Ontwerp-Nota Ruimte (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D10966, datum: 2026-03-09, bijgewerkt: 2026-03-11 10:31, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-09 14:00: Ontwerp-Nota Ruimte (Notaoverleg), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
- 2026-03-30 14:00: Ontwerp-Nota Ruimte (Notaoverleg), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Ontwerp-Nota Ruimte
VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 9 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over:
de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 26 september 2025 inzake publicatie Ontwerp-Nota Ruimte (29435, nr. 269);
de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 3 maart 2026 inzake stand van zaken na publicatie Ontwerp-Nota Ruimte (29435, nr. 271).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening,
Beckerman
De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening,
De Vos
Voorzitter: Beckerman
Griffier: De Vos
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Van Asten, Beckerman, Clemminck, Diederik van Dijk, Grinwis, Peter de Groot, Kostić, Mooiman, Russcher, Steen, Wiersma en Zalinyan,
en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom bij de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Vandaag staat het notaoverleg over de Ontwerp-Nota
Ruimte op de agenda. Het is het eerste debat met mevrouw
Boekholt-O'Sullivan, de nieuwe minister van Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Welkom in deze commissie. Welkom ook aan alle
leden. We hebben een spreektijd afgesproken van zeven minuten per
fractie. Ik stel voor om in de eerste termijn zes vragen op elkaar toe
te staan. Ik zie geen bezwaren. Dan beginnen we direct met de eerste
termijn. Ik geef het woord aan de heer Diederik van Dijk namens de
SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. Ik mag vandaag mijn collega Flach vervangen.
Allereerst wil ik de minister natuurlijk feliciteren met haar benoeming
als minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Heel veel
succes gewenst. We zien uit naar een goede samenwerking.
Voorzitter. Vandaag spreken we over de Ontwerp-Nota Ruimte. Ik las
daarin een mooie geschiedschrijving over de ontwikkelingen in dit domein
in het verleden. Het zijn de decennia van het maakbaarheidsdenken, zo
las ik. Dat denken is nog niet verdwenen. Ook de nota die voorligt, gaat
in zekere zin uit van een maakbare wereld. Zeker, het is goed en nodig
om een visie op de ruimtelijke ordening van Nederland te hebben. Wat de
SGP betreft blijven we echter ook nuchter. Nederland laat zich niet
fotoshoppen of met grog bewerken, en de toekomst is onzeker.
Voorzitter. Defensie is een van de thema's waarbij voortdurend
ingespeeld moet worden op ontwikkelingen. Vanuit een eerdere rol weet de
minister alles van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. De
voorliggende nota onderstreept gelukkig de noodzaak om voldoende ruimte
te creëren voor een stevige krijgsmacht. Het komt nu vooral aan op de
uitvoering. Ik roep de minister op om hier samen met haar collega's van
Defensie vaart achter te zetten.
Voorzitter. Tijdens het lezen van alle ambities en plannen dacht ik wel:
hoe gaat dit allemaal passen? Tot 2050 moeten er 1,65 miljoen woningen
bij komen en dat is meer dan Gelderland en Utrecht bij elkaar. De
economie vraagt om extra ruimte, bijvoorbeeld voor transport en vitale
winkelgebieden. Alle ambities tellen volgens mij op tot een gebied dat
groter is dan Nederland. Onze zorg is dus dat er ook ambities gaan
sneuvelen. Hoe ziet de minister dit? Waar de SGP zich ook zorgen over
maakt, is de ruimte voor landbouw. Die ruimte is essentieel voor onze
voedselvoorziening. Voedselzekerheid is een belangrijke geopolitieke
troef. Wordt dit erkend? Tot een paar maanden geleden — het is wat
verdampt, moet ik zeggen — hoorde ik bijvoorbeeld de wens om nieuwe
steden te bouwen. Los van de onwenselijkheid daarvan, zou dat dus leiden
tot een forse afname van de ruimte voor onze voedselvoorziening. Mijn
oproep is om met de woningbouw gewoon aan te sluiten bij bestaande
dorpen en steden.
Voorzitter. Dubbel ruimtegebruik is essentieel. Ruimte voor natuur kan
bijvoorbeeld samengaan met ruimte voor recreatie. Er zijn echter meer
kansen, zoals de combinatie tussen agrarische activiteiten en
energieopwekking: agri-PV, voor de insiders. Dat biedt echt kansen voor
zowel de landbouw als de opwek van energie. Daar zijn nu echter nog geen
duidelijke kaders voor. Voor de gemeente is het toetsen van vergunningen
daardoor ingewikkeld. Voor de agrariërs leidt de onduidelijkheid tot het
uitstellen van beslissingen. Hoe kan de minister dit soort obstakels
oplossen en de randvoorwaarden verbeteren?
Voorzitter. Uitvoering van de Nota Ruimte vraagt om de juiste
prioriteiten. Veel zaken vragen al op heel korte termijn aandacht:
netcongestie, ruimte voor Defensie, woningbouw. Zeker zaken als
netcongestie zijn voorwaardelijk aan het succes van de Nota Ruimte. De
sector oppert om een energietoets in te voeren, zodat vooraf duidelijk
is of ontwikkelingen mogelijk zijn binnen de beschikbare netcapaciteit.
Hoe kijkt de minister daarnaar? Er zijn voorbeelden genoeg waarbij
ruimtelijke plannen stukliepen op de afwezigheid van
energie-infrastructuur. Rond het IJsselmeer, zoals in Kampen, is er de
wil om de havengebieden te versterken. De verbreding van de sluis bij
Kornwerderzand is daar echter cruciaal voor. In de ontwerpnota komt dit
soort zaken maar heel summier aan de orde. Hoe worden deze
randvoorwaarden beter meegenomen in de definitieve nota?
Voorzitter. De Nota Ruimte vraagt veel van het Rijk, maar zeker ook van
medeoverheden, zoals gemeenten. Dat geeft uitdagingen. Regie van het
Rijk is nodig, maar tegelijkertijd moet de lokale economie fier overeind
blijven. Kan de minister schetsen hoe met dat spanningsveld wordt
omgegaan? Gemeenten moeten allerlei keuzes gaan maken die deels
gemeente- of zelfs regio-overstijgend zijn. Welke middelen en
sturingsinstrumenten zijn daarvoor beschikbaar? Is hier niet nog een
stevige slag in te slaan?
Voorzitter. Het adagium "elke regio telt" zit goed verankerd in de Nota
Ruimte. Het komt echter ook hier wel op de uitvoering aan. Juist buiten
de Randstad liggen volop kansen, waarbij geldt dat een nationale mal
veelal niet past. Hoe wordt de kracht van de regio versterkt en gebruikt
met respect voor de kenmerken van de regio's? De regio's zijn nu
ingedeeld in vijf categorieën, waarin bijvoorbeeld gebieden versterkt of
juist gestimuleerd worden. De praktische invulling van deze indeling
moet nog worden uitgewerkt, maar die is wel heel relevant. Welke
instrumenten gaat het kabinet inzetten? Welk tijdpad wordt gehanteerd?
Welke investeringen kunnen regio's tegemoetzien? Kan de minister hier al
duidelijkheid over scheppen? Elke regio telt, maar elke regio is anders
en heeft ook andere behoeften. Zo hebben new towns, gemeenten die in de
jaren 70 en 80 hard groeiden, heel specifieke uitdagingen. Kleine kernen
en dorpen vragen weer een heel andere aanpak, bijvoorbeeld als het gaat
om woningbouw. Wat verstaat de minister precies onder "kleine kernen"?
Is de minister het eens dat juist voor deze categorie een extra stap
nodig is?
Voorzitter. Tot slot benadruk ik graag de noodzaak van wandelen, een
thema dat wellicht niet voor de hand ligt, maar wel heel belangrijk is.
Het is goed voor de volksgezondheid en goed voor het welzijn van
iedereen. Nu is ook het moment om daarvoor keuzes te maken. Wat de SGP
betreft komt er in de definitieve Nota Ruimte een stevige inzet op
bijvoorbeeld goede wandelpaden en goede wandelvoorzieningen. Zeker, in
de Ontwerp-Nota Ruimte staan ambities, maar concreet worden die op dit
punt niet, terwijl er zo veel kansen liggen en de positieve gevolgen
groot zijn. Op dit moment wordt er al heel veel gedaan door
vrijwilligers en private organisaties. Het Rijk kan daarin ondersteunen
en stimuleren. Is de minister bereid deze handschoen in samenwerking met
betroken organisaties op te pakken?
Voorzitter. Tot zover. Ik maak nog één opmerking. Ik zit momenteel ook
bij het WGO Gehandicaptenzorg, dus ik zal af en toe wat heen en weer
vliegen. Excuus daarvoor aan de minister en aan mijn collega's.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Diederik van Dijk, die sprak namens de SGP. Dan gaan
we naar collega Van Asten, fractie D66.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. Ook van mijn kant felicitaties aan de minister. Veel
succes! Ik wil ook graag een groot compliment uitdelen aan iedereen die
aan de Ontwerp-Nota Ruimte heeft gewerkt. D66 staat van harte achter het
idee van deze nieuwe Nota Ruimte. De afgelopen jaren hebben we gezien
hoe ruimteclaims steeds vaker botsen. Woningbouw, landbouw, industrie,
natuur, energie, mobiliteit: allemaal vragen ze ruimte in een land dat
simpelweg niet groter wordt. Juist daarom is het nodig dat de overheid
weer richting geeft aan de inrichting van Nederland, om zo duidelijke
keuzes te maken en het algemeen belang te bewaken. Zonder richting
dreigt namelijk stilstand.
De ontwerpnota laat goed zien dat doorbraken noodzakelijk zijn om
Nederland richting 2050 en zelfs 2100 toekomstbestendig te maken. Maar
juist omdat deze nota zo belangrijk is, moeten we nu ook goed kijken
waar deze keuzes scherper kunnen. Ik wil daarom een aantal punten
bespreken waar mijn fractie graag aanscherpingen ziet in de definitieve
Nota Ruimte en in de uitvoeringsagenda.
Om 2 miljoen woningen te realiseren, wordt Nederland in de nota
onderverdeeld volgens het zogenoemde VISTA-systeem. Dat helpt om
regionaal te kijken naar de samenhang tussen wonen, werken en
bereikbaarheid. Nieuwe woongebieden zonder banen leiden tot lange
pendelstromen en druk op de infrastructuur. Mijn vraag aan de minister
is daarom of het Rijk beschikt over voldoende instrumenten om die
economische ontwikkeling ook daadwerkelijk te sturen.
Een tweede punt is de gezonde leefomgeving. Het coalitieakkoord zet
sterk in op preventie, maar gezondheid begint niet in het ziekenhuis
maar in de leefomgeving. Een groene wijk, veilige fietsroutes en ruimte
om te bewegen dragen direct bij aan gezondheid en welzijn. De
ontwerpnota benoemt dit terecht als nationaal belang, maar het blijft
nog onduidelijk hoe het Rijk dit concreet wil vertalen naar
gebiedsontwikkeling en woningbouw. Kan de minister toelichten hoe de
gezonde leefomgeving wordt uitgewerkt en vastgelegd richting de
uitvoeringsagenda?
Voorzitter. Een tweede belangrijke thema is de ruimtelijke inpassing van
de energie-infrastructuur. Voor D66 is het principe "water en bodem
sturend" daarbij essentieel. We kunnen het ons simpelweg niet
veroorloven om kritische infrastructuur te bouwen op plekken waar de
klimaatrisico's steeds groter worden. Toch blijft in de ontwerpnota nog
onduidelijk waar bepaalde vormen van energie-infrastructuur wel en niet
wenselijk zijn. Is de minister bereid om hier duidelijkere ruimtelijke
keuzes in te maken?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Duidelijk. Wat betekent bodem en water sturend voor de D66-fractie? Ik
heb ooit dat zinnetje zelf in een eerder coalitieakkoord mogen
schrijven. Hoe verhoudt dit principe zich tot ontwikkelingen in
bijvoorbeeld ons merengebied? D66 is in de campagne gekomen met een
pleidooi voor IJstad. Daar ben ik het mee eens, maar hoe past dat binnen
de uitwerking van water en bodem sturend volgens D66?
De heer Van Asten (D66):
Als je wilt ontwikkelen in een laaggelegen gebied, iets wat de kans op
overstromingen met zich meebrengt, is het denk ik goed om op te letten
dat je daar niet de infrastructuur aanlegt die nodig is om een hele
regio te laten functioneren. Ik bedoel dus dat je daar heel kritisch
bent op zaken als drinkwaterinnamepunten, datacentra en
energie-opwekkers en dat je wanneer je die daar wel plaatst, zorgt voor
voldoende beveiliging of ervoor zorgt dat een en ander voldoende
weerbaar is om snel weer te kunnen worden opgestart.
Neem het voorbeeld van IJstad in het Markermeer, inderdaad door D66
ingebracht in deze campagne. Dat gebeurt dus in een gebied met
zoetwater, iets wat je ook nodig hebt. Dat betekent dat je een afweging
maakt: "Als we daar gaan bouwen, op wat voor manier gebeurt dat dan? Is
dat bouwen daar schadelijk voor de zoetwaterbeschikbaarheid of levert
het een risico op om daar te wonen?" Daar moet je de goede afweging in
maken. Misschien moet je extra inzet plegen om het veilig te kunnen doen
of moet je ervan afzien. Maar die weging is water en bodem sturend
volgens ons.
De voorzitter:
Grinwis, tweede vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is een nog wat zoekend antwoord. Ik denk dat het heel goed kan. Je
kunt het met opspuiten zodanig hoog leggen dat je ten opzichte van de
omgeving behoorlijk veilig bent, sowieso in de buurt van Amsterdam. Dat
is een van de best beveiligde stukjes Nederland met de Afsluitdijk en de
Houtribdijk. Als we de spuisluizen bij IJmuiden vervangen, dan is het
ook aan die kant heel safe. Een paar meter meer of minder moeten
wegpompen of laten afvloeien maakt niet zo'n verschil voor de
waterveiligheid van Nederland.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn punt is het volgende. Is het alleen maar een afwegingskader? Of zit
D66 nog steeds zo in de wedstrijd dat we daar, op de grens van het
Markermeer en het IJmeer, inderdaad stedelijke ontwikkeling van IJstad
mogelijk gaan maken?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben geen ingenieur, zoals de heer Grinwis blijkbaar wel is; althans,
dat blijkt uit zijn vraag. We hebben bijvoorbeeld gezien dat Amsterdam
aan een kleine ramp is ontsnapt toen we het water niet weggepompt
kregen. Het gaat over: hoe weerbaar ben je en hoe weerbaar is onze
infrastructuur die het veilig moet houden? Ja, op het moment dat je
bijna ouderwets terpen gaat opwerpen in het landschap, ben je ouderwets
een stuk veiliger. Ik weet niet precies hoe dat uitwerkt als je dat in
het Markermeer of het IJmeer zou doen. Maar als dat kan, dan is dat
natuurlijk wel in een gebied waar de woningnood zo'n beetje het grootst
is in Nederland. Dan is dat een hele goede investering, maar wel als het
veilig kan, nu en in de toekomst.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik ben van origine wel ingenieur. Ik ben best trots op hoe wij in
Nederland de Flevopolder hebben ingepolderd. Daar gaat mijn vraag ook
over aan de heer Van Asten van D66. Ik hoorde hem net in een antwoord
zeggen: het moet veilig en laten we dat dan bij voorkeur niet op het
laagste puntje van Nederland doen; ik vertaal het even in mijn eigen
woorden. Maar dat is de Flevopolder toch echt wel. Wat betekent dat dan?
Betekent het dan dat we daar geen woningen meer bouwen en dat we daar
niet voor de energie-infrastructuur zorgen? Betekent het dat D66 afstand
neemt van IJstad, wat dan ook een polder zou moeten worden? Ik ben
gewoon zoekende naar: wat is dan de betekenis? Of gaan we er gewoon op
een praktische manier mee om en kijken we hoever we technisch kunnen
komen in Nederland met het principe, wat een goed principe is, water en
bodem sturend?
De heer Van Asten (D66):
Dat betekent niet dat je nergens meer iets zou kunnen doen, want ik denk
dat je dan in driekwart van Nederland al klaar bent en langzaam de
mensen zal moeten evacueren naar hoger gelegen gronden. Het gaat er wel
om op wat voor manier je daar dan gaat bouwen. Stel je voor dat we een
nieuwe stad in Flevoland gaan bouwen, waarbij het risico bestaat dat
daar eerder overstromingen plaatsvinden na bijvoorbeeld piekbuien. Wat
voor huizen ga je daar dan bouwen? Bouw je daar dan ouderwets met de
parketvloer op de begane grond? Of bouw je juist met een andere
invulling onder het huis, zodat de impact minder groot is op het moment
dat er iets gebeurt? Dat bedoelde ik ook met kritische infrastructuur op
laaggelegen punten. Hoe zorg je er dan voor dat die polder heel veilig
is, zodat de energievoorziening voor bijvoorbeeld de hele zuidelijke
Randstad niet maanden uitvalt of de drinkwatervoorziening niet in gevaar
komt?
De voorzitter:
Peter de Groot, tweede vraag. Daarna ga ik naar de heer Clemminck.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik ben eigenlijk heel blij met dit antwoord van de heer Van Asten. We
hebben ons voorgenomen om een megakazerne in de Flevopolder te bouwen.
Dat is vrij kritische infrastructuur op het moment dat je in Nederland
in een andere situatie terecht zou komen. Ik hoorde in het antwoord van
de heer Van Asten dat we goed moeten kijken hoe we het beschermen en dat
we misschien wel aanvullende maatregelen moeten treffen. Dat stelt mij
wel gerust over hoe wij als Kamer en ik hoop ook het ministerie moeten
omgaan met water en bodem sturend. We zullen ervoor moeten zorgen dat we
de ruimte die er is dan goed benutten. Kan ik het antwoord van de heer
Van Asten zo een beetje samenvatten of heb ik het mis met mijn
interpretatie?
De voorzitter:
Nou, samenvatten? Het was best lang. De heer Van Asten, D66.
De heer Van Asten (D66):
Het is inderdaad voor een samenvatting een wat lange tekst. Ik denk dat
we redelijk op één lijn zitten. Ik zou er wel het volgende aan willen
toevoegen. Ja, je moet dus beter beschermen wat je in dat soort
kwetsbare gebieden gaat doen. Maar het zou ook kunnen dat door al die
beschermende maatregelen die je moet nemen de afweging uiteindelijk is:
dan doen we het daar niet en doen we het op een andere manier. Volgens
mij moet je water en bodem sturend zo lezen.
De heer Clemminck (JA21):
Ik was toch een beetje in verwarring, maar nu begint het antwoord van de
collega van D66 iets scherper te worden. Als je zegt "water en bodem
sturend", dan kan je ook een simuleringskaart erbij pakken. Zie je rood
staan, dan is het antwoord gewoon: nee, we gaan daar niks doen. Maar
zoals u het woord "sturend" nu uitlegt, betekent het eigenlijk dat het
een ontwerpopgave is en dat je in die ontwerpopgave kunt kijken: wat kun
je technologisch doen om toch op een veilige manier te gaan bouwen met
alle risico's die er wellicht op dat gebied zijn? Als dat de uitleg is
van "sturend", dan snap ik eigenlijk niet waarom mijn collega zo
vasthoudt aan dat woord, want dan staat er volgens mij met "rekening
houden met" al voldoende. Ik wil toch even voor de zekerheid wat weten
over de uitleg van de collega van D66. Is het dus alleen een
ontwerpopgave en kan je daarmee voldoen aan de randvoorwaarden om in een
risicovol gebied te bouwen? Of is het gewoon: rood zegt nee?
De heer Van Asten (D66):
De vraag is wanneer het op rood schiet. Ik moet wel zeggen dat we een
beetje schuldbewust moeten zijn als we gaan kijken wat technisch
mogelijk is. Het gemaal bij IJmuiden moet eigenlijk dringend vervangen
worden, maar daarvoor is geen geld gereserveerd. Technisch kan het, maar
is het verstandig om te doen? Dan moet je dus zeggen: je komt eerder in
het rode. Dan is het wel degelijk sturend.
De voorzitter:
Ik zie dat u uw betoog kunt vervolgen.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. Ik ben bij landbouw en natuur. De nota introduceert
een afwegingskader voor het gebruik van landbouwgrond voor andere
bestemmingen. Allereerst vraag ik of dit een generiek kader is of dat
dit per regio of gemeente wordt vormgegeven. Als dat laatste het geval
is, hoe houdt het Rijk dan de regie over deze ruimtelijke ordening? Als
er een ruimtevraag komt op landbouwgebied, schrijft de nota voor dat er
eerst gekeken moet worden naar meervoudig ruimtegebruik op andere
gronden. Lukt dat niet, dan treedt alsnog een afwegingskader in werking.
Dit lijkt ons een kostbare en tijdrovende exercitie, en een te grote
drempel om alleen al een straatje erbij te bouwen, of nieuwe natuur- of
sportvoorzieningen aan te leggen, zeker omdat meervoudig ruimtegebruik
vaak een dure en minder of niet rendabele oplossing zal zijn. Hoe ziet
de minister dit? Kan zij ingaan op de zorgen van D66 over dit kader, en
dan vooral op de volgordelijkheid van dit proces?
Daarnaast heb ik een vraag over waterbeheer. In verband met het
vasthouden van zoet water, het tegengaan van bodemdaling en
natuurherstel moet de waterstand worden verhoogd. In de nota komt dit
meermaals terug en wordt aangegeven dat hier in goed overleg afspraken
over moeten worden gemaakt. Dat is natuurlijk een loffelijk streven,
maar ik voorzie ook dat dit zeer langlopende onderhandelingen kunnen
worden en we de doelen dus niet tijdig gaan halen. Hoe houdt de minister
overzicht over de voortgang? Hoe kan zij eventueel ingrijpen als dit
proces niet tot resultaat leidt?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In deze vraag van collega Van Asten van D66 werd zomaar tussen neus en
lippen door eigenlijk potentieel het platteland van tafel geveegd. Het
afwegingskader is er niet voor niks gekomen om kostbare landbouwgrond
wat beter te beschermen en te voorkomen dat dat naar believen wordt
ingepikt voor alle ruimtelijke opgaven die wij hier in Den Haag bedacht
hebben. Is dat de bedoeling van de vraag van de heer Van Asten, dus om
het een beetje weg te moffelen en zo min mogelijk — hoe zal ik het
zeggen? — drempels op te werpen om goede, vruchtbare landbouwgrond in
beslag te nemen voor andere ontwikkeling?
De heer Van Asten (D66):
Mijn vraag ging over de constatering die ik had gemaakt, namelijk dat je
eerst naar meervoudig ruimtegebruik wordt gedrukt — eigenlijk alle
ruimteclaims van Nederland moeten dat eerst samen opzoeken — voordat er
kan worden gekeken naar eventueel iets op landbouwgrond, want dan komt
er pas een afwegingskader. Dat is dus een soort dubbele toets, waarvan
ik denk: daarvoor hebben we de tijd en de ruimte niet. Dat meervoudige
ruimtegebruik ... Ik ben er in de stad Den Haag ook altijd groot
voorstander van geweest — dat is zeer belangrijk — dat we zuinig omgaan
met grond. Maar laten we ook wel een beetje tempo maken. Ik denk dus dat
die dubbele toets iets te zwaar is.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Ik ben bij de biodiversiteit. Dat is niet zomaar alleen als
beleidsdoel opgenomen in de nota; het is zelfs tot nationaal belang
benoemd. Het lijkt de D66-fractie dan ook een klaarblijkelijke omissie
dat de benodigde 100.000 tot 150.000 hectare nieuwe natuur niet
duidelijk terugkomt in deze nota. Kan de minister toelichten hoe deze
opgave alsnog een plek krijgt in de definitieve Nota Ruimte?
Nu ben ik eigenlijk pas bij het kopje water en bodem sturend, maar we
hebben de interrupties alvast gehad, denk ik. Het principe water en
bodem sturend is in het nieuwe coalitieakkoord scherp neergezet. Dat
moet dus effect hebben op deze nota en doorwerken in ruimtelijke keuzes.
Ik vroeg me dus af of deze Nota Ruimte nog wordt aangepast, omdat er
eerst met een ander principe werd gewerkt en nu, in het nieuwe
coalitieakkoord, met een duidelijk sturend verhaal. Een concrete keuze
in de nota gaat over de verdeling van zoet water. Daarbij wordt
expliciet gezegd dat we niet altijd met technische oplossingen water
kunnen blijven aanvoeren in gebieden waar dat op lange termijn niet
houdbaar is. Zijn de maatschappelijke en economische gevolgen van deze
keuzes in beeld? Hoe ziet het Rijk zijn verantwoordelijkheid om deze
gebieden te begeleiden naar een nieuwe situatie?
Bodemdaling wordt in de nota vooral gekoppeld aan veenweidegebieden,
maar ook in stedelijke en kleigebieden vormt bodemdaling een groeiend
probleem. Welke rol ziet de minister voor het Rijk bij het aanpakken van
bodemdaling in onze steden en dorpen?
Nederland staat voor grote ruimtelijke investeringen, waaronder in
infrastructuur die vaak lastig inpasbaar is, grote
elektriciteitsstations, drinkwaterinnamepunten en waterzuiveringen.
Helpt deze nota om deze voorzieningen sneller te realiseren? Of is
hiervoor een steviger sturingssysteem van het Rijk nodig? Daarnaast zijn
er ruimtelijke arrangementen met de provincies en NOVEX-afspraken met de
regio's gemaakt. Hoe verhouden deze bestaande afspraken zich tot de
uiteindelijke keuzes in de Nota Ruimte?
Medeoverheden hebben zich zeer positief uitgesproken over deze
Ontwerp-Nota Ruimte en over de samenwerking tijdens het opstellen ervan.
Ze hebben wel enige zorgen over de toekomstige werkwijze. Als voormalig
wethouder kan ik me daar wat bij voorstellen. De intentie om integraal
te werken komt helaas niet altijd goed uit de verf. Uiteindelijk zit je
dan weer met alle sectorale teams aan tafel. D66 vraagt daarom bij de
minister aandacht voor een sturende en integrale uitvoering.
De inrichting van Nederland gaat uiteindelijk niet alleen over de
kaarten en de contouren, maar over de vraag wat voor land we willen
doorgeven aan volgende generaties: een land waar jongeren een betaalbare
woning kunnen vinden, waar natuur en biodiversiteit herstellen en waar
economie, innovatie en duurzaamheid hand in hand gaan. Dat vraagt soms
om moeilijke keuzes, maar juist die keuzes maken ruimtelijk beleid
waardevol. D66 wil dat deze nota niet alleen richting geeft, maar ook
het vertrouwen biedt dat Nederland klaar is voor de toekomst.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Asten van D66. Er is nog een vraag voor u van het
lid Kostić van de Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn collega van D66 heeft gezegd dat medeoverheden tevreden zijn over
deze nota, maar experts zijn dat niet. Zij zeggen dat de nodige keuzes
die in deze nota zouden moeten worden gemaakt, niet worden gemaakt,
bijvoorbeeld als het gaat om het milieu, een gezonde leefomgeving en
natuur. Ik vraag mijn collega of hij bereid is om het advies van het PBL
over te nemen, namelijk dat er een vierde leidend principe moet komen,
waarop we kunnen toetsen of de verschillende waarden, zoals een gezonde
leefomgeving en natuur, voldoende worden gehaald met het hele
pakket.
De heer Van Asten (D66):
Ik vond dat een hele interessante opmerking en constatering van het
planbureau. Een van de principes die in de Nota Ruimte naar voren komen,
is: zo min mogelijk afwentelen op toekomstige generaties. "Zo min
mogelijk" zou eigenlijk moeten zijn "niet afwentelen op toekomstige
generaties". Je zou moeten kijken hoe je die twee kunt samenbrengen,
zodat het principe "niet afwentelen" strakker neerkomt in de keuzes die
in deze nota worden gemaakt.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik begrijp daaruit dat mijn collega het eens is met het PBL en dat we
dit dus strakker moeten neerzetten. Wat de Partij voor de Dieren betreft
hebben we niets aan deze nota als de fundamentele keuzes niet worden
gemaakt en als er niet wordt gewaarborgd dat we straks een schone
leefomgeving, schoon water en voldoende natuur hebben, in lijn met alle
internationale afspraken die zijn gemaakt. Is mijn collega het daarmee
eens?
De heer Van Asten (D66):
Ik ben het niet eens met de constatering dat we niets aan deze nota
hebben als niet alles honderd procent geregeld is. Ik denk dat dit echt
een hele grote stap voorwaarts is in de sturing die we nodig hebben in
dit land en die te lang heeft ontbroken. Ik heb niet voor niks het punt
gemaakt dat we 100.000 tot 150.000 hectare natuur nodig hebben om de
biodiversiteit mede te herstellen. Ik ben het wel eens met het lid
Kostić dat er nog wat zaken scherper kunnen worden gesteld.
De voorzitter:
Er is nog één vraag van het lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja, nog eentje om het helemaal af te maken. Vanochtend stond in de krant
dat de TU Delft en de deltacommissaris zeggen dat de fundamentele keuzes
die nodig zijn voor de toekomstige generaties nu niet worden gemaakt. We
blijven problemen opschuiven. Dit kabinet wil dat ook niet. Ik hoor in
de woorden van D66 dat we hier samen de nodige aanscherpingen in moeten
maken.
Ik heb nog een laatste vraag. De grote roze olifant in de Kamer is het
ingrijpen in de landbouw. De experts zeggen dat je daar ook naar moet
kijken. De helft van ons land wordt gebruikt voor de veehouderij. Dat is
niet de meest efficiënte manier. De nota tackelt dat onvoldoende. Is D66
bereid om daar een stap in te nemen?
De heer Van Asten (D66):
Volgens mij heb ik daar al een voorzet toe gegeven. Ik heb gezegd: laten
we kijken hoe het zit met het meervoudig ruimtegebruik, de dubbele toets
en het afwegingskader. Verder ben ik van mening dat ook het Nederlandse
platteland investeringen nodig heeft om de leefbaarheid van kernen, die
ook met het huidige landbouwbeleid langzaam achteruitloopt, te
verbeteren, zodat er ook in de plattelandsgemeenten kansen liggen die
niet alleen maar samenhangen met de landbouw. Alleen al om de kernen
vitaal te houden dus wat meer woningbouw erbij en dan kom je al vrij
snel op een akker die toevallig net naast het dorp ligt. Ik denk dat we
op dat vlak echt wel stappen kunnen zetten en dan heb ik het nog niet
over de intensieve veehouderij, die misschien wat minder ruimte zou
moeten krijgen in een druk Nederland.
De voorzitter:
Dat roept een vraag op bij mevrouw Wiersma, BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ja, zeker. Ik denk dat de intensieve veehouderij op zichzelf niet zo
veel ruimte inneemt, maar dat terzijde. Ik hoor de heer Van Asten van
D66 zeggen dat er wat hem betreft 100.000 à 150.000 hectare
landbouwgrond bij moet komen. Dat impliceert best wel wat, maar in het
regeerakkoord zie ik niet terugkomen dat daarvoor ook de benodigde
middelen gereserveerd zijn. Is de heer Van Asten zich ervan bewust wat
de kosten daarvan zijn, niet alleen qua investering, maar ook qua
onderhoud? Landbouwgrond wordt netjes onderhouden door boeren. Daar zit
een verdienmodel onder. Althans, zolang wij hier verstandig beleid
blijven voeren. Is de heer Van Asten het met mij eens dat de financiële
plaat niet laat zien wat hij hier uitspreekt?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat je eerst moet bekijken waar je met dit land naartoe wilt.
Wat heb je nodig om dit land naar 2050 en 2100 te brengen? We hebben
afspraken gemaakt, onder andere over natuurherstel, het belang van
biodiversiteit, het bouwen van 2 miljoen woningen en ervoor zorgen dat
iedereen in Nederland ook in de toekomst een goede baan kan hebben in
een economie die klaar is voor de toekomst. Dat moet het doel zijn.
Vervolgens ga je kijken naar een uitwerkingsplan: hoe komen wij daar?
Dat komt eind dit jaar. U zegt dat er te weinig geld staat in de
begroting voor de komende vier jaar. Inderdaad, de komende vier jaar
gaan we niet voldoende geld bij elkaar krijgen om 150.000 hectare natuur
aan te leggen. Als ik de collega van de BBB goed begrijp dat het alleen
een financiële kwestie is, dan kunnen we samen op zoek gaan naar de
middelen voor 150.000 hectare natuur.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik denk dat het lid Wiersma dat niet voornemens is. Waar de heer Van
Asten het afwegingskader ter discussie stelt, vind ik dat juist wel van
belang. Ik zal daar straks ook iets over zeggen in mijn bijdrage. Juist
ook voor de economische ontwikkeling in Nederland is het waarborgen van
de voedselproductie echt een randvoorwaarde, ook voor de weerbaarheid.
Natuurlijk kan er richting 2025 nog een heleboel gebeuren. De financiële
plaat voor het buitengebied loopt in de plannen van deze coalitie tot
2035. De middelen die ik daarin terugzie kunnen in de verste verte niet
bijdragen aan de realisatie van het beoogde aantal hectares.
De heer Van Asten (D66):
Ik hoorde geen vraag. D66 en de BBB kijken anders naar de toekomst van
de landbouw in Nederland. Richting 2025 neemt het risico toe op
verzilting van veel landbouwgebieden die we nu nog goed kunnen
handhaven. De verzilting neemt dus toe. Dan zul je toch een hele
verandering krijgen en zal de akkerbouw er in de toekomst anders uit
gaan zien. Daarop moet je anticiperen, vandaar ook mijn vraag aan de
minister hoe we die gebieden gaan meenemen. Dit is een vraag over de
richting die we op willen. Als we die met elkaar hebben beantwoord,
kunnen we uiteindelijk kijken naar de middelen die daarbij horen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil toch nog iets vragen, voor de duidelijkheid. Deze vraag is voor
ons fundamenteel. Alle experts zeggen dat je niet alleen moet kijken
naar wat we allemaal willen in Nederland, zoals nu gebeurt in de nota,
maar ook naar wat we niet willen. Immers, niet alles past meer in
Nederland en hoeft ook niet meer in Nederland, zoals Remkes al zei. Het
PBL zegt dat ook heel duidelijk. De Partij voor de Dieren is heel
duidelijk: we hoeven geen intensieve veehouderij meer. Die is niet
efficiënt. De intensieve veehouderij verspilt veel grond en met
biologisch en plantaardig kunnen we veel meer mensen voeden, op een
gezondere manier. Daarmee lossen we heel veel problemen op. We hebben
ook veel minder basisindustrie nodig. In plaats daarvan willen we meer
maakindustrie, meer circulaire economie ...
De voorzitter:
Komt u alstublieft met uw vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
... minder luchtvaart en meer gezondheid. Dat zijn de keuzes die de
Partij voor de Dieren maakt. Welke keuzes maakt D66? Waar moet er
volgens D66 minder van komen, zodat we meer ruimte creëren?
De heer Van Asten (D66):
Ik denk dat we op dit moment heel slordig omgaan met onze ruimte. Dat
zie je op sommige bedrijventerreinen, waar we enorme loodsen maken die
er puur staan voor de doorvoer naar het Duitse achterland. Waarom is
dat? Vanwege een gunstige btw-regel in Nederland voor de vervoerders,
niet zozeer voor de Nederlandse staatskas. Als je al dat soort zaken
langzaam afpelt, zie je dat je eigenlijk een heleboel kan doen op de
bestaande grond. Vervolgens moet je ook gaan kijken naar de bestaande
landbouwgrond. Hoe kan je er nou voor zorgen dat je die gaat veranderen?
Hoe kan je ervoor zorgen dat je de voedselzekerheid — D66 onderschrijft
die ook — zeker hoog in het vaandel blijft houden, terwijl ook de
leefbaarheid op het platteland vergroot blijft worden? Daar zijn heel
veel mogelijkheden voor die ook voorzien in recreatie of in
maakindustrie, juist in gebieden die nu langzaam verlaten raken.
De voorzitter:
Helder. Daarmee zijn we ook aan het einde van de vragen gekomen. Ik ga
naar de heer Grinwis van de ChristenUnie, maar niet voordat ik hem een
kleine vraag heb gesteld. Zowel hij als collega Peter de Groot zijn qua
anciënniteit tweede in rang. Wilt u straks even het voorzitterschap van
mij overnemen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zeker.
De voorzitter:
Dank u. Dan ga ik nu naar uw inbreng. De heer Grinwis,
ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst een welkom aan en wijsheid gewenst
voor de nieuwe minister van VRO namens de ChristenUniefractie. In haar
eerste Kamerdebat wil ik de minister twee lenzen meegeven waardoor de
ChristenUnie naar haar prachtige portefeuille kijkt. Dat is ten eerste:
huizen bouwen is bouwen aan gemeenschappen. Ten tweede: heb het lef om
regie te voeren en ruimtelijke keuzes te maken, maar heb daarbij altijd
oog voor de verliezers. Dat zeg ik even vooraf.
Voorzitter. Voor ons ligt eindelijk weer een Ontwerp-Nota Ruimte, 22
jaar na de vorige Nota Ruimte. Dat waardeert de ChristenUnie.
