Wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (TK 36881) (ongecorrigeerd)
Stenogram
Nummer: 2026D12019, datum: 2026-03-16, bijgewerkt: 2026-03-17 09:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-16 15:00: Wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (TK 36881) (Wetgevingsoverleg), vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Preview document (š origineel)
Tweede Kamer, Wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Concept
De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 16 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over:
de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 19 december 2025 inzake voortgang wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting en lagere regelgeving (36512, nr. 104);
het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting) (36881).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening,
Beckerman
De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening,
De Vos
Voorzitter: Beckerman
Griffier: Beekmans
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Beckerman, Clemminck, Flach, Grinwis, De Hoop, Van Leijen, Mooiman, Nobel en Steen,
en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Aanvang 15.00 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom bij de vaste commissie voor Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening. Vandaag is aan de orde het Wetsvoorstel novelle
Wet versterking regie volkshuisvesting. Ik heet de minister van
Volkshuisvesting, alle Kamerleden en iedereen die dit debat meekijkt van
harte welkom. Voor de collega's: we zijn met veel en het is een wet.
Zoals eerder aan u is voorgesteld, stel ik voor om een spreektijd te
hanteren van zes minuten per fractie. Ik zou toch willen voorstellen om
het zo te doen: in de eerste termijn drie interrupties op elkaar en dan
vier op de minister. Zo voorkomen we dat we net als vorige week erg uit
de tijd lopen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik begrijp de intentie om er niet te lang over te doen met
elkaar, maar het gaat wel over een wetsvoorstel. Het is ook een
wetsvoorstel dat hier besproken wordt omdat er amendementen aangenomen
zijn die achteraf gezien niet aangenomen hadden moeten worden, denk ik.
Ik denk dus dat het goed is om vrij te kunnen interrumperen waar dat
nodig is en dat iedereen zich daar bescheiden in opstelt. Daar zal ik
mijn best voor doen. Ik denk dat ik de zes minuten voor mijn eigen
inbreng niet eens nodig heb, dus ik hoop dat we dan aan het tijdvak
kunnen voldoen.
De heer Clemminck (JA21):
Ik kan dit wel steunen. Ik zorg ook dat ik minder tijd nodig heb dan zes
minuten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Idem. Ik heb de zes minuten niet nodig, maar het is wat mij betreft wel
een debat om te interrumperen. We zijn hier namelijk bijeen en dat had
niet per se gehoeven.
De voorzitter:
Dat is helder. Dan zal ik niet korten op de interrupties, maar ik ga wel
op de tijd letten. Houdt u dus alstublieft de vragen en antwoorden kort.
Dan ga ik gewoon het debat in de eerste termijn aanvangen. De eerste
spreker van de zijde van de Kamer is het lid Nobel van de VVD.
De heer Nobel (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Laat ik de spanning er maar gelijk van afhalen:
de VVD zal voor deze wet stemmen. Nederland moet namelijk sneller en
meer bouwen. De VVD is dan ook blij dat de minister middels deze wet
meer regie krijgt, zodat betaalbaar wonen in zicht komt en daarmee de
samenwerking tussen Rijk, provincie en gemeente wordt verbeterd. Voor de
VVD staat ƩƩn ding voorop: wij willen stenen stapelen en niet regels. Ik
zal in mijn bijdrage ingaan op betaalbare koop, de voorrang bij sociale
huurwoningen en de regie bij grootschalige woningbouwprojecten.
Voor de VVD is het ā¦
De voorzitter:
Er is direct al een interruptie van het lid Grinwis van de
ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zat goed te luisteren naar de blokjes van de heer Nobel. Ik denk dat
ik als eerste punt een reflectie op het stemgedrag van de VVD bij de
amendementen bij de Wet versterking regie volkshuisvesting eigenlijk wel
op zijn plaats had gevonden. Wil de heer Nobel dat toevoegen aan zijn
repertoire? Dat is namelijk de reden waarom we hier bijeen zijn: een
normaal gesproken verantwoordelijke partij als de VVD nam even
verantwoordelijkheidsvakantie en heeft die middag willens en wetens voor
een zeer discriminerend amendement gestemd waarvan aan de voorkant
duidelijk was dat dat ernstige complicaties zou opleveren.
De heer Nobel (VVD):
Ik zal in die blokjes onder andere benoemen hoe de VVD tegen bepaalde
onderwerpen aankijkt. Ik denk dat het daarin aan bod komt. Als dat niet
zo is, dan zie ik de interruptie wel tegemoet.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Nobel (VVD):
Voorzitter. Voor de VVD is het vergroten van het aanbod op de
woningmarkt de beste manier om woningen betaalbaar te houden, zeker voor
koopstarters. Vorig jaar juni is een motie van mijn collega Peter de
Groot aangenomen waarmee verplicht wordt gesteld om bij
nieuwbouwprojecten 25% betaalbare koop te realiseren. De VVD vraagt zich
af hoe de minister van plan is deze motie uit te voeren. Hoe gaat zij
die 25% waarborgen? De minister heeft aangegeven dat zij met provincies
en gemeenten in gesprek wil gaan, maar dat is echt te zacht voor de VVD.
Zorgt de minister ervoor dat die 25% daadwerkelijk wordt gerealiseerd?
Natuurlijk zijn er ook gemeenten die al goede resultaten behalen. Deze
gemeenten zou ik heel graag willen stimuleren en een impuls willen
geven. Daarom overweeg ik een motie in te dienen waarin ik de minister
verzoek om gemeenten waarin 25% betaalbare koop wordt gerealiseerd, te
belonen.
Voorzitter. Naast zorgen om het bouwen van huizen heeft de VVD ook
ernstige zorgen om de stijgende woonlasten voor onder anderen mensen met
een koopwoning. Die lasten zijn de afgelopen jaren namelijk gigantisch
gestegen. Welke plannen heeft deze minister om de woonlasten te
verlagen? Veel mensen hebben ooit een koophuis gekocht en hebben de
woningwaarde de afgelopen jaren gigantisch zien stijgen, maar omdat ze
nog steeds in diezelfde woning wonen, hebben ze ook de ozb enorm zien
stijgen. Dat je woning ineens enorm veel waard wordt, betekent echter
niet dat je heel veel meer geld in je portemonnee hebt. Al die mensen
hebben een gigantische belastingverhoging voor de kiezen gekregen. In
veel te veel gemeenten stijgt de ozb op dit moment veel te hard. De VVD
ziet liever lage lasten en rust in de portemonnee.
Dan sociale huurwoningen. Laat ik vooropstellen dat de VVD blij is met
iedere woning die wordt gebouwd, dus ook met een sociale huurwoning.
Alleen, op dit moment is vastgelegd dat twee derde van de woningen die
gebouwd worden, betaalbaar moet zijn. We zien echter dat er door deze en
andere reguleringen uiteindelijk vaak niet gebouwd wordt. We zien dat
bouwontwikkelingen stilvallen en niet van de grond komen. Wat de VVD
betreft zijn we echt doorgeschoten in de regulering van de woningmarkt.
Op dit moment moeten gemeenten in de regio 30% sociale huurwoningen
bouwen. Helaas zijn er ook tal van voorbeelden van gemeenten die meer
dan 30% sociale huur eisen. Gelukkig zien we dat ook wethouders daar tot
inkeer kunnen komen. Zelfs bij de Amsterdamse D66-lijsttrekker is op dit
moment het kwartje gevallen. Zij zei namelijk dat het niet haalbaar is
om meer dan 30% sociaal te bouwen. Kan de minister aangeven hoe zij
aankijkt tegen gemeenten die bovenwettelijke eisen stellen op het gebied
van sociale huurwoningen? Gaat de minister deze gemeenten aanpakken?
Door deze extra eisen komen namelijk heel veel bouwontwikkelingen niet
van de grond.
De voorzitter:
Als u daar even wilt pauzeren, geef ik het woord aan lid De Hoop voor
een interruptie.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Omdat de heer Nobel over de sociale huurwoningen begint en over zijn
angst dat er mogelijk te veel sociaal geprogrammeerd wordt, was ik wel
nieuwsgierig of de heer Nobel weet hoeveel gemeenten er in Nederland
boven die 30% sociale huur zitten.
De heer Nobel (VVD):
Het gaat niet alleen om hoeveel gemeenten er boven die sociale huurgrens
zitten, het gaat ook om welke gemeenten dat zijn. De gemeenten die dit
doen, zijn namelijk ook gemeenten waar we met elkaar heel veel
woningbouwaantallen verwachten. Als we bijvoorbeeld naar de gemeente
Amsterdam kijken, zien we dat de woningbouwaantallen die daar
gerealiseerd kunnen worden enorm hoog zijn, maar op dit moment gebeurt
dat niet omdat zij bijvoorbeeld een eis van 40% sociale huur stellen.
Ook andere gemeenten, zoals de gemeente Utrecht, stellen toch vaak de
eis om meer sociale huurwoningen te bouwen. Daardoor worden uiteindelijk
te weinig woningen gerealiseerd. Het is niet zo dat een willekeurige
gemeente in Friesland of Groningen uiteindelijk dezelfde
woningbouwopgave heeft als bijvoorbeeld een gemeente als Amsterdam,
omdat dat nu eenmaal in de Randstad ligt en de verbindingen daar ook
beter zijn. Dat weet de heer De Hoop als woordvoerder verkeer en vervoer
ook. Het gaat dus niet om hoeveel gemeenten, het gaat om de
woningbouwaantallen die gerealiseerd moeten worden. Die blijven ver
achter bij gemeenten die dit doen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Omdat de heer Nobel zelf over aantallen begint: de gemeente Amsterdam is
de gemeente die de meeste woningen bouwt in Nederland. Zij hebben de
afgelopen jaren 22.000 woningen bijgebouwd; dat allereerst. Van alle
gemeenten die er zijn, heeft 85% tussen 2020 en 2024 minder dan 30%
sociaal gebouwd. In al die gemeenten wordt er dus minder sociaal gebouwd
dan wij met z'n allen zouden willen, en er zijn 23 gemeenten die
helemaal geen sociale huurwoning gebouwd hebben. Als de heer Nobel deze
cijfers hoort, moet hij het, zelfs als VVD'er, toch met
GroenLinks-Partij van de Arbeid eens zijn dat die sociale opgave groot
is en dat die 30% niet voor niks in deze wet staat?
De heer Nobel (VVD):
Juist omdat in alle segmenten de vraag zo enorm groot is, ook wat
betreft de sociale woningbouw als je het bekijkt per regio, zou je dus
niet boven die 30% moeten gaan zitten. Je ziet namelijk dat heel veel
woningbouwprojecten dan uiteindelijk niet van de grond komen; dat is ook
mijn zorg. Daarom heb ik aan de minister gevraagd hoe zij daartegen
aankijkt en of zij bereid is om die gemeenten ook aan te pakken. Want
ja, de gemeente Amsterdam heeft in absolute aantallen wel de meeste
woningen gebouwd, maar de prognoses en ook de ambities die ze zelf
hebben gesteld, halen ze bij lange na niet. Dat is gewoon ontzettend
jammer.
De voorzitter:
Nog een interruptie van het lid Grinwis van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Was het dan niet beter geweest om in de wet gewoon de eis van 30%
sociale huur per gemeente vast te leggen? Dan had je ook niet de
discussie gehad dat de ene gemeente haar hobby ging uitoefenen met 40% Ć
50% en de andere gemeente zich onder haar verplichtingen uit draaide en
met 10% Ć 20% doorging. Dan hadden zowel Amsterdam als Bloemendaal
allemaal 30% sociale huur als woningbouwopgave gehad.
De heer Nobel (VVD):
Dat lijkt me heel onwenselijk, want dat zou nog meer regulering
betekenen. Ik heb zojuist ook betoogd dat we niet mƩƩr moeten reguleren.
Als je iedere gemeente gaat voorschrijven dat ze nog meer vast moeten
leggen, komt dat de woningbouwproductie zeker niet ten goede. Dat lijkt
de VVD dus een heel slecht idee.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nu trapt de heer Nobel toch op zijn eigen staart met zijn redenering.
Hij wil dit niet en dat niet. Hij wil deze Wet versterking regie. Daarin
is een Poolse landdag georganiseerd. Er wordt gezegd: nationaal willen
wij 30% sociaal bouwen en twee derde betaalbaar, en dat willen we
regionaal ook, maar niet lokaal. Ze moeten onderling gaan zitten
steggelen op een eindeloze Poolse landdag tot ze eruit komen. Daar
krijgen ze zes maanden voor. Hoe het daarna gaat, weten we niet helemaal
zeker, dus wat mij betreft creƫren we daar vandaag helderheid over. Die
optelsom van hele vage regels ā¦
De voorzitter:
Komt u tot uw vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
... is toch een nog veel groter probleem dan een heldere regel: 30%
sociaal en twee derde betaalbaar per gemeente?
De heer Nobel (VVD):
De VVD ziet het liefst zo min mogelijk regulering. We leggen nu een
aantal dingen vast. Wat de VVD betreft zouden we liever naar dingen
streven. Gelukkig staat ook in de wet dat we streven naar twee derde
betaalbaar. Het zijn andere partijen geweest die hebben ingebracht dat
we 30% hard moeten realiseren. Wat de VVD betreft hadden we minder
gereguleerd, maar goed, dit is de wet zoals die nu voorligt. Er zitten
ook veel positieve aspecten aan, maar wat ons betreft had er veel minder
gereguleerd kunnen worden. U stelt voor om daar nog verder in te gaan en
het per gemeente te reguleren. Daarvan zegt de VVD dat het een slecht
idee is, want je ziet ook: hoe meer we met elkaar vastleggen, hoe minder
er wordt gebouwd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Maar waarom piept de VVD dan zo over gemeentes die meer doen? Dat is
inherent aan de vrijheid die de VVD aan regio's geeft. Dan krijg je
onderling gesteggel. De ene gemeente wil zoveel procent sociaal en
zoveel betaalbaar bouwen en de andere gemeente ziet het anders. Als je
een vage regelt stelt, van "je zoekt het maar uit in de regio", dan werk
je toch in de hand wat de heer Nobel hier bestrijdt?
De heer Nobel (VVD):
Ik heb zojuist ook al aangegeven: wat de VVD betreft hadden we die 30%
niet vast hoeven leggen, maar nu we die toch vastleggen, werkt die wel
twee kanten op. Dat betekent dat er regionaal minimaal 30% gebouwd moet
worden. Echter, over gemeenten die meer doen, waardoor veel
woningbouwprojecten uiteindelijk niet rondkomen, zegt de VVD: daar moet
de minister ook ingrijpen. Ik noemde in mijn voorbeeld de gemeente
Amsterdam. Zo zijn er nog meer gemeenten die deze of andere eisen
opleggen waardoor woningbouwprojecten uiteindelijk niet van de grond
komen. Als we met elkaar willen dat er voldoende woningen worden
gebouwd, waaronder sociale huurwoningen, moeten we ervoor zorgen dat er
niet meer eisen worden opgestapeld dan de eisen die we hier al met
elkaar vastleggen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Nobel (VVD):
Een balans op de woningmarkt is er als iedereen een eerlijke toegang
heeft tot die markt. De huidige voorrang voor statushouders en
ex-gedetineerden past daar wat de VVD betreft in ieder geval niet bij.
Het amendement van mijn collega Peter de Groot over het verbieden van
voorrang voor ex-gedetineerden is helaas verworpen, maar voor de VVD
valt deze voorrang niet te rijmen met de schaarste in de sociale
woningvoorraad. Jongeren die op een zolderkamer bij hun ouders wonen,
krijgen immers ook geen woning, terwijl ze hard werken en meedoen in de
samenleving.
In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over het
instellen van een verbod op de voorrang voor statushouders. Die voorrang
wordt afgeschaft wanneer er in voldoende mate alternatieve huisvesting
beschikbaar is. Wanneer kunnen wij het verbod verwachten van de
minister? Welke stappen zet de minister, bijvoorbeeld voor het meireces,
om uiteindelijk te komen tot voldoende doorstroom?
De heer Mooiman (PVV):
Ik heb een vraag aan de heer Nobel over de voorrang voor statushouders.
Er ligt natuurlijk al een verbod, dat door het vorige kabinet, samen met
de VVD, is ingebracht. Dat verbod is ingediend bij de Kamer en zouden we
in principe zo met elkaar kunnen behandelen. Mocht dat verbod naar de
Kamer komen en tot een behandeling komen, gaat de VVD daar dan in mee?
Ik ben namelijk een beetje aan het zoeken waarom de VVD een nieuw verbod
verwacht van de minister.
De heer Nobel (VVD):
Ik denk dat we het over hetzelfde verbod hebben. We hebben ook met
elkaar afgesproken dat er eerst alternatieve huisvesting moet zijn om
statushouders te kunnen huisvesten. Daarom vraag ik aan de minister
wanneer zij verwacht dat die alternatieve huisvesting er is. Ik ben dus
benieuwd ā ik zal mijn bijdrage meteen maar een soort van vervolgen ā
wanneer er volgens de minister voldoende alternatieve huisvesting
is.
De voorzitter:
Er zijn nog een boel interrupties voor u. U bent populair. Clemminck
eerst en dan De Hoop.
De heer Clemminck (JA21):
Over die alternatieve huisvesting voor statushouders. In het
wetsvoorstel, waar de VVD zelf aan heeft meegewerkt, zit een opschorting
van ƩƩn jaar. Na de inwerkingtreding van de wet hebben gemeenten dus nog
een jaar de tijd om die transformatielocaties te organiseren. Is dat ene
jaar dan niet voldoende?
De heer Nobel (VVD):
Ik begrijp de vraag, maar ik vind dat die ook samenhangt met de vragen
die ik zojuist al aan de minister heb gesteld. Ik ben dus erg benieuwd
naar het antwoord dat de minister hier zelf op gaat geven. Wanneer is
die alternatieve huisvesting volgens haar voldoende? Hoe snel denkt de
minister die te kunnen realiseren?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch een vraag aan de heer Nobel, aangezien die alternatieve
huisvestingsmogelijkheden voor statushouders er nog niet zijn. Dat wist
de VVD ook al bij de vorige behandeling van de wet. Toch besloot de VVD
toen voor het amendement van de heer Mooiman te stemmen. Ik wil een
reflectie van de heer Nobel op waarom zijn partij wel voor dat
amendement stemde, terwijl de VVD wist dat er geen alternatieve
huisvesting was voor die groep statushouders.
De heer Nobel (VVD):
Voor de VVD is het doel altijd helder geweest, en dat is het overigens
nog steeds: wij willen dat die voorrang voor statushouders zo snel
mogelijk verdwijnt. Daarom hebben we destijds ook voor het amendement
gestemd. Tegelijkertijd zitten we nu in een nieuwe coalitie, waarmee
nieuwe afspraken zijn gemaakt. Een van die afspraken is dat er voldoende
alternatieve huisvesting moet zijn. Maar laat ik heel duidelijk zijn
namens de VVD: die voorrang moet er gewoon zo snel mogelijk af. Daarom
heb ik de minister ook gevraagd wanneer zij denkt hier concrete stappen
in te kunnen zetten.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Toch op dit punt. Ik had eigenlijk iets meer reflectie van de VVD
verwacht, zeker omdat het advies van de Raad van State echt heel stevig
was. Zij gaven aan dat er een instrument voor ongelijkheidscompensatie
voor ƩƩn groep wordt ingetrokken, terwijl die groep zich niet in een
gelijke positie bevindt. Dat leidt tot ongelijke behandeling. Ook worden
gemeenten in een hele moeilijke positie gebracht en gaat het
rechtstreeks tegen de Grondwet in. Ik ken de partij van de heer Nobel
als een partij die de Grondwet en de Raad van State vrij serieus neemt.
Als zij met zo'n advies komen, twijfelt de heer Nobel dan niet toch een
beetje aan het feit dat men toch voor een absoluut verbod heeft gestemd?
Was dat achteraf gezien toch niet zo verstandig? Daarmee overschrijdt je
toch de lijn van discriminatie, wat ik van de PVV wel gewend ben, maar
niet van de VVD. Ik zou daar toch iets meer reflectie van de heer Nobel
op willen horen.
De heer Nobel (VVD):
Nogmaals, voor ons blijft uiteindelijk het doel, namelijk die voorrang
afschaffen, overeind. Over de weg ernaartoe hebben we nu met elkaar
afgesproken dat we willen dat er eerst voldoende alternatieve
huisvesting is. Wat mij betreft zit er in die zin geen licht tussen en
blijft voor ons het doel altijd centraal staan. De manier waarop we daar
komen, moet uiteindelijk wel netjes gebeuren. Daarom heb ik zojuist aan
de minister gevraagd hoe snel zij denkt die alternatieve huisvesting te
kunnen realiseren. Wanneer is de huisvesting voldoende? Dan kan die
voorrang eraf.
De voorzitter:
Ik heb nu staan: De Hoop, dan Grinwis en dan Mooiman.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
De heer Nobel geeft nu geen antwoord op het fundamentele punt in mijn
interruptie, namelijk dat het discriminerend is. Niet alleen ik vind
dat, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid, maar de Raad van State zegt
ook heel nadrukkelijk dat er advies D werd gegeven. Dat is niet zomaar
wat. Op dat punt gaat de heer Nobel niet in. Het punt is dat er sprake
is van een ongelijke startpositie, waarbij je die mogelijkheid intrekt.
Dat is discriminerend. Ik wil dƔƔr een antwoord en een reflectie op van
de heer Nobel.
De heer Nobel (VVD):
Die ongelijke positie heb ik zojuist proberen te schetsen voor jongeren
die bij hun ouders op een zolderkamer moeten blijven wonen tot
halverwege de 20 en soms zelfs tot hun 30ste. Die ongelijke positie is
er dus voor heel veel mensen in de samenleving die op zoek zijn naar een
woning. Daarom wil de VVD af van de voorrang voor statushouders. De
route daarnaartoe is dat er zo snel mogelijk alternatieve huisvesting
moet zijn. Wat ons betreft kan die voorrang dan zo snel mogelijk
verdwijnen. Ik hoop dus ook dat de minister heel concreet kan aangeven
dat zij nog voor het meireces met stappen komt om dit te
realiseren.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Grinwis van de ChristenUnie. Daarna
Mooiman.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De heer Nobel geeft, ondanks het aandringen van mij en collega De Hoop,
geen antwoord op de reflectievraag. De VVD heeft willens en wetens voor
een amendement gestemd waarmee niet alleen werd geregeld wat door de
vorige minister van VRO, mevrouw Keijzer, in een separaat wetsvoorstel
al werd voorbereid. Dat was dat gemeenten niet meer mogen overgaan tot
het verlenen van urgentie aan statushouders. In het amendement-Mooiman
werd het zo geregeld dat statushouders om welke reden dan ook ā of je
nou ziek was of onder een andere urgentiecategorie viel ā coĆ»te que
coƻte geen urgentie meer konden krijgen. Bij de stemming was
klip-en-klaar dat dat een discriminerend amendement was, omdat het
rechtstreeks in strijd was met artikel 1 van de Grondwet. Dat wisten we
allemaal. Ik heb daar in mijn stemverklaring de vinger bij gelegd.
Ondanks dat heeft de VVD heel gemakkelijk voor dat amendement gestemd,
terwijl er separaat een wetsvoorstel in voorbereiding was door de
voorganger van deze minister. Bovendien heeft de ingang van deze wet
daardoor vertraging opgelopen. Reageer daar eens op! Want wat de VVD
wil, is wel helder.
De voorzitter:
Uw vraag is helder.
De heer Nobel (VVD):
Ik heb nu volgens mij drie of vier keer aangegeven dat voor de VVD met
name dat doel belangrijk is. Dit is overigens niet het enige amendement;
er zijn ook nog een aantal andere amendementen ingediend. Daar zal ik
straks ook nog op komen. Deze wet werd dus op een aantal punten
geamendeerd, en dit was een van die punten. En het klopt dat de voorrang
voor statushouders de VVD inderdaad heel zwaar op de maag ligt, juist
vanwege die jongeren die op dit moment nog bij hun ouders op een
zolderkamer moeten wonen. Daarom zijn wij uiteindelijk ook meegegaan met
dat amendement. Nu hebben we met elkaar afgesproken dat we die
alternatieve huisvesting op orde moeten hebben; vervolgens kan die
voorrang er ook af. Ik zal deze minister daarom in waarschijnlijk elk
woondebat ook kritisch bevragen hoe ver ze daarmee is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het doel van de VVD is nu wel helder. De heer Nobel is heel wel in staat
om dat goed voor het voetlicht te brengen, maar het gaat om dat andere
punt. Op die befaamde middag ā of was het een avond? Ik weet het niet
meer ā heeft de Kamer bij diverse wetten in meerderheid amendementen
aangenomen, die de toets van de grondwettelijke kritiek niet konden
doorstaan. Het ene amendement heeft op dat moment al heel veel stof doen
opwaaien; dat was het bekende amendement op de migratiewetten over het
kopje soep. Maar dĆt amendement is een beetje onder de radar gebleven,
maar was minstens zo problematisch. Een partij als de VVD, maar ook de
collega van de SGP, die zich al warm kan draaien voor een interruptie
hierover, heeft hier willens en wetens voorgestemd. Dit terwijl
duidelijk was dat dit amendement grote repercussies heeft, niet
standhoudt voor een rechter en ook niet voor onze Grondwet. Laat ik het
dan zo zeggen: wat heeft de VVD daarvan geleerd voor een volgende
keer?
De voorzitter:
De vraag is helder.
De heer Nobel (VVD):
Ik denk dat de les, niet alleen voor de VVD maar voor alle partijen
hier, is dat de grenzen van migratie ver overschreden zijn en dat er de
afgelopen jaren zo veel mensen naar Nederland gekomen zijn dat dit enorm
drukt op allerlei zaken, ook op onze volkshuisvesting. Daardoor zal
uiteindelijk ook een partij als de VVD kijken naar voorstellen hierover
op het gebied van woningbouw. Het is niet eerlijk dat een jongere
ontzettend lang moet wachten en jarenlang bij zijn ouders moet blijven
wonen, soms tot halverwege de 20 of 30. Dat we de voorrang voor
statushouders willen afschaffen, dat de VVD daarvoor heeft gestemd, vind
ik helemaal niet zo gek.
De voorzitter:
De laatste.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nu doet u het weer, zou ik bijna willen zeggen. De heer Nobel gaat nog
een keer over tot het uitleggen van het standpunt van de VVD, maar dat
was hier niet het punt. Of je wel of niet aan gemeenten de vrijheid gunt
om wel of geen urgentie te geven aan statushouders, is op zich een
legitiem standpunt. Dat kun je vinden. Het punt was dat het amendement
niet alleen dat regelde, maar ook dat een gemeente coƻte que coƻte, wat
een statushouder ook overkwam, geen voorrang meer kon verlenen, in welke
urgentiecategorie een statushouder ook viel. Dat was als zodanig
discriminerend, dat was die middag helder. Nochtans heeft de VVD
voorgestemd. Uit niks uit de beantwoording van de heer Nobel blijkt dat
het een stemfout was of een les: daarvan hebben we geleerd en de
volgende keer zullen we onze Grondwet wat serieuzer nemen. Hij blijft
benadrukken hoe belangrijk het doel is. Het doel is legitiem. Het punt
is dat bij de stemming al volkomen duidelijk was dat het middel geen
stand houdt en discriminerend is.
De voorzitter:
Komt u tot een vraag?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Kan de heer Nobel daar alsjeblieft een keer wƩl op ingaan? Nog een keer
het riedeltje over wat de VVD ervan vindt: dat kennen we wel.
De heer Nobel (VVD):
Dan ben ik bang dat ik de heer Grinwis teleur moet stellen, want ik ga
waarschijnlijk een verhaal afsteken dat behoorlijk langs dezelfde lijn
zal lopen. Ik gaf zojuist al aan dat wat ons betreft die voorrang er zo
snel mogelijk van af moet.
Voorzitter, tot slot.
De voorzitter:
Nee, want nu ga ik naar een interruptie van de heer Mooiman, PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Voorzitter, staat u mij een persoonlijk feit toe. Er werd net gezegd
door een collega dat er bij de PVV een lijn van discriminatie te
herkennen zou zijn. Dat vind ik heel kwalijk en dat werp ik ook verre
van mij. In het amendement gaat het over een voorrangsregeling voor
statushouders. Zij worden voorgetrokken ten opzichte van Nederlanders.
Wij wilden die ongelijke behandeling corrigeren en daartoe hebben we dat
amendement ingediend. Waar sommige partijen zeggen dat zij de
Nederlanders achterstellen, zeggen wij: dat gaan wij niet doen. Als er
al iets discriminerend zou zijn, dan zou het wel het feit zijn dat er
hele groepen worden voorgetrokken ten opzichte van Nederlanders. Dat wil
ik graag gezegd hebben, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was een persoonlijk feit. Dan ga ik de heer Nobel ruimte geven om
zijn betoog te vervolgen.
De heer Nobel (VVD):
Voorzitter. Ik wilde zeggen: tot slot. Destijds zijn er nog een aantal
moties ingediend bij de wetsbehandeling. Een van de moties ging over het
pakken van de regie bij woningbouwprojecten die uiteindelijk vastlopen
omdat de fatale termijn verstrijkt voor vergunningen die de gemeenten
moeten verlenen. Ik begrijp heel goed dat de minister zegt dat ze niet
iedere woning op haar bordje wil krijgen waarvoor de fatale termijn is
verstreken, want dat is natuurlijk ondoenlijk. Ik vraag me wel af hoe de
minister aankijkt tegen dergelijke situaties met woningbouwprojecten van
500 of meer woningen. Hoe zit het in dat geval met de
beslissingsbevoegdheid van de minister? Kan de minister daarop
reflecteren?
Dat was mijn bijdrage. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Nobel. De heer Nobel sprak namens de VVD. Dan ga ik
naar de heer Flach, die namens de SGP spreekt.
De heer Flach (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De richting die de Wet versterking regie
volkshuisvestiging opgaat, steunen wij in grote lijnen. De
koerswijzigingen die de voorliggende novelle voorstelt, kunnen wij ook
steunen. We zijn wel benieuwd naar de uiteindelijke vormgeving. Een deel
moet namelijk nog worden uitgewerkt. Bovendien zag ik vorige week
opnieuw het voorstel langskomen om niet meer op regionaal niveau maar in
elke gemeente te sturen op percentages, een voorstel dat de SGP absoluut
niet kan steunen. Het is niet alleen funest voor de lokale autonomie,
maar vooral funest voor woningzoekenden. Het voorstel suggereert dat
alle gemeenten gelijk zijn, terwijl gemeenschappen in elke gemeente
verschillend zijn. Nog meer regels vanuit Den Haag gaat de woningbouw
vooral vertragen, zorgt voor kleinere woningen of leidt ertoe dat
projecten niet meer doorgaan.
Voorzitter. Een van de voorstellen die met deze novelle ongedaan wordt
gemaakt, gaat over vergunningen. Woningbouwprojecten lopen te vaak
vertraging op door perikelen bij de vergunningverlening. Volgens de SGP
moet hier echt een verbeterslag in worden gemaakt, of het nu gaat om het
overschrijden van termijnen of om ingewikkelde processen. Afgelopen week
vroeg ik de minister daar ook naar. Zij gaf toen aan dat de problemen
wel meevielen bij gemeenten. Inderdaad, het probleem speelt veel breder:
ook bij provincies stroopt het soms op. Het kan dan gaan om allerlei
vergunningen. Zo gaat het niet alleen om de technische bouwactiviteit
zelf, maar bijvoorbeeld ook om natuurvergunningen die nodig zijn om te
starten met bouwen. Dit speelt niet alleen bij nieuwbouw, maar ook
bijvoorbeeld bij het splitsen van woningen of bij andere manieren die
bijdragen aan het oplossen van het woningtekort. Ik zou heel graag in
kaart willen hebben waar de grootste obstakels zitten en vooral wat
eraan gedaan kan worden om de vergunningverlening in brede zin te
versnellen. Hoe ziet de minister dit? Wil zij opties in kaart brengen om
dit probleem aan te pakken?
Voorzitter. Tijdens de behandeling van de Wet regie is een amendement
van de BBB aangenomen waardoor gemeenten geen beroep meer kunnen
instellen tegen besluiten van andere gemeenten. Dat is een enorme
inbreuk op de rechten van gemeenten. Zeker bouwprojecten aan de rand van
gemeenten kunnen forse invloed hebben op naburige gemeenten. Er kunnen
zich dan terechte bezwaren voordoen. We spreken hier vaak over de grote
waarde van gemeenten, de lokale autonomie en de ruimte voor gemeenten.
Dit voorstel gaat daar lijnrecht tegenin. Hoe kan het amendement zo
beperkt mogelijk worden ingevoerd? Is er overleg geweest met
bijvoorbeeld de VNG over de uitwerking van dit amendement? Zo nee, wil
de minister toezeggen dat dit alsnog gebeurt?
