36905 Advies Afdeling advisering Raad van State inzake regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)
Regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal)
Advies Afdeling advisering Raad van State
Nummer: 2026D09083, datum: 2026-02-18, bijgewerkt: 2026-03-02 10:49, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State
Onderdeel van zaak 2026Z03974:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-19 12:15 â Inbrengdatum voor het verslag vaststellen op 9 april 2026 te 14.00 uur. (Besluit)
- 2026-03-04 13:45 â Koninklijke boodschap, met de erbij behorende stukken, is al rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-04 13:45 â In handen gesteld van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (Besluit)
- 2026-03-04 13:45: Aanvang middagvergadering: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-19 12:15: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-04-09 14:00: Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal (36905) (Inbreng verslag (wetsvoorstel)), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (đ origineel)
| No. W16.25.00312/II | 's-Gravenhage, 14 januari 2026 |
Bij Kabinetsmissive van 21 oktober 2025, no.2025002384, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende regels ter uitvoering van Verordening (EU) 2023/1543 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen als gevolg van een strafprocedure en Richtlijn (EU) 2023/1544 van het Europees parlement en de Raad van 12 juli 2023 tot vaststelling van geharmoniseerde regels inzake de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers ten behoeve van de vergaring van elektronisch bewijsmateriaal in strafprocedures (Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal), met memorie van toelichting.
Het wetsvoorstel dient ter implementatie van een Europees wetgevingspakket waarmee het gemakkelijker moet worden om grensoverschrijdend elektronisch bewijsmateriaal te vergaren ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Dienstaanbieders die hun diensten in verschillende lidstaten van de Europese Unie aanbieden, moeten voortaan een âgeadresseerdeâ aanwijzen, waaraan nationale autoriteiten eventuele bevelen kunnen geven tot het verstrekken of bewaren van informatie, zonder tussenkomst van de lidstaat waar die geadresseerde is gevestigd.
De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat de richtlijn deze verplichting voor een belangrijk deel beperkt tot dienstaanbieders âmet rechtspersoonlijkheidâ. In het wetsvoorstel zijn de woorden âmet rechtspersoonlijkheidâ niet opgenomen. Het advies luidt om toe te lichten of het wetsvoorstel hiermee een breder toepassingsgebied aan de genoemde verplichting geeft dan de richtlijn voorschrijft. Als er geen goede reden is voor het verschil tussen de tekst van het wetsvoorstel en die van de richtlijn, adviseert de Afdeling het wetsvoorstel aan te passen.
Daarnaast maakt de Afdeling een opmerking over de bevoegdheden waarmee de Autoriteit Consument en Markt toezicht kan uitoefenen op de naleving van de verplichting om een geadresseerde aan te wijzen. Volgens de regering zijn sommige bevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht hiervoor niet nodig, en wordt daarom geregeld dat de Autoriteit Consument en Markt die bevoegdheden niet heeft.
De Afdeling merkt op dat ook een andere bevoegdheid niet nodig lijkt voor het toezicht door de Autoriteit Consument en Markt. Dat betreft de bevoegdheid om zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen. Zij adviseert de toelichting bij het wetsvoorstel hierop aan te vullen en zo nodig te regelen dat ook deze bevoegdheid niet kan worden gebruikt.
In verband met deze opmerkingen is aanpassing wenselijk van de toelichting, en zo nodig van het wetsvoorstel.
1. Achtergrond en inhoud van het wetsvoorstel
In 2023 is in de Europese Unie een wetgevingspakket vastgesteld waarmee het gemakkelijker moet worden om grensoverschrijdend elektronisch bewijsmateriaal te vergaren ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Meer specifiek gaat het om bewijsmateriaal dat zich bevindt bij dienstaanbieders die hun diensten in twee of meer lidstaten van de EU aanbieden. Op dit moment loopt de vergaring van zulk bewijsmateriaal via de lidstaat waarin de dienstaanbieder is gevestigd. In de toekomst wordt het mogelijk om verstrekkings- en bewaringsbevelen rechtstreeks te verzenden naar de betrokken dienstaanbieder.
Het wetgevingspakket bestaat uit een richtlijn en een verordening. De richtlijn bepaalt dat dienstaanbieders een âgeadresseerdeâ (een âaangewezen vestigingâ of âwettelijke vertegenwoordigerâ) moeten aanwijzen, waarheen de nationale autoriteiten een verstrekkings- of bewaringsbevel kunnen sturen. De verordening bevat regels voor de uitvaardiging van zulke bevelen en de tenuitvoerlegging daarvan. Met het wetsvoorstel worden de Europese regels in het Nederlandse recht uitgevoerd.
