Amendement van de leden Ceder en Westerveld over een voorhang bij artikel 9, achtste lid
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Amendement
Nummer: 2026D12907, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-20 12:12, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.G.M. Ceder, Tweede Kamerlid (ChristenUnie)
- Mede ondertekenaar: E.M. Westerveld, Tweede Kamerlid (GroenLinks-PvdA)
Onderdeel van kamerstukdossier 36871 -11 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) .
Onderdeel van zaak 2026Z05664:
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 871 | Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) | |
| Nr. 11 | AMENDEMENT VAN De leden CEDER en westerveld | |
| Ontvangen 20 maart 2026 | ||
| De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: | ||
Artikel I, onderdeel I, subonderdeel 4, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt “wordt een lid” vervangen door “worden twee leden”.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
10. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Toelichting
Indieners stellen met dit amendement een voorhangprocedure in bij de regels die de Minister kan stellen volgens artikel 9, achtste lid, ten aanzien van de verblijfstitel, de geldigheidsduur en de gevallen waarin die korter dan drie jaar mag zijn, de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur en de vergoeding ervan. Indieners vinden het van belang dat de Kamer zich over deze regels uit kan spreken. Dit sluit aan bij de kritiek van de Afdeling Advisering van de Raad van State (de Afdeling), die stelt dat ‘de delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt neergelegd’. De volksvertegenwoordiging en de regering behoren namelijk ‘samen de voornaamste keuzes over de inhoud van het recht (…) te maken’. Als er dan gekozen wordt voor delegatie van regelgevende bevoegdheid, dan moet het volgens de Afdeling beperkt zijn tot ‘voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed worden vastgesteld.’ Indieners menen dat de inhoud van artikel 9, achtste lid, iets meer omvat dan het door de Afdeling gestelde inperking. Nu de regering hier toch voor heeft gekozen, vinden indieners het des te meer van belang om de volksvertegenwoordiging als medewetgever een rol te geven bij de inhoud van de regeling. De Tweede en Eerste Kamer krijgen met dit amendement vier weken om de regeling inhoudelijk te behandelen in een (schriftelijk) debat, een zogenaamde ‘lichte’ voorhang.
Ceder
Westerveld