Voorzitter. In het coalitieakkoord las ik interessante teksten die ook
lijken te raken aan dit wetsvoorstel. Zo wordt er bij nieuwe woondeals
gestreefd naar 25% betaalbare koop. Zeker, dat is hard nodig. Hoe wordt
dat percentage geborgd? Tegelijkertijd is betaalbaar op papier vaak
onbetaalbaar in de praktijk. Vorige week bij het debat over
volkshuisvesting ben ik daar ook op ingegaan. Een bijkomend risico is
dat er weliswaar betaalbare woningen worden gebouwd, maar dat de
kwaliteit sterk vermindert. Kan de minister hierop reflecteren? Is voor
deze wens in het coalitieakkoord ook niet een wijziging van de Wet regie
nodig? Wat betekent de wens om ontwikkelaars vrij te laten bouwen naar
behoefte, zoals ook in het coalitieakkoord is opgenomen, in de praktijk?
Juist met de Wet regie zijn ze toch aan allerlei voorschriften gebonden?
Aan de ene kant schrijven we ze dus allerlei regels voor, maar aan de
andere kant kunnen ze bouwen naar behoefte. Ik moest even denken aan de
reclame van een bepaald automerk aan het begin van de vorige eeuw: je
kunt 'm in alle kleuren kopen, als het maar zwart is.
Voorzitter. Als gevolg van een aangenomen amendement van de SGP en D66
moeten gemeenten ook voor starters specifiek woonbeleid opstellen. In
het Besluit versterking regie volkshuisvesting is bepaald wat onder
starters wordt verstaan. Ik heb daar twee opmerkingen over. Ten eerste
wordt in het besluit bepaald dat een starter een woningzoekende persoon
is tussen de 18 en de 30 jaar. Volgens mij ligt de leeftijd in de
gangbare definitie hoger, namelijk op 35 jaar. Ook voor bijvoorbeeld de
startersvrijstelling en de overdrachtsbelasting wordt een leeftijdsgrens
van 35 jaar gehanteerd. Waarom wordt hier een afwijkende definitie
gehanteerd? Afgelopen vrijdag kwamen de antwoorden binnen op onze vragen
over het onderliggende besluit, waarin de minister zegt de grens niet te
willen verhogen. Waarom niet? Ik overweeg een motie op dit punt.
Daarnaast kreeg ik het signaal dat starters die uitstromen uit een
zogenaamde jongerenwoning in het huidige besluit niet onder de definitie
zouden vallen. Technisch gaat het dan om artikel 274c van boek 7 van het
BW. Is de minister bereid om ook deze groep toe te voegen?
Voorzitter. Tot slot wil ik het hebben over het amendement over de
urgentie voor dakloze gezinnen met kinderen. De SGP is voorstander van
deze toevoeging. Ik snap dat er wellicht enige inkadering nodig is. Ik
maak me echter wel zorgen dat de drempels om als dakloos gezin met
kinderen urgentie te krijgen te hoog worden. Dat kan nooit de bedoeling
zijn. Ik zou daarom nogmaals een beroep op de minister willen doen om
nog eens goed te kijken naar de gevolgen van de inkadering. Het besluit
is inmiddels in consultatie, dus we zullen er ongetwijfeld nog vaker
over spreken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Flach. Er is een interruptie van het lid De Hoop,
GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het eerlijk gezegd toch wel verbijsterend dat de heer Flach met
geen woord heeft gerept over de voorrang van statushouders, zeker daar
zijn fractie wel voor het amendement heeft gestemd. Ik had anders
verwacht van een partij die in deze Kamer toch een beetje bekendstond en
ten dele nog bekendstaat als het staatsrechtelijk geweten van deze
Kamer. Als de Raad van State zo'n hard oordeel heeft over een aangenomen
amendement waar ook de SGP voorgestemd heeft, zou ik daar toch wel iets
van een reflectie van de heer Flach op verwachten.
De heer Flach (SGP):
Dit is wel een beetje een debat van grote woorden aan het worden. De
heer De Hoop is namelijk inmiddels "verbijsterd" over iets wat ik niet
gezegd heb. Dat geeft goede hoop voor wat er nog meer gaat komen in dit
debat. Ik wil er best iets over zeggen. Ja, daar is een verhit debat
over geweest, alweer enige maanden geleden. De SGP heeft ingestemd met
het amendement Mooiman, omdat wij het eens zijn met het doel om de
voorrang voor statushouders zo snel als mogelijk te schrappen. Waarom?
Omdat een toenemende groep mensen in de samenleving aan de kant komt te
staan. Dat is ook al genoemd door collega Nobel. Dat zijn jongeren die
gewoon de markt niet meer op komen en jonge gezinnen die niet meer aan
bod komen voor een sociale huurwoning. Daarom willen wij zo snel
mogelijk een verbod.
Nu, met het advies van de Raad van State in de hand, is het makkelijk
zeggen: dat is toch niet staatsrechtelijk en dat is discriminerend. Noem
het allemaal maar op. Ik moet zeggen dat ik het niet eens ben met die
beoordeling van de Raad van State, maar ik heb daarmee geen gelijke
positie, dus we moeten er wel iets mee. Dat is de reden dat ik zeg dat
we deze aanpassing van de novelle in grote lijnen steunen. Er wordt
gezegd dat het geen gelijke uitgangspositie is, maar ik stel
daartegenover dat jongeren die niet uit huis komen en inmiddels 30 jaar
zijn ook geen gelijke uitgangspositie hebben. Dat is de reden geweest
dat wij destijds wel met dat amendement hebben ingestemd. Dat het nu
gerepareerd wordt, is een gevolg van die Raad van State-uitspraak. Die
volgen wij, maar dat wil niet zeggen dat ik terugkom op de eerdere
stemkeuze die wij hebben gemaakt.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Prima. Ook het waardeoordeel van de heer Flach over mijn interruptie is
prima, want ik heb dat waardeoordeel eerlijk gezegd ook over het
stemgedrag van de SGP gehad. Het is dus fair dat de heer Flach dit
markeert als een stevige interruptie. Dat mag ook, maar ik proef in de
woorden van de heer Flach dat hij zelfs na het advies van de Raad van
State zegt dat de SGP nog steeds voor dat amendement zou hebben gestemd.
Heb ik dat goed begrepen? Of zouden de heer Flach en de SGP-fractie,
wetend wat de Raad van State daar nu over gezegd heeft, achteraf liever
niet voor het amendement hebben gestemd?
De heer Flach (SGP):
Voor de SGP is de Raad van State een heel belangrijk adviesorgaan, wiens
oordelen wij altijd serieus nemen. Dat is ook de reden waarom ik
letterlijk heb gezegd dat wij de koerswijzigingen in de voorliggende
novelle kunnen steunen. De heer De Hoop wil nu eigenlijk met de kennis
van nu een reflectie op mijn stemgedrag van toen. Dat is een heel rare
figuur, waar ik ook niet in meega, want dat wordt heel gekunsteld; de
heer Grinwis kan zich bijna niet inhouden, maar die mag straks. Wij zijn
van mening dat we in dit land te lang hebben gewacht met het schrappen
van de voorrang voor statushouders. Dat heeft geleid tot een onevenredig
grote druk, met name in gemeentes waar gewoon weinig sociale
huurwoningen zijn. Dat heeft geleid tot wachttijden van tien jaar. Als u
het dan hebt over een gelijke uitgangspositie, meneer De Hoop, zou ik
daar ook weleens een reflectie van uw kant op willen: hoe kunnen we dat
dan toestaan en tegelijkertijd maar laten voortslepen dat we die
voorrang in stand laten? Ik vind dat onevenredig en onrechtvaardig.
Daarom sta ik nog steeds voor de keuze die wij destijds hebben gemaakt
en heb ik gezegd wat ik zojuist heb gezegd.
De voorzitter:
De Hoop en dan Grinwis.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Een afrondende interruptie dan. Ik zal het woord "verbijsterend" niet
meer gebruiken, want dat werd volgens mij niet zo gewaardeerd, maar ik
vind het toch wel apart dat twee partijen die juist tegen voorstellen
stemmen voor meer sociale huurwoningen in die gemeenten, het argument
gebruiken dat er te weinig woningen zijn voor mensen die zulke woningen
zoeken om die voorrang af te schaffen. We hebben in Nederland al 30 jaar
lang ongeveer hetzelfde percentage woningen dat naar statushouders gaat.
Het enige wat er veranderd is, is dat er veel minder sociale
huurwoningen zijn. Daardoor is dit probleem nu zo ontstaan en voelen we
dat met elkaar meer bij sociale voorzieningen. Als u dit echt zo
belangrijk vindt, zou ik zeggen: steun dan juist het voorstel van de
heer Grinwis en mij, want dat waarborgt dat we in elke gemeente
voldoende sociale huurwoningen krijgen. Dan zou ik het argument beter
begrijpen dan in dit geval.
De heer Flach (SGP):
Op het gevaar af dat dit meer een migratiedebat wordt dan een
volkshuisvestingsdebat: de heer De Hoop kiest voor de ene oplossing,
namelijk er ontzettend veel sociale huurwoningen bij bouwen, terwijl we
de minister vorige week nog hebben horen zeggen dat de helft van de
woningen die we moeten bouwen, nog bestemd is voor mensen die nu nog
niet in Nederland wonen. Wij gaan aan de andere kant zitten en wij
zeggen dat die instroom heel erg sterk omlaag moet. Waarom? Onze
samenleving piept en kraakt onder de impact daarvan. Daar moeten we nu
eindelijk eens iets aan gaan doen. Dat is destijds gekoppeld aan de
Spreidingswet, maar dat is niet gebeurd. Dat is gekoppeld aan de
taakstelling voor gemeenten; dat is ook niet gebeurd. Die instroom gaat
maar niet naar beneden, anders dan door autonome factoren. Zolang we dat
niet doen, kunnen we bij blijven bouwen wat we willen, maar is het
dweilen met de kraan open. Wat mij betreft kiest GroenLinks-PvdA in dit
geval dus voor de verkeerde knop om aan te draaien.
De voorzitter:
Grinwis, ChristenUnie. Ik vraag u om iets korter te zijn dan
zojuist.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja. Ik begrijp heel goed dat er een discussie wordt gevoerd over de
urgentiebepaling voor statushouders. Een aantal jaren geleden is de
verplichte urgentie eraf gehaald. Dat is nu een facultatieve urgentie,
zodat gemeenten toch kunnen voldoen aan de wettelijke taakstelling om
statushouders te huisvesten als zij daar niet op een andere wijze dan
via sociale huurwoningen aan kunnen voldoen. Zo is het nu geregeld. Dat
de SGP daarvan af wil en dit de gemeenten wil verbieden, past volgens
mij niet helemaal in de rest van het betoog van de heer Flach, maar
soit. Wat ik nu opmerkelijk vind, is de redeneer- en handelwijze van de
SGP. Het ging niet om de kennis van nu; het ging om de kennis van toen.
Toen we stemden, wisten we dat dit amendement urgentie voor
statushouders niet sec in een specifiek geval onmogelijk maakte maar
coƻte que coƻte. Dat staat heel duidelijk in het amendement. Ook als je
in een andere urgentiecategorie zou vallen, zou er dus geen urgentie
gegeven mogen worden. Dat is het discriminerende en het onjuiste van dit
amendement. Daar hadden we de Raad van State niet eens voor nodig; dat
konden we zelf zien bij de stemming. Ik heb daar in mijn stemverklaring
ook duidelijk uiting aan gegeven. Ik heb daar zelfs nog over gesproken
met de heer Flach, maar dat doet hier verder niet ter zake. Het punt is
dat ik dƔƔr een reflectie op wil horen, en niet wil horen "we steunen
het doel" en "met de kennis van nu".
De voorzitter:
Helder.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wilt u daarop ingaan?
De heer Flach (SGP):
Ik ga in op de vragen zoals ik dat wil doen, op mijn manier. Ik snap dat
dat soms niet tot tevredenheid is, maar daar moet de heer Grinwis het
dan ook maar mee doen. Ik heb gezegd: met de kennis van nu. We hadden
toen nog niet het advies van de Raad van State. Sterker nog, daar heeft
de heer Grinwis toen zelf om verzocht. Dat heb ik toen inderdaad niet
gesteund. Die kennis hadden we toen dus niet. Ja, we wisten inderdaad
dat het een coƻte-que-coƻtemaatregel was, maar nogmaals, we gaan nu heel
erg terug in de tijd. Het is ook duidelijk dat we uit bepaalde gemeenten
al signalen kregen dat er met het wetsvoorstel, dat hier nog niet eens
was behandeld, gezocht zou worden naar allerlei mazen in de wet om tóch
voorrang te kunnen verlenen aan statushouders. Dat is een element dat
destijds niet zo heel erg naar voren is gekomen in de discussie.
Economische binding en dat soort zaken zijn factoren waarvan door een
aantal gemeenten werd gezegd: die zullen we maximaal uitnutten om
statushouders toch voorrang te kunnen bieden in onze gemeente. Om
daaraan een stuk tegenwicht te geven, heeft de SGP gestemd voor het
amendement van de heer Mooiman, omdat we van mening zijn dat het nu echt
een keer naar beneden moet. Dat de heer Grinwis dat namens de
ChristenUnie niet wil, is bekend. Voor de ChristenUnie staan de grenzen
wellicht wijd open ā dat mag; daarin verschillen we van mening ā maar we
moeten elkaar wel de ruimte geven om daar verschillend over te
denken.
De voorzitter:
Heren, interrupties en antwoorden graag iets korter.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Allereerst werp ik de laatste woorden van de heer Flach verre van mij.
De ChristenUnie heeft destijds in de Eerste Kamer bijvoorbeeld voor de
mogelijkheid gestemd om de verplichte urgentie ervanaf te halen, zodat
gemeenten ook recht konden doen aan de doelstelling om hun eigen
jongeren te huisvesten, zodat die niet ellenlang hoefden te wachten.
Maar mijn korte vraag in tweede instantie aan de heer Flach is de
volgende. Heeft de SGP-fractie spijt van de stem van die middag voor het
amendement-Mooiman?
De heer Flach (SGP):
Dan krijgt de heer Grinwis ook een kort antwoord: nee. Wat de heer
Grinwis verder zegt, voelt voor mij toch een beetje als koud en warm
blazen tegelijk. De urgentie is hoog. In heel veel gemeenten gaat het
gewoon echt mis, met wachttijden tot tien jaar voor jongeren. Dat kunnen
wij niet langer lijdelijk aanzien, dus wij zullen, net als de heer
Nobel, blijven aandringen op het zo spoedig mogelijk afschaffen van die
voorrang voor statushouders.
De voorzitter:
Dank aan de heer Flach. Dan ga ik naar het lid Mooiman. Hij spreekt
namens de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb er al veel zin in. We hebben het vandaag
natuurlijk over de wijziging via een novelle van de door de Kamer
aangenomen Wet versterking regie volkshuisvesting. De Kamer heeft de wet
reeds uitvoerig behandeld en zich tevens uitgespreken over de moties, en
heeft de wet geamendeerd zoals zij dit wenselijk acht, onder andere met
een amendement van mijzelf. Deze verschillende amendementen, die de
minister nu uit de wet wil halen, zijn dus wel door een Kamermeerderheid
aangenomen. Dat wil ik toch benadrukken. Wat mijn fractie betreft, had
deze novelle dus ook niet gemaakt hoeven worden. Dat is ook gelijk wat
ik erover te zeggen heb ten aanzien van de amendementen, maar voel je
vrij om te interrumperen, zou ik bijna tegen de heer Grinwis willen
zeggen, als hij tenminste aan het opletten is.
Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. De behandeling van vandaag stelt ons
natuurlijk ook in staat om het besluit dat voortvloeit uit de wet te
behandelen en bij te sturen, bijvoorbeeld waar het gaat om de
instandhoudingstermijnen die in het besluit zijn opgenomen voor nieuwe
betaalbare koopwoningen met een in het omgevingsplan van de gemeente
bepaalde koopprijs tot de in de wet genoemde bovengrens. Waar die voor
sociale huurwoningen en middenhuurwoningen gebaseerd zijn op het moment
van ingebruikname, zijn die bij een betaalbare koopwoning vastgelegd op
het moment dat de koopovereenkomst wordt gesloten. Daar kan natuurlijk
best veel tijd tussen zitten bij een nieuw te bouwen woning. We vragen
de minister dan ook waarom niet is aangesloten bij de systematiek van de
huurcategorieƫn, zodat woningen binnen de gekozen tijdspanne zo lang
mogelijk betaalbaar blijven.
Dan de definitie van starters. Mijn collega de heer Flach had het daar
zojuist ook al over. Er is opgenomen dat dat gaat om woningzoekenden
tussen de 18 en de 30 jaar die voor het eerst een zelfstandige woning
zoeken of voor het eerst uitstromen uit een woning met een tijdelijk
contract. In die groep ontbreekt nog een groep, bijvoorbeeld jongeren
met jongerencontracten, voor jongerenwoningen. Die vinden we daar niet
in terug. Wij vragen ons af waarom de minister deze groep er niet in
heeft mee genomen.
Ook hebben we een vraag over de bruikbaarheid van gegevens voor
gemeenten. In het besluit wordt uitgewerkt dat het Rijk verschillende
gegevens verzamelt op landelijk, provinciaal en regionaal niveau, maar
wat bedoelt de minister hier exact met "de regio"? Moeten wij dat
opvatten als de woonregio? Kan de minister waar mogelijk ook gegevens
vastleggen op gemeentelijk niveau dan wel wijk- of buurtniveau? Mocht
dat niet kunnen, dan lijkt het ons wel goed dat gemeenten in ieder geval
de ruimte houden om de eigen kennis en cijfers te blijven gebruiken voor
het volkshuisvestingsprogramma.
Voorzitter. Dan nog het volgende. Het is een tijd geleden dat er een
artikel 2-onderzoek naar de gevolgen van de wet en de uitvoeringskosten
is geweest. Ik geloof dat dat in 2023 voor het laatst gebeurde. Met name
provincies maken zich hier toch zorgen over. We zouden de minister
willen vragen of zij het dus nodig acht om zo'n aanvullend artikel
2-onderzoek te laten doen naar de financiƫle gevolgen voor decentrale
overheden, of dat het volgens de minister al voldoende in de wet
zit.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was de heer Mooiman. Hij sprak namens de PVV. Dan ga ik
naar de heer Clemminck. Hij spreekt namens JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. We spreken opnieuw over de Wet versterking regie
volkshuisvesting. Althans, voor een aantal van ons is het opnieuw. Voor
mij en enkele andere collega's, inclusief de minister volgens mij, is
het de eerste keer. In alle eerlijkheid: ik heb bij de eerste
behandeling en stemming in de Kamer, volgens mij in juni of juli 2025,
van een afstandje meegekeken. Er was een flinke lijst aan moties en
amendementen en een gebrek aan tijd om alles zorgvuldig af te wegen.
Volgens mij is dat de reden dat wij hier met een novelle zitten.
Voorzitter. Ik zal dan maar meteen, wellicht in de richting van de heer
De Hoop en de heer Grinwis, duidelijk maken dat wij destijds voor het
amendement-Mooiman hebben gestemd, omdat de voorrang voor statushouders
in onze optiek oneerlijk, onrechtvaardig en ronduit discriminerend is.
Enige reflectie vanuit de linkerkant van de Kamer op het in stand houden
van een in mijn ogen discriminerende werking zou ook wel op zijn plaats
zijn. Tegelijk moet ik in alle eerlijkheid zeggen: met het advies van de
Raad van State en de analyse van de minister kunnen we ook alleen maar
concluderen dat het amendement uiteindelijk de oneerlijkheid aan de ene
kant heeft opgeheven, maar een oneerlijkheid aan de andere kant heeft
gecreƫerd. In die zin kunnen we dan ook goed de reparatie volgen die
door de minister wordt voorgesteld. Dat betekent inderdaad dat wij dan
in een verder exact gelijke situatie anders hadden gestemd. Dat zeg ik
er maar meteen even bij.
Voorzitter. Voor JA21 weegt het intrekken van de voorrang van
statushouders heel zwaar. Er zijn Nederlanders die soms zes, zeven of
acht jaar of langer staan ingeschreven voor een woning. Hun leven staat
soms letterlijk stil. Ze kunnen het ouderlijk huis niet verlaten,
gezinsvorming vindt later of helemaal niet plaats en als er dan een keer
een woning vrijkomt, worden ze links ingehaald door een statushouder.
Dit systeem moet zo snel mogelijk stoppen. Er is nul draagvlak. Het is
ronduit oneerlijk, onrechtvaardig en wat mij betreft echt
discriminerend. Ik heb hierover een aantal vragen voor de minister.
Vindt de minister dat de huidige voorrang oneerlijk is ten opzichte van
Nederlanders die jarenlang staan ingeschreven voor een woning? Deelt zij
deze visie? Hoe kijkt de minister naar het beperkte draagvlak voor deze
regeling? Er is ronduit geen draagvlak. Wat gaat de minister doen om dit
wetsvoorstel zo snel mogelijk in te dienen, zodat wij een einde kunnen
maken aan deze oneerlijkheid richting Nederlanders die jarenlang
ingeschreven staan voor een sociale huurwoning?
In het coalitieakkoord lezen we een aantal passages over de voorrang
voor statushouders. Kan de minister toelichten wat er bedoeld wordt met
"een bindend convenant met gemeenten over het snel ontwikkelen van
flexibele locaties voor tijdelijke woningen voor statushouders"? Wat
betekent dit? Hoe, wat, wanneer? Is dit voor de minister een voorwaarde
voordat zij overgaat tot het intrekken van de voorrang voor
statushouders? Kan de minister toelichten wat er bedoeld wordt met "het
in voldoende mate aanwezig zijn van flexibele en tijdelijke woningen
voor statushouders"? De vraag werd ook al gesteld door collega Nobel. Is
de minister voornemens de Wet nieuwe regels inzake huisvesting
vergunninghouders zo spoedig mogelijk door te zetten, te beginnen met de
schriftelijke behandeling van volgende week? Volgens mij staat die nog
steeds bij ons in de agenda. Graag een reactie van de minister.
Voorzitter. JA21 ziet te veel regulering vanuit de overheid op de
woningmarkt. De gevolgen zijn torenhoge publieke kosten ā belastinggeld
is nodig om onrendabele toppen af te dekken ā en investeerders die
massaal wegtrekken en hun huurwoningen verkopen. Let wel, het zijn
investeerders die woningen financieel mogelijk maken en risico's durven
te nemen. Vooral het middenhuursegment verdwijnt gewoon voor onze ogen.
De betaalbaarheidseisen werken niet; ze remmen eerder de woningbouw. Hoe
denkt de minister te gaan sturen op de ambitie uit het coalitieakkoord
om bij nieuwe woondeals te streven naar twee derde betaalbare woningen,
waarvan 30% sociale huur en 25% betaalbare koop? Hoe zorgt de minister
ervoor dat de middenhuur en de betaalbare koop niet worden weggevaagd
door deze betaalbaarheidseisen?
De betaalbaarheidseisen mochten al per gemeente binnen een woonregio
verschillen, maar de coalitie stelt dat het ook tussen regio's mag
verschillen. Klopt het dat de minister het goedvindt dat er in sommige
regio's minder sociale huurwoningen worden gebouwd en in andere niet? Is
dat de uitleg van het coalitieakkoord? Wat betekent deze nieuwe
invulling voor deze wet, het onderliggende besluit en de onderliggende
instructieregels?
Voorzitter. Dan over dakloosheid en de urgentie voor gezinnen met
kinderen. In het algemeen volgen we de inzet van deze minister; ik ga er
maar even van uit dat het ook de inzet is van deze minister en niet
alleen van haar ambtsvoorganger. De regeling ligt nu ter inzage. Wij
zullen dat nauwkeurig volgen. Dakloosheid is een hardnekkig probleem en
een verschrikkelijke situatie voor iedereen. Uit de ETHOS-telling blijkt
dat bijna de helft van alle daklozen migranten, illegalen of
ongedocumenteerden, zijn. We weten dat ruim 70% van de daklozen in de
grote steden arbeidsmigranten zijn. Dit zorgt voor veel overlast voor
omwonenden, maar zeker ook voor schrijnende situaties voor de
betrokkenen zelf. Vaak speelt ook verslaving een rol. Ik heb de volgende
vragen aan de minister. Wat doet dit kabinet om dakloze migranten terug
te sturen naar het land van herkomst? Is de minister bekend met de
succesvolle aanpak in Rotterdam? Is de minister bereid deze aanpak
landelijk uit te rollen en de Kamer daarvoor in juni een plan van aanpak
toe te sturen?
Voorzitter. De laatste vragen gaan over de taskforce wonen. Wat is dit
eigenlijk voor een figuur? De minister krijgt een brief van Rob, Dilan
en Bart met de groetjes en "aan de slag". Kan de minister aangeven welke
onderdelen van deze taskforce inhoudelijk nieuw zijn ten opzichte van
bestaande plannen en beleid? Wat is nieuw ten opzichte van het
coalitieakkoord? Hoe wordt de Kamer bij deze taskforce betrokken?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was de heer Clemminck namens JA21. Dan ga ik naar De
Hoop, GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Laat ik eerst teruggaan naar wat ik denk dat het doel was
van de wet die nu voorligt. Wij willen in Nederland heel graag meer
betaalbare huizen. Dan heb ik het over sociale huurwoningen, maar ook
zeker over betaalbare koopwoningen en middenhuurwoningen. Daarbij ligt
er voor ons allemaal een opgave, ook zeker voor gemeenten. Het idee
achter de wet waar toenmalig minister De Jonge in 2023 mee kwam, was om
te zorgen dat iedereen aan zijn plicht voldoet, ook aan zijn sociale
plicht. Daarin werd ook de eis gesteld om per gemeente daadwerkelijk 30%
sociale huur te realiseren. Wij vonden dat initiƫle idee van De Jonge
goed. Wij hadden ook graag gezien dat die plicht per gemeente in de wet
was gebleven. Daar is van afgestapt. Ik heb vandaag met de heer Grinwis
wederom een amendement ingediend om te kijken of dat toch niet
gemeentelijk vastgelegd kan worden, maar dat is ook het enige voorstel
dat ik hier vandaag doe vanuit mijn fractie. Dat heeft de simpele reden
dat ik heel graag wil dat deze wet wordt aangenomen, omdat ik echt denk
dat het heel erg belangrijk is dat gemeenten snel aan de gang kunnen om
daadwerkelijk die betaalbare woningen te realiseren.
Voorzitter. Laat ik duidelijk zeggen dat ik snap dat mensen ontzettend
boos zijn dat ze niet aan een betaalbare woning kunnen komen. Daar
moeten we een oplossing voor bieden. Ik hoop dat wij met elkaar met deze
wet een stap kunnen zetten en dat de boosheid die er is, zo meteen niet
gericht is op statushouders, maar op de politici en bestuurders die
misschien niet aan die sociale opgave voldoen. Ik hoop dat we daar wel
met elkaar aan kunnen voldoen. Hopelijk kunnen we dan het sentiment dat
in het debat is geslopen ā dat vind ik verdrietig ā kwijtraken met
elkaar. Ik zou dat heel prettig vinden.
De voorzitter:
Er zijn verschillende interrupties voor u. Allereerst het lid Flach van
de SGP en daarna Nobel van de VVD.
De heer Flach (SGP):
Mijn vraag gaat over het amendement dat de heer De Hoop heeft ingediend
met de heer Grinwis. Dat is niet voor niks bij de tweede nota van
wijziging uit de oorspronkelijke wet gehaald. Wat is nou precies het
doel hiervan? Is dat het afdwingen van solidariteit c.q. het opleggen
daarvan of is het het creƫren van meer sociale huurwoningen?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat het er initieel met een reden in stond, namelijk dat wij in
Nederland veel te weinig sociale huurwoningen bouwen en dat die ongelijk
verdeeld zijn. Er zijn heel veel gemeenten die een heel groot deel van
de opgave op zich nemen en er zijn gemeenten die dat te weinig doen. Ik
vind het dus niet alleen belangrijk dat er meer sociale huurwoningen
gebouwd worden, maar ook dat die evenredig verdeeld zijn over Nederland.
Ik zie dat er segregatie ontstaat. Ik zie dat bepaalde gemeenten hun
opgaven niet op zich nemen. Ik vind dat iedereen er een
verantwoordelijkheid in heeft. Eigenlijk gaat het dus om beide punten
die de heer Flach in zijn interruptie aangeeft.
De heer Flach (SGP):
Het zou toch voldoende ondervangen moeten zijn door het op deze manier
per regio vast te leggen. Kennelijk is dat niet voldoende. Er zit nog
iets anders achter, namelijk dat ook in een regio gemeenten met elkaar
kunnen vaststellen dat er wel verschil zit tussen een centrumstad en een
kleine plattelandsgemeente. Centrumsteden hebben vaak grotere sociale
huurwijken, met vaak de bijbehorende sociale problematiek. Die krijgen
daar ook centrumgemeentegelden voor in hun algemene uitkering. Met
andere woorden, die zijn er qua voorzieningen en middelen helemaal op
ingericht, terwijl een klein dorp iets verderop een hele andere sociale
structuur en andere voorzieningen heeft. Met elkaar kun je dan
constateren: om de leefbaarheid in de hele regio te houden zoals die nu
is, nemen wij er genoegen mee dat je naar twintig streeft. Ik noem maar
wat. Via dit amendement maakt u het toch onmogelijk, zeg ik via de
voorzitter, om dat soort onderscheid op regioschaal te
bediscussiƫren?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat deel ik niet. Ook zeker in eerste instantie gaf deze wet de opdracht
aan gemeenten die heel veel sociale huur hebben om bij nieuwbouw meer in
de middenhuur te bouwen en meer ruimte voor betaalbare koop te
organiseren. De differentiatie zat dus ook al in de eerste wet. Mijn
zorg is dat de grote steden die meestal meer sociale huur programmeren,
nu ze de opdracht hebben gekregen om meer te programmeren voor
middenhuur en betaalbare koop, nog zo weinig sociale huur programmeren
dat de kleinere gemeenten niet snel aan de opgave voldoen. Als ze dat al
doen, ben ik bang dat het zo veel minder is qua aantallen dan in grote
gemeenten dat je netto echt minder sociale huurwoningen krijgt. We zien
al een daling. Als die zich nog verder voortzet, worden de wachtrijen
nog langer. Ik zou dat heel erg onwenselijk vinden. Ik vind ook dat we
segregatie moeten tegengaan. Dat kan beter met deze wet.
De heer Flach (SGP):
Misschien is het juist wel andersom. Ik heb zelf ook aan de regionale
tafels gezeten. Het werkt enorm verlammend als je naar elkaar gaat
zitten kijken en vooral de ander verantwoordelijk houdt voor wat die nog
niet doet. Ik denk dat juist het gesprek op regionale schaal er nog voor
zorgde dat er ook in steden werd gebouwd. Ik denk dat wij dit gewoon
niet delen. Ik doe nog ƩƩn poging om te begrijpen waarom er met dit
amendement wordt geprobeerd om van heel Nederland eigenlijk ƩƩn uniform
woongebied te maken. Ik hoor vaak de kreet: we bouwen geen woningen,
maar gemeenschappen. Die gemeenschappen zijn zo ontzettend verschillend
dat je zo'n klassieke uitsmeeroperatie als wordt beoogd in dit
amendement, eigenlijk niet serieus kunt nemen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik deel dat op beide punten eigenlijk niet. Een van de kritiekpunten van
Aedes en de VNG op deze wet is dat er nu Poolse landdagen ontstaan
waarin keihard onderhandeld moet worden tussen regio's, terwijl je
anders veel meer duidelijkheid hebt. Ik proef zelfs in de gesprekken die
ik heb met NEPROM, de marktpartijen, dat die nu ook aangeven: doe het
toch maar per gemeente, want dan weten we waar we aan toe zijn met de
nieuwbouw. Met de planning voor woningen is het ook prettig om die
duidelijkheid te hebben. Dat wij een verschil van inzicht hebben over
dit amendement, werd bij de eerdere behandeling al duidelijk. Toen
hebben we dit interruptiedebat namelijk ook al met elkaar gehad. Ik ben
niet van inzicht veranderd over dit amendement. Ik sta er dus nog steeds
achter.
De heer Nobel (VVD):
Ik begrijp gewoon niet zo goed waarom GroenLinks-PvdA samen met de
ChristenUnie een amendement wil indienen dat er gewoon aantoonbaar voor
gaat zorgen dat met name in kleine gemeenten waar geen hele grote
woningbouwprojecten van de grond kunnen komen, vaak ook door
ruimtegebrek of anderszins ⦠Juist de verplichting maakt dat
bijvoorbeeld vijf middenhuurwoningen er niet kunnen komen en dat "een
straatje erbij bouwen", wat we allemaal ook heel belangrijk vinden, niet
gaat gebeuren. Ik vraag me dus gewoon af waarom dit amendement wordt
ingediend. We weten dat er uiteindelijk meer dan voldoende sociale
huurwoningen gebouwd worden als we ons regionaal houden aan de
30%.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Nou, dat is maar de vraag, want de afgelopen jaren is het aantal sociale
huurwoningen in Nederland van 30% naar ongeveer 25% gedaald. Er is dus
een sterke afname van het aantal sociale huurwoningen. En als je daar
meer van wil hebben ā mijn partij wil dat; dat is geen geheim voor de
heer Nobel ā dan zul je daarin toch echt van elke gemeente iets extra's
moeten vragen, is mijn beeld. De gemeenten die al meer sociaal
programmeren, worden juist met deze wet gedwongen om meer aan middenhuur
en betaalbare koop te doen. Dat is iets wat de VVD altijd wil; dat
brengt de heer Nobel altijd naar voren. Deze wet biedt juist de
mogelijkheid om daarin te differentiƫren. Dan vragen we meer van de
gemeenten die te weinig doen. En gemeenten die in het beeld van de
minister te veel doen, dwing je dan meer in de middenhuur te doen. Ik
denk dus dat dit met betrekking tot de grote steden juist bevredigend
zou moeten zijn voor de heer Nobel, die hier altijd zo'n groot punt van
maakt.
