[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Beantwoording vragen gesteld tijdens de procedurevergadering over het rapport recidive voorkomen (opgesteld door de rapporteurs van het kennisthema recidive voorkomen)

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026

Brief regering

Nummer: 2026D10765, datum: 2026-03-09, bijgewerkt: 2026-03-11 11:51, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van kamerstukdossier 36800 VI-134 Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026.

Onderdeel van zaak 2026Z04715:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026

Nr. 134 Brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 maart 2026

In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 22 januari 2026 is gesproken over het rapport recidive voorkomen (opgesteld door de rapporteurs van het kennisthema recidive voorkomen). De rapporteurs over recidive hebben vragen gesteld, met het verzoek deze te beantwoorden. Door middel van deze brief geef ik antwoord op de vragen.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

K.T. van Bruggen

Vraag 1: Is de staatssecretaris voorstander van een wettelijke verplichting voor gemeenten om de nazorg en re-integratie van (ex-)gedetineerden uit te voeren? Zo ja, hoe en wanneer wil zij dit regelen? Zo nee, hoe wil zij dan zorgen voor betere informatie-uitwisseling, voldoende financiering en meer gelijkheid tussen gemeenten?

Antwoord op vraag 1:

Nee, momenteel zie ik geen noodzaak om een extra wettelijke verplichting te regelen voor gemeenten, naast de wettelijke verplichtingen die zij al hebben.

In de handreiking bij het bestuurlijk akkoord ‘Kansen bieden voor re-integratie’,1 getekend door de VNG, de drie Reclasseringsorganisaties2, DJI en de Staatssecretaris van JenV zijn de rollen van de verschillende organisaties beschreven, zo ook van gemeenten. Gemeenten hebben een belangrijke taak bij het ondersteunen van gedetineerden bij het op orde krijgen van de basisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schulden en zorg. De wettelijke opdracht voor gemeenten is zaken voor haar burgers te regelen als ze dat zelf niet kunnen of een aanvulling te bieden op de eigen inspanningen van burgers. Gemeenten hebben voor deze ondersteuning al wettelijke taken en instrumenten, onder meer op grond van de Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In de handreiking Bestuurlijk Akkoord (bijlage II) is dit overzichtelijk samengebracht. Daarom vind ik een extra wettelijke verplichting op dit moment niet nodig.

Een goede informatie-uitwisseling is cruciaal voor ketensamenwerking bij re-integratie. Dit blijkt ook uit het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid ‘Samen werken aan een nieuwe start3’. De samenwerking tussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten is de laatste jaren verbeterd, vooral als het gaat om het delen van het detentie- en re-integratieplan met gemeenten en de Reclassering en het delen van gegevens binnen het bestel van de Penitentiaire Beginselenwet (artikelen 18a en 18b). Het optimaal gebruik maken van deze mogelijkheden en elkaar actief benaderen blijft een belangrijk punt van aandacht in de ketensamenwerking.

Voor aanvullende financiering voor projecten voor (ex-)gedetineerde burgers kunnen gemeenten ondersteuning aanvragen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt jaarlijks via de Bijdrageregeling Wonen & Werken 4,4 miljoen euro beschikbaar aan gemeenten. De bijdrageregeling is bedoeld als stimulans en niet als volledige dekking van alle re-integratiewerkzaamheden. Financiering van andere domeinen verloopt primair via andere gemeentelijke middelen, zoals hierboven genoemd.

Met behulp van het bestuurlijk akkoord en de handreiking wordt gestreefd naar het meer uniformiseren van re-integratie. Daarbij geldt wel dat een gemeente een zelfstandige overheidslaag is. Zolang de gemeente haar wettelijke taak vervult, is er beleidsruimte om zaken anders te regelen dan bij de buurgemeente en andere prioriteiten te stellen. Daarom is het niet haalbaar een werkproces te beschrijven dat uniform is ingericht voor alle gemeenten. Regionale werkafspraken tussen gemeenten, reclassering en DJI kunnen helpend zijn in hoe deze werkprocessen per gemeente worden ingericht.