Tegelijkertijd is het feit dat er een Nota Ruimte ligt, natuurlijk niet
genoeg, want het gaat om de inhoud, om de keuzes die daarin gemaakt
worden. De Nota Ruimte van ruim twintig jaar geleden was immers het
begin van het einde van ruimtelijke regie vanuit het Rijk. Het was het
begin van vergaande decentralisatie van het ruimtelijk beleid,
culminerend in de afschaffing van het ministerie van VROM in 2010 en in
het kielzog daarvan de Dienst Landelijk Gebied, in 2015. Dat zijn
beslissingen die ons land duur zijn komen te staan. De verrommeling van
ons landschap, al die datadozen, al die distributiecentra langs onze
snelwegen, al die zonnevelden en de niet zelden lukraak geplaatste
joekels van windturbines doen pijn aan je ogen.
Het doet er dus toe of er keuzes worden gemaakt, welke keuzes dat dan
zijn, wie daar in ons land, waarin ruimte schaars is, de prijs voor
betaalt en of die prijs redelijk is. Is dat altijd maar weer ons
platteland? Het is alsof dat de nationale prullenbak is waarin alle
consequenties van Haagse tekentafels neerslaan. Dat was wel het
sentiment dat ik proefde bij de grote manifestatie Red het Platteland,
afgelopen zaterdag in Voorthuizen. Vorige week stonden we in een
indrukwekkend rondetafelgesprek nog als Kamer stil bij de extreme
ruimtelijke gevolgen van vooral de opgaven op het gebied van energie in
het gebied waar sinds jaar en dag het dorp Moerdijk ligt. Dat maakt een
debat over een Ontwerp-Nota Ruimte 2050 — dat klinkt wat abstract — geen
vage ver-van-je-bedshow maar heel concreet en potentieel
ingrijpend.
Voorzitter. Bouwen en bewaren is een belangrijk leitmotiv voor de
politiek van de ChristenUnie. Daarin ligt een wezenlijk spanningsveld.
Aan de ene kant krijgen we als mens de ruimte en de mogelijkheid om te
bouwen, te ontwikkelen en vooruit te gaan. Aan de andere kant dragen wij
de verantwoordelijkheid om de aarde, onze leefomgeving, te beschermen en
zorgvuldig door te geven aan de generaties na ons. Dat spanningsveld
herken ik ook bij het lezen van de Nota Ruimte. De ruimteclaims zijn
groot. Wat verwachten we veel van de ruimte die we hebben, voor wonen,
werken, voedsel, natuur, energie, mobiliteit en defensie. Juist omdat
die ruimte schaars is, vraagt dat om keuzes. Dat zijn soms scherpe
keuzes waarbij geldt dat ruimte zo veel meer is dan een verdienmodel.
Ruimte moet in dienst staan van de samenleving. Dan zijn er ook nog de
nieuwe voornemens uit het coalitieakkoord, zoals 30 in plaats van 21
grootschalige nieuwbouwlocaties van nationaal belang. Zijn dat,
overigens, louter nieuwe locaties, zoals IJstad, of gaat het vooral om
opwaardering van bestaande regionale locaties, zoals bij Veenendaal-De
Klomp of het opwaarderen van Emmen naar een initieerregio? Graag een
reactie daarop.
Voorzitter. De vraag die we ons moeten stellen, is welk doel deze Nota
Ruimte dient. Op dit moment is de Nota Ruimte vooral een opsomming van
ambities, maar leggen die ambities niet een te grote ruimteclaim? Alleen
al de ruimteclaim voor natuur is zeker zo groot als de oppervlakte van
de provincie Utrecht, zo zei het PBL een paar weken terug in een
technische briefing. Volgens het PBL zou deze niet zijn op te lossen met
agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Deelt de minister dat? Als ik het
sommetje zelf probeer te maken, lijken de ruimteclaims de daadwerkelijk
beschikbare ruimte ver te overstijgen. Bij het lezen van het ontwerp kan
ik er maar moeilijk grip op krijgen. Je struikelt over de visiekaarten
en de themakaarten, maar een echte ruimtelijke doorrekening mist.
Hoeveel ruimte, hoeveel grond is er nodig om alle ambities waar te
maken? Is dat inderdaad bijna twee keer Nederland? Kan de minister mij
toezeggen dit overzicht te leveren? Ik zou dat inzicht graag per domein
en integraal ontvangen, inclusief de mogelijkheden van meervoudig
ruimtegebruik en wat er daarna onder de streep nog resteert aan
ruimtevragen. Nu is het echt nog te vaag voor ons als Kamer om er grip
op te krijgen, denk ik.
Voorzitter. Dan nog even over het belang van meervoudig ruimtegebruik.
Mijn collega zei het ook al: dat is er niet alleen omdat het bittere
noodzaak is in ons kleine landje, maar ook omdat de Ontwerp-Nota Ruimte
meervoudig ruimtegebruik als leidend principe noemt. Logisch, maar een
concreet kader voor de implementatie van dit principe ontbreekt. Welke
instrumenten, zowel bestuurlijk, juridisch als financieel, maken
meervoudig ruimtegebruik daadwerkelijk mogelijk? Kan de minister dit
leidende principe concreter terug laten komen in de uitwerking van de
Nota Ruimte door een strategie te ontwikkelen om samenvoeging van
functies te faciliteren? Nu lijken opgaves, zoals voor energie en
Defensie, als separate, verkokerde opgaves in de nota te zijn geland.
Wil je dit principe serieus nemen, dan moet je die verkokering en zo
vaak aanwezige bureaupolitiek bij de overheid doorbreken.
Voorzitter. Als de ruimteclaims inderdaad groter blijken te zijn dan de
beschikbare ruimte, dan dringt de vraag zich op: ten koste van wie gaat
dat? Dat wordt in de nota ook wel onderkend. Dan is de landbouw het
haasje. Om dat te verzachten, wordt op pagina 108 een afwegingskader
aangekondigd, maar hoe gaat dat er nou precies uitzien? Op welke manier
wordt welke landbouwgrond daar dan echt door beschermd? Komt er een
agrarische hoofdstructuur van goede vruchtbare landbouwgrond waar niet
aan geknabbeld mag worden? Maar ja, wat betekent dat dan weer voor zeg
een kazerne bij Zeewolde? Het PBL was hier tijdens de briefing al met al
uitermate sceptisch over. Hoe de minister dit concreet uitwerkt, zal
voor een deel ook bepalen of het platteland de restpost wordt waar het
Rijk al zijn ruimtelijke ambities neer laat slaan, of dat er met respect
met ons platteland wordt omgegaan. Beseft de minister dit? Waar gaan we
dat aan merken?
Dan heb ik het nog niet eens gehad over de door de overheid gewenste
extensivering van de landbouw.
De voorzitter:
Heeft u één moment?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog één zin?
De voorzitter:
Ja, uiteraard.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Die vergt dus nog meer grond, in plaats van minder, nog los van de vraag
of dat uit kan bij hectareprijzen van een ton of zelfs meer dan twee
ton.
De voorzitter:
Excuus, ik dacht dat u aan het einde van uw blok was.
De heer Van Asten (D66):
De heer Grinwis heeft het over de vele hectares en vierkante kilometers
aan ruimtegebruik die erbij moeten komen. Daarvan wil hij graag een
uitsplitsing hebben. Ik ben benieuwd of dat zal lukken. Maar vervolgens
zegt hij steeds dat het platteland het haasje is. Als het platteland
niet het haasje mag zijn, waar gaan deze ruimteclaims in de ogen van de
ChristenUnie dan landen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Je moet het eerst met elkaar goed hebben over de ruimteclaims zelf.
Welke opgaven willen wij inderdaad accommoderen in Nederland en welke
niet? De heer Van Asten heeft net al terecht gezegd: door een bepaalde
btw-regel was het heel aantrekkelijk om hier allerlei distributiedozen
neer te planten en niet in ons buurland. Over dat soort structurerende
keuzes moet je het eerst gaan hebben. Vervolgens denk ik dat je het moet
afpellen langs de lijn dat je elke centimeter in Nederland minimaal
dubbel moet benutten, want het is zonde om door een verkokerde blik één
voor één energie, Defensie en natuur allemaal naast elkaar op te gaan
lossen.
Ik weet ook wel dat je onze woningbouwopgave niet alleen maar
binnendorpelijk en binnenstedelijk kan oplossen, maar dat je daar ook
ruimte buiten de stad voor nodig hebt. Dan heb je het ook over
landbouwgrond. Dat is overigens al sinds de Tweede Wereldoorlog zo. Het
is zelden een probleem geweest om een hectare grond van een boer te
kopen om daar huizen op te bouwen. Dat is in de praktijk helemaal niet
zo'n probleem. Dat onderken ik heus wel. Het is niet zo dat ik bij
voorbaat zeg "kan niet, mag niet", maar er worden nu heel veel dingen
bij elkaar geschreven zonder dat we echt goed inzicht hebben. Een punt
waar ik nu op kwam, is dat ik vind dat totaal onterecht wordt weggekeken
bij waar Nederland groot door is geworden, namelijk het aanwinnen van
nieuw land. Dat zit totaal niet in de nota. Daar zou ik ook een lans
voor willen breken.
De voorzitter:
Dat is afdoende voor de heer Van Asten, maar niet voor het lid Peter de
Groot, VVD.
De heer Peter de Groot (VVD):
De heer Grinwis en ik debatteren al heel wat jaartjes over
woningbouwlocaties, dus daar gaat mijn vraag ook over. Die ligt een
beetje in het verlengde van wat de heer Van Asten vroeg. Ik heb in het
verleden natuurlijk al heel veel moties ingediend over, noem eens wat,
bouwen in Pampus, Rijnenburg, Gnephoek of Velperpoort; je kunt ze
allemaal opnoemen. Dat telt dan op tot 200.000, 300.000 woningen als je
dat goed doet.
Mijn vraag aan de heer Grinwis, via u, voorzitter, is dan ook: is dat
dan ook ingrijpen in de landbouw? Het zijn namelijk allemaal locaties
die ofwel niet in bezit van het Rijk zijn, ofwel waar niet echt op
geboerd wordt. Dus hoe kijkt de heer Grinwis naar gewoon slimme keuzes
maken, zodat, even in de woorden van de heer Grinwis, niet de landbouw
altijd het haasje is? Daar ben ik namelijk een beetje naar op
zoek.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben altijd voor slimme keuzes, dus ik kan prima uit de voeten met
deze voorstellen van de heer De Groot. Sterker, Almere Pampus staat al
heel lang op de rol. Overigens wordt het nu wel door akkerbouwers
gebruikt, maar het is in het bezit van het Rijk. Het is al heel lang
duidelijk dat in dat stukje, een beetje ten zuidwesten van Almere,
stedelijke ontwikkeling van 25.000 à 35.000 woningen kan gaan
plaatsvinden. Ik ben daar erg voor. Daarvoor is randvoorwaardelijk de
IJmeerverbinding. Laat die dan aangelegd worden. Laten we dat dan zo
ontwerpen dat we IJstad, in het stukje IJmeer en Markermeer tussen
Almere Pampus en Amsterdam, kunnen gaan ontwikkelen. Doe dat dan een
beetje toekomstvast. Ik ben dus erg voor dat soort slimme keuzes. Ik ben
het inderdaad met de heer De Groot eens dat je daar honderdduizenden
woningen zo kan bouwen dat je daar ook een prettig leefklimaat creëert.
Ik denk dat we het hierover snel eens kunnen zijn.
De voorzitter:
Dat was slim gebruikmaken van vraag en antwoord. U kunt uw betoog
vervolgen, meneer Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik vind dus dat we onszelf in de Ontwerp-Nota
Ruimte een belangrijk puzzelstukje ontzeggen, terwijl de puzzel zo groot
is. Dat is het puzzelstukje van landaanwinning. Cornelis Lely zei al:
"Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst". Zo hebben we de
Afsluitdijk aangelegd en de Flevopolders en de Noordoostpolder
ingepolderd, maar nu zetten we onszelf op slot. IJstad wordt min of meer
onmogelijk gemaakt door hoe wij het Markermeer bestemmen, namelijk als
zoetwaterbuffer. De zandvoorraad voor de kust wordt ook als argument
gebruikt dat het allemaal niet kan. Maar als je gaat rekenen, klopt dat
niet. Dan is het gewoon veel te makkelijk opzij geschreven door het
vorige kabinet slash de ambtenaren. Ik zou dus zeggen: kijk naar de
feitelijke impact. Die is beperkt. Laten we het niet principieel taboe
verklaren. Kom dus met mogelijkheden of reserveringen voor een derde
Maasvlakte, voor Delta21, voor uitbreiding bij de kust, voor de aanleg
van IJstad en voor de uitbreiding van de Marker Wadden. Het kan gewoon.
Het kan wél, zou ik bijna tegen deze minister willen zeggen. Ik heb ook
een paar moties klaarliggen voor de tweede termijn.
Dan zijn er ook de nodige punten over de regie gemaakt. Collega's hadden
het daar ook al over. Veel partijen, waaronder de provincies, hebben dat
in het rondetafelgesprek aangegeven. Hoe wordt geborgd dat de minister
van VRO voldoende coördinerende bevoegdheden heeft ten opzichte van
andere departementen? Dat is echt geen denkbeeldige kwestie. In het
verleden legde het voormalige ministerie van VROM het namelijk vaak af
tegen de sectorale departementen.
De voorzitter:
Mag ik u wel vragen om tot een afronding te komen? U bent over de tijd
heen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan ga ik stoppen, voorzitter. Het laatste punt dat ik nog even heel
kort wil maken, betreft de randvoorwaarden. Over energieplanologie, de
energietoets, heb ik een motie ingediend. Hoe wordt die verder
uitgewerkt? Ook actief grondbeleid is absoluut een randvoorwaarde om de
ambities überhaupt te kunnen verwezenlijken.
Tot zover in de eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis, ChristenUnie. Dan ga ik naar de heer
Mooiman, PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst mijn felicitaties aan minister
Boekholt-O'Sullivan met haar benoeming tot minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening. Dat is een eervol en belangrijk ministerschap
met een stevige taak: om de volkshuisvesting in Nederland vooruit te
brengen. We kijken dan ook uit naar een goede samenwerking. Daarin
zullen we constructief zijn waar het kan en kritisch waar het moet, om
zo uiteindelijk zaken voor elkaar te krijgen.
Voorzitter. Dan ga ik over op het onderwerp waarvoor wij vandaag bij
elkaar zijn: de Ontwerp-Nota Ruimte. Eerder hebben we het voorontwerp
besproken. Nu ligt er een veel meer uitgewerkt product. Dat moet
uiteindelijk leiden tot een integrale visie op de ruimtelijke ordening
van Nederland in het toekomstbeeld. Concreet gaat het erover hoe
Nederland er straks komt uit te zien en welke keuzes we maken ten
aanzien van de — we hebben ze al voorbij horen komen — vele ruimtelijke
claims die er zijn.
Voor de PVV staat daarbij één punt voorop. De Nota Ruimte moet ons in
staat gaan stellen om de ambitie van 100.000 woningen per jaar bouwen
eindelijk eens waar te maken. Dat vraagt dan ook om duidelijke keuzes en
prioritering, terwijl we rekening houden met andere ruimteclaims en een
duidelijk afwegingskader. Met een tekort van inmiddels ruim 410.000
woningen, een tekort dat jaar op jaar toeneemt, kunnen we het ons niet
permitteren om te blijven vastlopen in goedbedoelde, maar inmiddels
achterhaalde regels en beleidsmatige beperkingen op dit thema.
Niet voor niets hebben we er bij het voorontwerp dan ook op aangedrongen
dat de woningbouwopgave een prominente plek zou krijgen in het ontwerp.
We zien in het ontwerp zeker stappen in de goede richting, al zijn die
nog ingegeven door het vorige kabinet. We hopen ook dat dit nieuwe
kabinet richting de definitieve nota de noodzaak blijft zien van
voldoende bouwlocaties en het benutten van kansen op plekken die
geschikt zijn, maar nog steeds onbenut blijven.
Voorzitter. Om de woningnood echt aan te pakken, zal het namelijk
"en-en" moeten zijn en dus niet "of". Ik bedoel dus: binnenstedelijk én
buitenstedelijk en groot- én kleinschalig. Daarbij hoort ook een verdere
inzet op een straatje, een buurtje of een wijkje erbij. We zien dit in
de ontwerpnota ook terug, met de keuze voor het uitbreiden van het
"straatje erbij" naar 100 woningen. We hopen dat het nieuwe kabinet hier
verder op zal inzetten.
Als we de visie over heel het land bekijken, zien we dat die voor een
heel groot deel is gestoeld op de VISTA-strategie. Met deze strategie
worden regio's ingedeeld in een vijftal categorieën die gevolgen kunnen
hebben voor de mogelijkheden tot ontwikkeling. Hoewel we begrijpen dat
het kabinet met deze strategie een soort afbakening wil maken van de te
plegen inzet, zouden we de strategie wel graag verder uitgewerkt willen
zien. Zo zijn er op dit moment verschillen tussen de ambitieniveaus van
een aantal regio's en hun toegekende categorie. Er is ook geen
bandbreedte opgenomen, waardoor de eigen kenmerken, ambities en
ontwikkelmogelijkheden van regio's mogelijkerwijze niet tot hun recht
zullen komen.
Het lijkt ons wenselijk als regio's zo veel mogelijk gefaciliteerd
worden in de unieke opgaven die zij hebben. Ook willen we voorkomen dat
op basis van de in de nota toegekende categorie belemmeringen ontstaan
voor ontwikkelingen op het gebied van met name woningbouw. Wat ons
betreft kunnen we het uitgangspunt van de strategie zeker hanteren, maar
moeten we regio's blijven stimuleren en ondersteunen om de woningbouw
landsbreed op gang te brengen om zo tekorten terug te dringen. We moeten
niet per abuis een situatie creëren waarin een aantal regio's toch weer
een soort krimpgebied lijken te gaan worden, zoals in het verleden het
geval was, hoewel er vanuit de lokale politiek en de lokale bevolking
wel behoefte is aan verdere ontwikkeling.
Voorzitter. Naast het stimuleren van nieuwe ontwikkeling is het ook
nodig dat we de leefbaarheid van bestaande gebieden verbeteren om hun
potentie te benutten. Dan denk ik in relatie tot het huidige onderwerp
specifiek aan de zogeheten New Towns, steden zoals mijn eigen
Zoetermeer, die als groeikernen vanuit de ruimtelijke nota's in de jaren
zeventig en tachtig ontstonden en inmiddels zijn uitgegroeid tot plekken
met een eigen identiteit en pluspunten, maar met zeker ook hun eigen
unieke uitdagingen. Juist deze steden staan nu voor een tweede
verstedelijkingsopgave in verband met verouderde wijken en
infrastructuur én voorzieningen die vragen om versterking. We zien hier
in het huidige ontwerp nog niet voldoende aandacht voor. Die aandacht
zouden we graag wel zien. Daarvoor hebben we voor de tweede termijn een
voorstel voorbereid.
Voorzitter. De ambities vanuit de Nota Ruimte, die uiteindelijk bindend
zijn voor het Rijk, maar richtinggevend voor medeoverheden, moeten
natuurlijk wel worden gerealiseerd. Wat ons betreft is de uiteindelijke
Nota Ruimte dus niet alleen een soort ambitiedocument, maar ook een
leidraad. Samen met partners moeten we tot uitvoering daarvan komen,
want ondanks alle mooie zaken die we ook in de nota terugzien, zijn we
toch bang dat de nota uiteindelijk zal stranden op ambities. Dat moeten
we niet willen. De minister zal op momenten dus ook lef moeten tonen.
Het komt soms voor dat overheden, zeker en met name hogere overheden,
lijnrecht tegenover elkaar staan, hoewel we de opgaven met elkaar delen.
Het gevolg is dat we de doelen die we met elkaar afspreken, niet halen.
De uitvoeringsstrategie van de Nota Ruimte zal daarom van heel groot
belang worden. Zoals ik zei: ambities zijn mooi, maar uiteindelijk gaat
het er natuurlijk om dat je met elkaar iets van de grond krijgt.
Voorzitter, tot slot. We hebben ook vernomen dat er geen
investeringsagenda wordt gekoppeld aan de definitieve Nota Ruimte. De
vraag aan de minister is waarom dit niet het geval is. In het nieuwe
coalitieakkoord zien we met name een voortzetting van de subsidies die
door het vorige kabinet in het leven zijn geroepen. Tegelijkertijd
worden de uitdagingen omschreven in de Nota Ruimte. De
oplossingsrichtingen die worden geboden — 1,65 miljoen woningen, 2
miljoen woningen en een veelheid aan andere onderwerpen zijn
langsgekomen — zullen uiteindelijk ook gewoon financiële middelen gaan
kosten. Hoewel het begrijpelijk is dat dat plaatje nu nog niet met
zekerheid vastgesteld kan worden tot 2050 of 2100, denken we wel dat
zo'n investeringsagenda of in ieder geval scherp hebben wat er nodig is,
een randvoorwaarde vormt voor het daadwerkelijk realiseren van de
ontwikkelingen. In die zin horen we graag een reflectie van de minister
hierop: hoe ziet zij dit voor zich?
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mooiman namens de PVV. Dan ga ik naar de heer
Clemminck van de fractie van JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. De Nota Ruimte is een knap staaltje werk; of
moet ik zeggen: een knap staaltje techwerk? Deskundigen vanuit
verschillende ministeries, wetenschap en belangenorganisaties hebben
input gegeven of hebben gereageerd op dit ontwerp van de Nota Ruimte,
maar de ruimtelijke inrichting van ons land is uiteindelijk geen
wetenschap maar een politieke keuze: wordt het links dromen of rechts
realisme? Gaat het over de vraag van wie dit land nu eigenlijk is? Voor
mensen of soms voor plantjes? Voor kinderen of voor wolven? Voor
Nederlanders of voor migranten? Het gaat ook over de vraag wie er nu
eigenlijk beslist over de ruimtelijke ordening: Nederlanders zelf, via
hun volksvertegenwoordigers, of is dat aan rechters, Brusselse
bureaucraten of internationale verdragen?
De druk op onze ruimte is de afgelopen decennia fors toegenomen. Dat
roept de vraag op: waardoor dan eigenlijk? Een paar citaten uit de nota.
"De snelle bevolkingsgroei is na 2020 de eerste breed gevoelde indicator
dat Nederland nog voor grote ruimtelijke opgaven staat". Een ander
citaat: de groei van de bevolking leidt de laatste jaren tot een hoge
druk op de woningmarkt en een zwaardere belasting van de infrastructuur
voor verkeer en vervoer, energie en drinkwater. De demografische groei
wordt voor bijna 100% veroorzaakt door massa-immigratie.
De voorzitter:
Als u heel even kan pauzeren, er is al een interruptie van de heer Van
Asten van D66.
De heer Van Asten (D66):
Ja, voorzitter. Ik sloeg even aan op de opsomming waarmee de heer
Clemminck begon, namelijk of het voor kinderen is of voor wolven. Nou,
daar kan ik me nog iets bij voorstellen op het moment dat je daar op de
Veluwe woont en je een wolf tegenkomt; dan is dat toch wel iets wat
gevaarlijk is voor een kind. Maar vervolgens gaat de heer Clemminck door
met: is het voor Nederlanders of voor migranten? Alsof er twee groepen
zijn die tegen elkaar opgezet kunnen worden daarbij. Ik wil daar toch
wel even afstand van nemen, omdat dat eigenlijk wel een hele rare
vergelijking is in dat rijtje. Volgens mij hebben we hier te maken met
de ruimtelijke ordening van Nederland, waarbij we keuzes moeten maken
voor waar we de ruimte aan besteden. En volgens mij is iedereen die hier
een dak boven zijn hoofd heeft, gewoon een Nederlander die een dak boven
zijn hoofd heeft.
De voorzitter:
Is dat een vraag of een persoonlijk feit? De heer Clemminck van
JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Ik had het natuurlijk over nieuwkomers en niet over mensen die in
Nederland zijn, want die hebben inderdaad recht op een dak boven hun
hoofd en een goed leven in ons land. Maar ik had het over nieuwkomers en
dan komen we ook bij dit punt. Het gaat namelijk over de ruimtedruk op
ons land die nieuwkomers brengen. Ik had het dus over demografische
groei en dat dat een belangrijke ruimtedrukgever is en dat die bijna
voor 100% verklaard wordt door migratie. Bijna 50% van de nieuwe
woningen in Nederland zijn nodig om migratie op te vangen in de
toekomst. Migratie legt een ongekende druk op onze wegen,
energiesystemen, stikstofuitstoot, de beschikbaarheid van water. Ik geef
dat aan met citaten uit de nota zelf.
Voorzitter. Is de minister bereid om de ruimtelijke impact van de
demografische groei, bijna volledig veroorzaakt door migratie, door te
rekenen in de verschillende scenario's? Dus wat betekent demografische
groei voor de stikstofuitstoot, druk op de natuur, netcongestie, druk op
de waterkwaliteit, filedruk, om maar wat te noemen? Dat doorrekenen moet
toch kunnen, aangezien we bij stikstof tot op detailniveau kunnen
berekenen dat 1 poepje van een vogel op een voetbalveld kan leiden tot
het op slot zetten van de ruimtelijke ontwikkeling; aangezien we
miljarden en miljarden aan klimaat kunnen uitgeven gebaseerd op de
berekening dat daarmee de opwarming van de aarde kan worden verminderd
met 0,000036 graad.
De migratie legt een bom onder deze Nota Ruimte, want die is gewoon
gebaseerd op wat heet "gematigde groei" naar ongeveer 20 miljoen
inwoners in 2050. En in de Rutteperiode hebben we twee dingen geleerd:
we hebben geleerd dat wij de migratie altijd zwaar onderschatten en dat
het de gevestigde middenpartijen, zoals deze coalitiepartijen, eigenlijk
aan de politieke wil ontbreekt om te doen wat nodig is om de migratie
tegen te gaan. Is de minister bereid om net zo stevig te sturen op de
migratiecijfers vanwege de ruimtelijke druk, zoals de minister ook
voornemens is te sturen op bijvoorbeeld natuurkwaliteit en
stikstofdoelen?
Slim omgaan met ruimte is noodzakelijk in ons land. De Nota Ruimte gaat
uit van het combineren van functies, bijvoorbeeld natuur met landbouw,
of natuur met verstedelijking. JA21 kan deze lijn zeker volgen. Het
efficiënt gebruikmaken van de ruimte mist JA21 echter in de
energietransitie. Uit eerdere vragen van JA21 bevestigde de
ambtsvoorganger van deze minister dat windmolens een groter ruimtebeslag
hebben dan bijvoorbeeld gas of kernenergie. Ik neem aan dat de minister
deze analyse van het ministerie en van onze kant kan bevestigen. Graag
een reactie. Daarom pleit JA21 ook voor een grotere sturende rol op
ruimte-efficiëntie in de energiemix die het kabinet nastreeft. Is de
minister bereid om de ruimte-efficiëntie sturend te maken voor de keuzes
in de energietransitie en energiemix?
Voorzitter. De energietransitie kost de Nederlanders niet alleen veel
geld; die bedreigt zelfs hele gemeenschappen. Mijn collega refereerde
onder andere al aan het dorp Moerdijk. Hoe kijkt de minister in algemene
zin naar het opheffen van een heel dorp en een hele gemeenschap? Is dit
voor de minister een mogelijke uitkomst van de ruimtelijke keuzen in
deze Nota Ruimte?
JA21 maakt zich op verschillende terreinen zorgen over het verkleinen
van de politieke ruimte en democratische ruimte voor het vergroten van
de juridische ruimte. Willen we iets aanpassen aan Natura 2000-gebieden,
dan kunnen we dat niet zelf meer bepalen, maar zijn we afhankelijk van
Brussel. Willen we onszelf beschermen tegen de oprukkende wolf, dan
bepalen wij dat niet zelf, maar dan is het aan de rechter of
internationale verdragen. Vinden we in een casus dat de woningnood
prioriteit heeft boven een plantje? Ook dat bepalen we zelf niet meer.
Graag een reflectie van de minister. Is de minister van mening dat deze
Nota Ruimte de politieke ruimte gaat verkleinen of juist vergroten? Is
de minister bereid om vanuit deze vraag de Ontwerp-Nota Ruimte te
analyseren en bijvoorbeeld advies aan te vragen bij de Raad van
State?
Voorzitter. De ambtsvoorganger van deze minister corrigeert terecht
"water en bodem sturend" naar "rekening houden met". Volgt de minister
dit uitgangspunt? Zo nee, kan de minister becijferen wat de
consequenties zijn voor bouwlocaties, voor woningen en voor bedrijven?
Wat water en bodem betreft worden er geen nieuwe technische maatregelen
genomen voor zoetwaterbeschikbaarheid in gebieden met een tekort, zo
lezen we in de Nota Ruimte. Kan de minister uitleggen waarom niet en
welke afwegingen daarbij een rol hebben gespeeld? Welke consequenties
heeft dit voor functies in de regio met een tekort aan zoetwater,
bijvoorbeeld als het gaat om de woningbouw, industrie of landbouw?
Voorzitter, ik kom bij mijn afronding. Ik begon er in mijn inleiding
over dat de strijd om ruimte een politieke strijd is en niet overgelaten
kan worden aan deskundigen, ambtenaren of belangenorganisaties. Ik hoop
dat de minister beseft dat het voortzetten van het beleid van Rutte IV —
dat lijkt dit coalitieakkoord te doen — een doodlopende weg is. Zonder
het keihard en met targets beperken van de migratie, zonder een totaal
andere aanpak van de energietransitie en zonder het stopzetten van de
verdere juridisering van de ruimte, kan JA21 deze nota maar moeilijk
steunen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Clemminck van JA21. Er is nog een vraag van het lid
Kostić, Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn collega zet het welzijn van kinderen en natuur tegenover elkaar,
maar is hij het eens met ons en de wetenschap dat kinderen juist
afhankelijk zijn van voldoende gezonde natuur? Is hij het ermee eens dat
de kans groter is dat ze ziek worden van vervuilende stoffen uit de
industrie, uit het landbouwgif dat in hun eigen tuin terechtkomt,
waardoor ze niet meer veilig in hun eigen tuin kunnen spelen, uit de
giftige stoffen van de veehouderij et cetera, dan dat ze ooit worden
geraakt door een wolf?
De heer Clemminck (JA21):
Ik pleit voor realisme. Dat begint al met de ambities en doelstellingen
die we met elkaar nastreven. Ik pleit voor het feit dat wij als
Nederlanders, en ook onze volksvertegenwoordigers, zelf bepalen hoe wij
willen samenleven en hoe wij onze ruimtelijke inrichting ordenen. Als
het gaat om de gezondheid, worden er grote stappen gezet. Het kan alleen
wel zo zijn dat we op casusniveau soms een andere keuze maken. Mijn
pleidooi was juist dat we die keuze ook zelf moeten kúnnen maken. In
heel veel gevallen is die keuze helemaal niet aan ons, maar aan
internationale verdragen of aan rechters.
De voorzitter:
Het lid Kostić, laatste vraag.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dan kan ik alleen maar het volgende concluderen. Als JA21 dit ziet als
een politieke keuze, kiest JA21 blijkbaar niet voor het welzijn van
kinderen of hun toekomst, maar voor de grote industrie, voor de
vervuilende industrie, voor het behouden van de onhoudbare intensieve
veehouderij in Nederland, die vooral voor de export produceert.
Ondertussen blijft JA21 maar wolven en mensen die hier veiligheid
zoeken, pesten. Ik vind dat jammer.
De heer Clemminck (JA21):
Dit is op zich geen vraag. Ik kan ook zeggen: mijn collega van de Partij
voor de Dieren kiest blijkbaar voor minder welvaart voor natuur. Ik kan
dit soort vergelijkingen ook maken. Dat zegt volgens mij helemaal niets.
Mijn betoog was volgens mij heel erg duidelijk: wij moeten zelf die
keuzes kunnen maken. Soms kiezen we dan voor een ander belang; dat kan
gebeuren.
De heer Van Asten (D66):
Ik vraag me af hoe de heer Clemminck naar de ontwikkelingen rondom
Brainport Eindhoven kijkt.
De heer Clemminck (JA21):
Met interesse.
De heer Van Asten (D66):
Ik hoorde het lid Clemminck net al aangeven dat hij de welvaart en
vooral de groei van die welvaart belangrijk vindt. De Brainport is
natuurlijk een van onze groeibriljanten, maar wel eentje die in grote
meerderheid op de instroom van migranten draait. De congestie op de weg
rondom Eindhoven is inderdaad een gevolg van de migranten. Dat geldt ook
voor de druk op de woningmarkt. De boodschap van JA21 tegen de hele
Brainportontwikkeling is dus eigenlijk: stop er maar mee, want we vinden
het te zwaar. Dat is eigenlijk het hele betoog van JA21 tot nu toe
geweest.
De heer Clemminck (JA21):
Dat is een leuke retorische conclusie van mijn betoog, die niet klopt.
We moeten kritisch zijn op migratie. We zullen daar keuzes in moeten
maken. Dan kunnen we er inderdaad voor kiezen dat we bepaalde kennis
nodig hebben in ons land. Het kan inderdaad gaan om de Brainport. Het
kan ook zijn dat we een aantal andere elementen niet doen. Het is, in
alle eerlijkheid, ook een beetje raar dat de collega van D66 mij
kritisch gaat bevragen over welke migranten wel of niet naar Nederland
zouden moeten komen, terwijl hij zelf van een partij is die eigenlijk
nooit kritische vragen over migratie heeft gesteld.
De heer Van Asten (D66):
Over retorica gesproken: JA21 houdt hier een heel verhaal over
migranten, met de boodschap dat het allemaal verschrikkelijk is voor de
ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Maar op het moment dat JA21
gevraagd wordt naar een knooppunt waar heel veel migranten samenkomen en
heel veel druk leggen op de maatschappij, maar wel voor een hoop
welvaart zorgen, blijkt daar toch een groot onderscheid in te zitten.
Als je er dan over gaat klagen dat daar een kritische vraag over komt,
is dat in mijn ogen toch een beetje vreemd. Ik zou tegen de heer
Clemminck willen zeggen: maak dan duidelijk over welke migranten we het
hebben. Welke migranten zouden hier dan wel of niet moeten komen en
welke migranten dragen dan wel of niet bij aan de welvaart van dit
land?
De heer Clemminck (JA21):
Ik wil best graag samen met de collega van D66 kijken of we tot een
concreet getal kunnen komen, een target waarvan wij zeggen: zo veel
migranten kan dit land aan. Dat is dan overigens niet alleen vanwege de
ruimtelijke ordening; er zijn ook andere redenen om migratie te
beperken. Laten we dan een getal noemen. We kunnen het ook aan de
minister vragen. We constateren namelijk dat we op allerlei terreinen
heel scherp kunnen berekenen wat wij wel of niet acceptabel vinden, tot
0,0000036 graden nauwkeurig. Maar als ik om een target voor migratie
vraag, geeft D66 nooit huis. Als dit een uitnodiging is om samen met mij
aan een target te gaan werken, zal ik die zeker aannemen.
De voorzitter:
Dat is voorlopig nog niet het geval. Dan ga ik naar de volgende spreker
en dat is mevrouw Wiersma, van de fractie van BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik wil beginnen met de minister succes te wensen in
haar eerste debat over dit belangrijke onderwerp. De keuzes die hiervoor
liggen, raken namelijk heel Nederland, niet alleen de stad, maar vooral
ook het platteland en de regio. BBB wenst haar veel wijsheid toe,
evenals het vermogen om goed te luisteren naar de mensen die hierdoor
geraakt worden.
Dan vervolg ik. Nederland is gevormd door de handen van boeren. De
waarde van het boerenlandschap zie je iedere dag terug. Dat is het open
landschap, de sloten en de boerderijen. Dat gaat om mensen die al
generaties lang hard werken en kapitaal opbouwen, maar vooral ook
doorgeven. Juist in dat landschap wil het kabinet met deze ontwerp-Nota
Ruimte nu ingrijpende veranderingen doorvoeren. Het kabinet wil
bijvoorbeeld gebiedsgericht en verantwoord toewerken naar hogere
grondwaterstanden. Voor boeren betekent dat simpelweg natter land en
minder mogelijkheden om hun bedrijf voort te zetten. Wat betekent dat
voor het verdienvermogen van de agrarische sector, in het bijzonder voor
jonge boeren die een bedrijf willen overnemen? Wat betekent dat voor
dorpen, waarvan het boerenbedrijf de basis vormt?
We hebben het over ongeveer 100.000 hectare veenweidegebied. Dat zijn
niet alleen hectares op papier, want het gaat om hele gezinnen,
gemeenschappen en regio's. De BBB mist in deze nota een duidelijke visie
op hoe de boeren in de toekomst onderdeel blijven van de oplossing,
waarbij de ruimte voor landbouw behouden moet blijven. Dat geldt
overigens niet alleen voor peilverhogingen in veenweidegebieden, maar
ook voor de bufferzones. Ook die brengen afwaardering van de huidige
waarde met zich mee.