De heer Nobel (VVD):
Het lijkt wel alsof GroenLinks-PvdA sociale huurwoningen verzamelt zoals
sommige mensen KLM-huisjes verzamelen. Maar ik vraag me gewoon oprecht
af: wat denkt GroenLinks-PvdA samen met de ChristenUnie met dit
amendement te bereiken? Er is een reden waarom de VVD maar blijft
drukken op het realiseren van betaalbare koopwoningen en woningen in het
middenhuursegment. Dat segment is namelijk enorm klein. Kijk naar het
middensegment in Nederland en vergelijk dat met andere Europese landen.
Dat steekt heel schril bij elkaar af.
Wat daaraan zo schrijnend is, is dat mensen die uiteindelijk gewoon hun
opleiding hebben afgerond, gaan werken en een baan hebben, te veel
verdienen voor die sociale huurwoningen, maar uiteindelijk ook niet in
staat zijn om een koopwoning te realiseren. Dat is waarom ik me namens
de VVD zo hard maak voor die betaalbare koopwoningen en voor het
middenhuursegment. Dus nogmaals, ik begrijp die obsessie met alleen die
sociale huurwoningen niet. Het zou namelijk juist goed zijn als dat
middensegment wordt verbreed ...
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Nobel (VVD):
... zodat uiteindelijk die doorstroming kan plaatsvinden. Is de heer De
Hoop het met mij eens dat Nederland, zeker in vergelijking met andere
Europese landen, procentueel gezien maar ook in absolute aantallen juist
heel veel sociale huurwoningen heeft? Dus het maar blijven verzamelen
van meer sociale huurwoningen, ook procentueel gezien, gaat dit probleem
niet oplossen. Er moet juist gebouwd worden in het middensegment.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het is wel een kunst om zo veel frames op iemand te plakken in ƩƩn
interruptie, dus sowieso complimenten daarvoor, zeg ik tegen de heer
Nobel. Het gaat onze partij niet om het verzamelen van sociale
huurwoningen; het gaat erom dat er heel veel mensen in de wachtrij staan
voor een betaalbare sociale huurwoning. Ik ben het met de heer Nobel
eens dat het mensen niet zo heel veel uitmaakt wat voor woning ze
krijgen; ze willen gewoon een betaalbare woning. Maar als ik dan bij de
heer Nobel en zijn partij begin over een planbatenheffing, dan schieten
ze bijna achterover van de angst als dat ook gaat om ingrijpen op grond.
En als ik begin over het aanpakken van leegstand, dan grijpt dat volgens
hem weer in op het eigendom. Dus juist als je betaalbare woningen
belangrijk vindt, moet je af en toe ook op dat eigendomsrecht ingrijpen
of braakliggende grond belasten. En daarin geeft de VVD nooit mee of
toe. Ik hoop dus dat als de heer Nobel dit meent, we de komende periode
als we dit soort voorstellen indienen ook op steun van de VVD kunnen
rekenen.
De heer Nobel (VVD):
Dat verwacht ik niet, maar dat verwachtte de heer De Hoop van
GroenLinks-PvdA ook niet, want ik heb in mijn bijdragen tot nu toe
telkens aangegeven dat juist die verdere regulering ervoor zorgt dat de
markt op slot komt te zitten en dat we met elkaar papieren aan het
stapelen zijn en geen stenen. De VVD wil juist dat we meer woningen gaan
bouwen. Al die maatregelen die u zojuist opnoemde, klinken allemaal als
"meer regels", terwijl de VVD juist wil dat er meer betaalbare woningen
worden gebouwd. Ik hoop dus echt dat GroenLinks-PvdA naar de toekomst
toe meer gaat doen dan alleen sociale huurwoningen verzamelen. Ik hoop
dat ze ook echt naar het middensegment willen kijken, samen met de
VVD.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Nou, als we in Nederland net zo veel sociale huurwoningen gaan bouwen
als de hoeveelheid frames die de heer Nobel in een debat naar voren
brengt, dan komt het wel goed. Maar wij willen heel graag dat er meer
betaalbare woningen komen, niet alleen sociale huur, maar zeker ook
middenhuur en betaalbare koop.
Ik wil nog een laatste punt richting de VVD maken. Als je die middenhuur
zo belangrijk vindt, is het heel gek dat je met die "twee derde
betaalbaar" uit het regeerakkoord juist de ruimte kleiner maakt door zo
dwingend over betaalbare koop te zijn. Als de heer Nobel het dus
belangrijk vindt dat er voldoende ruimte is, dan moet dat daar ook voor
gelden. Ik hoop dus dat er dan ook nog even goed naar het regeerakkoord
gekeken wordt, ook achteraf met de minister: hoe zorgen we dat die
middenhuur geborgd wordt? Corporaties kunnen bijvoorbeeld de komende
periode ook een rol krijgen in het bouwen in de middenhuur.
De heer Nobel (VVD):
Ik zal ook met een motie komen in de tweede termijn die juist gaat over
die betaalbare koop. Die zal ik in ieder geval samen met mevrouw Steen
van het CDA indienen. Ik hoop dus dat u daar dan samen naar wil kijken,
want ik ben het wel met u eens dat dat consequent zou zijn: als de VVD
zegt dat we niet veel willen reguleren, dan moeten we dat ook niet bij
die betaalbare koop doen. Daarom zal ik namens de VVD, samen met mevrouw
Steen, een motie indienen om te kijken hoe we betaalbare koop wel kunnen
stimuleren, maar niet helemaal dichtregelen. Daar hebben we uiteindelijk
namelijk niets aan. Tegelijkertijd hoop ik wel dat ik nog een antwoord
krijg op de vraag hoe Nederland het ten opzichte van andere Europese
landen doet wat betreft het aantal sociale huurwoningen. Het is namelijk
geen frame; we hebben gewoon by far de meeste sociale
huurwoningen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
In Europa hebben we heel verschillend woonbeleid. De Scandinavische
landen doen het totaal anders dan hoe wij het doen. Wenen doet het ook
totaal anders dan hoe wij het doen. Wat hebben ze daar een prachtige
sociale voorraad, zou ik willen zeggen. In Frankrijk zijn ze nu ook
bezig met heel interessant woonbeleid, waarbij vervoer gekoppeld wordt
aan wonen om juist in de banlieues ā hoe heten die wijken ook alweer? ā
een goede aanpak te hebben om segregatie tegen te gaan. Het woonbeleid
in Europa is totaal niet met elkaar te vergelijken. Wat ik wƩl kan
vergelijken, is het aantal sociale huurwoningen dat we tien, twintig
jaar geleden in Nederland hadden en het aantal dat we nu hebben. Dat is
veel en veel minder dan de heer Nobel doet voorkomen. Het is veel minder
dan het eerst was, en dat leidt tot ontwrichtende situaties. Mijn
fractie vindt dat we dat tegen moeten gaan.
De voorzitter:
Korte slotvraag van de heer Nobel.
De heer Nobel (VVD):
EƩn constatering: Wenen is geen land. Het tweede punt is dat u feitelijk
geen antwoord op de vraag geeft, dus ik doe het zelf maar. Nederland
heeft, niet alleen in absolute aantallen, maar ook procentueel gezien,
ontzettend veel sociale huurwoningen in vergelijking met de rest van
Europa. Natuurlijk zijn er verschillen, maar het is niet de oplossing om
alleen maar in dat segment bij te bouwen.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij draaien we rondjes. We hebben beiden ons punt gemaakt.
De voorzitter:
Dan kunt u uw betoog vervolgen. Of was u al aan het einde?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Nog niet helemaal.
Voorzitter. Wij vinden het heel belangrijk dat deze wet snel aangenomen
wordt, zodat we aan de gang kunnen met het realiseren van meer
betaalbare woningen. Ik zou toch ook nog ƩƩn klemmend beroep willen doen
op de minister. Dat betreft de wet van mevrouw Keijzer over het
intrekken van de voorrang voor statushouders. Ik moet ook eerlijk zeggen
dat ik toch wel schrik van de inbreng van woordvoerders voor mij, ook
van partijen waarvan ik dat eerder niet had verwacht. In de discussie
over volkshuisvesting zit toch echt een sentiment dat het de schuld is
van een statushouder dat iemand anders niet aan een woning kan komen. Ik
vind dat fundamenteel verkeerd. Ik vind dat we heel veel moeten bouwen
om te zorgen voor voldoende woningen, maar ik vind dat we ook van dit
sentiment af moeten. Dat werkt het beste als de minister deze wet
intrekt, ook gezien het advies van de Raad van State. Ik hoop ook dat de
minister en de Kamer er met elkaar in slagen om dit probleem op te
lossen, zodat we van dit sentiment af zijn. Het is namelijk niet de
schuld van statushouders dat mensen niet aan een woning kunnen komen; de
schuld ligt bij het feit dat we veel te weinig bouwen. Om meer te bouwen
en om deze doelen ook te behalen, wil ik nog ƩƩn oproep aan de minister
doen: schaf de vpb voor corporaties volledig af. De minister gaf in het
debat over de staat van de volkshuisvesting zelf aan dat we 124.000
extra betaalbare woningen zouden kunnen bouwen als we dat doen. Ik hoop
dat we daar de komende periode stappen in kunnen zetten.
Dank.
De voorzitter:
Er is een hele reeks interrupties voor u: eerst Mooiman, dan Nobel en
dan Flach. Ik zou de mensen die al geweest zijn, willen vragen om het nu
korter te doen. Ik zie nog veel meer namen, maar eerst Mooiman,
PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Ik wil graag reageren op het laatste stukje van het betoog van de heer
De Hoop. Hij wil, net als de PVV, dat er voldoende woningen voor mensen
beschikbaar zijn. Op dat vlak vinden we elkaar. Er spelen natuurlijk een
hele hoop factoren in het woningtekort. Maar de heer De Hoop kan toch
ook niet ontkennen ⦠Ik hoorde hem in zijn bijdrage zeggen dat, geloof
ik, 30 jaar lang hetzelfde percentage naar statushouders is gegaan, maar
dat is natuurlijk aantoonbaar niet waar. De heer De Hoop kan de ogen
toch niet sluiten voor de grote druk die statushouders leggen op de
woonvoorraad? Ik zeg niet dat dat het enige is, maar daar kan de heer De
Hoop toch de ogen niet voor sluiten?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voor zover ik weet ā anders kan de minister daar verheldering over geven
in haar termijn ā gaat al ongeveer drie decennia lang 5% tot 10% van de
sociale huurwoningen in Nederland naar statushouders. Dat is eigenlijk
een constant percentage van onze sociale voorraad. Het enige verschil is
dat de sociale voorraad behoorlijk wat kleiner is geworden de afgelopen
periode. Als er dan ook nog migratiestromen zijn, is het niet gek dat
dat meer drukt op de sociale voorzieningen. Dat geldt voor alle sociale
voorzieningen die we hebben in Nederland. Maar komt dat dan door die
statushouders, of betekent dat dat wij in Nederland te weinig investeren
in sociale voorzieningen? Mijn beeld is dat het vooral komt omdat we te
weinig investeren in de sociale voorzieningen in Nederland. We kunnen
heel veel meer bouwen. We kunnen heel veel meer sociale huurwoningen
bouwen. Dan kun je Ʃn de statushouder huisvesten, Ʃn degene die al in
Nederland geboren is. Ik ben ervan overtuigd dat dat nog steeds
kan.
De heer Mooiman (PVV):
De heer De Hoop geeft in zijn antwoord van zojuist zelf al aan dat de
druk op de sociale voorzieningen in het land wel degelijk is toegenomen.
Ik bestrijd dat het percentage hetzelfde zou zijn gebleven. Dat frame
wil ik toch zeker even ontkrachten. In de memorie van toelichting bij
het verbod op de statushouders staat dat het uiteindelijk niet om 6% of
7% gaat, maar dat je moet kijken naar de instroom in de sociale
huurwoningen. Dan gaat het dus om mensen die geen woning achterlaten,
maar wel een woning nodig hebben. Dat zijn starters en dat zijn
statushouders. Dan kom je tot een veel hoger percentage, namelijk 32%.
De eerste vraag is dus of de heer De Hoop daarmee bekend is. Ten tweede:
het kan toch ook niet zo zijn dat er helemaal niets aan gedaan wordt en
dat we het niet mogen benoemen? De heer De Hoop ziet toch ook in dat dit
thema gewoon ontzettend speelt?
De voorzitter:
De vraag is helder.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik vind die vergelijking niet logisch. Er zijn namelijk heel veel
woningzoekenden in Nederland die niet als eerste woning een sociale
huurwoning krijgen. Dit is ook appels met peren vergelijken. Van de
ouderenwoningen gaan er heel weinig naar statushouders, omdat de meeste
statushouders een lagere leeftijd hebben. Je kan zelf kijken welke
vergelijking je trekt. Ik kijk naar de hele voorraad. Dat allereerst
over de cijfers. Met het risico dat we op deze manier een migratiedebat
voeren: mijn partij omarmt ook de conclusies van de staatscommissie
demografie en volgens mijn partij moeten we binnen al die
migratiestromen kijken wat je minder kunt doen, wat je minder nodig
hebt. Tegelijkertijd is het zo dat iemand die gevlucht is in Nederland
niet pats-boem een woning krijgt. Die zit vaak lang in een azc en vaak,
in de helft van de gevallen, is dat meer dan een jaar. Vaak zit die niet
op ƩƩn plek, maar wordt die door het hele land gesleept, vaak met jonge
kinderen. Laten we er in godsnaam voor zorgen dat als mensen hier
daadwerkelijk in Nederland een plek krijgen, ze welkom zijn en dat ze
een fijne woning kunnen krijgen. Dat geldt voor iedereen. Laat ik dit
zeggen: een statushouder is ook een starter in Nederland. Ik heb dus
toch wel bezwaren tegen dat sentiment.
De voorzitter:
Ik heb nu dus nog de volgende lijst van interrupties: de heer Mooiman,
de heer Nobel, de heer Flach, de heer Van Leijen en de heer Clemminck.
Ik vraag dus echt om de vragen kort te houden. De antwoorden mogen ook
korter.
De heer Mooiman (PVV):
Ik ga toch nog een keer proberen om wat common ground te vinden. Waarom
zou een statushouder per definitie in een sociale huurwoning moeten
komen? Ik begrijp dat niet, zeker niet als de heer De Hoop ervoor pleit
om wel mensen van allerlei oorsprong, whatever, binnen te laten, soms
met een legitieme reden en soms met een wat minder legitieme reden. Dan
vraag ik mij toch af waarom dat toch altijd in een sociale huurwoning
zou moeten en of dat niet veel soberder zou kunnen. Wat ons betreft
hoeft het niet, maar toch.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
"Het zou veel soberder kunnen." Ik weet niet wat de heer Mooiman zich
daarbij voorstelt, maar als er andere woonvormen komen die voldoen aan
een fatsoenlijke huisvesting voor mensen, zodat ze er ook daadwerkelijk
kunnen aarden, moet je daar natuurlijk naar kunnen kijken. De realiteit
is alleen dat dit debat al heel lang gevoerd wordt, dat het ons met
elkaar niet lukt om die huisvesting goed te organiseren en dat mensen zo
vaak een plek krijgen in een sociale huurwoning. Als dat op de een of
andere manier niet meer nodig zou kunnen zijn, dan ben ik erg
nieuwsgierig naar die manier, maar het is de politiek nog niet gelukt.
Dat maakt dat we nog altijd de taak hebben om ook statushouders te
huisvesten. Dat kunnen mensen en partijen niet leuk vinden, maar het is
nou eenmaal onze plicht: op het moment dat iemand hier een status
krijgt, heeft die ook recht op een woning. Zo werkt het gewoon in
Nederland. Dat kun je niet leuk vinden, maar het is gewoon wat het
is.
De voorzitter:
Ik ga naar de heer Nobel, VVD. Een korte vraag, alstublieft.
De heer Nobel (VVD):
Eerst maar even een constatering, voorzitter. Ik constateer dat
GroenLinks-PvdA opnieuw met een gigantische boog om de olifant in de
kamer, migratie, heen loopt. Dat is natuurlijk het echte probleem.
Maar dan de vraag. U gaf zojuist, meneer De Hoop, aan dat u kijkt naar
de gehele woningvoorraad. Maar dat is toch niet eerlijk? Een starter
heeft helemaal niets aan die gehele woningvoorraad, want die kijkt naar
die sociale huurwoning die vrijkomt. En dan ligt het percentage, zoals
de heer Mooiman ook al aangaf, inderdaad vele malen hoger. Hoe kijkt u
daar dan naar, sec voor een starter, een starter die aanspraak wil maken
op een sociale huurwoning?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan kunnen we een feitelijke constatering met elkaar doen: ja, daar ligt
het hoger. Maar dat is ook volstrekt logisch, omdat een statushouder
instroomt. Die heeft alleen recht op die sociale huurwoning. Dat is
logisch, maar ik snap niet zo goed waar de heer Nobel naar op zoek is.
Dit is gewoon een feitelijke constatering, want de situatie is wat ie
is. Als je die druk af wil doen nemen, moet je vooral meer sociale
huurwoningen bouwen. Maar als ƩƩn partij de afgelopen jaren echt bezig
is geweest om het aantal sociale huurwoningen in Nederland te
verminderen in plaats van te vergroten, is het de partij van de heer
Nobel.
De heer Nobel (VVD):
Ik vroeg het, omdat het misleidend is om een ander percentage te noemen.
De heer De Hoop weet namelijk ook dat voor een starter het aantal
sociale huurwoningen dat vrijkomt, vele malen hoger ligt. Als u kijkt
naar het aantal woningen dat naar statushouders gaat en naar de eerste
woning die vrijkomt, ook voor een starter, dan ligt dat percentage vele
malen hoger. U kiest ervoor om een percentage van 5% tot 10% te noemen,
terwijl het percentage 25% tot in sommige gemeenten wel 30% kan zijn.
Dat betekent dus dat een starter een op de drie woningen aan zijn neus
voorbij ziet gaan, omdat die woning naar een statushouder gaat. Daarmee
is niet gezegd dat het probleem alleen door statushouders komt. Dat is
helemaal niet zo, want er moet inderdaad gewoon veel meer gebouwd
worden. Maar voor die starter is het probleem wel aanzienlijk groter en
u kiest ervoor om dat probleem kleiner te maken.
De voorzitter:
Nu uw vraag, alstublieft.
De heer Nobel (VVD):
Waarom doet u dat?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik kies er niet voor om het probleem kleiner te maken. Ik geef gewoon
aan dat de cijfers zijn zoals ze zijn. Ja, voor starters zijn die
aantallen net anders, maar dat ⦠Hoe zeg je dat? Dat ontslaat ons niet
van de plicht om zowel een statushouder te huisvesten als ieder ander
die in Nederland een woning zoekt. Als we dat met elkaar willen doen,
laten we dan alsjeblieft meer betaalbare woningen bouwen. Nou, dat is
het doel van deze wet. Wij gaan daar graag verantwoordelijk mee om en
wij hadden daar ook veel sneller mee aan de slag kunnen gaan als de VVD
niet zo onverantwoordelijk om was gegaan met de stemmingen in de
afgelopen periode. Was de VVD meer verantwoordelijk geweest, dan waren
we nu al aan de slag gegaan met meer betaalbare woningen.
De heer Flach (SGP):
Ik vond het laatste deel van de bijdrage van de heer De Hoop niet fraai.
Hij degradeert een serieuze bijdrage van collega's tot sentiment.
Daarmee doe je geen recht aan de serieuze zorgen van honderdduizenden
Nederlanders die daarin verwoord worden. Je doet daaraan ook geen recht
door er vervolgens het frame aan te plakken dat de schuld aan de
statushouders wordt gegeven. Dat is niet aan de orde. We zitten hier
niet in een rechtszaal waar over schuld wordt gesproken. We zitten in
een politieke arena waar we analyses met elkaar moeten kunnen delen. Als
iets het gevolg is van de hoge druk door statushouders, geef je
statushouders nergens de schuld van. Misschien zou ik hun geval wel
hetzelfde doen, maar je moet dat wel als een onderdeel van het probleem
analytisch kunnen benoemen. Als je dat wegmanoeuvreert door het
"sentiment" te noemen, sluit je daarmee je ogen voor de werkelijkheid.
Mijn stille hoop is ook mijn vraag: heeft de heer De Hoop het wellicht
anders bedoeld?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik bedoel te zeggen dat ik vind dat dit een sentiment is dat
decennialang eigenlijk maar vanuit ƩƩn partij in de Kamer het debat in
is geworpen. En het wordt nu bij steeds meer partijen de gewoonte om die
taal over te nemen. Dat vind ik zorgelijk. Ik vind het ook zorgelijk dat
de coalitie met de PVV twee jaar lang het land lam heeft gelegd, omdat
bewindspersonen in vak K uitspraken deden die ongehoord zijn. Die
bewindslieden zeiden dat de "minder, minder"-uitspraak van de heer
Wilders gerechtvaardigd zou zijn. Dat soort dingen, bedoel ik. Dat is
allemaal gewoon geworden in het Nederlandse parlement en dat probeerde
ik te benoemen. Ik vind het jammer dat dat een gewoonte is geworden en
ik vind dus ook dat wij allemaal de verantwoordelijkheid hebben om de
woningnood op te lossen. Daarbij moeten we kijken naar de grootste
oorzaken en ik denk niet dat migratie de grootste oorzaak is. Het heeft
druk op onze sociale voorzieningen gelegd, maar het belangrijkste is dan
om die voorzieningen te versterken. En dat is het punt dat ik heb
proberen te maken.
De heer Flach (SGP):
Dat maakt mijn waardering voor de bijdrage van de heer De Hoop, zeker
voor het laatste deel daarvan, alleen nog maar minder groot. Hiermee
maakt hij het volgens mij namelijk alleen nog maar erger. Juist door het
decennialang sluiten van de ogen voor de analyse van het probleem, wat
nu gewoon weer gebeurt, zeg je tegen mensen die tien jaar op een
huurwoning zitten te wachten: "U bekijkt het maar. Wij krijgen de
instroom niet naar beneden en dat willen we eigenlijk ook helemaal niet.
We gaan vrolijk heel veel sociale huurwoningen doorbouwen, maar dat doen
we voor tientallen procenten voor statushouders." Daar heeft de heer
Nobel namelijk gelijk in. Tegen de starters zegt u: u staat op de
wachtlijst en u heeft een gelijke startpositie, maar u mag tien jaar
wachten. Ik vroeg me af of dat de bedoeling is van de heer De Hoop, want
dat doet hij hier eigenlijk mee.
De voorzitter:
Er zit veel herhaling in de vragen, dus ik laat het aan het lid De Hoop
of hij nog opnieuw wil reageren.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Het enige wat ik gedaan heb, is percentages noemen die het CBS ook met
de Kamer heeft gedeeld. Dat is het enige wat ik gedaan heb. Daarnaast
vind ik dat in de bijdrage van de heer Flach de oorzaak te veel bij
migratie wordt gelegd, terwijl ik denk dat de grootste oorzaak is dat we
te weinig sociale huurwoningen gebouwd hebben. Daarover gaan we vandaag
niet dichterbij elkaar komen. Dat is jammer. Af en toe komen we wel
dichterbij elkaar, maar op dit punt niet. Ik zie ook dat het debat zich
vandaag verscherpt heeft. Dat kan. Ik vind dat er bij de afgelopen
behandeling van de wet onverantwoordelijk is gestemd, wat ertoe heeft
geleid dat de wet nog niet is ingevoerd. Ik vind dat heel frustrerend,
omdat ik echt denk dat we woningzoekenden met deze wet kunnen helpen.
Het stemgedrag van verschillende partijen heeft ertoe geleid dat de wet
nog niet ingevoerd is; dat heb ik ook de heer Flach met reden verweten.
Ik vind dat heel erg jammer, omdat die wet juist zo nodig is om te
zorgen voor meer betaalbare woningen.
De voorzitter:
Meneer Flach, de laatste.
De heer Flach (SGP):
Ja, tot slot, voorzitter. Migratie Ćs ook een belangrijke aanjager van
het tekort op de woningmarkt. Dat wordt ook door de achtereenvolgende
ministers zelf erkend. Daar moeten we gewoon geen verstoppertje voor
spelen. Dat is ƩƩn. Het tweede, waarmee ik wil afsluiten: het is niet
onschuldig om zomaar een statistiek in de strijd te gooien die het
volstrekt ontdaan van alle context laat lijken alsof er helemaal geen
probleem is. Als je een percentage noemt, noem dan het goede en het
relevante percentage, namelijk: tientallen procenten van de vrijgekomen
woningen in veel gemeenten gaan naar statushouders. Dat is dus niet maar
2% of 3%, want dat is het van de totale woningvoorraad. Dat heb ik
beluisterd. Anders heeft u nu alsnog de gelegenheid ⦠Het mag ook 5%
zijn. Het gaat om tientallen procenten. Hanteer de goede statistieken,
zou ik de heer De Hoop willen meegeven.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
"Tientallen procenten" klinkt alsof het 70% of 80% zou zijn, maar dat
wil de heer Flach volgens mij ook niet zeggen. Laten we allemaal
duidelijk zijn in wat we bedoelen. De heer Flach heeft het over
starterswoningen. Dan gaat het volgens mij op sommige plekken om 25%, op
sommige plekken om 30% en op sommige plekken overigens ook om veel
minder. In mijn eigen gemeente is het veel, veel, veel minder. Daar kun
je best moeilijk expliciet over zijn. Over de hele woningvoorraad kun je
dat juist wel zijn. Je moet volgens mij precies zijn in wat je noemt,
juist met de scherpte die je daarin kiest. De heer Flach heeft het over
tientallen procenten. Dan vind ik het ook niet correct dat hij mij dat
verwijt maakt. Voor de rest hebben we dit interruptiedebat uitvoerig met
elkaar gevoerd, denk ik.
De voorzitter:
Dat neemt niet weg dat Van Leijen, Clemminck en Mooiman zich nog gemeld
hebben. Korte vragen en korte antwoorden, alstublieft.
De heer Van Leijen (D66):
Het wordt een beetje een scherp debat, maar ik heb ook een vraag voor de
heer De Hoop. Ik begin met iets waarover we het met elkaar eens zijn.
Volgens mij zijn we het er in deze commissie allemaal met elkaar over
eens dat we enorm moeten doorpakken met de woningbouw. Volgens mij
vinden de partij van de heer De Hoop en mijn partij elkaar daar
landelijk heel erg goed in. Regionaal gezien maak ik me soms wel een
klein beetje zorgen. Ik zie dat er in Rotterdam tegengestemd wordt bij
een nieuwbouwproject van 30.000 woningen. In Amsterdam zie ik dat een
deal voor 35.000 woningen stukloopt. Ik ben misschien nog wel het meest
geschrokken van het voorbeeld in Utrecht. Daar werd op een gegeven
moment gekozen voor een park met wat koopwoningen, terwijl er eigenlijk
ook heel veel betaalbare huurwoningen hadden kunnen zijn.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van Leijen (D66):
Kunnen we elkaar ook vinden om daar lokaal het gesprek over aan te gaan,
ook met uw eigen partij?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dit niet zo goed, want wij zitten zowel in Utrecht als in
Amsterdam met elkaar in een coalitie. Ik laat het graag aan onze
fantastische wethouders om daaruit te komen met elkaar. De heer Van
Leijen noemt ook Rotterdam. Dat vind ik nou eens een voorbeeld. Daar zit
D66 in een college met Leefbaar, waardoor leegstand niet aangepakt wordt
en 17.000 panden leegstaan. Ik denk dat het heel goed zou zijn als D66
in de volgende coalitie in Rotterdam linksom gaat in plaats van
rechtsom. Dan kunnen we die belangrijke doelen die wij met elkaar
hebben, daadwerkelijk voor elkaar krijgen. Ik kijk dus uit naar
woensdag, zeg ik maar. Het wordt een beetje een gemeentedebat zo.
De voorzitter:
Dit wordt zendtijd voor politieke partijen.
De heer Van Leijen (D66):
Nog eentje en dan hou ik ermee op. We zitten in Utrecht inderdaad met
elkaar in een coalitie, maar er was onenigheid in die coalitie. D66 was
er verbaasd over dat daar gekozen werd voor een bouwproject waarin een
park voorrang kreeg waar vijf dure koopwoningen bij kwamen. Dat werd
nota bene betaald met geld dat voor volkshuisvesting bedoeld was. Daar
hadden gewoon heel veel betaalbare huurwoningen kunnen staan. Vaak
kunnen we elkaar daarin vinden. Het gaat erom ervoor te zorgen dat dat
de volgende keer beter gaat.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij kunnen ze dit debat uitstekend in de gemeenteraad van
Utrecht voeren. Maar om het dan over landelijk beleid te hebben waarover
D66 en GroenLinks-Partij van de Arbeid het met elkaar eens zijn, maar
waarop ik nu toch te weinig zie: de hypotheekrenteaftrek. Ik hoorde een
partij tijdens de verkiezingen zeggen dat we daar zo snel mogelijk vanaf
moesten. Dat was volgens mij de partij van de heer Van Leijen. Er werd
toch meebewogen met de VVD. Dat zie ik op nog meer punten met betrekking
tot volkshuisvesting. Als de heer Van Leijen zo graag met mijn partij
samenwerkt, dan zou ik dat graag ook hier meer doen. De vorige keer
heeft de partij van de heer Van Leijen voor het amendement-De
Hoop/Grinwis gestemd, dus ik ga ervan uit dat de heer Van Leijen dat
vandaag en de volgende weken weer zal doen. Daar kijk ik dus naar
uit.
De voorzitter:
Wie weet. Ik ga eerst naar een interruptie van de heer Clemminck van
JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb morgen een debat in Utrecht als lijstduwer, maar volgens mij zijn
we al een beetje begonnen. Ik heb goed meegeschreven, dus dat helpt in
ieder geval bij de voorbereidingen.
Voorzitter. Ik wil toch even reageren op de heer De Hoop over migratie.
Er waren netto 100.000 migranten in 2023 en netto meer dan 100.000
migranten in 2024. Meer dan 50% van de nieuw te bouwen woningen in dit
land is nodig om die massamigratie op te vangen. Meer dan 45% van de
daklozen bestaat uit migranten of andere ongedocumenteerden uit het
buitenland. In de grote steden gaat dat naar 70%. We moeten het dus echt
over migratie hebben.
Als het gaat over de voorrang voor statushouders, valt het me toch op
dat het eigenlijk ontzettend hypocriet is dat de heer De Hoop een enorme
mond vol heeft van wat hij de rechterkant verwijt ā discriminerend,
oneerlijk, onrechtvaardig ā terwijl het huidige systeem in essentie
onrechtvaardig en eigenlijk discriminerend is. Je zult maar tien jaar
lang op een wachtlijst staan. Dan kom je eindelijk aan de beurt voor een
woning in je dorp, en dan komt er een migrant die zegt: en nu mag ik. Ik
heb geen enkele reflectie van de heer De Hoop gehoord over de
discriminatie die nu plaatsvindt door het vasthouden aan de voorrang
voor statushouders. Ik zou hem toch willen vragen om eens een keer in de
spiegel te kijken en een reflectie te geven op de onrechtvaardigheid die
hij nu altijd in stand wil houden.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Een woord dat ik problematisch vind, is "massamigratie". Daarmee wakker
je ook echt een problematisch sentiment aan, vind ik.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende: niet alleen ik vind dit, maar
bijvoorbeeld ook de Raad van State zegt dat een statushouder een
ongelijke positie heeft in Nederland. Die mensen zitten in een azc, die
kunnen niet ergens naartoe. Als die mensen daadwerkelijk een status
krijgen in Nederland, moeten ze ook een woning kunnen krijgen. Daarom
hebben statushouders voorrang voor een woning. Dat is gewoon wat het is:
het feit dat er een achterstandspositie is voor een statushouder ten
opzichte van iemand die al in Nederland woont. Daarom krijgen mensen
voorrang.
Dan het punt over migratie. Er wordt gedaan alsof mijn partij niks met
migratie zou willen. Wij hebben de cijfers van de staatscommissie
demografie juist ook omarmd; die staan ook in ons verkiezingsprogramma.