De uitvoering van het bestuurlijk akkoord behoeft nog steeds aandacht en daarom werk ik samen met DJI, de Reclassering, de VNG en gemeenten aan de verdere verbetering van informatie-uitwisseling en versterking van de

ketensamenwerking.

Vraag 2: Heeft de staatssecretaris inzicht in welke gemeenten de nazorgtaak momenteel onvoldoende uitvoeren? Zo ja, welke stappen worden gezet om deze gemeenten te ondersteunen? Zo nee, is zij bereid dit inzicht alsnog te verkrijgen?

Antwoord op vraag 2:

Vanwege de hierboven geschetste verantwoordelijkheidsverdeling is er geen overzicht per gemeente ten aanzien van de uitvoering van de nazorgtaak. Mijn ministerie verkrijgt inzicht in de uitvoering door periodieke gesprekken met de VNG de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht), DJI en reclassering en op basis van recente onderzoeken zoals Van Bajes naar Buiten4. Ik acht deze werkwijze passend en het geeft mij voldoende inzicht in de uitvoering van de nazorgtaak. Ik ben daarom niet voornemens aanvullende stappen te ondernemen.

Vraag 3: In hoeverre herkennen gemeenten dat zij vaak pas laat, of zelfs pas na vrijlating, worden geïnformeerd over de uitstroom van gedetineerden, vooral bij korte detenties en voorlopige hechtenis, en wat is nodig om deze informatievoorziening structureel te verbeteren?

Antwoord op vraag 3:

Vanuit gemeenten bezien is het belangrijk dat zij op tijd geïnformeerd worden, zodat zij contact kunnen opnemen met de betrokkene en re-integratieactiviteiten kunnen voorbereiden. Tegelijk hebben gemeenten er ook begrip voor dat het niet altijd lukt deze informatie (tijdig) te delen.

Het werken aan re-integratie start al meteen bij aanvang in de PI. In het detentie- en integratieplan (D&R-plan) van de gedetineerden wordt, op basis van beschikbare informatie, door DJI alles vastgelegd wat van belang is om de gedetineerde zo gericht mogelijk te kunnen begeleiden en ondersteunen. De afspraak is dat DJI binnen 10 (werk)dagen de informatie over het traject van de gedetineerde aan de gemeente van herkomst stuurt. Hierdoor is de gemeente beter betrokken bij de re-integratie van de gedetineerde. Goede betrokkenheid van gemeenten direct bij aanvang detentie zorgt uiteindelijk ook voor een betere informatiepositie van gemeenten bij uitstroom. In de praktijk worden deze tien (werk)dagen niet altijd gehaald.

Er zijn verschillende situaties denkbaar waardoor gemeenten niet tijdig geïnformeerd worden. Als een persoon bijvoorbeeld een geldboete niet betaalt, kan vervangende hechtenis worden toegepast. Als de boete wordt betaald tijdens detentie, stopt de vervangende hechtenis en kan een betrokkene meteen vrijkomen. Ook kan het voorkomen dat een betrokkene in voorlopige hechtenis zit, en de uitspraak onherroepelijk wordt. De opgelegde straf kan gelijk zijn of korter dan de tijd dat een persoon al vastzat, waardoor iemand direct kan vrijkomen. Zo zijn er meer situaties te bedenken waarbij er sprake kan zijn van plotselinge vrijlating. In deze gevallen kan niet van te laat informeren worden gesproken, omdat de termijnen in het strafrecht zo geregeld zijn dat plotselinge vrijlating juridisch gezien mogelijk is.

Binnen een werkgroep met ketenpartners, waaronder gemeenten, worden verbeteringen in de informatievoorziening en gegevensdeling met elkaar besproken en doorgevoerd. Zo wordt er momenteel gewerkt aan een verbetering van meldingen rondom voorwaardelijke invrijheidsstellingen. Tevens helpt het inzetten op goed contact tussen DJI en gemeenten om de informatievoorziening over de uitstroom van gedetineerden te verbeteren. Dit wordt onder meer gedaan door het organiseren van re-integratiepleinen bij verschillende PI’s.