Voorzitter. Als de overheid ingrijpt in het gebruik van grond, vraagt
dat om zorgvuldigheid en rechtszekerheid. Boeren moeten weten waar ze
aan toe zijn. Geen vage woorden, maar heldere afspraken. Zonder
vertrouwen is er geen draagvlak en zonder draagvlak zal deze nota ruimte
niet verbinden, maar juist zorgen voor verdeeldheid. Daarom is
duidelijkheid belangrijk. In de plannen lezen we termen als
"marktconforme vergoedingen" en "perspectief voor agrariërs", maar waar
zijn de harde cijfers en de concrete geoormerkte budgetten, die in
verhouding staan tot de potentiële waardedaling en
exploitatieschade?
De voorzitter:
Kunt u daar even pauzeren? Er is een vraag voor u van de heer Van Asten,
van D66. Dit is zijn laatste interruptie.
De heer Van Asten (D66):
Het is altijd de kwaliteit van een oud-bewindspersoon om goed door te
praten en geen ruimte te geven. Dat is een kwaliteit; dat is positief.
Maar daar gaat mijn interruptie natuurlijk niet over.
Mevrouw Wiersma gaf aan dat het in het belang van de boeren is om een
goede waterstand te hebben. Zij begon haar verhaal ermee dat het mooie
boerenland van Nederland is gevormd door de boeren, met prachtige weidse
uitzichten met sloten daarin. Toen dacht ik aan een aardig stuk in de
Volkskrant dat ik van het weekend heb gelezen waarin stond dat er op het
boerenland van Nederland tienduizenden sloten door boeren zijn gedempt.
Ik geloof dat er verschillende redenen waren: de mest uitrijden, aan
ruilverkaveling doen en dus juist gewoon lekker grotere stukken maken.
In ieder geval leidde het ertoe dat er tienduizenden sloten minder zijn
en dat die afwatering van het boerenland dus flink op zijn gat is
gegaan. Nu houdt mevrouw Wiersma eigenlijk een lichte lofzang op die
boeren en op het gegeven dat ze er zo'n groot belang bij hebben.
Daardoor ben ik eigenlijk wel benieuwd naar de mening van mevrouw
Wiersma over die boeren, die tienduizenden sloten hebben gedempt, vaak
illegaal, meestal illegaal.
De voorzitter:
De vraag is helder.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik ben het niet met de heer Van Asten eens dat dat per definitie
illegaal is, want het is lang niet zo dat er voor elke sloot die gedempt
wordt, toestemming nodig is. Soms moet een waterschap toestemming geven,
maar voor heel veel sloten op het boerenland geldt dat niet. Ik snap
heel goed dat met alle opgaves en met al het beleid dat de afgelopen
jaren ontwikkeld is, er boeren zijn die sloten dempen. Ik denk ook dat
we in Nederland in het licht van een toekomstig watersysteem ook echt
wel heel veel sloten hebben. Als het gaat om de landschappelijke
kwaliteit geven we daar een bepaalde waarde aan en die moet ook in
verhouding zijn tot het agrarische grondgebruik. Ik bestrijd dus het
beeld dat al die sloten illegaal gedempt zouden zijn. Ja, er zijn in het
verleden sloten gedempt, maar dat komt ook omdat we in het verleden heel
erg hebben ingezet op het afwateren van gronden. We kijken daar nu in
het hele watersysteem toch enigszins anders naar.
De voorzitter:
Dan kunt u uw betoog vervolgen.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Kan de minister inzichtelijk maken wat voor compensatie er straks per
hectare beschikbaar komt en op welke termijn die er zou moeten zijn?
Vindt zij ook, net als ik, dat bedrijven waarvan het pensioen in de
waarde van grond zit daarvoor nu en in de toekomst adequaat
gecompenseerd moeten worden? Dat wil zeggen dat met een Nota Ruimte en
een visie op het toekomstig grondgebruik in Nederland het recht op
nadeelcompensatie of planschade niet zou moeten vervallen. Ik vraag de
minister daarnaast waar de waarborg is voor het behoud van die
hoogwaardige landbouwgrond en het zekerstellen van de voedselproductie,
want dat is een randvoorwaarde voor een weerbaar land. Dat zal deze
minister waarschijnlijk vanuit haar vorige functie ook herkennen en
hopelijk kunnen erkennen. Het afweegkader Zorgvuldig omgaan met
landbouwgrond wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte aangekondigd. Ik wil
vragen wanneer de minister verwacht dit ook in de Nota Ruimte te
verankeren.
We lezen daarnaast — dat is mijn volgende onderwerp — dat het kabinet
inzet op het hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing, de VAB.
BBB ziet dat dit veel kansen kan bieden, maar er zijn ook zorgen ten
aanzien daarvan. In de praktijk zien we namelijk vaak dat wanneer
voormalig agrarische erven worden omgezet naar woningen, er regelmatig
nieuwe bewoners komen die niet bekend zijn met het agrarische karakter
van een gebied. Vervolgens ontstaan er klachten over geur, geluid of
landbouwverkeer. Boeren die er vaak al generaties lang wonen en werken,
worden dan geconfronteerd met procedures, beperkingen of druk om hun
bedrijfsvoering aan te passen. Recent speelde dat nog over een tijdstip
waarop er al dan niet gemolken mag worden.
Voorzitter. Dat kan en mag niet de bedoeling zijn. Daarom zet BBB zich
krachtig in voor wat in de volksmond de kukeleku-wet wordt genoemd. Het
is van groot belang dat wettelijk wordt vastgelegd dat mensen die ervoor
kiezen om in het buitengebied te gaan wonen, ook de bijbehorende
geluiden en geuren van het agrarisch bedrijf eromheen accepteren. Of het
nu gaat om een kraaiende haan, een loeiende koe, een langsrijdende
tractor of de geluiden van een melkstal: ze horen er gewoon bij. Kan de
minister aangeven of zij bereid is te onderzoeken hoe de rechtspositie
van boeren in het buitengebied wettelijk beter kan worden beschermd
tegen klachten van nieuwe bewoners over normale agrarische activiteiten?
Dan komen we namelijk in de win-winsituatie dat we de vrijkomende ruimte
ook goed kunnen benutten voor bijvoorbeeld woningbouw. Je moet dus niet
achteraf klagen dat het stinkt als je naast een boerderij bent gaan
wonen. Welke mogelijkheden ziet zij de minister daarvoor? Het zou
bijvoorbeeld kunnen door nieuwbouwwoningen aan te merken als
plattelandswoning, zoals nu al gebeurt met voormalige
bedrijfswoningen.
Voorzitter. Kan de minister toezeggen dat hergebruik van agrarische
bebouwing altijd zorgvuldig wordt afgewogen tegen de belangen van de
landbouw en de leefbaarheid van het buitengebied? Want zelfs als de
bewoners niet direct klagen, zorgt de aanwezigheid van de woning ervoor
dat een boer soms wettelijk gezien niet meer kan uitbreiden vanwege
geur- of geluidsnormen die voor die woning gelden. Die woning werkt dan
als een slot op de bedrijfsvoering. Dat kan wat BBB betreft niet de
bedoeling zijn.
Voorzitter. Nederland staat voor grote keuzes ten aanzien van de ruimte,
keuzes die gaan over wonen, werken, natuur, maar vooral over ook
landbouw. Als we het goed willen doen, dan moeten we beginnen bij een
eenvoudig principe: respect voor de mensen die er al zijn, en dan de
rest.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Wiersma. Zij sprak namens de BBB. Dan ga ik naar de
inbreng van mevrouw Steen. Zij spreekt namens het CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ook namens het CDA felicitaties aan deze
minister met het eerste debat en met de mooie portefeuille, waar ze
zeker van betekenis kan zijn de komende jaren.
Voorzitter. In weinig landen is de ruimtelijke ordening zo zichtbaar als
bij ons. Als je Nederland van boven bekijkt, dan zie je dat elke
vierkante meter een bestemming heeft gekregen. De Nota Ruimte is daarom
geen technisch document, maar vooral een verhaal: een verhaal over hoe
wij samen willen leven in een land waar ruimte schaars is. Schaarste
dwingt tot keuzes. We hebben gezien wat er gebeurt als die keuzes te
veel op hun beloop worden gelaten: dan loopt de woningbouw vast,
ontstaat er netcongestie en schuurt landbouw met natuur. Het is goed dat
het Rijk met deze Nota Ruimte weer richting probeert te geven. Dat is
ook nodig. Richting geven betekent echter ook duidelijk zijn over
prioriteiten, over wat we willen versterken en over wat misschien niet
meer overal kan. Voor het CDA gaat het daarbij steeds om dezelfde vraag:
hoe zorgen we dat Nederland economisch sterk blijft, dat regio's vitaal
zijn, dat gemeenschappen kunnen groeien en dat we tegelijkertijd
zorgvuldig omgaan met landschap, landbouw en water? De VISTA-strategie
is daar bijvoorbeeld een goede aanzet voor. Ook het aanwijzen van nieuwe
verstedelijkingsgebieden is daar een mooi voorbeeld van. Het CDA vindt
dat er naast die ambities nog wel wat meer richting nodig is om ook echt
de regie op de ruimte te kunnen nemen.
Voorzitter. U kent het CDA als de partij van het wijkje erbij. Dat is
realistisch, het levert concreet woningen op en het versterkt
gemeenschappen. We moeten dan wel inzicht hebben in de stand van zaken,
en niet alleen in de grootste steden. Juist in kleinere en middelgrote
gemeenten is het namelijk belangrijk dat die gemeenschappen versterkt
worden met wijkjes erbij. Een wijkje erbij zorgt er namelijk vaak ook
voor dat voorzieningen worden behouden. Is de minister bereid om samen
met gemeenten, en per gemeente, in kaart te brengen wat de stand van
zaken is van het wijkje erbij? En kan zij daarbij gelijk inventariseren
welke knelpunten en obstakels er in elke gemeente spelen?
Procedures verstikken daarnaast projecten. Het Didam-arrest beoogde
gelijke kansen, maar leidt in de praktijk tot vertraging en juridische
complexiteit. Los daarvan ervaren veel gemeenten dat zij door het
Didam-arrest kansen mislopen voor het versterken van hun gemeenschap.
Dat kan niet zo bedoeld zijn. Mijn vraag aan de minister is daarom of
zij bereid is om binnen de geest van het coalitieakkoord fundamenteel te
kijken hoe blokkades en knelpunten, die maatschappelijke initiatieven
blokkeren, kunnen worden weggenomen.
De voorzitter:
Kunt u daar pauzeren? Er zijn namelijk twee vragen voor u. Allereerst de
heer Grinwis van de ChristenUnie. Als u de microfoon even uit wil
zetten, mevrouw Steen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
U houdt een terecht pleidooi voor een wijkje erbij, buurtje erbij,
straatje erbij en voor het versterken van voorzieningen, waardoor we
onze kernen, vaak ook kleinere kernen, leefbaar houden. Mijn vraag gaat
over de obstakels die overwonnen moeten worden. Heeft collega Steen
daarbij ook de provincie op het oog? Het ligt bijvoorbeeld in de
provincie Zuid-Holland, om maar een dwarsstraat te noemen, niet aan de
gemeenten of aan de dorpen. Die willen wel. Het ligt aan de provincie,
die het ze vaak onmogelijk maakt. Laten we dan samen ten strijde trekken
om de provincies de gemeenten, die ze nu in de weg zitten, alsjeblieft
weer ruimte te laten geven.
Mevrouw Steen (CDA):
Zeker. De obstakels zijn niet altijd alleen juridisch; die kunnen ook
zeker bestuurlijk zijn. Regie pakken gaat er soms ook over dat je als
Rijk door durft te pakken wanneer het niet gaat zoals het moet. Meneer
Grinwis vindt het CDA dus aan zijn zijde.
De heer Mooiman (PVV):
Mijn interruptie gaat over hetzelfde punt, maar ik wil er toch wel op
doorgaan. In bijvoorbeeld de provincie Zuid-Holland, maar ook in een
aantal andere provincies, is buitenstedelijke woningbouw gewoon
verboden, punt. Dat mag gewoon niet. Dat geldt ook voor het straatje
erbij, voor die 50 woningen. Dat wordt daar beperkt tot anderhalve
hectare. Dit zijn dingen van de minister waarvan wij denken: de zaken
die wij nu in de nota afspreken, bijvoorbeeld die 100 woningen, vinden
gewoon geen weerklank bij sommige provinciale overheden. Dat is best wel
erg, want heel veel gemeenten raken daardoor vervolgens volledig op
slot. Mijn vraag aan mevrouw Steen — en ik wil daar bij het
commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting op verdergaan — is
of zij ook bereid om de minister op pad te sturen om actie te ondernemen
richting de provincies, gelet op wat wij hier vaststellen richting de
definitieve Nota Ruimte?
Mevrouw Steen (CDA):
Jazeker. Eigenlijk is dit hetzelfde antwoord als wat ik net aan de heer
Grinwis gaf. Er zijn niet alleen juridische obstakels, maar soms ook
bestuurlijke. Ik ben ervoor om, daar waar dat kan, vooral ruimte te
geven aan de lagere overheden. Ik denk namelijk echt dat lagere
overheden beter weten wat er speelt en wat er moet gebeuren. Als het
echter niet gebeurt en we daarmee zo'n groot belang als volkshuisvesting
uit het oog verliezen, dan is daar ander instrumentarium voor nodig.
Volgens mij gaat het gesprek over samenwerken op dat punt. Het gaat over
het feit dat dat kan, maar ook over de vraag waar het Rijk zelf regie
moet nemen. Dat zijn we volgens mij met elkaar aan het doen.
De voorzitter:
Volgens mij is dat helder, dus nu kunt u uw betoog vervolgen.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik ga verder met wonen en bereikbaarheid. Die thema's moeten hand in
hand gaan. Als we woningbouw willen versnellen, dan moeten zeker de
grote woningbouwlocaties bereikbaar zijn. Kan de minister toezeggen dat
bij de ontwikkeling ook de financiën voor infra en bereikbaarheid worden
samengenomen, zodat we voorkomen dat steden dichtslibben en we wel
woningbouw faciliteren, maar niet de bereikbaarheid?
Voorzitter. Als we onderdak bouwen op plekken waar we over 30 jaar
structurele problemen krijgen door bodemdaling, wateroverlast of
verzilting, dan versnellen we misschien wel vandaag de woningbouw, maar
creëren we een nieuwe crisis voor morgen. Water en bodem zijn dus
cruciaal en het CDA verwacht daarin toekomstgericht beleid. Eind dit
jaar komt er een nieuw deltaplan. Hoe sluiten de keuzes in de Nota
Ruimte daar eigenlijk op aan? Wat betekent dit voor de verstedelijking,
voor de landbouw en voor de economische clusters?
Voorzitter, over economie gesproken. Ik mis eigenlijk de economische
onderlegger onder deze Nota Ruimte. Als we in lijn met het Draghirapport
en de analyse van Wennink inzetten op vier strategische sterktes, dan
hoort daar een ruimtelijke strategie bij waarin we ook kiezen voor
economische clusters, dicht bij onderwijsinstellingen en bij research
and development. Als we dat doen, kunnen we doelgericht innoveren waar
dat nodig is. Dan kunnen regio's ontwikkelen waar ze goed in zijn en
doen we recht aan "elke regio telt". Zo voorkomen we ook dat andere
sectoren ruimte opslokken en dat onze strategische industrie op een
onlogische plek komt te zitten of zelfs helemaal geen plek heeft. Kan de
minister aangeven hoe die economische visie concreet wordt verankerd in
de Nota Ruimte?
Voorzitter. Een gemeenschap bestaat niet alleen maar uit woningen. In
veel dorpen en middelgrote steden loopt ook het lokale mkb vast.
Familiebedrijven willen uitbreiden maar kunnen nergens terecht,
plattelandsgemeenten, onder andere in Zuid-Holland, trokken er al eerder
over aan de bel. Koester lokaal gewortelde bedrijven en geef ze ruimte.
Moeten we naast een straatje of een wijkje erbij ook niet eens nadenken
over een ondernemerspleintje erbij? Hoe krijgt dat plek in de Nota
Ruimte? Is de minister bereid om samen met de minister van Economische
Zaken de Kamer te informeren hoe we via ruimtelijke ordening meer regie
kunnen voeren op het behoud en de versterking van het lokale mkb?
Voorzitter. Ik maak me …
De voorzitter:
Een moment. De heer Peter de Groot, VVD, wil daar direct een vraag over
stellen.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dit is eigenlijk een pleidooi naar mijn hart van mevrouw Steen namens
het CDA. Ik ga straks in mijn eigen bijdrage hier ook iets over
inbrengen, maar laat ik alvast een schot voor de boeg doen. Ik zie dat
er op heel veel plekken in Nederland wordt gekannibaliseerd — zo noem ik
het bijna —- op de economische ruimte omdat er zo veel opgaven zijn,
woningopgaven of andere opgaven. Is mevrouw Steen van het CDA het eens
met de VVD dat we misschien moeten zeggen: laten we er in ieder geval
voor zorgen dat we netto gezien in Nederland geen achteruitgang meer
hebben op die 3% — slechts 3% — ondernemersruimte en terreinen voor
industrieën en bedrijven die we nu hebben? Hoe kijkt het CDA
daarnaar?
Mevrouw Steen (CDA):
Ik ga daar een misschien heel politiek antwoord op geven. Volgens mij
zijn we al te lang bezig met aantallen, terwijl het er juist om gaat de
economie te centreren daar waar dat nodig is. Als dat betekent dat we er
netto niet op achteruitgaan of erop vooruit moeten gaan, dan is dat zo,
maar het gaat mij erom dat we een slimme visie bedenken op wat we waar
moeten hebben. Daar begint het mee. Vervolgens komen daar vierkante
meters bij. Het kan dus zomaar zijn dat de heer De Groot gelijk heeft,
maar ik weet niet of we het op voorhand al zouden moeten zeggen.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik ben het er heel erg mee eens dat we daar een visie op moeten hebben
en dat het helpt als we het goed inkleuren in Nederland. Maar als je
alleen al kijkt naar de circulaire economie, die ruimte nodig heeft maar
die ruimte nu bijna niet kan vinden, dan heb je het toch echt over de
vraag hoe je dat borgt vanuit het Rijk. Hoe neem je de regie achter die
visie, zonder dat je er over tien jaar achter komt dat je misschien wel
10.000, 20.000 of 50.000 hectare tekortkomt om die visie waar te kunnen
maken? Je moet het wat de VVD betreft dus wel hand in hand nemen. Is
mevrouw Steen het daarmee eens of niet?
Mevrouw Steen (CDA):
Dit betoog van de heer De Groot onderstreept precies waarom er in deze
Nota Ruimte een brede afweging gemaakt moet worden tussen alle belangen
die in die ruimte spelen. Economie is daar een heel belangrijk belang
van, maar dat geldt ook voor woningbouw en dat geldt ook voor landbouw.
Juist deze Nota Ruimte is de plek waar we deze brede afweging moeten
maken.
De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter. Ik maak me zorgen over wat er in deze Nota Ruimte over
landbouw staat, of eigenlijk over wat er niet in staat. Het CDA mist
concrete keuzes en daarin staan we niet alleen, zo hebben we al gehoord.
Het CDA ziet landbouw als een cruciaal onderdeel van de fysieke
leefomgeving. Er moet aandacht zijn voor de ontwikkeling van een
toekomstbestendige landbouw met een taak in natuurbehoud, de
leefbaarheid van het platteland en het economisch klimaat van het
landelijk gebied. Anders hebben we onvoldoende ruimte om die meerwaarde
te benutten en wordt landbouw een sluitpost. Dat moeten we voorkomen.
Kan de minister concreet aangeven hoe landbouw in de Nota Ruimte
juridisch en planologisch wordt verankerd, zodat landbouwgrond niet
alleen bestuurlijk maar ook normerend wordt meegenomen bij de keuzes
over woningbouw, infrastructuur en economie? Welke ruimtelijke
ontwikkelrichting ziet de minister voor 2050 en hoe vertaalt zij die
concreet in de Nota Ruimte? Kan de minister toezeggen dat in de Nota
Ruimte wordt beschreven waar de landbouw de ruimte krijgt om zich door
te ontwikkelen in plaats van dat de landbouw moet inleveren voor andere
ruimtelijke opgaven?
Voorzitter. Ik mis ook de integrale strategie voor hoe landbouw en
natuur kunnen samenwerken en elkaar kunnen laten groeien. Het CDA ziet
kansen, bijvoorbeeld in de vorm van agrarisch natuurbeheer waar ze
eigenlijk hartstikke goed in zijn. Kan de minister aangeven hoe de Nota
Ruimte concreet bijdraagt aan een structurele samenwerking tussen
landbouw en natuur, in plaats van deze functies ruimtelijk te scheiden?
Daarnaast mist er ook een concretiseringsslag in het instrumentarium. Is
de minister bereid om in de uitvoeringsagenda concrete instrumenten op
te nemen voor de gemeente, de provincie én het Rijk, zodat samenwerking
niet vrijblijvend blijft?
Voorzitter. Medeoverheden geven terecht aan dat zij betrokken moeten
worden bij de uitvoering. We hoorden ook dat ze liever beter betrokken
hadden willen zijn bij het concept dat nu voorligt. Hoe gaat de minister
borgen dat de nota ook een goede uitvoeringsagenda gaat krijgen en hoe
betrekt zij medeoverheden daarbij? Ik doe hier ook een oproep aan de
provincies en de regio's zelf om te vertellen wat hun propositie is, hun
bijdrage aan de grote uitdagingen waar Nederland voor staat. Want op die
manier wordt het ook iets wederkerigs en komt elke regio tot haar
recht.
Voorzitter. Deze Nota Ruimte is een noodzakelijke stap. Ruimte is
schaars en juist daarom moeten keuzes helder, eerlijk en toekomstgericht
zijn. Ik wens deze minister veel wijsheid bij het doorontwikkelen van
deze Nota Ruimte.
De voorzitter:
Het is echt op de seconde precies zeven minuten. Dank u wel, mevrouw
Steen. Zij sprak namens het CDA. Dan ga ik naar mevrouw Zalinyan. Zij
spreekt namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Felicitaties aan de minister voor haar benoeming en
natuurlijk ook heel veel complimenten voor het ministerie voor het maken
van de Nota Ruimte.
Laat ik beginnen bij de woningnood. Voor veel mensen raakt een
betaalbaar huis steeds verder uit beeld. Vorige week meldde het CPB nog
dat voor steeds meer huishoudens het kopen van een woning onbereikbaar
wordt. Tegelijkertijd zien we dat de wachttijden voor sociale huur nog
altijd immens lang zijn. Daarom moeten we vol inzetten op betaalbare
woningbouw, maar het gaat niet alleen om nieuwbouw. We moeten ook de
bestaande ruimte beter benutten door bijvoorbeeld leegstand aan te
pakken.
Tegelijkertijd zien we dat woningbouw steeds vaker vastloopt op de
randvoorwaarden. TenneT waarschuwde onlangs dat provincies zoals
Flevoland, Overijssel en Gelderland mogelijk binnenkort geen nieuwe
woningen meer kunnen aansluiten op het elektriciteitsnet. Hoe zorgt het
kabinet ervoor dat nieuwe woningbouwlocaties gelijktijdig worden
ontwikkeld met investeringen in de randvoorwaarden zoals
energie-infrastructuur?
Wie betaalbaar wil bouwen, moet ook naar eigendom en grondposities
kijken. Corporaties hebben bewezen snel en grootschalig betaalbare
woningen te realiseren, maar hun rol ontbreekt in de Nota Ruimte. Welke
rol ziet de minister voor woningbouwcorporaties? Is zij bereid
corporaties en ook wooncoöperaties expliciet te benoemen en te
stimuleren, juist nu zij moeilijk aan grond kunnen komen?
Maar ook grondbeleid, strategisch overheidsoptreden is nodig,
bijvoorbeeld via een nationale grondfaciliteit en een nationale
grondbank waarin verschillende ruimtelijke opgaven samenkomen. Ook is
het belangrijk het verschil tussen huidige gebruikswaarden en
toekomstige planologische waarden serieus te bekijken. Hoe kijkt de
minister naar het inzetten van inbrengwaarden op basis van huidig
gebruik? Is zij bereid een nationale grondbank op te richten en deze
samen met de grondfaciliteit in de Nota Ruimte op te nemen?
Voorzitter. Als we de woningnood echt willen oplossen, moeten we niet
alleen praten over de ruimte, maar vooral ook zorgen dat er
daadwerkelijk woningen worden gebouwd. Maar wonen gaat niet alleen over
de stenen, maar ook over een gezonde en grote woonomgeving. Die is goed
voor het welzijn, voor ontlasting van de zorg en voor de
maatschappelijke weerbaarheid. Toch verdwijnen in dorpen vaak scholen,
sportvelden, bibliotheken en zorgvoorzieningen, wat de leefbaarheid en
sociale samenhang juist onder druk zet. Kan de minister concreet borgen
dat maatschappelijke voorzieningen zoals zorg en onderwijs onderdeel
zijn van de uitvoeringsagenda? En wat bedoelt het kabinet met een andere
maat en schaal van openbaar vervoer buiten de steden? Hoe blijven de
dorpen juist bereikbaar? Kan de minister garanderen dat sport, groen en
voorzieningen vanaf het begin van een gebiedsontwikkeling structureel
worden meegewogen?
Het volgende blokje is ruimtelijke adaptatie. Omdat we het hebben over
de Nota Ruimte en woningbouw, moeten we ook nadenken over de locaties
waar we bouwen. Waar kunnen we in Nederland in de toekomst nog veilig en
verstandig wonen? Klimaatverandering is geen toekomstbeeld meer.
Bodemdaling, funderingsschade, extreme droogte en hevige buien zijn nu
al realiteit. Keuzes over waar we bouwen bepalen of gebieden leefbaar en
betaalbaar blijven.
Het principe dat water en bodem sturend zijn wordt genoemd in de Nota
Ruimte, maar het blijft bij een principe. Woningbouw, water, natuur en
landbouw staan nog te veel naast elkaar. Samenhang en keuzes ontbreken.
Ook bestaande wijken kampen nu al met problemen, wat vooral kwetsbare
bewoners raakt. Dat raakt ook aan de bestaanszekerheid. Veel mensen
kunnen deze kosten simpelweg niet dragen. Hoe zorgt het kabinet dat
ruimtelijke adaptatie ook voor bestaande steden en dorpen geldt? En hoe
wordt ervoor gezorgd dat de kosten daarvan eerlijk worden verdeeld en
niet bij de meest kwetsbare mensen terechtkomen?
Een ander punt gaat over klimaatrisico's en verzekerbaarheid. In andere
landen zien we al dat woningen in kwetsbare gebieden steeds moeilijker
te verzekeren of te financieren zijn. Ook in Nederland waarschuwen
verzekeraars dat dit risico groeit. Kan de minister toelichten hoe bij
ruimtelijke keuzes wordt gekeken naar de langetermijnrisico's van de
verzekerbaarheid en financierbaarheid van woningen? Ruimtelijke
adaptatie vraagt uiteindelijk om keuzes. Durven we gebieden te
ontwikkelen waar het ook op de lange termijn veilig en houdbaar is?
Durven we gebieden met grote risico's anders te ontwikkelen? Daarom heb
ik de volgende vraag. Is de minister bereid om water en bodem
daadwerkelijk als sturende principes te borgen in de definitieve Nota
Ruimte en dit concreet uit te werken in de uitvoeringsstrategie?
Tijdens verschillende informatiemomenten zijn wij ook gewezen op het
ontbreken van duidelijke keuzes over de landbouw van de toekomst. Hoe
reflecteert de minister op de analyse van het PBL dat landbouwgrond niet
vanzelfsprekend beschermd kan blijven en dat er een visie nodig is op
hoe landbouw, natuur, water en bodem samen kunnen gaan? Welke rol ziet
zij hierin voor zichzelf?
Investeringen in klimaatadaptatie zijn investeringen in de veiligheid,
de leefbaarheid en de economie van ons land. Hoe kijkt de minister naar
de effecten van klimaatverandering op onze begroting? Is zij het met mij
eens dat investeren nu nodig is, omdat de kosten van niets doen
uiteindelijk hoger zijn?
Dat brengt mij bij de economie van de toekomst. De Nota Ruimte blijft
hier vaag over. Welke keuzes maken we? Hoe vertalen we die naar de
ruimte? Nederland streeft naar een volledig circulaire economie in 2050,
wat kansen biedt voor innovatie en duurzaamheid, maar ook om fysieke
ruimte vraagt. In de nota ligt de focus vooral op grote industrie.
Lokale circulaire ondernemers en kringloopbedrijven krijgen nauwelijks
aandacht. Het PBL benadrukt dat de definitieve nota duidelijk moet maken
hoe ruimtelijke voorwaarden voor een circulaire economie nationaal
geborgd kunnen worden. Hoe reflecteert de minister hierop?
Tegelijkertijd groeien datacenters, hyperscales en distributiecentra
sterk. Ze nemen veel ruimte in, bieden weinig werkgelegenheid en
concurreren met woningbouw, natuur en landbouw. Is de minister bereid om
de planning van deze ruimte-intensieve bedrijven centraal te gaan
coördineren? Hoe voorkomen we dat bedrijvigheid met een groot ruimte- en
milieubeslag ten koste gaat van woningen, natuur en circulaire
initiatieven?
Ook de energietransitie vereist tijdige en goed geplande
energie-infrastructuur. Zonder die infrastructuur stagneren de
woningbouw, bedrijvigheid en verduurzaming. Hoe kijkt de minister naar
het spanningsveld tussen grote ruimtelijke ontwikkelingen en de
beschikbare netcapaciteit?
Voorzitter. De overgang naar een circulaire en duurzame economie vraagt
om duidelijke keuzes over hoe we onze schaarse ruimte gaan inzetten. De
Nota Ruimte bevat goede analyses en ambities, maar uitvoering en
juridische borging ontbreken. Zonder scherpe keuzes en interbestuurlijk
samenspel blijven het vooral plannen. Zonder doelen, hiërarchie en
afdwingbare kaders kunnen private belangen en kortetermijnbelangen
prevaleren. Kan de minister toelichten hoe doelstellingen en
prioriteiten in de Nota Ruimte worden aangebracht? Samenwerking tussen
overheden is cruciaal voor woningbouw, energietransitie en
klimaatadaptatie. Hoe waarborgt de minister dat de uitvoeringsagenda
samenhangend wordt opgesteld? Hoe wordt de uniformiteit in
doorvertalingen naar gemeentelijke en provinciale visies
gegarandeerd?
De voorzitter:
U bent door uw tijd heen. Zou u richting een afronding willen
gaan?
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Ik rond af. Ik zou nog graag willen vragen hoe de minister kijkt naar de
milieueffectrapportage waarin wordt aangegeven dat sommige doelen niet
gehaald worden. Kunnen we verwachten dat in de definitieve nota hier ook
andere keuzes in worden gemaakt, zodat de doelen worden gehaald? Wie
heeft, met al de ministeries die ook in de Nota Ruimte staan, de regie
daarover?
De voorzitter:
Dank u wel. U was echt wel ver door uw tijd. Dank u wel. Mevrouw
Zalinyan sprak namens GroenLinks-PvdA. Dan ga ik naar de heer Russcher.
Hij spreekt namens Forum voor Democratie. Ik hoop dat ik uw naam goed
uitsprak.
De heer Russcher (FVD):
Helemaal goed, ja. Dank, voorzitter. We spreken vandaag over de
Ontwerp-Nota Ruimte, een document van 179 pagina's, vol met kaarten en
ambities tot 2050. Maar de visie die te lezen is in het document, bouwt
volledig voort op een trend die nu al is ingezet: meer immigratie en nog
meer klimaatbeleid. In de nota lezen we namelijk dat Nederland mogelijk
doorgroeit naar zo'n 24 miljoen inwoners, met als gevolg meer woningen,
meer infrastructuur en meer energievoorzieningen, alles ingepast in een
steeds voller land. Dat terwijl onze bevolkingsgroei allang niet meer
natuurlijk is, want het geboortecijfer ligt op een historisch dieptepunt
van zo'n 1,4 kinderen per vrouw.
Deze groei, naar 24 miljoen inwoners dus, komt uitsluitend door
migratie. In de nota staat, ik citeer: "Migratie is slechts een
tijdelijke oplossing voor dit probleem, want migratie van veel jonge
mensen nu vertaalt zich op termijn opnieuw in vergrijzing." Forum voor
Democratie is blij dat deze analyse te lezen is in een nota en dat er
wordt ingezien dat migratie als middel om vergrijzing op te lossen kant
noch wal raakt. Daarom zijn mijn eerste vragen aan de minister de
volgende. Deelt zij de analyse dat migratie slechts een tijdelijke
oplossing is voor vergrijzing? Vindt zij die onnatuurlijke
bevolkingsgroei wenselijk? Wil dit kabinet überhaupt dat Nederland,
uitsluitend door migratie dus, doorgroeit naar 24 miljoen inwoners? Wat
zou volgens de minister het aantal inwoners in 2050 en 2070 moeten zijn?
Graag hoor ik haar visie hierop.
Voorzitter. In deze nota valt ook op dat ongeveer alles tegelijk moet:
meer woningen, meer azc's en meer energie-infrastructuur in de vorm van
windturbines en zonneakkers. Dat is allemaal het gevolg van keuzes: de
keuze om door te gaan met de massale immigratie en het klimaatbeleid.
Het platteland voelt zich niet gehoord. Dat snap ik wel, want de
gevolgen hiervan komen vooral op hun bordje terecht, buiten de Randstad
dus, waar mensen helemaal niet zitten te wachten op een azc in hun
gemeente, waar ze niet zitten te wachten op nieuwe grootschalige
woonwijken en windturbines en waar boeren door de overheid gaan worden
onteigend om deze plannen te bewerkstelligen. Wat gaat de minister doen
om de kloof tussen het platteland en Den Haag te verkleinen? Wat gaat
zij doen om te voorkomen dat de druk niet onevenredig in gemeenten komt
te liggen waar ze dus niet zitten te wachten op een azc, op
grootschalige woningbouw en op windturbines? Graag hoor ik hier haar
reactie op.
Voorzitter. Ten slotte onze energievoorziening. In de nota is gelukkig
ruimte gereserveerd voor kernenergie, in lijn met hetgeen waar Forum
voor Democratie zich al sinds 2017 hard voor maakt. Op lange termijn is
dit een goedkope, stabiele en betrouwbare manier om energie op te
wekken, maar tegelijkertijd zien we dat enorme oppervlakten worden
gereserveerd voor instabiele, dure en gebiedsrovende energiestructuren
zoals windturbineparken en zonnevelden, die ons landschap aantasten en
veel ruimte opslokken. Dat terwijl onze eigen goedkope en betrouwbare
energiebron, het Nederlandse gas, niet alleen onbenut blijft, maar zelfs
actief buiten gebruik wordt gesteld, met als gevolg dat we nu dus duur
gas uit het buitenland importeren, met alle gevolgen van dien. Daarom
vraag ik de minister: hoe valt het te rechtvaardigen dat we ons schaarse
landschap vol zetten met windturbines en zonnevelden, terwijl we ons
eigen gas niet benutten en compacte, betrouwbare energiebronnen zoals
kernenergie niet de hoogste ruimtelijke prioriteit geven?
Voorzitter. Als het aan Forum voor Democratie ligt, ziet Nederland er in
2050 totaal anders uit. Wij kiezen voor energiezekerheid met kernenergie
en onze eigen gasvoorraden. Onze bevolkingssamenstelling ontwikkelt zich
op natuurlijke wijze, want we nemen de regie over onze eigen grenzen
terug. We bouwen huizen naar daadwerkelijke vraag, met oog voor rust,
ruimte en natuur. We verplaatsen Schiphol naar de Noordzee om ruimte te
maken voor natuur en woningen. We behouden onze boeren voor
voedselzekerheid. Een mooi, veilig, welvarend, betaalbaar, florerend en
onafhankelijk Nederland, dat zijn cultuur en leefwijze weet te behouden:
dat is het Nederland van Forum voor Democratie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Russcher. Hij sprak namens Forum voor Democratie. Als
hij de microfoon even wil uitdoen, dan geef ik het woord aan de heer
Peter de Groot, die gaat spreken namens de VVD.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank, voorzitter. Allereerst wil ook ik de minister heel veel succes
wensen met deze belangrijke klus die op haar bordje ligt. Ik werk graag
nauw samen met de minister — dat ga ik vandaag proberen te doen — om
vooral de woningbouw en andere doelen in Nederland bereiken.
Voorzitter. Nederland is een klein land met grote opgaven. We willen
honderdduizenden woningen bouwen, onze economie laten groeien, onze
energievoorziening verduurzamen, onze infrastructuur verbeteren en in
een steeds onrustigere wereld ruimte bieden aan een sterker
defensieapparaat. Al deze opgaven vragen om ruimte, maar de meeste
ruimte in Nederland is al in gebruik. Dat vraagt om keuzes, die we maken
in deze Ontwerp-Nota Ruimte. De VVD ziet de Ontwerp-Nota Ruimte als een
belangrijke stap. Het is goed dat het Rijk weer de regie neemt op de
inrichting van Nederland, want we hebben te lang gezien dat grote
nationale opgaven vastliepen in lokale afwegingen, procedures en
onduidelijkheid. Nationale keuzes zijn keihard nodig.