Dat is iets wat ons hier allemaal verenigt. Ik snap de poging om elke
keer dit verwijt te maken, maar het zit natuurlijk gewoon anders. Wij
hebben dat ook heel duidelijk in ons verkiezingsprogramma staan, voor
alle vormen, ook voor asielmigratie. Ik wil dat nog wel vijf keer
herhalen, maar volgens mij is dat overduidelijk.
De heer Clemminck (JA21):
Mijn conclusie is dan dat de heer De Hoop het rechtsgevoel heeft van een
wetenschapper ergens in een bibliotheek, maar geen enkel gevoel heeft
voor het rechtsgevoel dat mensen in dit land hebben. Dat is dan maar de
conclusie.
De voorzitter:
Meneer De Hoop, wilt u daar nog op reageren?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat is een conclusie die ik niet deel.
De heer Mooiman (PVV):
Kort hoor, voorzitter, tot slot op dit onderwerp. Dit betreft meer dat
de heer De Hoop in zijn bijdrage en in interruptiedebatjes zei: we
zitten hier vandaag vanwege ƩƩn amendement. Maar dat is natuurlijk niet
zo. Er zijn meerdere amendementen die via de novelle uit de wet worden
verwijderd dan wel worden aangepast. Van de asielwetten is gelijk gezegd
dat we met een novelle komen, terwijl dat natuurlijk niet het geval is
met de wet die nu voorligt. De minister wilde daar eerst mee naar de
Eerste Kamer. Het liep daar spaak. Ik wil de heer De Hoop dus vragen of
hij het frame wil loslaten alsof we hier alleen maar zouden zitten
vanwege ƩƩn amendement.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de toenmalige minister heel duidelijk zag dat er geen
meerderheid zou komen voor deze wet vanwege het amendement van de heer
Mooiman, en niet vanwege die andere amendementen. Dat is een zwaarwegend
argument geweest om tegen de wet te stemmen, ook voor mijn partij. Ik
heb toen ook een stemverklaring afgelegd, net als de heer Grinwis en een
aantal anderen, volgens mij ook mevrouw Beckerman en de heer Vijlbrief.
De woorden die ik daarvoor koos, waren dat ik vond dat de solidariteit
uit de wet was geslopen en dat de ontmenselijking erin was geslopen.
Daardoor zijn wij tegen die wet geweest. Die had in de Eerste Kamer geen
meerderheid gekregen als bijvoorbeeld GroenLinks-Partij van de Arbeid
niet voor was. Dat was wel de consequentie ā de onverantwoordelijkheid,
vind ik ā van het feit dat partijen voor dat amendement stemden, wetende
dat dat wat deed met het draagvlak voor de wet in zijn geheel. Daarnaast
zijn uiteindelijk ook een aantal andere amendementen uit deze wet
gesloopt in een novelle. Ik ga daar nu geen groot debat van maken. Bij
het ene vind ik het logischer dan bij het andere, zeg ik er in alle
eerlijkheid bij. Maar het belangrijkste is dat deze wet nu snel
aangenomen wordt.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde gekomen van de inbreng en de beantwoording van
het lid De Hoop, GroenLinks-PvdA. Dan ga ik naar het lid Van Leijen,
D66.
De heer Van Leijen (D66):
Dank u, voorzitter. Vandaag kan ik kort zijn: wat D66 betreft gaat deze
wet zo snel mogelijk door de Kamer. Zo kunnen we nog voor de zomer aan
de slag met het bouwen van meer betaalbare woningen in alle gemeentes in
Nederland. Voor mij is het de eerste keer dat ik in deze Kamer over deze
wet spreek. Mijn voorgangers en heel veel collega's in deze zaal hebben
het hier al meerdere keren uitvoerig over gehad. Wat mij betreft maken
we nu dus tempo.
Voorzitter. Dat is dan ook waarover ik nog een vraag aan de minister
heb: hoe zorgen we ervoor dat we met de nieuwe afspraken over betaalbaar
wonen tempo houden? Het mag namelijk niet zo zijn dat overleg tussen
gemeentes over hun aandeel in de enorme bouwopgave gaat leiden tot
vertraging. Als een gemeente vanwege goede redenen een procent meer of
minder sociale huur, middenhuur, betaalbare koop of wat dan ook wil, is
dat prima, maar dan moet daar wel snel een knoop over worden doorgehakt.
Als gemeentes daar onderling niet uit komen, moet er ingegrepen worden.
Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoe zorgt zij ervoor dat het Rijk
en de provincies kunnen ingrijpen als de afstemming te lang duurt? Is
daarvoor bijvoorbeeld een fallbackpercentage sociale huur in de
instructieregels nodig? Zo worden gemeentes niet beloond als zij de
nieuwbouw vertragen. Mijn fractie kijkt ook met belangstelling naar de
verdere uitwerking van het besluit en de regeling die onder de wet
hangen. Ik kijk met de minister en mijn collega's graag naar de kansen
die daar liggen om snel meer betaalbare woningen door heel Nederland te
bouwen.
Voorzitter. Zoals beloofd, hou ik het vandaag kort. Laten we deze wet
snel aannemen. Bouwers, gemeentes, provincies, woningcorporaties,
huurders, verkopers en projectontwikkelaars dringen daar allemaal op
aan. Volgens mij moeten wij als commissie dan niet de vertragende factor
zijn. Die woningzoekenden kunnen niet wachten. Aan de slag.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Leijen van D66.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Kan de heer Van Leijen toelichten waarom zijn fractie in juli 2025 zo
enthousiast voor het amendement-Grinwis/De Hoop heeft gestemd?
De heer Van Leijen (D66):
Ik kan mij voorstellen dat men dat toen een goed amendement vond. Ik zat
er zelf niet bij. Nu wil ik vooral benadrukken dat we tempo moeten
maken. Tempo, tempo, tempo. We moeten tempo maken met deze
wetsbehandeling, waar het vandaag helaas overigens vrij weinig over
gaat, en met de bouwopgaven. Daarom ga ik nu niet amendementen steunen
die toen misschien wel zijn gesteund. Dan krijgen we namelijk een tweede
wetsbehandeling. En waar gaat dat ten koste van? Tempo.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dan proef ik dus dat de heer Van Leijen zegt: we vinden dat amendement
nog steeds een goed idee, maar vanwege tempo zijn we nu tegen. Dat is
dan het argument.
De heer Van Leijen (D66):
Wat u mij, volgens mij, heel nadrukkelijk hoort zeggen, is dat ik
vandaag geen amendementen ga steunen, gewoon geen enkele, omdat ik wil
dat er tempo gemaakt wordt. Dat vind ik het grootste goed. Als ik
mijzelf de vraag stel wat ik vandaag, op dit moment, kan doen om
woningzoekenden het beste te helpen, dan is het antwoord: ervoor zorgen
dat deze wet zo snel mogelijk naar de Eerste Kamer gaat.
De voorzitter:
Helder.
De heer Nobel (VVD):
Ik hoor de heer Van Leijen goed. Ik ben ook blij dat hij namens D66
zegt: we gaan geen amendement steunen waardoor iedere gemeente verplicht
30% sociale woningbouw moet bouwen. Als ik goed heb geluisterd, zegt de
heer Van Leijen eigenlijk, in navolging van de lijsttrekker van D66
Amsterdam: we willen überhaupt kritisch kijken naar gemeenten die meer
dan 30% sociale huurwoningen als eis stellen, want uiteindelijk zit dat
de woningbouwontwikkeling gewoon in de weg. Heb ik dat goed
gehoord?
De heer Van Leijen (D66):
Dat is volgens mij niet wat ik heb gezegd. Ik heb gezegd dat ik wil dat
gemeentes en regio's tempo maken. Daar wil ik best flexibiliteit voor
geven. Laat ze met elkaar bespreken wie welk percentage doet. Maar als
ze daar niet binnen een halfjaar uit zijn ā daar maak ik me echt druk
om, want dit wordt gewoon een Poolse landdag ā ben ik ervoor dat de
minister of de provincie daarbij ingrijpt.
De heer Nobel (VVD):
Dan moet ik mijn vraag anders stellen: zit er licht tussen wat de
lijsttrekker van D66 Amsterdam zegt en wat de landelijke VVD vindt?
Excuus, wat de landelijke D66 vindt.
De heer Van Leijen (D66):
Er zit onwijs veel licht tussen ā¦
De voorzitter:
Meneer Van Leijen krijgt het woord, via de voorzitter.
De heer Van Leijen (D66):
Het gaat, denk ik, ook om de setting waarin ik vandaag bij dit debat
zit. Ik blijf ƩƩn ding benadrukken, eigenlijk bij elke interruptie die
ik ga krijgen, namelijk dat ik tempo wil maken. Ik wil dat er woningen
gebouwd worden. Ik wil dat deze wet gewoon zo snel mogelijk naar de
Eerste Kamer gaat.
De voorzitter:
De heer Nobel, tot slot.
De heer Nobel (VVD):
Juist omdat de VVD ook tempo wil maken, was ik zo blij met de uitspraak
van de lijsttrekker van D66 Amsterdam, die aangaf: als wij meer blijven
eisen dan wettelijk de norm is, komen die woningbouwprojecten
uiteindelijk niet van de grond. Daarom vraag ik ook of de landelijke D66
de lijsttrekker van D66 Amsterdam steunt, en in dit geval dus ook haar
pleidooi dat we niet veel meer dan 30% sociale huurwoningen moeten
bouwen, omdat dat de productie, die u wil verhogen, juist niet ten goede
zou komen. Bent u dat met de VVD eens?
De heer Van Leijen (D66):
Je merkt wel dat er over anderhalve dag gemeenteraadsverkiezingen zijn.
Even heel simpel: ik ga niet op de stoel van een gemeenteraadslid
zitten. Daarom zeg ik: geef partijen een halfjaar de kans om met elkaar
goede afspraken te maken. Als dat niet lukt: landelijke
instructieregels, want tempo.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Nobel van de VVD.
De heer Nobel (VVD):
Tot slot, voorzitter. Ik bespeur in ieder geval dat er licht zit tussen
wat D66 Amsterdam heeft gezegd en wat de landelijke fractie van VVD ⦠Nu
zeg ik het weer fout. Ik bedoel: wat de landelijke fractie van D66
vindt. Tegelijkertijd hoor ik bij D66 ook een kleine opening om er
wellicht in de toekomst, als de percentages hoger dan 30% zijn, toch
landelijk naar te kijken.
De heer Van Leijen (D66):
Wat de heer Nobel wel en niet bespeurt, laat ik bij hem. Hij is van
harte welkom om bij de landelijke fractie van D66 te komen. Dat zeg ik
altijd. Ik blijf bij mijn punt: we moeten tempo maken. Voor de rest
gebruikt de heer Nobel nu vooral een beetje de conclusies waar hij zelf
op uit komt.
De voorzitter:
Nee, nee. De partijfusies doet u maar ergens anders.
De heer Nobel (VVD):
Persoonlijk feit!
De voorzitter:
Ik ga naar de heer Grinwis van de ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog ƩƩn klein vraagje. Het argument is: tempo maken. Nou is dat
amendement waar de heer De Hoop het over had, van collega De Hoop en
mij, destijds en ook nu weer ingediend om juist het tempo te bevorderen.
Zoals het nu is geregeld, gaat dit leiden tot bestuurlijke drukte en
verloren tijd bij de woningbouw. Is dat niet een overweging om vóór dit
amendement te zijn, juist omdat het bijdraagt aan het door collega Van
Leijen beoogde tempo?
De heer Van Leijen (D66):
In voorbereiding op dit debat is dat natuurlijk een overweging waar ik
naar gekeken heb. Uiteindelijk heb ik de afweging gemaakt dat ik er niet
voor kies. Ik ben bang dat als we dat gaan doen en allemaal amendementen
gaan steunen, we een tweede wetsbehandeling krijgen. Dat wil ik niet. Ik
wil tempo; ik wil door. In dit geval kies ik dus voor het grotere goed,
namelijk dat deze wet zo snel mogelijk naar de Eerste Kamer gaat. Daar
wint de woningzoekende echt het meeste mee.
De voorzitter:
Helder. Dan ga ik naar de inbreng van het lid Grinwis, namens de
ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Zoals al een beetje duidelijk werd in mijn
interrupties, vind ik dit een beetje een verloren maandagmiddag. Hoewel
ik altijd met plezier debatteer over volkshuisvesting, vind ik dit debat
eigenlijk overbodig. De Wet versterking regie volkshuisvesting had al
van kracht moeten zijn. We hebben daar ook een heel goed, inhoudelijk
debat met elkaar over gehad in de Kamer. Dat was inderdaad in juni. We
zitten hier louter omdat een meerderheid van deze Kamer een door en door
discriminerend amendement heeft aangenomen. Dat moest worden gerepareerd
met de novelle. Dat wisten we overigens niet pas nadat de Raad van State
er wat van vond. We wisten het op die middag dat we moesten stemmen en
in de dagen daarnaartoe. Dat was ook de reden voor de bevlogenheid
destijds tijdens de stemverklaringen en ook vandaag in de interrupties.
Natuurlijk steunt de ChristenUnie die novelle. Wij willen niet nog meer
kostbare tijd verliezen. Hopelijk is het een les voor de voorstemmers
van het amendement-Mooiman, die normaal gesproken wƩl respect hebben
voor gelijke behandeling van gelijke gevallen. Met name richting
partijen met een rijke geschiedenis, van wie je toch een portie
verantwoordelijkheidsbesef mag verwachten, heb ik mijn verbazing
uitgesproken in wat interrupties.
De voorzitter:
Er komen ook interrupties voor u.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Je wilt toch niet dat er door dit stemgedrag en door het ontbreken van
een reflectie twijfels zouden kunnen ontstaan over het ontbreken van een
rechtsstatelijk of staatsrechtelijk geweten. Overigens ⦠Eerst een
interruptie?
De voorzitter:
Als dat mag, ja.
De heer Mooiman (PVV):
Wat mij toch een beetje bevreemdt aan het betoog van de heer Grinwis, is
het volgende. In het debat over de Wet regie, waar het betreffende
amendement werd ingediend, had hij alle ruimte om vragen te stellen over
het betreffende amendement. Maar de heer Grinwis stelde geen enkele
vraag. Hij liet het aan zich voorbijgaan, om vervolgens wel allerlei
grote woorden te gebruiken. Dan vraag ik mij toch af: waarom liet de
heer Grinwis dat toen allemaal aan zich voorbijgaan?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Omdat ik toen in een vrij laat stadium scherp had dat dit amendement was
ingediend. Ik heb dat wel nog op tijd doorgekregen, want in mijn
stemverklaring bij de stemmingen heb ik uit-en-te-na dit amendement van
een analyse voorzien en gezegd waarom wij als ChristenUnie tegen dit
amendement zouden stemmen, hoewel wij het legitiem achten om een
discussie over urgentieverklaringen voor deze en gene te hebben. Er zijn
in Nederland 250 gemeenten die geen urgentie geven aan statushouders, en
92 doen dat wel. Een ruime meerderheid van de gemeenten maakt al geen
gebruik van de mogelijkheid, en je kunt het best met elkaar hebben over
de vraag of het goed is dat gemeenten die mogelijkheid wel of niet
hebben. De ChristenUnie vindt van wel. Het debat daarover is prima, maar
ik heb in de stemverklaring heel helder gemaakt wat ik, toen ik daar een
oordeel over moest vellen, van het amendement vond. Als ik inderdaad
tijdens de bijdrage scherp had gehad dat het amendement met deze inhoud
was ingediend, dan had ik de heer Mooiman en verschillende collega's
daar zeker scherp op bevraagd. Dus als de heer Mooiman daar nu nog op
bevraagd kan worden: met plezier.
De heer Mooiman (PVV):
Ik heb zojuist mijn betoog gehouden. Daarop volgde wederom geen enkele
vraag van de heer Grinwis of de heer De Hoop, helaas. Ik had u dus graag
te woord gestaan, maar dat zat er dus niet in. Ik concludeer dat de heer
Grinwis op dat moment even niet heeft opgelet. Alleen, ik wil hem vragen
om toch een beetje aan zelfreflectie toe te doen en niet constant met
grote woorden andere collega's aan te spreken die gewoon om inhoudelijke
redenen voor een amendement hebben gestemd. Gelet op de interpretatie
van de Raad van State en de interpretatie die het ministerie daaraan
heeft gegeven, kan je daar ook nog een politiek oordeel over vellen. Ik
vraag me dan toch af waarom de heer Grinwis zich nu zo kwaad maakt
richting collega's, terwijl hij zelf eigenlijk al had kunnen weten hoe
de vlag ervoor hing; dan had hij daarover zijn betoog kunnen
houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik begrijp deze interruptie echt niet. Ik heb het net gewoon heel helder
gezegd. Zodra ik het amendement van de heer Mooiman had gelezen, had ik
gelijk door ā daar had ik de Raad van State niet voor nodig ā hoe
discriminerend het was. De heer Mooiman had er in zijn amendement immers
weloverwegen voor gezorgd dat niet alleen de urgentie voor statushouders
as such werd aangepakt, maar ook dat statushouders om welke reden dan
ook, ook al zaten ze in een andere urgentiecategorie, geen urgentie
konden krijgen. Precies dat punt is discriminerend en in strijd met
artikel 1 van de Grondwet. Dat wisten we die dag dat we gingen stemmen.
Misschien hadden we dat inderdaad allemaal scherp moeten hebben op het
moment dat het werd ingediend, maar in het debat heeft het amendement
als zodanig geen grote rol gespeeld. Het is wel ontraden door de vorige
minister van VRO. Ik heb dat gelukkig op tijd door gehad en ik heb er
ook heel duidelijk tegengestemd. Sterker, de heer Mooiman heeft me
hiermee in een gewetensconflict gebracht, zo van: hoe moet ik nou over
deze wet stemmen? Deze wet over de regie is immers zó belangrijk. Dit
amendement verminkt die wet echter wel.
De voorzitter:
Mooiman, kort alstublieft.
De heer Mooiman (PVV):
Tot slot, voorzitter; ik weet niet of het kort zal zijn. Kijk, dat het
discriminerend wordt genoemd, daarmee ben ik het niet eens. Ik heb net
met inhoudelijke redenen verdedigd waarom ik dat niet vind. Ik vind
namelijk dat juist het voortrekken van statushouders ten opzichte van
Nederlanders discriminerend is. Maar ook technisch gezien klopt het
niet. Het gelijkheidsbeginsel zegt dat mensen in gelijke gevallen gelijk
behandeld moeten worden. Laten we nou toch even kijken naar alle andere
situaties die we in Nederland hebben waarin er wel degelijk onderscheid
wordt gemaakt tussen mensen, bijvoorbeeld vanwege het feit dat iemand
een arbeidsmigrant is, of een toerist, een EU-ingezetene, een
Nederlander of een niet-Nederlander. Op basis daarvan wordt er ook
onderscheid gemaakt. Zou dan wat betreft de heer Grinwis ook een
arbeidsmigrant altijd urgentie moeten krijgen bij een sociale
huurwoning, of misschien zelfs een toerist? Mag er volgens de heer
Grinwis op geen enkele manier onderscheid worden gemaakt? Zo nee, waarom
doen we dat dan wel in allerlei andere gevallen hier in Nederland?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan citeer ik maar uit de memorie van toelichting: "De strijdigheid met
deze artikelen is het gevolg van het feit dat het onderdeel ervoor zorgt
dat een specifieke groep personen enkel op basis van hun nationaliteit ā
het niet zijn van Nederlander of EU-burger ā wordt uitgesloten van een
recht dat alle andere personen die rechtmatig in Nederland verblijven
wel is gegeven. Het betreft het recht op het verkrijgen van urgentie
voor een woning als hun situatie daartoe aanleiding geeft. Dit leidt tot
direct onderscheid op grond van nationaliteit onder groepen
woningzoekenden. Onderscheid kan toegestaan zijn, indien het een
legitiem doel dient en daarvoor een objectieve en redelijke
rechtvaardiging bestaat." Dat is gelijk ook het antwoord op de vraag.
"Het doel van het benoemde onderscheid is echter in zichzelf
discriminerend" ā dat staat in de memorie van toelichting, dat zeg ik
niet, dat zegt de vorige minister ā "omdat het met opzet
niet-Nederlanders uitsluit, en daarom niet legitiem. Een discriminerend
doel kan nooit gerechtvaardigd worden."
De voorzitter:
Meneer Mooiman, ik zie u en ik ga u ook het woord geven, maar ik wil de
collega's er echt op wijzen dat we gigantisch uitlopen. Alstublieft,
graag kortere vragen en antwoorden.
De heer Mooiman (PVV):
Tot slot. Ik wil af van het onterechte label "discriminatie", dat wordt
opgeworpen door de heer Grinwis. Ik heb net situaties naar voren
gebracht. Het is een feit dat er in heel veel gevallen ook onderscheid
wordt gemaakt tussen Nederlanders en niet-Nederlanders, gebaseerd op het
staatsburgerschap. Dat is geen discriminatie. Wat de heer Grinwis daar
verder enkel nog bij aanhaalt, is het beoogde doel van het amendement.
Het beoogde doel van het amendement is denk ik echter heel duidelijk:
ervoor zorgen dat Nederlanders die nu worden achtergesteld, alsnog een
woning kunnen vinden. Nu vindt er heel veel verdrukking plaats. Het
beoogde doel dat de heer Grinwis al invult, namelijk discriminatie,
staat helemaal nergens. Het is ook zeker nooit zo bedoeld en kan ook
niet zo gesteld worden. Wat vindt de heer Grinwis daarvan?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik las zojuist niet een citaat voor uit eigen werk, maar van de
ambtsvoorganger van deze minister. Dat zit op het aspect dat het niet
alleen de urgentie van statushouders beknot, maar ook urgentie om andere
redenen. Als dat niet de bedoeling was van de heer Mooiman, dan heeft
hij gewoon een slecht amendement gemaakt. Dat komt omdat de heer Mooiman
zegt: in alle gevallen mag zo'n statushouder absoluut geen urgentie
krijgen. Dat is precies het punt waar het om gaat. Dat was die middag
heel helder bij de stemming. Dat is waarom we nu een verloren middag
hebben.
De voorzitter:
Ik ga naar de heer Clemminck van JA21 en daarna naar meneer Flach van de
SGP. De heer Clemminck, JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb al gezegd wat JA21 in retroperspectief van dat amendement vindt.
Ik heb wel moeite met het gemak waarmee ook de heer Grinwis dit wegzet
als discriminerend. In essentie is dit juist een poging om een
discriminerende maatregel die nu al bestaat, weg te nemen. In de huidige
situatie worden mensen die op de objectiefste manier, namelijk op basis
van inschrijvingstijd, toegang proberen te krijgen tot een schaars goed,
namelijk een sociale huurwoning, voorbijgestreefd door iemand die niet
eens een wachttijd heeft opgebouwd, die misschien een of twee jaar in
Nederland is en die in een azc heeft gezeten. Het kan dan toch niet zo
zijn dat de heer Grinwis met droge ogen beweert dat het huidige systeem
ook maar enigszins tegemoetkomt aan het rechtvaardigheidsgevoel van
Nederlanders?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn ideaalbeeld van onze volkshuisvesting is natuurlijk een
volkshuisvesting zonder urgentie. Wat zou het fantastisch zijn als er
voldoende betaalbare woonruimte is voor iedereen die dat nodig heeft.
Urgentie is namelijk niets anders dan ā hoe zal ik het zeggen? ā een
gemankeerd middel, een paardenmiddel in een tijd van schrijnende
schaarste. Dan moet je gaan verdelen, waarbij je het hebt over
verdelende rechtvaardigheid. Daarom hebben we bepaalde
urgentiecategorieƫn, zodat bijvoorbeeld beide partners een woning kunnen
vinden als er een scheiding is in een gezin, zodat daklozen wel een
woning kunnen vinden of zodat, in dit geval, statushouders die een
wettelijke verblijfsvergunning in Nederland hebben gekregen toch een
woning kunnen vinden. Is het ideaal? Kun je twisten over welke categorie
wel of niet urgentie verdient? Ja, daar kun je over twisten. In
gemeenteraden die met urgentieverklaringen werken, wordt daar ook over
gestemd. Er wordt getwist en gesproken over die voorrang. Onze
gemeenteraden zijn daarin heel capabel. Ik vind het daarom prima om die
discussie aan de gemeenteraden over te laten. Ikzelf wil met alle
plezier een discussie over migratie voeren of over welke categorie wel
of niet urgentie verdient, maar het is per definitie inderdaad een
gemankeerd middel. Dat geef ik gelijk toe.
De voorzitter:
Helder. Dat is afdoende voor de heer Clemminck. Dan ga ik naar de heer
Flach, SGP.
De heer Flach (SGP):
De heer Grinwis is al de hele middag vanaf een morele hoogvlakte andere
collega's de maat aan het nemen op een manier die ik in ieder geval zelf
niet plezierig vind. Hij gaat zelfs zo ver dat hij op doelenniveau meent
te kunnen zeggen wat collega's bedoeld hebben. Hij zet daar dan
tegenover dat hij dit een verloren maandagmiddag vindt. Ik heb daar geen
vraag over. Ik wil alleen zeggen dat ik dat niet correct vind en ook
niet respectvol. Ik zou de heer Grinwis dus willen vragen om zich qua
toon en sfeer gewoon iets anders op te stellen in dit debat.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik waardeer collega Flach normaal gesproken zeer en ik kan ook zeer goed
met hem overweg, maar wat hij bij mij beleeft, is dan wederzijds
vandaag. Dat kan een keer gebeuren. Blijkbaar zijn we dan allebei niet
zo in vorm, of misschien wel. Ik kan me nog heel goed de aanloop naar de
stemming herinneren. Ik vind het echt ongekend dat daar nu bij een
aantal van mijn collega's inderdaad echt geen greintje reflectie op
terug te vinden is. Ja, mag dat tot een bevlogen interruptie leiden? Het
hoeft toch niet altijd in de meest vriendelijke, emotieloze woorden?
Daar mag bevlogenheid en emotie in doorklinken. Dat is geen morele
hoogvlakte, maar een oprechte vraag of we toen als meerderheid in de
Kamer niet een fout standpunt hebben ingenomen. Hebben we toen wel
zorgvuldig gestemd? Dat is overigens niet uniek, want we doen dat bij
meer amendementen. Bij het andere amendement, over het kopje soep, was
de wereld te klein. Dit amendement ā de stemming vond plaats op dezelfde
dag ā is een beetje tussen neus en lippen door gebeurd. Daar vind ik nog
steeds wat van. Dit is het eerste debat dat we daarover hebben sinds die
stemming, dus mag daar alsjeblieft emotie in doorklinken? Het gaat over
de rechten van mensen, over huisvesting, over iets heel wezenlijks.
Sorry dat de heer Flach zich aan mijn toon ergert. Morgen zal ik
waarschijnlijk weer een andere toon hebben, bij een ander debat, maar
dit zijn heel wezenlijke zaken.
De heer Flach (SGP):
Ik ga het niet langer maken dan nodig, voorzitter. Ik heb geaarzeld of
ik deze interruptie zou doen, want het leidt af van de inhoud, waar ik
het graag over heb. Alleen, ik vind wel dat je de Kamer geen recht doet
als je publiek op camera zegt "ik vind het een verloren maandagmiddag",
terwijl alle collega's met hun medewerkers hard gewerkt hebben aan een
zorgvuldige bijdrage en daarin zorgen proberen te vertolken. Er zit hier
een minister met ondersteuning. De bevlogenheid is prima, maar hou het
wel een beetje respectvol.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit is echt ongelofelijk! Kan de heer Flach nog overdrachtelijke taal
begrijpen? Ik denk het wel. Ik heb hier met de heer De Hoop zelfs het
recht op vrije interrupties bepleit, omdat hier iets fundamenteels aan
de orde is. Het punt is dat dit debat en deze middag niet nodig waren
geweest als die novelle niet nodig was geweest. We zitten hier omdat er
een novelle nodig is. Dat weet de heer Flach best. Dat hij dan ⦠Nou ja,
ik laat het even bij de heer Flach. Volgens mij is de boodschap
helder.
Voorzitter, ā¦
De voorzitter:
Er is nog een interruptie voor u van de heer Clemminck, JA21.
De heer Clemminck (JA21):
We leven niet in een utopie. Er is een tekort aan woningen en er zijn
wachtlijsten. Dan moeten we naar een systeem dat zo eerlijk en
rechtvaardig mogelijk is. De essentie van wat de Raad van State heeft
gezegd, is het creƫren van een gelijke uitgangspositie tussen mensen,
maar dat is onmogelijk. Je kunt geen gelijke uitgangspositie creƫren
tussen mensen. Dit is niet aan de Raad van State. Dit is aan de
politiek, en de politieke opgave is onmogelijk. In essentie is de Raad
van State-uitspraak er eentje die iets doet wat eigenlijk niet kan, want
dat betekent dat iemand die in 2000 geboren is geen gelijke
uitgangspositie heeft ten opzichte van iemand die in 1986 is geboren.
Dit is een politieke afweging, dus niet verstoppen achter een uitspraak
van een aantal juristen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Op dit punt ben ik het met de heer Clemminck eens, maar dat is niet het
punt van het amendement dat hier vandaag wordt gerepareerd. Dat ging
over het aspect dat er, als je eenmaal statushouder bent, geen urgentie
kan worden verleend, in welke situatie je je ook bevindt. In de algemene
discussie over de vraag of je wel of niet urgentie moet kunnen geven aan
statushouders kiest de Raad van State inderdaad voor een perspectief,
een filosofische benadering, waar je best vragen bij kunt stellen: moet
je uitgaan van hetzelfde uitgangspunt of van gelijke uitkomsten? Zij
kiest inderdaad bijna voor een soort gelijke-uitkomstenmodel. Daar kun
je met elkaar best een fundamentele discussie over voeren. Daar loop ik
zeker niet voor weg, maar dat is niet sec een onderwerp van deze
novelle; dat zijn de heer Clemminck en ik met elkaar eens.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Nu we er toch zijn, ga ik iets vragen over het amendement
over urgentie voor dakloze gezinnen met kinderen. Dat amendement heb ik
samen met een aantal collega's ingediend en dat is gelukkig aangenomen,
ook al werd het toen ontraden door de ambtsvoorganger van deze minister.
Ik ben blij dat het is aangenomen, want het gaat om de meest kwetsbare
groep mensen en kinderen in onze samenleving. Als zij geen veilig thuis
hebben, gaat dat ons zeer aan het hart. Gelukkig geldt dit niet alleen
voor mij, maar ook voor heel veel van mijn collega's. De minister gaat
uitvoering geven aan het amendement. Daar ben ik blij mee.
Tegelijkertijd moet ze daarbij een slag maken naar een regeling die
uitvoerbaar is. Dat snap ik, maar het amendement moet natuurlijk wel zo
worden omgezet dat dat recht doet aan de doelstelling en de geest van
het amendement. Ik heb nog wat zorgen over de gekozen criteria. Die
zorgen leg ik hier op tafel.
Ten eerste de weigeringsgrond als het probleem redelijkerwijs voorkomen
had kunnen worden. Die weigeringsgrond is erg breed. Hoe zorgt de
minister ervoor dat dit voor gemeenten geen vrijbrief is om een brede
groep mensen af te wijzen? Ten tweede: een andere weigeringsgrond is dat
mensen niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien. Dit dreigt een
kip-eiverhaal te worden, want veel dakloze gezinnen met kinderen hebben
een huis nodig om in hun eigen bestaan te kĆŗnnen voorzien. Een huis is
randvoorwaardelijk. Hoeveel ruimte voor interpretatie wil de minister
geven aan deze weigeringsgrond? Ten derde: op basis van welke criteria
wordt de eis van binding aan een bepaalde woningmarktregio bepaald? Ten
vierde kan urgentie geweigerd worden als het huisvestingsprobleem binnen
een redelijke termijn door de betrokkenen zelf kan worden opgelost. Wat
verstaat de minister onder "een redelijke termijn"? Ten slotte. Een van
de aanleidingen van dit amendement was het verhaal van Mila en haar
dochter. Tijdens haar zwangerschap vroeg zij een urgentieverklaring voor
een sociale huurwoning aan, maar die werd afgewezen. Volgens de gemeente
had zij haar huisvestingsprobleem redelijkerwijs kunnen voorkomen. Hoe
zorgt de minister ervoor dat mensen en kinderen zoals Mila in dit geval
niet worden afgewezen? Wat is "redelijkerwijs kunnen voorkomen"? Mijns
inziens was dit in de casus van Mila niet redelijkerwijs te voorkomen;
dat was de mening van een meerderheid van de Kamer. Wij waren het dus
oneens met hoe Amsterdam omgegaan is met deze mensen.
Voorzitter. Ten slotte heb ik samen met collega De Hoop de gelegenheid
te baat genomen om nog een amendement in te dienen om de wet beter
uitvoerbaar te maken en om meer voortgang te creƫren, namelijk door 30%
sociale huur per gemeente en twee derde betaalbaar als uitgangspunt te
gaan hanteren. Ik heb best wel wat zorgen over de uitvoering van deze
wet, want nu moeten we op nationaal en regionaal niveau uitkomen op 30%
sociaal en twee derde betaalbaar. Het is de vraag of we dat gaan redden.