Vraag 4: Kan de staatssecretaris in kaart brengen welke regels en knelpunten er zijn bij gegevensuitwisseling tussen gemeenten, DJI, reclassering en maatschappelijke organisaties, en welke oplossingen zij hiervoor ziet?

Antwoord op vraag 4:

Er vinden verschillende stromen van gegevensuitwisseling plaats tussen DJI en andere organisaties, bijvoorbeeld in het kader van plaatsing in de forensische zorg of het strafproces. Tevens vindt er tussen DJI en gemeenten gegevensuitwisseling plaats in het kader van re-integratie. Gezien de scope van dit VKC-verzoek zal in de beantwoording van deze vraag alleen in worden gegaan op de gegevensuitwisseling in het kader van re-integratie.

Zoals genoemd in antwoord 1 werkt mijn ministerie samen met DJI, de Reclassering, de VNG en gemeenten aan het verbeteren van informatie-uitwisseling en versterken van de ketensamenwerking. De regelgeving omtrent informatie uitwisseling tussen ketenpartners is niet het knelpunt. De onbekendheid met de informatie-uitwisseling tussen de functionarissen onder het Bestuurlijk Akkoord is dat wel. Deze onduidelijkheid kan eventueel worden weggenomen door de huidige ‘handreiking gegevensuitwisseling Detentie & Re-integratie’ te actualiseren5 of indien blijkt dat dit niet volstaat een convenant op te stellen en deze actief onder de aandacht te brengen van relevante partijen. Hier wordt momenteel aan gewerkt.

Vraag 5: Welke belemmeringen ervaren DJI, gemeenten en reclassering om vanaf de eerste dag van detentie te werken aan het behoud of verkrijgen van basisvoorwaarden, zoals werk en huisvesting?

Antwoord op vraag 5:

Uit onderzoeken blijken verschillende belemmeringen om vanaf de eerste dag van detentie te werken aan het behoud of verkrijgen van de basisvoorwaarden. Zo oordeelt de Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) in ‘Samen werken aan een nieuwe start’6, dat de samenwerking tussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten de laatste jaren beter verloopt, mede door het Bestuurlijk Akkoord. Uit het onderzoek blijkt dat ketenorganisaties elkaar nog intensiever zouden moeten betrekken. Ook het WODC concludeert in het onderzoek ‘Van bajes naar buiten’7 dat niet altijd al vanaf de aanvang van detentie wordt begonnen met werken aan de basisvoorwaarden.

Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 werk ik samen met DJI, de Reclassering, de VNG en gemeenten aan het verbeteren van de ketensamenwerking, om daarmee het verkrijgen van de basisvoorwaarden te optimaliseren.

Andere belemmeringen die ervaren worden bij het op orde krijgen van de basisvoorwaarden zijn de krapte op de woningmarkt waardoor het verkrijgen van huisvesting moeilijk is. Daarnaast kan het feit dat iemand gedetineerd is geweest belemmerend kan zijn voor het vinden van werk.

Vraag 6: Hoe snel vindt de screening op problemen en basisbehoeften, met name huisvesting, momenteel plaats bij voorlopig gehechten en gedetineerden met een straf korter dan drie maanden, en welke knelpunten doen zich hierbij voor?

Antwoord op vraag 6:

De casemanager van DJI neemt binnen de eerste 10 (werk)dagen de intake af, waarin de basisvoorwaarden in kaart worden gebracht. De resultaten worden verwerkt in het D&R-plan. Daarnaast wordt het sociaal netwerk in kaart gebracht. Vervolgens wordt dit D&R-plan gedeeld met de gemeente. Dit gebeurt bij alle instromende gedetineerden ongeacht de strafduur.

Knelpunten die zich voordoen zijn onder andere de hoge werkdruk onder casemanagers8. Om hier meer inzicht in te krijgen wordt momenteel door DJI een werklastmeting uitgevoerd. Daarnaast is bij vragen over huisvesting is niet altijd duidelijk of een gedetineerde een woonadres heeft en is ingeschreven in het Basisregistratie Personen (BRP)9. Dat maakt het afstemmen tussen DJI en gemeenten soms lastiger.