Voorzitter. Maar nationale regie moet wel leiden tot versnelling en
duidelijkheid. De ruimtelijke ordening moet Nederland juist in staat
stellen om te bouwen, te ondernemen en veilig te blijven. Daarom wil de
VVD vijf punten benadrukken.
Allereerst ruimte om te wonen, om te werken en om Nederland veilig te
houden. Nederland groeit. Dat betekent dat er ruimte moet zijn voor
woningbouw en de bereikbaarheid daarvan. We moeten bouwen en snel ook,
want al jaren hebben we de woningbouwdoelstellingen niet gehaald. Daarom
is het voor ons essentieel dat grootschalige woningbouw ook in de
ruimtelijke ordening wordt gezien als zwaarwegend nationaal belang. Als
het gaat om grootschalige woningbouwlocaties, dan zien we dat
buitenstedelijk bouwen slechts 28% bedraagt ten opzichte van
binnenstedelijk bouwen. De Nota Ruimte zet al een stap vooruit met
60%-40%, maar 50%-50% zou realistisch zijn. Kan de minister bevestigen
dat de behoefte aan grootschalige woningbouwlocaties in de ruimtelijke
afweging expliciet als zwaarwegend nationaal belang zou moeten worden
beschouwd? En belangrijker nog, hoe wordt voorkomen dat provinciale of
lokale regels nieuwe woningbouwlocaties alsnog blokkeren of langdurig
vertragen? De coalitie heeft immers afgesproken dat er minimaal 30
grootschalige woningbouwlocaties zullen zijn. Als projecten vastlopen,
dan moet duidelijk zijn dat het Rijk kan ingrijpen. Ik vraag de
minister: welke concrete instrumenten heeft het kabinet in handen
wanneer die woningbouwprojecten, ondanks nationale prioriteiten,
vertraging oplopen?
Daarnaast speelt natuurlijk de veiligheidssituatie in de wereld.
Nederland moet zijn defensie kunnen versterken. Dat vraagt om ruimte
voor oefenterreinen, kazernes en ondersteunende infrastructuur. Welke
doorzettingsmacht heeft het Rijk wanneer provincies of gemeenten niet
meewerken aan de noodzakelijke defensie-uitbreiding? Ik wil graag tegen
mijn collega's zeggen dat alles natuurlijk in samenwerking moet
gebeuren, maar dat het er uiteindelijk wel om gaat hoe deze Nota Ruimte
in effect wordt gebracht.
Voorzitter. Dan mijn tweede punt: ruimte voor een sterke economie.
Nederland is een open economie. Onze industrie, logistiek, havens en
innovatieve bedrijven vormen de motor van onze welvaart. Maar ook deze
activiteiten hebben ruimte nodig. De VVD mist in de Nota Ruimte
duidelijke waarborgen dat er voldoende ruimte blijft voor bedrijvigheid.
In de praktijk zien we namelijk dat bedrijventerreinen verdwijnen voor
woningbouw of andere functies, zonder dat daar nieuwe ruimte voor in de
plaats komt. Hoe voorkomt de minister dat Nederland structureel
bedrijventerreinen verliest? En concreter: is het kabinet bereid om het
uitgangspunt te hanteren dat Nederland zich geen nettoafname van
bedrijventerreinenoppervlak kan permitteren? Ik vroeg dat net al aan
collega Steen. Dat is niet alleen belangrijk voor bestaande bedrijven,
maar ook voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals energiehubs,
circulaire industrie en datagedreven innovaties.
Voorzitter. Dan het derde punt: de samenhang tussen de Nota Ruimte en
het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Dat is een onderwerp dat
de minister op haar duimpje kent. Het programma bevat al vrij concrete
ruimtelijke keuzes, terwijl de Nota Ruimte juist meer richtinggevend is.
Juist daarom is het belangrijk dat beide documenten goed op elkaar
aansluiten. Ik heb daarover een tweetal vragen aan de minister. Hoe
wordt geborgd dat de ruimtelijke keuzes uit het Nationaal Programma
Ruimte voor Defensie volledig worden verankerd in de verdere uitwerking
van de Nota Ruimte? En hoe wordt de nationale veiligheid gewogen ten
opzichte van andere ruimtelijke claims wanneer er schaarste is?
Voorzitter. Het vierde punt: regie die werkt. De VVD steunt het
uitgangspunt dat het Rijk meer regie neemt, maar regie moet ook
betekenen dat knopen worden doorgehakt wanneer dat nodig is. In de Nota
Ruimte lezen we veel over samenwerking met de medeoverheden. Dat is
goed, zoals ik net al zei, en ook nodig, maar uiteindelijk moeten de
nationale doelen wel gehaald worden. Vandaar dat ik vroeg hoe de
doorzettingsmacht kan worden ingezet. Kan de minister duidelijk maken in
welke situaties het Rijk deze doorzettingsmacht zou willen inzetten
wanneer ontwikkelingen vastlopen? Hoe wordt voorkomen dat nationale
regie in de praktijk blijft steken in overleg en plannen?
Voorzitter. Het vijfde en laatste punt: realistische ruimtelijke keuzes.
De VVD onderschrijft dat water en bodem een belangrijke rol spelen bij
ruimtelijke keuzes. Nederland is namelijk een delta en daar moeten we
verstandig mee omgaan. Het uitgangspunt water en bodem sturend mag geen
dogma worden waardoor woningbouw, economische ontwikkeling en
bijvoorbeeld de ontwikkeling van defensie onnodig — let wel: onnodig —
worden geblokkeerd. Kan de minister concreet maken wat het principe
betekent voor toekomstige woningbouwlocaties, economische ontwikkelingen
en defensie? Hoe worden technische oplossingen zoals ophoging,
waterberging en innovatieve bouwmethoden gewogen als deze als voorwaarde
worden meegenomen?
In het kader van realistische keuzes noem ik kort twee punten, ten
eerste de ruimte voor sport.
De voorzitter:
Als u heel even wilt wachten? Ik denk namelijk dat de heer Clemminck op
het vorige punt een vraag heeft.
De heer Clemminck (JA21):
Excuus, ik was net iets te laat. Kan de heer De Groot vertellen wat
volgens hem het verschil is tussen "rekening houden met water en bodem"
en de zinsnede "water en bodem sturend"?
De heer Peter de Groot (VVD):
Met het risico dat het een quizvraag is, wat het precies betekent, want
daar zou ik niet aan mee willen doen. Voor de VVD maakt het niet zo veel
uit, "rekening houden met" of "water en bodem sturend". Als we het maar
op de goede manier toepassen. Ik voel me heel senang bij water en bodem
sturend, als het maar geen absolute werkelijkheid is die heel veel
ontwikkelingen blokkeert. Ik was net in een interruptiedebatje met de
heer Van Asten ook even op zoek naar hoe dat dan precies zit.
Tijdens de technische briefing vorige week heb ik gezegd: als je het
absoluut toepast, was de Flevopolder er nooit geweest, bouwen we ook
geen woningen meer in de Flevopolder, komt IJstad er nooit en zo kan ik
nog wel even doorgaan. Volgens mij willen we dat niet met elkaar.
Volgens mij willen we dat we goed rekening houden met en ook sturen op
de ondergrond, die soms heel broos is. Kijk naar waar de VVD voor
gepleit heeft bij bijvoorbeeld de woningbouwontwikkeling bij de
Gnephoek. Soms moet je concessies doen om het te laten werken. Voldoende
waterberging, toekomstig bouwen: een aantal collega's zeiden dat ook al.
Zo kijkt de VVD naar de inzet van water en bodem sturend, dus praktisch
en op een manier waardoor we de komende tientallen jaren niet in de
problemen komen.
De voorzitter:
Helder. U kunt uw betoog vervolgen.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik zag nog een ...
De voorzitter:
Excuus, u zag het beter dan ik. De heer Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Van harte eens met collega De Groot. Is de ontwerpnota hierin niet te
beperkend? Eerder hebben we bij waterdebatten ervoor gestreden om langs
de Randmeren iets meer woningbouwontwikkeling mogelijk te maken, met
Lelystad en Monnikendam als voorbeelden. Nu staat er weer een teken in
het Markermeer: het is heilig voor het zoetwater. We weten echter
allemaal dat als je gaat rekenen, je met opzetten en uitzakken veel meer
zoetwatervoorraad kunt creëren dan met een paar procent bebouwen met
IJstad. Zouden we, nu we dit ontwerpdebat hebben, niet aan het kabinet
moeten meegeven dat dit iets opengewrikt moet worden, zodat het allemaal
iets minder dogmatisch wordt in de nota?
De heer Peter de Groot (VVD):
Daar zou ik twee antwoorden op willen geven. Ik snap dat je kaartjes
nodig hebt in een conceptnota. De nota staat bol van kaartjes, die je
heel absoluut kunt interpreteren. Volgens mij moeten we dat niet doen.
Het gaat om de principes die we delen. Dat is één. Ik zie die kaartjes
niet als absolute waarheid. Twee. Als je zegt "dit is mijn
zoetwatervoorraad in Nederland", kun je het niet helemaal volbouwen. Dat
is de andere kant. Ik gaf eerder in het debat al aan dat ik van origine
een techneut ben. Je kunt in de randen van de Randmeren, waar ik zelf
ook woon, heel goed bouwen, bijvoorbeeld op hoogte. Dan doe je helemaal
niets met de zoetwatervoorziening. Er is dus nog zo veel meer mogelijk
om ervoor te zorgen dat beide functies worden gecombineerd. Daar roept
deze Nota Ruimte ook toe op. We hebben de ruimte misschien wel dubbel of
driedubbel nodig om al die doelen te bereiken die we met elkaar hebben.
Zo zou ik er dus naar willen kijken.
Heel kort nog: het is natuurlijk ook een hoogoverplan. Het gaat heel
vaak niet over de invulling. Ik stel ook een aantal vragen die eigenlijk
over veel diepere invullings- en uitvoeringsprogramma's gaan. Dit zouden
wat mij betreft precies van die dingen zijn die we op dat moment met
elkaar moeten bediscussiëren.
De voorzitter:
De heer Grinwis. Dat is uw laatste vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is mijn laatste alweer? Oké. Dank, voorzitter, voor de mogelijkheid
om toch nog deze vraag te stellen.
Ik ben het van harte eens met deze pragmatische benadering van collega
De Groot. Ik denk ook dat we er op die manier mee moeten omgaan.
Tegelijkertijd is het risico dat het, als het ooit is opgeschreven in
bijvoorbeeld een brief over structurerende keuzes over water en bodem
sturend of in zo'n nota, toch een soort wet van Meden en Perzen wordt.
Dat moeten we zien te voorkomen. Ik ga in tweede termijn mijn collega
denk ik dus uitdagen met een motie om toch wat richting te geven aan het
kabinet, temeer omdat ... Het IJsselmeergebied is 2.000 vierkante
kilometer. Als we aan stedelijke ontwikkeling doen in het Markermeer, in
het IJmeer, hebben we het over 1% à 1,5%, maximaal 2%, als je de
dichtheid van een stad als Leiden zou nemen. Dat moet makkelijk kunnen.
Dat heeft impact op ongeveer 1% van de zoetwatervoorraad, temeer daar de
verdamping op land kleiner is dan op het water. Is de heer De Groot
bereid om daarin mee te denken?
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik ben altijd bereid om mee te denken. Ik ga zo meteen ook naar de
antwoorden van de minister luisteren; dan gaan we eens kijken hoe zij
daarop reflecteert. Ik heb zelf overigens ook nog een motie achter de
hand, met het idee: laten we er nou niet een absolute wet van maken,
maar laten we het wel als uitgangspunt nemen. Dat staat overigens ook in
het coalitieakkoord, dus daar voel ik me heel senang bij. Maar laten we
ervoor zorgen dat we het land niet op slot zetten met ontwikkelen. Ik
heb best … Dat mag ook gezegd worden. Ik heb jarenlang gesleurd aan
woningbouwontwikkeling in de Gnephoek. Als je ziet wat voor prachtig
mooi plan daar nu ligt, dat ook toekomstbestendig en robuust is, kunnen
we er met elkaar trots op zijn op hoe we dat kunnen doen in Nederland.
We moeten niet met de ogen dicht iets verbieden en ook niet met de ogen
dicht zomaar iets doen. Ik denk dat we daarin een middenweg moeten
bewandelen, al is dat politiek niet zo heel erg sexy, en dat we met
elkaar de goede dingen moeten doen in Nederland.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik heb nog een heel klein stukje, over realistische keuzes, twee stuks.
Ik wilde ruimte voor de sport nog benoemen. Diverse sportverenigingen en
sportbonden, waaronder de KNVB, roepen ertoe op om bij de invulling van
het ruimtegebruik ruimte voor sportaccommodaties niet zomaar weg te
bezuinigen. Ze spelen een belangrijke maatschappelijke rol in buurten en
dorpen. Eigenlijk is de vraag dus hoe de minister er in de uitwerking
voor gaat zorgen dat bij grootschalige woningbouwlocaties ook sport
voldoende plek krijgt.
Het tweede punt betreft de regio. In stedelijke gebieden is namelijk
altijd minder ruimte. De ruimte is daar natuurlijk heel erg bepakt en
schaars. In de regio is er echter wel meer ruimte. Daarvoor is aandacht
nodig en zijn er keuzes nodig. Mijn vraag aan de minister is: waarom is
er voor bijvoorbeeld Emmen niet voor gekozen om die regio erbij te
betrekken als initieerregio? Emmen heeft de basisvoorwaarden die bij
initiëren horen toch al behoorlijk op orde? Ik ben dus benieuwd wat de
minister daarover te zeggen heeft.
Voorzitter, tot slot. De keuzes die we maken in de ruimtelijke ordening
bepalen hoe Nederland er de komende decennia uitziet. Voor de VVD is de
inzet duidelijk: voor ruimte om te wonen, ruimte om te ondernemen en
ruimte om Nederland veilig te houden is nationale regie keihard nodig.
Het is een regie die keuzes maakt, die versnelt en die Nederland dus
vooruit helpt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Peter de Groot. Dan ga ik naar het lid Kostić van de
Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank, voorzitter. De klimaatcrisis loopt harder uit de hand dan
verwacht. We zien het aan de sneller stijgende zeespiegel en het steeds
extremere weer. Dat brengt ons allemaal in gevaar. In Nederland brengen
de vervuilende stoffen van de industrie, onder andere pfas, onze
gezondheid in gevaar. In Nederland is het zo slecht gesteld met de
waterkwaliteit dat experts spreken van een crisis. De natuur staat er zo
slecht voor dat experts spreken van een crisis. De veehouderij en
landbouwgif brengen de gezondheid van mensen en onze leefomgeving in
gevaar. Terwijl de ruimte wordt ingenomen door de grote vervuilers, door
de luchtvaart, kunnen mensen geen betaalbare woning vinden. Ondertussen
hebben we jarenlang een overheid gezien die zich niet aan de eigen
wetten en afspraken houdt. We zien een overheid die pleisters plakt en
problemen doorschuift naar de volgende generaties, waardoor we tegen
muren blijven op lopen. Niemand wordt hier beter van. Het CPB, de WRR,
de WKR, het PBL, het LEI: alle belangrijke adviesorganen geven aan dat
er in schaarste keuzes moeten worden gemaakt. Alle rapporten zeggen
hetzelfde: niet alles kan en moet in Nederland. Dat zei Remkes ook
al.
De Nota Ruimte, waarover we het vandaag hebben, is ook bedoeld om die
keuzes echt te maken. Volgens experts worden die keuzes niet gemaakt. Er
wordt geen rekening gehouden met hoe we Nederland in de toekomst willen
zien. Het gaat vooral over de stapeling van belangen van nu, terwijl de
belangen van jongere generaties en een gezonde leefomgeving worden
verwaarloosd. Ik vraag de minister of zij bereid is om de belangen van
de jongeren en toekomstige generaties in lijn met de aanbevelingen
stevig te borgen in de nieuwe versie van de Nota Ruimte.
De afdronk van de Nota Ruimte is dat alles nog moet kunnen in Nederland.
We zien de rupsje-nooit-genoegmentaliteit van het vorige kabinet van BBB
en VVD: alles eraan doen om de huidige schadelijke landbouwsystemen en
fossiele bedrijven in stand te houden. Hiermee krijgen we Nederland niet
gezond, zo bleek uit de conclusies van het PBL en de Commissie mer. Het
PBL zegt duidelijk: kijk kritisch naar welke ruimte je gebruikt en maak
ook keuzes in wat je niet wil.
Voorzitter. Dit is fundamenteel. Het plaatje dat ik omhooghoud laat
precies zien welke keuzes we eigenlijk moeten maken. Je ziet hier
allemaal mooi roze. Dat is onze landbouw. Dat omvat 62% van Nederland.
De helft van dit land wordt in beslag genomen door de veehouderij. Voor
wonen gaat het om 7%. Om dit plaatje gaat het. Dit is de grote, roze
olifant in de Kamer waar de Nota Ruimte zorgvuldig omheen draait. We
zijn de megastal en het slachthuis van Europa.
We hebben de grootste veedichtheid in Europa. We hebben het hoogste
aantal varkens per vierkante kilometer in Europa. We hebben het hoogste
aantal koeien per vierkante kilometer in Europa. Dat zijn de keuzes die
gemaakt moeten worden.
Ik vraag de minister of zij bereid is om daarin in te grijpen, conform
de adviezen van onder andere het PBL. Het kan namelijk gezonder. De
schade die dit systeem oplevert, is enorm voor waterkwaliteit en
gezondheid en noem zo maar op. Ook draagt het bij aan de natuurcrisis en
de klimaatcrisis. Veel ervan is vooral voor de export. De gewone burgers
betalen de kosten. Ik vraag de minister of ze daarin wil
ingrijpen.
Wil zij inzetten op meer biologische en plantaardige landbouw, zoals
eigenlijk alle experts aanbevelen? Met meer biologische en plantaardige
landbouw, voor de consumptie van de mens, voor het eten van de mens en
voor natuurlijke materialen voor de bouw en isolatie, kunnen we veel
meer produceren met minder grond. Is de minister bereid om daarnaar te
kijken?
Voorzitter. Deze Kamer heeft een aantal keuzes gemaakt, met steun van de
samenleving. Dat is namelijk dat we af willen van de intensieve
veehouderij. Daarover is de motie-Tjeerd de Groot aangenomen. Toch lezen
we in de Nota Ruimte dat we een innovatieve koppeling tussen intensieve
veehouderij, de voedselindustrie en glastuinbouw stimuleren. Is de
minister ten minste bereid om dit uit de Nota Ruimte weg te halen? Zo
creëren we namelijk juist meer afhankelijkheid van de intensieve
veehouderij, waarvan de Kamer en de maatschappij al hebben gezegd dat we
daar zo snel mogelijk van af moeten.
Voorzitter. We zien ook dat er buitenproportioneel veel gif wordt
gebruikt in de sierteelt. Hierdoor lijden we allemaal. Sierteelt is geen
basisbehoefte, zoals u weet. Ook daarin moeten keuzes worden gemaakt.
Toch zijn er nu blijkbaar afspraken gemaakt om het areaal van de
bollenteelt minstens te behouden zoals het nu is. Woningen zouden alleen
op bollengrond mogen komen, zolang er ergens anders ruimte terugkomt
voor bollenteelt. Is de minister het met ons eens dat dit onwenselijk
is? Gaat de minister kijken naar begrenzing van sierteelt in de Nota
Ruimte, zoals dat ook zou moeten gebeuren voor de veehouderij? Volgens
mij hebben de meeste mensen namelijk liever een dak boven hun hoofd en
een gezonde omgeving dan dat we gifbloemen naar het buitenland
exporteren.
Voorzitter. We moeten niet alleen keuzes maken in de landbouw, maar ook
in de industrie. We hebben nu een hele grote energie-intensieve
basisindustrie, die de omgeving vervuilt en die ons nauwelijks wat
oplevert. Die loopt van olieraffinages tot kunstmest die de omgeving
ziek maakt. Dat terwijl we veel meer zouden kunnen verdienen aan een
duurzame, hoogwaardige maakindustrie met het bouwen van machines,
circulaire economie en biotech. Daar ligt ook de ruimte om geld te
verdienen. Is de minister bereid om daarin de keuzes te maken? Is de
minister ook bereid om te kijken of we de juiste stappen nemen op het
gebied van de luchtvaart? Want ook de luchtvaart, met de hoeveelheid
vliegbewegingen die dit kabinet toestaat en zelfs met een nieuwe
vliegbasis voor burgervluchten, zorgt ervoor dat we extra claims leggen
op de ruimte die hard nodig is voor wonen en zorgt voor extra overlast
voor omwonenden. Is de minister bereid om opnieuw te bekijken of die
luchtvaart nou echt zo nodig is, ook gelet op het nieuwe rapport van CE
Delft, dat zegt dat we eigenlijk rond kunnen komen met de helft van wat
we nu hebben op Schiphol?
Voorzitter. Dan over de borging van de gezonde leefomgeving. Het PBL
heeft het al gezegd: schoon water, gezonde lucht, natuur en klimaat zijn
geen kwesties die "leuk om te hebben" zijn als de economie een beetje
draait. Zij zijn letterlijk de basis van die economie, van ons bestaan.
Zonder die dingen is er geen zekerheid over ons voortbestaan. Toch
worden juist deze dingen in de Nota Ruimte niet met zekerheid geborgd.
Ik vraag de minister of zij, ook in lijn met aanbevelingen van het PBL,
beter wil borgen dat die gezonde leefomgeving en de afspraken daarover
worden nagekomen en dat we op basis daarvan ook de keuzes maken die
verder in de Nota Ruimte worden gemaakt.
De voorzitter:
U bent door uw tijd heen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ga nu afronden. Ik vraag de minister om echt concreet te reageren op
de aanbevelingen van het PBL daarover door ook een nieuw leidend
principe te introduceren dat een toetssteen vormt voor de Nota Ruimte om
te kijken of we nou echt dat toekomstbestendige Nederland hebben geborgd
met een gezonde leefomgeving en voldoende natuur.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, lid Kostić van de fractie van de Partij voor de Dieren. Ik
kijk naar de heer Grinwis. Kan hij het voorzitterschap overnemen?
Voorzitter: Grinwis
De voorzitter:
Maar natuurlijk, collega Beckerman. Bij dezen geef ik u namens de SP
voor zeven minuten het woord.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel. Dit debat gaat voor velen over de strijd om ruimte. Welke
ruimte gebruiken we voor welk doel of liefst voor welke doelen? Maar
voor de SP gaat deze strijd juist ook over de vraag voor wie de ruimte
is. De strijd om de ruimte is ook een klassenstrijd. Daarbij wil ik drie
onderwerpen specifiek benoemen: wonen, recreatie en energie en
vervuiling.
Dit weekend was ik in Maastricht, een stad met een grote ruimtelijke
ongelijkheid. Samen met Heerlen en Enschede behoort Maastricht tot de
steden met de meeste segregatie. Arm en rijk ontmoeten elkaar nauwelijks
meer. Voor rijkere bewoners zijn er het prachtige centrum en prachtige
plekken aan de Maas, maar armere bewoners worden steeds verder de stad
uit geduwd. Ik sprak afgelopen weekend met mensen die daartegen in actie
komen. Zo dreigt hun voedselinitiatief tegen verspilling te moeten
wijken omdat er appartementen moeten worden gebouwd voor minimaal acht
ton. Kunstenaars moeten hun gebouwen uit voor weer een duur hotel. Er
verdwijnen winkels en voorzieningen uit een buurt omdat een
projectontwikkelaar een te hoge huur vraagt. Door het verdwijnen van
voorzieningen is het hart uit de wijk en nemen baldadigheid en overlast
toe. Mensen raken door sloop hun woning kwijt en moeten steeds verder
naar de rand van de stad voor een betaalbare woning. Versteend onrecht.
Voor mensen met een beperking zijn er bijna geen aangepaste woningen en
is de stad niet zelden ontoegankelijk.
Deze Nota Ruimte moet niet alleen gaan over de strijd om schaarse ruimte
maar moet juist ook gaan over de klassenstrijd om die ruimte. Het is
goed dat er eindelijk weer een Nota Ruimte is, maar laten we niet
vergeten dat de vierde Nota Ruimte zorgde voor een eenzijdige
woningvoorraad in Vinex-wijken voor met name hogere inkomens. Vraag aan
de minister: erkent de minister dat de ruimtelijke segregatie steeds
groter wordt en wat gaat zij hieraan doen? Hoe zorgt zij dat wijken
direct divers zijn en hoe zorgt zij er ook voor dat voorzieningen, werk
en openbaar vervoer direct worden meegenomen?
Deze nota lijkt het bestaande te veel te vergeten, terwijl in onze
bestaande wijken de echte oplossingen maar ook de echte problemen
liggen. Speciale aandacht wil ik vragen voor wooncoöperaties, groepen
mensen zonder winstoogmerk die zelf een oplossing willen vormen tegen de
wooncrisis. Er zijn geweldige initiatieven in dorpen en steden. Met een
initiatiefwet proberen we die verder te helpen. Waarom ontbreken
wooncoöperaties in deze Nota Ruimte? Is de minister bereid om ze alsnog
op te nemen als expliciete bouwsteen?
Voorzitter. Dan recreatie en campings. Ruimtelijke ongelijkheid beperkt
zich niet tot wonen. We zien dat recreëren steeds duurder en duurder
wordt. Neem strandjes die vroeger voor iedereen waren. Daar staat ineens
een slagboom voor en je moet ervoor betalen. Campings worden opgekocht
door buitenlandse ketens en worden meer en meer omgebouwd tot luxe
huisjesparken. Vaste gasten die er soms al decennia komen, of zelfs van
generatie op generatie, moeten wijken voor de rijken. Er blijft steeds
minder plek over voor tenten, stacaravans en kleinere chalets.
Tegelijkertijd zorgt deze "Roompottisering" ook voor steeds verdere
verstening en eenheidsworst in het landschap.
Mijn vragen aan de minister. Vorig jaar is de SP-motie aangenomen om te
komen tot een nieuwe kampeerwet, om recreanten, natuur en omgeving beter
te beschermen. Hoe gaat de minister die motie uitvoeren? We missen
recreatie echt in deze Nota Ruimte. Tegelijkertijd zien we dat gemeenten
nu worstelen met steeds meer luxe vakantieparken en villa's. Een mooie
manier om dat tegen te gaan en een divers recreatieaanbod te behouden en
te creëren, is volgens de SP het invoeren van een bescherming van
campings door te differentiëren in het bestemmingsplan, dus door
onderscheid te maken tussen laagdrempelige campings en vakantieparken
met huisjes of zelfs vakantievilla's. Erkent de minister dat en wil ze
dat oppakken? Zou zij ook willen verplichten dat er bij elk plan voor
herstructurering een haalbaarheidsonderzoek wordt gedaan, zodat eerst in
beeld wordt gebracht of de diversiteit wel behouden blijft? Ook zien wij
veel in een wettelijke plicht om een minimumpercentage betaalbare
recreatie in te voeren. Daarmee zorgen we ervoor dat er plek blijft voor
iedereen en dat de verstening van ons landschap stopt. Daarbij zou ook
een financiële prikkel kunnen helpen. Wil het nieuwe kabinet bezien hoe
juist betaalbare recreatie kan worden gesteund, bijvoorbeeld via een
lagere btw of met subsidies voor natuurbehoud en monumenten?
Voorzitter. Ook vervuiling is ongelijk verdeeld. Mensen in wijken met
lage inkomens hebben over het algemeen meer last van luchtvervuiling dan
mensen met een grotere portemonnee. Ook zijn het juist de wijken met
meer armere bewoners en veel kwetsbare ouderen die vaak als eerste
geraakt dreigen te worden door klimaatschade. Armere wijken zijn vaak
warmer en minder groen.
Mijn vragen aan de minister. De nota spreekt over energieprojecten,
industrieclusters, defensie-uitbreiding, infrastructuur en
natuurontwikkeling. Dat zijn allemaal ontwikkelingen met een enorme
impact op de leefomgeving van mensen, maar te vaak zien bewoners dat
besluiten over hun leefomgeving ergens anders worden genomen. Mijn
fractie vindt dat ruimtelijke ordening niet alleen een kwestie is van
kaarten en plannen, maar ook van democratische zeggenschap. Mensen
moeten niet alleen worden geïnformeerd of geconsulteerd, maar ook
daadwerkelijk invloed hebben op wat er in hun omgeving gebeurt. Hoe ziet
de minister dat? Te vaak is het niet meer "één persoon, één stem", maar
"één euro, één stem". Dat heeft tot heel veel ruimtelijke problemen en
ruimtelijke ongelijkheid geleid. Hoe wil de minister … O, ik zie dat er
een vraag is.
De voorzitter:
Ja, dat klopt. De heer Clemminck voor een interruptie.
De heer Clemminck (JA21):
Ik ben even benieuwd. Ik voel namelijk best wel met het betoog van
mevrouw Beckerman mee dat de strijd om ruimte ook een democratische
legitimatie vraagt; uiteraard. Betekent dat dat de SP ook een deel van
de zeggenschap over onze ruimte, die we uit handen hebben gegeven aan
bijvoorbeeld Europa, terug wil halen naar Nederland?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik denk dat de heer Clemminck daarmee doelt op Natura 2000 en andere
Europese bescherming. Ik denk dat de heer Clemminck ook weet dat de SP
niet de grootste pro-Europese partij is. Maar de SP is wel een partij
die — dat zit ook in mijn betoog — ziet dat natuurbescherming,
landschapsbescherming en milieubescherming echt een plek zouden moeten
hebben in Nederland. Nu zijn het namelijk vaak de bewoners met de
smalste portemonnee die het hardst geraakt worden. Ondanks dat wij het
misschien niet in die Europese zin zien, zouden wij er wel voor zijn om
dit ook in Nederland te doen. Maar ik wijs de heer Clemminck er ook op
dat dit juist met bewoners samen zou moeten. Mijn partij werkt aan
allerhande initiatieven om zeggenschap van inwoners te versterken. We
zijn bijvoorbeeld al heel veel jaren bezig met de invoering van de
referendumwet. Omdat dat een Grondwetswijziging is, moest daar weer een
verkiezing overheen. Dus ja, wij zijn voor het democratiseren van de
ruimtelijke ordening. Ja, de heer Clemminck heeft gelijk dat veel van
die regels Europese beperkingen hebben. Mijn partij zegt ook steeds
vaker: laat die zeggenschap ook lokaal. "Niet Brussel maar de buurt is
de basis" was ooit een verkiezingsleus van ons. Dat neemt niet weg dat
onze ideologische keuze wel in lijn ligt met bijvoorbeeld natuur- en
milieubescherming.
De voorzitter:
Is meneer Clemminck van JA21 tevreden? Ik nodig hem in ieder geval graag
uit voor een volgende interruptie. Hij heeft nog mogelijkheden en het
debat is nog rustig.
De heer Clemminck (JA21):
Mogelijkheden genoeg. Heel fijn. Volgens mij zit er wat dat betreft een
mooie samenwerking tussen de SP en JA21 aan te komen. Als we de
bevoegdheden terughalen van Brussel naar Nederland en we dat hier in een
democratisch proces met elkaar gaan doen, zijn er — dat constateer ik
ook wel — misschien ook wel uitkomsten waar wij het niet altijd over
eens zijn. Maar laten we samenwerken om die bevoegdheden de komende tijd
terug te halen naar Nederland.
De voorzitter:
We gaan het meemaken. Ik geef mevrouw Beckerman de kans om hierop te
reageren en om haar betoog te vervolgen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Er werd gelachen op de tribune, maar ik denk dat de heer Clemminck en
ikzelf al wel bijzondere raakvlakken hebben gevonden. Wij zijn het op
veel punten absoluut oneens, zeker over de gaswinning in Groningen,
bijvoorbeeld, maar we hebben het laatst — dat was interessant — gehad
over architectuur en architecten. Dat vind ik ook zoiets. Nederland
heeft zulke goede architecten. Vroeger bouwden de beste architecten de
beste wijken, volkswijken. We hebben daar heel veel prachtige
voorbeelden van. Juist nu zien we dat architecten steeds minder plek
krijgen, ook in nieuwbouw, terwijl zij juist zo veel ruimtelijke
kwaliteit zouden kunnen toevoegen. Al die blokkendozen, al die steeds
kleinere woningen, zonder super ruimtelijke kwaliteit ... Wie weet
vinden we elkaar nog op bijzondere terreinen, en op andere terreinen
vinden we elkaar inderdaad zeker niet.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, u verstaat de kunst om iedere keer weer een
interruptie uit te lokken. Bij dezen nog eenmaal een kans voor de heer
Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Het klopt helemaal! We hebben het daar inderdaad eerder over gehad. Ik
zal namens JA21 ook met een initiatiefnota komen met betrekking tot
esthetische bouw. Ik zal in onze procedurevergadering ook pleiten voor
een rondetafelgesprek daarover. Het is dus mooi dat we ook op dit punt
met de SP kunnen samenwerken.
De voorzitter:
Dan is het woord weer aan mevrouw Beckerman voor wat zij nog wil
toevoegen aan dit pleidooi tegen lelijkheid. Ik nodig haar ook uit om
snel haar bijdrage te vervolgen.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik denk dat ik gewoon verderga. Volgens mij waren de raakvlakken
duidelijk. Ik denk trouwens dat het niet alleen zit in het ontwerpen van
de gebouwen, maar ook in hele wijken. Dat wordt vaak vergeten. Groen,
bijvoorbeeld, is juist zoiets waar ruimtelijke ontwerpers, architecten
en landschapsarchitecten fantastische oplossingen voor kunnen vinden,
zodat steden veiliger zijn, veiliger aanvoelen en ook veel meer bestand
zijn tegen bijvoorbeeld noodweer.
Ik ga verder met mijn betoog. Ik was bezig met het stuk over het
democratiseren van ruimtelijke ordening en het voorkomen dat "één euro,
één stem" doorslaggevend wordt, want dat hebben we te vaak gezien. Door
een aantal collega's werd net "de verdozing van het landschap" genoemd,
waarbij gunstige belastingtarieven ervoor zorgen dat het open landschap
steeds verder verdoost, terwijl inwoners daar nauwelijks iets aan kunnen
doen. Hoe wil de minister die ruimtelijke ongelijkheid bestrijden?
Een voorbeeld is de discussie over de opslag van radioactief afval,
waarbij de SP en JA21 elkaar waarschijnlijk niet gaan vinden. Dat zijn
keuzes met gevolgen voor generaties. Toch wordt dat debat vaak vooral
technocratisch gevoerd, terwijl gemeenschappen uiteindelijk met die
keuze moeten leven. Daarom vraag ik de minister: hoe wordt in de Nota
Ruimte geborgd dat gemeenschappen echte zeggenschap krijgen bij
ruimtelijke besluiten met grote impact, zoals energieprojecten,
industriële ontwikkelingen of de opslag van, zoals eerder genoemd,
radioactief afval? Hoe wordt onze aangenomen motie uitgevoerd om de
Groninger zoutkoepels bijvoorbeeld definitief te schrappen als mogelijke
opslaglocaties? Hoe ziet dat eruit?
Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde van mijn betoog. Ik wens de
minister alvast heel veel succes. Gefeliciteerd met deze prachtige
positie. Dank u wel.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, dank voor uw bijdrage. Voordat we gaan schorsen geef
ik nog even het voorzitterschap terug.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Dank u wel voor het voorzitten. Ik kijk even naar de minister. Ik zie
dat er echt op ongelofelijk veel terreinen vragen zijn gesteld. Hoelang
zou u willen schorsen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Drie kwartier.
De voorzitter:
Dat is vrij fors.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het zijn ook vrij veel vragen.
De voorzitter:
U heeft daar volledig gelijk in. Er zijn veel terreinen besproken. Dan
gaan we om 16.55 uur weer verder. Ik schors de vergadering tot 16.55
uur.
De vergadering wordt van 16.09 uur tot 16.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Welkom bij de vaste commissie voor
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan de orde is het notaoverleg
over de Ontwerp-Nota Ruimte. We hebben net de eerste termijn van de
zijde van de Kamer gehad en gaan nu luisteren naar de eerste termijn van
de kant van de minister, maar niet voordat ik even met u allen overlegd
heb. Dit debat staat gepland tot 19.00 uur. Dat betekent dat we minimaal
ongeveer een halfuur nodig hebben voor een tweede termijn. U heeft dus
eigenlijk twee opties. Eén. We beperken het aantal interrupties tot twee
of drie per fractie, dan lukt het misschien voor 19.00 uur. Optie twee
is dat we wel zes interrupties per fractie doen, maar dat betekent dan
dat we de tweede termijn op een ander moment moeten voortzetten. Ik kijk
nu even naar de leden, om te zien waaraan zij behoefte hebben. Het lid
Kostić?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. Ik denk graag mee, maar het beperken van het aantal
interrupties tot twee is echt te weinig. Dit gaat om een enorm stuk; ik
heb het kaartje al laten zien. En we moeten enorme keuzes maken. Twee
interrupties is dan echt veel te weinig.