Met de motie die vertaald is in een ontwerpbesluit, hebben we nu wel zes
maanden toegevoegd. Daarna kan een provincie of de minister gaan
ingrijpen. Maar ja, daarmee is de procedure op zichzelf gemaximeerd,
maar hebben we nog geen zekerheid dat er daadwerkelijk 30% en twee derde
betaalbaar gebouwd gaan worden en met hoeveel vertraging. Bovendien gaat
het hier ook over een soort van eerlijk delen. Er is ook nog het risico
dat we dit niet goed hebben geregeld. Daar heb ik dus nog wel wat
twijfels bij. Kan de minister reageren op die zorg? Gaat de voorgestelde
systematiek leiden tot regionale onderhandelingen? En hoe voorziet zij
het moment in de tijd, na zes maanden, waarop zij of de provincie gaat
optreden? Hoe gaat dat dan in zijn werk? Dat was eigenlijk mijn
vraag.
Ten slotte. Om deze wet goed uit te kunnen voeren, zijn de nationale
prestatieafspraken randvoorwaardelijk. Vlak voordat dit nieuwe kabinet
aantrad, kwam naar boven dat er een tekort is van bijna 20 miljard. Dan
heb ik de volgende vraag. Het coalitieakkoord loopt het tekort niet
helemaal in, dus waarschijnlijk resteert er een tekort van 10 miljard.
Hoe interfereert dat met de uitvoering van deze wet?
Tot zover, voorzitter, in mijn eerste termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was de heer Grinwis, die sprak namens de ChristenUnie.
Dan gaan we naar de achtste spreker van vandaag, en de eerste vrouw. Dat
is mevrouw Steen namens het CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Eens even kijken of ik vanmiddag wat aan de
sfeer kan bijdragen! Korte tijd na ons debat over de Staat van de
Volkshuisvesting van vorige week en het debat over de Nota Ruimte hebben
we vandaag weer een debat over de wooncrisis. Volgens mij waren we het
allemaal wel met elkaar eens dat we maatregelen moeten nemen, en wel
snel. Juist daarom is de boodschap van de CDA-fractie vandaag helder. We
moeten tempo maken met deze novelle, zodat de wet zo snel mogelijk in
werking kan treden. We kunnen ons namelijk simpelweg geen vertraging
meer veroorloven. Er is in Nederland een systeem ontstaan waarin het
heel makkelijk is om iets tegen te houden, maar heel moeilijk om iets
mogelijk te maken. Wetten en plannen zijn uiteindelijk alleen waardevol
als ze leiden tot meer woningen op de bouwplaats. Daarvoor is ƩƩn ding
essentieel, namelijk duidelijke regie, met ruimte voor samenwerking
tussen de verschillende bestuurslagen, zodat we regie nemen en op een
goede manier bouwen aan de gemeenschappen van vandaag en morgen.
Voor het CDA betekent dit dat het Rijk kaders stelt, maar dat de
provincie en de gemeente ruimte moeten houden om die opgave in te vullen
zodat die past bij de regio. De woningmarkt in Groningen is nou eenmaal
anders dan die in de Randstad, en een middelgrote gemeente staat voor
andere keuzes dan de G4. Daarom vinden wij het belangrijk dat gemeenten
en provincies regionale afspraken kunnen blijven maken over de aantallen
en het type betaalbare woningen, zodat nationale doelen ook echt
aansluiten bij de regionale realiteit.
Dan de snelheid van procedures, voorzitter. Versnellen betekent ook dat
we gemeenten de instrumenten moeten geven om daadwerkelijk te handelen.
Het is goed dat er ruimte en ruimere mogelijkheden komen om een
voorkeursrecht te vestigen. Het CDA hoopt dat er vaker van deze
mogelijkheid gebruikgemaakt wordt. Voor ons is dat recht ook echt een
middel om speculatieve grondprijsopdrijving tegen te gaan en gemeenten
eerder grip te laten krijgen op grondposities. Ik begrijp dat de
reparatie met deze novelle moet gebeuren, maar ik zou ook graag samen op
zoek gaan naar hoe we meer grip kunnen krijgen op die
grondposities.
De voorzitter:
Als u daar even wilt pauzeren, is er een vraag voor u van de heer Flach,
SGP. Wilt u uw microfoon uitdoen, mevrouw Steen?
De heer Flach (SGP):
Ik hoor mevrouw Steen er eigenlijk voor pleiten om de vrijheid om die
opgave te verdelen over de regio, bij de regio's te houden. Ik denk dat
dat zeer terecht is. Nu is mevrouw Steen in haar vorige werkzame leven
wethouder geweest, van een centrumgemeente, denk ik zomaar. Ze heeft in
ieder geval een belangrijke rol gespeeld in de woonregio Twente. Zou ze
kunnen beschrijven hoe dat ging? Hoe gingen die gesprekken tussen de
gemeenten, dus tussen stad en platteland, en hoe werden tussen die
verschillende gemeenten de verdeelafspraken gemaakt?
Mevrouw Steen (CDA):
Zeker. Ik heb niet zelf aan de tafels gezeten, maar er is collegiaal
bestuur, dus ik heb goed gemerkt en gehoord hoe dat is gegaan. Dat ging
eigenlijk best wel goed. Soms is het ook best pittig geweest, maar wij
hadden ook wel een provincie die stevig in die gesprekken zat. Ik heb
dus wel gezien dat het instrumentarium dat de provincie heeft, er soms
toe leidde dat men elkaar even recht in de ogen aankeek, en soms ook wel
leidde tot een goede, stevige discussie. Het was ook niet altijd even
makkelijk, maar besturen Ćs ook niet altijd even makkelijk. We hebben
uiteindelijk best goede afspraken met elkaar kunnen maken, en het gaat
in de regio Twente heel erg goed.
De voorzitter:
Dat is afdoende voor het lid Flach, zie ik, maar niet voor de leden
Grinwis en en De Hoop. Grinwis was eerst.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
In vervolg daarop: werden die afspraken ook uitgevoerd door elke
gemeente? Mijn ervaring uit het verleden is namelijk dat het nog wel
lukte om tot afspraken te komen in de woningmarktregio, maar dat er
flagrante verschillen aan het licht kwamen bij de realisatiecijfers, dus
bij hoeveel sociale huur en hoeveel betaalbare woningen uiteindelijk
werden gebouwd. In de regio waarin ik zelf actief ben geweest als
gemeenteraadslid, ging het om de gemeenten Westland, Den Haag,
Pijnacker-Nootdorp, Delft et cetera.
De voorzitter:
Wilt u wel tot uw vraag komen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar bleek uiteindelijk dat gemeenten die al minder sociale huur hadden,
er in de praktijk toch niet in slaagden hun doelstellingen te
realiseren.
Mevrouw Steen (CDA):
Kijk, die afspraken zijn nu ook nog steeds in uitvoering. We gaan de
goede kant op in Twente. Het feit dat het goed gaat in Twente, is ook
geen anekdotisch bewijs voor de rest van het land, maar ik zie wel dat
er voldoende instrumentarium is, zowel bij de provincie alsook ultimo
bij de minister, om te kunnen ingrijpen als de doelstellingen niet
gehaald worden. Ik wil dus niet zeggen ⦠Nou ja, ik wil eigenlijk wél
zeggen dat Twente het voorbeeld is voor heel Nederland! Het zou mooi
zijn als andere regio's dat zouden volgen, maar ik denk wel dat er in
essentie voldoende instrumenten zijn om dit te kunnen waarborgen. Het
vraagt wel wat bestuurlijke moed, links en rechts. Daar kan heus nog wel
wat aan verbeterd worden. We hoeven geen verplichting op te leggen;
goede, stevige, slagvaardige bestuurlijke afspraken en ultimo de
dreiging dat de minister kan ingrijpen, zijn wat het CDA betreft op dit
moment gewoon voldoende.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Toch nog kort op dit punt. Dit is namelijk zwaar bevochten door juist de
eigen CDA-minister, Hugo de Jonge, die het wƩl heel erg belangrijk vond
om dat per gemeente vast te leggen. Ik heb afgelopen tijd via de VNG met
veel CDA-wethouders gesproken. Ik zag bijvoorbeeld nog een brief van een
wethouder voorbijkomen, volgens mij uit Olst-Wijhe, waar ze heel graag
wƩl vast willen houden aan die 30%, omdat ze bang zijn voor een Poolse
landdag. Ik ben benieuwd hoe het CDA denkt daar dan toch aan tegemoet te
komen. Neem bijvoorbeeld het amendement van meneer Grinwis en mij. Er is
de vorige keer tegengestemd door het CDA. Ik ben wel benieuwd hoe we dan
toch voldoende op dat doel uit kunnen komen en dat beter kunnen
waarborgen. Zouden we daar vandaag misschien nog op een andere manier
toe kunnen komen met elkaar?
De voorzitter:
Helder.
Mevrouw Steen (CDA):
Dan blijf ik toch eigenlijk bij mijn vorige antwoord. Je hebt wetten en
je hebt bestuurlijke slagkracht. Ja, ik zie dat het best ingewikkeld kan
zijn om aan die afspraken met elkaar te voldoen. Tegelijkertijd zie ik
in het hele land, of het nou om CDA-wethouders, SGP-wethouders of
GroenLinks-PvdA-wethouders gaat, het gevoel om verantwoordelijkheid te
willen nemen voor die 30% en de realisatie van de doelen. Het is niet
gezegd dat dat past in elke gemeente. Het kan dus best wel zo zijn dat
de gemeente zegt: ik heb nu mijn doel gehaald; het is nu even aan een
ander. Dan is het juist het gesprek met elkaar dat gaat helpen om
uiteindelijk woningen te bouwen op de plekken waar dat het meest
opportuun in. Dat gesprek moet je met elkaar in de regio voeren. Dat kan
best prima met elkaar in die bestuurlijke slagkracht. Volgens mij ziet
dat er in de hele regio en in heel Nederland verschillend uit.
De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.
Mevrouw Steen (CDA):
Mooi. Ik was bezig met grondposities om die woningen daadwerkelijk te
gaan bouwen. Mijn vraag aan de minister over die grondposities is dan
ook: hoe gaan we nou volgen dat de verruimde termijnen daadwerkelijk
gaan bijdragen aan het tegengaan van speculatie in woningbouwgebieden?
Met andere woorden: hoe gaan we zien of gemeenten hierdoor eerder en
effectiever grip kunnen krijgen op hun grondposities en of het niet iets
op papier blijft? Daarnaast heb ik de vraag of de termijn van vijf jaar
en dan nog eens vijf jaar via de omgevingsvisie of het
omgevingsprogramma in de praktijk voldoende ruimte biedt. We weten
namelijk allemaal dat gebiedsontwikkeling toch vaak best wel lang kan
duren. Hoe gaan we in de gaten houden of dit ook daadwerkelijk werkt
voor gemeenten?
Voorzitter. Tot slot over de uitvoeringskracht. Een voorkeursrecht helpt
om regie te houden, maar uiteindelijk moet er ook gewoon verworven
worden. Hoe kijkt de regering naar de relatie tussen dit instrument en
de capaciteit van gemeenten om daadwerkelijk actief grondbeleid te
voeren? Hoe voorkomen we dat dit instrument vooral goed werkt voor
gemeenten met veel financiƫle of organisatorische slagkracht? Het is ook
van belang dat gemeenten die problemen hebben met het dekken van de
risico's in hun grondbedrijf, iets hebben waar ze op kunnen terugvallen.
Mijn vraag aan de minister is dus: wanneer kunnen we het voorstel voor
het organiseren van een grondfaciliteit verwachten?
Voorzitter. In de nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat het
kabinet werkt aan een rijksprogramma om de uitvoeringscapaciteit te
versterken. Daarbij wordt ook gewezen op het principe van parallel
plannen, waarbij dus verschillende stappen in de voorbereiding
gelijktijdig worden doorlopen. De CDA-fractie ziet daarin een heel erg
cruciale stap naar versnelling. Tegelijkertijd zien we ook dat het in de
praktijk nog weinig brede toepassing vindt. Mijn laatste vragen aan de
minister zijn dus als volgt. Hoe gaan we ervoor zorgen dat elke gemeente
in Nederland standaard het parallel plannen toepast? Is de minister
bereid hier nadrukkelijk werk van te maken, zodat deze aanpak niet
alleen in enkele voorbeeldprojecten wordt toegepast, maar structureel
onderdeel wordt van de manier van werken bij woningbouwprojecten?
Voorzitter. Laten we tempo maken met deze novelle, zodat we snel
daadwerkelijk de regie op de volkshuisvesting kunnen hernemen.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Steen. Ik zie dat er geen interrupties meer zijn. Ik
vraag de heer Grinwis om het voorzitterschap over te nemen.
Voorzitter: Grinwis
De voorzitter:
Met alle plezier. Ik geef graag het woord aan mevrouw Beckerman van de
SP voor haar termijn.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel. De wooncrisis is een betaalbaarheidscrisis, maar de wet die
moest gaan zorgen dat er meer betaalbaar gebouwd zou worden, gaat daar
helemaal niet voor zorgen. De SP heeft tegen de Wet versterking regie
volkshuisvesting gestemd. Waarom? Daar hadden we drie redenen voor. EƩn.
Omdat met de versie van de wet die vorig jaar voorlag het totaalaantal
en het aandeel sociale huurwoningen zou kunnen dalen in plaats van
stijgen. Twee. Omdat de wet niet ging zorgen voor regie, maar voor
bureaucratie en eindeloze strijd tussen gemeenten. Drie. Omdat de wet er
niet voor zou zorgen dat de mensen die zo hard een woning nodig hebben,
die ook zouden gaan krijgen. De novelle die vandaag voorligt, maakt dat
niet beter, maar slechter. "Twee derde betaalbare nieuwbouw" klinkt
mooi, maar het lost de wooncrisis niet op zolang er aan de andere kant
nog steeds sociale huurwoningen worden gesloopt en verkocht en we onder
de streep eindigen met minder in plaats van meer betaalbare sociale
huurwoningen.
Laat ik beginnen met een hele simpele vraag aan de minister: mag het
totale aandeel of het aantal sociale huurwoningen van haar dalen? Dat
kan namelijk wel het gevolg zijn van de huidige wet in deze vorm. Dat
kan toch op geen enkele manier de bedoeling zijn? Volgens de huidige
plannen slopen corporaties tot 2035 93.000 sociale huurwoningen.
Bovendien staat in het nieuwe coalitieakkoord van Jetten dat er ingezet
wordt op de verkoop van sociale huurwoningen. Met deze wet krijgen
sommige gemeenten de opdracht 30% sociale huurwoningen te bouwen, maar
als je tegelijkertijd veel sloopt en verkoopt, heb je onder de streep
alsnog minder sociale huurwoningen. Gemeenten die nu al iets meer
sociale huur hebben, krijgen de opdracht om juist minder sociale huur en
meer middenhuur te bouwen. In die gemeenten neemt het aandeel sociale
huur dus sowieso af, ondanks lange wachtlijsten.
De voorzitter:
Ik hoor een punt. Ik geef graag het woord aan collega Nobel voor een
interruptie.
De heer Nobel (VVD):
Ik heb het niet geturfd, maar ik heb erg vaak de woorden "sociale
huurwoning" voorbij horen komen. Ik vroeg me af wanneer de SP het gaat
hebben over betaalbare koop en het middensegment, want daar snakt
Nederland echt naar.
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman voor een reactie op deze vraag.
Mevrouw Beckerman (SP):
Het is natuurlijk de vraag waar Nederland naar snakt. In mijn ideaal zou
je de sociale huur juist weer als brede volkshuisvesting kunnen hebben,
ook voor mensen met een wat hoger inkomen. We halen hier vaak de stad
Wenen aan, waar 70% van de inwoners in een sociale huurwoning woont. Het
voordeel daarvan is dat het allemaal gemengde buurten zijn. Er zijn geen
achterstandswijken. Daarmee zeg je eigenlijk nog maar het minimale. Je
kunt daar gewoon een zwembad op je dak hebben, of je nou een laag
inkomen of een middeninkomen hebt. Mensen zeggen daar met trots dat ze
in een sociale huurwoning wonen. Ook de dochter van de premier zegt: ik
woon in een sociale huurwoning, omdat het fantastisch is met al die
voorzieningen. Dus ja, de SP noemt vaak de sociale huur, omdat wij graag
terug willen naar een traditie van trotse volkshuisvesting. De VVD is
die al lange tijd aan het slopen en wil daar nog steeds mee
doorgaan.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Nobel het niet bij dit volkshuisvestelijke antwoord
wil laten zitten. In tweede instantie, de heer Nobel.
De heer Nobel (VVD):
Ik weet niet of het een goed idee is om woningcorporaties op te zadelen
met de bouw van zwembaden. Als mensen dat willen en daar behoefte aan
hebben, moeten ze dat natuurlijk gewoon lekker zelf doen in hun
achtertuin. Is de SP het met de VVD eens dat we, als we dit
woningbouwtekort willen oplossen, de markt uiteindelijk gewoon keihard
nodig hebben? Is de SP het ermee eens dat we niet meer, maar juist
minder regels met elkaar moeten opstellen en ervoor moeten zorgen dat
investeerders, maar zeker ook bouwers, naar Nederland toe willen
komen?
Mevrouw Beckerman (SP):
Het gemak waarmee de VVD zegt "we moeten corporaties niet opzadelen met
de bouw van zwembaden" ⦠We zakken door een ondergrens in Nederland qua
betaalbaar wonen. We hebben een gigantische wooncrisis. Die is
gigantisch. Omdat ik ook een rol heb als voorzitter, heb ik me
ingehouden, maar ik hoor een partij die dat veroorzaakt heeft, al de
hele middag mensen tegen elkaar opzetten. Ik hoor een partij die tegen
de starter zegt: het is die ander die de woning inpikt. Ik geloof in
zwembaden. Ik geloof dat we de wooncrisis kunnen oplossen met iets
beters dan alleen maar tragische, kleine hokken als nieuwbouw. Zwembaden
zouden een ideaal moeten zijn van de hele Kamer. Weet u waarom? Omdat we
dan niet meer alleen maar zouden bouwen om mensen te huisvesten, maar
ook om samen te wonen en samen te leven in dit land. Dat een partij die
al zo lang aan de macht is niet verder kan komen dan aan de ene kant
corporaties uitknijpen ⦠We hebben een gat van 20 miljard voor de
opgaven die er nu liggen. Daarvan wordt ongeveer 10 miljard gedicht. Dan
nog gaat het alleen maar over de bestaande afspraken en niet over het
oplossen van de wooncrisis. Vervolgens besteden ze de hele middag aan
zeggen: de ene groep wel, de andere groep niet en die groep een beetje.
Zo zetten we mensen tegen elkaar op en lossen we de wooncrisis niet
op.
De voorzitter:
Ik heb zomaar het vermoeden dat de heer Nobel hier nog ƩƩn keer op wil
ingaan. Hij krijgt die kans. Ik ben volledig onpartijdig, maar ik kan
nog wel verhalen dat collega Peter de Groot het zwembad waar we bij
stonden prachtig vond.
De heer Nobel (VVD):
Ik kan me er alles bij voorstellen dat VVD'ers graag in een zwembad
springen. Even zonder gekheid, in een zwembad kun je niet wonen. Dat
weet de SP net zo goed als ik. Ik maak me wel zorgen over het feit dat
de mogelijkheid die ik de SGP ⦠Nee, ik bedoel de SP. Excuus, meneer
Flach. Het gaat niet zo goed vandaag met de partijnamen. Ik wilde de SP
de mogelijkheid bieden om aan te geven dat we de markt gewoon heel erg
nodig hebben, met name voor de betaalbare koop en het middenhuursegment.
Ik begrijp heel goed dat we ook sociale huurwoningen moeten bouwen. Dat
heb ik in mijn eigen bijdrage ook aangegeven. Is de SP het dan wel met
de VVD eens dat we er zonder de markt uiteindelijk niet gaan komen en
dat het leeuwendeel van de te bouwen woningen niet gerealiseerd gaat
worden, ook niet als er meer geld gaat naar corporaties of andere zaken
die SP graag bepleit? Ze worden niet gebouwd, want woningen moeten
uiteindelijk gebouwd worden door bouwers. Investeerders moeten dan wel
vertrouwen hebben in de Nederlandse woningmarkt. Wil de SP daar samen
met de VVD naar kijken, om zo uiteindelijk toch de woningen, die zo
broodnodig zijn, te kunnen realiseren?
De voorzitter:
Mevrouw Beckerman, ook in laatste instantie krijgt u de kans om te
reageren. Ik verzoek u om daarna door te gaan met uw betoog in de eerste
termijn.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik ben blijkbaar de eerste SGP-vrouw in de Kamer!
Voorzitter. Ik heb een aantal punten. Het klopt helemaal dat je in een
zwembad niet kunt wonen. Een zwembad klinkt als luxe, maar het punt is
dat voor hele normale mensen zelfs een woning inmiddels al een luxe is
geworden. Dat is ongelofelijk. Waar komt dat door? Dat komt niet door
een natuurramp, maar is het gevolg van hele bewuste politieke keuzes om
trotse volkshuisvesting af te breken en steeds meer en meer aan de markt
over te laten. De VVD heeft daarin vooropgelopen. We zijn daardoor in
een diepe wooncrisis terechtgekomen. We kunnen daar uitkomen. We kunnen
daar uitkomen met iets beters dan alleen maar kleine nieuwbouwwoningen.
Ik geloof daarin. Waarom geloof ik daarin? Omdat Nederland het eerder
heeft gedaan. Tijdens de diepe economische crisis van de vorige eeuw
werden er kathedralen voor de arbeidersklasse gebouwd. Dat zijn
prachtige woningen, waar we nog steeds naar teruggaan en die nog steeds
een monumentale status hebben. Die zijn namelijk zo goed. Het waren niet
alleen woningen, maar ook voorzieningen om trots op te zijn. Ik denk dat
Nederland dat kan, maar dat kan niet met een VVD die keer op keer op
keer uitknijpt wat zo van belang is voor ons allemaal.
Ik ga mijn betoog vervolgen. Ik vind het dus een onbegrijpelijke logica.
Een wooncrisis los je niet op met minder echt betaalbare woningen. Welk
aandeel betaalbare woningen wil de minister in de totale voorraad en hoe
denkt ze daar te komen?
Voorzitter. Er is al veel gezegd over de eventueel dreigende chaos
tussen gemeenten. Onderling moeten er afspraken worden gemaakt om het
doel op regionaal niveau te kunnen halen. Waarom kiest de minister niet
voor ƩƩn duidelijke instructieregel voor alle gemeenten, zoals
gemeenten, provincies, de Woonbond en corporaties zelf voorstellen, met
minimaal 30% aan sociale huurwoningen en twee derde aan betaalbare
woningen? Voor de SP zou dat eigenlijk al een heel zwak compromis zijn.
Voor iedereen die vandaag "tempo, tempo" roept: dit is wat gemeenten,
corporaties, provincies en de Woonbond zelf hebben bepleit.
Het meest venijnige van de wet zijn misschien nog wel de boetes en
maatregelen die de minister kan opleggen als een gemeente meer sociale
huur bouwt. Dus een gemeente die ervoor kiest de wachtlijsten korter te
maken en mensen een thuis te geven, kan een boete krijgen? Dat vragen
wij aan de minister. Hiermee geeft de minister projectontwikkelaars die
graag duurder bouwen ook echt een machtsmiddel om te gaan vertragen.
Erkent de minister dat een boete op de bouw van sociale huur bizar is en
geschrapt dient te worden?
Voorzitter. Tijdens het debat over de Wet versterking regie
volkshuisvesting hebben wij een groot punt gemaakt van de aanpak van
dakloosheid. Nederland heeft afgesproken dat in 2030 niemand meer
dakloos hoeft te zijn, maar dit is een onzinbelofte als je niet
voldoende woningen hebt voor dakloze mensen. Ons voorstel om alle mensen
die dreigend dakloos en dakloos zijn op basis van de ETHOS
Light-definitie urgentie te geven, werd verworpen. Het minder vergaande
voorstel om gezinnen urgentie te geven, werd wel aangenomen. Maar in de
nieuwe versie van de wet zwakt de minister dat voorstel af. Waarom dat
problematisch is, laat een aangrijpend stuk in De Groene Amsterdammer
van deze week zien. "Zwanger of ziek, wie mag de opvang in?" is de
titel. Dit laat zien hoe hard het probleem met dakloosheid escaleert.
Mensen moeten strijden, niet eens om een huis maar om een plekje in de
opvang. Het is een hardvochtige strijd tegen bureaucratische regels als
"zelfredzaam" en "verwijtbaar dakloos" zijn. Kinderen slapen in garages
en portieken. Het is vernederend, mensonterend. Er zijn inmiddels
wachtlijsten, niet voor een plek in de opvang, maar voor
wachtlijstbegeleiding. Gemeenten maken enorme kosten, maar brengen
daarmee een woning voor deze mensen niet dichterbij.
Voorzitter. "Wonen eerst. In 2030 niemand dakloos." Dat was de belofte.
Staat u voor die belofte, vraag ik de minister. Nergens in Nederland
wordt de "wonen eerst"-aanpak nu echt volledig doorgevoerd. Geen pilots,
projecten en managers, maar oplossen. Wonen is een recht, geen privilege
waarvoor je eerst gemangeld genoeg moet zijn. In het coalitieakkoord
ontbreekt een aanpak van dakloosheid. Wat gaat de minister doen? Is dit
een omissie? Staat zij voor de "eerst een huis"-aanpak? Waarom zijn
zelfs voor dakloze gezinnen in deze wet afzwakkingen gedaan ā de heer
Grinwis vroeg het net ook ā met echt vernederende voorwaarden? Wil de
minister die schrappen en alsnog komen tot een aanpak met urgentie voor
alle dakloze mensen op basis van de ETHOS Light-definitie?
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Alvorens we gaan schorsen, geef ik graag het voorzitterschap weer terug
aan mevrouw Beckerman.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de minister: hoelang heeft zij nodig?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Een halfuur, alstublieft, voorzitter.
De voorzitter:
Dan schors ik de vergadering tot 17.45 uur.
De vergadering wordt van 17.14 uur tot 17.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Welkom bij de vaste commissie voor
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan de orde vandaag is de
novelle over de Wet regie volkshuisvesting. We hebben de eerste termijn
van de zijde van de Kamer gehad en nu is het woord aan de minister. We
zouden wel graag eerst de blokjes willen horen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Geen enkel probleem. Ik heb een mapje betaalbaarheid, een mapje bouwen
voor middeninkomens, een mapje aandachtsgroepen en urgenten, een mapje
versnellen en tot slot een mapje overig.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou in dit debat wel graag gewoon de interrupties willen
toestaan zoals ze komen, want misschien helpt dat ook en zijn daarmee
ook vragen die later komen direct beantwoord. Is dat akkoord?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik maak liever een mapje af.
De voorzitter:
Dat snap ik. Ik kijk wel even hoe het gaat met de leden. Ik zie dat ze
daar heel sympathiek tegenover staan. We gaan het gewoon per mapje doen.
Helemaal goed. Begint u met uw beantwoording.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Gezien mijn achtergrond denk ik bij het woord
"crisis" maar aan ƩƩn ding: aanpakken. Het gaat dan om een aanpak die
rust, regelmaat en reinheid brengt en die leidt tot resultaten. Bij een
aanpak hoort regie en bij regie hoort een regisseur, een regisseur die
overziet, die behartigt, die stuurt en die dirigeert en zich bij alles
afvraagt of het bijdraagt aan het van tevoren afgesproken doel. Wat is
de prijs en bij wie landt die prijs? De prijs landt momenteel bij te
veel mensen, dusdanig verspreid dat er nauwelijks nog een ordening te
bedenken is of een eerste dominosteen te vinden is. Om deze wooncrisis
te adresseren, is er regie nodig. Dat kunnen we doen met het
wetsvoorstel Wet versterking regie volkshuisvesting, dat in de Eerste
Kamer ligt. Vandaag spreek ik met u over de novelle van het
wetsvoorstel. Samen kunnen we tot wetgeving komen die het verschil gaat
maken in mensenlevens. Er moet duidelijkheid komen over hoeveel, waar en
voor wie er gebouwd wordt: studenten, starters, mensen met een laag of
middeninkomen, de politieagent, de verpleger en onze ouderen. Het gaat
over tempo maken, versnelling van procedures en gelijke kansen voor
urgenten, de meest kwetsbaren van onze samenleving.
Vanmorgen vroeg was ik op bezoek in een daklozenopvang. Ik heb daar met
drie jonge mensen mogen spreken, die mij openhartig hun verhalen hebben
verteld. Een van hen was een jongeman afgestudeerd in computer science
met een helaas overleden Nederlandse vader. Hij verdient, ondanks dat
hij afgestudeerd is aan een universiteit, niet genoeg om in de vrije
sector een huis te kunnen vinden. Zijn werkgever vereist dat hij remote
werkt. Dat betekent dat hij werkt vanuit de daklozenopvang met een hoop
lawaai om zich heen en dat hij 's avonds om 21.00 uur binnen moet zijn.
Daardoor kan hij geen onderdeel zijn van een sociaal leven.
De tweede jongeman komt uit de begeleidwonenopvang. Hij was in de
financiƫle problemen gekomen, waardoor hij zijn huis uit moest. Hij
heeft geen familie in Nederland die hem wil en kan helpen. Hij werkt
vijf dagen in de week en verdient daarmee niet genoeg om ergens in
Nederland een plek te vinden buiten de daklozenopvang. Een jongedame, in
Nederland geboren en afgestudeerd, loopt een ziekte op, waar ze een
ergonoom voor nodig heeft. Maar de ergonoom mag niet in de opvang komen
om haar te behandelen. Zij heeft daar blijkbaar eerst een huis voor
nodig. Drie schone, fris ruikende, leuke, welbespraakte jonge mensen op
het rechte pad! Maar ze zitten in de opvang met een klok die hun leven
op pauze zet. Ze zijn dankbaar dat het er is, maar het is niet de
oplossing.
Voorzitter, ik ben blij dat ik zo snel na mijn aantreden als minister
met u in overleg kan gaan over een onderwerp dat zo veel mensen raakt. U
heeft dit wetgevingsoverleg voortvarend geagendeerd. Dank u wel
daarvoor! Dat onderstreept dat u met mij het aanpakken van het
woningtekort ziet als topprioriteit. We hebben vandaag gesproken over
waarom versterking van de regie op de volkshuisvesting zo belangrijk is.
En een onderdeel daarvan is de novelle die bij u voorligt.
Een novelle die regelt dat aangenomen amendementen worden geschrapt of
aangepast, is uitzonderlijk. Het kabinet en ik willen daarmee niet
afdoen aan de belangrijke rol van de Tweede Kamer als medewetgever, maar
in dit geval is het noodzakelijk om te zorgen dat wetten uitvoerbaar en
juridisch houdbaar zijn. We zijn hierbij niet over ƩƩn nacht ijs gegaan.
Er is met medeoverheden in de uitvoeringstoets gekeken naar de effecten
op de uitvoering. De Raad van State onderschrijft de beoordeling dat het
nodig is dat het bijzondere instrument van de novelle is ingezet en
vindt de toelichting toereikend. Ook is goed gekeken welke reparaties
strikt noodzakelijk waren. Zo is het amendement over het voorkeursrecht
aangepast en niet geschrapt. Het amendement over urgentie voor gezinnen
met kinderen wordt niet gewijzigd in de novelle. Dit werk ik met oog op
de uitvoerbaarheid uit in de ministeriƫle regeling. Uiteindelijk is voor
een woningzoekende maar ƩƩn ding belangrijk: het oplossen van het
woningtekort. Wetten die in de praktijk werken! Dat vraagt om
duidelijkheid, voorspelbaarheid en regie.
Voorzitter, ik ga graag met uw Kamer in gesprek over de vragen, zorgen
en suggesties die u daarbij heeft. Daarvoor ga ik naar het eerste mapje,
dat over betaalbaarheid.
D66 en ChristenUnie vroegen naar het tempo maken en de
fallbackpercentages sociale huur. Tempo maken is essentieel voor de
woningzoekenden. Binnen een halfjaar na inwerkingtreding moeten
afspraken over de verdeling van betaalbare woningen zijn gemaakt om
tijdig de volkshuisvestingsprogramma's te kunnen vaststellen. Ik houd de
vinger aan de pols of er voortgang zit in het maken van regionale
afspraken. Ik verwacht van provincies dat zij in actie komen als er niet
tijdig afspraken worden gemaakt. Daar waar het niet lekker loopt ga ik
in gesprek en spoor ik de provincie aan om zelf knopen door te hakken.
Waar nodig zal ik provincies de opdracht geven om hierover instructies
te geven. Dat zeg ik u toe. Een terugvalpercentage voor sociaal is niet
nodig. Ingrijpen doe ik wanneer bestuurlijk overleg niet lukt, want dat
is nog altijd de snelste weg.
