bij de IND. Kan de regering aangeven of deze capaciteit reeds beschikbaar is of dat aanvullende werving noodzakelijk is? Kunnen deze mensen op tijd worden getraind? Wat zijn de structurele kosten van de implementatie op de lange termijn, inclusief IV-systemen, opleiding, rechtsbijstand, tolken en medisch personeel?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de financiĆ«le gevolgen in de memorie van toelichting slechts als āglobale inschattingā worden gepresenteerd en dat een businesscase nog wordt uitgewerkt. Wanneer is deze businesscase gereed? In de beslisnota bij de memorie van toelichting staat āextra geld lijkt op korte termijn het werklast en capaciteitsprobleem niet op te lossenā (Kamerstuk 36871, nr. 3). Wat is de verwachting en prognose van de regering hiervoor?
De leden van de JA21-fractie constateren dat afzonderlijke bepalingen separaat in werking kunnen treden. Is de regering voornemens om bepaalde aspecten of bepalingen in de wet op verschillende momenten in werking te laten treden en zo ja, wanneer? Kan de regering een toelichting geven op de huidige planning voor alle onderdelen? Krijgen asielzoekers straks vanaf de eerste opvangdag leefgeld en wordt dit dan direct de eerste dag al verstrekt? Om hoeveel geld gaat dat? Welke naturaverstrekkingen vervallen dan door verstrekken van het bedrag?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat haar reactie is op de wens van diverse organisaties zoals de Rvdr om eerst dit wetsvoorstel in werking te laten treden en daarna de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel, omdat dit voor de uitvoering beter te behappen is dan als eerst de nationale wetten zouden worden ingevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat er nauwelijks overgangsrecht is geformuleerd en dat is gekozen voor onmiddellijke werking om geen onevenredige druk op de opvang te creëren. In dat licht wijzen deze leden er op dat ook de oude voorraad zwaar drukt op de samenleving en de opvang. Welke capaciteit zet de regering in om de oude voorraad weg te werken? Hoelang moeten mensen die een aanvraag vóór juni 2026 hebben gedaan wachten op een beslissing? Herkent de regering dit beeld? Erkent de regering dat dit grote maatschappelijke gevolgen heeft: meer dan een miljoen aanvragen die meerdere jaren (extra) moeten wachten op een beslissing, die jaren van onzekerheid zullen kennen en deels niet uit de opvang kunnen uitstromen? Welke verantwoordelijkheid neemt de regering voor deze mensen?
Uitvoerings- en administratieve lasten en financiƫle gevolgen
Uitvoeringsgevolgen vreemdelingenketen
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat wanneer het aantal herplaatsingen via vrijwillige bijdragen niet gehaald wordt, Nederland mogelijk de Dublin-claimanten niet meer over kan dragen en vervolgens zelf deze asielprocedures zal moeten behandelen. Zeker nu de Griekse minister Plevris heeft aangegeven dat in het geval er opeens veel meer mensen richting het land komen, de Dublin-claimanten niet meer teruggenomen worden, maken deze leden zich ernstige zorgen. Hoe groot acht de regering de kans dat deze situatie van verplichte verantwoordelijkheidscompensaties zich voor zal doen en over hoeveel extra asielzaken kunnen wij ongeveer verwachten?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de bestaande werkvoorraden en uitvoeringscapaciteit van de IND. Deze leden vragen de regering hoe de extra werklast structureel wordt opgevangen en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden verder oplopen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de verkorting van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd zullen leiden tot een toename van verlengingsaanvragen. Deze leden vragen de regering te concretiseren hoeveel extra aanvragen per jaar worden verwacht.
De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende behandelprocedures en beslistermijnen naast elkaar zullen bestaan. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat deze differentiatie uitvoerbaar blijft en niet leidt tot extra administratieve lasten of foutgevoeligheid binnen de vreemdelingenketen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de implementatie van de herschikte Opvangrichtlijn en de Screeningsverordening aanzienlijke IV-aanpassingen en personele inzet vergt. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze systemen en personele uitbreidingen tijdig gereed zijn voor implementatie en welke risicoās bestaan voor de beoogde inwerkingtreding.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de uitvoering door het COA en de DT&V, onder meer bij versoberde opvang na een overdrachtsbesluit en bij overdrachtsprocedures. Deze leden vragen de regering of de huidige capaciteit toereikend is om deze extra taken op te vangen.
De leden van de SGP-fractie lezen in de uitvoeringsanalyse dat de IND geen mogelijkheid ziet om de Asielnoodmaatregelenwet en Wet Tweestatusstelsel in te voeren voor inwerkingtreding van Pact. Wel zouden onderdelen eerder geïmplementeerd kunnen worden. De IND noemt daarbij zelf het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen, als gevolg van het aangenomen amendement-Diederik van Dijk. Is de regering bereid toe te zeggen dat dit onderdeel inderdaad zo spoedig mogelijk en als dat kan vóór datum van inwerkingtreding Pact geïmplementeerd wordt?