Vraag 7: Waarop is in het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting de aanname gebaseerd dat mensen met een gevangenisstraf korter dan drie maanden hun woning behouden, en hoe vaak gebeurt dit in de praktijk, gezien signalen dat juist bij korte detenties huisvesting vaak verloren gaat?

Antwoord vraag 7:

Het grootste deel van de ex-gedetineerden, ruim twee derde, zit minder dan drie maanden vast. Op grond van de handreiking bij het bestuurlijk akkoord Nazorg ex-gedetineerden wordt verondersteld dat indien de gedetineerde voorafgaand aan detentie over woonruimte beschikt, deze bij een straf korter dan drie maanden behouden kan blijven. Bijvoorbeeld door afspraken over huisbewaring, het doorbetalen van de huur door de partner of doorbetaling van de huur met ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand. Deze veronderstelling is meegenomen in de keuze de groep ex-gedetineerden af te kaderen in het Wetvoorstel Versterking regie volkshuisvesting. In de praktijk gebeurt dit niet altijd. Zo vindt niet iedere gemeente het wenselijk deze kosten door te betalen.

Vraag 8: Welke rol ziet de staatssecretaris voor gemeenten bij (ex-) gedetineerden zonder duidelijke regiobinding, en hoe wordt voorkomen dat deze groep tussen gemeenten in valt?

Antwoord op vraag 8:

In principe keert de gedetineerde terug naar de gemeente van herkomst. Indien de gedetineerde zich in een andere gemeente wil vestigen, neemt de gemeente van herkomst contact op met de gemeente van hervestiging. Hier ligt een rol voor gemeenten. Dit staat ook beschreven in het Bestuurlijk Akkoord.

(Ex-)gedetineerden mogen zelf beslissen in welke gemeente zij willen uitstromen. Op grond van de Wet basisregistratie personen is een burger verplicht aangifte te doen van verblijf en adres, en is een gemeente verplicht die aangifte te verwerken. Om te voorkomen dat een gedetineerde tussen gemeenten invalt wordt in de PI met de gedetineerde besproken waar de gedetineerde wil uitstromen en wordt er contact gelegd met de betreffende gemeente of Zorg- en Veiligheidshuis.

Vraag 9: In hoeverre is het huidige financieringsinstrumentarium voldoende voor gemeenten om maatwerk te leveren aan (ex-)gedetineerden met complexe problematiek, gezien signalen dat begeleiding veel tijd en capaciteit vraagt die niet altijd wordt vergoed?

Antwoord op vraag 9:

De nazorgtaken voor (ex-)gedetineerden zien op de volgende basisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schulden en zorg. Deze vallen onder het reguliere takenpakket van gemeenten en worden uit bestaande geldstromen binnen het sociaal domein bekostigd. Daarnaast kunnen gemeenten gebruikmaken van de in het antwoord op vraag 1 genoemde Bijdrageregeling Wonen & Werken voor re-integratie. Deze regeling is bedoeld als stimulans en biedt geen volledige dekking van alle re‑integratiewerkzaamheden.

Daarnaast is de nieuwe werkwijze ID-kaarten in werking getreden. De extra kosten als gevolg van die werkwijze worden vergoed door mijn Ministerie.

Gemeenten herkennen dat maatwerk voor inwoners met complexe problematiek veel tijd en capaciteit vraagt en dat dit tot knelpunten kan leiden. Dat beeld is generiek binnen het sociaal domein en niet specifiek voor de doelgroep (ex-) gedetineerden. Gemeenten hebben wettelijke taken, waaronder het bieden van schuldhulpverlening of maatschappelijke opvang. Een goede uitvoering van die taken draagt bij aan vermindering van recidive.

Vraag 10: Hoeveel gemeenten hebben in 2024 en 2025 gebruikgemaakt van de Bijdrageregeling Begeleiden (ex-)gedetineerden voor Wonen en Werken, waaraan zijn deze middelen besteed en zijn deze activiteiten aantoonbaar effectief? Wordt de regeling jaarlijks volledig benut?