De voorzitter:
Oké. De Partij voor de Dieren zegt: dan maar liever de tweede termijn op
een ander moment. De heer Peter de Groot?
De heer Peter de Groot (VVD):
Voorzitter. Dat was een van de redenen waarom ik de verlenging van de
spreektijden niet heb gesteund, omdat ik gewoon zie dat je, als je aan
vier uur niet genoeg hebt, ook aan zes uur niet genoeg hebt. Maar ik zou
zeker niet willen overgaan tot een dergelijke beperking van de
interrupties.
De voorzitter:
Helder.
De heer Peter de Groot (VVD):
Maar we doen het onszelf aan, dus dat betekent dat we naar een ander
moment moeten zoeken om het af te maken.
De voorzitter:
Oké. Dat zijn twee fracties die zeggen dat we de interrupties ruim gaan
nemen. Dan is de consequentie dat de tweede termijn op een ander moment
komt. Mevrouw Steen.
Mevrouw Steen (CDA):
Eens met collega De Groot.
De voorzitter:
Helemaal helder. Mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Eens.
De voorzitter:
En de heer Clemminck?
De heer Clemminck (JA21):
Eens.
De voorzitter:
De heer Mooiman.
De heer Mooiman (PVV):
Nou, voorzitter, wat mij betreft kunnen we de tweede termijn ook vandaag
doen, maar ik zie dat de meerderheid anders besluit.
De voorzitter:
De heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ook voorkeur voor de tweede termijn vandaag.
De voorzitter:
De heer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Laten we de tweede termijn op een ander moment doen.
De voorzitter:
Helder. Er is een meerderheid om nu een uitgebreide eerste termijn te
doen met de minister en dan gaan we kijken naar een vervolgmoment voor
de tweede termijn. Ik vraag de minister om, voordat zij begint, even de
blokjes te noemen. Waar heeft u behoefte aan? Wilt u dat de leden vragen
op het moment dat ze hun vragen hebben of wilt u graag eerst uw blokje
afmaken?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik zou het liefst eerst een blokje afmaken, omdat ik zo anders misschien
nog tot een antwoord zou komen. En u wilde eerst de blokjes horen,
voorzitter? Ja? Het eerste blok is regie, ruimtelijke ordening en
algemeen. Dan wonen, werken, bereikbaarheid. Dan economie en energie.
Dan landbouw en natuur. Dan water en bodem. Dan overig. Ik eindig met
doorwerking, uitwerking en samenwerking.
De voorzitter:
Helder. U kunt uw beantwoording in eerste termijn aanvangen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel. Beste leden van de commissie, ik vind het een voorrecht om
hier te zijn. Vandaag hebben we het over een onderwerp dat elke
Nederlander aangaat. Het gaat immers over de ruimte waar we samen wonen,
werken, leren en recreëren in een land waar dat veilig, gezond en
prettig kan. Het ontwikkelen van toekomstvisies is belangrijk. Het op
een gegeven moment vastleggen van die visie is net zo belangrijk, omdat
dat het startpunt is van het vertalen van het "wat" naar het "hoe". In
mijn ervaring bij Defensie heb ik daar meerdere malen sturing aan mogen
geven. Ik heb geleerd dat het grootste gevaar van het opstellen van een
visie is dat je probeert het onzekere zeker te maken, dat je de tijd
wilt nemen om nieuwe ontwikkelingen toch nog een plek te geven en dat je
wilt laten zien dat ieders stem is gehoord. Een visie is nooit af, en
toch moet een visie op een gegeven moment wel vastgezet worden, omdat
anders de werkelijkheid je inhaalt en je reactief wordt in plaats van
proactief te kunnen zijn. Tegelijkertijd moet het wel zorgvuldig
gebeuren. Daarom ben ik blij dat ik in mijn eerste debat in de eerste
weken hierover met u in gesprek kan.
Bij Defensie was ik ambtelijk verantwoordelijk voor het Nationaal
Programma Ruimte voor Defensie. Ik heb vanuit die rol in de afgelopen
jaren een goed beeld gekregen van de ruimtelijke opgave waarvoor ons
land staat, en ook van dat niet alles voor iedereen 100% passend te
maken is. En van zowel de omvang als de breedte van die opgave, want die
raakt alles: het nu, morgen en veel later. En het gaat vooral over zaken
van fundamenteel belang, zaken die u en mij persoonlijk aan het hart
gaan. Dat begint al met zoiets als je veilig voelen en veilig zijn: dat
je beschermd bent tegen oorlog, maar ook dat je in jouw woonwijk een
veilige woonomgeving hebt en beschermd bent tegen overstromingen of
milieurampen; dat je er zeker van kunt zijn dat er voldoende voedsel is,
dat er schoon drinkwater uit de kraan komt en dat je een bij jou passend
thuis hebt, waar ook stroom uit het stopcontact komt. Maar een veilig
huis wordt pas een thuis als je er echt op je plek bent, doordat je de
mogelijkheid hebt om je als mens te ontwikkelen, of dat nu is door
opleiding, kunst en cultuur of ondernemerschap en werk, en doordat er
ruimte is om te spelen, te sporten en met vrienden en familie samen te
komen, het liefst in je eigen vertrouwde omgeving, maar je
tegelijkertijd de vrijheid hebt om je per fiets, bus, trein of auto te
verplaatsen, en dat dit alles ook nog voor iedereen betaalbaar is.
Ik vind dat er in Nederland geen grote verschillen in kansen mogen
bestaan. In de Nota Ruimte streven we naar een ontwikkeling die past bij
kansen voor en opgaven van regio's. Daarbij is het adagium dat elke
regio telt. Die regionaal onderscheidende benadering komt onder andere
tot uitdrukking in de VISTA-kaart. Daarop geven we op hoofdlijnen aan
hoe regio's zich kunnen ontwikkelen, zodat iedere regio zijn rol pakt en
bijdraagt aan een sterk en weerbaar Nederland en een goede kwaliteit van
leven biedt. Verschil mag er zijn. Denk aan Amsterdam, Den Haag en
Rotterdam als aantrekkelijke metropolen en aan Zuidoost-Drenthe en
Zeeland als plekken waar juist een luwer stedelijk karakter en natuur
onderscheidende kwaliteiten zijn. Wel moet het altijd ontwikkelgericht
zijn, met oog voor de lokale kansen en maatschappelijke behoeften.
Daarom ondersteun ik ook de Nedersaksenlijn. Die maakt het voor jongeren
uit de streek tussen Groningen en Emmen zo veel makkelijker om te gaan
studeren. De universiteiten en hogescholen in Groningen en Enschede
komen voor hen ineens binnen handbereik.
De Nota Ruimte is geen vrijblijvend beleidsstuk. Het wordt de volgende
Nationale Omgevingsvisie, zoals bedoeld in de Omgevingswet. Het is goed
dat wij als Rijk verplicht zijn om langetermijnvisies op te stellen. Het
vraagt van ons dat wij met elkaar komen tot een stevig fundament waar
wij de rest van de samenleving op kunnen bouwen. Geen blauwdruk op
perceelniveau, maar een visie. Met dit ontwerp ligt er wat mij betreft
het fundament voor de toekomstige inrichting van Nederland. Mijn doel is
dan ook om de komende maanden met uw Kamer, met mijn medebewindspersonen
in het fysieke domein en met de andere overheden dit stuk verder te
brengen. Dat doen we onder andere op basis van het
coalitieakkoord.
Op onderdelen vraagt dat om aanscherping van het ontwerp, maar daarmee
gaat niet alle inhoud radicaal op de schop. Denk aan "water en bodem
sturend" in plaats van "rekening houden met". Dat zal er niet toe leiden
dat ineens op allerlei plekken dingen niet meer kunnen. Water en bodem
sturend is niet allesbepalend, maar zal wel de manier waarop we
bijvoorbeeld huizen bouwen veranderen. Laat ik een recente casus nemen:
het historische tuindorp Pathmos in Enschede. De wijze waarop die wijk
destijds gebouwd is, zorgt nu voor veel problemen. Dat zouden we nu
anders doen, met ruimte voor waterberging en infiltratie in de bodem,
zodat een piekbui niet zorgt voor overstromende riolen en
schimmelvorming in de huizen.
We gaan samen met IenW nader uitwerken hoe we hiermee moeten omgaan. Het
ligt uiteindelijk heel genuanceerd en vraagt ook om lokaal maatwerk.
Daarom ben ik verheugd dat er zoveel zienswijzen zijn ingediend. We zien
vaak dat in de zienswijzen onze nationale keuzes uit het ontwerp aan een
lokale situatie getoetst worden. Van de kennis in de zienswijzen maken
we dan ook graag gebruik bij de aanscherping van het ontwerp. Ruim 500
zienswijzen zijn er ingediend door medeoverheden, maatschappelijke
organisaties en burgers, 500 zienswijzen die uiteenvallen in zo'n 7.000
deelzienswijzen. Daar spreekt voor mij hele grote betrokkenheid
uit.
Die betrokkenheid zie ik ook terug in de reflecties op de Ontwerp-Nota
Ruimte door het Planbureau voor de Leefomgeving en het College van
Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs, en in het advies van de Commissie
mer over het milieueffectrapport. Hun stukken onderschrijven deels ook
de aanscherpingen die we op basis van het coalitieakkoord willen doen.
Dat zullen we doen als onderdeel van een integrale afweging. Ik zie het
als mijn taak als minister van Ruimtelijke Ordening om daar de komende
periode, maar ook daarna, in de uitvoering scherp op toe te zien.
Daar kan ik vandaag deels een voorschot op nemen, maar ik geef alvast
een winstwaarschuwing: veel moet ik nog met collega-bewindspersonen
bespreken.
Uiteindelijk is de Nota Ruimte namelijk ons gezamenlijk product en
hierin moet alles samenkomen. Vanuit mijn ambtelijke rol heb ik gezien
hoe het maken van de Nota Ruimte alleen al leidt tot meer samenhang
tussen sectorale opgaven en daarmee tot het verzilveren van kansen en
tot betere oplossingen. Dat is belangrijk. Zonder werken in samenhang
zal het ons niet lukken om de grote ruimtelijke opgaven op te lossen.
Maar wat me daarnaast ook heel veel bevrediging heeft gegeven, is het
samenwerken. Er is de afgelopen jaren tussen de departementen een
gezamenlijkheid ontstaan die er daarvoor niet was. We hebben elkaar echt
weer leren kennen dankzij het werken aan deze nota. Uit gesprekken met
andere overheden en maatschappelijke organisaties blijkt ook hun enorme
betrokkenheid.
Ik hecht er wel aan te benadrukken dat we in de samenwerking absoluut
niet bij nul beginnen. Veel is de afgelopen jaren al in gang gezet.
Ruimte voor Defensie is in december naar uw Kamer gestuurd. Er zijn 21
nationale en 127 regionale grootschalige woningbouwlocaties aangewezen.
We werken daarbij al in lijn met wat we de afgelopen jaren in het
traject richting deze ontwerpnota hebben ontdekt.
Nu is er een versnelling nodig en op sommige onderdelen dus ook een
aanscherping. Elke dag dat we langer daarmee wachten, wordt het lastiger
om ons doel te bereiken. Ik wil graag voortgang maken, want papier is
geduldig en de waarde wordt pas bewezen in de uitvoering. Bij de
definitieve nota hoort daarom ook een uitvoeringsstrategie. Daar werken
we nu hard aan, net als aan een nota van antwoord, waarin we laten zien
hoe we al die zienswijzen meegenomen hebben. Voor mijzelf, als minister
van Ruimtelijke Ordening, zie ik daarin een centrale rol, als aanjager
richting een definitieve nota met uitvoeringsstrategie en in de
uitvoering. Zo kunnen we ook straks zorgen dat we in samenhang goede
oplossingen kiezen, dat we gemeenschappen bouwen en dat we door
samenwerking en regie voeren tot snelle uitvoering kunnen komen voor
Nederland.
De voorzitter:
Was dat al uw eerste blokje?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nu komt mijn eerste blokje.
De voorzitter:
Dan ga ik toch eerst een vraag op de inleiding toestaan.
De heer Mooiman (PVV):
Mijn vraag gaat over het volgende. De departementen hebben met elkaar
samengewerkt aan de Ontwerp-Nota Ruimte. Nu verdwijnt het ministerie
voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Het ministerschap is er
natuurlijk nog wel: dat valt nu onder Binnenlandse Zaken. Mijn vraag aan
de minister is of het geen belemmerende factor is dat het eigen
ministerie weg is en de verbinding tussen de verschillende departementen
niet meer centraal kan beheren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat mijn eerlijkste antwoord zou zijn: er is nog nooit een
structuur geweest die ervoor heeft gezorgd dat men daadwerkelijk iets
met elkaar voor elkaar kreeg. Ik heb persoonlijk geen moeite met hoe het
departement ergens onder gehangen is en de andere departementen hebben
dat ook niet. Zij zien het als: we blijven dit samen doen. De rol van
coördinerend minister is ook gewoon geaccepteerd. Ik maak me daar dus
geen zorgen over, maar ik zal er wel scherp op blijven letten.
De voorzitter:
Helder. Dan kunt u volgens mij naar uw beantwoording in het eerste
blok.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voorzitter. Het eerste blok: regie ruimtelijke ordening algemeen. Ik
begin met het onderwerp "optellende ambities en hoe daar regie op te
voeren". Daarover zijn door meerderen van u vragen gesteld. Velen van u
hebben vragen gesteld over de vele opgaven waar Nederland voor staat. Zo
vroegen de heer Van Dijk van de SGP en de heer Grinwis van ChristenUnie
mij naar de optelsom van de ambities voor de woningbouw, economie,
transport en voorzieningen. Ook bij andere fracties hoor ik terug dat de
ruimtelijke ordening doorvoeld wordt. Uiteraard gaat het veel over de
woningbouw, een van onze belangrijkste opgaven. Maar ik heb ook veel
vragen gehoord over het landelijk gebied, bedrijfsterreinen en ons
water-en-bodemsysteem. Dat is terecht. Ruimtelijke ordening gaat
namelijk over het geheel van opgaven waar Nederland voor staat. De heer
Grinwis noemde dat zo mooi "de twee lenzen" waardoor hij naar mijn
prachtige portefeuille kijkt. Ik had het zelf niet beter kunnen
zeggen.
Uw Kamer is benieuwd hoe ik ervoor zorg dat het past in Nederland. Dat
doe ik door juist met de Nota Ruimte de keuzes te maken die nodig zijn.
Dat kan pijnlijk zijn, maar is ook nodig. Met de Nota Ruimte gaan we
voor slimme oplossingen, zoals meervoudig ruimtegebruik en compacte
plannen. Denk aan kleinere woningen, combinaties van natuur en landbouw
of defensie, of het ondertunnelen van snelwegen. Daarop wil ik sturen.
Bij de Nota Ruimte komt ook een uitvoeringsstrategie, waarin ik
verschillende instrumenten inzet om de Nota Ruimte te realiseren. Dit
varieert van bestuurlijke afspraken tot afdwingbare regelgeving. Ik ga
niet onnodig instructieregels opleggen, maar soms is dat nou eenmaal wel
nodig. Denk aan het verbod op hyperscales. De komende maanden geef ik
dit verder vorm, in goede afstemming met de medeoverheden, zodat alle
ambities uit de Nota Ruimte een plek krijgen in ons mooie land.
Dan over het versterken van de regio met respect voor deze kenmerken.
Een van de leidende principes in de Ontwerp-Nota Ruimte is
"gebiedskenmerken centraal". Dat komt op verschillende manieren tot
uitdrukking in de nota. Denk aan de VISTA-kaart, waarop we regionaal
onderscheidende ontwikkelstrategieën beschrijven, van het accommoderen
van metropoolvorming tot het versterken door gebalanceerde
doorontwikkeling. Op basis hiervan gaan we samen met de regio's en
provincies werken aan ruimtelijk-economische ontwikkeling. Regionale
eigenheid komt ook terug in de verschillende typen regio's die we
beschrijven. Een metropoolregio vraagt om een andere oplossing voor
bereikbaarheid en voorzieningen dan een meer landelijke regio met kleine
kernen. We beschrijven ook verschillende typen kernen en typen complete
en prettige leefomgevingen, want qua woningbouw en het mengen van wonen,
werken en voorzieningen ziet een hoogstedelijke wijk er echt anders uit
dan een luwe woonbuurt. "Gebiedskenmerken centraal" gaat ook over
bestaande ruimtelijke kwaliteit, zoals erfgoedwaarden en onderscheidende
kenmerken van stad, dorp en landschap. Die willen we behouden en
versterken, want onderscheidende kwaliteiten maken Nederland als geheel
juist aantrekkelijk. Ik ben ervan overtuigd dat dat laatste ook voor het
maatschappelijk draagvlak heel belangrijk is.
Dan over de kloof tussen Den Haag en het platteland. Dat begint met een
visie op heel Nederland, vandaar dat de titel van de visie in de
Ontwerp-Nota Ruimte ook "Elke regio telt" is. Dat betekent dat we aan
iedere regio perspectief bieden, doordat ze een passende rol krijgen in
het oppakken van de grote ruimtelijke opgaven. Het mooie aan deze nota
vind ik dat we daarbij heel goed kijken naar de bestaande kwaliteiten
van de regio's. One size does not fit all. We hebben juist oog voor de
behoeften en kansen van iedere regio. Straks gaan we natuurlijk in nauwe
samenwerking met de andere overheden op de lokale en regionale schaal
aan de slag.
Hoe borgen we dat de minister van VRO, ik dus, voldoende coördinerende
bevoegdheden heeft? De Nota Ruimte is niet alleen van mij, maar van het
hele kabinet. Het is onze gezamenlijke Nationale Omgevingsvisie. Al mijn
collega's die te maken hebben met de fysieke leefomgeving schrijven mee
aan en staan achter deze Nota Ruimte, en dus pak ik als coördinerend
minister van VRO mijn rol. Die rol is er niet voor niets, want ook voor
het Rijk blijft het een continue uitdaging om de ruimtelijke ordening
altijd goed mee te nemen. Ik zorg ervoor dat het belang van een goede
ruimtelijke ordening al aan de voorkant wordt meegenomen bij alle
ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland. Ik zorg voor de samenhang bij
de programma's met ruimtelijke impact waar mijn collega-bewindspersonen
aan werken, zoals het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, het
Programma Ruimte voor Economie en de nationale adaptatiestrategie. Zo
zorg ik ervoor dat de verschillende nationale programma's ruimtelijk
volledig op elkaar aansluiten en met elkaar zijn afgestemd.
Dan over het advies van de Commissie mer over de Nota Ruimte. De
Commissie voor de milieueffectrapportage is een onafhankelijke
adviescommissie die is ingesteld door het Rijk. Adviezen moeten dan ook
serieus worden genomen. De komende tijd zal ik de adviezen van de
Commissie mer bestuderen en bepalen hoe ik hiermee om wil gaan. Zo is er
geconstateerd dat negatieve effecten voor beschermde natuur niet
uitgesloten kunnen worden. Dit kabinet komt met nieuwe plannen om de
natuur in stand te houden en om verslechterde natuurgebieden te
herstellen. Dit doen we samen met de provincies, de waterschappen, de
boeren en de natuurorganisaties. Rondom Natura 2000-gebieden komt een
zonering die voldoende is om de doelen voor de betreffende
natuurgebieden te halen. We starten met de meest kwetsbare gebieden. In
de definitieve Nota Ruimte zal ik aangeven hoe ik met deze adviezen ben
omgegaan.
Dan over het PBL en de afwegingsprincipes voor een duurzame
leefomgeving. Het PBL stelt voor om duurzaamheid en omgevingskwaliteit
als vierde leidende principe toe te voegen aan de huidige drie.
Duurzaamheid en omgevingskwaliteit zijn belangrijke thema's, maar wat
mij betreft zijn het eerder overkoepelende doelen dan leidende
principes. Als doelen zijn ze al opgenomen in de Nota Ruimte, onder
andere in het doel dat volgens de Omgevingswet vooropstaat: het vinden
van de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving,
met als resultaat het bereiken en in stand houden van een veilige en
gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit.
Tot slot in dit blokje. Hoe kunnen we de gezonde leefomgeving steviger
borgen? Ik kan me goed vinden in het belang van een gezonde
leefomgeving. In de Nota Ruimte staat ook aangegeven dat het streven is
om te komen tot aantrekkelijke, gezonde en toekomstbestendige wijken en
een openbare ruimte die klimaatbestendig is en uitnodigt tot beweging en
ontmoeting. Daarbij is, op pagina 7, een goede en gezonde
leefomgevingskwaliteit benoemd als nationaal belang. Dit betekent onder
andere aandacht voor de aanwezigheid van groen en water in de directe
woonomgeving, met aantrekkelijke ontmoetingsplekken en veilige routes
voor wandelen en fietsen. Uiteindelijk geldt bij de inrichting van de
leefomgeving dat primair gemeenten een integrale ruimtelijke afweging
dienen te maken tussen wonen, infrastructuur, werken en de gezonde
leefomgeving. Tegelijkertijd herken ik dat dit belang in de Ontwerp-Nota
Ruimte nog concreter kan worden uitgewerkt. Dat geldt ook voor
recreatie. Dit is ook teruggekomen uit diverse zienswijzen. Het
coalitieakkoord spreekt het belang van een gezonde leefomgeving uit. Ik
ga deze punten daarom in de definitieve Nota Ruimte verder uitwerken en
nog concreter maken. Ik zie geen aanleiding om dit belang, zoals het PBL
dat voorstelt, nog steviger te borgen in de definitieve Nota
Ruimte.
Dat was het blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De eerste vraag is van collega Zalinyan,
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
In de eerste plaats dank ik de minister voor het begin van haar
beantwoording. Ik hoorde haar over de regio's zeggen dat elke regio telt
en ook dat de regio's zich vertegenwoordigd kunnen vinden in de Nota
Ruimte. Maar we hebben natuurlijk verschillende zienswijzen gezien en
hebben provincies gesproken, maar ook gemeenten. Die geven aan: wij
hebben meer ambitie, wij kunnen meer aan, ook als het gaat over
woningbouw. Denk daarbij aan bijvoorbeeld de regio Emmen, maar ook aan
de regio Noord-Holland-Noord. Op welke manier reflecteert de minister
dan op die zienswijze, dat zij zich niet vertegenwoordigd en gewaardeerd
voelen in de Nota Ruimte?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Op specifiek Emmen kom ik later in de beantwoording nog terug. Ik weet
dat wat we nu hebben liggen, tot op zekere hoogte draagvlak heeft. Dat
laat de hoeveelheid zienswijzen denk ik ook zien; we hebben een
behoorlijk aantal zienswijzen en deelzienswijzen gekregen. Daar zijn we
nu naar aan het kijken. Dat gaat er ook toe leiden dat we de Nota Ruimte
op een aantal punten zullen gaan aanpassen en dat we al die zienswijzen
gaan beantwoorden. Ik denk niet dat het mogelijk gaat zijn dat we
iedereen tevreden kunnen stellen met alle antwoorden die we gaan geven,
maar we gaan wel onze uiterste best doen om dat wel te doen en vooral in
gesprek te blijven. Daarbij hecht ik vooral aan transparantie, waarbij
we dan heel helder communiceren dat we iets niet kunnen doen of iets
niet kunnen accommoderen.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vervolgvraag, die er een beetje mee te maken heeft. Die gaat
over de opmerking dat de gemeenten zelf de afwegingen moeten maken
tussen bijvoorbeeld wonen, werken, maar ook recreatie en een gezonde
leefomgeving. Dat heeft dan ook te maken met wat de regierol van de
overheid is en waar de balans zit tussen de afwegingen die de gemeenten
maken en die het Rijk gaat maken. Daar zit een soort spanningsveld
tussen. Hoe kijkt de minister naar het spanningsveld tussen de
gemeenten, provincies en verschillende lagen überhaupt en de regierol
die de minister zelf ook heeft?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dit gaat eindelijk natuurlijk over heel Nederland. We zullen een
afweging moeten maken tussen gebieden. Ik denk dat onze VISTA-strategie
ons daar ook gewoon bij gaat helpen om bepaalde keuzes te maken.
Nogmaals, dat moet transparant, want het gaat niet lukken om iedereen
datgene te geven waarvan hij of zij denkt dat dat op dat moment in de
regio zou kunnen. Maar daarvoor geldt ook deze visie, namelijk dat we
eroverheen blijven kijken, dat we er met elkaar verstandige keuzes in
maken. Soms is het ook zo dat iemand moet wachten totdat iemand anders
iets heeft ontwikkeld. Dat afwegingskader moet dus transparant zijn. Hoe
we tot besluitvorming komen, moet ook transparant zijn. Dat we echt
luisteren en dat we zien dat er ergens kansen zijn die misschien niet
helemaal passen in wat we hebben opgesteld, daar moeten we ook het
gesprek over aangaan. Dat gaan we doen en dat blijven we ook heel
nadrukkelijk doen. Ik kan u alleen op dit moment nog niet meegeven hoe
dat eruit gaat zien. Het enige wat ik u kan beloven en toezeggen, is dat
ik ga luisteren en in gesprek zal blijven en dat we ook transparant
zullen zijn als iets niet kan of nu niet kan.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn vragen van mevrouw Steen en van het lid Kostić. Als
eerste mevrouw Steen.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik spaar 'm even op, want hij lag wel heel dicht bij de vraag van
collega Zalinyan.
De voorzitter:
Dat is mooi. Het lid Kostić en daarna het lid Peter de Groot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik maak mij wel een beetje zorgen. Ik snap dat de minister tijd nodig
heeft om alle visies te verwerken, maar dat ze meteen zegt "ik ga de
adviezen van het PBL niet overnemen" terwijl het PBL eigenlijk heel
terecht zegt dat het heel belangrijk is om de omgevingskwaliteit, de
milieukwaliteit, beter te borgen, dat ga ik niet overnemen. Het staat er
eigenlijk al in. Kan de minister misschien toch nog even kijken wat daar
precies in staat en dan toch toezeggen dat beter te verwerken in een
toekomstige versie van de Nota Ruimte?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Als ik dat zo heb gezegd, heb ik dat in ieder geval niet zo bedoeld. Wat
ik bedoel te zeggen is dat ik denk dat het er al voldoende in staat en
dat ik het daarmee niet nog verder hoef op te nemen, omdat ik van mening
ben dat het er al goed in staat.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dit wordt een beetje moeilijk debatteren, want dat is precies wat ik
zei. De minister zegt "ik vind dit", maar het PBL zegt dat dat niet waar
is, dat het niet goed is geborgd en dat je het integraal moet borgen,
juist ook vanuit de doelen in de Omgevingswet. Je moet het eigenlijk
gebruiken als een toetssteen voor de rest van je plannen. Ook de
Commissie mer heeft het erover dat die gezonde leefomgeving onvoldoende
geborgd is. Dus nogmaals mijn vraag. Misschien heeft de minister nu een
mening, maar is de minister bereid om toch te kijken of er in het
vervolg een betere uitwerking zou kunnen komen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik beloof u of ik zeg toe — vergeef mij als ik niet gelijk de juiste
taal gebruik — dat ik in gesprek zal gaan met PBL om te kijken of wij
hetzelfde bedoelen of dat we echt verschillende dingen zeggen. Dat kan
ik doen.
De voorzitter:
Dan komt er altijd een formele vraag, want bij een toezegging hoort ook
een termijn waarop er wordt teruggekoppeld naar de Kamer. Kunt u dat
zeggen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat zou dan bij de definitieve nota zijn, na de zomer. Dan leest u dat
terug.
De voorzitter:
Ik zie dat het lid Kostić wil onderhandelen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb vandaag nog niet zo heel veel te onderhandelen.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik ben dankbaar voor wat er nu wordt gezegd, maar het is wel echt laat
om pas aan het einde van een proces de Kamer te informeren wat de
minister heeft besproken met het PBL en wat zij daarvan vindt. Ik zou de
minister toch willen stimuleren om te kijken of dat iets eerder kan,
zodat de Kamer er ook op tijd iets van kan vinden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik stel dan voor dat ik voor de zomer met een appreciatie kom op basis
van dat gesprek.
De voorzitter:
Kijk, zo komen we ergens. Dan ga ik naar de heer Peter de Groot, VVD,
voor een vraag.
De heer Peter de Groot (VVD):
Met het risico dat de beantwoording nog volgt, ga ik toch alvast een
aftrap doen. Ik hoor de minister vaak zeggen: we doen het in
samenwerking met iedereen. Ik denk dat het gesprek aangaan en
transparant zijn een heel mooi en goed uitgangspunt is. Maar neem het
geval van Emmen. Emmen is niet tevreden. Hoe ga je daarmee om? Als het
veld zelf zegt meer te willen en ook te zien dat het meer kan, hoe doe
je dat dan op een goede manier?
En andersom heb ik heel veel vragen gesteld die erover gaan hoe de
minister regie gaat pakken als provincies of gemeenten op een gegeven
moment in het proces een andere keuze maken of niet willen meewerken Dat
gaat dus over doorzeggingsmacht. Ik zou daar nog graag een antwoord op
zien van de minister. Op een gegeven moment leggen we het vast met
elkaar en dan moet er ook geleverd worden, bijvoorbeeld als het gaat
over defensie en defensielocaties, iets waarmee de minister zelf goed
bekend is. Hoe ga je dan doorpakken?
De voorzitter:
Helder. Twee vragen in één, eigenlijk. De minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zowel op het instrumentarium defensie als op Emmen kom ik in andere
blokjes nog terug.
De voorzitter:
Ik streep 'm wel even weg. Zijn er nog vragen in dit blok? Ik zie de
heer Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik kon nog niet helemaal chocola maken van het antwoord van zojuist op
de vraag waar deze Nota Ruimte toe optelt qua ruimteclaims. De minister
reageerde begripvol, maar ik kom er niet helemaal uit als ik chocola
probeer te maken van al deze visiekaarten, thematische kaarten en weet
ik wat allemaal. Er komt geen tabelletje uit van de totale ruimteclaim
per domein, integraal en als je het corrigeert voor meervoudig
ruimtegebruik. Kan de minister de Kamer helpen aan dat inzicht?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
We hebben er in de strategie om te komen tot deze visie niet voor
gekozen om in hectares te werken. Ik begrijp de vraag die u stelt goed,
maar dat is nooit onderwerp geweest van hoe we tot deze nota zijn
gekomen. Als dit aan de voorkant als leidend principe was meegenomen bij
het opbouwen van deze visie, dan zou een hele logische laatste vraag
zijn: hoe ziet die tabel er op het einde uit? Maar zo is het niet
gebeurd. Ik begrijp uw vraag wel, maar ik weet nog niet goed hoe ik die
nu kan beantwoorden. Het enige wat ik kan doen is daarover nadenken in
de komende weken om te zien op welke manier we iets kunnen doen met uw
vraag, zonder dat we alles gaan omzetten in een getallenmatrix, want zo
ging het ook nooit in de afgelopen twee kabinetten. Als we dat nu gaan
doen, dan vrees ik dat we gruwelijk veel tijd verliezen aan het
doorrekenen van alles en volgens mij is dat niet wat u vraagt. Ik weet
niet of er een variant bestaat waarin ik daar nog eens goed met u naar
ga kijken om te zien hoe u ik uw informatie- en kennisbehoefte kan
bedienen.
De voorzitter:
Die variant bestaat natuurlijk altijd, hoewel de Kamer natuurlijk ook
graag geïnformeerd wil worden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor dit oprechte antwoord. Het is natuurlijk nog een beetje
zoeken. Ik snap dat de ontwerpprincipes niet zo waren dat je aan het
einde een tabelletje krijgt waarin staat: zo veel ruimte hebben we, zo
veel claims zijn er en dit is het probleem, dat we links- of rechtsom
moeten oplossen, ofwel door het omlaag schroeven van de ambities ofwel
door het verzinnen van een andere list. Maar ik denk dat het voor ons
als Kamer wel prettig is om hierin meegenomen te worden, omdat dit
uiteindelijk wel landt in onze ruimte. Je moet zicht hebben op de vraag:
waar zijn de ruimteclaims strijdig, waar kan het wel en waar kan het
niet? Ik ga daar ook nog over nadenken. Misschien heb ik nog een
uitspraak in de tweede termijn hierover. Ik neem de handschoen van de
minister graag aan om hierover nog eens van gedachten te wisselen.
De voorzitter:
Ik zie veel leden knikken, dus dit is een interessant punt. Ik zie ook
dat er interrupties worden teruggetrokken. Dit leeft breed. Ik vraag de
minister om naar haar tweede blok in de beantwoording te gaan.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Meerdere fracties hebben vragen gesteld over de
VISTA-strategie. De VISTA-strategie geeft op hoofdlijnen de kaders aan
voor de inzet op woningbouw en de ruimtelijke economische ontwikkeling
per regio voor de langere termijn, na 2035. VISTA is gebaseerd op een
uitgebreid onderzoek. Een deel daarvan heb ik vorige week met uw Kamer
gedeeld. In de komende periode ga ik VISTA gebiedsgericht uitwerken
samen met de medeoverheden.
Daarbij zullen we goed de verbinding leggen met bestaande
Rijk-regiosamenwerkingen, zoals de NOVEX-gebieden en de
verstedelijkingsstrategieën. De VISTA-strategie gaat nog niet in op de
verdeling van de financiële middelen, maar we willen door samen te
studeren wel de randvoorwaarden in beeld gaan brengen die nodig zijn
voor de regionale ontwikkeling op de langere termijn. Dat vraagt in alle
regio's een actieve rol van het Rijk in de samenwerking.
De VISTA-strategie is uitdrukkelijk geen hiërarchische indeling, maar
beoogt juist voor iedere regio een passend kader te bieden en
duidelijkheid te scheppen over hoe het Rijk tegen de ontwikkelpotentie
en grote opgaven aankijkt. Elke regio telt, maar elke regio heeft ook
zijn eigen kansen en opgaven. VISTA bestaat uit vijf strategieën op
hoofdlijnen: Versterken, Initiëren, Stimuleren, Transformeren en
Accommoderen.
Er zijn veel vragen gesteld specifiek over Emmen en de regio Zuid- en
Oost-Drenthe. Waarom is deze regio onder Versterken geschaard en niet
onder Initiëren? Omdat het Rijk met VISTA naar elke regio een
geloofwaardige en haalbare verwachting wil uitspreken, past Versterken
bij de regio Emmen. Anders dan de drie initiërende regio's beschikt
Emmen niet over een groot kenniscluster met universiteiten en
specialistische kennisinstellingen. Anders dan de drie initiërende
regio's is Emmen niet gelegen aan een grote toekomstige internationale
corridor voor personenvervoer, maar wel aan de Nedersaksenlijn. Emmen
heeft niet de mate van stedelijkheid die de drie initiërende regio's wel
hebben. Deze hebben drie à vier keer zoveel inwoners en arbeidsplaatsen.
De ontwikkeling van de afgelopen jaren geeft ook geen aanleiding voor de
verwachting van een veel snellere groei in arbeidsplaatsen in de regio
Emmen. Deze was met 5.200 banen ruim een factor acht kleiner dan de
44.000 banen in Twente en daarbij ook relatief veel lager dan het
nationale gemiddelde.
Tegelijkertijd willen we wel recht doen aan kansen voor de ontwikkeling
van wonen, werken en bereikbaarheid in de regio Emmen. Er zijn in de
Ontwerp-Nota Ruimte in Emmen twee regionale grootschalige
woningbouwlocaties aangewezen, met gezamenlijk 4.000 woningen. Ook is
Emmen als onderdeel van het energie-intensieve cluster Noord-Nederland
op de kaart gezet. De aanleg van de Nedersaksenlijn ondersteunt deze
impuls van de regio Emmen.
Dan een vraag van D66 en de VVD, over voorzieningen, groen en sport in
de nota en de uitvoeringsstrategie openbaar vervoer buiten de steden.
Een huis wordt pas een thuis in de complete leefomgeving. Voorzieningen
en sport- en groenbeleid zijn overwegend een lokale aangelegenheid, maar
wij denken wel met OCW en VWS na over hoe we binnen het Rijk een goede
verbinding houden tussen sociaal en ruimtelijk. Dat krijgt mede op basis
van het coalitieakkoord zijn beslag binnen onder andere de grootschalige
woningbouwlocaties met een totaalaanpak woningbouw. Zo geef ik het ook
een plek in de uitvoeringsstrategie. Die totaalaanpak heeft het bouwen
van complete wijken tot doel. Dat doen we door beleidskolommen en
sectorale programma's economie met elkaar te verbinden.
Daarnaast bekijken we met verschillende regio's hoe ruimtelijke ordening
kan bijdragen aan het in stand houden van een goed voorzieningenniveau.
Dan kun je denken aan het clusteren van voorzieningen, zodat ze van
elkaars aanwezigheid profiteren. Ook kan het slim plannen van woningbouw
regionaal of lokaal het draagvlak voor voorzieningen versterken,
bijvoorbeeld door ouderenwoningen in het dorpscentrum te bouwen of
regionale plannen te clusteren in een kern met brede
verzorgingsfunctie.