Uitvoeringsgevolgen voor de AbRvS en rechtspraak
De leden van de CDA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregelen gevolgen hebben voor de werklast van de Rechtspraak en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). Deze leden vragen de regering of de benodigde capaciteit structureel beschikbaar is en hoe wordt voorkomen dat doorlooptijden in asiel- en bewaringszaken verder oplopen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering verwacht dat de capaciteitstekorten die op dit moment in het gevangeniswezen aan de orde zijn, ook van toepassing (gaan) zijn op de vreemdelingendetentie. Zo ja, hebben de tekorten in de vreemdelingendetentie op termijn ook gevolgen voor de algemene capaciteitstekorten in het gevangeniswezen?
Financiƫle gevolgen
De leden van de CDA-fractie lezen dat de financiƫle gevolgen afhankelijk zijn van instroomontwikkelingen en uitvoeringskeuzes. Deze leden vragen de regering nader te concretiseren welke structurele en incidentele middelen zijn gereserveerd en welke onzekerheidsmarges in de ramingen zijn meegenomen.
Consultatie en advies
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND aangeeft dat niet alle analyses gereed zijn, omdat enkele keuzes pas recent zijn gemaakt (Kamerstuk 32317, nr. 992). Welke keuzes betreft dat en wanneer zullen die analyses wel gereed zijn? Wanneer kan de screening ook in andere locaties dan Ter Apel worden uitgevoerd en wat is het streven van de regering? Op hoeveel locaties wil de regering dit kunnen doen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de IND schrijft dat er geen structuur is voor uitwisseling van screeningsformulieren tussen lidstaten. Kan de regering dit toelichten? Hoe ziet de regering dit? Welke maatregelen worden genomen om die uitwisseling mogelijk te maken? De IND geeft aan tot een instroom van 25.000 aanvragen de wettelijke termijn te kunnen naleven. In hoeverre is daarbij het uitgangspunt dat er ook voldoende capaciteit is vrijgemaakt voor het herbeoordelen van statussen, bijvoorbeeld van Syriƫrs?
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Adviesraad Migratie vreest dat een korte beroepstermijn en andere maatregelen mogelijk zullen leiden tot extra beroepsprocedures. Kan de regering toelichten waarom dat niet het geval zal zijn of waarom toch die keuze wordt gemaakt? Zijn de ICT-systemen van de verschillende betrokken organisaties nu toegerust op de nieuwe systematiek? Wat beschouwt de regering als de belangrijkste risicoās voor de uitvoering en hoe staat het met het mitigeren daarvan? In hoeverre vindt de regering dat de randvoorwaarden voor effectieve uitvoering van het Pact nu aanwezig zijn?
De leden van de SGP-fractie lezen dat Nederland kan gaan werken met een eigen lijst van veilige landen van herkomst. Hierover moest besluitvorming nog plaatsvinden. Welke voornemens heeft de regering op dit punt?
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I Vreemdelingenwet 2000
Onderdeel F [artikel 6 grensdetentie]
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 6 voorziet in grensdetentie in het kader van de asielgrensprocedure. Deze leden vragen de regering hoe wordt geborgd dat deze vorm van detentie proportioneel wordt toegepast en niet langer duurt dan strikt noodzakelijk.
Onderdeel AM [artikel 44a rechtsgevolgen overdrachtsbesluit]
De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 44a rechtsgevolgen verbindt aan het overdrachtsbesluit. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe wordt voorkomen dat betrokkenen tussen wal en schip raken indien overdracht feitelijk niet plaatsvindt.
Onderdeel AL
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering ervoor heeft gekozen om artikel 44 lid 2 zo te wijzigen dat de verblijfsvergunning ingaat op de datum van de beschikking in plaats van op de datum van ontvangen van de aanvraag. Deze leden lezen de redenatie van de regering in de memorie van toelichting, maar vragen aandacht voor de gevolgen voor de vreemdeling als het gaat om de voorwaarden die worden gesteld aan bijvoorbeeld gezinshereniging. Hoe reflecteert de regering op deze consequenties? Klopt het bovendien dat de voorgestelde wijziging niet volgt uit de asielprocedurerichtlijn maar een nationale keuze is?
Onderdeel AT [nieuw artikel 55.0a toewijzing aan geografisch gebied]
De leden van de CDA-fractie lezen dat met artikel 55.0a een bevoegdheid wordt geĆÆntroduceerd tot toewijzing aan een geografisch gebied. Deze leden vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat deze maatregel niet feitelijk neerkomt op vrijheidsontneming zonder de daarbij behorende waarborgen.
Overig
De leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat slechts de helft van de EU-lidstaten tot nu toe een verplichte grensprocedure heeft. Hoever zijn de andere lidstaten met het implementeren van het Pact? Zijn met name de capaciteit van de detentieplekken en de screeningsfaciliteiten al op orde in de landen aan de buitengrens?
De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel kilometer van de buitengrenzen niet wordt omheind met hekken en asielzoekers dus met gemak het Europese grondgebied kunnen betreden.
De leden van de PVV-fractie vragen wanneer zij de uiteindelijke bijdragen van de lidstaten kunnen verwachten, aangezien de vorige minister van Asiel en Migratie aangaf dat er mogelijk een korting zou volgen voor de financiƫle bijdrage naar aanleiding van de deal met Griekenland.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Boomsma
De adjunct-griffier van de commissie,
Nouse
NOS, 11 februari 2026, IND neemt maatregelen voor kortere asielprocedure, twijfels over effectiviteit (https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2601946-ind-neemt-maatregelen-voor-kortere-asielprocedure-twijfels-over-effectiviteit).ā©ļø