Amendement van de leden Westerveld en Dassen over gezinshereniging ook mogelijk maken voor pleegkinderen en voor mensen die in het land van herkomst niet mogen trouwen
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Amendement
Nummer: 2026D13072, datum: 2026-03-20, bijgewerkt: 2026-03-20 17:55, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: E.M. Westerveld, Tweede Kamerlid (GroenLinks-PvdA)
- Mede ondertekenaar: L.A.J.M. Dassen, Tweede Kamerlid (Volt)
Onderdeel van kamerstukdossier 36871 -26 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) .
Onderdeel van zaak 2026Z05739:
- Voortouwcommissie: TK
Preview document (🔗 origineel)
| TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL | 2 | |
| Vergaderjaar 2025-2026 | ||
| 36 871 | Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) | |
| Nr. 26 | AMENDEMENT VAN de leden Westerveld en dassen | |
| Ontvangen 20 maart 2026 | ||
| De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor: | ||
In artikel I, onderdeel T, wordt het voorgestelde artikel 29c, eerste lid, als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a, wordt na “echtgenoot” ingevoegd “, de partner die zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin, en die het in het land van herkomst niet is toegestaan met die vreemdeling een huwelijk aan te gaan,”.
2. In onderdeel b vervalt “biologische of geadopteerde”.
Toelichting
Met dit amendement wordt geregeld dat gezinshereniging ook mogelijk is voor pleegkinderen en voor mensen die in het land van herkomst niet mogen trouwen omdat zij bijvoorbeeld LHBTIQ+ persoon zijn. De indiener stelt dat de reguliere migranten wel de mogelijkheid behouden om te herenigen met pleegkinderen en pleegkinderen die met de vluchtelingen meereizen wel een vergunning kunnen krijgen. Dit onderscheid is niet te rechtvaardigen. Bovendien, in oorlog en vervolgingssituaties komt het voor dat ouders overlijden en bijvoorbeeld een broer, tante of oma de zorg voor een kind op zich nemen. In de vluchtelingencontext is vaak geen mogelijkheid om een familierechtelijke band met een kind te formaliseren. Ook is het soms niet gebruikelijk, of zoals in veel Arabische landen, zelfs niet toegestaan om de adoptie te formaliseren.
Met het onderhavig wetsvoorstel wordt de mogelijkheid voor ongehuwde partners om te kunnen nareizen geschrapt. De maatregel heeft beperkt effect aangezien in een aanzienlijk deel van de nareisaanvragen voor ongehuwde partners de aanvraag wordt ingediend in combinatie met één of meer minderjarige kinderen. Dan heeft de andere ouder alsnog via artikel 8 EVRM de mogelijkheid om gezinshereniging aan te vragen. Met dit amendement wordt de mogelijkheid voor ongehuwde partners wettelijk verankerd.
De uitwerking van deze maatregel zal in de praktijk, specifiek voor LHBTIQ+ personen discriminatoir uitpakken. Zo valt te denken aan situaties van vreemdelingen voor wie het (feitelijk) onmogelijk is om in het land van herkomst te huwen. Het gaat dan bijvoorbeeld om landen waarin homoseksuele relaties niet allen niet erkend worden, maar zelfs strafbaar zijn. De indieners stellen dat Nederland een voortrekkersrol moet blijven spelen als het gaat om de bescherming van de LHBTIQ+ personen, specifiek in zaken waarbij mensen worden vervolgd vanwege hun seksuele geaardheid.
Ten aanzien van het uitsluiten van relaties van hetzelfde geslacht heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens al eerder bepaald dat er geen sprake is van een objectief en gerechtvaardigd onderscheid als deze van hereniging worden uitgesloten1. Het uitsluiten van deze relaties is ook in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn (overweging 5): “De lidstaten passen deze richtlijn toe zonder onderscheid te maken op grond van ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.”
Westerveld
Dassen
ECHR, Pajić v Croatia, No 68453/13, 23 februari 2016, http://bit.ly/3w6sqxO.↩︎