Een vraag van de SP over twee derde betaalbaar en 30% sociaal per
gemeente. Het ontwerpbesluit voorziet in de balans tussen sturen op het
halen van de betaalbaarheidsdoelstellingen en het laten van ruimte aan
gemeenten om recht te doen aan lokale verschillen. Dat doe ik door in
het besluit te regelen dat de doelstelling van twee derde betaalbaar
bouwen en 30% sociale huurwoningen moet worden gehaald op regionaal,
provinciaal en landelijk niveau. Ik regel in het ontwerpbesluit dat alle
gemeenten daaraan moeten bijdragen. IPO, VNG, Aedes en de Woonbond
stellen een doelstelling van twee derde betaalbaar en 30% sociaal per
gemeente, in lijn met het amendement-De Hoop/Grinwis. Ik vind het dan
ook onverstandig om alle gemeenten exact dezelfde opdracht te geven. Dat
sluit niet goed aan bij de ruimte die gemeenten nodig hebben om te
bepalen wat er lokaal nodig is.
Een vraag van JA21 over regionale doelstellingen. Elke bouwregio moet
twee derde betaalbaar en 30% sociaal bouwen op basis van het
fairshareprincipe. Niet elke gemeente binnen een regio hoeft aan
dezelfde eis te voldoen. Daarin zit juist de flexibiliteit. De ene
gemeente kan bijvoorbeeld iets meer betaalbaar bouwen dan de andere.
Daarvoor is regionale afstemming nodig.
Een vraag van de VVD over bovenmatig betaalbaar. Dit kabinet wil meer
betaalbaar bouwen voor lage inkomens Ʃn voor mensen met een
middeninkomen. De ervaring leert dat bij strengere eisen projecten
stilvallen doordat het niet meer rond rekent of zorgt voor eindeloze
discussies. Ik wil juist tempo. Daarom is het uitgangspunt dat gemeenten
niet meer dan twee derde betaalbaar programmeren en geen vaste
percentages per project of wijk hanteren. Ik kan met een
instructiebesluit overheden opdragen de eisen te laten vervallen. Bij
niet-tijdig uitvoeren van die opdracht kan ik ingrijpen met
interbestuurlijk toezicht.
De vraag van de SP over de boete sociale huur. Dit kabinet wil meer
betaalbaar bouwen voor lage inkomens en voor mensen met een
middeninkomen. De ervaring leert dat bij strengere eisen projecten
stilvallen doordat het niet meer rond rekent of zorgt voor eindeloze
discussies. Ik wil graag tempo. Daarom is het uitgangspunt dat gemeenten
niet meer dan twee derde betaalbaar programmeren en geen vaste
percentages per project of wijk hanteren. Via de realisatiestimulans
ontmoedig ik gemeenten met hoge betaalbaarheidseisen, tenzij deze eisen
echt nodig zijn om de regionale doelen te halen. In mijn bestuurlijke
overleggen zal ik dit aan de orde stellen. Ook zal ik dit benadrukken in
mijn brief aan alle gemeenteraden in het kader van de coalitievorming.
Waar nodig zal ik een-op-eengesprekken voeren. Ik kan met een
instructiebesluit overheden opdragen de eisen te laten vervallen. Bij
niet-tijdig uitvoeren van die opdracht kan ik ingrijpen met
interbestuurlijk toezicht.
Een vraag van de SGP over de kwaliteitseisen. Het is belangrijk dat we
woningen bouwen van goede kwaliteit. De kwaliteitseisen voor alle nieuw
te bouwen woningen zijn daarom uitputtend vastgelegd in het Besluit
bouwwerken leefomgeving. De kwaliteitseisen zijn van hoog niveau, dus
ook voor betaalbare woningen. De ervaring leert dat het mogelijk is om
kwalitatief goede betaalbare woningen te bouwen, bijvoorbeeld door
scherp te kijken naar lokale eisen zoals parkeren of door in te zetten
op industriƫle bouw om tijd en kosten te besparen.
Een vraag van de PVV over de instandhouding van betaalbare koop. Ik vind
het belangrijk dat we niet alleen betaalbaar bouwen, maar betaalbare
koopwoningen ook betaalbaar houden. Voor betaalbare koopwoningen is de
minimale instandhoudingstermijn ƩƩn jaar en de maximale
instandhoudingstermijn tien jaar. Dat is korter dan bij sociale
huurwoningen, omdat de beperking dat de eigenaar de woning niet mag
verkopen boven de bovengrens van een betaalbare woning, zwaar ingrijpt.
De instandhoudingstermijn voor een betaalbare koopwoning wijkt af van de
huurcategorieƫn in verband met de bescherming van het
eigendomsrecht.
Een vraag van de SP over het dalen van het aantal sociale huurwoningen.
We staan samen voor de taak om te zorgen voor voldoende woningen die
aansluiten bij het inkomen en de woonbehoeften van mensen. Dat betekent
dat we in dit wetsvoorstel sturen op twee derde betaalbaar bouwen,
waarvan 30% sociale huurwoningen. Dat zorgt voor meer aanbod voor mensen
met een laag inkomen en een middeninkomen. Dat we 30% sociaal bouwen is
ook zo met de gemeenten en de corporaties afgesproken in de Nationale
Prestatieafspraken. Daarin is geconstateerd dat het bouwen van 30%
sociale huurwoningen ertoe leidt dat de sociale huurvoorraad in absolute
zin verder zal groeien. Daarbij is ook rekening gehouden met sloop en
uitponden. Daar richt ik me op, niet op het aandeel sociale
huurwoningen.
Een vraag van de SP over het aandeel betaalbare woningen in de bestaande
voorraad. Dit wetsvoorstel is gericht op het toevoegen van meer
betaalbare woningen in absolute zin voor middeninkomens en lage
inkomens, niet op het aandeel betaalbare woningen en sociale huur in de
voorraad. Dat zorgt voor meer aanbod voor mensen met een laag inkomen en
middeninkomens. Dit wetsvoorstel en het besluit sturen op het toevoegen
van meer betaalbare woningen door de wettelijke opdracht om twee derde
betaalbare woningen en 30% sociale huur te programmeren. Dit is geregeld
in instructieregels aan gemeenten, provincies en het Rijk. Deze
doelstelling geldt op regionaal, provinciaal en nationaal niveau.
Een vraag van de ChristenUnie over de samenhang van het
investeringstekort van corporaties. In de Nationale Prestatieafspraken
hebben corporaties afspraken gemaakt over de grote en noodzakelijke
volkshuisvestelijke opgaven, zoals de nieuwbouw van sociale
huurwoningen. Uw Kamer is in januari geĆÆnformeerd over de voortgang van
die afspraken. Corporaties zijn goed op weg. Ze bouwen veel meer
woningen en het aantal woningen met een slecht energielabel is al bijna
gehalveerd. Tegelijkertijd weten we dat de Nationale Prestatieafspraken
financieel niet langer haalbaar zijn. Corporaties lenen geld om te
kunnen investeren en door rentestijging en gestegen onderhoudskosten
komt de sector tot 2034 ongeveer 19 miljard tekort. Het oplossen van het
tekort is daarmee ook een belangrijke voorwaarde voor dit wetsvoorstel.
Ik zal uw Kamer op een later moment informeren over de invulling van de
maatregelen in het coalitieakkoord en de gevolgen voor de financiƫle
haalbaarheid van de Nationale Prestatieafspraken.
Tot zover dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Er zijn behoorlijk wat vragen aangemeld. Als eerste Grinwis, dan De Hoop
en dan Nobel.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank aan de minister voor haar toezegging dat zij, zodra die
zesmaandenperiode voorbij is, niet zal talmen om het Rijk, maar bij
voorkeur de provincies, een instructie te geven. Zo heb ik haar
begrepen. De wet gaat in principe op 1 juli in, dus op 1 januari is het
halfjaar voorbij. Kan de toezegging afgemaakt worden met dat wij in het
eerste kwartaal van volgend jaar een brief krijgen over wat het
resultaat is, met daarin antwoord op de vragen: Zijn er daadwerkelijk
instructies gegeven? Zijn alle regio's er in die zes maanden uitgekomen?
Hoe zagen die instructies er dan uit?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat kan ik toezeggen.
De voorzitter:
Dan noteren we die. Dan ga ik naar De Hoop, GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ook van mijn kant dank voor de eerste beantwoording van de minister. Kan
de minister toelichten waarom het ministerie het in eerste instantie wel
belangrijk vond om de betaalbaarheidseisen gemeentelijk vast te leggen
en niet regionaal?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar kom ik in de tweede termijn op terug.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dat is prima, maar die betaalbaarheidseis is natuurlijk wel het
fundament van deze wet. Dat werd eerder al gemeentelijk vastgelegd. Ik
denk dat de reden daarvoor was dat men wilde dat het aantal sociale
huurwoningen ook daadwerkelijk op peil zou blijven, dat iedereen zijn
rol daarin nam en dat men daarbij een stok achter de deur wilde hebben,
of eigenlijk voor de deur in dit geval. Daar is nu twijfel over. Ik ben
dus toch wel benieuwd hoe de minister iets breder reflecteert op de
signalen van de VNG, het IPO en de Woonbond, die hier grote zorgen over
hebben. Wat vindt zij van die signalen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Uiteindelijk gaat het over flexibiliteit bij de gemeentes, die wij
hierin ook honoreren, maar ik kom er zo in de tweede termijn op terug
met een uitgebreider antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Is dat voldoende voor u, De Hoop?
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Kan de minister dan ook in haar beantwoording meenemen dat die
flexibiliteit er in principe nog was? Er was natuurlijk een doel voor
gemeenten, maar er was ook nog ruimte om af te wijken. Wat is dan nu het
verschil dat het zo belangrijk maakt om die wet op dit punt toch aan te
passen?
De voorzitter:
De minister komt daar dus op terug in de tweede termijn. Dan ga ik naar
Nobel en dan naar Flach.
De heer Nobel (VVD):
Voorzitter, dank. Laat ik vooropstellen dat ik denk dat het goed is dat
deze minister aangeeft dat zij ook het gevaar ziet van bovenwettelijke
eisen, bijvoorbeeld op het gebied van sociale huur, en dat zij met het
kabinet ook ziet dat de bouw daardoor kan stilvallen. Mijn vraag is de
volgende. Ik hoor de minister zeggen: ik kan ingrijpen middels een
instructiebesluit. Dat klinkt wat de VVD betreft nog niet daadkrachtig
genoeg. We weten namelijk dat dit in diverse steden gewoon de regel is.
Ik heb zojuist diverse voorbeelden aangehaald. Als de minister dus
aangeeft dat zij kƔn ingrijpen, is dat nog wat zwak. Ik hoop dat zij kan
toezeggen dat zij ook gƔƔt ingrijpen, zodat we die woningbouwprojecten
uiteindelijk, bijvoorbeeld ook in onze hoofdstad, van de grond
krijgen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Als ingrijpen past bij het in te zetten instrument en bij mijn rol en
als het aansluit bij de inrichting van de regionale verdeling, dan zal
ik ingrijpen als het nodig is. Ik heb in mijn introductietekst ook
gezegd dat ik daar niet voor zal weglopen, denk ik. Maar wat mij betreft
proberen we er eerst nog met elkaar uit te komen. We leven in een land
waarin momenteel iedereen iemand kent die op zoek is naar woonruimte. Ik
kan me dus bijna niet voorstellen dat het nodig is dat ik stevige taal
ga gebruiken, maar ik zal die gebruiken als dat nodig is om een
doorbraak te forceren om aan de woningen te komen die we in dit land nou
eenmaal heel hard nodig hebben.
De voorzitter:
Nobel, graag een korte vraag.
De heer Nobel (VVD):
Ja, een korte vraag. Regionaal wordt niet afgesproken wat ontwikkelaars
moeten bouwen. Dat doet de gemeente. Daarom haalde ik in mijn voorbeeld
de gemeente Amsterdam aan, want die vraagt structureel meer dan wat er
wettelijk is afgesproken. Vandaar mijn stellige vraag: gaat u daar dan
op ingrijpen? Zij verwijst nu terug naar de regio, maar ik hoop dat de
minister gewoon ook per gemeente gaat ingrijpen. Kan zij dat dan ook
toezeggen, dat ze dat per gemeente gaat doen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Als het debat gaat over of ik zal ingrijpen op het moment dat het echt
niet anders kan, omdat ik zie dat de woningopgave waarvoor we aan de lat
staan niet wordt gerealiseerd, dan zal ik dat doen. Tegelijkertijd
zeggen wij met deze wet: we gaan niet elke gemeente overal precies
numeriek op vastleggen; dat doen we in de regio. De ene gemeente zal dus
misschien iets meer doen en de andere gemeente zal misschien iets minder
doen. Nou, dan heb ik die gesprekken met het regionale niveau.
De voorzitter:
Nobel, kort.
De heer Nobel (VVD):
Ja, voorzitter. Dit is wel ingewikkeld in de praktijk. De minister heeft
namelijk uiteindelijk wel een regio waarin woningaantallen worden
gerealiseerd, maar het zijn specifieke gemeenten die eisen stellen. Als
gemeenten meer dan twee derde en meer dan 30% sociale huur als eis
stellen, verwacht de VVD gewoon dat deze minister ingrijpt, want dat
zijn bovenwettelijke eisen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De vraag of ik zal ingrijpen, kan ik altijd beantwoorden met: dat zal ik
doen als dat nodig is. Maar ik ga eerst proberen om er bestuurlijk met
elkaar uit te komen. Daar gaan we geen Poolse landdag van maken; daar
gaan we niet eindeloos over doen, maar als we met elkaar afspreken dat
ze in de regio de ruimte hebben om individuele verschillen te maken, zit
je misschien op een gegeven moment met z'n allen om de tafel. Maar ik ga
individuele gemeenten hier niet op sturen. Dat doe ik dan provinciaal,
met de gemeenten aan tafel.
De voorzitter:
Ik heb Flach en De Hoop staan. Heren, echt kort. Ook Grinwis nog. Echt
kort, want het is inmiddels al 18.10 uur.
De heer Flach (SGP):
Ja, dat zal ik doen, voorzitter. Ik heb antwoord gekregen op een vraag
die ik volgens mij niet heb gesteld. Dat ging over de kwaliteitsborging,
die vastgelegd zou zijn in het Bouwbesluit. Ik weet niet of dat de
reactie was op mijn zorgen over de vertragende werking van vergunningen
of dat die reactie komt in het blokje versnellen, het laatste blokje.
Dan zout ik die vraag op.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dit komt terug bij het mapje versnellen.
De voorzitter:
Helemaal goed. Dan ga ik naar De Hoop en dan Grinwis.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb eigenlijk meer een punt van orde, want ik vind het
voor het verdere debat belangrijk om een antwoord te hebben op de vraag
over de betaalbaarheidseisen. Ik heb daar immers ook vervolgvragen over
en ik zie de eindtijd. Als we daar pas in de tweede termijn antwoord op
krijgen, is dat wat ingewikkeld. Ik zou dus toch willen vragen of die
vraag ergens in de eerste termijn beantwoord kan worden. Anders kunnen
we misschien kort schorsen, maar ik wil het debat over die
betaalbaarheidseisen wel goed met de minister kunnen voeren.
De voorzitter:
Minister, is dat mogelijk?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
OkƩ, laten we dat proberen. Ik hecht er natuurlijk waarde aan dat
iedereen dit vanuit dezelfde informatiepositie kan volgen. Uit de
consultatie en de Kamerbehandeling kwamen twee boodschappen naar voren:
borg de doelen en zorg voor meer lokale ruimte. Om die reden is er in
het ontwerpbesluit voor gekozen niet iedere gemeente dezelfde opdracht
te geven. Daarom is het ontwerpbesluit op dit punt aangepast: borg de
doelen; meer lokale ruimte.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Helder. Ik vroeg ook nog om een reflectie van de minister op het
standpunt van de maatschappelijke organisaties. Die zit er deels in,
maar het IPO, de VNG en de Woonbond geven nog steeds aan dat zij dit het
liefst per gemeente vast zouden stellen. Daar heb ik, als dat mag,
meteen een vervolgvraag over: is de minister bereid om te onderzoeken of
het werkbaar is om die twee derde betaalbaar en 30% sociale huur per
gemeente als uitgangspunt voor de regio-onderhandelingen op te nemen in
het besluit?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar kan ik nu nog niet op vooruitlopen. Om terug te komen op uw eerdere
vraag over de VNG en het IPO: dat klopt en de marktpartijen willen weer
wat anders. Ik denk dat mijn belangrijkste punt is dat we deze opgave
niet van de wal af krijgen ā ik ga daar nog andere taal voor vinden als
ik wat langer in dit domein zit ā als we overeenstemming met iedereen
nastreven. Er moeten dus bepaalde keuzes gemaakt worden in wat je wel
volgt en wat je niet volgt. Voor mij is het allerbelangrijkste dat die
huizen er komen, niet alleen voor ƩƩn categorie maar voor allemaal, want
ik geloof dat dat de enige manier is waarop we dit kunnen oplossen. Ja,
dat moet samen met de VNG; die speelt daar een hele belangrijke rol in.
Ja, we moeten naar het IPO luisteren. Ja, we moeten naar de Woonbond
luisteren. Ja, we moeten luisteren naar de mensen die daadwerkelijk
moeten bouwen. We moeten naar de wooncoƶperaties luisteren. We moeten
naar iedereen luisteren en tegelijkertijd willen we parallel daaraan
tempo maken. We hebben het nu dus zo verwoord: we borgen het binnen de
gemeenten, maar er moet wel flexibiliteit zijn. Die flexibiliteit
regelen we door het regionaal te maken.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Afsluitend. Eigenlijk ben ik het heel erg eens met wat de minister zegt,
maar als je dat meeneemt, zou je dat toch juist per gemeente vast willen
leggen? De minister schetst namelijk dat ze geen Poolse landdag wil, met
zowel de marktpartijen als de maatschappelijke organisaties, maar dat we
dat nu toch een soort van regionaal organiseren. Terwijl, als je het
gemeentelijk vastlegt, dan doe je dat niet. Ik zou dus zeggen dat juist
dit antwoord van de minister bewijst waarom je het misschien
gemeentelijk vast zou moeten leggen. Is de minister dat met mij
eens?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee. Ik ben het eens met mezelf dat ik denk dat het een goed idee is om
eraan vast te houden de gemeenten een bepaalde flexibiliteit te geven.
We borgen dat wel met voldoende instrumenten, zodat we daarop kunnen
sturen en ik er desnoods zelf op kan sturen. We verankeren dat
regionaal. Er komt nog een invoeringstoets. Die kunnen we gebruiken om
met elkaar te evalueren of dit inderdaad een succesvolle route is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De minister heeft antwoord gegeven op mijn vraag hoe de Nationale
Prestatieafspraken en het tekort dat daarbij is opgetreden, zich
verhouden tot de uitvoering van de Wet versterking regie
volkshuisvesting. Is dat daarvoor niet randvoorwaardelijk? Mij is niet
helemaal helder hoe dit precies gaat interfereren in de praktijk. Stel
dat gemeenten vanaf 1 juli in regio's al dan niet enorm hard aan de slag
gaan om tot een bepaalde woningmix te komen, maar dat uit de sommen
blijkt dat woningcorporaties hun deel van de opgave niet helemaal kunnen
waarmaken in sommige regio's. Hoe gaat daar dan precies op geacteerd
worden? Of zegt de minister: ik ga er in de tussentijd alles aan doen om
de Nationale Prestatieafspraken volledig gefinancierd te krijgen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
In het coalitieakkoord worden een aantal maatregelen voorgesteld, zoals
het structureel verlagen van de vennootschapsbelasting met 325 miljoen
per jaar. Mijn voorlopige inschatting is dat het met dit pakket in
theorie mogelijk wordt het financiƫle tekort van de sector op te lossen.
Ik hou natuurlijk een slag om de arm, bijvoorbeeld omdat dit om een
grootschalige herverdeling tussen corporaties vraagt. Dat moet
vrijwillig gebeuren en zover zijn we nog niet.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord. De minister zegt dus het volgende. Aanvankelijk
bleek uit de sommen dat de helft van het tekort met het coalitieakkoord
ingelopen zou zijn. We hadden aanvankelijk 5 miljard over. Dat ging naar
een tekort van bijna 20 miljard en we hebben nu nog een tekort van 10
miljard, maar de minister zegt: ik heb er nog eens naar gekeken en ik
denk dat we het hele tekort van 20 miljard kunnen inlopen. Begrijp ik
dat goed? Kan ze dat verder uitwerken en onderbouwen, misschien niet
vanavond, maar richting een volgend debat?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zoals ik aangaf, hou ik een slag om de arm, maar op basis van deze
berekeningen en gesprekken met de corporaties wil ik gaan kijken hoever
we kunnen komen.
De voorzitter:
Toch ga ik even de kant kiezen van de heer Grinwis, omdat we hier vorige
week ook over gedebatteerd hebben. Kan de minister aan de heer Grinwis
toezeggen dat die berekeningen gedeeld kunnen worden? Daar kunt u zelf
een termijn aan koppelen. Ik denk namelijk dat dit een onderwerp is dat
anders in elk debat zal terugkeren.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Jazeker. Volgens mij heb ik de heer Grinwis in het vorige debat al een
brief toegezegd. We zullen ervoor zorgen dat het antwoord op deze vraag
daar nog nadrukkelijker in wordt verwoord.
De voorzitter:
Dat noteren we. Wilt u nog een keer interrumperen, meneer De Hoop?
Ja.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Toch even doorgaand op dit punt van de heer Grinwis: waar zit dan het
verschil? De minister gaf vorige week namelijk aan dat er nog een tekort
van 10 miljard was en dat wordt nu niet meer zo gezien vanuit het
ministerie. Dat is natuurlijk wel een heel groot verschil. Iets meer
toelichting zou dus fijn zijn.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Tussen wat ik vorige week heb gezegd en wat ik nu zeg, zit wat mij
betreft geen licht, hooguit wat betreft de manier waarop ik het zeg. Ik
hou een slag om de arm. Ik zeg alleen dat we moeten kijken hoe de
grootschalige herverdeling tussen corporaties plaatsvindt. Dat zijn de
gesprekken die we moeten voeren. Dat moet namelijk vrijwillig gebeuren.
Daar heb ik geen instrumenten voor. We moeten kijken hoe zij dat
instrument kunnen gebruiken om dat tekort dicht te lopen.
De voorzitter:
Ik zie dat er geen vragen meer zijn, dus u kunt door naar het tweede
blokje: bouwen voor middeninkomens.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kreeg een vraag van de VVD over betaalbare koop. Er is niet alleen
een groot tekort aan woningen voor mensen met een laag inkomen; ook veel
mensen met een middeninkomen willen graag een betaalbare woning,
bijvoorbeeld een betaalbare koopwoning. Dat is precies de reden waarom
het kabinet als doelstelling 25% betaalbare koopwoningen wil realiseren,
naast de doelstelling van 30% sociale huur. Bij de uitwerking om deze
doelstelling te realiseren zal ik goed kijken naar de uitvoerbaarheid in
de praktijk. Aandachtspunten zijn grote lokale verschillen, de benodigde
flexibiliteit en het voorkomen van de verdringing van de
middenhuurwoningen. Ik zal uw Kamer in ieder geval voor aanvang van het
meireces informeren over deze uitwerking.
Dan kom ik bij een vraag van de SGP over een wetswijziging ten aanzien
van betaalbare koop. Ik zie de doelstelling in het coalitieakkoord als
een continuering van de regeling voor betaalbaar bouwen die is
uitgewerkt in het ontwerpbesluit. Er is dus geen wijziging van de wet
nodig. Ik zal uw Kamer op korte termijn over de exacte uitwerking
informeren. Mijn voornemen is om dat voor het meireces te doen. Bij de
uitwerking kijk ik ook goed naar de uitvoerbaarheid in de praktijk en de
consistentie van beleid. Duidelijkheid hierover is ook van belang voor
de medeoverheden. Met het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen, de
Realisatiestimulans en de Woningbouwimpuls stimuleer ik de bouw van
betaalbare koopwoningen. In de praktijk worden er al betaalbare
koopwoningen gebouwd. WBI-projecten bevatten bijvoorbeeld gemiddeld 25%
betaalbare koop.
Tot slot heb ik de vraag van JA21 over het verdringen van de middenhuur.
Zowel mensen met een laag inkomen als mensen met een middeninkomen
belanden tussen wal en schip. Dat vind ik zorgelijk. Daarom voorziet het
ontwerpbesluit in de borging van de doelstelling van twee derde
betaalbaar bouwen voor lage inkomens en middeninkomens, waarvan 30%
sociaal op nationaal, provinciaal en regionaal niveau. Alle gemeenten
moeten bijdragen. Dat gebeurt nu niet overal. Ik stimuleer de bouw van
betaalbare woningen voor middeninkomens ook financieel. Ook maak ik de
middenhuur aantrekkelijker. Ik kom nog voor het meireces met de
uitwerking van de doelstelling in het coalitieakkoord om in de nieuwe
woondeals te streven naar 25% betaalbare koopwoningen.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk of er vragen zijn over dit blokje.
De heer Flach (SGP):
Wellicht kan er ook worden ingegaan op de schijnbare discrepantie in het
coalitieakkoord. Daarin lijkt te staan dat er meer gestuurd gaat worden
op die percentages. Tegelijkertijd staat er dat ontwikkelaars en andere
betrokkenen ook ruimte houden om mee te bewegen met vragen vanuit de
markt. Als je die passage een paar keer leest, lijkt het alsof je er
eigenlijk gewoon alle kanten mee op kunt. Dan lees ik in die brief ook
graag hoe scherp dat nou uiteindelijk bedoeld is en wordt
uitgewerkt.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben het eens met het punt dat dat op meerdere manieren te
interpreteren is. Ons eigen huiswerk daarbij is dat wij dat in de
beleidsbrief vertalen naar hoe wij dat zien. Dat is een proces dat nu
loopt.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb een vraag over de betaalbaarheidseisen voor alle regio's in
Nederland en over stimuleringsmaatregelen zoals de WBI. Een van de
problemen van gemeenten buiten de Randstad is dat de bouwkosten
eigenlijk net zo hoog zijn als in de Randstad, maar de opbrengsten een
stuk lager, waardoor zij rendementsverschillen krijgen ten opzichte van
de Randstad. Dat maakt het moeilijker voor hen om toegang te krijgen tot
ondersteuning van het Rijk, bijvoorbeeld via de WBI. Dat is natuurlijk
een gevolg van de betaalbaarheidseis die u overal op legt. Op welke
manier kunt u die gemeenten nog helpen als zij bouwkosten op hetzelfde
niveau als in de Randstad hebben, maar de rendementen vanwege de
inkomstenverschillen veel lager zijn?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Daar kom ik graag in tweede termijn even op terug.
De voorzitter:
Dan kunt u naar het blokje aandachtsgroepen, denk ik.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik kreeg van de SGP een vraag over dakloze gezinnen. Ik wil zeker geen
hoge drempels voor urgentiecategorieƫn. Niemand wil dat een kind op
straat slaapt; daar zijn we het met z'n allen over eens, denk ik. Het is
wel een randvoorwaarde dat de regeling voor gemeenten uitvoerbaar is.
Dat werk ik uit in een aangepaste regeling. Over deze inkadering heb ik
ook al overleg met de VNG gehad. Duidelijke voorwaarden zijn nodig om
ervoor te zorgen dat de regeling in alle gemeenten uniform wordt
toegepast en uitvoerbaar blijft. De regeling is tot 30 maart in
internetconsultatie. Daarna kan ik de definitieve regeling opstellen,
uiteraard rekening houdend met alle geluiden, en ook met dit geluid uit
de Kamer.
De vraag van JA21 over dakloze migranten. Die ging over het voorbeeld
van de aanpak in Rotterdam. Ik zie geen directe relatie tussen het
terugsturen van dakloze migranten en deze wet. Het terugsturen van
dakloze migranten ligt op het terrein van andere leden van het kabinet.
Het ligt vooral bij Asiel en Migratie en bij Sociale Zaken en
Werkgelegenheid.
De vraag van de SP over dakloosheid. Ik was vanmorgen in de noodopvang
in Delft. Daar heb ik gesproken met dakloze jongeren, zoals ik tegen u
zei. De gesprekken maakten indruk en ik wil me voor hen hard maken. Dat
is ook de reden waarom mensen die dakloos dreigen te worden, worden
aangemerkt als een aandachtsgroep. Dakloze mensen die in de
maatschappelijke opvang zitten en dakloze gezinnen met minderjarige
kinderen worden als urgent woningzoekend aangemerkt. Daarmee krijgen we
zicht op de opgave en worden dakloze mensen met urgentie gehuisvest,
want op het moment dat je een dak boven je hoofd hebt, komt je leven uit
de pauzestand. Ik begrijp dan ook de wens om zo veel mogelijk mensen met
voorrang te huisvesten. Tegelijk is het ook zo dat als iedereen urgent
is, uiteindelijk niemand urgent is. In de verdeling van schaarste is er
daarom voor gekozen om de meest kwetsbare mensen te beschermen en met
voorrang te huisvesten. In de wetgeving is naar een goeie balans
gezocht. Tegelijkertijd moet er ook ruimte zijn voor maatwerk. Het staat
gemeenten vrij om extra urgentiecategorieƫn toe te voegen aan de
regeling. Daarnaast werkt het kabinet aan het Nationaal Actieplan
Dakloosheid, waarmee we onder andere inzetten op het voorkomen van
dakloosheid. Ondertussen werken we aan het uitbreiden en het beter
benutten van de woningvoorraad zodat er ook voor dakloze mensen meer
woningen beschikbaar komen. Daarmee sta ik nog steeds voor de opgave dat
er in 2030 niemand dakloos is. De minister-president heeft gezegd dat
het een omissie is dat dakloosheid niet in het coalitieakkoord staat.
Het is urgent en we moeten het aanpakken.
De vraag van de ChristenUnie over de casus Mila. Zoals u weet, was ik
vanochtend in Delft bij de daklozenopvang. Daar hoorde ik dat het voor
deze groep heel moeilijk is om in aanmerking te komen voor urgentie. Dat
komt doordat gemeenten allerlei verwijtbaarheidseisen stellen. Dit
gebeurt zelfs in het geval van zwangerschap. Dat gaat veel te ver. Ik
zal dit nadrukkelijk en uitdrukkelijk bespreken met de VNG. De
ontwerpregeling is nu in consultatie. In de definitieve regeling zal ik
dit uiteraard meenemen.
Een vraag van de ChristenUnie over urgentie die geweigerd kan worden als
het huisvestingsprobleem binnen redelijke termijn door de persoon zelf
kan worden opgelost. Dit hangt erg af van de situatie van de
woningzoekende en van de lokale context. We kunnen dit niet van tevoren
volledig inkaderen. We willen namelijk dat de gemeente zelf de
gelegenheid heeft om te bepalen wat een redelijke termijn is. Om te
voorkomen dat dit toch tot willekeur leidt, zal ik in de toelichting van
de regeling voorbeelden gaan opnemen. Ook bij de implementatie van de
wetgeving zal ik met de VNG overleggen hoe gemeenten hier invulling aan
kunnen geven, bijvoorbeeld door middel van een handreiking en de
concept-modelhuisvestingsverordening.
Dan de vraag van de ChristenUnie over de bindingseis. In de regeling
wordt nader bepaald wanneer een woningzoekende maatschappelijke en
economische binding heeft met een woningmarktregio en in die regio in
aanmerking komt voor urgentie. Dat is bijvoorbeeld zo wanneer iemand
drie jaar onafgebroken ingezetene in de woningmarktregio is. De regeling
is zo opgesteld dat urgent woningzoekenden niet tussen wal en schip
vallen. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten naar elkaar gaan wijzen
voor huisvesting. Uitgangspunt is namelijk dat alle regio's hieraan hun
steentje bijdragen.
Dan de vraag van de VVD en JA21 over het verbod op voorrang voor
statushouders, en over wanneer er voldoende alternatieven zijn. De
voorrang die statushouders in de praktijk vaak krijgen, knelt, en het
kabinet wil hier iets aan doen. In het coalitieakkoord hebben we
afgesproken om hier via drie routes aan te werken: minder instroom, meer
nieuwbouw en alternatieve huisvesting tussen COA-locaties en een
reguliere woning. Ik ga daarom vol aan de slag met het bouwen van
alternatieve huisvesting voor statushouders, OekraĆÆense ontheemden en
andere mensen die met spoed woonruimte zoeken. Ik zal daarbij ook kijken
hoe groot die opgave is en wanneer dat in voldoende mate beschikbaar is.
Als die alternatieven er voldoende zijn, is voorrang wettelijk niet meer
mogelijk.
Zoals ik woensdag in het commissiedebat al aangaf, stuur ik voor 24
maart een brief naar uw Kamer over hoe ik met het wetsvoorstel verbod op
voorrang van mijn voorganger om wil gaan in lijn met de afspraken in het
coalitieakkoord. Ik ga in die brief ook in op het bindende convenant
over het snel ontwikkelen van flexibele locaties. Gunt u mij alstublieft
even de tijd om dat goed op papier te kunnen zetten. Het amendement dat
bij de wetsbehandeling van de Wet regie is aangenomen staat hier wat mij
betreft los van. Het gaat veel verder dan het wetsvoorstel verbod op
voorrang dat nu bij de Kamer ligt. Dit is overduidelijk in strijd met
het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. De novelle schrapt
daarom het geamendeerde onderdeel.