Meerdere partijen, waaronder de ChristenUnie, GroenLinks-PvdA en de VVD,
vroegen naar het borgen van een doorzettingsmacht voor de 30
woningbouwlocaties. Een woningvoorraad die aansluit bij de woonbehoefte
is een van de dertien nationale belangen, zoals opgenomen in de
Ontwerp-Nota Ruimte. In het ontwerp zijn op dit moment 21 nationale
grootschalige woningbouwlocaties aangewezen waarop rijksregie nodig is.
Zoals in het coalitieakkoord is aangegeven, werken we toe naar 30
nationale grootschalige woningbouwlocaties.
Afgelopen vrijdag is de opdrachtbrief voor de ministeriële taskforce
voor het versnellen van de woningbouw gepubliceerd. Hierin is onder
andere opdracht gegeven tot het aanwijzen van negen nieuwe nationale
grootschalige woningbouwlocaties, boven op de bestaande 21. Dit kan ook
gaan om het opplussen van bestaande locaties. Ook is daarin opdracht
gegeven tot het creëren van de juiste ruimtelijke, juridische en
financiële randvoorwaarden voor de 30 nationale locaties, om de
uitvoering te borgen. Bij de verdere uitwerking van deze rijksregie zal
ook nadrukkelijk gekeken worden naar het juridisch instrumentarium om
doorzettingsmacht in te zetten indien dat nodig is.
Dan de vraag van het CDA over een wijkje erbij. In het kader van de
woondeals heb ik met alle woondealregio's regelmatig overleg. Vandaag,
tijdens dit debat, vond er ook één plaats. In deze gesprekken bespreken
we de woningbouw in de volle breedte. Dit kan gaan om grote projecten,
maar ook om kleine projecten aan de rand van steden of dorpen. Alle
locaties tellen mee, of deze nou grootschalig of kleinschalig zijn en of
deze nou in een metropoolkern of juist in lokale kern liggen. In het
kader van de woondeals inventariseer ik reeds onder welke voorwaarden
versnelling of realisatie mogelijk is. Knelpunten en obstakels komen op
deze manier aan het licht. Daarnaast stimuleer ik in alle regio's de
oprichting van versnellingstafels, waarin overheden en marktpartijen
vroegtijdig knelpunten kunnen signaleren en oplossen.
Dan een vraag van GroenLinks-PvdA over de woningcorporaties. Corporaties
hebben een grote woningbouwopgave. In de Nationale Prestatieafspraken
hebben we afgesproken dat zij aan de lat staan voor de bouw van 30.000
woningen per jaar. Zij hoeven daarvoor niet per se de grond zelf in
handen te hebben; veel corporaties nemen woningen turnkey af van
ontwikkelaars. Daarnaast hebben sommige corporaties een eigen
ontwikkelbedrijf, ontwikkelen ze eigen grondposities of kopen grond van
een gemeente. Het is belangrijk dat corporaties een goede positie hebben
bij gebiedsontwikkeling. Gemeenten kunnen verschillende
beleidsmaatregelen treffen zodat corporaties een stevige positie hebben
bij gebiedsontwikkkeling.
Ook werk ik momenteel aan een handreiking met als doel meer
eenduidigheid en redelijke grondprijzen voor sociale huurwoningen in
Nederland. Voor woningcorporaties is er recent gestart met het Fonds
Coöperatief Wonen voor betaalbare nieuwbouwwoningen. Daarin investeert
het Rijk 60 miljoen.
Dan de vraag van D66 over bodemdaling. Bodemdaling, eigenlijk
bodemkwaliteit, valt onder nationaal belang nummer 1: goede en gezonde
leefomgevingskwaliteit, waar we bij "bodemkwaliteit" ook bedoelen de
bodemgesteldheid en de draagkracht van de bodem. In de Nota Ruimte staat
dat we werken aan het in goede balans brengen van de regionale water- en
bodemsystemen, waarbij wordt ingezet op het beperken van bodemdaling,
onder andere om funderingsschade en maatschappelijke kosten verder te
beperken. In bestaand stedelijk gebied dient schade door bodemdaling zo
veel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door te
investeren in onder andere grondwaterbeheer of het vervangen van
schadegevoelige elementen door bodemdalingsbestendige alternatieven. Dit
is dus breder dan alleen in veenweidegebieden, maar de peilopzet in de
veenweidegebieden biedt ook een oplossing voor de funderingsproblematiek
in het stedelijk gebied, omdat dit breder doorwerkt dan alleen in de
veenweidegebieden.
We werken hard aan het voorkomen van bodemdaling in bebouwd gebied via
de Nationale Aanpak Funderingen. Dit is een gezamenlijke aanpak van
Rijk, gemeenten, provincies, waterschappen, kennisinstellingen en
marktpartijen. Deze aanpak zullen we expliciet meenemen in de
uitvoeringsstrategie voor de Nota Ruimte. Deze aanpak moet eraan
bijdragen dat wooneigenaren veilig en toekomstbestendig kunnen wonen.
Hiervoor is tot eind 2028 56 miljoen beschikbaar.
Dan de vraag van de SGP over wonen en werken in en bereikbaarheid van
kleine kernen. In de Ontwerp-Nota Ruimte wordt geen harde grens
gehanteerd voor kleine kernen. Het gaat in algemene zin over dorpen en
kleine steden met een beperkt aantal inwoners, vaak gelegen in een meer
landelijke omgeving. Zoals staat aangegeven in de Ontwerp-Nota Ruimte is
Elke regio telt! het uitgangspunt. We hebben heel Nederland en alle
Nederlanders nodig om de maatschappelijke opgaven te realiseren.
Tegelijk bieden we aan iedere regio perspectief passend bij lokale
kansen en kwaliteiten. De inzet zal daarom ook niet overal hetzelfde
zijn; kleine kernen vereisen een andere inzet dan de vier grote steden.
In kleine kernen kan kleinschalige uitbreiding, straatje erbij, straatje
erin of een wijkje erbij, bijvoorbeeld het draagvlak voor lokale
voorzieningen vergroten, terwijl het in grote steden vaker gaat over
grootschalige woningbouw. In sommige kleine kernen zal een extra stap
nodig zijn, maar dat geldt niet in algemene zin voor alle kleine
kernen.
Dan een vraag van de SGP over segregatie. Bij gebiedsontwikkeling gaan
we uit van gemengde wijken. Hierbij geldt op regionaal niveau dat twee
derde van de woningen betaalbaar moet zijn: sociale huur, middenhuur en
betaalbare koop. Hier zet ik mij met andere overheden voor in. Ik
ondersteun dit ook financieel met bijvoorbeeld de
Woningbouwimpuls.
De SGP stelde ook een vraag over de wandel- en fietsinfrastructuur. De
inrichting van de leefomgeving is van grote invloed op hoeveel mensen
bewegen door te lopen en te fietsen. Daar heeft de Ontwerp-Nota Ruimte
in algemene zin dan ook veel aandacht voor. Het ministerie van IenW
biedt ondersteuning aan maatschappelijke organisaties die het lopen
bevorderen, zoals aan het platform Ruimte voor Lopen en Wandelnet. De
daadwerkelijke aanleg en het in stand houden van wandel- en
fietsinfrastructuur is een lokale verantwoordelijkheid van gemeenten en
provincies.
Dan de vraag van PvdA-GroenLinks over openbaar vervoer buiten de steden.
Dit is primair aan de collega van IenW. Het gaat over het vormen van
aanvullend openbaar vervoer en vervoer op maat: publieke mobiliteit
zoals we dat noemen. Dat is aanvullend op reguliere vormen van het ov,
zoals een buslijn. Het is meer vraagafhankelijk en kan snel inspelen op
de individuele reisbehoefte van bewoners van dorpen in het landelijk
gebied. Dit werken we met de regio's uit in de regionale
bereikbaarheidsprofielen.
Dan de vraag van het CDA over de financiering van woningbouw en
infrastructuur. Ik kan me goed vinden in de oproep dat wonen en
bereikbaarheid hand in hand moeten gaan. Zo hebben we dat ook omschreven
in de Ontwerp-Nota Ruimte. Ook in het coalitieakkoord hebben we
afgesproken dat we investeren in de aanleg van nieuwe infrastructuur die
nodig is voor het ontsluiten van nieuwe woningbouw. Bij de prioritering
van nieuwe aanlegprojecten wordt gekozen voor projecten die aantoonbaar
bijdragen aan woningbouw, bereikbaarheid en economische ontwikkeling.
Binnen het kabinet ga ik deze uitgangspunten de komende periode samen
met mijn collega van IenW verder concretiseren.
Dan de vraag van de SP over recreatie. Ik ben het met u eens dat
recreatie belangrijk is. De concrete invulling is echter een lokale
aangelegenheid. Het is aan de gemeenten om in hun omgevingsplan te
differentiëren. Ik hou me met name bezig met het wonen op
recreatieparken en de transformatie daarvan.
Tot slot de vraag van de SP over de herstructurering. Wij zijn niet bij
alle plannen voor herstructurering betrokken. Als het bijvoorbeeld gaat
om sloop en nieuwbouw in bestaande wijken blijft overeind dat regionaal
moet worden voldaan aan de eis dat twee derde van de woningen betaalbaar
moet zijn.
Dit was het mapje wonen, werken en bereikbaarheid.
De voorzitter:
Er zijn heel veel vragen over dit blokje: Clemminck, Beckerman, Mooiman,
Zalinyan, Van Asten, nou ja, iedereen zo ongeveer. Ik ga gewoon
beginnen.
De heer Clemminck (JA21):
Even terug naar Emmen. De minister gaf een heel rijtje van zaken waaraan
Emmen niet voldoet. Ik was even bang dat ze ook nog ging noemen dat
Emmen geen Eredivisieclub heeft en dat het daarom bij "versterken"
staat. Even los van de vraag of dat nou wel of niet klopt: volgens mij
zit er bij heel veel gemeenten — het geldt namelijk niet alleen voor
Emmen — een zorg in de zin dat de duiding op de kaart en de duiding in
de VISTA-strategie nu analytisch hebben plaatsgevonden maar in zekere
zin nog geen praktische doorwerking hebben. Het zou zomaar kunnen dat er
over anderhalf jaar een investeringsfonds van het ministerie komt en dat
u dan alsnog gaat terugverwijzen naar de duiding in de VISTA-strategie.
Daar zit denk ik een groot deel van de zorg van heel veel gemeenten.
Bent u voornemens om in de toekomst toch terug te grijpen op de duiding
in de VISTA-strategie voor het toekennen van middelen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat voor mij het belangrijkste is dat de VISTA-strategie niet
wordt gezien als iets waar een hiërarchie in zit. Dat gevoel bekruipt me
een beetje als we het erover hebben dat het een belangrijker is dan het
ander. Het is een systeem waar we mee werken en dat ons een beetje
houvast geeft, want anders staan alle tollen natuurlijk los, maar het is
niet in beton gegoten. Daarom zei ik in mijn introducerende woorden ook
dat het weinig zin heeft om te wachten tot alle onzekerheden zekerheden
zijn geworden, want dan komt die visie er nooit en dan komen er dus ook
geen uitvoeringsagenda en geen uitvoering. Het is dus niet in beton
gegoten. Mochten zich ontwikkelingen voordoen waarvan we allemaal vinden
dat daarbij aan alle criteria wordt voldaan, dan is dat niet uit te
sluiten.
De heer Clemminck (JA21):
Dat is op zich interessant, maar het is geen antwoord op mijn vraag.
Mijn vraag was namelijk: grijpt u in de toekomst, op het moment dat u
middelen gaat uitkeren vanuit het ministerie of vanuit het kabinet,
terug op de status in de VISTA-strategie?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wij kijken naar de ontwikkelingen die horen bij wat zich dan voordoet.
Het is niet zo dat er naar de ene letter meer funding gaat dan naar de
andere letter. Het gaat om de opgave die daaraan verbonden is en om de
financiën die daarvoor nodig zijn.
De voorzitter:
Ik kijk heel even rond, want ik heb heel veel namen op mijn lijstje
staan. Zijn er vragen die specifiek op dit punt doorgaan? Dat is
misschien goed voor de clustering.
De heer Peter de Groot (VVD):
Ik zal dan alleen een vraag stellen over Emmen en mijn andere
interruptie bewaren voor daarna. Ik zou graag het volgende willen vragen
aan de minister. Emmen ligt toch aan de vervoerscorridor A28-A37/E233,
richting Hamburg. Die mis ik eigenlijk ook in de Nota Ruimte. Straks
ligt Emmen aan de nieuwe spoorlijn en haalt het het kennisnetwerk, het
innovatienetwerk, de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de
Rijksuniversiteit Groningen naar zich toe. Ik zou de vraag eigenlijk
willen omdraaien. We hebben drie gebieden die aan het initiëren zijn.
Wat is er dan op tegen om te zeggen dat het Groningen, Assen en Emmen
worden? Wat is daar nou op tegen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat het goed is dat je, als je op een gegeven moment met elkaar
afspreekt "op deze manier gaan we het met elkaar doen en dit zijn de
letters die bij de bepaalde regio's horen", dat in eerste aanleg
uitwerkt. Als we in het verdere traject tot de conclusie komen dat we
een andere keuze moeten maken, vindt u mij altijd aan uw zijde om die
andere keuze te maken. Daarom zei ik ook dat het niet in beton gegoten
is, maar op dit moment wil ik graag vasthouden aan de manier waarop we
nu de indeling hebben gedaan.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dat is nog geen begin van een antwoord op mijn vraag. Ik vroeg wat er
inhoudelijk op tegen is. Ik heb de minister horen zeggen dat er
voldoende ontwikkeling qua banen mogelijk moet zijn in de regio en dat
is terecht, maar ik heb de minister ook antwoorden horen geven die
alleen over Emmen gingen. Het gaat natuurlijk niet alleen om Emmen, maar
om die hele initieerregio, waarin men elkaar kan versterken. Ik zou dus
graag willen weten wat er inhoudelijk op tegen is om te zeggen: Emmen
past in het rijtje van Groningen en Assen. Daar past Emmen prima bij,
ook als je kijkt naar voorwaarden die al ingevuld zijn. Als je het dan
op een breder en groter gebied plakt, praat je natuurlijk over hele
andere aantallen banen en mogelijkheden die dan in die initieerregio
zouden kunnen worden ontwikkeld. Dus nogmaals de vraag wat erop tegen is
om te zeggen dat het Groningen, Assen en Emmen wordt. Daarmee versterk
je namelijk de hele regio. Ik ben het helemaal eens met het volgende.
VISTA is wat mij betreft geen concurrerend model, maar de betekenissen
zijn wel heel verschillend.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik hoor wat u zegt. Ik wil graag vasthouden aan wat wij daar aan onze
kant initieel over hebben vastgelegd. Ik zal op werkbezoek gaan. Ik zal
met de mensen die hier vandaag aanwezig zijn daarover in gesprek gaan.
Ik heb geen onwelwillend oor, maar ik wil op dit moment niet de
toezegging doen dat ik dat ga aanpassen.
De voorzitter:
Ik ga, misschien namens de heer De Groot, toch even met u onderhandelen.
U zegt dat u nog geen toezegging gaat doen om daarop terug te komen,
maar misschien kunt u wel de toezegging doen om de Kamer verslag te doen
van wat u gehoord heeft.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is uiteraard geen enkel probleem, voorzitter.
De voorzitter:
Helder. Kunt u daar een datum aan koppelen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik weet niet wanneer ik welkom ben, maar waarschijnlijk zeggen de
Kamerleden "morgen". Ik ga proberen dat in de komende weken in te passen
in mijn agenda. Dan kom ik met het verslag.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan schrijven we dat op. Zijn er meer leden die juist op dit
punt willen doorvragen? Dat is niet het geval, dus dan ga ik gewoon het
lijstje even af. Als eerste de heer Mooiman.
De heer Mooiman (PVV):
Ik zou toch nog even willen vragen naar de middelen, niet alleen ten
aanzien van de VISTA-strategie, maar ook ten aanzien van het geheel, die
30 grote woningbouwlocaties, waarvan er 9 nieuw zijn. Het vorige kabinet
heeft daar natuurlijk 2,5 miljard voor vrijgemaakt. Ik vind het wel een
beetje lastig, omdat dit kabinet er in feite geen middelen voor heeft
vrijgemaakt. Mijn vraag is dan toch hoe de minister dat in de toekomst
ziet. Waar wil zij die middelen uit putten en zit daar een soort maximum
aan?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
U heeft helemaal gelijk dat daar geen extra middelen voor zijn
toegekend, dus we zullen moeten gaan bekijken waar we kunnen bundelen en
waar we mogelijkheden zien om toch te realiseren wat we willen
realiseren.
De heer Mooiman (PVV):
Dat is in ieder geval een oprecht antwoord. Tegelijkertijd hoop ik dat
we die dan wel kunnen vinden, zeker gelet op de grote uitdagingen die we
met elkaar hebben. In het verlengde liggen eigenlijk die negen locaties
zelf en het bouwrijp maken daarvan. Klopt het dat daarvoor dan nu ook
geen geld beschikbaar is, dus los van de bereikbaarheidsopgave?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Er is wel 7 miljard extra voor de woningbouw in het coalitieakkoord
opgenomen, dus dat zal hieraan gekoppeld moeten worden.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even naar de andere vragenstellers die zich gemeld
hebben, om te zien of ze op dit onderwerp zitten. U was sowieso al de
volgende, mevrouw Steens.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik wil hier toch even op doorgaan. Ik heb inderdaad de vraag gesteld hoe
we er nou voor kunnen zorgen dat woningbouw en bereikbaarheid hand in
hand kunnen gaan, nog los van de nieuwe woningbouwlocaties. Inderdaad,
die 7 miljard ligt er natuurlijk ook. De achtergrond van mijn vraag was
eigenlijk het feit dat we hebben gezien dat er bijvoorbeeld rondom de
nieuwe woningbouw- en verstedelijkingslocaties op een gegeven moment wel
een gebiedsbudget was, maar dat vanuit het Mobiliteitsfonds in één keer
het geld voor bereikbaarheid was verdwenen. Dat potje was gewoon leeg.
Dan zie je dus dat er aan de ene kant wel huizen kunnen worden gebouwd,
maar aan de andere kant de bereikbaarheid daaronder leed. Ik hoorde u
zeggen: ik ga het samen met de minister van IenW concretiseren. Mijn
zorg ligt daar nu juist. Als dat bij twee verschillende ministeries
ligt, dan blijven we natuurlijk uiteindelijk de kans houden dat het ene
budget wel wordt toegekend en het andere niet.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Steen (CDA):
Mijn vraag is: kunt u daar als coördinerend minister een sterke
regisserende rol in pakken, zodat we ervoor kunnen zorgen dat die
budgetten, die eigenlijk bedoeld zijn om in dat brede pakket samen te
bundelen, op elkaar blijven worden afgestemd?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De middelen voor het woningbouwdeel zitten bij VRO. U vraagt dan: als de
middelen van IenW dan bij IenW zitten, hoe voorkomen we dan dat we
straks ergens een fietspad hebben maar geen woonwijk of vice versa? Dat
lijkt me een hele terechte vraag. Het zou totaal onwenselijk zijn als
dat zou gebeuren. Ik ga er dus op basis van de samenwerking in de
coalitie van uit dat we hier heel nadrukkelijk naar kijken, zodat we
straks idealiter geen woonwijken hebben zonder mobiliteit en geen
mobiliteit zonder woonwijken. Ik hoor u dus goed.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik denk dat niemand dat nu wil en dat ook niemand in het verleden dat
heeft gewild, maar het is toch gebeurd op drie verschillende plekken in
het land, nog niet eens zo heel erg lang geleden; laat ik het zo maar
zeggen. Ik dring er dus wel echt op aan ervoor te zorgen dat die
budgetten op een goede manier worden samengebundeld en dat jullie samen
optrekken. Misschien kunt u er ook over rapporteren aan de Kamer hoe u
dat gaat doen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik zie dat als een aanmoediging om geen dingen te doen die onverstandig
zijn en om ervoor te zorgen dat we dat in de verschillende overlegfora
die er zijn nadrukkelijk elke keer tafelen.
De voorzitter:
Zijn er andere collega's die op dit punt een vraag hadden willen
stellen?
De heer Peter de Groot (VVD):
Meer op het punt van woningbouwlocaties, maar daar gaat dit natuurlijk
ook wel een beetje over. De afgelopen jaren is best gebleken dat het
moeilijk is om extra woningbouwlocaties toe te voegen. Daar gaat mijn
vraag aan de minister ook over. Ik heb daar wat inzicht in cijfers over
gegeven: 72% van de woningbouw vindt nu binnenstedelijk plaats. De
oproep van de VVD is dan ook: breng meer locaties buiten de steden in
beeld als je realistische en snel te realiseren woningbouwlocaties wilt
toevoegen. Mijn vraag aan de minister ging daar ook over. Hoe gaat de
minister sturen en welk instrumentarium heeft de minister als dat
uiteindelijk heel erg moeilijk blijkt? De afgelopen jaren is namelijk
wel gebleken dat het heel moeilijk is om woningbouwlocaties én aan te
wijzen én ze ook van de grond te krijgen. Daarom stel ik nog een keer
deze vraag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Mijn insteek zal altijd zijn om daar wel in gezamenlijkheid toe te
komen. Ik zie u al zorgelijk kijken: dat is een mooie aanname, maar zo
ziet de wereld er niet uit. Ik denk dat ik ook al een poosje weet dat de
wereld er zo niet uit ziet, maar ik heb wel gezien, bijvoorbeeld bij het
Programma Ruimte voor Defensie, dat het ons wel is gelukt om op één
opgave na alles in Nederland op een plek te krijgen, waarbij er ook
goede afspraken zijn gemaakt. Het is toch een heel eind met draagvlak
gelukt om iets wat niemand in zijn achtertuin wil hebben toch bij de
verschillende provincies in de achtertuin te krijgen. Ik heb de intent
om op precies dezelfde manier met dit vraagstuk om te gaan, namelijk
door heel goed met de medeoverheden te spreken om te bezien hoe we toch
gaan komen tot het realiseren van die woningen. Dit gaat namelijk niet
over bakstenen; dit gaat over het bouwen van thuizen. Dit gaat erover
dat we vinden dat de mensen die klem zitten recht hebben op een huis.
Elke gemeente, elke overheid en elke functionaris binnen het Rijk,
ambtelijk en politiek, zou er alles aan gelegen moeten zijn om ervoor te
zorgen dat iedereen gewoon een dak boven zijn eigen hoofd kan
hebben.
De heer Peter de Groot (VVD):
Zonder daarover direct heel zwaar op de hand te zijn het volgende.
Volgens mij was mijn eerste motie over Rijnenburg in 2022 en we bouwen
niet voor 2035. Ook in Almere Pampus, waarover mijn eerste motie uit
2023 dateert, stapelen we nog geen bakstenen. Mijn zorg betreft snelheid
en ook door bestuurlijke lagen heen breken als dat nodig is.
Samenwerking is altijd beter, maar soms is het nodig om in te grijpen.
Daar gaat regie ook over. Ik ben op zoek naar welke regie het dan gaat
zijn. Misschien bespreken we dat niet vandaag, maar doen we dat op een
ander moment. Ik ben ervan overtuigd dat we de regie en het
instrumentarium moeten inzetten om de woningbouwopgave in Nederland te
realiseren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan ben ik volledig met u eens. Ik zal ook niet schromen om dat soort
besluiten te nemen. Ik hoop alleen dat het niet nodig is. Ik hoop dat we
met z'n allen de opgave als dusdanig urgent ervaren dat het niet nodig
is dat ik eroverheen moet gaan om een besluit te nemen. Ik schuw zo'n
besluit niet, maar ik zal daar nooit in eerste instantie op inzetten.
Daarvoor hebben we ook de taskforce op wonen onder leiding van de
minister-president. Deze opgave krijgt daarin een hele serieuze plek op
de agenda.
De voorzitter:
Ik ga aan alle collega's vragen om kortere vragen te stellen, omdat we
anders uit de tijd lopen. Ik ga naar Zalinyan, GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de grondfaciliteit en de grondbank onder dit kopje vallen.
Ik weet niet of de minister daar in een ander blokje op terugkomt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die vraag komt later, in het mapje over water en bodem.
De voorzitter:
Dan streep ik deze interruptie weer weg. Dan ga ik naar het lid
Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De minister heeft het over woningbouw. Dat is heel belangrijk, maar
daarvoor is fysieke ruimte nodig, net als milieu- en gezondheidsruimte.
Ik heb net geschetst hoe die ruimte nu wordt verdeeld. Een groot
gedeelte van de grond wordt gebruikt door de vee-industrie. Daar komt de
luchtvaart nog bij, net als andere industrie. Je moet dus keuzes maken
volgens het PBL. Je moet ook aangeven wat je niet wilt. De Kamer heeft
niet voor niets de motie aangenomen waarin staat dat je altijd moet
kiezen voor gezondheid en wonen. Mijn concrete vraag is: welke keuzes
maakt de minister? Hoe gaat ze ruimte creëren voor woningbouw, fysieke
ruimte en milieuruimte? Is ze bereid om de aangenomen motie mee te nemen
in de verdere uitwerking van de Nota Ruimte?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Aangenomen moties neem je altijd mee, heb ik geleerd. Dus ja, die wordt
meegenomen. Tegelijkertijd gaan de verschillende taskforces naar al deze
complexe materie kijken, taskforces over wonen, over stikstof, over
landbouw en over natuur. Dat zullen we allemaal bij elkaar moeten
brengen om ervoor te zorgen dat we tot een gebalanceerde keuze komen.
Daarbij heeft de gezondheid van mensen natuurlijk hoge prioriteit. Zoals
ik al zei, staat gezondheid op één als het gaat om de belangen waarop de
hele Ontwerp-Nota Ruimte is gebouwd.
De voorzitter:
Het lid Kostić voor nog een vraag?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ja. Dit is gewoon heel fundamenteel. De minister kan dit wel zeggen,
maar het is nog niet geborgd in de Nota Ruimte. Mijn concrete vraag was:
hoe ga je in het geval van woningbouw zorgen voor fysieke én milieu- en
gezondheidsruimte? Die is er namelijk op dit moment nog niet. Welke
keuzes maakt de minister straks? Waar wordt er geschrapt? Er moet ergens
iets van af gaan.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb in het vorige blokje tegen u gezegd dat ik nog in gesprek zal
gaan met het PBL om te horen of we hetzelfde bedoelen maar het anders
opschrijven. Ik wil dat gesprek even afwachten om te weten of wij
hetzelfde bedoelen en het anders opschrijven. Misschien kunnen we dan
hetzelfde opschrijven, als dat het geval is. In dat geval komt er een
antwoord op uw vraag. Als wij inderdaad hetzelfde bedoelen en zeggen dat
het bovenaan staat, als landsbelang nummer één — dit is het
allerbelangrijkste om te doen — dan ben ik het met u eens en staan wij
volgens mij naast elkaar. Ik wil u vragen om mij even het huiswerk te
laten doen dat ik heb toegezegd. Ik heb daar volgens mij ook een
reflectie op beloofd. Ik zal dit meenemen in de reflectie, als u dat
goedvindt.
De voorzitter:
Dan ga ik naar het lid Grinwis van de ChristenUnie. Ik vraag hem om
daarna het voorzitterschap even over te nemen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Met alle plezier, voorzitter. Ik heb nog een vraag over de grootschalige
woningbouwlocaties van nationaal belang. Dat aantal gaat opgewaardeerd
worden van 21 naar 30. Daarnaast wordt in de Nota Ruimte gerept over 127
regionale woningbouwlocaties. Mijn vraag is waar ik dan precies aan moet
denken. Er is net een brief verschenen met een opdracht aan de taskforce
om hier eens over na te gaan denken. Waar denkt de minister nu zelf aan?
Gaat het vooral om het opwaarderen van regionale grootschalige
woningbouwlocaties, zoals bij Veenendaal-De Klomp, of krijgt ook een
project zoals IJstad, dat een grote rol heeft gespeeld in de campagne,
daar serieus een kans in? Hoe gaat dat in z'n werk?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het is precies de huiswerkopdracht aan de taskforce om daar antwoord op
te geven. Als u vraagt hoe ik in die taskforce ga zitten: mij gaat het
uiteindelijk om het bouwen van thuizen. Of we dat doen door het
opschalen van of dat we dat doen door het bouwen van nieuw, uiteindelijk
gaat het erom dat we die thuizen hebben voor mensen om in te wonen,
binnen een gemeenschap, binnen een veilige sociale en gezonde omgeving.
Maar het is nadrukkelijk de opdracht van de taskforce om hiernaar te
kijken.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De missie dat we mensen een thuis moeten geven, deel ik. Daar gaat het
om. Maar met hoeveel lef doe je dat? Neem zo'n nieuwe ontwikkeling in
het hart van het Amsterdamse metropoolgebied, tussen Almere en
Amsterdam. Als je zoiets niet expliciet meegeeft "bewandel nieuwe paden
en denk en handel met lef", dan gaat zo'n project niet uit die taskforce
komen. Dus hoe wordt daar nu op gestuurd? Er wordt van alles gezegd in
de Nota Ruimte over het belang van een soort waterbuffer, maar we weten
allemaal dat het met uitzakken en opzetten om veel grotere hoeveelheden
gaat dan die 1% à 2% van het IJsselmeergebied dat bebouwd zou gaan
worden. Hoe gaat de minister daarop sturen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik heb begrepen dat een van de criteria om mij te vragen voor deze post
was dat ik goed buiten de box kan denken en dat ik met lef alles durf te
benoemen. Ik kan dus alleen maar zeggen: dat is wat ik ga doen. Als het
over wonen gaat, ben ik geïnteresseerd in het bieden van thuizen aan
mensen die daar gewoon recht op hebben. Ongeacht of het gaat om groot of
klein, binnenstedelijk of buitenstedelijk, als er ergens iets nieuws
moet komen, ben ik geïnteresseerd in elke oplossing die ook voldoet aan
de criteria op het gebied van gezondheid en veiligheid, als het veilig
is voor mensen om daar te wonen. Dat staat voor mij nog allemaal
open.
De voorzitter:
Ik kijk even of er nog vragen waren op dit punt. Nee. Dan vraag ik
collega Grinwis om het voorzitterschap over te nemen.
Voorzitter: Grinwis
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman van de SP: aan u het woord.
Mevrouw Beckerman (SP):
De minister gaf ook antwoord op mijn vraag over recreatie. Daar had ik
wat moeite mee. We zien namelijk een golf van overnames, waarbij
traditionele campings, vaak door buitenlandse ketens, worden vervangen
door grootschaligere huisjesparken, soms villaparken. Dat heeft heel
veel impact op recreanten die hun plek verliezen. Het heeft ook heel
veel impact op het landschap, want het is toch een soort verstening. Een
gemeente op de Veluwe vroeg vorige week: we willen daar wat tegen doen,
maar we weten niet wat en we weten ook niet wat we mogen doen. De
minister verwijst het nu eigenlijk weer terug. Zou de minister die vraag
nog een keer opnieuw willen proberen te beantwoorden?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het is geen kwestie van 'm niet willen beantwoorden. Het is zo dat het
bij de gemeenten ligt. Maar als u zegt: ik hoor van de gemeentes, en
niet van één gemeente maar van een heleboel gemeenten, dat ze niet weten
wat ze moeten doen, dan lijkt het me een prima onderwerp om te agenderen
tijdens een van onze overleggen met de provincies en de gemeentes, om
inderdaad aan hen te vragen "weet u echt niet wat u moet doen"? Ik wil
voorkomen dat ik heel druk ben met beleid maken, terwijl er misschien al
beleid is of er richtlijnen zijn waar de lokale overheden gebruik van
kunnen maken. Ik wil dus best toezeggen dat wij het gaan agenderen voor
een overleg en dat ik daar dan ergens in een verzamelbrief of iets
dergelijks op terugkom. Maar meer dan dat kan ik op dit moment helaas
niet doen.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, ik proef een toezegging. Als we er 1 juli aan
koppelen, dan hebben we het ook helemaal concreet afgeconcludeerd. Is
dat voldoende voor u of zou u er nog op door willen gaan?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik wil hier nog heel even op doorgaan, als dat mag. Dank voor de
toezegging, maar het ligt toch ook echt op het bordje van de minister.
Het ligt niet alleen bij haar, maar het ligt wel degelijk ook bij haar.
Vorig jaar is er een motie van mijn fractie aangenomen om te komen tot
een nieuwe kampeerwet om natuur, landschap en recreanten beter te
beschermen. Dat is niet aan de gemeenten en daarom wil ik de minister
vragen hoe ze die motie wil gaan uitvoeren.
Gemeenten kijken nu naar een individueel plan, maar soms is het goed om
in samenhang in een regio te gaan kijken of in die regio niet alle
traditionele campings verdwijnen. Worden er niet te veel parken
omgebouwd? Dat was de reden waarom wij vragen: als zo'n herstructurering
wordt aangevraagd, ga je dan ook zo'n haalbaarheidsstudie doen? Daardoor
blijft er in elke regio plek voor betaalbaar kamperen en betaalbaar
recreëren. Daarmee leg ik één ding helemaal en één ding een beetje op
het bordje van de minister.
De voorzitter:
Minister, mevrouw Beckerman wil toch nog een stapje verder.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik probeer altijd te voorkomen dat ik in mijn antwoorden … Dat had ik
ook echt gevraagd aan de voorkant: voorkom dat ik antwoorden heb die
gaan van "dit is aan de minister van IenW", "dit is aan de minister van
KGG" en "dit is aan de minister van EZK". Maar dat is in dit geval wel
zo. De uitvoering hiervan ligt bij mijn collega van EZ. Wat ik dus kan
doen, is agenderen of er inderdaad meerdere gemeenten zijn die hiermee
worstelen en niet weten wat ze ermee moeten doen. Ik kan daarnaast bij
EZ ophalen hoever ze zijn en of er nog iets te doen is. En dat kan ik
dan in juli — dat zou mijn compromis zijn — in een verzamelbrief of op
een andere manier aan u terugkoppelen.
De voorzitter:
Bij dezen genoteerd, mevrouw de minister. En dan geef ik het
voorzitterschap weer terug aan mevrouw Beckerman.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Dank. Volgens mij zijn er geen vragen meer over blok 2. Toch wel!
Mevrouw Steen van het CDA heeft nog een vraag.
Mevrouw Steen (CDA):
Ik wil nog even door op het straatje en het wijkje erbij. Ik heb daar
een vraag over gesteld en ik hoor de minister daar dan over zeggen: "We
hebben de woondeals en daar hebben we het met elkaar daarover. Als er
obstakels zijn, leggen we dat op de versnellingstafel." De aard van mijn
vraag was … Kijk, het is belangrijk, hè. Die grootschalige woonlocaties
moeten we doen, want die zijn superbelangrijk. Maar ik hoorde de
minister ook zeggen: "Maar het is ook belangrijk dat we het
kleinschalige bekijken." En juist daar ligt, denk ik, ook een belangrijk
sturingsinstrument als het gaat over voorzieningen, leefbaarheid en dat
"thuis", waar de minister zelf ook zo aan hecht. Het CDA hecht daar ook
aan en daarom heeft het CDA ook nood aan inzicht daarin. Hoe staat het
daarmee? Wat is de impact op de voorzieningen? Kan de minister toezeggen
dat zij daarover aan de Kamer zal rapporteren, zodat we niet alleen maar
die grootschalige en de aantallen krijgen, maar ook inzicht in de
hoeveelheid straatjes en wijkjes erbij? Welke obstakels zijn er? Ik
vraag dat, want in antwoord op de heer Grinwis zei de minister …
De voorzitter:
We moeten nu wel naar een vraag.
Mevrouw Steen (CDA):
... dat de ene kern de andere kern niet is. Bij de ene kern is een extra
stap nodig en bij de andere niet. Ik heb behoefte aan inzicht daarin,
zodat we ook kunnen helpen sturen aan de voorkant. Kan de minister
toezeggen dat zij dat de Kamer zal doen toekomen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Woensdag hebben we het debat over de volkshuisvesting. Ik zou willen
voorstellen dat deze vraag woensdag een plek krijgt. Als ik u vraag dan
niet afdoende heb beantwoord, kom ik met de toezegging dat u alsnog de
informatie krijgt waar u nu om vraagt.
De voorzitter:
Mevrouw Steen zegt het antwoord af te wachten, maar de voorzitter zal er
woensdag ook op letten. Ik zie geen vragen meer van de kant van de
Kamer. En dat betekent dat u, minister, door mag naar uw derde blok, het
blok economie.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik sla per ongeluk een ambtenaar. Dat mag niet, hè? Ik moet eerst even
sorry zeggen. Sorry! En ik sloeg ook nog met een open pen, waardoor ze
nu, denk ik, ook nog een rooie streep heeft. En ze is zo aardig voor
me!