Antwoord op vraag 10:

DJI heeft in 2024 in totaal 52 aanvragen ontvangen van 276 gemeenten voor in totaal 2.983 (ex-)gedetineerden. In 2025 waren er 54 aanvragen namens 276 gemeenten voor 2.884 (ex-)gedetineerden en voor 2026 zijn er 57 aanvragen namens 279 gemeenten voor 2.972 (ex-)gedetineerden.

Een gemeente kan een aanvraag indienen namens meerdere gemeenten en het toegekende bedrag onderling verdelen. Het genoemde aantal ziet daarom op het aantal aanvragen en niet op het aantal afzonderlijke gemeenten.

De regeling wordt ingezet voor activiteiten gericht op begeleiding naar werk of opleiding, ondersteuning bij huisvesting en het versterken van de samenwerking tussen betrokken partijen, zoals gemeenten, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke instellingen. De activiteiten waaraan de gelden worden besteed verschillen per gemeente maar dienen wel te voldoen aan het doel van de regeling welke verder is uitgewerkt in het beleidskader van de bijdrageregeling. In hoeverre de activiteiten aantoonbaar effectief zijn is aan de gemeenten om te bepalen. Wel leggen gemeenten verantwoording af over de besteding van de middelen aan het projectbureau van DJI.

Vanaf 2023 is 2 miljoen euro extra toegevoegd aan de regeling, omdat het oorspronkelijke budget van de regeling niet toereikend was. Deze komt daarmee op 4.4 miljoen euro. Dit bedrag wordt tot op heden niet volledig benut. In 2023 is ongeveer 800.000 euro niet benut, in 2024 ongeveer 500.000 euro. Dit kan allerlei oorzaken hebben, zoals dat de regeling niet bij iedere gemeente bekend is. Ook is er bij niet-deelnemende gemeenten gemiddeld sprake van weinig terugkerende ex-gedetineerden.Ook zijn er diverse criteria waar gemeenten aan moeten voldoen voor een aanvraag. Elk jaar wordt de bijdrage regeling actief onder aandacht gebracht onder andere op de sites van de VNG en DJI.

Vraag 11: Hoe kan meer uniformiteit worden bereikt in de inzet van gemeenten rond huisvesting voor ex-gedetineerden, en zijn er bewezen werkwijzen die breder toegepast kunnen worden?

Antwoord op vraag 11:

Meer uniformiteit in de inzet van gemeenten rond huisvesting voor ex‑gedetineerden wordt getracht te bereiken met het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, dat beoogt landelijke regels te geven voor ex‑gedetineerden die langer dan drie maanden in detentie hebben gezeten. Volledige uniformiteit is momenteel niet mogelijk en begrensd, omdat gemeenten deels eigen regels rondom huisvesting mogen toepassen. Een effectieve werkwijze die breder kan worden toegepast, is het tijdelijk doorbetalen van de huur tijdens detentie, zodat de woning niet wordt ontruimd. Deze oplossing wordt echter niet overal toegepast, omdat niet elke gemeente het wenselijk vindt deze kosten voor te schieten of door te betalen.

Vraag 12: Hoe wordt geborgd dat kennis en expertise over re-integratie en huisvesting binnen gemeenten behouden blijft, gezien personeelswisselingen en de kwetsbaarheid van dit dossier, met name in kleinere gemeenten?

Antwoord op vraag 12:

De VNG geeft aan dat, net zoals iedere organisatie, een gemeente soms moeite heeft met het vinden en behouden van voldoende deskundig personeel. Details over veel onderwerpen worden ook niet in reguliere opleiding aangeboden maar worden in de praktijk van collega’s geleerd. Specifiek voor kleinere gemeenten geldt dat een ambtenaar een hele brede portefeuille heeft. Een veel gekozen oplossing is om een specialistisch onderwerp te beleggen bij een gezamenlijke organisatie, zoals bijvoorbeeld het Zorg- en Veiligheidshuis. Het is daarnaast een taak van de VNG om (blijvend) te bouwen aan een netwerk van gemeenten, waardoor de uitwisseling van kennis en goede voorbeelden bevorderd wordt.