Een vraag van de SGP over de leeftijdsgrens van starters. Ik wijs met
het wetsvoorstel een aantal aandachtsgroepen aan van wie de woonbehoefte
of de huisvesting bijzondere aandacht nodig heeft. Gemeenten en
provincies besteden hier in hun volkshuisvestingsprogramma's aandacht
aan. Niet alle starters bevinden zich in een kwetsbare positie. Daarom
is ervoor gekozen om de definitie van "starter" af te bakenen als
"vallend in de leeftijd van 18 tot 30 jaar, die voor het eerst in een
zelfstandige woning willen wonen of al een zelfstandige woning huren met
een tijdelijk huurcontract". In het ontwerpbesluit is de
leeftijdscategorie vooralsnog tussen de 18 en 30 jaar gezet, ook gelet
op de uitvoeringslast die dit van gemeenten en provincies vergt.
Ik begrijp echter de vraag van de heer Flach goed om ook starters in de
leeftijdscategorie tot 35 jaar te kunnen kwalificeren als starter. Ik
ben dan ook bereid om nog eens goed te kijken naar de uitbreiding van
die leeftijdscategorie. Wat ik daarbij in overweging neem is dat de
uitvoeringslast voor gemeenten niet te groot moet worden.
Een vraag van de SGP over jongerenwoningen en starters. Het lijkt er
inderdaad op dat deze groep in het ontwerpbesluit niet onder de
definitie van starter valt. Het ontwerpbesluit is op dit moment bij uw
Kamer in voorhang. Ik heb er nog een keer goed naar gekeken en hier
lijkt inderdaad sprake van een omissie. Ik zal deze groep toevoegen als
blijkt dat ze onterecht buiten de definitie vallen.
De voorzitter:
Er zijn vragen aangemeld van Grinwis, Nobel, De Hoop en de heer
Clemminck. Ik begin met Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Een korte vraag. Dank voor de welwillende antwoorden van de minister op
mijn vragen en zorgen rondom de criteria voor de uitwerking van mijn
amendement. Ik hoorde de minister verschillende keren zeggen dat ze in
overleg gaat met de VNG, voordat ze de regeling definitief maakt en de
consultatiereacties verwerkt. De VNG is best een respectabele club en
daar wil ik niks negatiefs over zeggen, maar tegelijkertijd heeft zij
een vrij bestuurlijk perspectief op de werkelijkheid. Is de minister
bereid om ook de belangenbehartigers van daklozen te betrekken bij dit
gesprek, voordat ze de regeling definitief maakt? Ik heb het dan
bijvoorbeeld over Dakloosheid Voorbij, Valente en het Leger des
Heils.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, dat kan ik toezeggen.
De voorzitter:
Perfect. Dan noteren we die ook gewoon als "voorafgaand aan de
uitwerking". Dan ga ik naar Nobel, VVD.
De heer Nobel (VVD):
In de eerste termijn gaf ik aan dat het voor de VVD eigenlijk niet meer
uit te leggen is dat jongeren zo lang bij hun ouders op de zolderkamer
moeten wonen. Daarom vroeg ik hoe snel de minister stappen kan zetten
bij de alternatieve huisvesting. Ik begrijp dat de minister aangeeft dat
ze nog met een brief komt, maar tegelijkertijd zijn er al tal van
voorbeelden, ook gewoon in Nederland, van gemeenten die die alternatieve
huisvesting wel op orde hebben. Dus ik ben wel benieuwd hoe de minister
daar dan naar kijkt. Verder ben ik benieuwd te horen wat "voldoende
alternatieve huisvesting" inhoudt. Op die vraag heeft de minister geen
concreet antwoord gegeven.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben op de hoogte van goede voorbeelden. De vraag is of we ze kunnen
opschalen naar de aantallen die we hier uiteindelijk voor nodig hebben.
Dat weet ik op dit moment nog niet, maar daar kom ik wel op terug.
De voorzitter:
Is dat afdoende, Nobel, VVD?
De heer Nobel (VVD):
Nou, nee, want het zegt niets over wat de minister als voldoende ziet.
Ik ga ervan uit dat de minister daar toch wel een beeld bij heeft. De
stappen die ze daarvoor moet zetten, is een tweede.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik zal de hele omvang in kaart moeten brengen, want het gaat niet alleen
over ƩƩn doelgroep. Het gaat over meerdere doelgroepen. We hebben de
ontheemden uit OekraĆÆne, we hebben de statushouders en er zijn nog
andere groepen die ook nog onderdak in Nederland nodig hebben. Ik moet
dat allemaal bij elkaar eerst nog in beeld brengen.
De voorzitter:
Ik probeer te helpen: misschien kan dit worden meegenomen in de brief
die is toegezegd voor vóór 26 maart.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee, voorzitter, dat is echt te snel. Het kan voor de zomer.
De voorzitter:
OkƩ, we noteren dit in ieder geval als een toezegging aan de heer Nobel
voor vóór de zomer. Ik zie dat de heer Nobel nog een vraag heeft.
De heer Nobel (VVD):
Ik begrijp het goed. Ik ga dus ook proberen om de minister een handje te
helpen. U noemt ook een aantal andere groepen, maar mijn vraag richt
zich specifiek op statushouders. U haalt er een aantal andere groepen
bij, bijvoorbeeld ontheemden en de OekraĆÆners. Als ik u sec vraag om te
kijken naar de statushouders, heeft u dan wƩl in beeld wanneer die
alternatieve huisvesting voldoende zou zijn?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp de vraag. Ik begrijp ook de behoefte aan een beter antwoord
op deze vraag, maar ik kan u geen antwoord geven dat ik niet heb. Het
enige wat ik kan doen, is dus wat ik net zei: voor de zomer kom ik met
meer duidelijkheid hierover.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik heb twee korte vragen op dit punt. Allereerst zei de minister best
wel duidelijk dat de Raad van State veel harder oordeelde over het
amendement-Mooiman dan over het wetsvoorstel van de minister: dat
amendement was op dat punt discriminerend. Maar in het advies dat de
minister kreeg, staat ook dat als een groep zich niet in een gelijke
positie bevindt en de voorrang wordt ingetrokken, dit leidt tot
ongelijke behandeling. Het advies op dat punt is dus precies hetzelfde
als bij het amendement-Mooiman. Wat is daar anders in op dat
discriminerende punt, waarvan de minister schetste dat daar een groot
verschil in zat?
De voorzitter:
Helder.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het amendement zorgt ervoor dat alle vreemdelingen in Nederland, dus
niet alleen statushouders, in geen enkel geval voorrang kunnen krijgen,
ook niet wanneer iemand om een medische reden dringend woonruimte nodig
heeft of vanwege sloop of renovatie zijn of haar woning moet verlaten.
Het verbod op voorrang regelt een verbod enkel op basis van het feit dat
zij statushouders zijn.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Helder. Tegelijkertijd was het citaat dat ik aanhaalde een citaat uit
het advies over de wet van de minister en niet over het amendement van
Mooiman. Ik heb een vervolgvraag, want de minister gaf aan dat ze met
een brief komt, maar daarbij schetste ze wel dat ze dit wetsvoorstel in
lijn met het coalitieakkoord verder zou brengen. Ik snap dat de minister
niet in detail vooruit kan lopen op de brief, maar heb ik goed begrepen
dat deze D66-minister het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang voor
statushouders wel verder zal brengen in lijn met het
coalitieakkoord?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zoals ik vorige week al zei: ik wil dit ordentelijk en zorgvuldig doen
en ik kom met een brief voor 24 maart.
De voorzitter:
Heel kort, De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp dat de minister dit ordentelijk wil doen en ik begrijp dat ze
dat in een brief wil doen, maar ik zeg heel eerlijk dat de minister mij
niet wijs kan maken dat zij nog niet weet of zij dit wetsvoorstel wel of
niet verder gaat brengen. Daar wil ik dus wel graag een antwoord
op.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ga niet vooruitlopen op de brief die ik de 24ste al ga sturen.
De voorzitter:
Helder. Ik ga zo verder met de interrupties, maar ik moet er wel op
wijzen dat als we een tweede termijn willen doen, we eigenlijk nu al
begonnen hadden moeten zijn, want de eindtijd voor dit debat is 19.00
uur. Dat is puur om u wat druk op te leggen, zodat u korte vragen gaat
stellen. Clemminck is eerst en dan Mooiman.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb twee vragen, want de minister ging in op twee vragen die ik heb
gesteld. De eerste vraag gaat over dakloosheid. Als de minister zegt dat
dakloosheid geen betrekking heeft op dit wetsvoorstel, kan ik daarin
meevoelen. Aan de andere kant gaat het hier wel over het verklaren van
een extra urgentiegroep. Daarmee is het dus ook van belang dat je de
schaarste weer probeert te verdelen. Dan is mijn vraag volgens mij wel
relevant, want het is ook zo dat die urgentiegroep minder groot wordt.
Ik zou de minister dus willen vragen om toch te reflecteren op de pilot
in Rotterdam. Dat hoeft natuurlijk niet nu; dat kan ook op een later
moment.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dakloze migranten komen niet in aanmerking voor een status. Daarom
probeer ik aan te geven dat dit niet mijn dossier is. Zolang ze geen
status hebben, hebben ze ook geen recht om in een aandachtsgroep of een
urgente groep te vallen.
De voorzitter:
Is dat voldoende voor u, meneer Clemminck?
De heer Clemminck (JA21):
Ja, en toch gaat het over dezelfde schaarse verdeling en dezelfde druk
op de samenleving. Als dit het antwoord van de minister is, dan doe ik
het ermee. Ik kan altijd nog een motie indienen.
De voorzitter:
Helder. Ik ga naar Mooiman. O, u wilt nog een vraag stellen, meneer
Clemminck. Dat is helemaal goed.
De heer Clemminck (JA21):
Ja, excuus, voorzitter. De minister gaf antwoord op dit deel van mijn
vraag. Ik had nog een andere vraag. Die ging over de statushouders. Ik
had eigenlijk twee vragen aan de minister gesteld. Een daarvan is nog
niet beantwoord. Die vroeg meer om een persoonlijke reflectie van de
minister over wat zij nou eigenlijk vindt van het feit dat statushouders
voorrang hebben.
Wat betreft de aangekondigde brief die op 24 maart moet komen, zou ik
aan de minister willen meegeven dat ik er op z'n minst van uitga dat zij
parallel gaat plannen, niet wacht tot ze alles inzichtelijk heeft wat
betreft de doorstroomlocaties en niet wacht met het indienen van de wet
tot het moment dat de doorstroomlocaties gerealiseerd zijn. Zij kan de
wet gewoon alvast in procedure brengen. Er zit gewoon een
opschortingstermijn van ƩƩn jaar in.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Er wordt altijd parallel gepland. Ik ken geen operatie die je runt
terwijl je niet parallel plant, dus daar kan ik u in
geruststellen.
Wat betreft mijn persoonlijke opvatting over statushouders: zodra ze
door de procedure zijn gekomen en die mensen de status van een
statushouder hebben gekregen, hebben ze recht op een huis en een thuis.
Dat is mijn persoonlijke opvatting over statushouders.
De voorzitter:
Kort, alstublieft.
De heer Clemminck (JA21):
Ik had de minister niet gevraagd om op dat deel te reflecteren. Ik had
de minister gevraagd om te reflecteren op de situatie waarin een jonge
bewoner in een dorp ergens in Nederland jarenlang op een wachtlijst
staat en links ingehaald wordt door een statushouder, en op de vraag hoe
dat zich verhoudt met het rechtvaardigheidsgevoel van veel Nederlanders.
Dat was de vraag die ik had gesteld.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Vandaag en in de afgelopen debatten probeerde ik over te brengen dat het
probleem waar we met z'n allen naar kijken inmiddels zo groot en zo
omvangrijk is en over zo veel groepen mensen gaat. Daarbij is het
eigenlijk al erg dat we het überhaupt over groepen mensen hebben. Ik
denk dat we dat zijn gaan doen om het probleem voor onszelf wat beter te
kunnen definiƫren. Het is een enorm dilemma. Elk individu in deze
gedefinieerde groepen heeft recht op een dak boven zijn of haar hoofd.
Leef ik mee met de studenten? Ja. Leef ik mee met de instromers die niet
kunnen instromen? Ja. Leef ik mee met de oudere mensen die hun grote
huis niet uit kunnen en niet naar een kleiner huis met zorg kunnen? Ja.
Leef ik mee met statushouders die ergens wonen? Ja. Leef ik mee met al
die categorieƫn die je daartussen nog kan verzinnen? Ja. Ik leef met
iedereen mee. Dat is waarom ik ja heb gezegd tegen deze post en waarom
ik samen met u graag met tempo oplossingen wil vinden voor dit enorme
probleem.
De voorzitter:
Nog ƩƩn keer, meneer Clemminck. Het moet wel kort.
De heer Clemminck (JA21):
Sorry, hoor. Als dit, een ijskoud betoog over dat alles belangrijk is en
iedereen het beste van de wereld nodig heeft, het antwoord van de
minister is naar al die Nederlanders die onterecht worden ingehaald door
statushouders, dan ben ik echt bang dat de empathie van deze minister
wat betreft hetgeen zich nu afspeelt in Nederland ver te zoeken is. Dat
belooft niet veel goeds wat betreft haar voortvarendheid en haar
intrinsieke motivatie om dit onrecht ongedaan te maken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voor het eerst in mijn leven hoor ik dat ik onvoldoende empathie heb. Ik
laat die woorden bij de spreker.
De voorzitter:
Helemaal goed. Ik ga naar de heer Mooiman van de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Mijn punt is inderdaad meer procedureel. Ik vind het toch wel heel
lastig worden dat we het inmiddels hebben over twee verschillende
brieven ten aanzien van het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang
voor statushouders. EƩn brief gaat over cijfers die we eventueel zouden
krijgen. Een andere brief moet dan voor 24 maart getimed worden. Ik
vraag me dan toch af waarom dit nou zo is. Waarom is er tot 24 maart
nodig? Ik vind dat vreemd. De Kamer probeert er al twee weken lang
achter te komen wat deze minister gaat doen met het wetsvoorstel voor
het verbod op voorrang voor statushouders. Ik vind het eigenlijk niet
meer dan normaal dat de Kamer daar gewoon een antwoord op gaat
krijgen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
U heeft recht op een antwoord en dat krijgt u aanstaande dinsdag.
De heer Mooiman (PVV):
Ik heb natuurlijk meerdere dingen gevraagd. Ik heb ook gevraagd waarom
dat nou tot 24 maart moet wachten; we weten nu inderdaad dat het
aanstaande dinsdag wordt. Ik begrijp niet hoe deze minister niet zelf al
kan weten wat zij met dat wetsvoorstel van plan is. Ik kan me niet
voorstellen dat zij pas deze week met haar ambtenaren en alle
betrokkenen gaat praten en gaat zeggen of ze het al dan niet intrekt.
Wat zit daar nou achter? Waarom moet dat tot 24 maart duren?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zoals ik al meerdere malen heb gezegd: ik wil niet over ƩƩn nacht ijs
gaan. Ik wil dit zorgvuldig uitlopen. Dinsdag is al heel snel.
De voorzitter:
Meneer Clemminck, ik heb u al ruim de gelegenheid gegeven.
De heer Clemminck (JA21):
Excuus, voorzitter, maar ik vind het wel ingewikkeld als de brief op de
24ste komt, terwijl wij die dag volgens mij nog steeds een schriftelijk
overleg over dit onderwerp hebben staan.
De voorzitter:
Anders kunnen we alle procedurele vragen natuurlijk in de
procedurevergadering behandelen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan ontvangt u de brief de 23ste.
De voorzitter:
Helder. Ik zie dat de minister verder kan met het blokje
versnellen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan ga ik door met het mapje versnellen.
Er was een vraag van de VVD over fatale termijnen voor projecten van 500
woningen of meer. Dit heeft helaas geen toegevoegde waarde, omdat de
verlening van de omgevingsvergunning voor technisch bouwen zelden het
probleem is bij de realisatie van woningbouwprojecten. Sterker nog, uit
de uitvoeringstoets blijkt dat het verschuiven van het bevoegd gezag
naar het Rijk grote organisatorische en financiƫle gevolgen voor het
Rijk en voor gemeenten heeft. De omvang van het woningbouwproject maakt
dit niet anders. Ik zorg wel op een andere manier voor versnelling,
namelijk door samenwerking met de markt aan de versnellingstafels,
versterkte uitvoeringskracht en het versnellen van de beroepsprocedure.
Als grote projecten vastlopen, zal ik eerst gezamenlijk zoeken naar een
oplossing als onderdeel van de doorbraakaanpak, zoals bij
Haarlemmermeer-West. Zo houden we het tempo erin.
Dan een vraag van de SGP over de noodzaak van het versnellen van
vergunningsverlening. Ik ben het met u eens dat vergunningsverlening
niet de vertragende factor zou moeten zijn bij de realisatie van
woningbouwprojecten. De opdracht in het coalitieakkoord is om afspraken
te maken met gemeenten om de capaciteit voor vergunningsverlening en
parallel plannen op te schalen. Ik werk daarom momenteel samen met het
IPO en de VNG aan een interbestuurlijk programma om de capaciteit en
kennis bij de medeoverheden te versterken. We versnellen ook op andere
manieren, namelijk door op lokaal niveau knelpunten op te lossen, door
versterking van de uitvoeringskracht en door versnelling van beroep bij
de rechter. We hebben in het coalitieakkoord ook afgesproken dat het
kabinet jaarlijks met een vereenvoudigingswet komt om wetten en regels
continu te vereenvoudigen en te verbeteren. De eerste wet wordt in 2027
van kracht. Ook de uitvoering van STOER moet zorgen voor meer, goedkoper
en sneller bouwen. Voor de zomer zal ik u hierover een voortgangsbrief
sturen.
Dan een vraag van de SGP over het verbod op onderling beroep voor
gemeenten. Het amendement beperkt zelf al de reikwijdte van het verbod;
dat is alleen van toepassing op aangewezen besluiten over woningbouw. Er
resteert dan ook geen ruimte om de regeling in juridische zin beperkter
in te voeren. Mij is bekend dat de VNG deze regeling ziet als een
ontoelaatbare inbreuk op het recht op toegang tot de rechter. Ik vind
dat verschillen van inzicht tussen gemeenten bij voorkeur bestuurlijk
moeten worden opgelost, met samenwerken en niet met procederen. Dit
sluit aan bij de Omgevingswet, waarin bepalingen staan over bestuurlijk
overleg en samenwerking tussen overheden.
Tot slot de vraag van het CDA over parallel plannen. De planfase van
woningbouw kost gemiddeld zes jaar. Die kan en moet korter om sneller
het woningtekort aan te pakken. Parallel plannen betekent dat diverse
zaken van het planproces gelijktijdig en samenhangend worden uitgevoerd.
Iedereen kan hier vandaag nog mee beginnen. Ik zet dan ook stevig in op
een expertpool van opgeleide onafhankelijke procesbegeleiders, die
direct zichtbaar zijn. Ik zet samen met de VNG en Platfom31 een
expertisecentrum op om kennis te bundelen en te verspreiden. In
financiƫle regelingen is vastgelegd dat parallel plannen de norm moet
zijn. Op basis van de pilots is er een handreiking uitgebracht met
lessen en een concreet stappenplan. Zo zetten we met elkaar de stap naar
parallel plannen als de nieuwe norm.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn vragen aangemeld door Nobel, Steen en Flach.
De heer Nobel (VVD):
Allereerst fijn om te horen dat deze minister werk wil maken van het
schrappen van regels of daar waar mogelijk te uniformeren om zo de bouw
te versnellen. Dat is hartstikke goed. Tegelijkertijd verloopt het
vergunningverleningsproces niet in alle gemeenten altijd even soepel,
komt de fatale termijn op een gegeven moment toch in zicht en blijven
woningbouwprojecten liggen. Ik begrijp het goed als de minister zegt dat
zij niet elk woningbouwproject van een gemeente op haar bureau wil
krijgen, dat zij die enkele woning die aan de dijk wordt gebouwd niet op
haar bureau wil zien. Daarom vroeg ik specifiek of de minister iets kan
zeggen over grootschalige woningbouwprojecten die de fatale termijn
overschrijden. Ik noemde ter illustratie 500 woningen of meer. Daar zie
ik mogelijk meerwaarde voor de minister, gelet op haar
bevoegdheid.
De voorzitter:
Minister, grote projecten.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Bij grootschalige projecten kijk ik sowieso mee. Dat laten we niet bij
de gemeenten alleen. Ik heb nog het instrument van de instructie om
knopen door te hakken als we zien dat projecten vastlopen.
Mevrouw Steen (CDA):
De minister noemde net in haar beantwoording de versnellingstafels als
instrument om procedures te versnellen. Dat vind ik een heel mooi
instrument. Ik hoor terug dat de versnellingstafels in de verschillende
regio's allemaal op een andere manier werken, de ene beter dan de
andere. Ook verschilt het wie er aan tafel zitten. Zit de vraagkant aan
tafel? Zit de overheid aan tafel? Wie zitten er allemaal aan tafel? Hoe
een en ander verloopt, verschilt ook. Ik weet dat er gewerkt wordt aan
een monitor, maar ook dat lijkt nog niet al te snel te gaan. Kan de
minister mij daarover iets vertellen? Wanneer is die monitor klaar?
Wanneer krijgt de Kamer daar iets van te zien?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik ben het met u eens dat verschillen niet per se erg zijn, als ze
uiteindelijk maar wel tot iets leiden. Dan gaat het om de inrichting van
de tafel, maar ook om de inhoud. Ik begrijp uw vraag over de monitor
goed. Met die monitor kunnen we immers gaan sturen. Rond de zomer moeten
we daar een beeld van hebben. Dan kunnen we de Kamer ook
informeren.
Mevrouw Steen (CDA):
Mogen we dan voor de zomer een terugkoppeling aan de Kamer
verwachten?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Na de zomer is realistischer, omdat we dan ook iets hebben om naar te
kijken.
De voorzitter:
Bent u daar gelukkig mee, mevrouw Steen?
Mevrouw Steen (CDA):
"Na de zomer" kan ook 2027 zijn. Ik zou zeggen, laten we er september
van maken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
September is akkoord. Van dit jaar.
De voorzitter:
Meneer Flach, kunt u het ook zo kort en bondig als mevrouw Steen?
De heer Flach (SGP):
Dat ga ik zeker proberen. Ik heb wel twee punten. Het eerste gaat over
het inperken van de rechten van gemeenten om bezwaar te maken bij de
buren. Je zult maar na veel jaren vijven en zessen een kerncentrale
gepland hebben en dan komt er 100 meter verder, over de gemeentegrens,
een woonwijk. Dan wil je wel kunnen ingrijpen. Dat is een heel extreem
voorbeeld. De VNG gaf aan dat dit wordt gezien als een inperking van de
rechten van gemeenten. Is de minister bereid om te kijken of er toch
iets gedaan kan worden om de gang naar de rechter ook voor gemeenten
mogelijk te maken?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Het aangenomen amendement dat beroep tussen gemeenten belet, sluit
daarbij aan. Waar een gemeente te weinig rekening heeft gehouden met
belangen van de buurgemeente, kan de provincie bemiddelen en desnoods
ingrijpen met een instructie. Als dat niet voldoende is, komt men bij
mij uit.
De heer Flach (SGP):
Dan is dat voldoende voor dit punt. Het andere punt betreft de
vergunningverlening. Het antwoord van de minister snap ik. Mijn vraag
was nog iets breder. Het zit namelijk niet alleen op capaciteit, het zit
ook op het toevoegen van allerlei lokale koppen op vergunningen en
regels. Mijn vraag was of de minister kan toezeggen dat ze in kaart
brengt waar de grote obstakels zitten. Ik hoor daar namelijk heel veel
klachten over.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja.
De voorzitter:
Kijk! Dat ging bijna net zo concreet als bij mevrouw Steen. Dan kan de
minister naar het blok overig.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan begin ik met de vraag van JA21 over de taskforce. Ik ben dol op het
woord "taskforces", want dat is een beetje de rode draad door mijn
loopbaan heen. Ik was dus juist heel blij dat ik bij een nieuw
departement kwam waarvan ik dacht dat ik alle taal moest leren, maar dat
dit woord gewoon weer terugkwam. Hier is een taskforce een ministeriƫle
commissie; dat klinkt al ietsje minder powerful dan ik taskforces ken,
maar we gaan daar met veel power in zitten. We bundelen de krachten in
het kabinet om tot doorbraken te komen. Dat gaat integraal en daar
hebben we verschillende bewindspersonen voor nodig. De taskforce heeft
de opdracht gekregen om versneld 100.000 woningen per jaar te bouwen.
Ten opzichte van het regeerakkoord is er een duidelijke focus
aangebracht op drie blokken: het blok bouwen, bouwen, bouwen, het blok
van een overheid die helpt en niet in de weg zit, en het blok van
schrappen, versoepelen en versimpelen.
Binnen zes maanden zal de taskforce een integraal programma voor het
versnellen van de woningbouw opleveren, met concrete voorstellen, acties
en afspraken. Dit programma zal in samenwerking en afstemming worden
gemaakt met relevante partners, zoals medeoverheden, marktpartijen en
corporaties. De kracht van de taskforce is dat er een duidelijke focus
is en er een opdracht ligt bij de bewindspersonen die nodig zijn om
doorbraken te creƫren voor de versnelling van de woningbouw. Ik zal de
Kamer regulier op de hoogte houden van de voortgang van deze
taskforce.
Dan kom ik bij de vraag van de VVD over de woonlasten door de ozb. Het
vaststellen van de onroerendezaakbelasting is een taak en
verantwoordelijkheid van de betreffende gemeente. Hier ga ik niet over.
Op dit moment neem ik geen maatregelen om een eventuele stijging te
compenseren. Bij de berekening van de maximale hypotheek wordt namelijk
rekening gehouden met de lasten die woningeigenaren krijgen, zoals
onderhoud en de ozb. Woningeigenaren zijn gemiddeld en in vergelijking
met huurders in de sociale en vrije sector relatief het minste kwijt aan
hun woonlasten.
Dan kom ik bij de vraag van de VVD over doorstroming. Ik stimuleer
gemeenten en corporaties om in te zetten op doorstroming door middel van
bijvoorbeeld verhuiscoaches en doorstroommakelaars. Dat doe ik via de
Wet regie door hier in de volkshuisvestingsprogramma's aandacht voor te
vragen. Ook kijk ik naar de mogelijkheden voor een doorstroombank of
doorstroomhypotheek, om doorstroming ook financieel mogelijk en
aantrekkelijk te maken. Ik zal u voor de zomer verder informeren over
mijn aanpak om doorstroom te stimuleren.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Mooiman. De wet vraagt gemeenten een
volkshuisvestingsprogramma op te stellen. Hiervoor is goede en
betrouwbare data nodig. Gemeenten en provincies baseren zich bij het
opstellen van hun programma op het door mij opgestelde overzicht van
gegevens- en databronnen, dat ik periodiek beschikbaar stel. Dit
overzicht is minimaal op woondealregioniveau of, indien beschikbaar, op
gemeenteniveau. Het is aan de gemeenten zelf om te beslissen of zij
cijfers uitsplitsen en gebruiken tot op wijk- of buurtniveau. Met de
term "regio" wordt inderdaad de woondealregio bedoeld.
Een aanvullende vraag van de PVV ging over de financiƫle gevolgen. De
Financiƫle-verhoudingswet regelt dat de financiƫle gevolgen bij een
nieuw wetsvoorstel in kaart worden gebracht voor gemeenten en
provincies. Dit onderzoek, een zogeheten artikel 2-onderzoek, is gedaan.
Daarna hebben er echter wijzigingen plaatsgevonden. Die vergen dus
aanvullend artikel 2-onderzoek. Ik ben met medeoverheden in overleg over
de reikwijdte daarvan. Het gebeurt dus.
Dan kom ik bij een vraag van het CDA: hoe gaan we volgen of de verruimde
termijnen daadwerkelijk bijdragen? BNR rapporteerde begin deze maand dat
er een grote stijging is van het aantal voorkeursrechten dat wordt
gevestigd. Het instrument wordt goed gebruikt. Met de novelle wordt de
effectieve inzet van het voorkeursrecht bovendien vergroot. Daarnaast
ben ik bezig met de inrichting van een grondfaciliteit. Deze
grondfaciliteit gaat gemeenten ook helpen om eerder en effectiever grip
te krijgen op grondposities. Hierover is uw Kamer in juli 2025
geĆÆnformeerd. Het streven is om deze faciliteit in 2026 operationeel te
hebben, zodat gemeenten hier in 2027 een beroep op kunnen doen.
Dan kom ik bij de vraag van het CDA over de verruimde termijnen. BNR
rapporteerde begin deze maand dat er een grote stijging is van het
aantal voorkeursrechten dat ... Dit is hetzelfde antwoord, of
niet?
Dan heb ik hier nog een vraag van het CDA over de grondfaciliteit. In
juli '25 is een brief aan uw Kamer verzonden over maatregelen ter
ondersteuning van gemeenten in het voeren van grondbeleid voor
woningbouw. Ik vergat te drinken; dat is bijna nog belangrijker dan een
woning! Maar in die brief is uw Kamer ook geĆÆnformeerd over de
verkenning die is uitgevoerd naar de mogelijke inrichting van deze
grondfaciliteit. Voor de grondfaciliteit is reeds 390 miljoen
gereserveerd voor de jaren 2026-2029. De regeling hiervoor wordt op dit
moment verder uitgewerkt. Het streven is om deze in '26 operationeel te
hebben, zodat gemeenten hier in 2027 een beroep op kunnen doen.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat ik ga kijken of er nog vragen zijn, krijg ik te
horen dat wij, aangezien de eindtijd 19.00 uur is, gaan stoppen. Nee
hoor, maar we moeten officieel besluiten dat we doorgaan. Ik hoop wel
dat we een vrij snelle tweede termijn kunnen doen, maar we gaan dit
debat dus vervolgen. We maken 'm af, maar ik doe een beroep op u allen
om kort en bondig te zijn in de tweede termijn, tenzij er nog vragen
zijn over het rondje overig van de minister. Mevrouw Steen, CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Zeker. Ik wil nog even doorgaan op de Wvg, de Wet voorkeursrecht
gemeenten. Kijk, het vestigen van zo'n voorkeursrecht ... "Het wordt
goed gebruikt" is een prachtige kwalificatie, maar wat is dan "goed" en
is het goed genoeg? Dat is natuurlijk uiteindelijk de vraag die
voorligt: gaat dit gemeenten helpen om dit sneller te doen? Ik zie
namelijk een hele hoop gemeenten in het land die het heel erg spannend
vinden om dit te doen. Die kunnen dit nog veel vaker doen om strategisch
grond aan te kunnen kopen en om zelf regie te kunnen houden op de
plekken waar gebouwd wordt. Mijn vraag is dus: hoe gaan we ervoor zorgen
dat we hiernaar kunnen kijken en inzicht kunnen houden in hoe dit
instrument daadwerkelijk werkt voor gemeenten?
De voorzitter:
Heldere vraag voor de minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Wat ik zal doen, is het opnemen als een vast bespreekpunt met de VNG.
Als daar iets uitkomt wat de moeite waard is, zal ik daarmee
terugkomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we bij de tweede termijn aangekomen. De heer Nobel,
VVD.
De heer Nobel (VVD):
Dank, voorzitter. Ik zal het snel doen. Ik wil de minister bedanken voor
haar antwoorden en voor het toevoegen van een kopje betaalbare koop en
middensegment; dat wordt enorm gewaardeerd vanuit de VVD.
Dan heb ik twee moties naar aanleiding van de antwoorden van de
minister.
De eerste motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat statushouders in veel gemeenten voorrang krijgen bij
de toewijzing van sociale huurwoningen;
overwegende dat in het coalitieakkoord is vastgesteld dat voorrang voor
statushouders bij sociale huurwoningen in veel gemeenten steeds meer
knelt doordat veel Nederlanders langdurig op een wachtlijst staan;
overwegende dat in het coalitieakkoord is vastgesteld dat het kabinet de
voorrang voor statushouders wil verbieden op het moment dat er voldoende
alternatieve huisvesting voor statushouders is;
overwegende dat sommige gemeenten inmiddels alternatieve
huisvestingsoplossingen voor statushouders realiseren en dat deze aanpak
kan bijdragen aan het verminderen van de druk op de sociale huurmarkt en
aan een eerlijkere verdeling van schaarse woningen;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe gemeenten kunnen worden
gestimuleerd en beloond om alternatieve huisvesting voor statushouders
en andere doelgroepen die flexibele woningen nodig hebben te
realiseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel en Flach.
Zij krijgt nr. 9 (36881) (#1).
