Amendement van de leden Ceder en Westerveld over een voorhang bij artikel 55.0a, vierde lid
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Amendement
Nummer: 2026D12913, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-20 12:23, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: D.G.M. Ceder, Tweede Kamerlid (ChristenUnie)
- Mede ondertekenaar: E.M. Westerveld, Tweede Kamerlid (GroenLinks-PvdA)
Onderdeel van kamerstukdossier 36871 -15 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) .
Onderdeel van zaak 2026Z05669:
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 871 | Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) | |
| Nr. 15 | AMENDEMENT VAN de leden CEDER en westerveld | |
| Ontvangen 20 maart 2026 | ||
| De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: | ||
In artikel I, onderdeel AT, wordt aan het voorgestelde artikel 55.0a een lid toegevoegd, luidende:
5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Toelichting
Indieners stellen met dit amendement een voorhangprocedure in bij de mogelijkheid van een algemene maatregel van bestuur (amvb) die nadere voorwaarden stelt voor de toepassing van artikel 55.0a dat ziet op het toewijzen van een vreemdeling aan een geografisch gebied in Nederland waarbinnen hij zich vrij kan bewegen gedurende de duur van de asielprocedure, als dit zorgt voor een efficiënte verwerking van zijn aanvraag of voor de geografische spreiding van vreemdelingen. Indieners vinden het van belang dat de Kamer zich hierover uit kan spreken. Dit sluit aan bij de kritiek van de Afdeling Advisering van de Raad van State (de Afdeling), die stelt dat ‘de delegatie van regelgevende bevoegdheid in de delegerende regeling zo concreet en nauwkeurig mogelijk wordt neergelegd’. De volksvertegenwoordiging en de regering behoren namelijk ‘samen de voornaamste keuzes over de inhoud van het recht (…) te maken’. Als er dan gekozen wordt voor delegatie van regelgevende bevoegdheid, dan moet het volgens de Afdeling beperkt zijn tot ‘voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed worden vastgesteld.’ Indieners menen dat de inhoud van artikel 55.0a lid 4 meer omvat dan het door de Afdeling gestelde inperking en dat de afbakening van delegatiebepaling niet nauwkeurig is bepaald, en vinden het daarom des te meer van belang om de volksvertegenwoordiging als medewetgever een rol te geven bij de inhoud van de amvb. Tweede en Eerste Kamer krijgen met dit amendement vier weken om de amvb inhoudelijk te behandelen in een (schriftelijk) debat, een zogenaamde ‘lichte’ voorhang.
Ceder
Westerveld