Dit mapje heet "economie en energie". CDA en VVD stelden een vraag over
de economie, de energie en ook over het mkb. Zij vroegen of de
economische visie te voorzichtig is. De minister van Economische Zaken
en Klimaat is primair verantwoordelijk voor het onderdeel economie in de
Nota Ruimte. De basis hiervoor staat in de Ruimtelijk Economische Visie
van EZK. In de Ontwerp-Nota Ruimte focussen we op het clusteren van de
energie, met name in de vijf energie-intensieve industrieclusters: de
Rotterdamse haven, het Noordzeekanaalgebied, Noord-Groningen, Chemelot
in Limburg en het North Sea Port District in Zeeland. Zo blijft de
milieudruk op andere plekken beperkt. Bovendien gaan we samen met de
overheden aan de slag om de regionale economische ecosystemen te
versterken. De Nota Ruimte geeft de richting hiervoor, maar is geen
blauwdruk. Hierin spelen de innovatiecampussen en de bedrijventerreinen
een belangrijke rol. Daarbij kijken we naar de kansen en de kwaliteiten
van de regio, zodat de juiste economie op de juiste plek komt.
Bij de prioritering van nieuwe infrastructuurprojecten wordt gekozen
voor projecten die aantoonbaar bijdragen aan economische ontwikkeling,
naast woningbouw en bereikbaarheid. Dat was bij de vorige coalitie
alleen woningbouw. Samen met de minister van EZK gaan we op basis van
het coalitieakkoord dit onderdeel verder aanscherpen in de definitieve
Nota Ruimte. Natuurlijk nemen we daarin ook de inzichten uit het
rapport-Wennink mee.
In het coalitieakkoord geven we meer richting aan de economie van de
toekomst, door aan te geven dat we focussen op digitalisering en AI,
veiligheid en weerbaarheid, energie en klimaattechnologie, life sciences
en biotechnologie. De ruimte voor het mkb is inderdaad schaars. We
moeten samen met de medeoverheden en EZK kijken naar voldoende ruimte en
deze ook borgen, door het mengen met wonen. Geen hectares intekenen,
maar strategisch uitbreiden. Het is geen nettoafname. We zien een
strategische uitbreiding, maar op sommige gebieden wel een afname. Het
klopt voor heel Nederland, maar gebiedsgericht zijn er echt
verschillen.
Het CDA vroeg of ik bereid ben om samen met de minister van EZK de Kamer
te informeren over de ruimtelijke ordening. De minister van EZK is in
gesprek met de medeoverheden over de ruimte voor economie. Als Rijk
kunnen we een bijdrage leveren aan het versterken en behouden van het
mkb, door via ruimtelijke ordening te sturen op voldoende ruimte op
bedrijventerreinen en op de randvoorwaarden zoals energie en
infrastructuur. In het coalitieakkoord is aangekondigd dat we zorgen
voor voldoende ruimte voor de economie. Samen met de minister van EZK
gaan we dat verder brengen in de definitieve Nota Ruimte.
Dan een vraag van de SGP en GroenLinks-PvdA over energie-infrastructuur.
Hier hebben we nadrukkelijk aandacht voor in de Nota Ruimte. We geven
bijvoorbeeld prioriteit aan de uitdaging om onze energie-infrastructuur
fors uit te breiden en te verzwaren. Dit is immers randvoorwaardelijk
voor het behalen van de ambities op het gebied van onder andere de
woningbouw, mobiliteit en economie. We kijken naar slimme manieren om
functies ruimtelijk te ordenen, door onder andere vraag en aanbod meer
in samenhang te plannen. Keuzes voor energie en ruimte moeten in goede
afweging met elkaar worden genomen. Dat noemen we
energieplanologie.
In het coalitieakkoord hebben we ook veel aandacht voor
energie-infrastructuur als randvoorwaarde, met de aanleg van nieuwe
infrastructuur, het beter benutten van de bestaande netcapaciteit en het
versnellen van de procedures. Samen met de minister van KGG zal ik
kijken of dit nog leidt tot aanpassingen in de definitieve Nota
Ruimte.
De Nota Ruimte lost niet alles op. Hij biedt vooral de ruimtelijke
kaders en heeft impact op de middellange en lange termijn. Het aanpakken
van de urgente netcongestieproblemen heeft voor het kabinet de hoogste
prioriteit. Hieraan werken we in het Landelijk Actieprogramma
Netcongestie, samen met de medeoverheden, netbeheerders en
marktpartijen.
Dan een vraag van de ChristenUnie, de SGP … GroenLinks-PvdA … Sorry, wat
zegt u?
De voorzitter:
Er werd gelachen om een nieuwe fusie in partijenland.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
O, wat zei ik dan?
De voorzitter:
U begon met ChristenUnie en SGP, en daarna werd het
GroenLinks-PvdA.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, allemaal.
De voorzitter:
Allemaal. Kijk.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kon het alleen niet lezen. Sorry.
Energie moet een integraal onderdeel zijn van de ruimtelijke afwegingen
en keuzes die worden gemaakt, omdat energie niet meer een gegeven is,
net zoals ruimtelijke afwegingen onderdeel zijn van de keuzes voor het
energiesysteem. Daarmee moet dus ook goed gekeken worden naar de
beschikbare netcapaciteit. Naar aanleiding van de motie-Grinwis
onderzoek ik samen met de minister van KGG de juridische uitvoerbaarheid
en meerwaarde van een energietoets. De uitkomsten daarvan worden
ingebracht bij de interbestuurlijke samenwerkingsafspraken over het
energiesysteem, zodat eventuele uitvoering goed met gemeenten en
provincies besproken kan worden. Van belang hierbij zijn de juridische
mogelijkheden voor wettelijke verankering, ook in relatie tot de
Europese wet- en regelgeving, en een goede
verantwoordelijkheidsverdeling met de medeoverheden. Een belangrijk
aandachtspunt hierbij is dat er geen onnodige extra regeldruk wordt
gecreëerd. Voor de zomer zal de minister van KGG de stand van zaken naar
de Tweede Kamer sturen. Ook dan zullen we het aansluitend opnemen in de
definitieve Nota Ruimte.
Dan een vraag van D66 over moeilijke infra zoals elektriciteitsstations,
drinkwaterinnamepunten en waterzuiveringen, en het versneld aanleggen
ervan. Op de "moeilijke infra", zoals de D66-fractie het noemt, lopen
verschillende programma's, zoals het Programma Energiehoofdstructuur bij
EZK en het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen bij IenW.
Daarin wordt gezorgd voor de benodigde versnelling. De Nota Ruimte
integreert deze en andere programma's in de ruimtelijke visie voor
Nederland. Bij de Nota Ruimte zal ook een uitvoeringsstrategie worden
gepubliceerd. Daarin kijken we met welke sturingsinstrumenten we de
visie uit de Nota Ruimte tot realisatie kunnen brengen. In samenspraak
met de verantwoordelijke bewindspersonen, zoals de staatssecretaris van
Klimaat en Groene Groei en de minister van IenW, kan ik in de
uitvoeringsstrategie acties opnemen om steviger te sturen, indien dit
passend is binnen de lopende programma's van de andere bewindspersonen.
Dat zal ik de komende maanden bezien bij het opstellen van de
uitvoeringsstrategie.
GroenLinks-PvdA vroeg of er in de Nota Ruimte aandacht is voor
distributiecentra en datacentra. Er zijn de laatste jaren veel
distributiecentra bij gekomen, want als we kleine dozen aan de voordeur
willen, vraagt dat om grote dozen op bedrijventerreinen. Eén groot
distributiecentrum is efficiënter dan tien kleine. Maar een groot
distributiecentrum kan wel het landschap bepalen en druk leggen op de
infrastructuur. We streven daarom naar een balans in de ontwikkeling van
distributiecentra en andere grootschalige bedrijfsvestigingen, zoals
datacentra. We kijken welke plekken het beste bereikbaar zijn, zodat we
de logistieke stromen beperken, en we kijken of het aansluit op de
regionale kansen en kenmerken. We gaan met de regio's in gesprek. De
basis hiervoor is gelegd in de beleidslijn Grip op grootschalige
bedrijfsvestigingen. Hierin worden strengere regels gehanteerd voor de
bouw van nieuwe locaties, om de zogenaamde "verdozing" van het landschap
te beperken. Uiteraard pak ik dit samen met de minister van EZK op.
Hierbij is het uitgangspunt om functies zo veel mogelijk te
combineren.
Dan een vraag van JA21 en Forum voor Democratie over een ruimtelijk
efficiënte energiemix en de rol van kernenergie. Energie is in de Nota
Ruimte een belangrijk thema, omdat de overgang naar een onafhankelijk,
betaalbaar en duurzaam energiesysteem veel ruimte vraagt. In het
coalitieakkoord zetten we voor kernenergie in op de bouw van ten minste
vier nieuwe kerncentrales. Dit kunnen conventionele en ook kleine
modulaire reactoren zijn. De doorslaggevende reden voor het kabinet om
de rol van kernenergie te vergroten, is omdat kernenergie bijdraagt aan
leveringszekerheid en het een stabiele CO2-vrije bron is, die
niet afhankelijk is van zon of wind. Dit is onderdeel van een bredere
energiemix, met onder andere ook 40 gigawatt wind op zee, de inzet op
groen gas en op groene waterstof, en bredere duurzame energiebronnen via
subsidies en warmtenetten. De inzet op warmtenetten is in die mix
belangrijk, om daarmee netcongestie te verminderen en ruimte te
besparen. Bij het goed benutten van de warmtebronnen is uiteindelijk
minder elektriciteit nodig.
Daarnaast zetten we ook in op besparing, bijvoorbeeld via isolatie van
woningen, en kijken we naar slimme manieren om functies ruimtelijk te
ordenen, door vraag en aanbod meer in samenhang te plannen. Hierdoor is
minder infrastructuur nodig, bijvoorbeeld in de energie-intensieve
energieclusters. We zetten in op een zo efficiënt mogelijk gebruik van
de ruimte.
GroenLinks-PvdA stelt dat er wordt gefocust op grote industrie en dat de
lokale circulaire industrie nauwelijks aandacht krijgt. In de Nota
Ruimte krijgt de ambitie voor de circulaire economie ruimtelijk vorm. We
zetten in op het versterken van de vijf energie-intensieve
energieclusters, regionale ecosystemen en ook lokale bedrijventerreinen.
Hiermee borgen we dus ook de ruimte voor de circulaire economie op
lokaal niveau. De minister van KGG is in de basis verantwoordelijk voor
de circulaire economie en de verduurzaming van de industrie. Middels
programma's onder leiding van KGG werken we hier samen aan. In de
definitieve Nota Ruimte komen we hierop terug.
Dan JA21 over Moerdijk. Het mogelijk opheffen van een dorp of dorpskern
is een heel zware keuze. Tegelijkertijd is Nederland vol en zijn de
opgaven groot. Om ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie en
bevolking zijn uitbreiding van het energienet en de bedrijvigheid
noodzakelijk. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden om ruimte
te kunnen maken. Daarbij moeten lokale, regionale en landelijke belangen
tegen elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit pijnlijke keuzes maken.
Het opheffen van een dorp of een dorpskern is een heel zwaar besluit dat
niet licht genomen mag worden. Daarom willen we de impact van een
dergelijke keuze goed in beeld brengen voordat we hierover
besluiten.
De SP over de uitvoering van de aangehouden motie om onze Groningse
zoutkoepels definitief te schrappen als opslaglocatie. Deze is echt voor
mijn collega van KGG. Het zit niet in mijn portefeuille en ik kan 'm
helaas niet beantwoorden.
Dat was dit mapje, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de vragen. Ik ga eerst naar mevrouw Zalinyan
van GroenLinks-PvdA en dan naar het lid Kostić.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. We zien natuurlijk dat we doelen hebben gesteld rond
de circulaire economie. Ik snap heel goed dat de minister zegt dat het
enigszins vorm krijgt in de Nota Ruimte. Alleen geeft het PBL ook aan
dat de circulaire economie meer ruimte nodig heeft als je echt die
doelen in 2050 wil halen. Dat gaat met name over fysieke ruimte, over
grondstoffenhubs en bijvoorbeeld over wegbrengstations. Ik zou de
minister willen vragen hoe zij reflecteert op wat het PBL zegt. Dat
hangt ook samen met de kredietwaardigheid van Nederland. Hoe kijkt zij
daarnaar?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De dg naast mij geeft het volgende aan. Circulaire economie is een van
de grote ruimtevragers. Dat wordt hier terecht gezegd. Wij hebben in de
Ontwerp-Nota Ruimte gezegd waar we die primair willen. Dat zal ook
vanwege de transportcapaciteit primair een plek vinden in de
havenindustriegebieden. In de NOVEX-havengebieden, die we heel bewust
als van nationaal belang hebben aangemerkt, zullen we ook ruimtelijk
nationaal de regie nemen bij de verkenningen. Een van de verkenningen is
bij de Rotterdamse haven: of de zeewaartse uitbreiding van de Maasvlakte
noodzakelijk is of niet. We willen ook echt kijken naar clustering in
die havenindustriegebieden. Daar zijn we mee bezig. Die verkenning zal
uiteindelijk landen in de definitieve Nota Ruimte.
De voorzitter:
Dank u wel. Is dat voldoende voor u, mevrouw Zalinyan?
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Er was ook nog een tweede deel, over wat voor effect het heeft op de
kredietwaardigheid van Nederland.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar kan ik geen antwoord op geven. Dat weet ik niet.
De voorzitter:
Kunt u daar eventueel schriftelijk op terugkomen? Dat zou bijvoorbeeld
voor de tweede termijn kunnen. U kunt 'm ook beantwoorden in tweede
termijn.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ga proberen om 'm te beantwoorden in de tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar het lid Kostić, Partij voor de Dieren.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Wat wij hier zien, is dat er weer geen keuzes worden gemaakt over wat we
dan niet willen. Het lijkt er weer op als het gaat om industrie dat we
alles willen: én de maakindustrie, én de basisindustrie, én de
circulaire economie, et cetera, et cetera. Het mogelijk verdwijnen van
Moerdijk is daar een voorbeeld van. Als je daar niet de keuze maakt om
bijvoorbeeld te kijken naar die zeven olieraffinaderijen die bij de
Rotterdamse haven liggen, om daar ruimte te creëren, om een van die
raffinaderijen te sluiten en dus daardoor ruimte te creëren in plaats
van Moerdijk op te heffen, als je daarnaar niet durft te kijken, dan
gaan inderdaad dorpen sneuvelen. Dan gaat de natuur sneuvelen. Dan gaat
alles wat kwetsbaar is sneuvelen. Mijn vraag aan de minister is dus of
zij bereid is om ons in een soort voortgangsbrief te updaten over de
keuzes die echt worden gemaakt in wat we wel of niet qua industrie
willen in Nederland en om daarbij misschien ook deze casus van Moerdijk
mee te nemen: waarom wordt er gekozen voor het opheffen van een dorp in
plaats van het sluiten van een olieraffinaderij?
De voorzitter:
De minister. Er is eigenlijk ook gevraagd om een toezegging.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
In juni komen we sowieso terug op Moerdijk. Dat zou ik dus graag los
willen knippen van de andere vraag. Er is bij mij altijd bereidheid om
overal naar te kijken, maar ik moet er wel eerst naar kijken. Die tijd
heb ik nog niet gehad. Als u mij de tijd geeft om hiernaar te kijken,
kom ik hier dus op terug.
De voorzitter:
Oké, dan noteren we dat ook als een toezegging. Kunt u daar een datum
aan koppelen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat wordt dan onderdeel van de totale herijking van de Nota Ruimte. Dat
is dus net na de zomer.
De voorzitter:
Dat noteren we als toezegging, onder licht protest, zie ik.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een verduidelijking over Moerdijk, want daarbij gaat het dus ook om
keuzes: hef je een heel dorp op of ga je een van die raffinaderijen
sluiten? Ik vind het prima dat de minister dit meeneemt in een
voortgangsbrief over Moerdijk, maar dan wil ik deze vraag expliciet
beantwoord hebben.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat ik net probeerde te zeggen, is dat we in juni een overleg over
Moerdijk hebben. Daar kom ik dus separaat op terug. Wat uw andere vraag
betreft: daar moet ik eerst naar kijken voordat ik daar een verstandig
antwoord op kan geven.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb genoteerd dat de minister net zei: "Nederland is vol". Dat
belooft nog wat als ze bij het kopje migratie komt. Wat Moerdijk betreft
heeft de minister mij toch niet gerustgesteld. Ik kan me eigenlijk niet
voorstellen dat je een bredewelvaartsanalyse maakt en dat je dan
überhaupt tot de uitkomst komt dat je een hele gemeenschap opheft. Ik
overweeg daarover dus een motie in te dienen in de tweede termijn,
wanneer die ook moge zijn. Ik had de minister ook gevraagd om in te gaan
op de ruimte-efficiëntie van de energietransitie. Ik hoorde de minister
zeggen dat het kabinet bij de energietransitie inzet op zo effectief
mogelijk gebruikmaken van de ruimte. Mijn vraag is nog niet beantwoord:
kan de minister bevestigen wat haar ambtsvoorganger al eerder naar
aanleiding van vragen van JA21 heeft bevestigd, namelijk dat kernenergie
tot een andere mix van de energietransitie en tot een veel efficiënter
ruimtegebruik zal leiden? En wil de minister dit ook echt sturend
gebruiken om de mix van de energietransitie vorm te geven?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat we nadrukkelijk willen doen, is het gebruik en de opwek bij elkaar
brengen. We kijken dus heel goed naar wat we waar nodig hebben om ervoor
te zorgen dat dat zo efficiënt mogelijk is. We kijken dus nadrukkelijk
naar die mix, maar wel aan de hand van het in dezelfde omgeving houden
van opwek en gebruik.
De voorzitter:
Ik kijk nog één keer naar de collega's: zijn er nog vragen bij dit blok,
economie en energie? Volgens mij niet. Dan kan de minister door naar het
blok landbouw en natuur.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, dat klopt helemaal, voorzitter. Het CDA, GroenLinks-PvdA en — ik
moet echt iets doen aan mijn leesvaardigheid; mijn excuses — de Partij
voor de Dieren vroegen naar de toekomstvisie op landbouw en vroegen of
ik wil inzetten op biologische landbouw en minder intensieve
veehouderij. Zoals u in het coalitieakkoord heeft kunnen lezen, hecht
dit kabinet ook veel waarde aan een toekomstbestendige landbouw en een
toekomstgericht voedselsysteem. Zoals in het coalitieakkoord staat,
willen we naast de agrarische sector staan en de boeren helpen de omslag
naar een toekomstbestendige landbouw te maken. Op plekken waar het kan,
krijgt landbouw de ruimte. De concrete uitspraken over landbouw in het
coalitieakkoord vragen eerst een uitwerking door het kabinet. Hier gaat
de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof onder leiding van de minister
van LVVN voortvarend mee aan de slag. De uitwerking hiervan en de
verbinding met andere opgaven zullen hun beslag krijgen in de
definitieve Nota Ruimte.
Dan de vraag van het CDA waar de landbouw de ruimte krijgt. De Nota
Ruimte is een visie en geen omgevingsplan of blauwdruk. Wel wordt in
kaart gebracht waar welke uitdagingen voor de landbouw spelen vanuit het
veranderende water- en bodemsysteem. Sectoren en agrarische ondernemers
moeten rekening houden met veranderende water- en bodemcondities. Het
Rijk schrijft niet voor hoe. De concrete uitspraken over natuur en
landbouw uit het coalitieakkoord vragen eerst een uitwerking, waarvoor
mijn collega van LVVN primair aan de lat staat. Hier gaat de Taskforce
Landbouw, Natuur en Stikstof ook voortvarend mee aan de slag. De
uitwerking hiervan zal landen in de definitieve Nota Ruimte.
De SGP stelde een vraag over voedselzekerheid. Zoals u in het
coalitieakkoord heeft kunnen lezen, willen we bijdragen aan de mondiale
gezondheidsstrategie en voedselzekerheid. De concrete uitspraken uit het
coalitieakkoord vragen eerst een uitwerking waarvoor mijn collega van
LVVN primair aan de lat staat. Hier gaat de Taskforce Landbouw, Natuur
en Stikstof dan ook voortvarend mee aan de slag en ook hiervan zullen de
uitkomsten hun beslag krijgen in de definitieve Nota Ruimte.
Er waren vragen van D66, het CDA en de ChristenUnie over het
afwegingskader met betrekking tot zorgvuldig omgaan met landbouwgrond en
het beschermen daarvan. De Ontwerp-Nota Ruimte geeft aan dat er een
afwegingskader komt voor het onttrekken van landbouwgrond, waarbij
medeoverheden eerst naar de mogelijkheden kijken om functies te
combineren of naar de mogelijkheid om grond met een andere functie
beschikbaar te stellen. Meervoudig ruimtegebruik wordt meegenomen. Om
administratieve lasten te voorkomen, is voor het afwegingskader geen
juridische borging voorzien. Het kent beperkte bureaucratische lasten.
Zoals in het coalitieakkoord staat, willen we naast de agrarische sector
staan en boeren helpen de omslag naar een toekomstbestendige landbouw te
maken. Op plekken waar het kan, krijgt landbouw de ruimte. Op basis van
het coalitieakkoord zal worden bezien hoe landbouw in de Nota Ruimte zal
worden verankerd.
Dan een vraag van het CDA over het verweven en scheiden van landbouw en
natuur. De Ontwerp-Nota Ruimte kiest voor het verweven van landbouw en
natuur en voor het ruimtelijk scheiden van natuur en landbouw. De
Ontwerp-Nota Ruimte markeert landbouwgebieden met meervoudige opgaven.
In deze gebieden in het landelijk gebied kiest de Ontwerp-Nota Ruimte
voor een strategie waarbij landbouw een extra bijdrage levert aan natuur
en aan andere maatschappelijke doelstellingen. Als Rijk stimuleren we
deze beweging met onder meer het stelsel voor agrarisch natuurbeheer
waarvan al veel gebruik wordt gemaakt. In de andere landbouwgebieden kan
landbouw juist relatief meer zijn gang gaan en wordt niet gekozen voor
het verweven van landbouw en natuur. De concrete uitspraken uit het
coalitieakkoord over natuur en landbouw vragen een uitwerking waar mijn
collega van LVVN voor aan de lat staat. Hier gaat de Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof mee aan de slag. Ook hiervoor geldt dat de uitwerking
zijn beslag zal krijgen in de definitieve Nota Ruimte.
Dan was er een vraag van D66 over biodiversiteit in relatie tot
meervoudig ruimtegebruik en over hoe om te gaan met de 100.000 extra
hectaren. De lijn van de Ontwerp-Nota Ruimte is om de biodiversiteit te
vergroten, ook door functiecombinaties van natuur met andere
ruimtevragers. Op die manier beperken we de benodigde areaaluitbreiding
van natuur. Door het realiseren van groenblauwe dooradering in het
landelijk gebied, bijvoorbeeld in de landbouwgebieden met meervoudige
opgaven, zal ook bijgedragen worden aan allerlei ecosysteemdiensten,
zoals klimaatadaptatie, bestuiving en bodemvruchtbaarheid. Met de
uitbreiding van bijvoorbeeld Defensieactiviteiten wordt gekeken naar
passende functiecombinaties met robuuste natuursystemen, zoals binnen
veiligheidszoneringen van toekomstige munitiedepots en uitbreidingen van
oefenterreinen. Laat ik duidelijk zijn over de ambitie op natuur: dit
kabinet heeft meer ambitie. Samen met de collega van LVVN kijken we
hiernaar.
De ChristenUnie vroeg naar de natuurareaaluitbreiding volgens het PBL.
Ik ken de onderzoeken van het PBL over de benodigde uitbreiding van
natuur om de opgave te kunnen realiseren. Agrarisch natuurbeheer is een
belangrijk instrument om bij te dragen aan de natuurdoelen, maar dat zal
inderdaad niet genoeg zijn. Dit kabinet heeft meer ambitie als het gaat
om natuurherstel. We zijn trots op onze Nederlandse natuur en
landschappen. We willen die gezond doorgeven aan toekomstige generaties,
zodat ook zij kunnen genieten van de natuur. Mijn collega van LVVN gaat
hier voortvarend mee aan de slag en ook dit zal zijn plek krijgen in de
definitieve Nota Ruimte. Ik zie een belangrijke samenhang met de
toekomstbestendige landbouw, een toekomstgericht voedselsysteem en de
veranderende condities van het water- en bodemsysteem.
Dan de vraag van BBB en D66 over de peilopzet in het veenweidegebied. De
peilopzet in het veenweidegebied is een noodzakelijk besluit, onder
andere vanwege het tegengaan van CO2-uitstoot en bodemdaling.
Dat heeft het vorige kabinet besloten. Medeoverheden, in het bijzonder
de waterschappen, die verantwoordelijk zijn voor de peilbesluiten, geven
hier gebiedsgericht invulling aan. Dit zullen zij doen met betrokkenheid
van agrariërs én andere stakeholders in het gebied, dus zorgvuldig.
Inzicht in financiële consequenties per hectare is in het kader van de
Nota Ruimte niet mogelijk en is ook onwenselijk. Naar aanleiding van het
coalitieakkoord gaan we de landbouw en natuur verder uitwerken.
De SGP stelde een vraag over meervoudig ruimtegebruik op landbouwgrond.
Meervoudig ruimtegebruik is een van de drie leidende principes in de
Nota Ruimte. Ruimte is schaars en waardevol. Daarom zoeken we, waar het
kan, naar mogelijkheden voor functiecombinaties en naar efficiënt
ruimtegebruik met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Het ontwerp van de
Nota Ruimte zet voor landbouw met name in op meervoudig ruimtegebruik in
de gebieden met meervoudige opgaven: de gebieden rondom Natura
2000-gebieden, de veenweidegebieden, de beekdalen en de
grondwaterbeschermingsgebieden. Daarbij zien we kansen voor diensten
zoals zonnepanelen boven zacht fruit, agrarisch natuurbeheer of andere
functies, zoals zorgboerderijen.
Samen met medeoverheden stimuleren we in gebieden met meervoudige
opgaven dat landbouw een extra bijdrage levert aan maatschappelijke
doelstellingen. Specifiek ten aanzien van zonne-energie is een
Kamerbrief over de aangescherpte voorkeursvolgorde verschenen. Daarin
zit een ladder: eerst op daken en gevels van gebouwen, dan zon binnen
bebouwd gebied, dan zon buiten bebouwd gebied en dan pas op agrarische
grond, mits afdoende agrarische productie mogelijk blijft. Dit is als
kader in 2023 bestuurlijk afgesproken tussen het Rijk, IPO, VNG, UvW en
Netbeheer Nederland. LVVN overlegt met betrokken partijen om enerzijds
een betere afbakening van agri-PV en anderzijds een handleiding voor
initiatiefnemers en vergunningverleners te kunnen maken. De handleiding
zou dan ingaan op enkele randvoorwaarden en mogelijke belemmeringen en
hoe daarmee moet worden omgegaan. Daarbij zal onder meer gebruikgemaakt
worden van bij de WUR uitgezet onderzoek.
Dan de vraag van BBB over vrijkomende agrarische bebouwing.
Kleinschalige woningbouw in het buitengebied kan, mits de juiste
voorwaarden worden gesteld. Dat betekent: onderdeel zijn van het
aanpakken van de brede set aan maatschappelijke opgaven voor het
landelijk gebied. Bij functiewijziging naar de functie wonen moet altijd
getoetst worden of een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Er
loopt nu een actieleerprogramma om te komen tot zorgvuldige sturing op
wonen in het buitengebied door te leren van praktijkcasussen en te
onderzoeken waar en onder welke voorwaarden woningbouw een bijdrage zou
kunnen leveren aan een volhoudbare inrichting van het landelijk gebied.
Het beoogde resultaat van het actieleerprogramma is het concretiseren
van zowel een nee-tenzijbenadering voor ongeschikte gebieden,
bijvoorbeeld natuurgebieden of landbouwontwikkelgebieden, als een
ja-mitsbenadering voor kansrijke gebieden, bijvoorbeeld aan de
dorpsrand. Ik informeer de Kamer later dit voorjaar graag over de
opbrengsten van dit actieleerprogramma. In een vervolg hierop zou
bewustwording van de consequenties van wonen in het buitengebied
meegenomen kunnen worden.
Dan de vraag van JA21 over Natura 2000. Kijkend naar de staat van de
natuur is urgent een robuuste kwalitatieve aanpak nodig. We hebben wel
te maken met de bestaande internationale afspraken. Met het
coalitieakkoord hebben we de inzet op natuur ook aangescherpt. De
concrete uitspraken in het coalitieakkoord voor natuur en landbouw
vragen eerst een nadere uitwerking door dit kabinet. Hier gaat ook de
Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof mee aan de slag. Daar is mijn
college van LVVN primair verantwoordelijk voor.
Dan de vraag van de Partij voor de Dieren over de bollenteelt en de
woningbouw. In de Nota Ruimte maken we keuzes op hoofdlijnen. Die werken
door naar het provinciale en gemeentelijke schaalniveau. In de nota
hebben we aangegeven dat we ons moeten verhouden tot de toekomstige
water- en bodemomstandigheden, verdroging en verzilting. Daartoe zijn
kaarten opgenomen. Het is van belang dat sectoren en agrarische
ondernemers anticiperen op deze verandering en zo hun bedrijfsvoering
hier gaandeweg op aanpassen. Het precies begrenzen van ruimte voor
bollenteelt is geen onderwerp in de Nota Ruimte.
Dat was 'm, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Zijn er vragen in het blok landbouw en natuur?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Het zal u niet verbazen dat ik hier een aantal opmerkingen c.q. vragen
bij heb, want ik had op zich een heel aantal vragen. Ik weet hoe het is
om aan de andere kant te zitten, maar veel van mijn vragen, die ook
oprechte zorgen van mij zijn, zijn niet beantwoord. Om maar iets te
noemen: de minister geeft als antwoord dat de ondernemers die nu in het
buitengebied zitten, moeten omgaan met veranderde water- en
bodemcondities. De minister zegt daarna dat het Rijk niet voorschrijft
hoe. Maar dat is gewoon niet waar, zien we als we in de Nota Ruimte
kijken naar de peilopzetten. Volgens deze minister zijn die
noodzakelijk, zoals ze later in dit blokje zei. Het Rijk schrijft wel
degelijk heel concreet voor in de Nota Ruimte dat de waterpeilopzetten
bewogen moeten worden naar -20 tot -40 onder het maaiveld. Dat zijn
grondwaterstanden in de veenweidegebieden.
Ik heb daar een aantal vragen over gesteld. Een daarvan is: behouden de
ondernemers in het buitengebied het recht op nadeelcompensatie, ook op
het moment dat het op dit abstractieniveau in de Nota Ruimte wordt
opgenomen? Waar het op heel veel andere gebieden op een hoog
abstractieniveau is, is dit er een van zo'n concrete mate dat ik me daar
zorgen over maak, niet per se voor met name de landbouwers die er al
zitten en die ermee geconfronteerd worden. Maar als de Nota Ruimte op
deze manier gepubliceerd wordt en daar grondaankopen gedaan worden,
blijft dit dan bestaan? Zoals we immers allemaal weten, zit de
pensioenvoorziening voor boeren over het algemeen in de waarde van de
grond. We verwachten als overheid — ook dit kabinet kiest daarvoor — dat
men nog meer naar grondgebondenheid toe gaat. Maar dan kun je niet
tegelijkertijd het pensioen afwaarderen door het recht op
nadeelcompensatie te laten vervallen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het instrument van de nadeelcompensatie moet ergens een plek krijgen. Ik
denk alleen niet dat dit in de Nota Ruimte is, maar ik ben het met u
eens dat het ergens in de onderliggende processen wel een plek moet
krijgen hoe je daarmee omgaat. Maar dat zal niet in dit document
zijn.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dan wil ik toch vragen om te heroverwegen om dit op dit abstractieniveau
op te nemen. Ik weet namelijk ook dat er provincies zijn die er moeite
mee hebben dat dit er staat omdat er gebiedsprocessen lopen en dit daar
eigenlijk doorheen fietst. Normaal gesproken is het zo dat er pas van
dit recht gebruikgemaakt hoeft te worden op het moment dat het
waterschap overgaat tot een peilbesluit. Maar omdat dit in de
Ontwerp-Nota Ruimte op dit abstractieniveau is opgenomen, is er sprake
van voorzienbaarheid en de aanvaarding van risico. Dat is het risico dat
een nieuwe agrariër met grondaankoop loopt. Ik zou heel graag willen dat
we met elkaar — ook in het parlement; daarbij kijk ik mijn collega's aan
— zien te voorkomen dat dit zo uitpakt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het is natuurlijk niet de bedoeling dat dit, zoals u zegt, hiertoe
leidt. Wel kan ik toezeggen dat ik juridisch ga laten toetsen of dit zo
is en of we in de taal iets zouden moeten wijzigen. Volstaat dat?
De voorzitter:
Eén moment. Dan kijk ik even. Bij een toezegging noteren we ook een
datum.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die komt dan in de definitieve Nota Ruimte.
De voorzitter:
Deze toezegging noteren we dan voor na de zomer: juridisch advies over
de vraag of deze formulering niet leidt tot voorzienbaarheid, waardoor
mensen in de problemen kunnen komen.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dan vertrouw ik erop dat als uit dat juridisch advies iets blijkt, de
minister zelf het initiatief neemt om de juiste teksten dan ook in de
definitieve versie op te nemen.
Ik had nog een andere vraag. De minister gaf een reactie op mijn
voorstel voor de kukeleku-wet, in navolging van het initiatief in
Frankrijk, waar ik warm pleitbezorger van ben. Ik zou zeggen: copy-paste
het en kom met een wetsvoorstel. Misschien doe ik dat zelf nog wel. De
minister geeft aan dat de bebouwing rekening moet houden met een goed
woon- en leefklimaat: het nee-tenzijprincipe. Dat was alleen niet mijn
vraag. Mijn vraag ging erover hoe we bij de ontwikkelingen in het
buitengebied waar het gaat om woningbouw — ik zie daar echt kansen, ook
bij vrijkomende agrarische bebouwing — waarborgen dat de huidige
activiteiten, met name agrarische activiteiten, beschermd en gewaarborgd
blijven. Dat was mijn vraag.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
U helpt mij daar zeer terecht aan herinneren. Wat u zegt, zou ik nog
niet zolang geleden gezegd hebben over de situatie waarin iemand onder
de rook van een vliegbasis gaat wonen en die vliegbasis er dus al is.
Daarna moet diegene niet zeggen dat er een vliegtuig over zijn hoofd
komt. Dat is volgens mij identiek aan wat u bedoelt. Je gaat daar wonen;
dan moet je niet zeggen dat je de geur onaangenaam vindt, want die geur
was daar al. Ik voel veel mee in het punt dat u maakt. Ik ben ook van
mening dat we heel transparant naar mensen moeten communiceren dat als
ze daar gaan wonen, ze dan gaan wonen in iets wat er al is; dat is wat
anders dan gaan wonen in wat daar nog niet is. Dus ja, ik weet niet of
daar wetgeving voor nodig is. Volgens mij is wetgeving niet altijd iets
waar je gedrag van mensen nou per se mee stuurt. Volgens mij gaat dit
over heel transparant communiceren dat bij de keuze voor een huis onder
de rook van een vliegveld of in een landelijk gebied dat er al is, dat
is wat je dan accepteert.
De voorzitter:
Het is grappig om te zien tot wat voor reacties dit leidt bij de Kamer.
De minister, of nee, mevrouw Wiersma was eerst, excuses.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik moet zelf ook nog een beetje wennen aan mijn nieuwe rol, minister;
vandaar dat ik zojuist bij de heer Van Asten vooral in de beantwoording
bleef hangen. Maar goed, laten we onszelf de tijd ervoor geven. Ik ben
blij te horen dat deze minister snapt wat ik bedoel, maar ik denk wel
dat verankering in wet- en regelgeving daarvoor nodig is. Ik heb zelf
ook een suggestie gedaan voor bedrijfswoningen. Daar gelden andere
normeringen voor als het gaat om geur en geluidsregelgeving,
bijvoorbeeld. Op het moment dat een agrarische bedrijfswoning omgezet
wordt naar een burgerwoning, dan wordt die geduid als plattelandswoning,
omdat daar andere normen voor gelden. Mijn suggestie zou zijn om voor
vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied datzelfde te doen.
Ik denk dat dat voor draagvlak kan zorgen. Dat is dus een suggestie
mijnerzijds. Ik denk wel dat het noodzakelijk is dat dat in wet- en
regelgeving gaat landen om die andere activiteiten te waarborgen.
De voorzitter:
Dus de kukeleku-woning?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ja.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat ga ik dan niet proberen allemaal te herhalen, maar ik ga hier wel
met welwillendheid naar kijken.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat ik toch ook wil reageren op de reactie van de minister
zojuist op de gestelde vraag. Ik woon zelf in Hoofddorp, onder de rook
van Schiphol. Ik denk dat dit helpt, als we dan toch in de
vergelijkingen zitten. Inderdaad dien ik er geen klacht over in dat er
vliegtuigen over mijn hoofd vliegen, maar als we het bijvoorbeeld hebben
over je houden aan de regelgeving, bijvoorbeeld als het gaat over het
hebben van een natuurvergunning, maar ook over het creëren van een zo
gezond mogelijke leefomgeving, is het volgens mij ontzettend belangrijk
dat wij daar als overheid juist verantwoordelijkheid voor nemen. Hoe
reflecteert de minister op de reactie van net, juist in het licht van de
doelstelling van de Omgevingswet voor een gezonde leefomgeving?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die kunnen in mijn hoofd naast elkaar bestaan, omdat we gezegd hebben —
dat heb ik, denk ik, ook eerder gezegd — dat de gezondheid op nummer één
van het nationaal belang staat. Ik heb net niet proberen te zeggen dat
ik hier welwillend naar ga kijken om vervolgens afbreuk te doen aan de
gezondheid van mensen. Dit gaat erover of je het lekker vindt ruiken of
niet. Dit gaat erover of er een tractor door je straat mag rijden of
niet. Daarvan denk ik dat we er welwillend naar moeten kijken, omdat we
als Nederlanders toch allemaal met elkaar deze samenleving op gang
moeten houden. Maar nogmaals, de gezondheid blijft een nationaal belang
en staat op één.