Vraag 13: Welke formele positie en bevoegdheden heeft een re-integratieofficier die sommige gemeenten kennen momenteel binnen de samenwerking tussen Dienst Justitiële Inrichtingen, gemeenten en Reclassering Nederland? Wat gaat goed, en tegen welke knelpunten lopen ze aan? In hoeverre is het mogelijk dat de inzet van deze officieren structureel wordt gemaakt en voor alle gemeenten beschikbaar wordt?

Antwoord op vraag 13:

De functie van De Re-Integratie Officier (RIO) is ontstaan vanuit een pilot van het ministerie van Justitie en Veiligheid. De RIO heeft als doel het voorkomen van recidive bij (ex-)gedetineerden van 18 tot 35 jaar door in te zetten op persoonlijke, intensieve en oplossingsgerichte begeleiding. RIO’s zijn werkzaam bij een gemeente of Zorg- en Veiligheidshuis en treden in de nazorg op als vertegenwoordiger van de gemeente. De RIO vervult een centrale rol in domeinoverstijgende samenwerking met andere professionals, om ondersteuning te bieden op bijvoorbeeld huisvesting en inkomen. RIO’s werken intensief samen met partners als DJI (casemanagers), de Reclassering, politie en gemeentelijke afdelingen. De RIO heeft een andere taak dan de reclassering.

Reclasseringstoezicht is vaak opgelegd via de rechter, en dit is bij RIO’s niet het geval. De Reclassering is in de nazorg verantwoordelijk voor het toezicht en zorgt voor naleving van de bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht of een locatieverbod. Ook onderscheidt de RIO zich van de reguliere gemeentelijke nazorg door intensieve begeleiding (mentoring) te bieden aan de (ex-) gedetineerde. In de samenwerking heeft de re-integratieofficier geen formele positie of bevoegdheden.

Zowel vanuit (ex-)gedetineerden als de keten wordt de meerwaarde van de re-integratieofficier gezien. In de keten is in de afgelopen jaren de bekendheid over de werkwijze van de re-integratieofficier vergroot, mede door de uitbreiding van het aantal re-integratieofficieren. Op sommige punten kunnen de samenwerkingsafspraken met ketenpartners nog worden aangescherpt. Hierover is contact met de Reclassering.

Vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn er onvoldoende middelen om de re-integratieofficieren structureel in te zetten in alle gemeenten. De beschikbare middelen worden op dit moment ingezet om gemeenten te ondersteunen waar de problematiek het grootst is. Voor de gemeenten en Zorg- en Veiligheidshuizen waar de re-integratieofficieren al worden ingezet zijn er de aankomende jaren middelen beschikbaar.


Vraag 14: Deelt de staatssecretaris de constatering van gemeenten dat recidive niet beperkt is tot (ex-)gedetineerden, maar ook voorkomt bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffen of herhaald justitiecontact zonder detentie?

Antwoord op vraag 14:

Ja, deze constatering deel ik. Recidive komt voor onder zowel ex-gedetineerden als bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffen of herhaald justitiecontact zonder detentie. Het WODC monitort de recidivecijfers op verschillende groepen.10

Vraag 15: In hoeverre zijn gemeenten juridisch, organisatorisch en financieel toegerust om recidive te voorkomen bij deze bredere groep, die wel een beroep doet op gemeentelijke voorzieningen zoals schuldhulpverlening, Wmo en maatschappelijke opvang?

Antwoord op vraag 15:

Gemeenten hebben wettelijke taken, waaronder het bieden van schuldhulpverlening of maatschappelijke opvang. Hier draagt een goede uitvoering van die taken bij aan vermindering van recidive. De VNG geeft aan dat gemeenten zich vooral zorgen maken over de groep die het loket van de gemeente niet weet te vinden. Die groep is breder dan de groep die uit detentie terugkeert.

