De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM
Schriftelijke vragen
Nummer: 2026D12940, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-20 13:35, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Krijg melding als deze vragen beantwoord worden:
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: M.P. Hoogeveen, Tweede Kamerlid
Onderdeel van zaak 2026Z05634:
- Gericht aan: E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
(ingezonden 20 maart 2026)
Vragen van het lid Hoogeveen (JA21) aan de staatssecretaris van Financiën over de verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, alsmede over de ongelijke werking van het heffingsvrije resultaat voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar €210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts €400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 eur overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, -5.000 euro, +15.000 euro, -5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?