De voorzitter:
Zijn er nog meer vragen van de kant van de Kamer in dit blok? Eerst de
heer Diederik van Dijk van de SGP en dan de heer Van Asten van
D66.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
We spreken inderdaad over meervoudig ruimtegebruik. In de vorige periode
heeft de Kamer een motie aangenomen waarin de oproep stond om meer te
gaan doen aan agrarisch medegebruik van nieuwe dan wel bestaande
Defensieterreinen. Heeft de minister die ook op het netvlies, misschien
ook vanwege haar vorige functie? Kan ze nog wat nader reflecteren op die
mogelijkheden?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het zou wat suf zijn als ik dat niet zou kunnen. Volgens mij is nog
steeds de bedoeling en is altijd de insteek geweest van het Programma
Ruimte voor Defensie om zo veel mogelijk koppelkansen, zoals wij die
toen noemden, of meervoudig gebruik te zoeken, maar dat zou de
staatssecretaris van Defensie zelf moeten zeggen. Maar daarbij werd wel
altijd randvoorwaardelijk meegegeven dat het niet zo kan zijn dat dat
ten koste zou gaan van de training van onze militairen, die in de
slechtste omstandigheden op leven en dood moeten strijden. Ik denk dat
de staatssecretaris van Defensie niet heel boos op mij wordt als ik over
zijn dossier spreek. Daarbij zeg ik dat het heel nadrukkelijk de
bedoeling is om te kijken naar koppelkansen en meervoudig gebruik. Soms
weegt het een net iets zwaarder dan het ander. Ik denk dat de strijd op
leven en dood van onze militairen altijd zwaarder zou moeten wegen dan
welke andere opgave dan ook.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Heel kort. Het was inderdaad niet mijn bedoeling om deze minister te
laten spreken over het dossier van een andere staatssecretaris. Ik
begrijp dat, voor zover aan de orde, ook deze minister, met een soort
aanjagende rol, voor dit medegebruik nadrukkelijk aandacht heeft.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Absoluut.
De heer Van Asten (D66):
Ik heb twee verduidelijkingsvragen. De eerste gaat over het
afwegingskader. Het is mij nog steeds niet helemaal duidelijk of het nou
een tweetrapsraket is, zo van dat er altijd eerst moet worden gekeken
naar het meervoudig ruimtegebruik en dat er als dat niet kan daarna een
afwegingskader komt. Of is het meervoudig ruimtegebruik onderdeel van
het afwegingskader?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De bedoeling van dit afwegingskader is dat het versnelt in plaats van
vertraagt. Aan de taskforce is bij dit onderwerp specifiek meegegeven om
te bekijken of het afwegingskader in uw optie 1 of optie 2 leidt tot de
versnelling die we zoeken in plaats van de vertraging die we nu
ervaren.
De heer Van Asten (D66):
Ik geloof dat het kabinet voor alles zes maanden heeft gekregen om met
een plan te komen, dus daar wacht ik dan even op.
De tweede verduidelijkingsvraag gaat over iets wat de minister zei over
die natuuruitbreiding die noodzakelijk is, die 100.000 tot 150.000
hectare. Ik meende dat de minister zoiets zei als: daarmee beperken we
de uitbreiding van de natuur. In ieder geval kwam het woord "beperken"
erin voor. Ik vroeg me af of dat nog verduidelijkt kan worden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het antwoord dat ik gaf was als volgt. Ik lees het gewoon nog even voor,
want het is maar kort. De lijn van de Ontwerp-Nota Ruimte is om de
biodiversiteit te vergroten, ook door functiecombinaties van natuur met
andere ruimtevragers. Op die manier beperken we de benodigde
areaaluitbreiding van natuur.
De voorzitter:
Is dat helder genoeg voor u, meneer Van Asten?
De heer Van Asten (D66):
Laat ik het zo zeggen: ik vind het antwoord wat negatief geformuleerd
ten aanzien van de behoefte aan uitbreiding van natuur, aangezien dat
vrij duidelijk moet zijn. Ik ga daar nog even op kauwen.
De voorzitter:
Lid Kostić, dit is uw laatste interruptie.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het moet mij van het hart dat ik het echt onbegrijpelijk vind dat deze
minister zegt: mensen moeten in tijden van woningnood en woningcrisis
maar accepteren dat er overlast is van luchtvaart en van de geur van
veehouderijen. De rechter heeft uitgesproken dat er betere wettelijke
bescherming moet komen van mensen rondom de veehouderij, juist met
betrekking tot geur, en dat het gezondheidsimpact heeft. Dat wil ik de
minister dus in ieder geval meegeven.
Dan een laatste belangrijke vraag, die eigenlijk ingaat op wat ik al
eerder stelde. De minister zegt: landbouw krijgt ruimte. Maar wat voor
soort landbouw? Ik heb net de vraag gesteld of daar de intensieve
veehouderij bij hoort. Als dat zo is, gaat dat in tegen een door de
Kamer aangenomen motie die ik net noemde, namelijk de motie-Tjeerd de
Groot over het afbouwen van de bio-industrie. Wil de minister dan samen
met experts van Universiteit Leiden en het PBL bekijken welke kansen er
bij de transitie naar plantaardige, biologische landbouw liggen om al de
problemen die we nu hebben in samenhang aan te pakken, die meer te
verwerken in de Nota Ruimte en daarover terug te koppelen aan de Kamer?
Het zou mij in ieder geval meer comfort geven bij hoe deze minister de
keuzes maakt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik vind het jammer dat u mij, denk ik, niet goed heeft begrepen toen ik
probeerde uit te leggen dat als je ergens gaat wonen terwijl daar al
iets is, dat wel iets is om dan rekening mee te houden. Dat is mijn
opvatting. U legt mij daar conclusies bij in de mond als het gaat over
de volksgezondheid. Ik heb gezegd dat de gezondheid altijd nationaal
belang nummer een is en dat we daar rekening mee moeten houden. Als het
gaat over uw vraag of dat onderdeel is van de taskforce: dat is op dit
moment de verantwoordelijkheid van de minister van LVVN. Die komt met
uitkomsten en die landen in de definitieve Nota Ruimte.
De voorzitter:
Oké, dan kijk ik nog één keer of er nog vragen zijn in dit blok. Dat is
niet het geval. Dan gaan we naar water en bodem sturend.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Water en bodem. D66, JA21, GroenLinks-PvdA en de VVD vroegen naar water
en bodem sturend. In het coalitieakkoord hebben we afgesproken dat water
en bodem sturend als richtinggevend principe wordt gehanteerd in de Nota
Ruimte. Dat is dus niet allesbepalend. In de Ontwerp-Nota Ruimte is bij
de gemaakte keuzes al op een stevige manier rekening gehouden met de
opgaven in het water- en bodemsysteem. Dat gaat om de keuze om niet te
bouwen in de uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren
en om terughoudend te zijn met landaanwinning in het IJsselmeergebied
voor onze zoetwatervoorziening. Ook is er de keuze dat er in principe
niet geïnvesteerd wordt in technische maatregelen om vanuit het
hoofdwatersysteem zoet water, water, te brengen naar gebieden waar dat
op termijn niet houdbaar is. En er is de keuze dat grote nieuwe
watervragers niet worden gepland op locaties waar op lange termijn de
zoetwaterbeschikbaarheid niet kan worden gegarandeerd. Voor mij staat
centraal dat we de verschillende opgaven integraal bezien en zoeken naar
oplossingen, waarbij we afwenteling zo veel mogelijk voorkomen, zoeken
naar mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik en gebiedskenmerken
centraal zetten.
De komende maanden ga ik op basis van het coalitieakkoord en de
binnengekomen zienswijzen samen met mijn collega's bezien waar eventuele
aanscherping in de keuzes richting de definitieve Nota Ruimte nodig en
gewenst is. Dat geldt ook voor de keuze om water en bodem sturend als
richtinggevend principe te hanteren, waar natuurlijk mijn collega van
IenW voor verantwoordelijk is. Het is daarom nu nog te vroeg om vooruit
te lopen op de eventuele aanscherping of bijstelling van ruimtelijke
keuzes die hieruit voortkomt. De aanscherping, als die er is, gaan we
integraal ruimtelijk afwegen. De Nota Ruimte is een visie op
hoofdlijnen, geen omgevingsplan, en het is onmogelijk om te becijferen
wat de consequenties zijn voor bouwplannen, woningen en bedrijven.
D66 en JA21 stelden vragen over de verdeling van zoet water. Op de lange
termijn is er door meer en langere droge periodes minder water
beschikbaar. In de Ontwerp-Nota Ruimte is daarom de keuze gemaakt om in
principe niet te investeren in technische maatregelen. Daar sta ik
achter, omdat we nu eenmaal niet voldoende water hebben om te verdelen.
Wat precies de impact hiervan is en wat dat vraagt van de regio's zelf
zal de komende tijd nader uitgewerkt worden. Dat is primair aan mijn
collega van IenW, maar dat vraagt om een goede samenwerking vanwege de
grote impact van de keuzes op andere opgaven, zoals landbouw en natuur.
Een van de belangrijkste keuzes in de ontwerpnota is de betere balans in
de regionale water- en bodemsystemen. Door in de regio meer water te
besparen, vast te houden en te bergen, zodat regio's ook meer in hun
eigen zoetwaterbehoefte kunnen voorzien, wordt de afhankelijkheid van
het hoofdwatersysteem verkleind. De verdeling van het zoete water is
onderdeel van de herijking van de deltabeslissing uit het
deltarapport.
D66 heeft een vraag over bodemdaling. Bodemdaling en bodemkwaliteit
vallen onder nationaal belang nummer een. Bij bodemkwaliteit bedoelen we
ook de bodemgesteldheid en de draagkracht van de bodem. In de Nota
Ruimte staat dat we werken aan het in goede balans brengen van de
regionale water- en bodemsystemen, waarbij wordt ingezet op het beperken
van bodemdaling, onder andere om funderingsschade en maatschappelijke
kosten te beperken. In bestaand stedelijk gebied dient schade door
bodemdaling zo veel mogelijk te worden voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld
door te investeren in ander grondwaterbeheer of het vervangen van
schadegevoelige elementen door bodemdalingsbestendige alternatieven. Dit
is dus breder dan alleen veenweidegebieden, maar de peilopzet in de
veenweidegebieden biedt ook een oplossing voor de funderingsproblematiek
in het stedelijk gebied, omdat dit breder doorwerkt dan alleen in de
veenweidegebieden. We werken hard om bodemdaling te voorkomen in gebouwd
gebied door de Nationale Aanpak Funderingsproblematiek. Dit is een
gezamenlijke aanpak van het Rijk, gemeenten, provincies, waterschappen,
kennisinstellingen en marktpartijen. Deze aanpak zullen we expliciet
meenemen in de uitvoeringsstrategie voor de Nota Ruimte. Deze aanpak
moet eraan bijdragen dat woningeigenaren veilig en toekomstbestendig
kunnen wonen. Hiervoor is tot eind '28 56 miljoen beschikbaar.
Landaanwinning, een vraag van de ChristenUnie. Alle ruimte die we hebben
in Nederland wordt al gebruikt. Dat geldt ook voor de ruimte op zee en
de ruimte op land. Dat betekent ook dat landaanwinning ten koste gaat
van ruimte voor andere functies. Het IJsselmeer en het Markermeer zijn
bijvoorbeeld de belangrijkste nationale zoetwaterbuffers. Daarom
verkennen we juist de mogelijkheden voor het vergroten van de
buffercapaciteit. We zijn zeer terughoudend met landaanwinning en
buitendijks bouwen. De regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving
bieden de kaders hiervoor aan gemeenten. Als gevolg van
zeespiegelstijging is er in de toekomst veel meer zand nodig om onze
kusten op orde te houden. De winning daarvan in de Noordzee staat onder
druk, mede door de toename van het ruimtegebruik op de Noordzee. Daarom
staan we landaanwinning, dus het gebruik van veel zand, in principe niet
toe als dat niet noodzakelijk is voor de waterveiligheid. Wel loopt er
reeds een verkenning naar de oplossingsrichtingen voor het ruimtegebrek
in de Rotterdamse haven en een impuls voor de leefomgeving waarin een
zeewaartse uitbreiding van de Maasvlakte een van de te onderzoeken
oplossingen is. We willen dit zorgvuldig doen en dit onderzoek
afwachten, en niet in algemene zin extra ruimte bieden aan
landaanwinning in de kustzone.
GroenLinks-Partij van de Arbeid: verzekerbaarheid en klimaatverandering.
Zoals in de Ontwerp-Nota Ruimte staat aangegeven, kunnen we ook op de
lange termijn veilig blijven wonen in Nederland. Met het
Hoogwaterbeschermingsprogramma en Ruimte voor de Rivier wordt ook de
waterveiligheid op lange termijn gegarandeerd. Klimaatverandering leidt
door extremer weer ook tot vaker voorkomende wateroverlast en droogte.
Schades die hierdoor optreden, zijn niet altijd verzekerbaar. Dit vraagt
van ons dat wij ons tijdig aanpassen aan deze omstandigheden, om de
impact van klimaatverandering zo veel mogelijk te beperken. Op
initiatief van IenW en de Deltacommissaris werken het Rijk,
medeoverheden en de financiële sector samen om goed te begrijpen wat de
risico's zijn en hoe daarmee om te gaan, om tot samenhangend beleid te
komen. Dit doen ze onder de noemer van NL AAA-Klimaatbestendig, een
publiek-private coalitie die zich inzet voor een klimaatbestendig
Nederland.
GroenLinks-Partij van de Arbeid: klimaatadaptatie. Het aanpassen aan het
veranderende klimaat is expliciet meegenomen bij het maken van
ruimtelijke keuzes in de Ontwerp-Nota Ruimte. Door dit vroeg te
adresseren, voorkomen we deels toekomstige kosten voor overheden en
burgers door zaken te mitigeren en de effecten aan te pakken. Toch
zullen we niet alle effecten kunnen voorkomen. Om dat zo goed mogelijk
wel te doen, hierbij enkele voorbeelden: voldoende ruimte rond de
rivieren voor dijkversterking en rivierverruiming; niet bouwen in de
uiterwaarden die vallen onder de Beleidslijn grote rivieren;
terughoudend zijn met landaanwinning in het IJsselmeergebied; de inzet
van het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving; de
inzet van de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve
gebouwde omgeving. Verder werkt het kabinet aan de herijking van de
Nationale klimaatadaptatiestrategie, de rijksbrede strategie voor
klimaatadaptatie. De NAS, zoals dit document heet, wordt naar
verwachting later dit jaar aan uw Kamer aangeboden.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn al interrupties aangemeld door Zalinyan en Grinwis.
Ik wijs er wel op dat we nu al op 19.00 uur zitten en nog twee blokjes
moeten. Dus als u de vragen wat korter kan houden, dan waardeer ik dat.
Mevrouw Zalinyan.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. De deltacommissaris heeft aangegeven dat op dit moment
nog steeds 820.000 woningen gepland staan op kwetsbare locaties die heel
gevoelig zijn voor klimaatrisico's en ook de schade die daaruit
voortvloeit. Hoe kijkt de minister daarnaar, ook in het kader van de
Nota Ruimte? Hoe gaan we daarmee om?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ga in gesprek met de deltacommissaris om me hier goed over te laten
bijpraten en te kijken wat voor effecten dat heeft op de Nota
Ruimte.
De voorzitter:
Oké, dan noteren we die ook als een toezegging. We gaan er dan weer van
uit dat dat bij de hernieuwde versie komt. Na de zomer? Of eerder, voor
de zomer?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee, na de zomer, als onderdeel van de definitieve Nota Ruimte.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik zit te luisteren naar "bodem en water sturend" in plaats
van "er rekening mee houden". Ik probeer om voor mezelf scherp te
krijgen wat nou exact het verschil is. En ik denk wij allemaal, want het
lijkt eerder een woordenspel te worden dan dat het daadwerkelijk
betekenis heeft. Maar op een paar punten zet de minister heel duidelijk
een streep. Als het bijvoorbeeld gaat om de zeewaartse uitbreiding, die
trouwens een van de strategieën is in het Deltaprogramma die op dit
moment worden onderzocht, zegt de minister: nee, nee, want we hebben dat
zand nodig. Ik nodig de minister dan uit om met mij de som te maken. Op
dit moment is 9% van het Nederlandse Noordzeegebied aangewezen voor
zandsuppletie, voor kustsuppletie. Daarvan is op dit moment met de
huidige zeespiegelstijging van nog geen 3 millimeter per jaar 0,3% per
jaar nodig om de kust op zijn plek te houden. Na zes jaar is het gebied
waar je bent geweest om zand te winnen hersteld. Dan zie je dus niet
meer dat je daar bent geweest en kun je daar opnieuw zand winnen.
De voorzitter:
Nu uw vraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Als de zeespiegelstijging verviervoudigt, kan dat dus nog prima binnen
de huidige 9% die daarvoor is aangewezen. Het is dus geen argument tegen
zeewaartse uitbreidingen, zoals voor Delta 21, de Derde Maasvlakte of
nieuwe natuur. Dus …
De voorzitter:
Dus deelt u de mening van de heer Grinwis?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Er worden hier makkelijk stellingen teruggeworpen in de zin van: vanwege
zand of zoetwater kan het allemaal niet. Dat is te makkelijk.
De voorzitter:
We gaan nu naar de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Uw gepassioneerde antwoord, meneer Grinwis, doet mij u beloven dat ik
hier in de tweede termijn op terug kan komen, omdat die niet over vijf
minuten is. Dan kan ik me hier nog even in verdiepen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort. Eigenlijk heb ik exact dezelfde riedel en exact hetzelfde
betoog over het Markermeer en het IJsselmeergebied, inclusief cijfers,
feiten, het uitzetten en opzetten van peilen en hoeveel zo'n IJstad
kost: het is te kort door de bocht, maar oké.
De voorzitter:
Daar zagen we weer de bevlogenheid. Wilt u ook op diezelfde bevlogenheid
terugkomen in de tweede termijn?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Hoe kan ik vandaag nee zeggen tegen deze bevlogenheid? Maar ik hou het
wel op vandaag, als garantie.
De heer Peter de Groot (VVD):
Nog heel kort. Wij hadden in de eerste termijn een interruptiedebatje
met elkaar over wat nou het verschil is tussen "sturend", "rekening
houden met" et cetera. De strekking van mijn betoog was meer dat we het
met elkaar werkbaar moeten houden, maar als ik hoor welke waslijst de
minister nu opnoemt van richtlijnen, regelingen en ladders die allemaal
ontwikkeld worden, vraag ik me in termen van D66 af wat wél kan. Ik denk
dat we moeten denken in wat wél kan onder het motto "water en bodem
sturend". Ik zou de vraag dus graag willen omdraaien voor de
beantwoording in de tweede termijn: hoe gaan we ervoor zorgen dat we dat
principe goed borgen met elkaar én dat we met elkaar goed kijken wat wél
kan?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Die opsomming die u van mij hoorde, is wat er al is. Ik ben het met u
eens dat we daar goed naar moeten kijken. Ik neem uw handreiking voor de
tweede termijn dus graag aan.
De voorzitter:
Dat is heel mooi. Dan hebben we de blokken overig en doorwerking. Ik
vraag u om die direct achter elkaar te doen. Dan kijk ik daarna nog één
keer naar de Kamerleden om te zien of er nog vragen zijn.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Yes, dank u wel, voorzitter. JA21, Forum voor Democratie en de PVV
stelden vragen over migratie. Ik heb al uw vragen over migratie en over
sturen op migratie goed gehoord en toch is dit het notadebat over de
Ontwerp-Nota Ruimte. De relatie is dat de demografische ontwikkeling en
daarmee ook migratie grote effecten hebben op de ruimtelijke ordening.
Zij bepalen grotendeels hoeveel en wat voor woningen nodig zijn. In 2024
adviseerde de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen om in te
zetten op een gematigde groei richting 19 miljoen à 20 miljoen inwoners
rond 2050. In de Ontwerp-Nota Ruimte zijn we van dit scenario uitgegaan,
maar de Nota Ruimte biedt ruimte voor flexibiliteit. Er is de
mogelijkheid tot afschalen en opschalen als die groei lager of hoger
uitvalt. Deze week en volgende week volgen de debatten over de Staat van
de Volkshuisvesting en de Wet regie. Vanuit mijn verantwoordelijkheid
als minister van Wonen kan ik dan dieper ingaan op de relevantie van
demografie in de brede zin voor die portefeuille. Voor het overige
verwijs ik door naar mijn collega-bewindspersonen die over migratie
gaan.
Dan de vraag van de VVD over Defensie en het Nationaal Programma Ruimte
voor Defensie. Bij het opstellen van de Ontwerp-Nota Ruimte zijn de
keuzes van Defensie integraal meegenomen. Bij alle bovenregionale keuzes
van Defensie zijn dus ook de andere ruimtelijke belangen integraal
meegewogen, zoals die van woningbouw, economie en natuur. Ook zetten we
in op meervoudig ruimtegebruik en houden we rekening met
gebiedsspecifieke kenmerken. Aan het Nationaal Programma Ruimte voor
Defensie en de Ontwerp-Nota Ruimte is tegelijkertijd gewerkt. Ze zijn in
nauwe samenhang gemaakt; ze zijn volledig op elkaar afgestemd.
Dan was er nog een vraag over Lelystad Airport. Ik weet niet meer wie
die vraag gesteld heeft.
De voorzitter:
Het lid Kostić.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ah, mijn excuses, het was een vraag van de Partij van de Dieren. Dit
staat in het coalitieakkoord en daar houd ik mij aan. Bovendien is de
minister van IenW primair verantwoordelijk voor de openstelling van
Lelystad Airport voor de burgerluchtvaart.
Dan ga ik gelijk door naar het volgende mapje. CDA, GroenLinks-Partij
van de Arbeid en VVD over een goede uitvoeringsstrategie en hoe de
medeoverheden worden betrokken. Naast de Nota Ruimte zal het kabinet ook
een uitvoeringstrategie publiceren. In deze uitvoeringsstrategie worden
de beleidskeuzes vertaald naar stappen richting de uitvoering. Het gaat
dan feitelijk om het instrumentarium van alle keuzes. Daarbij zal ik ook
een juridisch instrumentarium inzetten. Hoe een keuze wordt
geïnstrumenteerd, zal per geval verschillen. Daar kan ik nu nog niet op
vooruitlopen. Voor sommige keuzes, bijvoorbeeld over het
hoofdwatersysteem, staat het Rijk zelf aan de lat en zal het inzetten
van bijvoorbeeld nieuwe regelgeving een logische optie zijn. Voor andere
keuzes, bijvoorbeeld keuzes die raken aan verstedelijkingsstrategieën,
zal samenwerking nodig zijn met betrokken overheden en maatschappelijke
partijen en zal het vooral gaan om het maken van goede bestuurlijke
afspraken. Ook zullen we de NOVEX-aanpak benutten. Naast de ingediende
zienswijze over de uitvoering en de gesprekken die we met provincies,
gemeenten en waterschappen hebben gehad, zullen we ook om tafel gaan met
medeoverheden bij het opstellen van de uitvoeringsstrategie. Daarnaast
benutten we de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving in september voor
interbestuurlijke afstemming over hoe de keuzes uit de Nota Ruimte
worden geïnstrumenteerd.
Dan de vraag van de SP over het borgen dat gemeenschappen zeggenschap
behouden. In de Omgevingswet is participatie verplicht voor alle plannen
van de overheid. Ook in het kader van de Nota Ruimte heeft participatie
plaatsgevonden. De Nota Ruimte wordt hierop verder aangescherpt. Bij het
verder uitwerken van plannen door gemeenten en provincies geldt eveneens
dat participatie verplicht is.
De ChristenUnie: welke instrumenten — bestuurlijk, juridisch en
financieel — maken meervoudig ruimtegebruik daadwerkelijk mogelijk? Alle
instrumenten die ingezet kunnen worden in de fysieke leefomgeving, zijn
bedoeld om op een bepaalde manier te sturen in de ruimtelijke ordening.
Ze kunnen dus ook op zo'n manier ingezet worden dat ze meervoudig
ruimtegebruik mogelijk maken. Dit kan bijvoorbeeld met een
instructieregel waarmee kan worden meebestuurd op de ruimtelijke
besluitvorming van decentrale overheden of met een subsidie waarbij kan
worden gekozen voor bepaalde voorwaarden waar een ruimtelijke
ontwikkeling aan moet voldoen om aanspraak te kunnen maken op een
subsidie. Of met een bestuurlijke afspraak waarin Rijk en een
medeoverheid samen een werkwijze afspreken, bijvoorbeeld over meervoudig
ruimtegebruik. Het verschilt per keuze welk instrument het meest
geschikt is. Bij de Nota Ruimte komt ook een uitvoeringsstrategie waarin
de instrumenten zijn opgenomen. De komende maanden werken we verder aan
de uitvoeringsstrategie, in goede afstemming met de medeoverheden.
SGP, CDA en VVD over de uitvoering en de realisatie van de Nota Ruimte.
Onder de Omgevingswet hebben gemeenten verschillende instrumenten om te
sturen in de leefomgeving: de omgevingsvisie, het omgevingsplan,
programma's, omgevingsvergunningen en grondbeleid. Ook kunnen gemeenten
subsidies, toezicht en handhaving en onderzoek toepassen. Voor
samenwerking met anderen kunnen gemeenten ook bestuurlijke afspraken
maken. Met de NOVEX-aanpak organiseert het Rijk goede
samenwerkingsverbanden waarin gemeente- en regio-overstijgende keuzes
gemaakt kunnen worden. Het beschikbare instrumentarium is wat mij
betreft compleet en voldoende om de Nota Ruimte ten uitvoer te
brengen.
GroenLinks-Partij van de Arbeid over de rijksgrondfaciliteit, de
grondbank en de grondwaarde. De rijksgrondfaciliteit wordt nu uitgewerkt
en ondersteunt gemeenten om actief grondbeleid te kunnen gaan voeren.
Een landelijk gespreide portefeuille met ruilgronden kan mogelijk
bijdragen aan het tijdig beschikbaar hebben van grond. Dit kan
versnellend en kostenbesparend werken. Het afgelopen jaar is naar
aanleiding van de motie-Gabriëls van vorig jaar onderzoek gedaan naar de
toegevoegde waarde van een landelijke integrale grondbank. Voor
landbouwgronden bestaat al zo'n grondbank. Ik ben voornemens het
onderzoek binnenkort te bespreken met mijn collega-ministers en voor de
zomer naar uw Kamer te sturen. Ik ga dan ook in op de verhouding tot de
al bestaande nationale grondbank voor landbouwgrond. In juni '25 heeft
mijn voorganger u een brief over een planbatenheffing of vergelijkbare
systematiek gestuurd. Daarin is ook een voorstel over de
grondwaardesystematiek gedaan. Daarover ga ik graag op een nader moment
met u in debat, zoals eerder ook al is afgesproken.
D66 over ruimtelijke arrangementen met provincies en hoe zich dat
verhoudt met keuzes die zijn vastgelegd in relatie tot de Nota Ruimte.
Voor de Nota Ruimte is allerlei input opgehaald in de afgelopen jaren.
De ruimtelijke arrangementen werden parallel aan het opstellen van de
Ontwerp-Nota Ruimte opgesteld. Wat in de Ontwerp-Nota Ruimte staat, is
al op veel plekken in de ruimtelijke arrangementen terug te zien. Die
relatie wordt in de Ontwerp-Nota Ruimte ook beschreven, op pagina 102.
In de zestien NOVEX-gebieden zijn ontwikkelperspectieven opgesteld. Deze
hebben ook als input gediend voor de Ontwerp-Nota Ruimte. Bij de Nota
Ruimte wordt ook een uitvoeringsstrategie opgesteld. Voor keuzes die
regionaal doorwerken bekijk ik momenteel met welke instrumenten die
doorwerking moet plaatsvinden. De NOVEX-aanpak in de gebieden en de
provincies zullen daarbij essentieel zijn, omdat daarin alle partners
aan tafel zitten en we gebiedsgericht integraal kunnen blijven
werken.
Even kijken. De PVV: er is een investeringsagenda nodig voor de Nota
Ruimte. De ruimtelijke opgaven vereisen een structurele inzet van
middelen. Voor de korte termijn wordt de benodigde financiering voor de
Nota Ruimte en de uitvoeringsstrategie gevonden binnen de bestaande
departementale begrotingen. De uitvoeringsstrategie beschrijft welk
budget reeds beschikbaar is, maar maakt geen nieuwe middelen vrij. Voor
het bekostigen van langetermijnvraagstukken zijn niet alle opgaven
financieel gedekt. Er wordt bezien hoe de financieringssystematiek
anders kan. In de huidige financiële systematiek is het in bepaalde
gevallen ook mogelijk om budgetten samengevoegd in te zetten, oftewel om
te ontschotten. Dat kan heel behulpzaam zijn voor de uitvoering van de
Nota Ruimte vanwege het integrale karakter dat we ook in de uitvoering
willen bestendigen.
Dan CDA en VVD over versnellen en vereenvoudigen. We hebben in het
coalitieakkoord afgesproken dat het kabinet jaarlijks met een
vereenvoudigingswet komt om wetten en regels continu te vereenvoudigen
en te verbeteren. De eerste wet wordt in 2027 van kracht. Ik ga hiervoor
aan de slag met het ontwikkelen van verdere vereenvoudigingsopgaven in
de fysieke leefomgeving. De komende tijd zal ik deze aanpak verder
uitwerken met mijn collega's van IenW, EZK, OCW en LVVN. Daarnaast ga ik
verder met het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting en de
acties die voortvloeien uit STOER. Via dit wetsvoorstel versnel en
vereenvoudig ik procedures voor vergunningen en wijzigingen van het
omgevingsplan voor woningbouw en elektriciteitsprojecten. Dit levert een
flinke versnelling op. In deze procedures komt dan beroep in één
instantie in plaats van in twee, bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State. Daarnaast moet de afdeling de zaak versneld
behandelen en uitspraak doen binnen zes maanden. Verder bevat het
wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting ook nog versnellingen
specifiek voor woningbouw, zoals de mogelijkheid om bezwaren over te
slaan en beroep tussen gemeenten onderling niet toe te staan, en wordt
de Ladder voor duurzame verstedelijking geschrapt. In het programma
STOER, dat mijn voorganger heeft geïntroduceerd, zijn meer dan 100
acties geïdentificeerd om de regeldruk in de woningbouw te verminderen.
Tot slot is het belangrijk dat gemeenten ook de mogelijkheden uit de
Omgevingswet beter benutten, bijvoorbeeld door activiteiten in het
omgevingsplan vergunningsvrij te maken. Er zijn al gemeenten die hier
goed mee bezig zijn. Zo doen de gemeenten Vught en Apeldoorn dit nu al
voor woningbouw. Ik moedig ook andere gemeenten aan om dit te gaan doen.
Al deze maatregelen hebben tot doel om de procedures te verkorten,
administratieve lasten terug te dringen, belemmeringen weg te nemen en
te versnellen. Dit om maatschappelijke initiatieven en doelstellingen
als 100.000 woningen per jaar te realiseren. Voor de zomer zal ik u een
voortgangsbrief sturen met de stand van zaken.
Dan tot slot, voorzitter: de Partij voor de Dieren over het belang van
jongeren. Een van de afwegingsprincipes is om te voorkomen dat we
problemen afschuiven op toekomstige generaties. Ik wil dat principe ook
behouden in de definitieve Nota Ruimte. Dat werkt door naar alle
thema's. In het maakproces is op meerdere momenten met jongeren
gesproken. Ook deze week is er een bijeenkomst met bijna 200 jongeren
over hoe zij naar de verdeling van ruimte kijken. Voor mij is het
waardevol om ook met de jongeren, met toekomstige generaties, in gesprek
te gaan en hen een rol te laten spelen in deze toekomstvisie, voor hun
toekomst.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Ik heb nog één vraag genoteerd van de heer
Clemminck, als eerste. En dan mevrouw Zalinyan. De heer Clemminck van
JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Er zijn veel vragen geweest. Ik neem dit de
minister dus zeker niet kwalijk, maar ik heb nog geen antwoord gehad op
een van mijn vragen. Die was of de minister bereid is om de
demografische druk in verschillende scenario's door te rekenen op een
aantal zaken met betrekking tot de ruimtelijke impact. Ik had het erover
in hoeverre verschillende demografische scenario's van invloed zijn op
de druk op de natuur, de netcongestie, de waterkwaliteit, de filedruk,
de stikstofuitstoot en simpelweg de ruimte. Het enige wat ik uit het
antwoord van de minister opmaakte, was dat migratie een groot effect
heeft op woningen. Uiteraard; ik gaf het al aan: zo'n 50% van de
nieuwbouw. Nogmaals de vraag of de minister bereid is om deze impact in
de verschillende demografische scenario's aan de Kamer te
verstrekken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
We hebben gekozen voor het middenscenario en daar wil ik graag aan
vasthouden.
De heer Clemminck (JA21):
Dat begrijp ik. Tegelijkertijd lopen we daarmee een groot risico. Over
het algemeen zijn we immers niet zo goed in het controleren van
migratie. Ik hoorde de minister zeggen dat er ook flexibiliteit zit in
de Nota Ruimte en dat we, als we terechtkomen in een ander scenario,
daar dus op in kunnen spelen. Mijn vraag als volksvertegenwoordiger is
om, teneinde een afweging te kunnen maken, aan te geven wat nou de
ruimtelijke impact is. In eerdere interruptievragen gaf u aan dat u
eigenlijk geen ruimtelijke impactanalyse heeft gemaakt op de
verschillende onderdelen van de Nota Ruimte. Dat komt mij wat vreemd
voor in het kader van de Nota Ruimte. Ik stel de vraag dus nog een keer,
anders moet ik een schriftelijke vraag stellen.
De voorzitter:
Helder. De minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik denk dat die er wel in zit, maar het lijkt me goed om hierop in de
tweede termijn terug te komen.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Allereerst de complimenten aan de minister voor vandaag, voor haar
oprechtheid en eerlijke beantwoording. Ik zou ook eerlijk willen zijn en
mijn zorgen willen delen. Die hebben te maken met de uitvoering van de
Nota Ruimte en met name met de verhouding tussen de verschillende
ministeries. Wie heeft nou de regie? Ik heb de minister heel vaak horen
zeggen dat primair IenV erover gaat of LVVN. Wie neemt nou de besluiten
op het moment dat er een integraal plan ligt? De minister is dan heel
erg afhankelijk van andere ministeries en van haar collega's. Hoe zorgt
zij ervoor dat LVVN wel de besluiten neemt die broodnodig zijn om de
Nota Ruimte uit te voeren?
De voorzitter:
Helder, ik kijk nog één keer naar de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp uw zorgen heel erg goed. Kijk, het kabinet neemt uiteindelijk
de besluiten. Ik ben als minister van VRO coördinerend bewindspersoon,
dus ik leg dat voorstel in de ministerraad voor, waar dan uiteindelijk
een besluit wordt genomen. Dat bereiden we voor in een ministerieel
overleg om te voorkomen dat het in de ministerraad een Poolse landdag
wordt. Daar beginnen we donderdag mee. Al die departementen waar ik in
mijn beantwoording naar verwezen heb, en nog een paar meer, zitten daar
aan tafel. Alle bewindspersonen voor de fysieke leefomgeving zitten daar
dus bij elkaar om te komen tot een advies aan de ministerraad, zodat het
kabinet een besluit kan nemen. De coördinatie ligt bij mij en het
besluit ligt bij het kabinet.
De voorzitter:
Helder. Ik denk dat we daarmee gekomen zijn aan het einde van dit debat
en aan het einde van de eerste termijn van de zijde van zowel de Kamer
als het kabinet van het notaoverleg Ontwerp-Nota Ruimte. Ik wil de
minister hartelijk bedanken. Dit was haar eerste debat in deze commissie
en in de Kamer. We gaan inventariseren wanneer we de tweede termijn
kunnen houden. Voor Kamerleden die daarvan iets willen vinden: we kunnen
kijken naar volgende week maandag, voor of na het debat dat dan staat
gepland. Mocht u liever naar een ander moment willen kijken, geef dat
dan even aan. Dan gaan we kijken waar voldoende steun voor is. Ik sluit
de vergadering en wens u nog een fijne avond. Dank u wel.
Sluiting 19.20 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|