Vraag 16: Welke knelpunten ervaren gemeenten bij het vroegtijdig signaleren en aanpakken van recidiverisico’s buiten detentie, met name in de samenwerking en gegevensdeling met justitiële partners?

Antwoord op vraag 16:

Hierover is navraag gedaan bij de VNG. De VNG geeft aan dat zij niet bekend is met de knelpunten waarover wordt gesproken in de vraag. Hier zou een uitvraag aan (individuele) gemeentes voor nodig zijn.

Vraag 17: Hoe beoordeelt de staatssecretaris de samenhang tussen recidivebeleid en andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg, veiligheid, wonen en bestaanszekerheid, en belemmert verkokering een effectieve aanpak?

Antwoord op vraag 17:

Het landelijk re-integratiebeleid bevordert ook samenhang tussen andere beleidsterreinen. Er wordt namelijk ingezet op het op orde krijgen van de basisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schuldenaanpak, en zorg. Deze basisvoorwaarden liggen op verschillende beleidsterreinen. Ook vanuit gemeenten wordt ingezet op deze basisvoorwaarden. Zoals hierboven genoemd zijn gemeenten een zelfstandige overheidslaag, die over het algemeen geen verantwoording hoeven af te leggen aan andere overheden. De lokale invulling van de samenhang tussen re-integratiebeleid en andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg, veiligheid, wonen en bestaanszekerheid, is aan gemeenten zelf.

Vraag 18: Is de staatssecretaris bereid recidivepreventie expliciet breder te definiëren dan detentie, en samen met gemeenten te werken aan een integrale aanpak waarin ook deze groepen structureel worden meegenomen?

Antwoord op vraag 18:

Ja, momenteel wordt recidivepreventie al breder gedefinieerd dan detentie. Recidive komt voor onder zowel ex-gedetineerden als bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffen of herhaald justitiecontact zonder detentie. En het WODC monitort de recidivecijfers op verschillende groepen.

De inzet op re-integratie richt zich op het op orde krijgen van de basisvoorwaarden en de versterking van de ketensamenwerking vanuit het Bestuurlijk Akkoord. Hier wordt aan gewerkt met verschillende ministeries en ketenpartners, waaronder gemeenten. Het Bestuurlijk Akkoord richt zich op personen die in detentie hebben gezeten. Op dit moment zijn er geen signalen die maken dat ik aanleiding zie om de doelgroep in het Bestuurlijk Akkoord breder te definiëren.


  1. Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Handreiking re-integratie ex-gedetineerden, handreiking, juli 2022. Beschikbaar via: https://vng.nl/sites/default/files/2022-07/Handreiking-re-integratie-ex-gedetineerden.pdf.↩︎

  2. Het reclasseringswerk in Nederland wordt uitgevoerd door 3 reclasseringsorganisaties: 3RO.↩︎

  3. Inspectie Justitie en Veiligheid, Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni 2023. Beschikbaar via: https://www.inspectie-jenv.nl/documenten/2023/06/26/rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-start.↩︎

  4. WODC, Universiteit Leiden, Van bajes naar buiten, rapport, 20 juni 2024. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/tk-bijlage-1-eindrapportage-vanbajesnaarbuitenulwodc2024 ↩︎

  5. Inspectie JenV, TK-bijlage 1: Rapport Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni 2023. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/26/tk-bijlage-1-rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-start ↩︎

  6. WODC en Universiteit Leiden, Van bajes naar buiten, rapport, 20 juni 2024. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/tk-bijlage-1-eindrapportage-vanbajesnaarbuitenulwodc2024 ↩︎

  7. 7 Kamerstukken II, 2022-23, 24 587, nr. 797 en Inspectie Justitie en Veiligheid. (2023). Samen werken aan een nieuwe start. [Rapport]. Rapport Samen werken aan een nieuwe start | Inspectie Justitie en Veiligheid↩︎

  8. Inspectie JenV, TK-bijlage 1: Rapport Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni 2023. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/26/tk-bijlage-1-rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-start↩︎

  9. Zie ook: Gepubliceerde recidivestudies | WODC - Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum↩︎