Er is een vraag voor u van het lid De Hoop, GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Ik begrijp niet zo goed waarom de heer Nobel de noodzaak voelt om deze
motie nu in te dienen. De minister gaf namelijk zelf aan dat ze volgende
week met een brief komt. Dit loopt daar behoorlijk op vooruit. Het staat
nota bene ook nog in het regeerakkoord. Dus wat maakt de heer Nobel zo
onzeker over de voortgang dat hij toch de noodzaak voelt om deze motie
in te dienen, terwijl de minister heeft aangegeven volgende week met een
brief op dit punt te komen?
De voorzitter:
De vraag is helder.
De heer Nobel (VVD):
Omdat de minister aangaf dat zij met een brief zou komen, heb ik ook
heel bewust aan de minister gevraagd of zij bekend was met
voorbeeldgemeenten. Daar was zij wel mee bekend, maar ik heb onvoldoende
antwoord gekregen op de vraag wanneer er sprake is van voldoende
alternatieve huisvesting. Ook op de vraag of we gemeenten die het nu al
doen verder zouden kunnen stimuleren en belonen, heb ik geen antwoord
gekregen. De VVD wil gewoon zo snel mogelijk van die voorrang af en
daarvoor hebben we die alternatieve huisvesting nodig. Vandaar deze
motie.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog in tweede termijn.
De heer Nobel (VVD):
Ja, voorzitter.
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er een groot tekort is aan betaalbare koopwoningen in
Nederland en dat de woningbouwdoelstellingen niet gerealiseerd
worden;
overwegende dat jonge kopers steeds moeilijker een woning kunnen
financieren en op dit moment gemiddeld ā¬100.000 bruto moeten verdienen
om een gemiddelde woning te kunnen kopen;
constaterende dat er eerder een motie-Peter de Groot/Welzijn (36512, nr.
102) is aangenomen om in instructieregels voor woningbouwprojecten op te
nemen dat binnen het aandeel van twee derde betaalbare woningen minimaal
25% aan betaalbare koopwoningen moet worden gebouwd;
constaterende dat provincies en gemeenten die wel minimaal 25%
betaalbare koopwoningen realiseren niet beloond worden;
verzoekt de regering om gemeenten die wel de doelstelling van minimaal
25% betaalbare koopwoningen behalen voorrang te geven op bestaande
regelingen, zoals de Woningbouwimpuls,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel en Steen.
Zij krijgt nr. 10 (36881) (#2).
Dank u wel. Dat was de heer Nobel. Hij sprak namens de VVD. Dan ga ik
naar de heer Flach. Hij spreekt namens de SGP.
De heer Flach (SGP):
Ook van mijn kant dank richting de minister voor de beantwoording.
Kortheidshalve beperk ik me tot twee moties. De eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat als gevolg van het aangenomen
amendement-Flach/Vijlbrief (Kamerstuk 36512, nr. 32) gemeenten de
woonbehoefte van starters in kaart moeten brengen;
constaterende dat in het ontwerpbesluit Versterking regie
volkshuisvesting starters onder andere gedefinieerd worden als
woningzoekende personen tussen de 18 en 30 jaar;
overwegende dat starters veelal gedefinieerd worden als personen tussen
de 18 en 35 jaar, zoals in de startersvrijstelling in de
overdrachtsbelasting;
verzoekt de regering de definitie van "starters" te harmoniseren, en in
het Besluit versterking regie volkshuisvesting het leeftijdscriterium te
verruimen naar personen tussen de 18 en 35 jaar,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Mooiman.
Zij krijgt nr. 11 (36881) (#3).
De heer Flach (SGP):
Dan de tweede. Het gold ook al wel een beetje voor de eerste: ik heb een
aarzeling in het geval van een toezegging. De tweede gaat over de
vergunningstrajecten. Ik heb daar kortheidshalve een toezegging van de
minister op gehad. Ik lees de motie voor en ik laat het aan de minister
over of ze die beantwoordt met een "oordeel Kamer" of dat ze zegt "dat
bedoelde ik ook met mijn toezegging". De motie luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat tijdige en adequate vergunningverlening essentieel is om
voldoende woningen te realiseren;
overwegende dat termijnen soms niet gehaald worden, vergunningstrajecten
om allerlei redenen lang duren of knelpunten ontstaan tussen de
verschillende bestuurslagen;
verzoekt de regering knelpunten bij vergunningverlening in
(woning)bouwprojecten te inventariseren, mogelijke oplossingen in kaart
te brengen, en de Kamer daarover voor de zomer 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Nobel.
Zij krijgt nr. 12 (36881) (#4).
Dank u wel, collega Flach. Ja, als u de microfoon uitdoet, geef ik het
woord aan de heer Mooiman van de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ook ik heb een aantal moties, waarvan de eerste
nadrukkelijk gaat over een woning waarvan de maximumprijs in een
omgevingsplan is opgenomen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het Besluit versterking regie volkshuisvesting voor
middenhuur en sociale huur de start van de minimale
instandhoudingstermijn ligt vanaf de ingebruikname van een woning;
overwegende dat voor betaalbare koopwoningen de start van de minimale
instandhoudingstermijn is gekoppeld aan het sluiten van de
koopovereenkomst, waardoor deze woningen korter beschikbaar zijn voor de
betreffende doelgroep;
verzoekt de regering om vast te leggen dat ook bij betaalbare koop de
minimale instandhoudingstermijn start vanaf de ingebruikname van een
betreffende woning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 13 (36881) (#5).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat starters een nieuwe aandachtsgroep zijn voor het
volkshuisvestingsprogramma en woningzoekenden omvat tussen de 18 en 30
jaar die voor het eerst een zelfstandige woning zoeken of die uitstromen
uit een woning met een tweejaars- of campuscontract;
overwegende dat huurders die uitstromen uit een jongerenwoning buiten
beschouwing blijven, terwijl ook deze categorie te maken heeft met een
tijdelijk huurcontract;
verzoekt de regering om vast te leggen dat ook uitstromende huurders van
jongerenwoningen behoren tot de aandachtsgroep "starters",
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mooiman en Flach.
Zij krijgt nr. 14 (36881) (#6).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Rijk woongerelateerde gegevens verzamelt en deze
beschikbaar stelt op landelijk, provinciaal en regionaal niveau;
overwegende dat verzamelde gegevens zo veel als mogelijk bruikbaar
moeten zijn voor gemeenten;
verzoekt de regering om vast te leggen dat door het Rijk verzamelde
woongegevens ook op gemeentelijk niveau, en waar mogelijk op wijk- en
buurtniveau, beschikbaar worden gesteld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 15 (36881) (#7).
De heer Mooiman (PVV):
Voor die laatste motie refereer ik ook naar het besluit zelf, waar
gemeenten dus inderdaad niet in staan.
Voorzitter. Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de uitvoeringscapaciteit van veel Nederlandse
gemeenten op het gebied van woningbouw onder druk staat;
overwegende dat de uitvoeringscapaciteit van Nederlandse gemeenten
mogelijk kan verbeteren als wordt samengewerkt met Vlaamse gemeenten en
dat eventuele ruimte voor samenwerking nog niet is onderzocht;
verzoekt de regering een haalbaarheidsonderzoek te houden naar
mogelijkheden voor samenwerking tussen Nederlandse en Vlaamse gemeenten
inzake de versterking van uitvoeringscapaciteit om woningbouw te
versnellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 16 (36881) (#8).
De heer Mooiman (PVV):
Over dit laatste hebben wij in de vragenronde over het wetsvoorstel
antwoorden van de minister gevraagd. Daarin gaf zij ook aan dat het nog
niet was onderzocht, maar dat het een interessant idee was. We hopen dus
dat de minister positief kan adviseren.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mooiman. We gaan naar de heer Clemminck, JA21.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Dank uiteraard aan de minister voor het
beantwoorden van de vragen. Voor mijn partij gelden twee dingen. EƩn.
Wij hebben toch wat zorgen over de betaalbaarheidseis in relatie tot het
vlottrekken van de woningbouw. Het tweede is de teleurstelling dat er
bij het schrappen van het amendement niks voor in de plaats gekomen is
als het gaat om de voorrang van statushouders.
Voorzitter. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het vorige kabinet het voornemen heeft uitgesproken om
de mogelijkheid voor gemeenten om statushouders voorrang te geven bij de
toewijzing van sociale huurwoningen te schrappen;
constaterende dat hiermee wordt beoogd dat statushouders bij
woningtoewijzing dezelfde positie krijgen als alle andere
woningzoekenden;
overwegende dat in veel gemeenten statushouders in de praktijk nog
steeds voorrang krijgen via de huisvestingsverordening, terwijl de druk
op de sociale huurmarkt groot is en wachtlijsten voor reguliere
woningzoekenden vaak vele jaren lang zijn;
overwegende dat het schrappen van deze voorrang bijdraagt aan een
gelijkere behandeling van woningzoekenden en meer draagvlak voor het
asiel- en huisvestingsbeleid;
verzoekt de regering het wetsvoorstel dat de mogelijkheid tot voorrang
voor statushouders bij sociale huurwoningen beƫindigt, voortvarend door
te zetten en zo spoedig mogelijk bij de Kamer in procedure te
brengen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 17 (36881) (#9).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige rijksbeleid voor woningbouwprogrammering
uitgaat van een norm waarbij twee derde van de nieuwbouw betaalbaar moet
zijn, waaronder ten minste 30% sociale huur;
overwegende dat deze vaste verhouding in sommige regio's en bij sommige
projecten leidt tot knelpunten in de financiƫle haalbaarheid van
woningbouwprojecten;
overwegende dat er in veel regio's een groot tekort bestaat aan woningen
in het middensegment, zoals middenhuur en betaalbare koop;
overwegende dat meer ruimte voor het middensegment kan bijdragen aan
doorstroming op de woningmarkt en daarmee ook de beschikbaarheid van
sociale huurwoningen kan vergroten;
verzoekt de regering om in het Besluit volkshuisvesting en bijbehorende
instructieregels op te nemen dat bij nieuwbouwprogrammering twee derde
van de woningen betaalbaar is, waarvan 25% sociale huur, zodat er meer
programmeerruimte ontstaat voor middenhuur en betaalbare koop,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 18 (36881) (#10).
Dank u wel. Of had u er nog een? Ja, hoor.
De heer Clemminck (JA21):
Nog ƩƩn, voorzitter. Dank u.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Rijk in het Besluit volkshuisvesting landelijke
betaalbaarheidseisen heeft vastgesteld voor woningbouw;
overwegende dat sommige gemeenten boven op deze landelijke normen
aanvullende of zwaardere betaalbaarheidseisen stellen, waardoor
woningbouwprojecten financieel moeilijker uitvoerbaar worden;
overwegende dat dergelijke lokale koppen op nationale normen kunnen
leiden tot vertraging van de woningbouw en een hogere onrendabele top in
projecten;
overwegende dat het onwenselijk is dat het Rijk via subsidies of andere
rijksbijdragen projecten ondersteunt die door aanvullende lokale eisen
zelf financieel moeilijk uitvoerbaar worden gemaakt;
verzoekt de regering geen rijksbijdragen voor woningbouwprojecten toe te
kennen aan gemeenten die in hun woningbouwprogrammering verdergaande
betaalbaarheidseisen hanteren dan de landelijke normen zoals vastgelegd
in het Besluit volkshuisvesting,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 19 (36881) (#11).
Dank u wel, meneer Clemminck namens JA21. Dan ga ik naar De Hoop,
GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. We bespraken de
Wet regie volkshuisvesting en de Nota Ruimte en we hadden een
commissiedebat de afgelopen week. Ik benijd de minister niet in haar
eerste week, wil ik toch ook even gezegd hebben.
Voorzitter. Allereerst een motie van mijn kant, samen met de heer
Grinwis.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de betaalbaarheidseisen voor de nieuwbouw zijn
afgezwakt ten opzichte van het originele voorstel;
overwegende dat er een risico is dat de bouw van betaalbare woningen
wordt uitgesteld door lange regionale overleggen;
overwegende dat grote gemeenten met veel betaalbare huurwoningen minder
sociale huur mogen bouwen;
verzoekt de minister om, wanneer binnen een halfjaar na inwerkingtreding
van de wet nog geen afspraken zijn gemaakt in een woningbouwregio en
daar ook geen zicht op is, erop te sturen dat iedere gemeente in de
betreffende woningbouwregio 30% sociale huur en 37% woningen in het
middensegment moet gaan programmeren;
verzoekt de minister daarbij ruimte te bieden om lokaal af te wijken om
volkshuisvestelijke redenen;
verzoekt de minister hiervoor indien nodig het ontwerpbesluit aan te
passen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Grinwis.
Zij krijgt nr. 20 (36881) (#12).
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Dan zeg ik ook maar gelijk dat mijn fractie voor deze wet
gaat stemmen, omdat wij het ontzettend belangrijk vinden dat er snel
meer betaalbare woningen bij komen, maar het allerbelangrijkste is dat
corporaties meer financiƫle slagkracht en ruimte krijgen. Wat dat
betreft was ik positief verrast door de beantwoording van de minister,
waarin zij aangaf dat zij denkt dat we dat laatste gat van 10 miljard
ook kunnen dichten met elkaar. Ik ben heel benieuwd hoe dat ingevuld
gaat worden, maar daarover krijgen we nog een brief van de minister, dus
die zien we graag tegemoet.
Ten slotte over de voorrang voor statushouders. Ik vind het toch wel
ingewikkeld dat op het moment dat de minister zelf in een brief aangeeft
terug te komen op hoe ze dat wetsvoorstel verder brengt, nota bene een
coalitiepartij alweer een motie indient om daar keihard op te duwen en
door te denderen. Dat lijkt me onverstandig. Ik zou de minister er echt
toe willen oproepen om het wetsvoorstel gewoon in te trekken, zodat we
zo snel mogelijk meer betaalbare woningen kunnen realiseren en ons met
de hoofdzaken kunnen bezighouden, om de woningnood daadwerkelijk op te
lossen met elkaar.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was het lid De Hoop namens GroenLinks-PvdA. Dan ga ik
naar Van Leijen, D66.
De heer Van Leijen (D66):
Voorzitter, dank. Ik heb geen moties voor nu. Ik denk dat de
woningzoekende het meest geholpen is als we deze wet zo snel mogelijk
aannemen, dus ik hoop dat we heel snel dat heuglijke feit kunnen vieren
met elkaar.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de minister voor alle antwoorden en
toezeggingen. Ik sluit me aan bij wat collega De Hoop zei: dit is in een
kleine week toch wel een behoorlijk diepe duik in dit prachtige
onderwerp en dossier, met al zijn variƫteit. De toezeggingen die de
minister heeft gedaan, besparen weer moties, dus die houd ik vandaag op
zak.
Ik heb nog wel zorgen over de toezegging inzake de volledige
financierbaarheid van de volledige Nationale Prestatieafspraken. We
krijgen er een brief over, maar hoe kun je via onderling bijspringen 10
miljard resterend tekort wegtoveren? Dat is toch onmogelijk te doen met
projectsteun? Hoe dan wel? Ik zie uit naar die brief. Hopelijk is die er
snel.
Afrondend. Ik zal mijn fractie adviseren om voor deze novelle te
stemmen, niet omdat de Wet versterking regie volkshuisvesting daarmee
perfect is geworden, maar wel omdat deze wet heel hard nodig is om bij
te dragen aan het lenigen van de grote nood aan betaalbare huizen en
omdat deze novelle voorkomt dat we verder gaan rondbanjeren in een
staatsrechtelijke modderpoel.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Grinwis. Mevrouw Steen, CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter, dank. Ook dank aan de minister voor haar beantwoording, de
toezeggingen en het uitstralen van urgentie. De versnellingstafels, het
parallel plannen en de Wvg zijn voor ons echt van belang.
Ik dien samen met de heer Nobel een motie in over een positieve prikkel
voor betaalbare koop.
Ik moedig de minister hierbij aan om niet schuw te zijn met het inzetten
van haar bestuurlijk instrumentarium en de aanwijzingen. Het is namelijk
wel gewoon echt nodig. Ik vind ook dat we moeten laten zien dat het ons
menens is wat betreft de afspraken rond die 30% en twee derde
betaalbaar, anders dan dat we misschien in het verleden hebben
gedaan.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Steen namens het CDA. Meneer Grinwis, zou u het
voorzitterschap kunnen overnemen?
Voorzitter: Grinwis
De voorzitter:
Maar natuurlijk, mevrouw Beckerman. Aan u het woord.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel. Ik heb vier moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet in het Nationaal Actieplan Dakloosheid als
doel heeft gesteld om dakloosheid in 2030 te beƫindigen;
verzoekt de regering de doelen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid
ongewijzigd na te streven en een plan te presenteren aan de Kamer hoe
zij de doelen voor 2030 alsnog gaat halen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 21 (36881) (#13).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer heeft besloten dat dakloze gezinnen met
minderjarige kinderen recht moeten hebben op urgentie bij de toewijzing
van sociale huurwoningen;
constaterende dat verschillende uitsluitingsgronden en aanvullende
voorwaarden ertoe kunnen leiden dat dit recht in de praktijk moeilijk
toepasbaar wordt;
overwegende dat dakloosheid zich in verschillende vormen voordoet,
waaronder mensen die feitelijk dakloos zijn, tijdelijk bij anderen
verblijven of dreigen hun woning te verliezen;
overwegende dat de Europese ETHOS-definitie een breed en internationaal
erkend kader biedt voor het definiƫren van dakloosheid;
verzoekt de regering de uitsluitingsgronden die het recht op urgentie
voor dakloze gezinnen beperken te schrappen en een nieuw voorstel voor
te bereiden dat urgentie mogelijk maakt voor mensen die volgens de
ETHOS-definitie dakloos zijn of dreigen te worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 22 (36881) (#14).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er een groot tekort is aan betaalbare huurwoningen en
wachttijden voor sociale huur in veel gemeenten jarenlang zijn;
overwegende dat in een periode van woningnood het aantal en aandeel
sociale huurwoningen niet verder mag afnemen;
verzoekt de regering te waarborgen dat het aantal en het aandeel sociale
huurwoningen niet afneemt en maatregelen te treffen om te voorkomen dat
verkoop of sloop zonder voldoende vervangende nieuwbouw leidt tot een
verdere afname van de sociale woningvoorraad,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 23 (36881) (#15).
Mevrouw Beckerman (SP):
De laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat sommige gemeenten meer sociale huur willen bouwen dan
het landelijke minimum en dat dit juist kan bijdragen aan het oplossen
van de wooncrisis;
overwegende dat gemeenten die meer sociale huur willen bouwen daarin
niet belemmerd of ontmoedigd moeten worden;
verzoekt de regering te waarborgen dat gemeenten die meer sociale
huurwoningen realiseren dan het landelijke minimum niet worden
gesanctioneerd of financieel worden benadeeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 24 (36881) (#16).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dat deed u in sneltreinvaart, mevrouw Beckerman. Het begin van een motie
luidt iedere keer "de Kamer gehoord de beraadslaging", maar dat kennen
we inmiddels wel. Dank dus voor uw sneltreinvaart en de vier moties. Ik
geef het voorzitterschap bij dezen weer terug.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk naar de minister om te zien of er behoefte is aan
een schorsing of dat we meteen doorkunnen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Nee, ik heb behoefte aan een schorsing van ongeveer een kwartier.
De voorzitter:
Dat snap ik. Een kwartier dus. Ik schors de vergadering tot 19.30
uur.
De vergadering wordt van 19.14 uur tot 19.30 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde
van het kabinet. Ik wil alvast mijn complimenten uitdelen aan de
minister, maar vooral aan alle ambtenaren die ik rond zag rennen om al
onze moties zo snel te kunnen beoordelen. Het woord is aan de
minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel. Natuurlijk ben ik het helemaal met u eens.
Voordat ik op de moties kom: ik heb nog twee openstaande vragen waarop
ik zou terugkomen in tweede termijn, namelijk een vraag van de
ChristenUnie en een vraag van JA21. De vraag van JA21 gaat over de WBI.
Wij helpen gemeenten met de WBI en de realisatiestimulans. De hoogte van
de WBI is afhankelijk van het tekort op een project. Daarmee wordt
indirect rekening gehouden met verschillen in opbrengsten. De
grondprijzen verschillen ook per regio.
Dan de vraag van de heer Grinwis van de ChristenUnie over hoe de 10
miljard bij elkaar te brengen is met onderlinge solidariteit. Ik snap en
ik deel de zorg van de heer Grinwis. Dit is een uitdagende opgave. Ik
kom in de brief hier uitgebreider op terug, maar alvast twee dingen.
EƩn. Met de verlaging van de Vpb en de ruimte die vanuit Brussel
ontstaat, verkleinen we het tekort en kopen we vooral tijd. Ik vind het
belangrijk dat onderlinge solidariteit wordt benut en ga bezien wat er
mogelijk is en wat er dan nog overblijft. Zoals woensdag al is
toegezegd, ga ik onafhankelijk deskundig advies vragen over een duurzame
financiƫle positie op de lange termijn.
Dan de moties. De motie op stuk nr. 9, van de heer Nobel van de VVD,
over het stimuleren van gemeenten: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 10, ook van de VVD, over de voorrang op de 25%
betaalbare koop: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 11, van de SGP, over het leeftijdscriterium ten
aanzien van starters uitbreiden naar personen tussen 18 en 35 jaar, in
plaats van tussen 18 en 30 jaar: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 12, van de SGP, over knooppunten bij
vergunningverlening inventariseren. Als ik uw motie zo mag lezen dat ik
uw Kamer op hoofdlijnen informeer over de knelpunten en de oplossingen
daarvoor, dan geef ik deze motie oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 13, van de PVV, over de instandhoudingstermijn
koop: die ontraad ik, want die leidt tot uitvoeringsproblemen in verband
met de aftrekbaarheid van de hypotheekrente.
De motie op stuk nr. 14, van de PVV, over de starters: oordeel Kamer.
Dat is een omissie. We gaan dit toevoegen.
Dan de motie op stuk nr. 15. Als ik die zo mag lezen dat het gaat over
het gemeentelijk niveau, dan is het oordeel Kamer. Als de motie ook gaat
over wijk- en buurtniveau, dan is het oordeel: ontraden.
De motie op stuk nr. 16, ook van de PVV, over samenwerking met Vlaamse
gemeenten. Als ik die zo mag lezen dat ik met die gemeenten in gesprek
ga, dan is het oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 17, van JA21, over het doorzetten van het
afschaffen van de voorrang voor statushouders. Die is ontijdig. Ik heb u
een brief toegezegd vóór 24 maart, waar ik zojuist 23 maart van heb
gemaakt.
De motie op stuk nr. 18, van JA21, over meer ruimte middensegment
woningbouw, ontraad ik. We moeten betaalbare woningen bouwen voor zowel
lage als middeninkomens. Er is behoefte aan 30% sociale huur. Dit blijkt
uit onderzoek van ABF. Meer ruimte voor het middensegment kan niet ten
koste gaan van de bouw voor lage inkomens. Daarom ontraad ik deze
motie.
De motie op stuk nr. 19, over geen rijksbijdrage bij extra lokale
betaalbaarheidseisen, moet ik ontraden, want die is te absoluut.
De motie op stuk nr. 20, van GroenLinks-PvdA, over tijdige verdeling
regionale afspraken betaalbaar bouwen: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 21, van mevrouw Beckerman van de SP, over het
Nationaal Actieplan Dakloosheid, is ontijdig. Ik ga in gesprek met mijn
collega-minister Mirjam Sterk en zij informeert uw Kamer voor de zomer
over de concrete maatregelen.
De motie op stuk nr. 22, van de SP, over dakloze gezinnen: ontraden. De
groep wordt hierdoor te groot. In de verdeling van schaarste moeten er
keuzes worden gemaakt. Er is voor gekozen om de groep zo goed mogelijk
te objectiveren, zodat het ook uitvoerbaar is.
De motie op stuk nr. 23, over het tekort aan betaalbare huurwoningen,
ontraad ik. Ik richt mij niet op het aandeel, maar op absolute
toename.
De motie op stuk nr. 24, over sommige gemeenten meer sociale huur,
ontraad ik. Ik vind het belangrijk dat woningbouwprojecten niet
stilvallen. Daarom ontmoedig ik bovenmatige betaalbaarheidseisen via
financiƫle regelingen.
Voorzitter: Grinwis
De voorzitter:
Ik geef als waarnemend voorzitter graag het lid Beckerman de gelegenheid
om even te interrumperen naar aanleiding van de oordelen over haar
moties.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik heb een vraag over de motie op stuk nr. 21. Daarvan zei de minister
dat die ontijdig was. Ik wil de minister erop wijzen dat het inmiddels
2026 is. In het Nationaal Actieplan Dakloosheid is afgesproken dat in
2030 niemand meer dakloos hoeft te zijn. Dat is dus al heel snel, maar
we zien juist dat het aantal dakloze mensen niet afneemt, maar aan het
toenemen is. Ik vind het toch wat makkelijk om te zeggen: ontijdig. Zij
kan nu namelijk ook zeggen: ik ga met mijn collega overleggen en ik zorg
dat er voor de stemming een oordeel is. Ontijdig vind ik eigenlijk niet
passen bij het tempo dat er gemaakt zou moeten worden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik wil graag eerst met mijn collega-minister hierover afstemmen, dus ik
hou het nog even op ontijdig.
Mevrouw Beckerman (SP):
Maar het is gebruikelijk dat ministers onderling afstemmen. Ik zou
gewoon willen vragen of de minister voor de stemmingen van volgende week
dinsdag een brief daarover zou willen sturen met een echt oordeel, want
ik vind ontijdig best ingewikkeld om mee te leven. We hebben inmiddels
gezien dat de minister heel snel kan zijn met brieven schrijven. Ik zou
deze minister ook willen oproepen, net als we bij de vorige minister
hebben gedaan: als je zegt "wonen eerst", dan moet de minister van Wonen
ook eerst aan de slag, want anders halen we het gewoon niet. Dus
nogmaals, de oproep aan de minister is: kom in overleg met een goed
oordeel via een brief.
De voorzitter:
Een oproep aan de minister. Als de minister vindt dat haar collega Sterk
primair verantwoordelijk is om hier een oordeel over te sturen, dan kan
de vraag ook zo worden opgevat, als het oordeel er maar is voor de
stemmingen van volgende week dinsdag. Dat is de vraag van mevrouw
Beckerman.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
U dacht waarschijnlijk: zo kijkt een hert in de koplampen. Dan moet ik
'm volgens mij ontraden, omdat mijn collega-minister hier voor de zomer
op gaat terugkomen.
De voorzitter:
OkƩ. Wie ben ik om hierover als waarnemend voorzitter de strijd met de
minister aan te gaan? Het kan zo, maar het hoeft niet. Het kan ook zijn
dat de minister zegt: ik leg het even neer bij minister Sterk, de
minister van Langdurige Zorg et cetera, zodat zij kan afwegen of zij
voor de stemmingen met een oordeel kan komen.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voorzitter, dank. Ik ga voor die optie.
De voorzitter:
Dank aan de minister. Dan is bij dezen dus afgeconcludeerd dat de
minister van VRO aan haar collega vraagt of zij bereid is voor de
stemmingen van volgende week dinsdag een brief met een oordeel over deze
motie te sturen. Vooralsnog staat er bij deze motie wel "ontijdig" en
doen we het daarmee. Ja? Dan heeft elke motie een oordeel. Mevrouw
Beckerman, heeft u nog over een andere motie een vraag?
Mevrouw Beckerman (SP):
Nee, ik wou het voorzitterschap terug.
De voorzitter:
OkƩ, dan geef ik het hierbij terug, maar dan heb ik zelf nog een kleine
vraag aan u.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Helemaal goed, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Wij wisselen hier vloeiend van rol, voorzitter. Ik heb namelijk nog wel
een vraag over de motie op stuk nr. 23, van collega Beckerman. De
minister zegt: wij doen niet aan aandeelsturing; ik stuur op aantallen.
Collega Beckerman vraagt echter ook om te waarborgen dat het aantal
sociale huurwoningen per saldo niet afneemt. Wat vindt de minister dan
van dat deel van de oproep in de motie? Zit het echt vast op het woordje
"aandeel"? Mevrouw Beckerman heeft het over beide. De minister zal toch
ook niet willen uitdrukken dat ze deze motie ontraadt omdat het aantal
sociale huurwoningen prima kan afnemen?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Volgens mij gaat deze hele wet erom dat we doelen vaststellen en dat we
die willen halen, maar dat gaat wel om een absolute toename van de
aantallen. Dat staat nu niet zo in deze motie. Als dat anders in deze
motie had gestaan, was het antwoord anders geweest, maar dat staat er nu
niet.
De voorzitter:
Dan geef ik het voorzitterschap weer aan de heer Grinwis.
Voorzitter: Grinwis
Mevrouw Beckerman (SP):
Als we simpelweg het stukje "en het aandeel" schrappen, komt de motie te
luiden: "verzoekt de regering te waarborgen dat het aantal sociale
huurwoningen niet afneemt". Verandert dat het oordeel?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Kijk aan, dat is dan mooi opgelost. Ik geef het voorzitterschap met
plezier weer terug aan mevrouw Beckerman.
Voorzitter: Beckerman
De voorzitter:
Dank u wel. De minister was aan het einde gekomen van de beoordeling van
de moties. Daarmee zijn we bijna gekomen bij het einde van de
vergadering. Maar ik sluit niet voordat ik nog even de toezeggingen met
u heb doorgenomen en ⦠Ah, de amendementen moeten nog beoordeeld worden!
Excuses. Omdat dit een novelle is, vragen we de minister ook direct een
oordeel te geven over de ingediende amendementen. Er is nog maar ƩƩn
amendement dat u van een oordeel hoeft te voorzien, minister. Er wordt
heel hard "oordeel Kamer" gefluisterd, maar ik denk niet dat dat gaat
lukken.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Voorzitter, mijn oor aan de linkerkant begint in kwaliteit af te nemen.
Er ligt een amendement van de ChristenUnie, GroenLinks en de PvdA op
stuk nr. 45. Dat amendement ontraad ik, want een vast
betaalbaarheidspercentage per gemeente op sociaal en betaalbaar geeft
onvoldoende ruimte om rekening te houden met verschillen tussen
gemeenten, verschillen in behoeften en de bestaande voorraad. De
aanvulling met "ten minste" is niet wenselijk, omdat te veel betaalbare
woningen programmeren ervoor zorgt dat projecten stagneren of uitmonden
in eindeloze discussies. Ik wil juist vaart maken met de
woningbouwopgave. Door de betaalbaarheid op besluitniveau te blijven
regelen in plaats van in de wet, zoals nu wordt voorgesteld, kan dit
sneller aangepast worden als dat noodzakelijk is vanwege een gewijzigde
opgave. De betrokkenheid van uw Kamer is via de verplichte voorhang op
grond van de Omgevingswet geborgd, evenals bij iedere wijziging van dit
besluit.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik de toezeggingen met u doornemen.
Dit voorjaar ontvangt de Kamer een brief over de invulling van de maatregelen die zijn aangekondigd in het coalitieakkoord met betrekking tot de financiƫle situatie van woningcorporaties en het kunnen uitvoeren van de Nationale Prestatieafspraken. In deze brief neemt de minister tevens de onderbouwing/berekening van de stelling op dat het financiƫle tekort voor de uitvoering van de Nationale Prestatieafspraken met de maatregelen die het kabinet aankondigt, kan worden opgelost.
Die toezegging lijkt wel heel sterk op die toezegging van vorige week, maar er zit nu een stukje bij vanaf "In deze brief neemt de minister tevens ā¦". Dit is een toezegging aan het lid Grinwis.
In het eerste kwartaal van 2027 stuurt de minister de Kamer een brief over de inzet van de mogelijkheid die de minister heeft om een instructiebesluit te nemen.
Voor het meireces ontvangt de Kamer een beleidsbrief over de uitvoering van de gewijzigde motie-Peter de Groot/Welzijn (36512, nr. 102) over 25% betaalbare koop bij nieuwbouw.
De minister zal voor de uitwerking van de regeling met betrekking tot het aangenomen amendement (36512, nr. 9) over de urgentie voor dakloze gezinnen met kinderen in overleg treden met belangenbehartigers voor daklozen, zoals Valente en Dakloosheid Voorbij.
Dit is een toezegging aan het lid Grinwis. Hier staat nog geen datum
bij, anders dan "voor de uitwerking".
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat is dan kort na 30 maart.
De voorzitter:
"Kort na 30 maart" is mooi. OkƩ.
Uiterlijk 23 maart ontvangt de Kamer de reeds gevraagde brief over de Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders.
Voor de zomer volgt een brief over hoe de minister gaat zorgen voor voldoende alternatieve huisvesting.
Dat is een toezegging aan het lid Nobel.
In september 2026 ontvangt de Kamer een brief over de ervaring met parallel plannen en de handreiking snelheid in proces aan de versnellingstafels.
Dat waren zo te zien de toezeggingen. Daarmee zijn we echt aan het einde gekomen van deze vergadering. Ik dank u allen voor uw soms hoogoplopende bijdrages. Wel thuis!
Sluiting 19.44 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|