2. Dienstaanbieders met rechtspersoonlijkheid
De plicht voor dienstaanbieders om een geadresseerde aan te wijzen, is uitgewerkt in de richtlijn. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen:
dienstaanbieders die zijn gevestigd in de EU,
dienstaanbieders die zijn gevestigd buiten de EU, en
dienstaanbieders die zijn gevestigd in een lidstaat van de EU die niet deelneemt aan bepaalde, in de richtlijn gespecificeerde wetgevingsinstrumenten.1
Waar het de eerste twee categorieĂ«n dienstaanbieders betreft, spreekt de richtlijn van dienstaanbieders âmet rechtspersoonlijkheidâ.2 Hieruit kan worden afgeleid dat dienstaanbieders uit deze categorieĂ«n niet verplicht zijn om een geadresseerde aan te wijzen, als zij geen rechtspersoonlijkheid hebben.
Het wetsvoorstel neemt de woorden âmet rechtspersoonlijkheidâ niet over.3 De vraag rijst of het wetsvoorstel hiermee een breder toepassingsgebied aan de genoemde verplichting geeft dan de richtlijn voorschrijft. De toelichting bij het wetsvoorstel gaat hier niet op in.
De Afdeling merkt in dit verband op dat de personele werkingssfeer van de richtlijn als geheel niet is beperkt tot dienstaanbieders met rechtspersoonlijkheid. Volgens de richtlijn omvat het begrip âdienstaanbiederâ immers nadrukkelijk ook natuurlijke personen.4 Daarnaast valt op dat bij dienstaanbieders uit de derde hierboven genoemde categorie de woorden âmet rechtspersoonlijkheidâ in de richtlijn ontbreken.
De Afdeling adviseert de toelichting op het voorgaande aan te vullen. Als er geen goede reden is voor het verschil tussen de tekst van het wetsvoorstel en die van de richtlijn, adviseert de Afdeling het wetsvoorstel aan te passen.
3. Bevoegdheden Autoriteit Consument en Markt
Volgens de richtlijn moeten lidstaten een of meer centrale autoriteiten aanwijzen die toezicht houden op de naleving van verplichtingen.5 Het wetsvoorstel wijst hiervoor de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan.6 Gevolg hiervan is dat de ACM beschikt over de bevoegdheden uit hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wetsvoorstel zondert hiervan uit de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen (afdeling 5.3.1 Awb) en de bevoegdheid om vervoermiddelen te onderzoeken (artikel 5:19 Awb). Deze bevoegdheden zijn volgens de regering niet nodig voor het door de richtlijn vereiste toezicht.7
De Afdeling begrijpt deze keuze, maar merkt op dat de regering daarmee veronderstelt dat de ACM wel de overige bevoegdheden, genoemd in hoofdstuk 5 van de Awb, nodig heeft. Het is de vraag of dit opgaat voor artikel 5:18, op basis waarvan de toezichthouder bevoegd is âzaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemenâ. Deze bevoegdheid lijkt niet noodzakelijk om erachter te komen of, bijvoorbeeld, een dienstaanbieder voldoende bevoegdheden en middelen aan de âgeadresseerdeâ ter beschikking heeft gesteld om verstrekkings- en bewaringsbevelen na te komen.8 Als de regering dit anders ziet, is het raadzaam dit toe te lichten.
De Afdeling adviseert toe te lichten waarom de ACM de bevoegdheid uit artikel 5:18 van de Awb nodig heeft. Als een goede reden hiervoor ontbreekt, adviseert de Afdeling het wetsvoorstel zo aan te passen, dat de ACM die bevoegdheid niet heeft voor het toezicht op de naleving van de richtlijn.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal
opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden
voordat het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt
ingediend.
De vice-president van de Raad van State,
Artikel 3, eerste lid, onder a, b en c, Richtlijn 2023/1544. De wetgevingsinstrumenten waar bepaalde lidstaten niet aan deelnemen, staan vermeld in artikel 1, tweede lid, Richtlijn 2023/1544.â©ïž
Artikel 3, eerste lid, onder a en b, Richtlijn 2023/1544. Ook de andere taalversies van de richtlijn bevatten deze woorden.â©ïž
Artikel 3, eerste lid, onder a en b, wetsvoorstel.â©ïž
Artikel 1, vijfde lid, jo. artikel 2, onder 1, Richtlijn 2023/1544. Ook de vennootschap onder firma, bijvoorbeeld, kan dus een dienstaanbieder zijn in de zin van de richtlijn.â©ïž
Artikel 6, eerste lid, jo. artikel 4 en 5 Richtlijn 2023/1544.â©ïž
Artikel 6, eerste lid, wetsvoorstel.â©ïž
Artikel 6, tweede lid, wetsvoorstel; artikelsgewijze toelichting.â©ïž
Zie artikel 3, vierde lid, Richtlijn 2023/1544 voor deze verplichting.â©ïž